CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL C. O. LENZ
VAN 25 SEPTEMBER 1984 ( 1 )
Inhoud
|
A — Inhoud |
|
|
B — Evaluatie |
|
|
I — De ontvankelijkheid der beroepen tot nietigverklaring |
|
|
II — De gegrondheid van de beroepen tot nietigverklaring |
|
|
1. De grief dat er een onjuist gebruik van discretionaire bevoegdheden is gemaakt en dat de verordeningen onvoldoende met redenen zijn omkleed |
|
|
a) Ongeoorloofd ingrijpen in het handelsstadium? |
|
|
b) Onjuist gebruik van discretionaire bevoegdheden |
|
|
aa) Onvoorziene ontwikkeling der marktomstandigheden? |
|
|
bb) De openbare inschrijving en haar gevolgen |
|
|
cc) Verstoring van de markt |
|
|
c) Détournement de pouvoir |
|
|
d) Onvoldoende redengeving |
|
|
2. De grief betreffende schending van algemene rechtsbeginselen |
|
|
a) Rechtszekerheid en bescherming van vertrouwen |
|
|
b) Met onteigening gelijk te stellen maatregel? |
|
|
c) De omvang der schadeloosstelling |
|
|
3. Procedurefouten (Comité van beheer heeft geen advies uitgebracht) |
|
|
4. De gevolgen van de onrechtmatigheid |
|
|
III — De door verzoekster in zaak 264/81 gevorderde schadevergoeding |
|
|
C — Slotsom |
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De beide onderhavige, tot nietigverklaring strekkende beroepen betreffen dezelfde casuspositie, zodat zij gezamenlijk moeten worden behandeld; zij zijn gericht tegen twee verordeningen van de Commissie betreffende de verkoop van olijfolie uit de voorraden van het Italiaans interventiebureau „Aima”.
A —
Reeds eerder hadden verzoeksters in zaak 232/81 in kort geding om opschorting van de tenuitvoerlegging der verordeningen verzocht. Ik moge in zoverre verwijzen naar de beschikking van de president d.d. 21 augustus 1981 (Jurispr. 1981, blz. 2193) en naar de beide ter terechtzitting uitgebrachte rapporten, en zou op dit ogenblik met een korte samenvatting der feiten willen volstaan.
In haar verordening (EEG) nr. 71/81 van 12 januari 1981 (PB L 11 van 1981, blz. 5) heeft de Commissie een hoeveelheid van ongeveer 33000 ton olijfolie van de eerste persing uit de interventieaankopen 1977/78, te verdelen over zes partijen van telkens ongeveer 5500 ton, tegen een vaste prijs van LIT 210000 per 100 kg ten verkoop aangeboden. De Commissie had aan deze van de gewone gang van zaken (openbare inschrijving) afwijkende procedure de voorkeur gegeven: de waar was al meermalen tevergeefs ten verkoop aangeboden; het verkoopseizoen 1980/81 beloofde een overvloedige olijfolieproduktie; de kwaliteit zou van opslag te lijden kunnen hebben. Om verstoring van de afzet van de opbrengst van het lopende verkoopseizoen te voorkomen, hadden de kopers zich, door het stellen van een waarborg, te verplichten de als zogenaamde zuivere olie verkochte waar te raffineren of wel elders dan op de Italiaanse of Griekse markt af te zetten.
De verkoop zou op de tiende dag na aanplakking van het verkoopbericht — op uiterlijk 31 januari 1981 — beginnen. De overname zou vanaf 15 maart 1981 periodiek geschieden.
De voorziene verkoopsprijs en de betalingscondities waren blijkbaar zo interessant dat er reeds op de eerste dag, 2 februari 1981, door 60 ondernemingen offertes voor alle aangeboden partijen konden worden ingediend. In zodanig geval zou Aima volgens de omstreden verordening de koper door loting aanwijzen.
De loting heeft evenwel pas vier maanden later, op 1 juni 1981, plaatsgevonden. Deze vertraging was veroorzaakt doordat een aantal bieders de ontvankelijkheid van de offertes van mededingende ondernemingen die onmiddellijk vóór de verkoop waren opgericht, hadden aangevochten. Na een door Aima ingesteld onderzoek konden ten slotte alle 60 ondernemingen aan de loting deelnemen, waarbij verzoeksters in zaak 232/81 en verzoekster in zaak 264/81 als kopers uit de bus kwamen.
Het Italiaanse interventiebureau, dat de Commissie er in een brief van 16 mei 1981 op had gewezen dat de kopers door deze niet aan de marktwaarde beantwoordende prijzen op bijzonder hoge winsten mochten rekenen, talmde ook na de loting met de afgifte van de omstreden waar. Sommige verzoeksters vonden hierin aanleiding om in een voor de Italiaanse rechter gevoerd geding afgifte van de olie te vorderen.
Op 22 juni 1981 heeft het ten deze bevoegde lid der Commissie Dalsager, naar aanleiding van een schriftelijke vraag (nr. 81/18) van enige leden van het Europees Parlement, die de inschrijvings- en verkoopsmodaliteiten wraakten, geantwoord dat volgens de Commissie, toen zij haar besluit nam, de voorwaarden voor verkoop overeenkomstig de voorschriften van de communautaire regeling waren vervuld. Om een verzorging van alle handelaren te verzekeren, had de Commissie bovendien besloten 26000 ton olijfolie afkomstig van interventie in de laatste verkoopseizoenen, in kleinere partijen successievelijk te koop aan te bieden (PB C 186 1981, blz. 12).
Op 3 augustus 1981 stelde de Commissie verordening nr. 2238/81 vast, waarbij verordening nr. 71/81 met terugwerkende kracht werd ingetrokken. Volgens de considerans hadden voormelde bezwaren tot vertraging van de verkoop geleid en was de marktsituatie inmiddels zo zeer veranderd, dat de markt door verkoop op de oorspronkelijke condities ernstig zou worden verstoord, zodat het „meer met het algemeen belang strookte de betrokken verkoop te annuleren.” Daarnevens zouden maatregelen worden getroffen „om rekening te houden met de situatie van deze inschrijvers.”
Een en ander leidde tot vaststelling — op dezelfde dag — van verordening nr. 2239/81 (PB L 218 biz. 28) waarbij dezelfde partijen wederom bij openbare inschrijving ten verkoop werden aangeboden met dien verstande dat die verkoop in de eerste plaats werd voorbehouden aan degenen die de partijen aanvankelijk hadden kunnen kopen. Er zou niet wederom tegen een vaste prijs, maar tegen een minimumprijs aan de meest biedende worden verkocht, en wel uiterlijk op 10 september 1981, terwijl de olie op 15 september 1981 moest kunnen worden overgenomen.
Verzoeksters in zaak 232/81 en verzoekster in zaak 264/81 hebben op 10 augustus 1981 onderscheidenlijk 2 oktober 1981 overeenkomstig artikel 173 EEG-Verdrag beroep tot nietigverklaring van de beide verordeningen van 3 augustus 1981 ingesteld.
Voor het geval dat haar beroep mocht worden afgewezen dan wel slechts tot gedeeltelijke nietigverklaring der verordening zou leiden, heeft verzoekster in zaak 264/81 voorts — c.q. subsidiair — een schadevordering ingesteld, waarvoor ten deze naar het rapport ter terechtzitting zij verwezen.
Verzoeksters in zaak 232/81 hebben voorts in kort geding de opschorting van de tenuitvoerlegging der verordeningen gevorderd. De president heeft die vordering gedeeltelijk toegewezen en onder meer de tenuitvoerlegging van verordening nr. 2239/81 in dier voege opgeschort dat betrokkene voor de op grond van hun offerte toe te wijzen partij slechts „het deel van de geboden prijs” hebben te betalen „dat overeenkomt met het bedrag dat zij zouden hebben moeten betalen ingevolge de verkoop waartoe overeenkomstig verordening nr. 71/81 is overgegaan”, terwijl „de betaling van het meerdere” tot de uitspraak in de hoofdzaak werd „opgeschort”.
B —
In deze zaken meen ik als volgt mijn standpunt te moeten bepalen:
I — De ontvankelijkheid der beroepen tot nietigverklaring
Zonder zich in zoverre van een exceptie te bedienen, stelt verweerster de beroepen niet ontvankelijk te achten, omdat verzoeksters door de beide verordeningen niet, in de zin van artikel 1'73, tweede alinea, EEG-Verdrag, rechtstreeks en individueel worden geraakt. Bij verordening nr. 2238/81 is verordening nr. 71/81, waaraan algemene gelding was toegedacht, ingetrokken. Verordening nr. 2238/81 is volgens verweerder te beschouwen als een „stuur”-maatregel die niet ophoudt een verordening te zijn omdat het aantal „uitgelote” ondernemingen — en hun namen — kunnen worden achterhaald.
Zo min als verzoeksters kan ik dit bezwaar delen. Volgens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag is het voor de ontvankelijkheid van een door een particulier ingesteld beroep tot nietigverklaring doorslaggevend dat de aangevochten maatregel, ofschoon formeel een verordening, als een verzoeker rechtstreeks en individueel rakend besluit is te beschouwen. Zoals het Hof van Justitie onder meer in de zaak Alusuisse ( 2 ) heeft overwogen, heeft men met deze bepaling met name willen verhinderen dat instellingen van de Gemeenschap zich van de vorm van een verordening bedienen om beroep van een particulier tegen een hem rechtstreeks en individueel rakend besluit te kunnen uitsluiten. Met andere woorden: ook wie zonder adressaat van een rechtshandeling te zijn, door de rechtshandeling wordt geraakt als ware hij de adressaat, komt voor rechtsbescherming in aanmerking; in die zin's Hofs recente arrest in de zaak Differdange ( 3 ). Niet de vorm van de aangevochten maatregel geeft de doorslag, maar haar inhoud en wel met name ook het effect dat de maatregel sorteert of moet sorteren.
De verordening was echter blijkens de overwegingen van haar considerans kennelijk uitsluitend bedoeld om de rechtsgevolgen van de verkoop van bepaalde hoeveelheden olijfolie, die verzoeksters zich bij loting overeenkomstig verordening nr. 71/81 zagen toegewezen, ongedaan te maken. In de considerans van verordening nr. 2238/81 lezen wij dienaangaande dat „... deze inschrijvers met name hoeveelheden zouden kunnen afzetten tegen prijzen die de overige handelaren uit de markt zouden verdringen”, zodat het „meer met het algemeen belang strookt de betrokken verkoop te annuleren”, met dien verstande dat „tegelijkertijd maatregelen zullen worden getroffen om rekening te houden met de situatie van deze inschrijvers.” Dat verzoeksters door de omstreden verordeningen individueel worden geraakt, blijkt voorts uit verordening nr. 2239/81, waarin de verkoop van de hierbedoelde partijen met zoveel woorden wordt voorbehouden aan inschrijvers die bij de uitloting krachtens verordening nr. 71/81 werden „geïndividualiseerd”.
Omdat het derhalve mijns inziens geen twijfel lijdt dat verzoeksters door de omstreden rechtshandeling rechtstreeks en individueel worden geraakt, dienen zij in hun vorderingen te worden ontvangen.
II — De gegrondheid van de beroepen tot nietigverklaring
Als gezegd, zijn de omstreden verordeningen concrete en individuele regelingen, anders gezegd: individuele handelingen die slechts in de vorm van verordeningen worden gepresenteerd en, blijkens de considerans van verordenening nr. 2238/81, bedoeld zijn om de verkoop op de in verordening nr. 71/81 omschreven condities — waarvan verstoring van de markt te duchten zou vallen — ongedaan te maken. Verzoeksters menen dat deze rechtshandelingen wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van algemene rechtsbeginselen en onjuiste uitoefening van discretionaire bevoegdheden, moeten worden nietig verklaard.
Ik zou nu bij mijn bespreking van deze grieven eerst bij de materieelrechtelijke kritiek willen stilstaan, om vervolgens de gestelde vorm- en procedurefouten te bespreken.
1. De grief dat er een onjuist gebruik van discretionaire bevoegdheden is gemaakt en dat de verordeningen onvoldoende met redenen zijn omkleed
|
a) |
Volgens verzoeksters is de Commissie met de omstreden verordeningen getreden buiten het kader der haar in het EEG-Verdrag en in het secundaire marktordeningsreçht ingeruimde discretionaire bevoegdheden. Zowel uit de verdragsvoorschriften — en wel met name uit artikel 42 — als uit verordening nr. 136/66 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (marktordening oliën en vetten) blijkt dat de Commissie, ter bescherming van de mededinging, alleen in het stadium van de produktie en niet in dat van de handel in het geweer heeft te komen. De Commissie heeft verordening nr. 71/81 echter alleen ter bescherming van concurrenten van verzoeksters die zich eveneens op de oliehandel toeleggen, ingetrokken. Dit argument vermag mij evenwel om verschillende redenen niet te overtuigen. Naar ook door de Raad in de considerans van verordening nr. 26/62 (PB 1962, blz. 993) is overwogen, behoort naar luid van artikel 42 van het Verdrag de toepassing van de verdragsvoorschriften „op de voortbrenging van en de handel in landbouwprodukten, tot het wezen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.” Met betrekking tot de oprichting van de gemeenschappelijke marktorde. ningen voor de landbouw, is in artikel 40, lid 2, met zoveel woorden bepaald dat die ordening onder meer de vorm aanneemt van gemeenschappelijke regels inzake mededinging, regels die dan ook zowel de produktie van als de handel in landbouwprodukten dienen te beschermen. In die zin dient ook het secundaire gemeenschapsrecht te worden uitgelegd. Naar wij evenwel van de getuige Guida vernamen, is het voor de olijfoliemarkt typerend dat er tussen de teelt der olijven en de aflevering van de olijfolie door de handel aan de verbruikers, in de regel een aantal verwerkings- en afzetstadia liggen. Kennelijk kan ook niet in het algemeen worden bepaald of en in hoeverre teelt, verdere verwerking en aflevering aan de verbruiker met elkander verweven zijn. Deze speciale marktomstandigheden geven temeer aanleiding om de gemeenschappelijke mededingingsregelen in alle produktie- en afzetstadia tot gelding te doen komen. De in de marktordening voor olijfolie voorziene interventiemaatregelen zijn dan ook blijkens de considerans van's Raads verordening nr. 1562/78 van 29 juni 1978 (PB L 185, blz. 1), die tot wijziging van de marktordening voor oliën en vetten heeft geleid, in beginsel zowel op de produktie als op de afzet van toepassing. Als marktregulerend middel — waarmede aan de producenten een redelijke levensstandaard alsook redelijke verbruikersprijzen moeten worden verzekerd —, is in artikel 12 der verordening voorzien dat de door de producerende staten aangewezen interventiebureaus verplicht zijn tegen de in het artikel opgesomde voorwaarden de aangeboden olijfolie op te kopen. Volgens lid 2 verkopen de interventiebureaus zulke olijfolie binnen de Gemeenschap op zodanige wijze dat de markt in het produktie-stadium niet wordt verstoord. Dat zogenaamde zuivere olie, om als spijsolie te kunnen worden gebruikt, moet worden geraffineerd, is een reden temeer om de handel in dit tussenprodukt tot het produktiestadium te rekenen, zodat de Commissie, anders dan verzoeksters menen, reeds naar zin en bedoeling dezer bepaling bij de verkoop van zuivere olie in beginsel op de naleving der gemeenschappelijke mededingingsvoorwaarden had toe te zien. Dat de Commissie ter bescherming van de mededinging niet slechts in het produktiestadium, maar ook in dat van de afzet kan optreden, blijkt ook ten duidelijkste uit's Raads verordening nr. 2754/78 (PB L 331 van 28. 11. 1978, blz. 13) en uit verordening nr. 2960/77 van de Commissie (PB L 348 van 30. 12. 1977, blz. 46), waarin de bij verkoop van olijfolie in acht te nemen voorwaarden zijn omschreven en ook de nodige uitvoeringsvoorschriften zijn neergelegd. Volgens de overwegingen van de consideransen dezer verordeningen dient de verkoop van olijfolie uit de voorraden van het interventiebureau ten eerste zonder discriminatie ten aanzien van de kopers in de Gemeenschap te geschieden, terwijl die verkoop in de tweede plaats zo voordelig mogelijk moet zijn. Een openbare inschrijving leent zich daartoe het best. Alleen in bijzondere omstandigheden kan de verkoop volgens artikel 2, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 2754/78 op andere wijze geschieden. Volgens lid 2 moeten de bij openbare inschrijving of andere verkoopprocedures geldende voorwaarden een gelijke behandeling van alle belanghebbenden waarborgen. Een en ander wil zeggen dat de Commissie, wanneer zij tot openbare inschrijving tegen vaste prijzen heeft besloten en die verkoop tot ongerechtvaardigde bevoordeling van sommige belanghebbenden leidt dan wel niet als zo voordelig mogelijk is aan te merken, in beginsel gehouden was de verkoopvoorwaarden op die eisen af te stemmen. De grief dat de Commissie het kader van de haar ingeruimde discretionaire bevoegdheden zou zijn te buiten gegaan door op het niveau van de afzet — en niet op dat van de produktie -— op te treden, is dan ook ongegrond. |
|
b) |
Voorts zou de Commissie volgens verzoeksters, toen zij de verkoop \vegens de te verwachten ernstige verstoring van de markt annuleerde, van de haar toegekende discretionaire bevoegdheden een onjuist gebruik hebben gemaakt. Enerzijds zou de ontwikkeling van de marktcondities niet onvoorzienbaar zijn geweest, anderzijds zou het na de tweede inschrijvingsprocedure in feite ook niet tot de gevreesde verstoringen zijn gekomen. Aangenomen al dat een verkoop overeenkomstig verordening nr. 71/81 tot verstoring van de markt zou hebben geleid, dan nog zouden de aangevochten maatregelen zich voor beëindiging van zulke storingen niet hebben geleend, terwijl de Commissie door die maatregelen bovendien in strijd zou zijn gekomen met hetgeen zij voorheen had vastgesteld. Verzoeksters zijn dan ook van mening dat de hierbedoelde verkoop niet, in voege als in de considerans is overwogen, om aan het algemeen belang ontleende redenen is geannuleerd, maar enkel en alleen om hun winstmarge te besnoeien.
Blijkens de considerans was de Commissie veeleer beducht dat de te hoge winsten van de zes ondernemingen hen een economische machtspositie zouden doen innemen, die hen — alleen — tot bepaling van de verkoopsprijs en, eo ipso, tot verstoring van de markt in staat zou stellen. De Commissie was, anders gezegd, niet voor een rechtstreekse, maar voor een eventuele indirecte verstoring van de markt beducht. De stelling de Commissie — er zouden zulke ernstige verstoringen te duchten zijn geweest c.q. de andere deelnemers zouden van de markt zijn uitgesloten — werd evenwel door de verklaring van de getuige Guida niet gestaafd. Of de markt werkelijk op de hier bedoelde wijze kan worden beïnvloed, hangt niet in de laatste plaats ook af van de juistheid van een aantal moeilijk te verifiëren hypothesen. De mogelijkheid ertoe mag bij voorbeeld slechts aanwezig worden geacht wanneer de betrokken ondernemingen, dankzij de koop, op de markt een dominerende positie hebben veroverd. De olijfoliemarkt is evenwel zo onoverzichtelijk dat wij met het verhoudingsgetal tussen de verkochte hoeveelheid en de totale hoeveelheid zuivere olie op de Italiaanse markt niet precies bekend zijn. Volgens verzoekster zou het slechts 8 % bedragen, terwijl de Commissie van 30 % spreekt. Voorts dient te worden bedacht dat, mocht er uit een — eventuele — machtspositie inderdaad een gevaar als hier bedoeld zijn voortgevloeid, de Commissie dat gevaar, door de in verordening nr. 71/81 voorziene verkoop van tamelijk