CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 26 MEI 1982 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Inleidende opmerkingen
In de zaak waarin ik thans mijn mening te kennen geef, is opnieuw het bij beschikking nr. 2794/80 van 31 oktober 1980 (PB L 291 van 31. 10. 1980, blz. 1 e.v.) ingevoerde quotastelsel voor staal aan de orde. Aangezien dit stelsel uit verschillende andere zaken bekend is en de wezenlijke inhoud ervan ook in het rapport ter terechtzitting is uiteengezet, behoef ik er hier niet dieper op in te gaan.
Onder genoemd stelsel ontving verzoekster in de onderhavige zaak, een Duitse staalonderneming, op 6 april 1981 een mededeling van de Commissie als bedoeld in artikel 3 van beschikking nr. 2794/80 (vgl. bijlage 1 bij het verzoekschrift). Daarbij werd haar ter kennis gebracht van welke referentieproduktiecijfers moest worden uitgegaan voor het tweede kwartaal van 1981 en tot welke produktiequota men kwam bij toepassing van de ingevolge beschikking nr. 664/81 van 13 maart 1981 (PB L 69 van 14. 3. 1981, blz. 22) voor dat kwartaal geldende verminderingspercentages. Wat betreft de referentieproduktiecijfers, werd in de mededeling enkel gezegd dat deze overeenkomstig artikel 4 van beschikking nr. 2794/80 waren aangepast. In de loop van het geding bleek dat de aanpassing was verricht op grond van artikel 4, sub 3, dat wil zeggen met inachtneming van enerzijds de gemiddelde bezettingsgraad van verzoeksters in Bremen geïnstalleerde walsgroep II voor warmgewalst breedband tijdei. de periode van juli 1977 tot juni 1980, en anderzijds de gemiddelde bezettingsgraad van dezelfde installaties van de overige ondernemingen in de Gemeenschap gedurende de jaren 1977-1979. Daarbij werd — op de bijzonderheden kom ik later terug — uitgegaan van de hoogst mogelijk produktie, waarvoor verzoekster in een vragenlijst voor 1980 4260000 ton had opgegeven (terwijl in vragenlijsten voor de voorafgaande jaren slechts sprake was geweest van een hoogst mogelijke produktie van 3770000 ton).
Tegen die maatregel heeft verzoekster op 15 mei 1981 beroep ingesteld bij het Hof. Zij concludeert tot nietigverklaring van de in de brief van de Commissie van 6 april 1981 vervatte beschikking, in zoverre daarbij verzoeksters referentieproduktiecijfer en produktiequotum voor walserijprodukten van categorie I (zoals omschreven in artikel 2 van beschikking nr. 2794/80) zijn vastgesteld.
Tot staving van haar beroep heeft verzoekster zich in het verzoekschrift beroepen op „miskenning van het beginsel van evenredige werkgelegenheid” en „miskenning van de gevolgen van het in artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag, vervatte verbod van subsidies”, en betoogd dat de Raad van Ministers niet met beschikking nr. 2794/80 heeft ingestemd. In repliek heeft zij verklaard dat met het eerste middel wordt gedoeld op miskenning van het „beginsel van evenredige mini-mumwerkgelegenheid”. Bovendien heeft verzoekster in repliek — hetgeen natuurlijk vragen van ontvankelijkheid doet rijzen — twee bijkomende grieven aangevoerd, te weten de onrechtmatige vaststelling van leveringsquota voor de gemeenschappelijke markt en voor de uitvoer.
Ten aanzien van het aldus omschreven geding behoort mijns inziens het volgende standpunt te worden ingenomen.
I — Schending van het gestelde beginsel van evenredige minimu m werkgelegenheid
Nog afgezien van de vraag of bedoeld beginsel van evenredige minimumwerkgelegenheid uit het EGKS-Verdrag kan worden afgeleid, moet hier onderscheid worden gemaakt tussen verschillende aspecten. Verzoeksters kritiek heeft namelijk zowel betrekking op algemene beschikking nr. 2794/80 als op de wijze waarop artikel 4, sub 3, van die beschikking op verzoeksters geval is toegepast. Met dat onderscheid moet bij het onderzoek in rechte rekening worden gehouden.
Wat betreft de stelling dat genoemd beginsel algemeen geldt voor de toepassing van artikel 58, wil ik hier enkel'opmerken dat het mijns inziens in ieder geval niet zonder meer uit de bepalingen betreffende een compensatiefonds kan worden afgeleid, gelijk in het verzoekschrift wordt betoogd. Van deze in artikel 58, lid 2, voorziene mogelijkheid tot handhaving van de werkgelegenheid in bijzonder zwaar getroffen ondernemingen is in beschikking nr. 2794/80 immers geen gebruik gemaakt, zodat volgens mij in dit verband enkel de minder ver strekkende verplichting van artikel 2 geldt, te weten „[het waarborgen van] de continuïteit van de werkgelegenheid”. Zelfs wanneer men het algemeen beginsel van gelijke behandeling ernaast legt, kan uit deze verplichting geen gebod van evenredige minimumwerkgelegenheid worden afgeleid. Volgens de bewoordingen van artikel 58 heeft de Gemeenschap immers ook rekening te houden met de in artikel 2 gestelde doeleinden van economisch beleid, die ertoe strekken „de meest rationale verdeling van de produktie op een zo hoog mogelijk peil te verzekeren”. Deze doeleinden van economisch beleid kunnen een evenredige minimumwerkgelegenheid in de staalondernemingen van de Gemeenschap alleszins onmogelijk maken.
