CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL

P. VERLOREN VAN THEMAAT

VAN 26 MEI 1982 ( *1 )

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

Inleidende opmerkingen

In de zaak waarin ik thans mijn mening te kennen geef, is opnieuw het bij beschikking nr. 2794/80 van 31 oktober 1980 (PB L 291 van 31. 10. 1980, blz. 1 e.v.) ingevoerde quotastelsel voor staal aan de orde. Aangezien dit stelsel uit verschillende andere zaken bekend is en de wezenlijke inhoud ervan ook in het rapport ter terechtzitting is uiteengezet, behoef ik er hier niet dieper op in te gaan.

Onder genoemd stelsel ontving verzoekster in de onderhavige zaak, een Duitse staalonderneming, op 6 april 1981 een mededeling van de Commissie als bedoeld in artikel 3 van beschikking nr. 2794/80 (vgl. bijlage 1 bij het verzoekschrift). Daarbij werd haar ter kennis gebracht van welke referentieproduktiecijfers moest worden uitgegaan voor het tweede kwartaal van 1981 en tot welke produktiequota men kwam bij toepassing van de ingevolge beschikking nr. 664/81 van 13 maart 1981 (PB L 69 van 14. 3. 1981, blz. 22) voor dat kwartaal geldende verminderingspercentages. Wat betreft de referentieproduktiecijfers, werd in de mededeling enkel gezegd dat deze overeenkomstig artikel 4 van beschikking nr. 2794/80 waren aangepast. In de loop van het geding bleek dat de aanpassing was verricht op grond van artikel 4, sub 3, dat wil zeggen met inachtneming van enerzijds de gemiddelde bezettingsgraad van verzoeksters in Bremen geïnstalleerde walsgroep II voor warmgewalst breedband tijdei. de periode van juli 1977 tot juni 1980, en anderzijds de gemiddelde bezettingsgraad van dezelfde installaties van de overige ondernemingen in de Gemeenschap gedurende de jaren 1977-1979. Daarbij werd — op de bijzonderheden kom ik later terug — uitgegaan van de hoogst mogelijk produktie, waarvoor verzoekster in een vragenlijst voor 1980 4260000 ton had opgegeven (terwijl in vragenlijsten voor de voorafgaande jaren slechts sprake was geweest van een hoogst mogelijke produktie van 3770000 ton).

Tegen die maatregel heeft verzoekster op 15 mei 1981 beroep ingesteld bij het Hof. Zij concludeert tot nietigverklaring van de in de brief van de Commissie van 6 april 1981 vervatte beschikking, in zoverre daarbij verzoeksters referentieproduktiecijfer en produktiequotum voor walserijprodukten van categorie I (zoals omschreven in artikel 2 van beschikking nr. 2794/80) zijn vastgesteld.

Tot staving van haar beroep heeft verzoekster zich in het verzoekschrift beroepen op „miskenning van het beginsel van evenredige werkgelegenheid” en „miskenning van de gevolgen van het in artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag, vervatte verbod van subsidies”, en betoogd dat de Raad van Ministers niet met beschikking nr. 2794/80 heeft ingestemd. In repliek heeft zij verklaard dat met het eerste middel wordt gedoeld op miskenning van het „beginsel van evenredige mini-mumwerkgelegenheid”. Bovendien heeft verzoekster in repliek — hetgeen natuurlijk vragen van ontvankelijkheid doet rijzen — twee bijkomende grieven aangevoerd, te weten de onrechtmatige vaststelling van leveringsquota voor de gemeenschappelijke markt en voor de uitvoer.

Ten aanzien van het aldus omschreven geding behoort mijns inziens het volgende standpunt te worden ingenomen.

I — Schending van het gestelde beginsel van evenredige minimu m werkgelegenheid

Nog afgezien van de vraag of bedoeld beginsel van evenredige minimumwerkgelegenheid uit het EGKS-Verdrag kan worden afgeleid, moet hier onderscheid worden gemaakt tussen verschillende aspecten. Verzoeksters kritiek heeft namelijk zowel betrekking op algemene beschikking nr. 2794/80 als op de wijze waarop artikel 4, sub 3, van die beschikking op verzoeksters geval is toegepast. Met dat onderscheid moet bij het onderzoek in rechte rekening worden gehouden.

Wat betreft de stelling dat genoemd beginsel algemeen geldt voor de toepassing van artikel 58, wil ik hier enkel'opmerken dat het mijns inziens in ieder geval niet zonder meer uit de bepalingen betreffende een compensatiefonds kan worden afgeleid, gelijk in het verzoekschrift wordt betoogd. Van deze in artikel 58, lid 2, voorziene mogelijkheid tot handhaving van de werkgelegenheid in bijzonder zwaar getroffen ondernemingen is in beschikking nr. 2794/80 immers geen gebruik gemaakt, zodat volgens mij in dit verband enkel de minder ver strekkende verplichting van artikel 2 geldt, te weten „[het waarborgen van] de continuïteit van de werkgelegenheid”. Zelfs wanneer men het algemeen beginsel van gelijke behandeling ernaast legt, kan uit deze verplichting geen gebod van evenredige minimumwerkgelegenheid worden afgeleid. Volgens de bewoordingen van artikel 58 heeft de Gemeenschap immers ook rekening te houden met de in artikel 2 gestelde doeleinden van economisch beleid, die ertoe strekken „de meest rationale verdeling van de produktie op een zo hoog mogelijk peil te verzekeren”. Deze doeleinden van economisch beleid kunnen een evenredige minimumwerkgelegenheid in de staalondernemingen van de Gemeenschap alleszins onmogelijk maken.

1. De kritiek op de opzet van beschikking nr. 2794/80

a)

Vooraf moet worden nagegaan wat met die kritiek precies wordt beoogd en welke de draagwijdte ervan is. Dit lijkt vooral noodzakelijk met het oog op de in het verzoekschrift aangevoerde argumenten, die prima facie zouden kunnen worden opgevat als zelfstandige grieven met betrekking tot de opzet van artikel 4, sub 3, van beschikking nr. 2794/80. Daarmee bedoel ik de opmerking dat volgens deze bepaling voor de vaststelling van de gemiddelde bezettingsgraad van de produktiecapaciteit van een onderneming waarop die bepaling wordt toegepast, een andere referentieperiode geldt dan waarvan in het algemeen voor de vaststelling van het referentieproduktiecijfer wordt uitgegaan; voorts dat voornoemde referentieperiode niet samenvalt met die aan de hand waarvan de gemiddelde bezettingsgraad van dezelfde installaties van de overige ondernemingen wordt vastgesteld; en tenslotte dat volgens artikel 4, sub 3, van beschikking nr. 2794/80 het referentieproduktiecijfer slechts behoeft te worden verhoogd tot een niveau overeenkomend met een bezettingsgraad van 5 procentpunten beneden de gemiddelde bezettingsgraad van de andere ondernemingen. In dit verband is evenwel in de loop van het geding en met name uit de antwoorden op de vragen van het Hof gebleken, dat deze opmerkingen niet als zelfstandige grieven zijn bedoeld. Deze uiteenzettingen dienen veeleer duidelijk te maken waarom het beginsel van minimumwerkgelegenheid, zoals verzoekster het verstaat, door beschikking nr. 2794/80 is geschonden; derhalve behoeft niet te worden nagegaan of deze opmerkingen, mochten zij als kritiek zijn bedoeld, voldoende gegrond zouden zijn. Waar verzoekster stelt dat het beginsel van minimumwerkgelegenheid is geschonden, denkt zij daarbij in werkelijkheid enkel aan de omstandigheid dat beschikking nr. 2794/80 geen bepaling bevat krachtens welke het produktiequotum moet worden verhoogd tot een minimumniveau, te bepalen aan de hand van de huidige capaciteit van de individuele onderneming en de gemiddelde bezettingsgraad van alle ondernemingen in verhouding tot de verminderde referentieproduktiecijfers.

Voorts zou men op het eerste gezicht de indruk kunnen hebben, dat verzoekster er slechts op aandringt dat de bezettingsgraad van haar walsgroep II tot het gemiddelde niveau in de Gemeenschap wordt opgetrokken. Zij heeft zich immers vooral op de capaciteit van die walsgroep gebaseerd en aangevoerd — hetgeen in verband met de toepassing van artikel 4, sub 3, op het onderhavige geval dan ook van belang is — dat deze 459000 ton per maand bedraagt en niet, gelijk de Commissie juist acht, slechts 355000 ton per maand. Uit het antwoord op een door mij tijdens de mondelinge behandeling gestelde vraag is echter gebleken dat volgens verzoekster in dit verband ook rekening moet worden gehouden met de capaciteit van haar sedert april 1974 stilgelegde walsgroep I, die 169000 ton per maand beloopt. De redenen die zij daarvoor aanvoert, zijn dat de stillegging een door de Commissie gewenste herstructureringsmaatregel was, dat de walsgroep na een zekere aanlooptijd zonder meer opnieuw in bedrijf kan worden genomen en dat verzoekster eind 1980 ook metterdaad voornemens was deze capaciteit bij de Commissie aan te melden.

Op deze grondslag moet derhalve het eerste onderdeel van het eerste middel in rechte worden onderzocht.

b)

Ten betoge dat bij het quotastelsel in beginsel voor een minimumbezetting van de ondernemingen had moeten zijn gezorgd, beroept verzoekster zich — gelijk reeds in mijn inleidende opmerkingen over dit middel gezegd — inzonderheid op artikel 58, lid 2, EGKS-Verdrag.

Volgens die bepaling kan de bezettingsgraad van de ondernemingen worden geregeld door middel van heffingen op de hoeveelheden waarmee de produktie een bij algemene beschikking vastgesteld peil overschrijdt. Voorts is bepaald dat de aldus verkregen bedragen moeten worden bestemd voor het ondersteunen van die ondernemingen waarvan de produktie beneden het voorziene peil is gedaald, zulks „teneinde met name zoveel mogelijk de werkgelegenheid in die ondernemingen te handhaven”. Verzoekster is van oordeel dat laatstgenoemd doel de kern van het gehele artikel 58 vormt, dat wil zeggen niet alleen in zoverre het om een stelsel van heffingen gaat, doch ook in zoverre rechtstreeks produktiequota worden opgelegd. Aangezien het EGKS-Verdrag blijkens verscheidene verdragsbepalingen (de artikelen 3, sub e, 46, 56, 67, 68 en 69) in de grond op verwezenlijking van sociale rechtvaardigheid is afgestemd, aldus verzoekster, moet worden aangenomen dat voornoemd doel, dat bovendien in artikel 2 tot uiting komt, voorrang heeft op andere doeleinden van het Verdrag. In die optiek rust haars inziens op de Commissie de fundamentele verplichting om, indien produktiebeperkingen noodzakelijk zijn, het verlies aan arbeidsplaatsen evenredig over de ondernemingen te spreiden en voor een evenredige handhaving van de werkgelegenheid te zorgen. Daarvan mag zij — afgezien van de problematiek der subsidies, die in een andere context moet worden behandeld — slechts in één geval afwijken, namelijk ten gunste van ondernemingen die ingevolge gewenste herstructureringsmaatregelen installaties hebben stilgelegd. Verzoekster meent dat dit haar situatie is, nu zij immers haar walsgroep I in 1974 voorlopig uit bedrijf heeft genomen. Ten aanzien van dergelijke ondernemingen is het haars inziens onverenigbaar met de doeleinden van artikel 58, indien eenvoudig van de daadwerkelijke produktie wordt uitgegaan. In dat geval moet het quotastelsel in de eerste plaats op de werkgelegenheid worden afgestemd, hetgeen noodzakelijkerwijze de verplichting meebrengt te voorkomen dat de bezetting van de huidige capaciteit onder een bepaald minimumniveau daalt.

c)

Ten betoge dat deze opvatting niet steekhoudend is, voert de Commissie verschillende argumenten aan, die in het rapport ter terechtzitting zijn samengevat. Zoals reeds uit mijn inleidende opmerkingen betreffende dit middel blijkt, ben ik het ermee eens dat verzoeksters zienswijze in dit opzicht niet overtuigend is.

aa)

Geheel in het algemeen heeft de Commissie aangevoerd — en daarvan is ook in de conclusie van collega Reischl in zaak 14/81 (Alpha Steel, arrest van 3 maart 1982, nog niet gepubliceerd) sprake — dat zij bij de uitwerking van het quotastelsel over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt. Ook hier gaat het immers om een „beoordeling van de toestand, die voortvloeit uit economische feiten of omstandigheden” als bedoeld in artikel 33 EGKS-Verdrag. Maar nu in dit opzicht volgens genoemde bepaling enkel beroep kan worden ingesteld op grond van misbruiR van bevoegdheid of klaarblijkelijke miskenning Van verdragsbepalingen, ligt het voor de hand dat de beoordeling van een quotastelsel door het Hof enkel betrekking kan hebben op de vraag of de Commissie de uiterste grenzen van haar beoordelingsvrijheid heeft overschreden.

Bedoelde beoordelingsvrijheid van de Commissie kan merr moeilijk uit het odg verliezen en in het onderhavige geval moet daar dan ook in beginsel rekening mee worden gehouden. Zoals gezegd is de Commissie bevoegd doch niet verplicht het in artikel 58 bedoelde heffingstelsel in te voeren, en kunnen uit die bevoegdheid moeilijk gevolgtrekkingen worden gemaakt voor het geval dat de Commissie, gelijk in casu, op grond van haar beoordelingsvrijheid juist beslist van die bevoegdheid geen gebruik te maken.

bb)

Voorts zij eraan herinnerd dat het probleem van de produktiecapaciteit als criterium voor het quotastelsel reeds in verschillende zaken aan de orde is geweest. In dat verband heeft advocaat-generaal Reischl reeds bedenkingen gemaakt in zijn conclusies in de zaken 258/80 (Metallurgica Rumi, arrest van 16. 2. 1982, nog niet gepubliceerd) en 14/81. Zelf heb ik in mijn conclusie in de gevoegde zaken 39, 43, 85 en 88/81 (Halyvourgiki en Helleniki Halyvourgia, arrest van 16. 2. 1982, nog niet gepubliceerd) uiteengezet welke bezwaren daaraan verbonden zijn, gelet op de strekking van het quotastelsel, markteconomische overwegingen, de noodzaak naar een geleidelijke vermindering van de capaciteit te streven, en het risico dat weinig rendabele ondernemingen zouden worden begunstigd indien men zich op de produktiecapaciteit baseerde. Dienovereenkomstig heeft het Hof in de arresten in bovengenoemde zaken en in zaak 14/81 verklaard dat het aan de Commissie staat de grondslag voor het quotastelsel te kiezen, en dat de daadwerkelijke produktie als een geschikt criterium daarvoor is te beschouwen, aangezien aldus de met de capaciteit gepaard gaande ongewisheden worden vermeden en de produktie kan worden beperkt zonder de marktposities te wijzigen.

Juist in het onderhavige geval blijkt immers duidelijk welke problemen rijzen bij de vaststelling van capaciteit en bezettingsgraad, die vooral geschiedt door vergelijking van aanmeldingen betreffende de hoogst mogelijke produktie in het verleden en de overeenkomstige daadwerkelijke produktie. Het ligt ook voor de hand dat verzoeksters stelling neerkomt op een verschuiving in de produktieverhoudingen en een mogelijkerwijs aanzienlijke wijziging van de marktposities, die afhangt van velerlei factoren, zoals de aard van de produktie en de tijdige aanpassing van de produktieverhoudingen. Wanneer immers, in het kader van het algemene programma tot aanpassing van de produktie aan de afnemende vraag, aan een bepaalde onderneming in verhouding tot haar produktiecapaciteit ván de norm afwijkende quota worden toegekend, dan leidt dit, wil het beoogde doel worden bereikt, onvermijdelijk tot vermindering van de quota van andere ondernemingen, waardoor — hetgeen juist in dit verband niet uit het oog mag worden verloren — de werkgelegenheid in andere ondernemingen in gevaar wordt gebracht.

Ongetwijfeld kan reeds op grond van deze overwegingen worden gesteld dat verzoeksters opvatting onjuist is, ook al moet volgens haar de produktiecapaciteit niet fungeren als principiële maatstaf doch enkel als correctief op de produktiequota, die in beginsel evenredig zijn aan de daadwerkelijke produktie.

cc)

Afgezien van het voorgaande, is vooral van belang dat — zoals reeds in mijn inleidende opmerkingen gezegd — het door verzoeksters gestelde beginsel in werkelijkheid niet in het Verdrag is te vinden.

Daartoe kan stellig niet worden gesteund op artikel 2 (volgens hetwelk onder meer „de continuïteit van de werkgelegenheid [moet worden gewaarborgd]”, noch op artikel 3, sub e (waar sprake is van de verbetering van het levenspeil en van de arbeidsvoorwaarden der werknemers). Wil men daaruit — ondanks de algemene bewoordingen — afleiden dat de bij produktiebeperkingen noodzakelijke offers evenredig over de werknemers moeten worden gespreid, dan kan (juist omdat het aantal arbeidsplaatsen in de regel niet van de capaciteit van een onderneming doch van haar daadwerkelijke produktie afhangt) bezwaarlijk worden gesteld dat daaraan afbreuk wordt gedaan, indien hoofdzakelijk van de daadwerkelijke produktie wordt uitgegaan en erop wordt toegezien dat deze evenredig wordt verminderd; daardoor wordt voorkomen dat het in individuele ondernemingen tot een onevenredig sterke produktiedaling met de daaraan verbonden gevolgen voor de werkgelegenheid komt.

Zoals gezegd, kan het bestaan van het door verzoekster gestelde beginsel evenmin uit artikel 58 zelf worden afgeleid. Ik heb er met name reeds op gewezen dat aan een stelsel dat de Commissie niet verplicht was toe te passen en op grond van haar beoordelingsvrijheid ook niet heeft toegepast, bezwaarlijk beginselen kunnen worden ontleend die zouden gelden voor een stelsel dat zij daadwerkelijk heeft ingevoerd. Waar artikel 58, lid 2, eerste alinea, voorziet in een regeling van de bezettingsgraad en de vaststelling van een referentieniveau voor de produktie, is het voorts duidelijk dat het heffingsstelsel juist een verschillende ontwikkeling van de bezettingsgraad onderstelt, zodat geen minimumbezetting kan worden gewaarborgd. Bovendien is van belang dat de werkgelegenheid slechts „zoveel mogelijk” — door middel van compenserende betalingen — behoeft te worden gehandhaafd, hetgeen bij bewuste produktiebeperkingen uiteraard ook de enige mogelijkheid is.

Dit vooropgesteld, kan men zich ook bij een stelsel van produktiequota door laatstgenoemde gedachte laten leiden. In dit verband kan ervan worden uitgegaan dat de werkgelegenheid meer gevaar loopt naarmate de bezettingsgraad van een onderneming lager is. Gezien de zwaardere druk van de vaste kosten bij een lagere bezettingsgraad, kan deze opvatting van verzoekster mijns inziens inderdaad in beginsel moeilijk worden betwist. Met andere woorden bij de uitwerking van het quotastelsel moet erop worden toegezien dat een reeds bestaande ongewoon lage bezettingsgraad in elk geval op enigerlei wijze in aanmerking wordt genomen. Maar kennelijk is dat juist de functie van de in artikel 4, sub 3, neergelegde aanpassingsregel, volgens welke rekening moet worden gehouden met een bezetting die beneden het gemiddelde ligt, en het referentieproduktiecijfer in dat geval — onder bepaalde voorwaarden — moet worden verhoogd tot een niveau overeenkomend met een bezettingsgraad van 5 procentpunten beneden het gemiddelde van de andere ondernemingen. Op deze regeling kom ik dadelijk nog terug.