grote partijen tegen vaste prijzen, zelf heeft geschapen. Verzoeksters hebben ook het gelijk aan hun zijde wanneer zij stellen dat men, door in verordening nr. 2239/81 dezelfde partij tegen een enigszins verhoogde, maar altijd nog gunstige prijs aan de oorspronkelijke inschrijvers voor te behouden, op de aanvankelijk ingeslagen weg maar gedeeltelijk is teruggekomen, omdat men, aldus handelend, het aan een dominerende positie verbonden gevaar van beïnvloeding van de markt niet zonder meer heeft gebannen. De Commissie heeft, ten bewijze van de haars inziens te verwachten verstoring van de markt, alleen maar enige telexen geproduceerd, waarin concurrerende ondernemingen, na de loting, op dat gevaar wezen. De Commissie kon ons evenwel niet zeggen voor hoeveel ondernemingen en voor welke soorten marktdeelnemers — coöperaties, raffinaderijen, uitrustingsindustrieën, grossiers, detaillisten — verkoop op de oorspronkelijke condities gevaarlijk zou zijn geweest. Alvorens de aangevochten verordeningen vast te stellen, heeft de Commissie kennelijk ook geen inlichtingen over de voorraden der onderscheiden ondernemingen ingewonnen. Last but not least: de Commissie kon er ook niet zonder meer van uitgaan dat de betrokken ondernemingen, ter uitschakeling van concurrentie, afstand van hun winstmarges zouden doen dan wel hun winsten voor verstoring van de markt zouden gebruiken. Derhalve moet worden geconstateerd dat de Commissie, bij annulering der verkopen, van een abstract, hypothetisch gevaar van verstoring van de markt is uitgegaan en dat zij dat gevaar bovendien door haar eigen plichtsverzuim in het leven heeft geroepen. Maar zulk een gevaar rechtvaardigt een aantasting van de voor verzoeksters ingenomen vermogensrechtelijke posities niet; wij komen daarop nog terug. |
|
c) |
Kon er dus van een concreet gevaar voor onmiddellijke verstoring van de markt — door verzoeksters — niet worden gesproken, dan moet het er huns inziens voor worden gehouden dat de Commissie de haar ingeruimde bevoegdheden ook — in de zin van „détournement de pouvoir” — heeft misbruikt voor zover zij met de omstreden verordeningen niet de markt heeft willen beschermen, maar allereerst de aan verzoeksters in uitzicht gestelde, ongetwijfeld aanzienlijke winsten heeft willen besnoeien. |
|
d) |
En al zou men door zodanig gevaar een ingrijpen als hier bedoeld voldoende gerechtvaardigd achten, dan nog zou de verordening, althans in formeel opzicht, onvoldoende gemotiveerd zijn. Weliswaar heeft het Hof in zijn uitspraken (men zie, behalve veel andere uitspraken, het arrest, door het Hof gewezen in zaak 166/78 ( 4 )) steeds weer recht verklaard dat bij rechtshandelingen van algemene strekking aan artikel 190 EEG-Verdrag is voldaan wanneer de considerans licht over de hoofdtrekken der regeling verschaft. Wij zagen echter dat er in de aangevochten rechtshandelingen, ofschoon naar de vorm verordeningen, geen algemene, abstracte regelingen, doch een reeks individuele besluiten besloten liggen. Die individuele besluiten hadden evenwel uitvoerig moeten zijn gemotiveerd, wilden belanghebbenden en het Hof van Justitie tot rechtscontrole in staat worden gesteld. Verzoeksters hebben dan ook gelijk wanneer zij stellen dat door de omstreden rechtshandelingen met name ook de motiveringsplicht is geschonden |
2. De grief betreffende schending van algemene rechtsbeginselen
|
a) |
Verordening nr. 2238/81 zou ten slotte in strijd komen met algemene rechtsbeginselen, namelijk met het rechtszekerheidsbeginsel en met het beginsel dat gewettigd vertrouwen bescherming verdient. Zoals ik reeds betoogde, werden verzoeksters door de loting geïndividualiseerd en verschafte de loting hun rechtsposities in vermogensrechtelijke zin. Verordening nr. 71/81 is dan ook te beschouwen als een regeling waaraan voor een beperkte kring van personen gunstige gevolgen verbonden waren. Zij was qua effect als een voor betrokkenen gunstige algemene beschikking te beschouwen, i.e. als een reeks individuele besluiten, waaruit voor betrokkenen de hierbedoelde subjectieve rechten zijn voortgevloeid. De algemene rechtsbeginselen betreffende de herroeping van voor betrokkenen gunstige administratieve handelingen zijn dan ook op annulering van overeenkomstige toepassing; het ging er immers om de hierbedoelde verkoop ongeldig te verklaren. In beginsel zullen derhalve hat algemeen belang en de op het spel staande particuliere belangen tegen elkaar moeten worden afgewogen en zal moeten worden uitgemaakt welk belang in concreto heeft te prevaleren. Onrechtmatige handelingen van de administratie kunnen volgens's Hofs rechtspraak in beginsel steeds worden geannuleerd, behoudens voor zover daardoor in bepaalde gevallen aan verkregen rechten mocht worden getornd (vgl. het arrest in zaak 15/60 ( 5 )). Ook vdor betrokkenen gunstige administratieve handelingen kunnen, wanneer betrokkenen