ARREST VAN HET HOF (VIERDE KAMER) VAN 7 MAART 1990. - SILVERIO ACERBIS EN ANDEREN TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - AMBTENAREN - AANPASSING VAN AANPASSINGSCOEFFICIENT. - ZAAK 320/81.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-00563
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Procedure - Beroep zonder voorwerp geraakt - Afdoening zonder beslissing
In zaak C-320/81,
S . Acerbis e.a ., ambtenaren van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, bijgestaan en vertegenwoordigd door C . Ribolzi en G . Marchesini, advocaten bij de Corte di Cassazione, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij V . Biel, advocaat aldaar, 18 A, rue des Glacis,
verzoekers,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S . Fabro, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de vaststelling van het na te betalen salaris vanaf 1 juli 1980 na de herziening van de aanpassingscoëfficiënt, op grond van toepassing van een inadequate aanpassingscoëfficiënt, en ter verkrijging van een verklaring voor recht, dat de gemeenschapsinstellingen gehouden zijn de betrokken na te betalen bedragen met toepassing van een adequate aanpassingscoëfficiënt opnieuw vast te stellen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vierde Kamer ),
samengesteld als volgt : C . N . Kakouris, kamerpresident, T . Koopmans en M . Díez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal : J . Mischo
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 26 september 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 oktober 1989,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 24 december 1981, hebben S . Acerbis en 485 andere ambtenaren van de Commissie, allen tewerkgesteld bij het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek te Ispra, beroep ingesteld tot nietigverklaring van de salarisafrekeningen over de maanden februari en maart 1981, waarbij de Commissie het vanaf 1 juli 1980 na te betalen salaris had vastgesteld overeenkomstig verordening ( Euratom, EGKS, EEG ) nr . 397/81 van de Raad van 10 februari 1981 houdende vaststelling van de tabellen van de salarissen alsmede van de andere onderdelen van de bezoldiging van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen ( PB 1981, L 46, blz . 1 ). Die nietigverklaring wordt gevorderd voor zover het toegekende bedrag ontoereikend is .
2 Op 20 januari 1981 stelde de Raad verordening ( Euratom, EGKS, EEG ) nr . 187/81 vast, houdende aanpassing van de bezoldigingen en pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, alsmede van de aanpassingscoëfficiënten welke van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen ( PB 1981, L 21, blz . 18 ). In die verordening week de Raad af van het voorstel van de Commissie van 9 december 1980, dat gebaseerd was op de door het Bureau voor de statistiek van de Europese Gemeenschappen in de Lid-Staten verrichte prijsenquêtes .
3 Op basis van die verordening, die voorzag in een forfaitaire netto-verhoging van het maandsalaris en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschap, werd bij verordening nr . 397/81 voor Italië een enkele aanpassingscoëfficiënt ( 75,3 %) vastgesteld, die vanaf 1 juli 1980 gold .
4 Volgens verzoekers is deze aanpassingscoëfficiënt onwettig, en wel om twee redenen : in de eerste plaats is de aanpassingscoëfficiënt voor geheel Italië uitsluitend bepaald op basis van de prijsontwikkeling in de hoofdstad, zonder rekening te houden met de bijzonder hoge kosten van levensonderhoud te Varese; in de tweede plaats is hij ook ontoereikend wanneer men enkel uitgaat van de prijzen te Rome .
5 Voor de onwettigheid van de in de verordeningen nrs . 187/81 en 397/81 bepaalde aanpassingscoëfficiënt voeren verzoekers vier middelen aan :
- schending van artikel 64 Ambtenarenstatuut, volgens hetwelk de aanpassingscoëfficiënt wordt berekend naar gelang van de levensomstandigheden in de verschillende standplaatsen;
- schending van artikel 65, lid 2, Ambtenarenstatuut, doordat de herziening van de aanpassingscoëfficiënt voor Italië ontoereikend was en te laat is geschied;
- schending van het non-discriminatiebeginsel, doordat verzoekers ongelijk zijn behandeld ten opzichte van de ambtenaren in andere standplaatsen;
- schending van het vertrouwensbeginsel, doordat geen rekening is gehouden met de enquête van oktober 1980 van het Bureau voor de statistiek van de Europese Gemeenschappen .
6 Verzoekers concluderen dat het den Hove behage :
- de vaststelling van het vanaf 1 juli 1980 na te betalen salaris nietig te verklaren;
- te verstaan dat de instellingen de maatregelen dienen te nemen welke voortvloeien uit de gevraagde nietigverklaring, inzonderheid, naast een nieuwe vaststelling van de salarissen, toepassing vanaf 1 juli 1980 van een adequate aanpassingscoëfficiënt;
- subsidiair, de behandeling van de zaak te schorsen tot de uitspraak van het arrest in zaak 158/79 ( Roumengous ).
7 In repliek worden door verzoekers voorts compensatoire interessen gevorderd .
8 Op eensluidende conclusie van partijen heeft het Hof ( Derde Kamer ) op 20 januari 1982 besloten, de behandeling van de zaak te schorsen tot de uitspraak van het Hof in een aantal zaken die gelijkenissen en overeenkomsten met de onderhavige zaak vertoonden .
9 Bij arrest van 6 oktober 1982 ( zaak 59/81, Commissie/Raad, Jurispr . 1982, blz . 3329 ) heeft het Hof verordening nr . 187/81 alsmede een aantal bepalingen van verordening nr . 397/81 nietig verklaard wegens strijd met artikel 65, leden 1 en 2, Ambtenarenstatuut . Na dat arrest stelde de Raad, op voorstel van de Commissie van 29 oktober 1982, verordening ( EGKS, EEG, Euratom ) nr . 3139/82 van 22 november 1982 vast, waarbij de tabellen van de basissalarissen werden gewijzigd en de op de bezoldigingen en pensioenen toepasselijke aanpassingscoëfficiënten per 1 april 1980 werden aangepast ( PB 1982, L 331, blz . 1 ).