Met dit voor ogen kan bezwaarlijk worden gesteld dat de Commissie bij de uitwerking van beschikking nr. 2794/80 het werkgelegenheidsprobleem volledig over het hoofd heeft gezien en aldus een belangrijk doel van het Verdrag geheel heeft veronachtzaamd. Voorts kan niet worden betwist dat de Commissie van een in beginsel juist standpunt is uitgegaan, in zoverre zij zich bij het opstellen van de aanpassingsregel van beperkende criteria heeft bediend op grond van de omstandigheid dat de aanpassingsregels tot fictieve referentieproduktiecijfers leiden. Mijns inziens kan in ieder geval niet worden gesteld dat op grond van de door verzoekster aangevoerde verdragsbepalingen nog verder van de reële produktieverhoudingen moet worden afgeweken, en dat het ontbreken van een regeling zoals door verzoekster wordt voorgestaan — principiële verhoging van de produktiemogelijkheden tot het gemiddelde niveau in de Gemeenschap, ongeacht om welke redenen de bezettingsgraad in het verleden beneden het gemiddelde bleef — zou neerkomen op misbruik van bevoegdheid als hiervoor omschreven. Zoals gezegd heeft de Commissie met name ook de in artikel 2 EGKS-Verdrag genoemde doeleinden van economisch beleid in aanmerking te nemen.

Kennelijk wordt daaraan evenmin afgedaan door de omstandigheid dat tijdens de mondelinge behandeling is gewezen op artikel 14, suh. b, van het thans geldende quotastelsel (beschikking nr. 1831/81 van 24. 6. 1981, PB L 180 van 1. 7. 1981, blz. 1 e.V., als gewijzigd bij beschikking nr. 533/82 van 3. 3. 1982, PB L 65 van 9. 3. 1982, blz. 6 e.V.); deze nieuwe bepaling bevat enkel een billijkheidsregel ten gunste van kleinere ondernemingen, terwijl het door verzoekster gestelde beginsel er niet in tot uiting komt en er dųs evenmin wordt bevestigd.

dd)

Dit vooropgesteld, was de Commissie dus inderdaad niet verplicht voor een eveiIredjge minimumbezetting van alle ondernemingen te zorgen; bijgevolg behoeft in dit verband ook niet te worden nagegaan van welke actuele capaciteit van verzoekster moet worden uitgegaan (zoals bekend, spreekt verzoekster hier voor haar walsgroep II van 459000 ton per maand, hetgeen door de Commissie wordt betwist), noch of ook rekening had moeten worden gehouden met de in 1974 door verzoekster stilgelegde walsgroep I. De desbetreffende vragen kunnen enkel bij de beoordeling van de concrete beschikking in het onderhavige individuele geval aan de orde komen.

2. De grief inzake onjuiste toepassing van artikel 4, sub 3, van beschikking nr, 2794/80 op verzoeksters geval

a)

In de inleiding zei ik reeds dat de Commissie verzoeksters referentieproduktiecijfer overeenkomstig artikel 4, sub 3. van beschikking nr. 2794/80 heeft verhoogd. Zoals bekend luidt deze bepaling — die reeds in andere zaken aan de orde was — dat, indien de gemiddelde bezettingsgraad van de produktiemogelijkheden van een onderneming zich gedurende de periode van juli 1977 tot en met juni 1980 10 procentpunten of meer bevond beneden de gemiddelde bezettingsgraad van dezelfde installaties van de andere ondernemingen in de Gemeenschap tijdens de jaren 1977-1979, het referentieproduktiecijfer moet worden verhoogd tot een niveau overeenkomend met een bezettingsgraad van 5 procentpunten beneden genoemde gemiddelde bezettingsgraad van de andere ondernemingen (voor zover is voldaan aan bepaalde voorwaarden die hier verder niet ter zake doen, met name deelneming aan een door de Commissie vastgesteld leveringsprogramma).

De Commissie heeft in de loop van het geding uiteengezet hoe die bepaling in concreto op de verzoekende onderneming — juister: haar walsgroep II in Bremen — is toegepast. Van doorslaggevend belang waren daarbij de vragenlijsten 2/61, door verzoekster — evenals andere ondernemingen — jaarlijks in te vullen ingevolge de haar bij artikel 14 van beschikking nr. 22/66 (PB nr. 219 van 29. 11. 1966, blz. 3728 e.v.) opgelegde meldingsplicht inzake investeringen, waarin inlichtingen over de daadwerkelijke produktie en de hoogst mogelijke produktie worden verstrekt. Blijkens de toelichtingen bij die vragenlijst gaat het bij laatstbedoelde produktie niet om bij voorbeeld de theoretische technische capaciteit, doch om een grootheid die wordt bepaald aan de hand van de concrete produktievoorwaarden en de samenstelling van de lading op een gegeven ogenblik, en die dus mede afhangt van de capaciteit van installaties in eerdere stadia en de aankoop van grondstoffen, de produktiestructuur (samenstelling van het produktieprogramma aan de hand van de structuur van de vraag) en de capaciteit van installaties in latere stadia. Dienovereenkomstig had verzoekster jarenlang — in de vragenlijsten voor 1977, 1978 en 1979 — de hoogst mogelijke produktie van haar walsgroep II op 3770000 ton (ofwel 314000 ton per maand) berekend. Eerst in de op 1 januari 1980 ingediende vragenlijst gaf zij — zonder enige motivering — een hoger cijfer op, te weten 4260000 ton (ofwel 355000 ton per maand). Dit leidde tot een controle door middel van een rendementstest in mei 1980, waarna de diensten van de Commissie — ofschoon die test slechts een hoogst mogelijke produktie van 4230000 ton opleverde — het door verzoekster nieuw opgegeven cijfer aanvaardden. Dienovereenkomstig corrigeerde de Commissie (bij brief van 11. 12. 1980) haar eerste beschikking aan verzoekster van 1 november 1980, waarbij het referentieproduktiecijfer voor het vierde kwartaal van 1980 aanvankelijk op basis van 314000 ton per maand was verhoogd. Bovendien ging zij bij de toepassing van artikel 4, sub 3, van beschikking nr. 2794/80 tijdens de volgende twee kwartalen uit van een hoogst mogelijke produktie van verzoekster van 355000 ton per maand.

b)

Verzoekster neemt echter geen genoegen met de aldus berekende aanpassing van het referentieproduktiecijfer en haar eerste middel is mede daartegen gericht. Volgens haar mag zij niet eenvoudig worden vastgepind op cijfers die zij vroeger ooit — toen zij sterk onderbezet was en niet kon weten welk belang dat op een gegeven ogenblik voor een quotastelsel zou hebben — zonder nauwkeurige controle heeft aangemeld als betrof het een „routineaangelegenheid”. Thans moet veeteer worden uitgegaan van haar juiste capaciteit, waarvoor zij in de op 1 januari 1981 ingediende vragenlijst 5508000 ton (ofwel 459000 ton per maand) heeft opgegeven, hetgeen ook voor de jaren daarvoor gold. Dit vooropgesteld zou vaststaan dat verzoeksters bezettingsgraad aanzienlijk lager was dan door de Commissie werd aangenomen; mitsdien zou het referentieproduktiecijfer tot een hoger niveau moeten worden opgetrokken, hetgeen voor het tweede kwartaal van 1982 ook tot een hogere bezettingsgraad zou leiden.

c)

Bij deze zienswijze, waartegen de Commissie zich nadrukkelijk heeft verzet, moeten volgens mij de volgende opmerkingen worden gemaakt.

aa)

Vooreerst zij erop gewezen dat uit verzoeksters schriftelijk voorgedragen argumenten niet geheel duidelijk bleek of zij er ook bezwaar tegen maakt dat bij het onderzoek naar de bezettingsgraad geen rekening is gehouden met haar walsgroep /te Bremen, met een capaciteit van 169000 ton per maand. Blijkens haar antwoord op een tijdens de mondelinge behandeling gestelde vraag is zij evenwel beslist van oordeel dat die walsgroep en de capaciteit ervan bij de toepassing van artikel 4, sub 3, van beschikking nr. 2794/80 mede in aanmerking hadden moeten worden genomen.

Op dit punt kan het standpunt van verzoekster echter klaarblijkelijk niet aanvaard worden. Waar volgens voornoemde bepaling van de gemiddelde bezettingsgraad van een onderneming gedurende de periode van juli 1977 tot juni 1980 moet worden uitgegaan, dus van een vergelijking tussen de daadwerkelijke en de hoogst mogelijke produktie, kunnen immers enkel installaties in aanmerking komen die gedurende die periode tenminste gedeeltelijk in bedrijf waren, doch geen installatie — gelijk verzoeksters walsgroep I — die wegens de bouw van een grotere en modernere walsgroep reeds in 1974 uit bedrijf was genomen, zonder dat ook thans met zekerheid kan worden gezegd of zij ooit nog opnieuw in werking zal worden gesteld.

bb)

Voorts is er mijns inziens niets tegen in te brengen dat de bezetting aan de hand van de mogelijke jaarlijkse produktie als bedoeld in voornoemde vragenlijst wordt bepaald, en de Commissie zich in dat verband in beginsel op de aanmeldingen van de ondernemingen baseert.

Daartoe bedenke men dat artikel 4, sub 3, van beschikking nr. 2794/80 van belang is in verband met produktiebeperkingen ter aanpassing aan een gewijzigde marktsituatie. In die optiek lag het voor de hand en was het ook raadzaam, niet van het theoretische concept technische capaciteit uit te gaan, doch een grootheid te kiezen die de daadwerkelijke produktie het dichtst benadert. Het lijkt eveneens plausibel dat de Commissie zich om praktische redenen op door de ondernemingen verstrekte gegevens baseerde. Aangezien het destijds voor negen maanden geplande quotastelsel snel in praktijk moest worden gebracht, was het immers, gezien het grote aantal ondernemingen, ondenkbaar dat de Commissie in elk individueel geval een onderzoek naar de omvang van de capaciteit en de daadwerkelijke bezetting zou instellen; dit zou aanzienlijke administratieve moeilijkheden hebben meegebracht en tijdrovend zijn geweest. Zulks nog afgezien van de omstandigheid dat het zo niet onmogelijk dan toch uiterst moeilijk moet worden geacht, achteraf een betrouwbaar beeld te krijgen van de hoogst mogelijke produktie als bedoeld in voornoemde vragenlijst, waarvoor immers op alle mogelijke concrete omstandigheden moet worden gelet.

cc)

Anderzijds kan echter stellig niet worden aangenomen dat de in de vragenlijst verstrekte gegevens zo absoluut bindend zijn dat zij later niet meer zouden kunnen worden gecorrigeerd. In dit verband heeft verzoekster aangevoerd dat artikel 47 EGKS-Verdrag sancties voorziet voor het geval dat — om welke reden ook — onjuiste gegevens worden verstrekt. Volgens haar gaat het echter niet aan, onjuist vastgestelde produktiequota toe te passen alsof het bijkomende sancties waren, hetgeen wellicht — wanneer men van verzoeksters berekeningen uitgaat — uiterst nadelige gevolgen zou kunnen hebben. Daarbij kan in het midden worden gelaten of dit betoog wel geheel overtuigend is, en de Commissie niet gerechtigd is zich in beginsel op de gegevens van de betrokken ondernemingen te baseren, zonder dat zulks als een bijkomende sanctie ware te beschouwen. Het staat immers vast dat ook de Commissie de mogelijkheid van een correctie niet uitsloot. Zoals gezegd, heeft zij in werkelijkheid veeleer met een correctie van de gegevens omtrent de hoogst mogelijke produktie ingestemd en dienovereenkomstig reeds de eerste aan verzoekster meegedeelde quota, die betrekking hadden op het vierde kwartaal van 1980, gewijzigd.

dd)

Bijgevolg is het in casu enkel de vraag, of verzoekster terecht aandrong op een nog verder gaande correctie van de vaststelling van haar produktiemogelijkheden gedurende de jaren 1977-1979. Daarbij rijst de vraag of die wens al dan niet binnen een bepaalde termijn kenbaar moet worden gemaakt, en of verzoekster over voldoende sterke argumenten beschikte ten bewijze dat de vaststellingen van de capaciteit door de Commissie ook na wijziging niet met de werkelijke situatie tijdens de referentieperiode stroken.

Wat betreft het eerste punt, kan stellig worden aangenomen dat hier strenge vereisten moeten gelden en wel omdat het quotastelsel slechts voor een periode van negen maanden is ingevoerd, de produktiebeperkingen aan de teruggang van de vraag moeten beantwoorden en de verhoging van de quota voor een of meer ondernemingen onvermijdelijk gevolgen heeft voor het gehele stelsel, althans in een volgend kwartaal. Bijgevolg mocht worden verlangd dat, indien enigerlei correctie van quota noodzakelijk werd geacht, zulks snel en aan de hand van nauwkeurige en overtuigende gegevens kenbaar werd gemaakt.

Evenwel kan bezwaarlijk worden gesteld dat verzoekster zich daarnaar heeft gedragen. Reeds bij de vaststelling van het quotastelsel in oktober 1980 was het immers duidelijk dat — voor de toepassing van artikel 4, sub 3 — van de bezettingsgraad werd uitgegaan. Bovendien baseerde de Commissie zich reeds voor het vierde kwartaal van 1980 (en dus ook voor de eerste twee kwartalen van 1981) op een bepaalde — gecorrigeerde — hoogst mogelijke produktie van verzoekster. Verzoekster heeft daarop echter eerst gereageerd door op 1 januari 1981, zonder enige motivering, een nieuwe capaciteit aan te melden; tot een grondige discussie, waarbij een beroep werd gedaan op technische expertises, kwam het daarentegen eerst in mei 1981, toen het onderhavige beroep werd ingesteld. Verzoekster kan met name niet ontkennen dat zij haar bezwaren tegen het verloop van de rendementstest van mei 1980, waartoe op korte termijn werd overgegaan en die volgens haar geen tijd liet voor voorbereidingen, onmiddellijk kenbaar had moeten maken (het bij die test uitgevoerde walsprogramma zou in verscheidene opzichten — hoger percentage dik walsgoed, onmogelijkheid om het walsgoed tot voordelige partijen samen te voegen, abnormaal groot dikteverschil tussen de plakken — van de normale voorwaarden zijn afgeweken). Daarbij kon dan niet van de in mei 1980 als normaal te beschouwen produktievoorwaarden worden uitgegaan, doch had de nadruk moeten worden gelegd op de capaciteit van de geteste walsgroep onder de produktievoorwaarden van de jaren 1977-1980.

Laat men deze bedenkingen buiten beschouwing en neemt men aan dat verzoekster ook later nog moest kunnen aantonen dat de Commissie zich op een onjuiste capaciteit van haar walsgroep II heeft gebaseerd, dan moet in ieder geval, wat betreft de vraag of inderdaad voldoende gegevens werden aangebracht ten bewijze dat die capaciteit anders had moeten worden beoordeeld, nog het volgende worden opgemerkt:

Verzoekster beroept zich in de eerste plaats op een rapport van de Japanse finna Kawasaki Steel Corporation van mei 1981, dat kennelijk is opgesteld na overleg tussen verzoekster, de Commissie en Duitse diensten, met het oog op de eventuele instelling van een marktregeling na afloop van het quotastelsel. Van dit rapport kan niet worden gezegd dat het — gelijk de Commissie van oordeel was — enkel uitsluitsel geeft over theoretische maximumbezettingen van de installatie. Verzoekster wijst er immers nadrukkelijk op dat zij de deskundigen gegevens heeft verstrekt over de technische en operationele bijzonderheden van de walsgroep, de afmetingen van de plakken en het breedband en haar produktieprogramma, zodat deze zich volledig op de concrete produktieverhoudingen in Bremen konden baseren. De Commissie merkt echter terecht op dat waar de produktieprogramma's soms maandelijks werden gewijzigd, niet is aangetoond dat de deskundigen van het produktieprogramma van een volledig jaar zijn uitgegaan. Voorts voert zij aan dat (nu de capaciteit werd berekend voor vijf bedrijfssituaties, waarbij de samenstelling van de produktie en de overige produktievoorwaarden telkens verschilden) verzoekster niet heeft verduidelijkt waarom juist rekening zou moeten worden gehouden met de situatie die het door haar aangevoerde cijfer (487000 ton per maand) opleverde. Bovendien, aldus de Commissie, wordt in het deskundigenverslag geconcludeerd dat dit cijfer is vastgesteld op grond van de door verzoekster onder meer met betrekking tot de capaciteit van haar „walking beams”-ovens verstrekte gegevens en met name representatief is voor de maximumoutput die kan worden bereikt (dat wil zeggen in de toekomst kan worden bereikt).

Wanneer men voorts voor ogen houdt dat verzoekster — die heeft beklemtoond dat aan de technische structuur van de walsgroep, waarvan de bouw in 1972 is beëindigd, sinds 1977 niets is gewijzigd en met name dat reeds daarvóór op andere vormen van energie was overgeschakeld — ook heeft moeten toegeven dat zich sedertdien bepaalde veranderingen hebben voorgedaan (wijziging van de lengte van de plakken, hoger percentage „hot charge”), en men bedenkt dat de technisch directeur van verzoekster in een in 1977 in het tijdschrift „Stahl und Eisen” verschenen artikel over walsgroep II heeft verklaard dat deze een capaciteit van 310000 ton per maand heeft, doch dat het mogelijk is, met name na verdere uitbouw van de „walking-beams”-ovens, uiteindelijk een capaciteit van 450000 à 500000 ton per maand te bereiken, dan kan beslist niet worden gesteld dat in het rapport-Kawasaki belangrijke aanwijzingen zijn te vinden ten bewijze dat reeds gedurende de gehele periode. 1977-1980 de hoogst mogelijke produktie die verzoekster met deze walsgroep kon verwezenlijken, op het door haar begin 1981 aangemelde niveau lag.

In zoverre verzoekster zich voorts beroept op een rapport van 12 januari 1982, dat zij samen met haar antwoorden op de vragen van het Hof heeft overgelegd en waarin gegevens worden verstrekt over het prodüktievermogen van een „walking beams”-oven, dat van wezenlijk belang is voor de capaciteit van walsgroep II (en dat volgens dit rapport aanzienlijk hoger lag dan de door verzoekster zelf opgegeven waarde en ook hoger dan de waarden waarvan Kawasaki is uitgegaan), moet vooreerst — zo men dit rapport überhaupt als bewijsstuk wenst te beschouwen — ernstig in twijfel worden getrokken of dit middel, gelet op artikel 42 van het Reglement voor de procesvoering, na beëindiging van de schriftelijke behandeling nog ontvankelijk is. Volgens voornoemde bepaling moeten bewijsmiddelen in beginsel in het verzoekschrift en in het verweerschrift worden voorgedragen en dient, indien het bewijsaanbod later geschiedt, zulks te worden gemotiveerd. Bovendien mag in dit verband niet uit het oog worden verloren dat volgens de Commissie de met het oog op het rapport uitgevoerde tests slechts 90 minuten hebben geduurd, hetgeen blijkens een brief van de voorzitter van het Belgische instituut „Centre des Recherches Métallurgiques” onvoldoende is om tot conclusies omtrent het produktievermogen over een langere periode te komen. Daarenboven moet worden bedacht dat het rapport berust op tests die in december 1981 en januari 1982 werden verricht, zodat het hoogstens relevant kan zijn voor verzoeksters huidige situatie bij verschillende produktiewijzen; er kan evenwel niet uit worden afgeleid dat zij reeds gedurende de jaren 1977-1980 en onder de toenmalige produktieomstandigheden tot dergelijke prestaties in staat was.

d)

Gezien het voorgaande kan ook het tweede onderdeel van het eerste middel uiteindelijk slechts in voor verzoekster ongunstige zin worden beoordeeld: zelfs in de veronderstelling dat zes maanden na de inwerkingtreding van het quotastelsel nog op een correctie van de vastgestelde capaciteit, die betrekking heeft op de jaren 1977-1980, kon worden aangedrongen (in dit verband herinner ik aan het standpunt van de Commissie dat thans überhaupt niet meer het bewijs kan worden geleverd van de hoogst mogelijke produktie tijdens de jaren 1977-1980), dan moet toch in ieder geval worden gesteld dat de door verzoekster verstrekte gegevens onvoldoende gegrond zijn om de waarden waarvan de Commissie is uitgegaan als onjuist te bestempelen. Bijgevolg kan de bestreden beschikking stellig niet wegens schending van artikel 4, sub 3, van beschikking nr. 2794 nietig worden verklaard.

II — Miskenning van de schending van het in artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag vervatte subsidieverbod

Als tweede middel heeft verzoekster aangevoerd dat in verschillende Lid-Staten (met name België, Frankrijk, Italië en Groot-Brittannië) sedert vele jaren, en blijkens persberichten vooral sinds 1975, aanzienlijke bedragen uit de openbare financiën naar de binnenlandse staalindustrieën zijn gevloeid, hetgeen niet alleen tot distorsie van de mededingingsverhoudingen, doch ook tot kunstmatige handhaving en uitbreiding van produktiemogelijkheden zou hebben geleid (de produktiemogelijkheden zouden van 1974 tot 1976 met ongeveer 10 % zijn toegenomen). Tegen deze manifeste miskenning van het in artikel 2 EGKS-Verdrag vervatte beginsel van het subsidieverbod, waarvan het principiële belang reeds herhaaldelijk in de rechtspraak werd beklemtoond, zou de Commissie in strijd met haar in artikel 8 EGKS-Verdrag omschreven opdracht niets hebben ondernomen; voorts zouden die praktijken thans niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt. Aangezien aldus de produktieverhoudingen gedurende de voor beschikking nr. 2794/80 relevantie referentieperiode op ontoelaatbare wijze zijn beïnvloed, aldus verzoekster, is het niet verantwoord het quotastelsel eenvoudig op de daadwerkelijke produktie van die jaren te baseren. Het ware haars inziens veeleer „billijk” (équitable) geweest, indien bij de berekening van de quota met deze praktijken rekening was gehouden door een soort bonus-malusstelsel in te voeren en hetzij de quota te verlagen voor gesubsidieerde ondernemingen, die zonder steun minder zouden hebben geproduceerd, hetzij een bonus toe te kennen aan ondernemingen die geen subsidies hebben genoten.

De Commissie betwist niet dat sedert het begin van de staalcrisis in sommige Lid-Staten aanzienlijke steun is verleend aan de staalindustrie. Zij trekt evenwel de door verzoekster verstrekte gegevens inzake de omvang van de subsidies in twijfel. Voorts voert zij aan dat het niet steeds ging om specifiek aan de staalindustrie toegekende voordelen als bedoeld in artikel 4, sub c, doch ten dele veeleer om algemene — overigens ook in de Bondsrepubliek Duitsland getroffen — maatregelen op het gebied van het economisch, industrieel, regionaal, fiscaal en sociaal beleid en om maatregelen ter bevordering van het onderzoek, die krachtens het Verdrag niet verboden zijn en waarvoor veeleer artikel 67 enkel voorziet in een procedure die ertoe strekt de terugslag van zodanige maatregelen op de staalindustrie ongedaan te maken. Bovendien — en hierop legt zij de nadruk — is zij van oordeel dat zij, ook in zoverre het met artikel 4, sub c, onverenigbare subsidies betrof, zonder uitdrukkelijke machtiging aan artikel 58 niet de bevoegdheid kon ontlenen, in het kader van liet quotastelsel in compensaties te voorzien (waardoor niet alleen de subsidies zouden zijn gedoogd en gebillijkt, doch ook — en hier doelt zij op verzoeksters betoog dat een soort bonus-malusstelsel had moeten worden ingevoerd — lasten zouden zijn opgelegd aan de begunstigde ondernemingen in plaats van aan de voor de subsidiëring verantwoordelijke Lid-Staten). Tegen dergelijke verdragsschendingen zou zij veeleer enkel kunnen optreden volgens de procedure van artikel 88, waaraan ook bijzondere waarborgen voor de betrokken Lid-Staten zijn verbonden.

Wat dit geschilpunt betreft, is het volstrekt begrijpelijk dat niet-gesubsidieerde ondernemingen gelijk verzoekster heftige kritiek uitoefenen op de handelwijze van de Commissie en de inrichting van het quotastelsel. Het ligt immers voor de hand dat het quotastelsel, dat vooral bij de daadwerkelijke produktie in het verleden aanknoopt, tot andere resultaten zou hebben geleid indien de Commissie vroeger tegen verboden subsidies was opgetreden en aldus had verhinderd dat niet levensvatbare bedrijven geheel of gedeeltelijk kunstmatig in leven werden gehouden of dat het tot produktieverhogingen kwam die zonder subsidies niet mogelijk waren geweest.

Bovendien gaat de Commissie mijns inziens met name te ver, wanneer zij stelt dat tegen met het Verdrag strijdige subsidies enkel kan worden opgetreden met een procedure ex artikel 88 EGKS-Verdrag (strekkende tot vaststelling en opheffing van een verdragsschending), doch dat zij daarbuiten feitelijk niet in aanmerking kunnen worden genomen. Artikel 58 bepaalt in ieder geval dat rekening moet worden gehouden met de artikelen 2, 3 en 4, en dit ongeacht tot wie die bepalingen primair zijn gericht. Voorts zij inzonderheid herinnerd aan artikel 54 EGKS-Verdrag, dat betrekking heeft op het advies van de Commissie over investeringsprogramma's. De vijfde alinea van dit artikel bepaalt uitdrukkelijk dat, indien de financiering van een programma of de exploitatie van in dat programma voorziene inrichtingen subsidies, steunmaatregelen en dergelijke met zich mede brengen, het op deze gronden gegeven afwijzend advies als een beschikking in de zin van artikel 14 geldt, hetgeen voor de betrokken onderneming het verbod inhoudt, het afgekeurde programma met andere dan eigen middelen uit te voeren. Hieruit kan toch tenminste worden afgeleid dat de Commissie, ook zonder een procedure ex artikel 88 in te leiden, op het gebied van steunmaatregelen ten opzichte van de ondernemingen, en in ieder geval vooraleer steun wordt verleend, bepaalde maatregelen kan treffen. Bovendien is beslist niet uit te sluiten, dat het feit dat steun wordt verleend van belang kan zijn in het kader van beschikking nr. 2794/80 zelf, bijvoorbeeld in verband met de toepassing van artikel 4, lid 4, of eventueel van artikel 14.

Tenslotte is er volgens mij als zodanig geen reden om, wat betreft de vraag of met vroegere subsidies rekening had moeten worden gehouden, af te wijken van het arrest in zaak 14/81; daarin werd eveneens, zij het minder uitvoerig, overwogen dat artikel 58 niet ertoe strekt om uit subsidies voortvloeiende distorsies van de mededinging te corrigeren en dat de Commissie daartegen veeleer met andere middelen kan optreden (r.o. 23). Gelet op de — zoals gezegd — te ver gaande opvatting van de Commissie dienaangaande, lijkt mij thans evenwel een verduidelijking en vervollediging van die overweging noodzakelijk.

Zoals gezegd beschikt de Commissie bij de uitwerking van het quotastelsel over een aanzienlijke beoordelingsvrijheid; derhalve is in het onderhavige geval, evenals in zaak 14/81, de beslissende vraag of de omstandigheid dat geen rekening is gehouden met subsidies tijdens de referentieperiode, als misbruik van bevoegdheid moet worden beschouwd. Deze vraag kan om verschillende redenen bezwaarlijk bevestigend worden beantwoord. Geheel in het algemeen kan worden gesteld dat artikel 58 EGKS-Verdrag de Commissie weliswaar de verplichting oplegt, bij de vaststelling van quota mede rekening te houden met het in artikel 4 vervatte subsidieverbod, doch niet bepaalt op welke wijze dit moet geschieden.

In dit verband zij eraan herinnerd, dat de Commissie reeds met beschikking nr. 257/80 van 1 februari 1980 (PB L 29 van 1980, blz. 5 e.v.) het probleem van de specifieke steun aan de ijzer- en staalindustrie onder controle heeft trachten te krijgen, en dat deze pogingen op ruimere grondslag werden voortgezet in beschikking nr. 2320/81 van 7 augustus 1981 (PB L 228 van 1981, blz. 14 e.V.). Daarbij mag in geen geval uit het oog worden verloren dat door die regelingen, waardoor — in zoverre zij uitwerking hebben — inbreuk op artikel 4 wordt uitgesloten, de feiten die zich in het verleden hebben voorgedaan niet worden geregulariseerd (blijkens artikel 1 van beide beschikkingen gelden deze regelingen immers enkel voor steun, verleend na hun inwerkingtreding, en moet met vroegere subsidies enkel overeenkomstig artikel 2 van beschikking nr. 2320/81 bij de beoordeling van nieuw voorgenomen steunmaatregelen rekening worden gehouden).

Het lijkt echter uiterst twijfelachtig of de Commissie thans nog, hetzij in een dergelijke beschikking, hetzij door toepassing van artikel 88 EGKS-Verdrag, hetzij bij de berekening van de referentieproduktiecijfers in het verleden, zou kunnen terugkomen op feiten die zich jaren geleden hebben voorgedaan, teneinde destijds verrichte betalingen respectievelijk de gevolgen daarvan voor de referentieproduktiecijfers, ongedaan te maken. Een dergelijke toepassing van de in artikel 58 vervatte verplichting om rekening te houden met het subsidieverbod, zou niet alleen op juridische doch ook op praktische bezwaren stuiten. Het is immers niet duidelijk hoe een dergelijke taak naar behoren had kunnen worden volbracht zonder tijdrovende onderzoekingen in het kader van het quotastelsel, dat snel moet worden uitgewerkt en in praktijk gebracht. Met name zou zich het probleem hebben gesteld van de berekening van eventuele toeslagen en verminderingen naar gelang van de toegekende subsidies en hun gevolgen voor de produktieverhoudingen. Het ligt ook voor de hand dat elke poging om tot een oplossing te komen (ook met behulp van schattingen, zoals — gelijk verzoekster heeft gesteld — gebruikelijk is in het schadevergoedingsrecht) tot langdurige en omstandige betwistingen zou hebben geleid, waardoor het quotastelsel, dat slechts kan functioneren wanneer duidelijke produktieverhoudingen worden geschapen, zijn praktisch nut grotendeels zou hebben verloren. Maar dit vooropgesteld,

zouden tegen de gesubsidieerde ondernemingen, die bepaalde rechtsposities hebben verworven, ook bezwaarlijk passende sancties kunnen worden getroffen in de vorm van een malus bij het quotastelsel.

Mijns inziens kan derhalve de omstandigheid dat de Commissie de problematiek van in het verleden verleende verboden steun in het algemeen buiten beschouwing heeft gelaten, niet worden beschouwd als een gebrek van het quotastelsel op grond waarvan de bestreden mededeling nietig zou kunnen worden verklaard.

Een andere vraag is daarentegen in hoeverre het probleem van de subsidiëring van concurrenten wellicht in het kader van artikel 4, sub 4, of artikel 14 van beschikking nr. 2794/80 aan de orde kan komen. Gezien de duidelijke tegenspraak tussen de in artikel 58 vervatte verplichting om bij het vaststellen van de quota mede rekening te houden met artikel 4 EGKS-Verdrag en de stelling van de Commissie dat het subsidieverbod daarbij volstrekt niet in aanmerking kan worden genomen, zal mijns inziens in het arrest naar de verplichting moeten worden verwezen, ook al is in casu door verzoekster niet in die zin geconcludeerd. Wat betreft beschikking nr. 2794/80/EGKS, zou — zoals gezegd — zowel bij de toepassing van artikel 4, sub 4, als eventueel bij de toepassing van artikel 14 met deze verplichting rekening kunnen worden gehouden. Voor de toekomst kan volgens mij alleszins — naar het voorbeeld van artikel 54, vijfde alinea, EGKS-Verdrag — worden gedacht aan een bepaling die bij voorbeeld zou verhinderen dat quota worden toegekend voor produkties die in strijd met beschikking nr. 2320/81 van 7 augustus 1981 (PB L 228 van 1981) zijn tot stand gekomen of gehandhaafd. Evenals de Commissie op grond van artikel 54 gerechtigd zo niet verplicht is, over een investeringsprogramma een afwijzend advies te geven wanneer verboden steun wordt verleend, kan worden gesteld dat de in artikel 58, lid 2, vervatte verplichting om bij de vaststelling van de quota mede rekening te houden met het subsidieverbod, de Commissie tenminste het recht verleent om in geval van verboden steun te weigeren quota toe te kennen.

III — Het middel dat de Raad niet met beschikking nr. 2794/80 heeft ingestemd

1.

Volgens artikel 58 EGKS-Verdrag moet, wanneer de Commissie tot het besluit komt dat de Gemeenschap zich in een uitgesproken crisisperiode bevindt, na raadpleging van het Raadgevend Comité en met instemming van de Raad een stelsel van produktiequota worden ingevoerd. Wat betreft laatstgenoemd vereiste, betwist verzoekster — als ik mij niet vergis — niet dat de Raad van ministers zich tijdens zijn vergadering van 30 oktober 1980 met het probleem heeft beziggehouden en zich ook voor een quotastelsel heeft uitgesproken. Zij kon ook moeilijk anders: in de considerans van beschikking nr. 2794/80 wordt immers gewag gemaakt van de instemming van de Raad, terwijl het secretariaat-generaal van de Raad de pers op 30 oktober 1980 van die instemming op de hoogte heeft gebracht en bovendien heeft gepreciseerd welke problemen, waarover nog geen akkoord was bereikt, tijdens de vergadering van de Raad nog werden behandeld (te weten het probleem,van het fijnstaai en speciaal staal en de vraag welke produkten niet onder het quotastelsel moesten vallen). Volgens verzoekster is dit echter onvoldoende (zoals gezegd, gaat zij ervan uit dat tijdens voornoemde vergadering enkel van gedachten is gewisseld over de vraag of überhaupt produktiequota moesten worden ingevoerd, of uitzonderingen behoorden te worden gemaakt voor fijnstaai en speciaal staal en wat het aandeel van elke Lid-Staat moest zijn). Zij is van oordeel dat volgens het Verdrag de Raad had moeten instemmen met een volledig uitgewerkte ontwerpbeschikking; dit was echter niet het geval, aangezien een dergelijk ontwerp niet bestond en de Raad evenmin mondeling over de bijzonderheden van het quotastelsel was ingelicht. Dit gebrek zou overigens niet worden verholpen door de omstandigheid dat de Raad en dus de regeringen van de Lid-Staten deze gang van zaken juist achtten. Daaruit zou enkel blijken dat de Raad zelf artikel 58 en de krachtens deze bepaling op hem rustende verantwoordelijkheden verkeerd begrijpt. In werkelijkheid zou de Raad de Commissie op grond van deze bepaling geen algemene machtiging verlenen om de bijzonderheden van het stelsel naar eigen goeddunken vast te stellen. Aangezien een dergelijk stelsel gevolgen heeft voor de werkgelegenheid en het door de Commissie, die geen politieke bindingen met de toonaangevende stromingen binnen de Lid-Staten heeft, niet op doeltreffende wijze in het politieke leven van die staten kan worden ingebracht, zou veeleer de politieke steun vereist zijn van de regeringen der verschillende staten, juist ook wat de bijzonderheden ervan betreft.

Ter weerlegging van dit betoog heeft de Commissie in haar verweerschrift vooreerst aangevoerd dat volgens artikel 58 de instemming van de Raad van ministers enkel is vereist waar het gaat om de vraag of een quotastelsel moet worden ingevoerd, en dat inzonderheid uit lid 2 van deze bepaling blijkt dat het aan de Commissie staat, dat stelsel in bijzonderheden uit te werken. Te dien einde heeft de Commissie erop gewezen dat het EGKS-Verdrag fundamenteel anders is opgezet dan het EEG-Verdrag. Met name zou uit artikel 14 EGKS-Verdrag volgen dat in beginsel de Commissie de nodige rechtshandelingen vaststelt; volgens artikel 26 daarentegen wordt de Raad enkel bij het besluitvormingsproces betrokken „met het doel het beleid van de Hoge Autoriteit en dat van de voor de algemene economische politiek vanhun landen verantwoordelijke regeringen met elkaar te doen harmoniëren”, hetgeen belist niet onderstelt dat hij zich met iedere bijzonderheid van een regeling inlaat. De Commissie meent dat deze zienswijze wordt gestaafd door artikel 58, lid 1, tweede alinea. Krachtens deze bepaling — aldus de Commissie — kan de Raad haar weliswaar bij eenstemmigheid het invoeren van een quotastelsel voorschrijven, maar er moet haars inziens van worden uitgegaan dat daarmee niet de invoering van een zodanig stelsel met alle bijzonderheden aan de Raad is overgedragen; anderzijds acht zij het evenwel, ook ondenkbaar dat de Raad in dat geval nogmaals — nu met meerderheid van stemmen — met de bijzonderheden van het quotastelsel zou moeten instemmen. In dupliek heeft de Commissie, naar het mij voorkomt, haar standpunt enigszins gematigd. Zo heeft zij bij die gelegenheid gesteld dat de Raad met de wezenlijke inhoud van een quotastelsel moet instemmen, en dat dit vervolgens in een later stadium van de procedure door de Commissie in de vorm van een beschikking wordt gegoten. Ten betoge dat de Raad metterdaad voldoende bij de besluitvorming werd betrokken, dat wil zeggen met de wezenlijke hoofdlijnen van het quotastelsel heeft ingestemd, heeft zij in dupliek ook het op 6 oktober 1980 door de Commissie aan de Raad gerichte verzoek met de inhoud van de later vastgestelde beschikking vergeleken.

2.

Voor de oplossing van dit verdere geschilpunt zijn zeer belangrijke, zij het niet geheel eensluidende aanwijzingen te vinden in de rechtsleer.

Volgens Kovar (Le pouvoir réglementaire de la Communauté Européenne du Charbon et de l'Acier, 1964, blz. 174) is het, in de gevallen waarin het EGKS-Verdrag een „avis conforme” van de Raad voorschrijft, niet voldoende dat de elementen van het betrokken probleem aan de Raad worden voorgelegd; bij de Raad zou veeleer een ontwerpbeschikking moeten worden ingediend, en zijn instemming zou op dat ontwerp betrekking moeten hebben.

Daarentegen is een groot aantal auteurs van oordeel dat volgens artikel 58 de instemming van de Raad enkel vereist is waar het gaat om de vraag of het nodig is een quotastelsel in te voeren, dat wil zeggen of aan de voorwaarden van artikel 58 (uitgesproken crisisperiode) is voldaan, doch niet waar het gaat om de bijzonderheden van het stelsel, waarvan de feitelijke verwezenlijking aan de Hoge Autoriteit is overgelaten (aldus onder meer Mertens de Wilman, in les Novelles, Droit des Communautés Européennes, uitgegeven door Ganshof van der Meersch, 1969, blz. 520; Quadri, Monaco, Trabucchi, Trattato Istitutivo della Comunità Europea del Carbone e dell'Acciaio 1970, opmerking 3 bij artikel 58; Erichsen. Das Verhältnis von Hoher Behörde und Besonderem Ministerrat nach dem Vertrage über die Gründung der Europäischen Gemeinschaft für Kohle und Stahl, 1966, blz. 115). Daartoe wijzen zij er met name op dat bij de toepassing van artikel 58 verschillende stadia zijn te onderscheiden en de tussenkomst van de Raad slechts in een van die stadia vereist is. Erichsen vestigt er ook de aandacht op, dat de Raad niet over een naar gelang van de materie ingedeeld administratief apparaat beschikt en bijgevolg niet de voor de vaststelling van de quota vereiste feitelijke gegevens kan inzamelen, noch de daartoe noodzakelijke onderzoekingen kan verrichten.

3.

Bekijkt men vervolgens aandachtig de verschillende in de loop van het geding voorgedragen argumenten, dan blijkt vrij snel dat zowel bepaalde overwegingen die verzoekster tot staving van haar standpunt heeft aangevoerd, als sommige punten van het betoog van de Commissie niet bijzonder overtuigend zijn.

a)

Dit geldt — om met verzoeksters redenering te beginnen — ongetwijfeld in zoverre deze zich beroept op de bevoegdheden van de Raad bij de vaststelling van afgeleid gemeenschapsrecht op grond van het EEG-Verdrag, waarbij de Raad, om zo te zeggen, de hoofdrol speelt. Dit argument is niet relevant, aangezien het EGKS-Verdrag klaarblijkelijk anders is opgebouwd: wat betreft de totstandkoming van het afgeleide gemeenschapsrecht — dat overigens, waar het Verdrag tot in de bijzonderheden is uitgewerkt, een minder belangrijke rol speelt — ligt hier de klemtoon onmiskenbaar op de Commissie.

Zo is ook verzoeksters verwijzing naar nationaal administratief recht, volgens hetwelk bij de vaststelling van administratieve handelingen „waarvoor medewerking vereist is” de instemming betrekking zou moeten hebben op volledig uitgewerkte teksten, evenmin dienstig als haar verwijzing naar het Duitse grondwettelijk recht, volgens hetwelk — in zoverre wetten van de Bundestag door de Bundesrat moeten worden goedgekeurd — de instemming met algemene bedoelingen niet voldoende is, doch een volledig uitgewerkte wettekst voorhanden moet zijn. Nog afgezien van de bedenking dat uit deze bondige aanduidingen, die kennelijk enkel betrekking hebben op het Duitse recht, niet de hoofdlijnen van een algemeen, ook voor het gemeenschapsrecht geldend rechtsbeginsel kunnen worden afgeleid, heeft de Commissie betoogd dat — in zoverre bij administratieve handelingen „waarvoor medewerking vereist is” wordt gedacht aan de omstandigheid dat het initiatief daartoe van bepaalde rechtsonderhorigen moet uitgaan — van instemming met alle bijzonderheden van een regeling stellig geen sprake is. Voorts heeft zij er terecht op gewezen dat met betrekking tot de artikelen 77 en 78 van de Duitse grondwet niet uit het oog mag worden verloren dat in dat geval, op het ogenblik waarop de Bundesrat bij de wetgevende procedure wordt betrokken, onmiskenbaar reeds een wetsbesluit voorhanden is, terwijl de in artikel 58 EGKS-Verdrag bedoelde tussenkomst van de Raad klaarblijkelijk betrekking heeft op voorgenomen maatregelen.

Bovendien speelt verzoekster met de gedachte dat het gezag van gemeenschapsrechtelijke besluiten door de tussenkomst van de Raad wordt versterkt. Volgens haar is dat gezag — in de sociologische betekenis van de term, dat wil zeggen in de zin van een grotere bereidheid van de betrokkenen om soevereine handelingen te aanvaarden — onvoldoende gewaarborgd, wanneer het zwaartepunt van de handeling bij de Commissie ligt, die slechts aan een zeer beperkt parlementair toezicht is onderworpen. Tegen deze stelling van verzoekster kan worden ingebracht dat moeilijk is in te zien hoe de tussenkomst van regeringsvertegenwoordigers in de Raad (die immers ook slechts op indirect democratische wijze met gezag zijn bekleed) bedoelde uitwerking zou moeten hebben. Voorts moet worden bedacht dat dit effect, voor zover er in werkelijkheid sprake van is, voldoende is gewaarborgd door de tussenkomst van de Raad bij het vastleggen van de hoofdlijnen van een regeling, ook zonder dat hij over alle bijzonderheden zijn placet geeft.

b)

Ook sommige overwegingen van de Commissie met betrekking tot de betekenis van artikel 58 moeten aldus worden beoordeeld.

Daarbij denk ik in de eerste plaats aan haar verwijzing naar artikel 14 EGKS-Verdrag, waaruit volgens haar kan worden afgeleid dat bij de vaststelling van het afgeleid gemeenschapsrecht het zwaartepunt bij de Commissie ligt. In dit verband mag immers niet uit het oog worden verloren dat in artikel 14 ook wordt gezegd „overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag”; gezien deze verwijzing naar andere verdragsbepalingen kan enkel aan de hand van een analyse van die bepalingen — in casu artikel 58 zelf — met zekerheid worden uitgemaakt in hoeverre andere instellingen bij de vaststelling van een beschikking moeten worden betrokken.

Bovendien komt het mij voor dat bezwaarlijk een beroep kan worden gedaan op artikel 58, lid 1, tweede alinea, ten betoge dat de tussenkomst van de Raad zich beperkt tot diens instemming dat een quotastelsel moet worden ingevoerd. Evenals bij de toepassing van die bepaling — dat wil zeggen wanneer de Raad bij eenstemmigheid een quotastelsel voorschrijft — met het oog op de raadpleging van het Raadgevend Comité blijkbaar mede rekening moet worden gehouden met de eerste alinea, lijkt het volstrekt logisch, naast het met eenparigheid van stemmen te nemen besluit van de Raad over de vraag of een quotastelsel moet worden ingevoerd, bovendien diens in artikel 58 bedoelde, anders geaarde instemming met het in hoofdlijnen uitgewerkte stelsel als onontbeerlijk te beschouwen. Voor deze opvatting en tegen een te enge afbakening van de in lid 1, eerste alinea, gestelde vereisten inzake instemming pleiten tenslotte de bewoordingen van deze bepaling, aangezien daarbij, in zoverre hier sprake is van instemming met de invoering van een „stelsel” („System”), stellig niet alleen aan het „of” doch ook aan de wezenlijke hoofdlijnen van die regeling is gedacht.

4.

Daarentegen kunnen voor een passende oplossing van het onderhavige probleem belangrijke aanknopingspunten worden gevonden in de rechtspraak inzake de schrootverevening, waarop de Commissie heeft gewezen, alsmede in artikel 58, lid 2.

In het arrest van 13 juli 1965 (zaak 111/63, Lemmertz-Werke, Jurispr. 1965, blz. 935, op blz. 961) werd duidelijk gesteld dat de instemming van de Raad (die overeenkomstig artikel 53 met het oog op het treffen van financiële voorzieningen bij eenstemmigheid moet worden bepaald) niet voor elke wijziging van een dergelijke voorziening is vereist, in zoverre het daarbij slechts om punten van ondergeschikt belang — zoals destijds de interestregeling — gaat. Daaruit kan stellig worden afgeleid dat de instemming van de Raad enkel vereist is met betrekking tot zaken van wezenlijk belang, dat wil zeggen de hoofdlijnen van een regeling, en dat zonder meer kan worden aangenomen — en daarbij denk ik aan een specifieke grief van verzoekster — dat, zij het wellicht niet steeds zonder moeilijkheden, stellig onderscheid kan worden gemaakt tussen de punten van een regeling die van wezenlijk dan wel van ondergeschikt belang zijn.

Luidens artikel 58, lid 2, stelt de Hoge Autoriteit (dus thans de Commissie) de quota op billijke grondslag vast, rekening houdende met de beginselen van de artikelen 2 tot 4 en op de grondslag van studies, gemaakt in samenwerking met de ondernemingen en de verenigingen van ondernemingen (waarvan in lid 1 geen sprake is). Dit kan slechts worden gezien als een aanwijzing dat de Commissie bij de uitwerking van het quotastelsel in zekere zin zelfstandig te werk gaat, en dat de Raad, van wiens instemming in het voorgaande lid gewag wordt gemaakt, niet alle bijzonderheden van het stelsel behoeft goed te keuren.

Anderzijds komt het mij voor dat het doel van de vereisten inzake instemming het best kan worden begrepen, indien men zich houdt aan de algemene omschrijving van de bevoegdheden van de Raad in artikel 26 EGKS-Verdrag, volgens hetwelk deze vooral betrekking hebben op de harmonisatie van het beleid van de Hoge Autoriteit en dat van de voor de algemene economische politiek van hun landen verantwoordelijke regeringen. Ook uit deze bepaling kan worden afgeleid dat de Raad slechts zijn placet behoeft te geven over de fundamentele opzet en de hoofdlijnen van het stelsel.

Gaat men van dit criterium uit, dan kan bij de vaststelling van het quotastelsel geen sprake zijn van een vormgebrek wegens ontoereikende instemming van de Raad. Daarbij behoeft niet te worden ingegaan op verzoeksters eis dat het Hof de overlegging van de notulen van de betrokken vergadering van de Raad gelast, ten einde met nauwkeurigheid vast te stellen waarop de instemming van de Raad inzonderheid betrekking had, op welke wijzigingen van het oorspronkelijke ontwerp van de Commissie werd aangedrongen en tot welke wijzigingen of aanvullingen daarvan de Commissie op eigen initiatief is overgegaan. Waar het immers om gaat, is dat de besluitvorming van de Raad berustte op een verzoek van de Commissie van 6 oktober 1980, dat ook in andere zaken reeds werd overgelegd. Daarin komen klaarblijkelijk alle belangrijke punten van het quotastelsel aan de orde (zoals: de betrokken produkties, de bepaling van de referentieperiode, de vaststelling van de quota — eventueel met inachtneming van herstructureringsmaatregelen —, de voor het eerste kwartaal toe te passen verminderingspercentages, regeling van de leveringen in de gemeenschappelijke markt, ruil en verkoop van quota, vereiste controles en sancties en begin en einde van het quotastelsel). Bovendien is mijns inziens van betekenis — althans daartoe bestaat een belangrijke aanwijwijzing — dat geen der Lid-Staten, waarvan sommige er zeer nauwlettend op toezien dat de Commissie de grenzen van haar bevoegdheden niet overschrijdt, na vaststelling van de beschikking de kritiek heeft geuit dat in beschikking nr. 2794/80 op een of ander belangrijk punt zou zijn afgeweken van hetgeen de Raad had besloten.

Bijgevolg kan beschikking nr. 2794/80 evenmin wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften niet-toepasselijk worden verklaard, zodat de rechtstreeks bestreden mededeling niet op die grond nietig kan worden verklaard.

IV — Onrechtmatige vaststelling van leveringsquota voor de gemeenschappelijke markt en onrechtmatige beperking van de produktie, voor zover voor de export bestemd

Tenslotte kom ik toe aan een aantal grieven die — zoals in de inleiding reeds gezegd — voor de eerste maal in repliek werden voorgedragen. De eerste heeft betrekking op artikel 7, lid 2, van beschikking nr. 2794/80, dat luidt als volgt:

„Met betrekking tot de levering van aan het quotastelsel onderworpen produkten mogen de ondernemingen voor de leveringen in de gemeenschappelijke markt per categorie produkten niet het percentage overschrijden dat de leveringen in de Gemeenschap uitmaken van het totaal van de leveringen in de loop van de twaalf maanden, vallende in de periode van juli 1977 tot en met juni 1980, waarin het totaal van de produktie van de vier categorieën walserijprodukten het hoogst is geweest.”