1. De kritiek op de opzet van beschikking nr. 2794/80
|
a) |
Vooraf moet worden nagegaan wat met die kritiek precies wordt beoogd en welke de draagwijdte ervan is. Dit lijkt vooral noodzakelijk met het oog op de in het verzoekschrift aangevoerde argumenten, die prima facie zouden kunnen worden opgevat als zelfstandige grieven met betrekking tot de opzet van artikel 4, sub 3, van beschikking nr. 2794/80. Daarmee bedoel ik de opmerking dat volgens deze bepaling voor de vaststelling van de gemiddelde bezettingsgraad van de produktiecapaciteit van een onderneming waarop die bepaling wordt toegepast, een andere referentieperiode geldt dan waarvan in het algemeen voor de vaststelling van het referentieproduktiecijfer wordt uitgegaan; voorts dat voornoemde referentieperiode niet samenvalt met die aan de hand waarvan de gemiddelde bezettingsgraad van dezelfde installaties van de overige ondernemingen wordt vastgesteld; en tenslotte dat volgens artikel 4, sub 3, van beschikking nr. 2794/80 het referentieproduktiecijfer slechts behoeft te worden verhoogd tot een niveau overeenkomend met een bezettingsgraad van 5 procentpunten beneden de gemiddelde bezettingsgraad van de andere ondernemingen. In dit verband is evenwel in de loop van het geding en met name uit de antwoorden op de vragen van het Hof gebleken, dat deze opmerkingen niet als zelfstandige grieven zijn bedoeld. Deze uiteenzettingen dienen veeleer duidelijk te maken waarom het beginsel van minimumwerkgelegenheid, zoals verzoekster het verstaat, door beschikking nr. 2794/80 is geschonden; derhalve behoeft niet te worden nagegaan of deze opmerkingen, mochten zij als kritiek zijn bedoeld, voldoende gegrond zouden zijn. Waar verzoekster stelt dat het beginsel van minimumwerkgelegenheid is geschonden, denkt zij daarbij in werkelijkheid enkel aan de omstandigheid dat beschikking nr. 2794/80 geen bepaling bevat krachtens welke het produktiequotum moet worden verhoogd tot een minimumniveau, te bepalen aan de hand van de huidige capaciteit van de individuele onderneming en de gemiddelde bezettingsgraad van alle ondernemingen in verhouding tot de verminderde referentieproduktiecijfers. Voorts zou men op het eerste gezicht de indruk kunnen hebben, dat verzoekster er slechts op aandringt dat de bezettingsgraad van haar walsgroep II tot het gemiddelde niveau in de Gemeenschap wordt opgetrokken. Zij heeft zich immers vooral op de capaciteit van die walsgroep gebaseerd en aangevoerd — hetgeen in verband met de toepassing van artikel 4, sub 3, op het onderhavige geval dan ook van belang is — dat deze 459000 ton per maand bedraagt en niet, gelijk de Commissie juist acht, slechts 355000 ton per maand. Uit het antwoord op een door mij tijdens de mondelinge behandeling gestelde vraag is echter gebleken dat volgens verzoekster in dit verband ook rekening moet worden gehouden met de capaciteit van haar sedert april 1974 stilgelegde walsgroep I, die 169000 ton per maand beloopt. De redenen die zij daarvoor aanvoert, zijn dat de stillegging een door de Commissie gewenste herstructureringsmaatregel was, dat de walsgroep na een zekere aanlooptijd zonder meer opnieuw in bedrijf kan worden genomen en dat verzoekster eind 1980 ook metterdaad voornemens was deze capaciteit bij de Commissie aan te melden. Op deze grondslag moet derhalve het eerste onderdeel van het eerste middel in rechte worden onderzocht. |
|
b) |
Ten betoge dat bij het quotastelsel in beginsel voor een minimumbezetting van de ondernemingen had moeten zijn gezorgd, beroept verzoekster zich — gelijk reeds in mijn inleidende opmerkingen over dit middel gezegd — inzonderheid op artikel 58, lid 2, EGKS-Verdrag. Volgens die bepaling kan de bezettingsgraad van de ondernemingen worden geregeld door middel van heffingen op de hoeveelheden waarmee de produktie een bij algemene beschikking vastgesteld peil overschrijdt. Voorts is bepaald dat de aldus verkregen bedragen moeten worden bestemd voor het ondersteunen van die ondernemingen waarvan de produktie beneden het voorziene peil is gedaald, zulks „teneinde met name zoveel mogelijk de werkgelegenheid in die ondernemingen te handhaven”. Verzoekster is van oordeel dat laatstgenoemd doel de kern van het gehele artikel 58 vormt, dat wil zeggen niet alleen in zoverre het om een stelsel van heffingen gaat, doch ook in zoverre rechtstreeks produktiequota worden opgelegd. Aangezien het EGKS-Verdrag blijkens verscheidene verdragsbepalingen (de artikelen 3, sub e, 46, 56, 67, 68 en 69) in de grond op verwezenlijking van sociale rechtvaardigheid is afgestemd, aldus verzoekster, moet worden aangenomen dat voornoemd doel, dat bovendien in artikel 2 tot uiting komt, voorrang heeft op andere doeleinden van het Verdrag. In die optiek rust haars inziens op de Commissie de fundamentele verplichting om, indien produktiebeperkingen noodzakelijk zijn, het verlies aan arbeidsplaatsen evenredig over de ondernemingen te spreiden en voor een evenredige handhaving van de werkgelegenheid te zorgen. Daarvan mag zij — afgezien van de problematiek der subsidies, die in een andere context moet worden behandeld — slechts in één geval afwijken, namelijk ten gunste van ondernemingen die ingevolge gewenste herstructureringsmaatregelen installaties hebben stilgelegd. Verzoekster meent dat dit haar situatie is, nu zij immers haar walsgroep I in 1974 voorlopig uit bedrijf heeft genomen. Ten aanzien van dergelijke ondernemingen is het haars inziens onverenigbaar met de doeleinden van artikel 58, indien eenvoudig van de daadwerkelijke produktie wordt uitgegaan. In dat geval moet het quotastelsel in de eerste plaats op de werkgelegenheid worden afgestemd, hetgeen noodzakelijkerwijze de verplichting meebrengt te voorkomen dat de bezetting van de huidige capaciteit onder een bepaald minimumniveau daalt. |
|
c) |
Ten betoge dat deze opvatting niet steekhoudend is, voert de Commissie verschillende argumenten aan, die in het rapport ter terechtzitting zijn samengevat. Zoals reeds uit mijn inleidende opmerkingen betreffende dit middel blijkt, ben ik het ermee eens dat verzoeksters zienswijze in dit opzicht niet overtuigend is.
