CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL

VAN 14 JULI 1983 ( 1 )

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

Verzoekster, die in drie fabriekshallen (Casto, Sarezzo en Settimo) staalprodukten vervaardigt, werd door de Commissie bij brief van 19 september 1980 in kennis gesteld van de haar voor het vierde kwartaal van 1981 toegekende quota voor de produktie van ruw staal en van de produktencategorieën II en IV bedoeld in de uit veel zaken bekende beschikking nr. 2794/80 (PB L 291 van 31. 10. 1980, biz. 1). Bij beschikking van 23 februari 1981 werd verzoeksters quotum voor ruw staal verhoogd; ook het quotum voor categorie IV werd, naar de Commissie bij brief van 25 maart 1981 werd medegedeeld, door aankoop bij andere ondernemingen verhoogd, terwijl voorts overboeking van het in het vierde kwartaal 1980 niet uitgeputte quotum naar het eerste kwartaal van 1981 — overeenkomstig artikel 8, lid 2, van beschikking nr. 2794/80 — tot verdere verhoging leidde.

Na afloop van het eerste kwartaal van 1981 bleek verzoekster meer te hebben geproduceerd dan haar volgens de quotaregeling was toegestaan. Zijzelf meent uit haar geregelde opgaven aan de Commissie te kunnen afleiden dat zij, wat betreft categorie II, haar quotum met 1157 ton, en wat betreft categorie IV, haar quotum met 4331 ton, totaal 5488 ton, heeft overschreden. De Commissie zou evenwel aan de hand van de rapporten van haar controleurs hebben vastgesteld dat verzoekster haar quotum, wat categorie II betreft, niet geheel heeft opgenomen, terwijl haar overschrijding wat categorie IV betreft, in aanmerking genomen de tolerantie van artikel 8 der beschikking, het door verzoekster genoemde totaal van 5488 ton zou hebben belopen.

Op de overschrijding van haar quota heeft verzoekster de Commissie reeds in een telex van 7 april 1981 attent gemaakt; zij wees erop dat zij, aanstonds na de mededeling der quota, de nodige stillegging van haar bedrijven had geprogrammeerd en de vakbonden daarvan in kennis had gesteld; dat er evenwel door een wijziging van het produktieprocédé van de walserij te Casto in de tweede helft van de maand maart meer dan de geprogrammeerde hoeveelheid was geproduceerd, hetgeen zij niet zou hebben kunnen voorzien. Ook zou het grootste deel van de overproduktie zijn opgeslagen, dus niet voor verdere leveringen zijn gebruikt, terwijl zij bij wijze van compensatie haar produktie met ingang van april 1981 zou beperken.

De Commissie reageerde vooreerst niet. Pas op 19 januari 1982 wendde zij zich tot verzoekster met een brief, waarin werd vastgesteld, dat het er volgens de rapporten van haar controleurs voor moest worden gehouden dat verzoekster haar produktiequotum voor categorie IV met 5488 ton had overschreden, hetgeen volgens artikel 9, lid 1, van beschikking nr. 2794/80 (75 Ecu per ton overschrijding) tot oplegging van een boete van 411600 Ecu zou moeten leiden.

Verzoekster bepaalde te dien aanzien, zoals haar door de Commissie in overweging was gegeven, in een brief van 1 februari 1982 haar standpunt. Zij wees er nogmaals op dat het door de inbedrijfstelling van de verbeterde^installaties te Casto tot een onvoorzienbare overproduktie was gekomen en dat genoemde omstandigheid niet tot verdere bedrijfsstilleggingen had kunnen voeren dan met de vakbonden reeds waren overeengekomen. Bovendien zou het bij de overproduktie gaan om universaalstaal, een niet-problematische sector, waarvoor het stelsel van bindende produktiequota later niet meer gold. Tenslotte zou de totale produktie van het jaar 1981 in aanmerking moeten worden genomen.

Nadat verzoekster op 18 maart 1982 was gehoord, werd er op 11 juni 1982 overeenkomstig artikel 9 van beschikking nr. 2794/80 een beschikking genomen, waarbij de boete wegens overschrijding van het produktiequotum voor categorie IV in het eerste kwartaal van 1981 — met 5488 ton — op 411600 Ecu (is 544699092 lire) werd bepaald: de boete moest binnen twee maanden na betekening der beschikking worden betaald.