10 Bij verordening ( EEG, Euratom, EGKS ) nr . 3681/83 van de Raad van 19 december 1983 ( PB 1983, L 368, blz . 1 ) werd de aanpassingscoëfficiënt voor Italië met ingang van 1 januari 1976 herzien en werd voor Varese een hogere coëfficiënt bepaald dan voor Rome . Op basis van die verordening ging de Commissie voor alle ambtenaren over tot een nabetaling van salaris .
11 In zijn arresten van 15 januari 1985 in de zaken 158/79 ( Roumengous, Jurispr . 1985, blz . 39 ) en 737/79 ( Battaglia, ibid ., blz . 71 ) en de gevoegde zaken 532/79, 534/79, 567/79, 600/79, 618/79, 660/79 en 543/79 ( Amesz, ibid ., blz . 55 ) kende het Hof over het bedrag van de nabetaling moratoire interessen toe op de voet van 6% 's jaars vanaf de datum van de klacht, doch wees het de vordering van compensatoire interessen af .
12 Ten vervolge op die arresten betaalde de Commissie bij besluit van 31 juli 1985 alle ambtenaren met standplaats te Ispra moratoire interessen over de bedragen die hun waren verschuldigd uit hoofde van de herziening van de aanpassingscoëfficiënt voor Italië bij verordening nr . 3681/83 .
13 Nadien stelde de Raad op 26 november 1986 verordening ( Euratom, EGKS, EEG ) nr . 3619/86 vast, houdende correctie van de aanpassingscoëfficiënten die onder meer in Italië van toepassing zijn op de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen ( PB 1986, L 336, blz . 1 ), waarin hij andermaal afweek van het voorstel van de Commissie . Op beroep van de Commissie heeft het Hof deze verordening nietig verklaard wegens strijd met het bepaalde in artikel 64 Ambtenarenstatuut ( arrest van 28.6.1988, zaak 7/87, Commissie/Raad, Jurispr . 1988, blz . 3401 ).
14 Ter uitvoering van dat arrest stelde de Raad verordening ( EGKS, EEG, Euratom ) nr . 3294/88 van 24 oktober 1988 vast, tot rectificatie van de aanpassingscoëfficiënten welke onder meer in Italië van toepassing zijn op de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen ( PB 1988, L 293, blz . 1 ). Bij deze verordening werd een aparte aanpassingscoëfficiënt voor Varese vastgesteld, geldend vanaf 1 januari 1981 .
15 Geen van deze na de nietigverklaring van de verordeningen nrs . 187/81 en 397/81 vastgestelde handelingen wordt door verzoekers in de onderhavige zaak betwist .
16 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, de toepasselijke regeling, de desbetreffende arresten van het Hof, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
17 Bovenstaande historiek doet de vraag rijzen, of het onderhavige geding niet zonder voorwerp is geraakt .
18 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat het beroep van verzoekers strekt tot nietigverklaring van hun salarisafrekeningen over de maanden februari en maart 1981 . Deze salarisafrekeningen zijn individuele handelingen, vastgesteld op basis van de verordeningen nrs . 187/81 en 397/81, die volgens verzoekers onwettig waren voor zover daarin geen rekening werd gehouden met de kosten van levensonderhoud te Varese, en de voor geheel Italië bepaalde aanpassingscoëfficiënt ontoereikend was .
19 Uit het voorgaande blijkt evenwel, dat de bestreden verordeningen inmiddels door het Hof zijn nietig verklaard en door andere verordeningen zijn vervangen . Deze naderhand door weer andere communautaire besluiten vervangen handelingen voorzagen met terugwerkende kracht in verschillende regelingen inzake de hoogte van de bezoldigingen en pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen en inzake de op die bezoldigingen en pensioenen toepasselijke aanpassingscoëfficiënten, en leidden tot de vaststelling van nieuwe salarisafrekeningen .
20 De met het onderhavige beroep bestreden salarisafrekeningen hielden dus op te bestaan op het moment waarop zij door nieuwe salarisafrekeningen werden vervangen . Aangezien het doel van het beroep, namelijk de eliminatie van die salarisafrekeningen, daarmee is bereikt, moet worden vastgesteld, dat het beroep zonder voorwerp is geraakt .
21 Verzoekers hebben ter terechtzitting erkend, dat aan hun primaire vordering is voldaan . Dit zou echter niet het geval zijn met de in repliek geformuleerde vordering tot betaling van compensatoire interessen, waarmee zij de volledige vergoeding beogen van de schade die zij hebben geleden doordat de verlangde maatregelen zo lang op zich hebben laten wachten, alsmede compensatie voor de gevolgen van de inflatie .
22 De Commissie betwist niet alleen de gegrondheid, doch ook de ontvankelijkheid van die vordering, die volgens haar te laat is ingesteld .
23 Het argument, dat die vordering niet ontvankelijk is, moet worden aanvaard . Aangezien zij voor het eerst in repliek is geformuleerd, moet zij krachtens artikel 19 van 's Hofs Statuut-EEG en artikel 38 van het Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk worden verklaard .
Kosten
24 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd . Volgens artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering blijven echter de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen gemaakt, te haren laste .
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vierde Kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verwerpt het beroep .
2 ) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .