CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 27 JANUARI 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
In de prejudiciële procedure waarin ik thans heb te concluderen, gaat het om de tariefindeling van luchtfilters.
De NV Farr Company, verzoekster in het hoofdgeding, importeert sinds 1973 in België luchtfilters die in de Verenigde Staten door haar moedervennootschap worden vervaardigd. Oorspronkelijk werden deze waren ingevoerd onder post 84.18 C II b van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT), waarvoor ten tijde van het hoofdgeding een invoerrecht van 6 % gold. Bij besluiten van 3 februari en 2 augustus 1976 deelde de Belgische douane sommige van de door verzoekster ingevoerde luchtfilters in onder de posten 59.17 D II b 2 en 70.20 A V, volgens welke een invoerrecht van 11 % respectievelijk 9,5 % verschuldigd was. Zij baseerde zich daarbij op de aantekeningen Ie bij afdeling XVI en lc bij hoofdstuk 84 van het GDT, volgens welke onder meer artikelen van textielstoffen voor technisch gebruik en werken van glas voor technisch gebruik niet onder hoofdstuk 84 vallen en naar hun aard en samenstelling onder de posten 59.17 en 70.20 moeten worden ingedeeld.
Nadat haar bezwaarschrift tegen deze besluiten was verworpen, betaalde de NV Farr Company de gevorderde rechten, die tot 1976 BFR 512661 beliepen, en maakte zij tegelijkertijd de zaak aanhangig bij de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, teneinde nietigverklaring van de betrokken besluiten en terugbetaling van de volgens haar ten onrechte geïnde bedragen te verkrijgen.
Daarop heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (Eerste kamer) bij vonnis van 1 april 1982 de behandeling van de zaak geschorst en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof twee vragen over de tariefindeling van de betrokken produkten gesteld. Voor de juiste tekst ervan moge ik naar het rapport ter terechtzitting verwijzen.
Met de eerste vraag wenst de rechtbank te vernemen, of de filter 30/30 — een luchtzuiveringsfilter, bestaande uit een geplisseerd vel van textielstoffen, versterkt met ijzerdraad, in een kartonnen lijst aangebracht — en de filter HP 2 A — luchtzuiveringsfilter, bestaande uit een geplisseerd vlies van textielstoffen, boven- en onderaan voorzien van een kartonnen plaat — moeten worden beschouwd als „toestellen voor het filtreren van lucht of andere gassen”, of als delen of onderdelen daarvan, in te delen onder post 84.18 C II b, dan wel als „artikelen van textielstoffen voor technisch gebruik” in de zin van post 59.17 D II b 2.
Met de tweede vraag wenst zij te vernemen, of de HP-filter — een luchtzuiveringsfilter, bestaande uit een geplisseerd vel van glaswol, versterkt met een vlies van synthetische nylonvezels, boven- en onderaan voorzien van een kartonnen plaat —, de type 83 filter — een luchtzuiveringsfilter, bestaande uit glasmatten, op één zijde versterkt met een weefsel met gaasbinding van overwegend kunstmatige vezels, op rollen — en de ECOfilter — een luchtzuiveringsfilter, bestaande uit een vierkant vlies van glasvezels, dat tussen twee dunne geperforeerde metalen platen in een kartonnen lijst is aangebracht — moeten worden beschouwd als „toestellen voor het filtreren van lucht of andere gassen”, of als delen of onderdelen daarvan, in de zin van post 84.18 C II b, dan wel als „werken van glas voor technisch gebruik”, in te delen onder post 70.20 A V.
Ik wil hieromtrent het volgende opmerken:
De partijen in het hoofdgeding en de Commissie, die in deze prejudiciële zaak opmerkingen heeft ingediend, schijnen het erover eens te zijn, dat de betrokken produkten in beginsel zouden kunnen worden beschouwd als „toestellen voor het filtreren of zuiveren van ... gassen” in de zin van post 84.18 C II b, of althans als delen of onderdelen daarvan. Terwijl de Belgische staat en de Commissie echter aanvoeren, dat de betrokken produkten als artikelen van textielstoffen voor technisch gebruik in de zin van post 59.17 of als werken van glas voor technisch gebruik in de zin van post 70.20 volgens de aantekeningen Ie bij afdeling XVI en lc bij hoofdstuk 84 niet onder dit hoofdstuk vallen, verdedigt verzoekster in het hoofdgeding de stelling dat de waren, die uitsluitend als luchtfilter kunnen worden gebruikt, volledig aan de tekst van post 84.18 C II b beantwoorden. De in voornoemde aantekeningen bedoelde uitzonderingen zouden niet van toepassing zijn, omdat de betrokken waren in het licht van de toelichtingen op het douanetarief niet als „artikelen van textielstoffen voor technisch gebruik” of als „werken van glas voor technisch gebruik” zijn te beschouwen. Zelfs indien men ervan uitgaat dat deze produkten aan voornoemde omschrijvingen beantwoorden, zouden zij, aldus verzoekster, toch nog onder post 84.18 moeten worden ingedeeld, omdat volgens Algemene bepaling 3a voor de toepassing van de GDT-nomenclatuur de post met de meest specifieke omschrijving voorrang heeft boven posten met een meer algemene strekking.