Verzoekster wendde zich toen op 16 juli 1982 tot het Hof van Justitie met vordering dat de beschikking van 11 juni 1982 zou worden nietigverklaard; subsidiair verzocht zij de boete tot een symbolisch bedrag te verlagen, althans tot een belangrijk lager bedrag dan waarop zij bij de beschikking was bepaald.

Met betrekking tot verzoeksters door de Commissie niet steekhoudend geachte redenering, bepaal ik als volgt mijn standpunt:

1. De eerste beroepsgrond

Verzoekster beroept zich daarin op artikel 58, lid 4, van het EGKS-Verdrag:

„De Hoge Autoriteit kan aan ondernemingen, die haar beschikkingen gegeven ter uitvoering van dit artikel overtreden, boeten opleggen tot ten hoogste een bedraag gelijk aan de waarde van de ongeoorloofde produktie.”

Daaruit zou volgen dat de Commissie te dezen beschikt over een discretionaire marge, waarvan zij ook gebruik zou dienen te maken. Er zou dus niet in alle gevallen mogen worden gewerkt met de uniforme boetebedragen voorzien in artikel 9 van beschikking nr. 2794/80:

„Aan de ondernemingen die hun produktiequotum of het gedeelte van dit quotum dat volgens artikel 7, leden 2 en 3, in de gemeenschappelijke markt mag worden geleverd, overschrijden zal een boete worden opgelegd die in de regel Ecu 75 bedraagt voor iedere ton waarmede het quotum voor gewoon staal wordt overschreden en Ecu 150 voor iedere ton waarmede het quotum voor speciaal staal wordt overschreden.”

Wordt zulk een — als maximum te beschouwen — boete opgelegd, dan zou die boeteoplegging moeten worden gemotiveerd. Zodanige redengeving ontbreekt in casu, zodat de aangevochten individuele beschikking zou moeten worden nietigverklaard.

Daartegenover betoogt de Commissie dat zij in het aangehaalde artikel 9 haar eigen discretionaire bevoegdheid heeft ingeperkt, hetgeen, anders dan verzoekster waar wil hebben, ook mogelijk is in een norm die hiërarchisch niet met artikel 58 EGKS-Verdrag gelijk staat. Waarom zij dit heeft gedaan, staat te lezen in de negende overweging van de considerans van beschikking nr. 2794/80:

„Om de doeltreffendheid van het quotastelsel te verzekeren, moet elke overschrijding daadwerkelijk worden bestraft met een boete die wordt vastgesteld naar gelang van de ongeoorloofde geproduceerde hoeveelheid.”

De aldus door de Commissie automatisch toegepaste sancties zijn dus geen maxima, zodat een redengeving in gevallen waarin van de oplegging van lagere sancties wordt afgezien, niet nodig zou zijn.

Ik ben dit met de Commissie eens.

Het lijdt geen twijfel dat men in artikel 9, lid 1, van beschikking nr. 2794/80, weliswaar geen volkomen automatisme heeft ingevoerd, maar niettemin, wat de regeling der onderhavige sancties betreft, de uitoefening van discretionaire bevoegdheden in beginsel heeft uitgesloten. Het staat in de aangehaalde overweging van de considerans der beschikking duidelijk te lezen, en dat het anders ware kan ook niet worden afgeleid uit de in artikel 9, lid 1, gebezigde woorden „in de regel”, die mijns inziens met artikel 9, lid 2, in verband moeten worden gebracht.

Ik zie ook niet in wat daarop valt te zeggen. In de eerste plaats is het boetebedrag, naar de Commissie aan de hand van de desbetreffende produktiecijfers heeft aangetoond, stellig gebleven binnen de in artikel 58, lid 4, EGKS-Verdrag gestelde grenzen. Anderzijds geloof ik dat de Commissie zich ook niet aan miskenning van artikel 58 schuldig maakt, wanneer zij bij toepassing van dat artikel zich zelf, wat de bepaling van het boetebedrag betreft, in beginsel de handen bindt. Van echt automatisme is ook geen sprake: in bepaalde extreme gevallen als in genoemd antwoord bedoeld, wijkt de Commissie ook wel degelijk van artikel 9, lid 1, af. Voorts mag niet worden vergeten dat artikel 58, lid 4, EGKS-Verdrag de verwezenlijking van het met de regeling nagestreefde doel dient, en ook in die zin moet worden uitgelegd. Men kan dan zeer wel menen dat een doelmatige beveiliging van het quotastelsel met een zeker automatisme bij de oplegging van sancties en met een inperking van de discretionaire marge gebaat is, in die zin dat bij de betrokken ondernemingen niet de indruk mag postvatten dat inbreuken op de quotaregeling eventueel, op grond van allerlei in aanmerking te nemen omstandigheden, tot de toepassing van zeer geringe boeten kunnen leiden.