zich niet op gewettigd vertrouwen kunnen beroepen, ongedaan worden gemaakt. Is het voor een behoedzaam en bezonnen deelnemer aan het economisch verkeer te voorzien dat er op communautair niveau een stringente maatregel zou worden getroffen, dan kan hij zich, wanneer dié maatregel afkomt, naar het Hof onder meer in de zaak Lührs ( 6 ) heeft overwogen, niet op gewettigd vertrouwen beroepen. Volgens's Hofs vaste jurisprudentie (vgl. zàken 42 en 49/59; zaak 159/82 ( 7 )) komt de administratie evenwel met het voormelde algemene rechtsbeginsel (rechtszekerheid; gewettigd vertrouwen) in strijd door rechtmatige, voor betrokkenen gunstige handelingen der administratie achteraf ongedaan te maken. Bij toetsing van de omstreden verordening nr. 2238/81 aan deze beginselen zij aanstonds vastgesteld dat een voor de betrokken ondernemingen gunstige regeling a posteriori is herroepen. De regeling was volgens de Commissie en ook blijkens het antwoord van het te dezen bevoegde lid der Commissie Dalsager d. d. 22 juni 1981, althans bij vaststelling — 1 januari 1981 — rechtmatig. Hoogstens kon er op worden aangemerkt dat zij door de gewijzigde marktomstandigheden om zo te zeggen gaandeweg onrechtmatig was geworden, hetgeen de betrokken ondernemers ook konden beseffen. Tegen die benadering spreekt evenwel reeds de algemene overweging dat een aanvankelijk rechtmatige regeling, zolang zij bestaat, mag worden vermoed rechtmatig te zijn gebleven. Het bedrijfsleven heeft daarvan temeer uit te gaan, wanneer de Commissie, na maanden te hebben gedraald en nadat er intussen door Aima is gewaarschuwd, de verloting op haar beloop laat. Die vertraging mag niet worden afgeschoven op de ondernemingen die, bij reguliere verkoop, in voege als voorzien, op 12 februari zouden zijn uitgeloot en de gekochte hoeveelheid op de aanvankelijk vastgestelde condities hadden kunnen overnemen. Bij de beantwoording van de vraag of het vertrouwen, door verzoeksters in de rechtsgeldigheid van de oorspronkelijke regeling gesteld, en de door verzoeksters verkregen rechten, voor bescherming in aanmerking komen, dient ten slotte ook te worden bedacht dat deze marktdeelnemers zich volgens artikel 5 van verordening nr. 71/81, met het stellen van een borgtocht, eenzijdig en onherroepelijk tot nakoming van de eventueel aan te gane overeenkomst hadden te verplichten. Zouden de prijzen niet zijn gestegen maar gedaald, dan hadden zij in het kader van het ondernemersrisico, het verlies te dragen gehad. Het is dan niet meer dan billijk wanneer de ondernemers in hun rechtmatige winstverwachtingen eveneens worden beschermd. |
|
b) |
Om de bescherming van verkregen rechten gaat het eveneens in de tweede grief waarin verzoeksters stellen dat in de omstreden verordeningen een onrechtmatige ingreep in hun eigendom besloten ligt. Met name volgens de Italiaanse rechtsorde, maar ook volgens de rechtsorden van de andere Lid-Staten, is onteigening of een daarmee gelijk te stellen maatregel alleen op grond van de wet, in het algemeen belang en tegen schadevergoeding mogelijk. Aan die drie voorwaarden zou in casu evenwel niet zijn voldaan. De Commissie stelt zich daartegenover op het standpunt dat er van een als onteigening te beschouwen maatregel niet zou mogen worden gesproken; zij zou met haar regeling zijn gebleven in het kader van de haar verleende marktoriënterende bevoegdheden. Mocht men nochtans van mening zijn dat in verordening nr. 2238/81 een als onteigening te beschouwen maatregel besloten ligt, dan zou er in verordening nr. 2239/81 in ieder geval een passende schadeloosstelling zijn voorzien. Volgens de verordening hadden de zes ondernemingen de hierbedoelde partijen olie tegen een bijzondere gunstige prijs kunnen verkrijgen, hetgeen als een passende schadeloosstelling zou zijn te beschouwen. Na hetgeen hiervoor werd opgemerkt, behoeft op deze onteigeningsproblematiek niet te worden ingegaan, immers de bestreden verordeningen moeten reeds om voormelde redenen worden nietig verklaard. Ik zou er daarom enkele summiere, subsidiair voorgedragen opmerkingen aan willen wijden. Zoals het Hof onder meer in de zaken Hauer en Testa ( 8 ) voor recht verklaarde, behoort het eigendomsrecht tot de fundamentele rechten, die in de communautaire rechtsorde worden gewaarborgd in overeenstemming met de opvattingen die aan de Lid-Staten gemeen zijn. In dit verband kan onbesproken blijven dat verzoeksters reeds het eigendomsrecht op de bij inschrijving verkochte hoeveelheden olie hadden verworven — omdat reeds op geld waardeerbare subjectieve rechten naar publiekrecht als eigendom zijn te beschouwen, wanneer zulke aanspraken betrokkenen rechtsposities doen innemen welke die van eigenaren benaderen. Ons bleek dat dit in casu waarschijnlijk het geval is. Wie aan zulke op geld waardeerbare rechtsposities tornt, verlaat het bestek van de in de eigendom besloten liggende