Zoals uit deze controverse blijkt, is het in de eerste plaats de vraag, of de betrokken waren zijn te beschouwen als artikelen van textielstoffen voor technisch gebruik of als werken van glas in de zin van de posten 59.17 of 70.20, die blijkens voornoemde uitzonderingsbepalingen niet onder hoofdstuk 84 van het GDT vallen. In dit verband kan, zoals de Belgische staat en de Commissie terecht aanvoeren, alleen al op grond van het gewone spraakgebruik bezwaarlijk worden betwist, dat de betrokken artikelen voor technisch gebruik zijn bestemd. Niet in de laatste plaats vindt deze kwalificatie ook steun in de Toelichtingen bij de IDR-nomenclatuur, waar bij post 59.17 wordt gezegd dat „de hier bedoelde produkten [van textielstof] een bijzondere vorm of bijzondere kenmerken vertonen, waaruit hun bestemming als delen of onderdelen van machines of toestellen of voor ander technisch gebruik, kan worden afgeleid”. Hetzelfde moet dan ook voor werken van glas voor technisch gebruik gelden. Steun voor deze opvatting is mijns inziens tenslotte ook te vinden in de omstandigheid dat de produkten, die bestemd zijn voor het filtreren en zuiveren van de lucht in klimaatregelingsinstallaties, hun functie niet zonder bijkomende apparatuur kunnen vervullen, doch enkel in zogenaamde filterbanken. Dit geldt in ieder geval — zoals verzoekster ook toegeeft — wegens zijn kenmerken voor de filter van het type 83, doch het moet ook worden aangenomen voor de andere filters, die in zoverre eveneens slechts als onderdeel van een filterinrichting zijn te beschouwen.
Aangenomen dat de betrokken waren niet onder post 84.18 vallen, moet voorts nog worden nagegaan of het bij deze onderdelen gaat om artikelen van textielstoffen voor technisch gebruik of werken van glas in de zin van de posten 59.17 of 70.20.
Blijkens de prejudiciële vragen bevatten de betrokken produkten naast textielstoffen en glasvezels immers nog een hele reeks andere bestanddelen. Volgens verzoekster in het hoofdgeding kunnen produkten die onder een omschrijving van hoofdstuk XVI vallen, overeenkomstig aantekening Ie enkel onder post 59.17 worden ingedeeld wanneer hun hoofdbestanddeel textielstof is. Gezien hun samenstelling, zou dit echter bij de betrokken produkten juist niet het geval zijn. Uit de IDR-toelichtingen zou in verband met post 84.18 integendeel kunnen worden afgeleid, dat de onder deze post ín te delen filters ook uit „vilt, weefsel, glaswol, metaalwol, enzovoort” kunnen bestaan, althans wanneer deze stoffen niet als het hoofdbestanddeel van de produkten zijn te beschouwen. In de IDR-toelichtingen zou bovendien bij hoofdstuk 84 zijn bepaald, dat het karakter van werken van glas, als bedoeld in post 70.20, verloren is gegaan bij samenstellingen van glas, waarin verhoudingsgewijs een groot aantal delen van andere materialen voorkomt, alsmede bij artikelen die, ook indien zij voor een aanzienlijk deel bestaan uit bestanddelen van glas, zijn ingebouwd of bevestigd in frames, behuizingen, koffers en dergelijke, van andere stoffen.