Het is dus niet als met artikel 58 EGKS-Verdrag onverenigbaar te beschouwen, wanneer de boeteoplegging overeenkomstig artikel 9, lid 1, van beschikking nr. 2794/80 in beginsel wordt geüniformeerd. Dit maakt ook duidelijk dat in een individueel geval van de Commissie niet mag worden verlangd dat zij met het oog op bijzondere, door haar niet relevant geachte, omstandigheden motiveert dat zij van de regel niet is afgeweken. De litigieuze beschikking, in welker redengeving nochtans op de beweerdelijk technisch niet voorzienbare produktie van het bedrijf te Casto wordt ingegaan, kan dus niet als ongemotiveerd worden nietigverklaard.

2. De tweede beroepsgrond

Voorts maakt verzoekster er de Commissie een verwijt van dat zij in haar boetebeschikking geen rekening heeft gehouden met een aantal bijzondere omstandigheden die in ieder geval aanleiding hadden moeten geven iedere bestraffing achterwege te laten dan wel een lagere boete op te leggen.

Zo heeft verzoekster in genoemde telex van 7 april 1981 zelf de overschrijding der produktie gesignaleerd. Ook zou zij haar produktie op de toegewezen quota hebben afgestemd; de overproduktie waartoe het sedert de tweede week van maart kwam, zou haar oorzaak hebben gevonden in de omstandigheid dat de verbeterde walsstraat te Casto na haar inbedrijfneming begin maart niet, zoals algemeen werd verwacht, slechts voor eenderde van haar capaciteit heeft gewerkt, doch aanstonds een dubbele, dat wil zeggen de hoogst mogelijke, prestatie leverde. Bovendien zou verzoekster door afspraken met de vakbonden en met de firma's die de nieuwe installatie te Casto hadden gebouwd, gebonden zijn geweest en daardoor op de onvoorziene gebeurtenis van de overproduktie te Casto niet met een abrupte stillegging der produktie hebben kunnen reageren. Daardoor zou het ook niet mogelijk zijn geweest de walsstraat de Casto tussentijds stil te leggen, want overigens waren er geen fouten ontdekt, terwijl er van een tijdig corrigerend ingrijpen ook geen sprake kon zijn.

De Commissie heeft het gelijk niet aan haar zijde, wanneer zij hiertegenover stelt dat het voor artikel 9 van beschikking nr. 2794/80 slechts op het resultaat (overschrijding der quota) aankomt, terwijl overwegingen betreffende betrokkenes schuld (aan opzet dan wel aan nalatigheid toe te schrijven overschrijding van de quota) of verzachtende omstandigheden buiten beschouwing zouden moeten blijven. Zulk een opvatting zou namelijk niet te rijmen zijn met het feit dat er in artikel 58, lid 4, waaraan in artikel 9 van beschikking nr. 2794/80 uitvoering werd gegeven, echte sanctionerende bevoegdheden zijn toegekend, die de Commissie stellig verplichten de desbetreffende algemene rechtsbeginselen in acht te nemen. Uiteindelijk kan er evenwel aan de door verzoekster aangevoerde omstandigheden niet een zodanige invloed op de strafmaat worden toegekend dat een redengeving noodzakelijk ware geweest.

a)

Dit geldt stellig voor de — hoogstens als „verzachtende omstandigheid” aan te merken — omstandigheid dat verzoekster zelf terstond op de overschrijding der quota heeft gewezen. Dit is niet relevant, omdat er sinds eind 1980 in verzoeksters bedrijf zo goed als in andere bedrijven, functionarissen van de Commissie aanwezig waren, die zich bij hun routineonderzoeken naar verzoeksters produktie, waarover regelmatig werd gerapporteerd, al heel gauw, misschien reeds voor het versturen van genoemde telex, van de overproduktie op de hoogte konden stellen. Dat verzoekster er zelf op heeft gewezen, heeft de toepassing van het quotastelsel dus niet vergemakkelijkt.