sociale bindingen en grijpt in de eigendom in op een wijze die als onteigening c.q. als een met onteigening gelijk te stellen maatregel is aan te merken. Maar zulk een ingrijpen behoeft, naar ik meen, volgens de rechtsorden van alle Lid-Staten een wettelijke grondslag, terwijl er in beginsel uitsluitend in het algemeen belang toe mag worden overgegaan. Dit volgt niet in de laatste plaats uit de in het gemeenschapsrecht geldende beginselen van rechtszekerheid en rechtmatig bestuur. Voor de mogelijkheid om, in het kader van de uitoefening van haar marktregulerende bevoegdheden, verkregen vermogensrechten te annuleren, kon de Commissie desgevraagd evenwei geen grondslag noemen. Reeds om die reden ware bedoelde ingreep, geheel afgezien van het meer dan twijfelachtige antwoord op de vraag of er om redenen van algemeen belang toe werd overgegaan, als onrechtmatig te beschouwen. |
|
c) |
Het is evenwel de vraag hoe de schadeloosstelling moet worden bepaald: behoeft zij slechts „passend” te zijn of kunnen verzoeksters, zoals zij menen, aanspraak maken op totale schadevergoeding? Deze vraag doet een aantal netelige problemen rijzen die mijns inziens, ook langs de weg van rechtsvergelijkend onderzoek, niet gemakkelijk tot klaarheid kunnen worden gebracht. Ik wil die weg evenwel niet inslaan; uiteindelijk ben ik namelijk met verzoeksters van mening dat het uit een oogpunt van bescherming van de eigendom niet aangaat aan de betrokken ondernemingen vooreerst de door hen verworven rechten te ontnemen om hun vervolgens, bij wege van schadevergoeding, de mogelijkheid te bieden dezelfde rechten tegen een andere prijs wederom te verwerven. In zulk een geval is mijns inziens alleen volledige compensatie ter waarde van de onttrokken rechten als passend te beschouwen. Een andere opvatting had slechts kunnen worden verdedigd, wanneer de Commissie zich in verordening nr. 71/81 met zoveel woorden het recht op aanpassing van de verkoopsprijs aan de economische omstandigheden had voorbehouden. Maar ook al mocht men de door de Commissie voorgestane oplossing willen aanvaarden, dan nog is logisch moeilijk verklaarbaar waarom de betrokken ondernemers, die aanvankelijk gerechtigd waren tot overname van de betrokken partijen tegen een — uniforme — vaste prijs, thans in het kader van een beweerdelijk passende schadeloosstelling, voor de verschillende partijen niet-uniforme prijzen, gelegen tussen LIT 235000 per 100 kg en LIT 239000 per 100 kg, zouden moeten betalen. Ook in zoverre zijn de verordeningen mijns inziens als onrechtmatig te beschouwen. Mocht het Hof van Justitie menen de verordeningen op grond van een en ander te moeten nietig verklaren, dan zou ik het nochtans juister achten indien het plenum, en niet een der kamers, zich over deze tot nu toe in de rechtspraak niet behandelde principiële vragen zou uitspreken. |
3. De beweerdelijk begane procedurefout
Nu de materiële grieven gegrond zijn gebleken, kan ik mijn conclusie besluiten met een enkel woord over de vormfout die volgens verzoeksters zou zijn begaan. Verzoeksters stellen zich op het standpunt dat de gewraakte bepalingen ook wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften moeten worden nietigverklaard; zij menen dat de in artikel 38 van de marktordening voor oliën en vetten voorziene procedure voor het Comité van Beheer niet is nageleefd. Volgens die bepaling heeft dat Comité advies uit te brengen. Zijn Commissie en Comité het niet eens, dan wordt de maatregel ter kennis van de Raad gebracht.
Deze grief berust echter, naar de Commissie terecht heeft betoogd, op een onjuiste uitlegging van de omstreden bepaling. Dat het Comité van Beheer werd ingeschakeld, blijkt bij lezing van de laatste overweging van de considerans der omstreden verordeningen, volgens welke het Comité van Beheer voor oliën en vetten niet binnen de door de voorzitter bepaalde termijn zijn standpunt had bepaald. Dit wil wederom zeggen dat zich noch een meerderheid voor noch een meerderheid tegen de verordeningen heeft uitgesproken.
Volgens artikel 38 van de marktordening voor oliën en vetten behoeven echter alleen maatregelen waarmede het comité het niet eens is, ter kennis van de Raad te worden gebracht. Het uitblijven van een advies van het Comité staat, naar het Hof in de zaken Schouten en Dulciora ( 9 ) voor een gelijkluidende bepaling van de graanmarktverordening heeft uitgesprokken, aan de rechtsgeldigheid van de maatregelen der Commissie geenszins in de weg. Deze grief moet derhalve worden verworpen.
4. De gevolgen van de onrechtmatigheid
Omdat het beroep als geheel gegrond blijkt te zijn, zal het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 174 EEG-Verdrag de omstreden verordeningen nietig moeten verklaren. Dat verordening nr. 2239/81 als nietig is te beschouwen, volgt met name uit de enge samenhang met de onrechtmatig bevonden verordening nr. 2238/81.