|
2. De grief inzake onjuiste toepassing van artikel 4, sub 3, van beschikking nr, 2794/80 op verzoeksters geval
|
a) |
In de inleiding zei ik reeds dat de Commissie verzoeksters referentieproduktiecijfer overeenkomstig artikel 4, sub 3. van beschikking nr. 2794/80 heeft verhoogd. Zoals bekend luidt deze bepaling — die reeds in andere zaken aan de orde was — dat, indien de gemiddelde bezettingsgraad van de produktiemogelijkheden van een onderneming zich gedurende de periode van juli 1977 tot en met juni 1980 10 procentpunten of meer bevond beneden de gemiddelde bezettingsgraad van dezelfde installaties van de andere ondernemingen in de Gemeenschap tijdens de jaren 1977-1979, het referentieproduktiecijfer moet worden verhoogd tot een niveau overeenkomend met een bezettingsgraad van 5 procentpunten beneden genoemde gemiddelde bezettingsgraad van de andere ondernemingen (voor zover is voldaan aan bepaalde voorwaarden die hier verder niet ter zake doen, met name deelneming aan een door de Commissie vastgesteld leveringsprogramma). De Commissie heeft in de loop van het geding uiteengezet hoe die bepaling in concreto op de verzoekende onderneming — juister: haar walsgroep II in Bremen — is toegepast. Van doorslaggevend belang waren daarbij de vragenlijsten 2/61, door verzoekster — evenals andere ondernemingen — jaarlijks in te vullen ingevolge de haar bij artikel 14 van beschikking nr. 22/66 (PB nr. 219 van 29. 11. 1966, blz. 3728 e.v.) opgelegde meldingsplicht inzake investeringen, waarin inlichtingen over de daadwerkelijke produktie en de hoogst mogelijke produktie worden verstrekt. Blijkens de toelichtingen bij die vragenlijst gaat het bij laatstbedoelde produktie niet om bij voorbeeld de theoretische technische capaciteit, doch om een grootheid die wordt bepaald aan de hand van de concrete produktievoorwaarden en de samenstelling van de lading op een gegeven ogenblik, en die dus mede afhangt van de capaciteit van installaties in eerdere stadia en de aankoop van grondstoffen, de produktiestructuur (samenstelling van het produktieprogramma aan de hand van de structuur van de vraag) en de capaciteit van installaties in latere stadia. Dienovereenkomstig had verzoekster jarenlang — in de vragenlijsten voor 1977, 1978 en 1979 — de hoogst mogelijke produktie van haar walsgroep II op 3770000 ton (ofwel 314000 ton per maand) berekend. Eerst in de op 1 januari 1980 ingediende vragenlijst gaf zij — zonder enige motivering — een hoger cijfer op, te weten 4260000 ton (ofwel 355000 ton per maand). Dit leidde tot een controle door middel van een rendementstest in mei 1980, waarna de diensten van de Commissie — ofschoon die test slechts een hoogst mogelijke produktie van 4230000 ton opleverde — het door verzoekster nieuw opgegeven cijfer aanvaardden. Dienovereenkomstig corrigeerde de Commissie (bij brief van 11. 12. 1980) haar eerste beschikking aan verzoekster van 1 november 1980, waarbij het referentieproduktiecijfer voor het vierde kwartaal van 1980 aanvankelijk op basis van 314000 ton per maand was verhoogd. Bovendien ging zij bij de toepassing van artikel 4, sub 3, van beschikking nr. 2794/80 tijdens de volgende twee kwartalen uit van een hoogst mogelijke produktie van verzoekster van 355000 ton per maand. |
|
b) |
Verzoekster neemt echter geen genoegen met de aldus berekende aanpassing van het referentieproduktiecijfer en haar eerste middel is mede daartegen gericht. Volgens haar mag zij niet eenvoudig worden vastgepind op cijfers die zij vroeger ooit — toen zij sterk onderbezet was en niet kon weten welk belang dat op een gegeven ogenblik voor een quotastelsel zou hebben — zonder nauwkeurige controle heeft aangemeld als betrof het een „routineaangelegenheid”. Thans moet veeteer worden uitgegaan van haar juiste capaciteit, waarvoor zij in de op 1 januari 1981 ingediende vragenlijst 5508000 ton (ofwel 459000 ton per maand) heeft opgegeven, hetgeen ook voor de jaren daarvoor gold. Dit vooropgesteld zou vaststaan dat verzoeksters bezettingsgraad aanzienlijk lager was dan door de Commissie werd aangenomen; mitsdien zou het referentieproduktiecijfer tot een hoger niveau moeten worden opgetrokken, hetgeen voor het tweede kwartaal van 1982 ook tot een hogere bezettingsgraad zou leiden. |
|
c) |
Bij deze zienswijze, waartegen de Commissie zich nadrukkelijk heeft verzet, moeten volgens mij de volgende opmerkingen worden gemaakt.
|
|
d) |
Gezien het voorgaande kan ook het tweede onderdeel van het eerste middel uiteindelijk slechts in voor verzoekster ongunstige zin worden beoordeeld: zelfs in de veronderstelling dat zes maanden na de inwerkingtreding van het quotastelsel nog op een correctie van de vastgestelde capaciteit, die betrekking heeft op de jaren 1977-1980, kon worden aangedrongen (in dit verband herinner ik aan het standpunt van de Commissie dat thans überhaupt niet meer het bewijs kan worden geleverd van de hoogst mogelijke produktie tijdens de jaren 1977-1980), dan moet toch in ieder geval worden gesteld dat de door verzoekster verstrekte gegevens onvoldoende gegrond zijn om de waarden waarvan de Commissie is uitgegaan als onjuist te bestempelen. Bijgevolg kan de bestreden beschikking stellig niet wegens schending van artikel 4, sub 3, van beschikking nr. 2794 nietig worden verklaard. |
II — Miskenning van de schending van het in artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag vervatte subsidieverbod
Als tweede middel heeft verzoekster aangevoerd dat in verschillende Lid-Staten (met name België, Frankrijk, Italië en Groot-Brittannië) sedert vele jaren, en blijkens persberichten vooral sinds 1975, aanzienlijke bedragen uit de openbare financiën naar de binnenlandse staalindustrieën zijn gevloeid, hetgeen niet alleen tot distorsie van de mededingingsverhoudingen, doch ook tot kunstmatige handhaving en uitbreiding van produktiemogelijkheden zou hebben geleid (de produktiemogelijkheden zouden van 1974 tot 1976 met ongeveer 10 % zijn toegenomen). Tegen deze manifeste miskenning van het in artikel 2 EGKS-Verdrag vervatte beginsel van het subsidieverbod, waarvan het principiële belang reeds herhaaldelijk in de rechtspraak werd beklemtoond, zou de Commissie in strijd met haar in artikel 8 EGKS-Verdrag omschreven opdracht niets hebben ondernomen; voorts zouden die praktijken thans niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt. Aangezien aldus de produktieverhoudingen gedurende de voor beschikking nr. 2794/80 relevantie referentieperiode op ontoelaatbare wijze zijn beïnvloed, aldus verzoekster, is het niet verantwoord het quotastelsel eenvoudig op de daadwerkelijke produktie van die jaren te baseren. Het ware haars inziens veeleer „billijk” (équitable) geweest, indien bij de berekening van de quota met deze praktijken rekening was gehouden door een soort bonus-malusstelsel in te voeren en hetzij de quota te verlagen voor gesubsidieerde ondernemingen, die zonder steun minder zouden hebben geproduceerd, hetzij een bonus toe te kennen aan ondernemingen die geen subsidies hebben genoten.
De Commissie betwist niet dat sedert het begin van de staalcrisis in sommige Lid-Staten aanzienlijke steun is verleend aan de staalindustrie. Zij trekt evenwel de door verzoekster verstrekte gegevens inzake de omvang van de subsidies in twijfel. Voorts voert zij aan dat het niet steeds ging om specifiek aan de staalindustrie toegekende voordelen als bedoeld in artikel 4, sub c, doch ten dele veeleer om algemene — overigens ook in de Bondsrepubliek Duitsland getroffen — maatregelen op het gebied van het economisch, industrieel, regionaal, fiscaal en sociaal beleid en om maatregelen ter bevordering van het onderzoek, die krachtens het Verdrag niet verboden zijn en waarvoor veeleer artikel 67 enkel voorziet in een procedure die ertoe strekt de terugslag van zodanige maatregelen op de staalindustrie ongedaan te maken. Bovendien — en hierop legt zij de nadruk — is zij van oordeel dat zij, ook in zoverre het met artikel 4, sub c, onverenigbare subsidies betrof, zonder uitdrukkelijke machtiging aan artikel 58 niet de bevoegdheid kon ontlenen, in het kader van liet quotastelsel in compensaties te voorzien (waardoor niet alleen de subsidies zouden zijn gedoogd en gebillijkt, doch ook — en hier doelt zij op verzoeksters betoog dat een soort bonus-malusstelsel had moeten worden ingevoerd — lasten zouden zijn opgelegd aan de begunstigde ondernemingen in plaats van aan de voor de subsidiëring verantwoordelijke Lid-Staten). Tegen dergelijke verdragsschendingen zou zij veeleer enkel kunnen optreden volgens de procedure van artikel 88, waaraan ook bijzondere waarborgen voor de betrokken Lid-Staten zijn verbonden.
Wat dit geschilpunt betreft, is het volstrekt begrijpelijk dat niet-gesubsidieerde ondernemingen gelijk verzoekster heftige kritiek uitoefenen op de handelwijze van de Commissie en de inrichting van het quotastelsel. Het ligt immers voor de hand dat het quotastelsel, dat vooral bij de daadwerkelijke produktie in het verleden aanknoopt, tot andere resultaten zou hebben geleid indien de Commissie vroeger tegen verboden subsidies was opgetreden en aldus had verhinderd dat niet levensvatbare bedrijven geheel of gedeeltelijk kunstmatig in leven werden gehouden of dat het tot produktieverhogingen kwam die zonder subsidies niet mogelijk waren geweest.
Bovendien gaat de Commissie mijns inziens met name te ver, wanneer zij stelt dat tegen met het Verdrag strijdige subsidies enkel kan worden opgetreden met een procedure ex artikel 88 EGKS-Verdrag (strekkende tot vaststelling en opheffing van een verdragsschending), doch dat zij daarbuiten feitelijk niet in aanmerking kunnen worden genomen. Artikel 58 bepaalt in ieder geval dat rekening moet worden gehouden met de artikelen 2, 3 en 4, en dit ongeacht tot wie die bepalingen primair zijn gericht. Voorts zij inzonderheid herinnerd aan artikel 54 EGKS-Verdrag, dat betrekking heeft op het advies van de Commissie over investeringsprogramma's. De vijfde alinea van dit artikel bepaalt uitdrukkelijk dat, indien de financiering van een programma of de exploitatie van in dat programma voorziene inrichtingen subsidies, steunmaatregelen en dergelijke met zich mede brengen, het op deze gronden gegeven afwijzend advies als een beschikking in de zin van artikel 14 geldt, hetgeen voor de betrokken onderneming het verbod inhoudt, het afgekeurde programma met andere dan eigen middelen uit te voeren. Hieruit kan toch tenminste worden afgeleid dat de Commissie, ook zonder een procedure ex artikel 88 in te leiden, op het gebied van steunmaatregelen ten opzichte van de ondernemingen, en in ieder geval vooraleer steun wordt verleend, bepaalde maatregelen kan treffen. Bovendien is beslist niet uit te sluiten, dat het feit dat steun wordt verleend van belang kan zijn in het kader van beschikking nr. 2794/80 zelf, bijvoorbeeld in verband met de toepassing van artikel 4, lid 4, of eventueel van artikel 14.
Tenslotte is er volgens mij als zodanig geen reden om, wat betreft de vraag of met vroegere subsidies rekening had moeten worden gehouden, af te wijken van het arrest in zaak 14/81; daarin werd eveneens, zij het minder uitvoerig, overwogen dat artikel 58 niet ertoe strekt om uit subsidies voortvloeiende distorsies van de mededinging te corrigeren en dat de Commissie daartegen veeleer met andere middelen kan optreden (r.o. 23). Gelet op de — zoals gezegd — te ver gaande opvatting van de Commissie dienaangaande, lijkt mij thans evenwel een verduidelijking en vervollediging van die overweging noodzakelijk.
Zoals gezegd beschikt de Commissie bij de uitwerking van het quotastelsel over een aanzienlijke beoordelingsvrijheid; derhalve is in het onderhavige geval, evenals in zaak 14/81, de beslissende vraag of de omstandigheid dat geen rekening is gehouden met subsidies tijdens de referentieperiode, als misbruik van bevoegdheid moet worden beschouwd. Deze vraag kan om verschillende redenen bezwaarlijk bevestigend worden beantwoord. Geheel in het algemeen kan worden gesteld dat artikel 58 EGKS-Verdrag de Commissie weliswaar de verplichting oplegt, bij de vaststelling van quota mede rekening te houden met het in artikel 4 vervatte subsidieverbod, doch niet bepaalt op welke wijze dit moet geschieden.
In dit verband zij eraan herinnerd, dat de Commissie reeds met beschikking nr. 257/80 van 1 februari 1980 (PB L 29 van 1980, blz. 5 e.v.) het probleem van de specifieke steun aan de ijzer- en staalindustrie onder controle heeft trachten te krijgen, en dat deze pogingen op ruimere grondslag werden voortgezet in beschikking nr. 2320/81 van 7 augustus 1981 (PB L 228 van 1981, blz. 14 e.V.). Daarbij mag in geen geval uit het oog worden verloren dat door die regelingen, waardoor — in zoverre zij uitwerking hebben — inbreuk op artikel 4 wordt uitgesloten, de feiten die zich in het verleden hebben voorgedaan niet worden geregulariseerd (blijkens artikel 1 van beide beschikkingen gelden deze regelingen immers enkel voor steun, verleend na hun inwerkingtreding, en moet met vroegere subsidies enkel overeenkomstig artikel 2 van beschikking nr. 2320/81 bij de beoordeling van nieuw voorgenomen steunmaatregelen rekening worden gehouden).
Het lijkt echter uiterst twijfelachtig of de Commissie thans nog, hetzij in een dergelijke beschikking, hetzij door toepassing van artikel 88 EGKS-Verdrag, hetzij bij de berekening van de referentieproduktiecijfers in het verleden, zou kunnen terugkomen op feiten die zich jaren geleden hebben voorgedaan, teneinde destijds verrichte betalingen respectievelijk de gevolgen daarvan voor de referentieproduktiecijfers, ongedaan te maken. Een dergelijke toepassing van de in artikel 58 vervatte verplichting om rekening te houden met het subsidieverbod, zou niet alleen op juridische doch ook op praktische bezwaren stuiten. Het is immers niet duidelijk hoe een dergelijke taak naar behoren had kunnen worden volbracht zonder tijdrovende onderzoekingen in het kader van het quotastelsel, dat snel moet worden uitgewerkt en in praktijk gebracht. Met name zou zich het probleem hebben gesteld van de berekening van eventuele toeslagen en verminderingen naar gelang van de toegekende subsidies en hun gevolgen voor de produktieverhoudingen. Het ligt ook voor de hand dat elke poging om tot een oplossing te komen (ook met behulp van schattingen, zoals — gelijk verzoekster heeft gesteld — gebruikelijk is in het schadevergoedingsrecht) tot langdurige en omstandige betwistingen zou hebben geleid, waardoor het quotastelsel, dat slechts kan functioneren wanneer duidelijke produktieverhoudingen worden geschapen, zijn praktisch nut grotendeels zou hebben verloren. Maar dit vooropgesteld,
zouden tegen de gesubsidieerde ondernemingen, die bepaalde rechtsposities hebben verworven, ook bezwaarlijk passende sancties kunnen worden getroffen in de vorm van een malus bij het quotastelsel.
Mijns inziens kan derhalve de omstandigheid dat de Commissie de problematiek van in het verleden verleende verboden steun in het algemeen buiten beschouwing heeft gelaten, niet worden beschouwd als een gebrek van het quotastelsel op grond waarvan de bestreden mededeling nietig zou kunnen worden verklaard.
Een andere vraag is daarentegen in hoeverre het probleem van de subsidiëring van concurrenten wellicht in het kader van artikel 4, sub 4, of artikel 14 van beschikking nr. 2794/80 aan de orde kan komen. Gezien de duidelijke tegenspraak tussen de in artikel 58 vervatte verplichting om bij het vaststellen van de quota mede rekening te houden met artikel 4 EGKS-Verdrag en de stelling van de Commissie dat het subsidieverbod daarbij volstrekt niet in aanmerking kan worden genomen, zal mijns inziens in het arrest naar de verplichting moeten worden verwezen, ook al is in casu door verzoekster niet in die zin geconcludeerd. Wat betreft beschikking nr. 2794/80/EGKS, zou — zoals gezegd — zowel bij de toepassing van artikel 4, sub 4, als eventueel bij de toepassing van artikel 14 met deze verplichting rekening kunnen worden gehouden. Voor de toekomst kan volgens mij alleszins — naar het voorbeeld van artikel 54, vijfde alinea, EGKS-Verdrag — worden gedacht aan een bepaling die bij voorbeeld zou verhinderen dat quota worden toegekend voor produkties die in strijd met beschikking nr. 2320/81 van 7 augustus 1981 (PB L 228 van 1981) zijn tot stand gekomen of gehandhaafd. Evenals de Commissie op grond van artikel 54 gerechtigd zo niet verplicht is, over een investeringsprogramma een afwijzend advies te geven wanneer verboden steun wordt verleend, kan worden gesteld dat de in artikel 58, lid 2, vervatte verplichting om bij de vaststelling van de quota mede rekening te houden met het subsidieverbod, de Commissie tenminste het recht verleent om in geval van verboden steun te weigeren quota toe te kennen.
III — Het middel dat de Raad niet met beschikking nr. 2794/80 heeft ingestemd
|
1. |
Volgens artikel 58 EGKS-Verdrag moet, wanneer de Commissie tot het besluit komt dat de Gemeenschap zich in een uitgesproken crisisperiode bevindt, na raadpleging van het Raadgevend Comité en met instemming van de Raad een stelsel van produktiequota worden ingevoerd. Wat betreft laatstgenoemd vereiste, betwist verzoekster — als ik mij niet vergis — niet dat de Raad van ministers zich tijdens zijn vergadering van 30 oktober 1980 met het probleem heeft beziggehouden en zich ook voor een quotastelsel heeft uitgesproken. Zij kon ook moeilijk anders: in de considerans van beschikking nr. 2794/80 wordt immers gewag gemaakt van de instemming van de Raad, terwijl het secretariaat-generaal van de Raad de pers op 30 oktober 1980 van die instemming op de hoogte heeft gebracht en bovendien heeft gepreciseerd welke problemen, waarover nog geen akkoord was bereikt, tijdens de vergadering van de Raad nog werden behandeld (te weten het probleem,van het fijnstaai en speciaal staal en de vraag welke produkten niet onder het quotastelsel moesten vallen). Volgens verzoekster is dit echter onvoldoende (zoals gezegd, gaat zij ervan uit dat tijdens voornoemde vergadering enkel van gedachten is gewisseld over de vraag of überhaupt produktiequota moesten worden ingevoerd, of uitzonderingen behoorden te worden gemaakt voor fijnstaai en speciaal staal en wat het aandeel van elke Lid-Staat moest zijn). Zij is van oordeel dat volgens het Verdrag de Raad had moeten instemmen met een volledig uitgewerkte ontwerpbeschikking; dit was echter niet het geval, aangezien een dergelijk ontwerp niet bestond en de Raad evenmin mondeling over de bijzonderheden van het quotastelsel was ingelicht. Dit gebrek zou overigens niet worden verholpen door de omstandigheid dat de Raad en dus de regeringen van de Lid-Staten deze gang van zaken juist achtten. Daaruit zou enkel blijken dat de Raad zelf artikel 58 en de krachtens deze bepaling op hem rustende verantwoordelijkheden verkeerd begrijpt. In werkelijkheid zou de Raad de Commissie op grond van deze bepaling geen algemene machtiging verlenen om de bijzonderheden van het stelsel naar eigen goeddunken vast te stellen. Aangezien een dergelijk stelsel gevolgen heeft voor de werkgelegenheid en het door de Commissie, die geen politieke bindingen met de toonaangevende stromingen binnen de Lid-Staten heeft, niet op doeltreffende wijze in het politieke leven van die staten kan worden ingebracht, zou veeleer de politieke steun vereist zijn van de regeringen der verschillende staten, juist ook wat de bijzonderheden ervan betreft. Ter weerlegging van dit betoog heeft de Commissie in haar verweerschrift vooreerst aangevoerd dat volgens artikel 58 de instemming van de Raad van ministers enkel is vereist waar het gaat om de vraag of een quotastelsel moet worden ingevoerd, en dat inzonderheid uit lid 2 van deze bepaling blijkt dat het aan de Commissie staat, dat stelsel in bijzonderheden uit te werken. Te dien einde heeft de Commissie erop gewezen dat het EGKS-Verdrag fundamenteel anders is opgezet dan het EEG-Verdrag. Met name zou uit artikel 14 EGKS-Verdrag volgen dat in beginsel de Commissie de nodige rechtshandelingen vaststelt; volgens artikel 26 daarentegen wordt de Raad enkel bij het besluitvormingsproces betrokken „met het doel het beleid van de Hoge Autoriteit en dat van de voor de algemene economische politiek vanhun landen verantwoordelijke regeringen met elkaar te doen harmoniëren”, hetgeen belist niet onderstelt dat hij zich met iedere bijzonderheid van een regeling inlaat. De Commissie meent dat deze zienswijze wordt gestaafd door artikel 58, lid 1, tweede alinea. Krachtens deze bepaling — aldus de Commissie — kan de Raad haar weliswaar bij eenstemmigheid het invoeren van een quotastelsel voorschrijven, maar er moet haars inziens van worden uitgegaan dat daarmee niet de invoering van een zodanig stelsel met alle bijzonderheden aan de Raad is overgedragen; anderzijds acht zij het evenwel, ook ondenkbaar dat de Raad in dat geval nogmaals — nu met meerderheid van stemmen — met de bijzonderheden van het quotastelsel zou moeten instemmen. In dupliek heeft de Commissie, naar het mij voorkomt, haar standpunt enigszins gematigd. Zo heeft zij bij die gelegenheid gesteld dat de Raad met de wezenlijke inhoud van een quotastelsel moet instemmen, en dat dit vervolgens in een later stadium van de procedure door de Commissie in de vorm van een beschikking wordt gegoten. Ten betoge dat de Raad metterdaad voldoende bij de besluitvorming werd betrokken, dat wil zeggen met de wezenlijke hoofdlijnen van het quotastelsel heeft ingestemd, heeft zij in dupliek ook het op 6 oktober 1980 door de Commissie aan de Raad gerichte verzoek met de inhoud van de later vastgestelde beschikking vergeleken. |
|
2. |
Voor de oplossing van dit verdere geschilpunt zijn zeer belangrijke, zij het niet geheel eensluidende aanwijzingen te vinden in de rechtsleer. Volgens Kovar (Le pouvoir réglementaire de la Communauté Européenne du Charbon et de l'Acier, 1964, blz. 174) is het, in de gevallen waarin het EGKS-Verdrag een „avis conforme” van de Raad voorschrijft, niet voldoende dat de elementen van het betrokken probleem aan de Raad worden voorgelegd; bij de Raad zou veeleer een ontwerpbeschikking moeten worden ingediend, en zijn instemming zou op dat ontwerp betrekking moeten hebben. Daarentegen is een groot aantal auteurs van oordeel dat volgens artikel 58 de instemming van de Raad enkel vereist is waar het gaat om de vraag of het nodig is een quotastelsel in te voeren, dat wil zeggen of aan de voorwaarden van artikel 58 (uitgesproken crisisperiode) is voldaan, doch niet waar het gaat om de bijzonderheden van het stelsel, waarvan de feitelijke verwezenlijking aan de Hoge Autoriteit is overgelaten (aldus onder meer Mertens de Wilman, in les Novelles, Droit des Communautés Européennes, uitgegeven door Ganshof van der Meersch, 1969, blz. 520; Quadri, Monaco, Trabucchi, Trattato Istitutivo della Comunità Europea del Carbone e dell'Acciaio 1970, opmerking 3 bij artikel 58; Erichsen. Das Verhältnis von Hoher Behörde und Besonderem Ministerrat nach dem Vertrage über die Gründung der Europäischen Gemeinschaft für Kohle und Stahl, 1966, blz. 115). Daartoe wijzen zij er met name op dat bij de toepassing van artikel 58 verschillende stadia zijn te onderscheiden en de tussenkomst van de Raad slechts in een van die stadia vereist is. Erichsen vestigt er ook de aandacht op, dat de Raad niet over een naar gelang van de materie ingedeeld administratief apparaat beschikt en bijgevolg niet de voor de vaststelling van de quota vereiste feitelijke gegevens kan inzamelen, noch de daartoe noodzakelijke onderzoekingen kan verrichten. |
|
3. |
Bekijkt men vervolgens aandachtig de verschillende in de loop van het geding voorgedragen argumenten, dan blijkt vrij snel dat zowel bepaalde overwegingen die verzoekster tot staving van haar standpunt heeft aangevoerd, als sommige punten van het betoog van de Commissie niet bijzonder overtuigend zijn.