b)

Wanneer verzoekster voorts betoogt dat zij, na mededeling van de produktiequota, haar produktie op de juiste wijze had gepland en dat de overproduktie in de gewijzigde installaties te Casto onvoorzienbaar was, dan kan daarvan worden gezegd dat die planning en de daarmede samenhangende afspraken met de vakbonden over tijdelijke stilleggingen, blijkens de hearing, kennelijk reeds in januari 1981 tot stand kwamen. Daarbij moest echter, omdat het produktiequotum pas begin maart tot ± 74000 ton werd opgetrokken, van een quotum van rond 67000 ton worden uitgegaan. Dan kan echter slechts worden geconcludeerd dat zelfs de onvoorzienbare overproduktie van maart, rond 5500 ton, niet tot overschrijding van het quotum kon leiden, dan wel dat verzoekster op het door haar bedoelde tijdstip bij haar produktieplanning toch een fout heeft gemaakt, waarvan haar een verwijt zou mogen worden gemaakt.

Anderzijds mag sterk worden betwijfeld of de overproduktie te Casto toch niet voorzienbaar is geweest en wel als technisch volkomen abnormaal mocht worden aangemerkt. Ook al verkrijgt men in den regel met nieuwe installaties aanvankelijk een geringere produktie, in beginsel is toch niet uitgesloten te achten dat aanstonds een normaal produktieniveau wordt bereikt, vooral wanneer zulke installaties, zoals te Casto het geval schijnt te zijn geweest, aanstonds op hun maximumcapaciteit worden getest. Als verzoekster een dergelijk risico bewust op de koop toe heeft genomen, kan ook het door haar overgelegde technisch rapport van Ir. Bolsi daaraan niet afdoen. In dat rapport wordt namelijk, zonder verdere motivering, alleen maar gezegd dat de verbeterde installaties te Casto volgens het eenparige oordeel der technici in de eerste maand na inbedrijfstelling slechts voor 30 à 35 % van hun capaciteit zouden kunnen worden benut. Verder zou er van moeten worden uitgegaan dat gebreken van nieuwe installaties in den regel in de aanvangsfase aan den dag treden. Daarom zou, op grond van de door de auteur opgedane ervaring, de in maart 1981 behaalde produktie technisch onvoorzienbaar zijn geweest. Bovendien is te dezen niet slechts relevant dat het produktieprocédé volgens genoemd rapport in de aanvangsfase kennelijk tamelijk eenvoudig is geweest, hetgeen een hoge produktiviteit liet verwachten en bedrijfsstoringen betrekkelijk onwaarschijnlijk maakte. Zie ik het goed, dan werden de installaties bovendien niet slechts ter verbetering van de kwaliteit en ter beperking van de hoeveelheid schroot gewijzigd, maar ook in die zin dat er sneller zou worden gewerkt. Lag volgens verzoeksters opgave de gemiddelde dagproduktie te Casto in januari 1981 bij 409 ton en in de laatste week van februari bij 330 ton, reeds in de tweede week van maart werd 577 ton, in de derde week van maart 667 ton bereikt.

c)