De Commissie geeft voor dit geval in overweging om, overeenkomstig artikel 174, tweede alinea, EEG-Verdrag, te verstaan dat de te vernietigen verordeningen als gehandhaafd zijn te beschouwen, voor zover de betalingsvoordelen daarbij ongedaan zijn gemaakt. Volgens verordening nr. 71/81 zouden de betrokken ondernemingen niet LIT 210000 per 100 kg olijfolie, maar slechts LIT 189000 per 100 kg hebben moeten betalen.
In de lijn van hetgeen ik tot nu toe overwoog, acht ik het evenwel niet noodzakelijk de verordening te handhaven voor zover daarbij de bij verordening nr. 71/81 in uitzicht gestelde betalingsvoordelen zijn ingetrokken. Die voordelen maken namelijk deel uit van de door verzoeksters bij de loting verworven op geld waardeerbare subjectieve rechten, zodat intrekking ervan als een aantasting van die verworven rechten zou zijn te beschouwen.
Voorts is artikel 174, tweede alinea, als een bijzondere regeling voor verordeningen te beschouwen, die de mogelijkheid schept om de normatieve gevolgen van zulke rechtshandelingen recht te doen wedervaren. Ons bleek evenwel dat aan de aangevochten verordeningen het effect van individuele besluiten toekomt, zodat er ook in zoverre geen aanleiding bestaat gedeelten ervan als gehandhaafd te beschouwen.
III — De door verzoekster in zaak 264/81 gevorderde schadevergoeding
De nietigverklaring van verordeningen nr. 2238/81 en 2239/81 brengt mede dat verordening nr. 71/81 in stand blijft, zodat de verkopen op grondslag van die verordening moeten worden afgewikkeld.
De door verzoekster in zaak 264/81 subsidiair ingestelde vordering tot schadevergoeding is daarmede zonder voorwerp geraakt.
Met betrekking tot deze, haar vordering tot nietigverklaring aanvullende, schadeeis heeft verzoekster tijdens de mondelinge behandeling in antwoord op desbetreffende vragen van het Hof van Justitie met zoveel woorden verklaard deze vordering slechts voorzichtigheidshalve te hebben ingesteld, en wel voor het geval dat de op haar vordering uit te spreken nietigverklaring geen schadeloosstelling zou omvatten. Blijkens haar toelichting heeft zij zich voor dat geval de mogelijkheid willen open houden alsnog schadevergoeding te vorderen. Over deze vordering „op tijd” kan — en behoeft — in dit processuale stadium niet te worden beslist.
C —
Mijn slotsom luidt dat het den Hove behage verordeningen (EEG) nrs. 2238/81 en 2239/81 van de Commissie van 3 augustus 1981 nietig te verklaren en de in zaak 264/81 ingediende „aanvullende” schade-eis af te wijzen. Een uitspraak in die zin brengt mede dat de Commissie, in voege als gevorderd, in de kosten moet worden verwezen.
Omdat de Commissie ook in kort geding in hoofdzaak in het ongelijk werd gesteld, heeft zij ook de op dat geding gevallen kosten, alsmede de kosten van de gevoegde partij, te dragen.
( 1 ) Vercaald uit het Duits.
( 2 ) Arrest, op 6. 10. 1982 gewezen in zaak 307/81, Alusuisse Italia SpA t. Raad en Commissie van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1982, blz. 3463, 3470.
( 3 ) Arrest, op 11. 7. 1984 gewezen in zaak 222/83, Gemeente Differdange c.a. t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1984, blz. 2889.
( 4 ) Arrest, op 12. 7. 197o gewezen in zaak 166/78, regering van de Italiaanse Republiek t. Raad van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1979, blz. 2575.
( 5 ) Arrest, op 1. 6. 1961 gewezen in zaak 15/60, G. Simon t. Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1961, blz. 239.
( 6 ) Arrest, op 1. 2. 1978 gewezen in zaak 78/77, Firma Johann Lührs t. Hauptzollamt Hamburg-Jonas, Jurispr. 1978, blz. 169.
( 7 ) Arrest, op 22. 3. 1961 gewezen in de gevoegde zaken 42 en 49/59, Société nouvelle des usines de Pontlieue, Aciéries du Temple t. Hoge Autoriteit, Jurispr. 1961, blz. 111;
Arrest, op 22. 9. 1983 gewezen in zaak 159/82, A. Verli-Wallace t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1983, blz. 2711.
( 8 ) Arrest, op 13. 12. 1979 gewezen in zaak 44/79, L. Hauer t. Land Rheinland-Pfalz, Jurispr. 1979, biz. 3727;
Arrest, op 19. 6. 1980 gewezen in de gevoegde zaken 41/79, 121/79 en 769/79, V. Testa t. Bundesanstalt für Arbeit, Jurispr. 1980, biz. 1979.
( 9 ) Arrest, op 14. 12. 1978 gewezen in zaak 35/78, N. G. J. Schouten BV t. Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten, Jursipr. 1978, blz. 2543;
Arrest, op 5. 4. 1979 gewezen in zaak 95/78, Dulciora Spa t. Amministrazione delle Finanze dello Stato, Jurispr. 1979, blz. 1549.