|
|
4. |
Daarentegen kunnen voor een passende oplossing van het onderhavige probleem belangrijke aanknopingspunten worden gevonden in de rechtspraak inzake de schrootverevening, waarop de Commissie heeft gewezen, alsmede in artikel 58, lid 2. In het arrest van 13 juli 1965 (zaak 111/63, Lemmertz-Werke, Jurispr. 1965, blz. 935, op blz. 961) werd duidelijk gesteld dat de instemming van de Raad (die overeenkomstig artikel 53 met het oog op het treffen van financiële voorzieningen bij eenstemmigheid moet worden bepaald) niet voor elke wijziging van een dergelijke voorziening is vereist, in zoverre het daarbij slechts om punten van ondergeschikt belang — zoals destijds de interestregeling — gaat. Daaruit kan stellig worden afgeleid dat de instemming van de Raad enkel vereist is met betrekking tot zaken van wezenlijk belang, dat wil zeggen de hoofdlijnen van een regeling, en dat zonder meer kan worden aangenomen — en daarbij denk ik aan een specifieke grief van verzoekster — dat, zij het wellicht niet steeds zonder moeilijkheden, stellig onderscheid kan worden gemaakt tussen de punten van een regeling die van wezenlijk dan wel van ondergeschikt belang zijn. Luidens artikel 58, lid 2, stelt de Hoge Autoriteit (dus thans de Commissie) de quota op billijke grondslag vast, rekening houdende met de beginselen van de artikelen 2 tot 4 en op de grondslag van studies, gemaakt in samenwerking met de ondernemingen en de verenigingen van ondernemingen (waarvan in lid 1 geen sprake is). Dit kan slechts worden gezien als een aanwijzing dat de Commissie bij de uitwerking van het quotastelsel in zekere zin zelfstandig te werk gaat, en dat de Raad, van wiens instemming in het voorgaande lid gewag wordt gemaakt, niet alle bijzonderheden van het stelsel behoeft goed te keuren. Anderzijds komt het mij voor dat het doel van de vereisten inzake instemming het best kan worden begrepen, indien men zich houdt aan de algemene omschrijving van de bevoegdheden van de Raad in artikel 26 EGKS-Verdrag, volgens hetwelk deze vooral betrekking hebben op de harmonisatie van het beleid van de Hoge Autoriteit en dat van de voor de algemene economische politiek van hun landen verantwoordelijke regeringen. Ook uit deze bepaling kan worden afgeleid dat de Raad slechts zijn placet behoeft te geven over de fundamentele opzet en de hoofdlijnen van het stelsel. Gaat men van dit criterium uit, dan kan bij de vaststelling van het quotastelsel geen sprake zijn van een vormgebrek wegens ontoereikende instemming van de Raad. Daarbij behoeft niet te worden ingegaan op verzoeksters eis dat het Hof de overlegging van de notulen van de betrokken vergadering van de Raad gelast, ten einde met nauwkeurigheid vast te stellen waarop de instemming van de Raad inzonderheid betrekking had, op welke wijzigingen van het oorspronkelijke ontwerp van de Commissie werd aangedrongen en tot welke wijzigingen of aanvullingen daarvan de Commissie op eigen initiatief is overgegaan. Waar het immers om gaat, is dat de besluitvorming van de Raad berustte op een verzoek van de Commissie van 6 oktober 1980, dat ook in andere zaken reeds werd overgelegd. Daarin komen klaarblijkelijk alle belangrijke punten van het quotastelsel aan de orde (zoals: de betrokken produkties, de bepaling van de referentieperiode, de vaststelling van de quota — eventueel met inachtneming van herstructureringsmaatregelen —, de voor het eerste kwartaal toe te passen verminderingspercentages, regeling van de leveringen in de gemeenschappelijke markt, ruil en verkoop van quota, vereiste controles en sancties en begin en einde van het quotastelsel). Bovendien is mijns inziens van betekenis — althans daartoe bestaat een belangrijke aanwijwijzing — dat geen der Lid-Staten, waarvan sommige er zeer nauwlettend op toezien dat de Commissie de grenzen van haar bevoegdheden niet overschrijdt, na vaststelling van de beschikking de kritiek heeft geuit dat in beschikking nr. 2794/80 op een of ander belangrijk punt zou zijn afgeweken van hetgeen de Raad had besloten. Bijgevolg kan beschikking nr. 2794/80 evenmin wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften niet-toepasselijk worden verklaard, zodat de rechtstreeks bestreden mededeling niet op die grond nietig kan worden verklaard. |
IV — Onrechtmatige vaststelling van leveringsquota voor de gemeenschappelijke markt en onrechtmatige beperking van de produktie, voor zover voor de export bestemd
Tenslotte kom ik toe aan een aantal grieven die — zoals in de inleiding reeds gezegd — voor de eerste maal in repliek werden voorgedragen. De eerste heeft betrekking op artikel 7, lid 2, van beschikking nr. 2794/80, dat luidt als volgt:
„Met betrekking tot de levering van aan het quotastelsel onderworpen produkten mogen de ondernemingen voor de leveringen in de gemeenschappelijke markt per categorie produkten niet het percentage overschrijden dat de leveringen in de Gemeenschap uitmaken van het totaal van de leveringen in de loop van de twaalf maanden, vallende in de periode van juli 1977 tot en met juni 1980, waarin het totaal van de produktie van de vier categorieën walserijprodukten het hoogst is geweest.”
Verzoekster beschouwt dit als een vaststelling van leveringsquota, waartoe de Commissie op grond van artikel 58 niet bevoegd was. Met de andere grief betoogt verzoekster dat het quotastelsel ten onrechte ook dat gedeelte van de produktie omvat, dat voor uitvoer is bestemd. Daardoor zijn beperkingen opgelegd aan de uitvoer en zijn dus als het ware leveringsquota voor de uitvoer vastgesteld, daar voor deze afzetmogelijkheid, afgezien van voorraden en bijgekochte goederen, enkel het gedeelte van de — beperkte — produktie in aanmerking kwam, dat niet binnen de Gemeenschap op de markt werd gebracht. Ook daartoe was volgens verzoekster de Commissie niet bevoegd; zij had de produktie veeleer in verhouding tot de binnenlandse behoefte moeten beperken, en de voor uitvoer bestemde produktie ongemoeid moeten laten.
|
1. |
Zoals gezegd rijzen in dit verband vooreerst problemen inzake de ontvankelijkheid. Om te beginnen rijst de vraag of de grief inzake wettigheid van artikel 7, lid 2, van beschikking nr. 2794/80 kan worden opgeworpen in samenhang met een beroep tegen een besluit dat enkel betrekking heeft op de vaststelling van produktiequota. Voorts stelt zich het probleem van de ontvankelijkheid van argumenten die niet in het verzoekschrift werden voorgedragen.
|
|
2. |
Dit vooropgesteld, blijkt echter zeer spoedig dat ook deze grief het beroep niet kan doen slagen.
|
|
3. |
Derhalve staat vast dat ook de nieuwe, in repliek voorgedragen argumenten klaarblijkelijk niet dienstig zijn voor verzoeksters beroep. |
V — Conclusie
Samenvattend ben ik van oordeel dat het beroep van de firma Klöckner moet worden verworpen en verzoekster derhalve in de proceskosten moet worden verwezen.
( *1 ) Vertaald uit het Duits.