Gaat men er evenwel van uit dat de produktieontwikkeling te Casto werkelijk onvoorzienbaar is geweest, zodat men verzoekster, wat betreft het tijdstip van inbedrijfstelling der verbeterde installaties, geen verwijt zou kunnen maken, en dat van verzoekster een technisch stellig mogelijke onderbreking of verlangzami.ng der produktie niet kon worden gevergd, omdat de installaties, wilden mankementen kunnen worden ontdekt en terstond worden verholpen, moesten blijven draaien, en vooral ook omdat de leveranciers, die pas na afname volledige betaling kunnen verlangen, op voortzetting van de nodige tests mochten rekenen, dan blijft het nochtans een feit dat verzoekster, had zij zich aan de produktiequota willen houden, haar beide andere bedrijfshallen had kunnen gebruiken om haar produktieplanning weer in het reine te brengen, hetgeen op zijn minst ook de door verzoekster verlangde technische expertise overbodig maakt. Van de zojuist genoemde compensatiemogelijkheid moet stellig worden uitgegaan, in de eerste plaats omdat de ontwikkeling van de produktie te Casto reeds in de tweede week van maart aan de dag was getreden, en voorts op grond van omvang en ontwikkeling van de produktie in verzoeksters beide andere installaties. Wij vernamen dat de produktie te Settimo in februari 8425 ton, en in maart 12531 en die te Sarezzo in februari 4350 ton en in maart 6747 ton bedroeg. De onderlinge afstand tussen de fabrieken doet daarbij niet ter zake, omdat zij stellig door moderne communicatiemiddelen met elkander zijn verbonden. Hetzelfde geldt voor zover verzoekster het heeft over met de vakbonden getroffen afspraken over bedrijfsstilleggingen, stellende dat men die afspraken niet zonder gevaar voor staking had kunnen schenden, terwijl zij al evenmin hadden kunnen worden opgezegd, omdat de „Cassa Integrazione Speciale” nog niet bestond. Deze afspraken werden namelijk reeds in januari 1981 getroffen, waarbij van een geringer produktiequotum werd uitgegaan. Mocht er toen bij de planning geen fout zijn gemaakt en een uitbreiding der produktie volkomen onvoorstelbaar zijn geweest, dan zou dit ook jegens de vakbonden een deugdelijke reden zijn geweest om gemaakte afspraken te wijzigen.

3. De derde beroepsgrond

Volgens verzoekster had ook in aanmerking moeten worden genomen dat zij, zoals zij in haar telex van 7 april 1981 reeds aankondigde, later minder heeft geproduceerd dan haar op grond van haar quotum zou hebben vrijgestaan, terwijl zij, over het gehele jaar 1981 gerekend, ondanks de gewraakte overschrijding, haar quota niet volledig heeft opgenomen.

Aanvankelijk heeft zij te dien aanzien gesteld dat er in het tweede kwartaal van 1981 door haar 623 ton walserijprodukten minder waren geproduceerd dan in de quotabeschikking was voorzien; de onderproduktie zou in het derde kwartaal van 19818715 ton en in het vierde kwartaal 7025 ton hebben bedragen. In antwoord op een door het Hof gestelde vraag heeft de Commissie dienaangaande tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat verzoekster in het tweede kwartaal van 1981, wat categorie II betreft, 5277 ton teveel heeft geproduceerd en, wat categorie IV betreft, 11028 beneden het toegestane quotum is gebleven. Voorts zou verzoekster in de verdere kwartalen van 1981, waarvoor toen beschikking nr. 1831/81 (PB L 180 van 1. 7. 1981, blz. 1) gold, niet de haar toegestane hoeveelheden walserijprodukten hebben geproduceerd; zij zou telkens omstreeks 9000 ton beneden haar quotum zijn gebleven.

Het is weliswaar juist dat in de algemene quotabeschikkingen nergens wordt verboden overproduktie in dier voege te compenseren dat in een latere fase het quotum niet volledig wordt opgenomen. Buiten kijf is echter ook dat zulks op zich zelf niet wil zeggen dat er in het kader van de sanctieregeling met zulk een gang van zaken rekening moet worden gehouden. Er kunnen zelfs gewichtige argumenten tegen worden aangevoerd.

In het systeem volgens hetwelk de produktie aan de teruglopende vraag wordt aangepast, wordt, mede in het belang en op wens van de producenten, die hun produktieplanning er naar richten, van kwartalen uitgegaan. Zo wordt in artikel 3 van beschikking nr. 2794/80 uitdrukkelijk bepaald dat de Commissie voor elke onderneming per kwartaal de produktiequota vaststelt. Worden die quota niet uitgeput, dan kan de niet-gerealiseerde produktie volgens artikel 8 in beperkte mate naar het volgende kwartaal worden overgedragen. Ook de in artikel 9 bedoelde overschrijding der produktiequota kan dus slechts een overschrijding per kwartaal zijn. Anders dan verzoekster meent, ligt het tegendeel ook stellig niet besloten in artikel 9, lid 2. Met de aldaar voorgeschreven inaanmerkingneming van overschrijdingen in voorafgaande kwartalen had men slechts de verzwaring der sancties op het oog. Dit leidt evenwel niet tot de, gezien de artikelen 3 en 9, lid 1, verbazingwekkende, conclusie dat er ter beantwoording van de vraag of de quota werden gerespecteerd, met de gehele looptijd der algemene beschikking rekening moet worden gehouden.