In dit verband moet vooreerst worden vastgesteld dat deze aangezien het bij de betrokken produkten om samengestelde werken gaat, — gelijk de Commissie terecht betoogt — volgens Algemene bepaling 2b voor de toepassing van de GDT-nomenclatuur in de eerste plaats met inachtneming van de beginselen van Algemene bepaling 3 moeten worden, ingedeeld. Laatstgenoemde bepaling evenwel is blijkens haar bewoordingen enkel van toepassing in gevallen waarin een en dezelfde waar vatbaar is voor indeling onder twee of meer posten. Dit is echter juist niet het geval wanneer moet worden uitgemaakt of de betrokken goederen zijn in te delen onder post 84.18 dan wel onder de posten 59.17 of 70.20, die blijkens de aantekeningen 1e bij afdeling XVI en 1c bij hoofdstuk 84 elkaar uitsluiten.
Op deze bepaling kan dus eigenlijk enkel een beroep worden gedaan ter beantwoording van de vraag, welke tariefpost in aanmerking komt voor filters die uit verschillende bestanddelen bestaan. Daarbij kan wegens de verschillende bestanddelen geen der in aanmerking komende tariefposten als de meest specifieke worden beschouwd. Bijgevolg moet niet bepaling 3a, doch bepaling 3b worden toegepast.
Volgens deze laatste bepaling nu moeten onder meer werken welke zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen dan wel zijn vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen, worden ingedeeld naar de stof of naar het goed waaraan de werken hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald. Wij hebben nu dus alleen nog na te gaan, of de in de filters gebruikte textielstoffen of glasvezels kunnen worden beschouwd als de bestanddelen waaraan deze produkten hun wezenlijk karakter ontlenen.
Mét de Belgische staat en de Commissie ben ik van oordeel, dat deze vraag, gelet op de functie van de filters, uiteindelijk bevestigend moet worden beantwoord.
Verzoekster in het hoofdgeding voert weliswaar terecht aan, dat de andere bestanddelen — zoals kleef- en bindmiddelen, stijfsel, ijzerdraad en chassis — een niet te verwaarlozen functie vervullen in het filtreer- en zuiveringsproces, doch mijns inziens kan niet worden ontkend, dat deze bestanddelen uiteindelijk slechts dienen om de filtrerende werking van de textielstoffen of glasvezels op een of andere manier te verbeteren. Een alleen uit deze weefsels bestaande filter, zonder voornoemde bestanddelen, kan men zich alleszins voorstellen, terwijl omgekeerd een uitsluitend uit deze bestanddelen samengesteld produkt bezwaarlijk als filter zou kunnen worden bestempeld.
Aangezien, gelet op de functie van de filters, ook het aandeel van de andere bestanddelen in de kostprijs en in het totale gewicht niet van belang kan zijn, kunnen wij dus slechts tot de slotsom komen, dat alleen de textielstoffen of de werken van glas zijn te beschouwen als de bestanddelen waaraan deze filters hun wezenlijk karakter ontlenen in de zin van Algemene bepaling 3b, en dat de filters derhalve zijn in te delen als artikelen van textielstoffen voor technisch gebruik of als werken van glas.
Anders dan verzoekster in het hoofdgeding meent, wordt aan deze conclusie tenslotte niet afgedaan door de reeds aangehaalde IDR-toelichtingen bij hoofdstuk 84, volgens welke het karakter van werken van glas voor technisch gebruik in de regel is verloren gegaan bij samenstellingen van glas, waarin verhoudingsgewijs een groot aantal delen van andere materialen voorkomt, alsmede bij artikelen welke, ook indien zij voor een aanzienlijk deel bestaan uit bestanddelen van glas, zijn ingebouwd in frames, behuizingen, enzovoort. Enerzijds gelden deze toelichtingen blijkens hun context immers enkel voor volledige machines, toestellen of werktuigen, doch niet voor delen of onderdelen daarvan, en anderzijds wijst de Commissie er terecht op, dat deze zeer algemeen geformuleerde toelichtingen slechts een niet-verbindende aanwijzing voor de indeling van bepaalde produkten geven, terwijl de Algemene bepalingen voor de toepassing van de GDT-nomenclatuur, waarvan de inachtneming — zoals gezegd — tot een ander resultaat leidt, dwingende uitleggingsvoorschriften vormen.
Om bovengenoemde redenen geef ik derhalve het Hof in overweging, de gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
De luchtfilters waarvan de samenstelling en de vorm in de gestelde vragen zijn omschreven, moeten naar gelang het filtermedium uit textielstof of uit glasvezel bestaat, worden ingedeeld als artikelen van textielstoffen voor technisch gebruik onder post 59.17 of als werken van glas voor technisch gebruik onder post 70.20 van het GDT.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.