Zou men accepteren dat een overschrijding der quota in een bepaald kwartaal zonder meer door een latere beperking der produktie kan worden gecompenseerd, dan zou men, met name wanneer deze praktijken niet tot een op zichzelf staand geval beperkt blijven, hebben te rekenen met ontregeling van het systeem, met alle gevaren van dien voor de verwezenlijking van het gestelde doel. Marktprognoses voor betrekkelijk korte perioden zijn voor het quotastelsel wezenlijk. Zulke prognoses zouden echter hun zin verliezen — en pogingen om door krapper aanbod tot hogere prijzen te komen zouden bijzonder hachelijk worden — wanneer de ondernemingen bij het bepalen van de produktieomvang met hun eigen voorstellingen te rade zouden kunnen gaan, in de zekerheid dat zij een eventuele overproduktie in latere kwartalen kunnen compenseren. Omdat de met het beheer van het stelsel belaste Commissie te allen tijde met plotselinge stijgingen en dalingen der produktie heeft te rekenen, zou zij aan een rationele planning en een gestadige sanering van de bestaande crisissituatie uiteraard niet meer kunnen denken. In beginsel vraagt dus een in een kwartaal begane overschrijding der quota om strafoplegging, ook al wordt die overschrijding nadien door produktievermindering ten volle gecompenseerd.

Wil men nochtans, ondanks al hetgeen er kennelijk tegen kan worden ingebracht, in een geval als het onderhavige aan zo iets als de erkenning van verzachtende omstandigheden wegens achteraf genomen maatregelen tot ontlasting van de markt, dat wil zeggen aan een verlaging der boete tot beneden het normale niveau, denken, dan zijn aan die mogelijkheid stellig enge grenzen gesteld. In be-

ginsel zal men moeten verlangen dat zulk een compensatie ten spoedigste, en na tijdige kennisgeving, geschiedt, opdat de Commissie zich er bij haar planning naar kan richten. Het gaat dus in casu niet aan rekening te houden met hetgeen er in het tweede halfjaar van 1981 minder werd geproduceerd, dat wil zeggen in een tijdvak waarvoor een nieuwe quotaregeling werd gecreëerd, terwijl tot maart 1981 nog niet eens zeker was dat — en hoe — zij er zou komen. En wil er van „boetedoening” worden gesproken, dan moet bovendien zijn bewezen dat de produktiebeperking in het volgende kwartaal ook werkelijk uit een daartoe strekkend besluit is voortgevloeid en niet het automatisch resultaat van de ontwikkeling van de handel dan wel van technische omstandigheden is geweest.

Van deze voorwaarden is in casu, volgens de cijfers der Commissie, de eerste vervuld. Maar of dit ook met de tweede voorwaarde het geval is, mag ernstig worden betwijfeld, nu het quotum in het tweede kwartaal van 1981 in veel verder gaande mate ongebruikt is gebleven dan ter compensatie van de overproduktie van het eerste kwartaal noodzakelijk zou zijn geweest. Het mag er dus voor worden gehouden dat hieraan andere oorzaken dan door de ondernemer genomen beslissingen ten grondslag hebben gelegen, immers als er in ondernemerskringen algemeen over te lage quota wordt geklaagd, zal stellig ieder bedrijf er naar streven ze optimaal te benutten. Nochtans mag niet uitgesloten worden geacht dat verzoekster althans in het begin van het tweede kwartaal haar toezegging gestand heeft willen doen en dat pas later andere omstandigheden ertoe hebben geleid dat zij haar produktielimiet bij lange na niet haalde. Ik acht het dus niet zonder meer onjuist ten faveure van verzoekster verzachtende omstandigheden in aanmerking te nemen en de boete te verlagen; een cijfer zou ik niet willen noemen; het ligt op de weg van het Hof dienaangaande te beslissen.

4. De vierde beroepsgrond

Tenslotte zouden er volgens verzoekster ín de beschikking twee feitelijke onjuistheden voorkomen, die bij beoordeling der beschikking niet buiten beschouwing mogen worden gelaten.

Allereerst wordt in de vijfde overweging der beschikking naar aanleiding van verzoeksters betoog dat de verbeterde walserij te Casto aanstonds na in bedrijf te zijn gesteld, technisch onvoorzienbare resultaten had bereikt, verklaard dat in Casto produkten van categorie II worden geproduceerd, terwijl het bij de overschrijding der quota om categorie IV zou gaan. Dit zou niet juist zijn: ook vroeger konden er in de walserij te Casto reeds produkten van beide categorieën worden geproduceerd, en dit zou in feite ook gebeurd zijn.

In de tweede plaats komt verzoekster er tegen op, dat er in de redengeving der beschikking slechts van een overschrijding van het quotum voor categorie IV wordt gesproken. Echter zou ook het quotum voor categorie II zijn overschreden, terwijl de overschrijding voor categorie IV van geringere omvang zou zíjn geweest dan de Commissie meent. Een deskundige zou dit aan de hand van de door verzoekster overgelegde mededelingen, waarin zij regelmatig haar produktie opgaf, zonder meer kunnen vaststellen.

Ik ben evenwel van mening dat deze beide omstandigheden niet tot nietigverklaring van de aangevochten beschikking of tot wijziging van de opgelegde boete kunnen leiden.

a)

De Commissie heeft toegegeven dat de feiten in de redengeving der beschikking niet juist zijn weergegeven; zij had daarvoor evenwel een plausibele verklaring. Uit verzoeksters telex van 7 april 1981 kon men namelijk de indruk krijgen dat er na verbetering van de installaties te Casto voor het eerst produkten van categorie II zijn geproduceerd, en dat het daarbij, zoals ook aan verzoeksters brief van 1 februari 1982 kan worden afgelezen, tot een onverwachte overproductie was gekomen. Anderzijds is deze in de redengeving der beschikking voorkomende vaststelling voor de inhoud der beschikking als zodanig kennelijk irrelevant. Het is niet zo dat de Commissie een rechtvaardigingsgrond als waarmede verzoekster komt aandragen eigenlijk zou hebben willen aanvaarden, en dat een feitelijke vergissing haar aanleiding gaf het niet te doen. Veeleer geeft zij, naar wij zagen terecht, in de volgende zin van de redengeving te kennen dat haars inziens de beweerdelijk onvoorzienbare overproduktie te Casto in geen geval de overschrijding der quota vermag te rechtvaardigen. Uiteindelijk doet dus niet ter zake hoe het produktieprogramma te Casto er uit zag en welke indruk de Commissie ervan had.

b)

Met betrekking tot de aard van de produktie waarbij het tot overschrijding van de quota zou zijn gekomen, heeft de Commissie nadrukkelijk verklaard dat de door verzoekster overgelegde telexen, waarop zij zich tot staving van haar standpunt beroept, leemten vertonen, zodat zij zich bij haar beslissing aan de rapporten van haar controleurs mocht houden.

Wie te dezen het gelijk aan zijn zijde heeft, kan mijns inziens onbesproken blijven, immers de totale omvang van de overschrijding staat, als gezegd, vast en om welke categorieën het daarbij gaat, doet niet ter zake. In de eerste plaats kan aan een beweerdelijk onvoorziene overproduktie geen rechtvaardigingsgrond worden ontleend. Ook dat de crisissituatie bij categorie II minder manifest was en dat de desbetreffende produkten later buiten het quotastelsel zijn gebracht, baat verzoekster niet. Tot die verandering is het namelijk, anders dan verzoekster meent, niet reeds in het tweede kwartaal van 1981 gekomen; pas de volgende regeling was er niet meer op van toepassing. Voor sancties krachtens beschikking nr. 2794/80 komt het er maar op aan dat categorie II er nog onder viel, en het kan bezwaarlijk als een in de uitoefening van discretionaire bevoegdheden begane fout worden beschouwd dat men bij het bestraffen van een overschrijding van de quota voor het eerste kwartaal van 1981 een pas maanden later ingetreden marktsituatie buiten beschouwing heeft gelaten.

5.

Op grond van één en ander kan worden vastgesteld dat verzoekster geen gronden tot nietigverklaring van de haar opgelegde boete heeft aangetoond. Hoogstens kan, gelet op de onderproduktie van het tweede kwartaal van 1981, worden overwogen de boete met een bepaalde, door het Hof in goede justitie vast te stellen bedrag, te verminderen. Mijns inziens zou in dat geval iedere partij de eigen kosten hebben te dragen.


( 1 ) Vertaald uit het Duits.