Verzoekster beschouwt dit als een vaststelling van leveringsquota, waartoe de Commissie op grond van artikel 58 niet bevoegd was. Met de andere grief betoogt verzoekster dat het quotastelsel ten onrechte ook dat gedeelte van de produktie omvat, dat voor uitvoer is bestemd. Daardoor zijn beperkingen opgelegd aan de uitvoer en zijn dus als het ware leveringsquota voor de uitvoer vastgesteld, daar voor deze afzetmogelijkheid, afgezien van voorraden en bijgekochte goederen, enkel het gedeelte van de — beperkte — produktie in aanmerking kwam, dat niet binnen de Gemeenschap op de markt werd gebracht. Ook daartoe was volgens verzoekster de Commissie niet bevoegd; zij had de produktie veeleer in verhouding tot de binnenlandse behoefte moeten beperken, en de voor uitvoer bestemde produktie ongemoeid moeten laten.

1.

Zoals gezegd rijzen in dit verband vooreerst problemen inzake de ontvankelijkheid.

Om te beginnen rijst de vraag of de grief inzake wettigheid van artikel 7, lid 2, van beschikking nr. 2794/80 kan worden opgeworpen in samenhang met een beroep tegen een besluit dat enkel betrekking heeft op de vaststelling van produktiequota. Voorts stelt zich het probleem van de ontvankelijkheid van argumenten die niet in het verzoekschrift werden voorgedragen.

a)

Wat het eerste punt betreft, kan ik vrij kort zijn. Hetzelfde probleem was namelijk reeds aan de orde in twee andere zaken (gevoegde zaken 275/80 en 24/81, Krupp, arrest van 28. 10. 1981, nog niet gepubliceerd, en zaak 258/80, Metallurgica Rumi, arrest van 16. 2. 1982, nog niet gepubliceerd). Overeenkomstig de conclusies van de advocaat-generaal werd in die arresten beklemtoond dat, wanneer een uitvoeringshandeling wordt bestreden, grieven tegen een algemene beschikking slechts ontvankelijk zijn indien het algemene voorschrift in de betwiste individuele handeling toepassing heeft gevonden, de individuele handeling op de algemene bepaling berust en de rechtmatigheid van eerstgenoemde handeling van die van het algemene voorschrift afhangt. Wat betreft de mededeling van de produktiequota en artikel 7, lid 2, was dit naar het oordeel van het Hof niet het geval op grond dat genoemde mededeling in werkelijkheid geen betrekking had op de vaststelling van leveringsquota en artikel 7, lid 2, veeleer ook toepasselijk was zonder dat daartoe een individueel besluit was genomen.

Mijns inziens moet ook thans in die zin uitspraak worden gedaan, temeer daar verzoekster zelf heeft verklaard dat de voor haar geldende leveringsquota berustten op de mededeling betreffende de produktiequota (en niet omgekeerd). Bovendien mag niet uit het oog worden verloren dat het onderhavig beroep enkel strekt tot nietigverklaring van de mededeling van 6 april 1981, in zoverre daarbij haar referentieproduktiecijfer en produktiequotum voor walserijprodukten van categorie I werden vastgesteld, en dus geen betrekking heeft op een in genoemde mededeling stilzwijgend vervat (want daaruit in samenhang met artikel 7, lid 2, voortvloeiend) voorschrift inzake het gedeelte van de toegelaten produktie dat verzoekster op de gemeenschappelijke markt kon afzetten.

Aangezien geen rechtstreeks beroep wegens misbruik van bevoegdheid is ingesteld krachtens artikel 33, lid 2, EGKS-Verdrag, moet derhalve worden aangenomen dat, gelijk de Commissie betoogt, verzoekster artikel 7, lid 2, van beschikking nr. 2794/80 eerst kan bestrijden nadat een beschikking is gegeven waarbij sancties worden opgelegd.

b)

Wat betreft het tweede punt — dat gezien het voorgaande enkel nog van belang is voor het argument inzake de beperking van de uitvoer — moet worden gewezen op artikel 42, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering, bepalende dat nieuwe middelen in de loop van het geding niet meer mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de schriftelijke behandeling is gebleken. Aangezien dit laatste in casu niet het geval is, moet worden uitgegaan van het beginsel volgens hetwelk middelen die voor het eerst in repliek worden voorgedragen, zonder dat zij in het verzoekschrift zelfs maar waren vermeld, niet-ontvankelijk zijn (van dit beginsel is onder meer sprake in de arresten van 29. 11. 1956, zaak 9/55, Kolenmijnen van Beeringen e.a., Jurispr. 1955-1956, blz. 343, op blz. 376; van 20. 3. 1959, zaak 18/57, Nold, Jurispr. 1958-1959, blz. 93, op blz. 119; van 10. 5. 1960, gevoegde zaken 27-29/58, Compagnie des hauts fourneaux et fonderies de Givors e.a., Jurispr. 1960, blz. 511, op blz. 540; van 15 december 1961, gevoegde zaken 19 en 21/60 en 2 en 3/61, Société Fives Lille Cail e. a., Jurispr. 1961, blz. 591, op blz. 623; van 13. 7. 1962, gevoegde zaken 17 en 20/61, Klöckner-Werke en Hoesch, Jurispr. 1962, blz. 643, op blz. 684; van 12. 12. 1979, zaak 12/79, Wagner, Jurispr. 1979, blz. 3657, r.o. 8).

Omtrent de juistheid van dit laatste zou echter twijfel kunnen rijzen, aangezien met de betrokken grief schending van artikel 58 EGKS-Verdrag wordt gesteld, en onder die rubriek reeds in het verzoekschrift bepaalde bezwaren voorkomen. Uit een analyse van de rechtspraak ter zake blijkt voorts dat voornoemd beginsel enigszins wordt gerelativeerd en niet steeds even strikt wordt toegepast. Zo werden later aangevoerde argumenten ontvankelijk verklaard, voor zover het ging om aanvullende toelichtingen ter ondersteuning van reeds in het verzoekschrift vervatte grieven (vgl. onder meer de arresten van 21. 12. 1954, zaak 2/54, Italië t. Hoge Autoriteit, Jurispr. 1954-1955, blz. 79, op blz. 107; van 13. 6. 1958, zaak 2/57, Compagnie des Hauts Fourneaux de Chasse, Jurispr. 1958, blz. 135, op blz. 152; en van 12. 7. 1962, zaak 18/60, Worms, Jurispr. 1962, blz. 393, op blz. 413). Voorts kan worden vastgesteld dat in dit verband niet steeds even strikt te werk is gegaan als in zaak 18/57, de gevoegde zaken 19 en 21/60 en 2 en 3/61, en onlangs in het arrest van 1 april 1982 (zaak 11/81, Dürbeck, nog niet gepubliceerd). Daarbij denk ik met name — zonder hier in bijzonderheden op de argumentatie in te gaan — aan de gevallen die aan de orde waren in de arresten van 20 maart 1957 (zaak 2/56, Geitling, Jurispr. 1957, blz. 9, op blz. 41) en 10 mei 1960 (zaak 19/58, Bondsrepubliek Duitsland t. Hoge Autoriteit, Jurispr. 1960, blz. 479, op blz. 507).

Aangezien het Hof bovendien in zaak 18/57 van oordeel was dat het ambtshalve behoorde in te gaan op het middel inzake onvoldoende motivering, dat moest worden geacht te laat te zijn voorgedragen, kan in het onderhavige geval inderdaad worden betwijfeld of strikte toepassing van artikel 42 van het Reglement voor de procesvoering in overweging moet worden genomen, met als gevolg dat argumenten met betrekking tot de beperking van de exportmogelijkheden ontvankelijk moeten worden geacht.

2.

Dit vooropgesteld, blijkt echter zeer spoedig dat ook deze grief het beroep niet kan doen slagen.

a)

Daartoe kan vooreerst worden gewezen op het arrest van 16 februari 1982 (zaak 276/80, Ferriera Padana, nog niet gepubliceerd), waarin hetzelfde probleem reeds aan orde was. Het Hof overwoog in die zaak dat de Commissie bereid was geweest artikel 14 van beschikking nr. 2794/80 toe te passen ten gunste van ondernemingen waarvan de exportmogelijkheden door het quotastelsel werden belemmerd en, dat verzoekster in die zaak niet had bewezen dat ten gevolge van het quotastelsel voor haar buitenlandse markten verloren waren gegaan.

In de loop van het onderhavige geding heeft de Commissie nogmaals verklaard dat zij er tijdens het tweede kwartaal van 1981 en zelfs eerder de aandacht op heeft gevestigd, dat aan ondernemingen die bijzonder belang hadden bij uitvoer, op grond van artikel 14 van beschikking nr. 2794/80 een hoger produktiequotum kon worden toegekend. Voorts schijnt verzoekster — omdat zij zulks zinloos zou hebben geacht — voor het tweede kwartaal van 1981 daartoe geen aanvraag te hebben ingediend, en zou aan haar op artikel 14 gebaseerde aanvraag met betrekking tot het eerste kwartaal van 1981 geen gunstig gevolg zijn gegeven op grond dat daarin enkel het probleem van de bezettingsgraad werd opgeworpen. Aangezien ook verzoekster in de onderhavige zaak niet heeft aangetoond dat haar exportbedrijvigheid daadwerkelijk werd belemmerd (hierover is immers, met name over de vraag of zij exportorders heeft moeten afwijzen, tijdens de mondelinge behandeling een uitdrukkelijke vraag gesteld), kan in casu niet anders worden beslist dan in het arrest in zaak 276/80.

b)

Waar verzoekster in casu bovendien aanvoert dat de Commissie niet heeft gemotiveerd waarom het haar als noodzakelijk voorkwam alle exporten onder beschikking nr. 2794/80 te doen vallen, kan ter weerlegging van haar betoog eveneens worden volstaan met twee aanvullende overwegingen.

Om te beginnen wordt in de considerans van de beschikking duidelijk gesteld dat sprake is van een wereldcrisis, aangezien overal een teruggang van de vraag kan worden vastgesteld. Mitsdien kan worden gesteld dat een terugslag van het quotastelsel op de uitvoermogelijkheden als zodanig volkomen gerechtvaardigd kan zijn. Maar vooral zij erop gewezen, dat inherent aan het systeem is, dat een stelsel van produktiequota als hier toegepast gevolgen heeft voor de uitvoermogelijkheden, en dat derhalve met bestaande uitvoermogelijkheden enkel van geval tot geval door middel van een uitzonderingsbepaling als artikel 14 van de beschikking rekening kan worden gehouden. Met de motivering van het quotastelsel zijn derhalve automatisch ook de mogelijke gevolgen daarvan voor de uitvoermogelijkheden voldoende met redenen omkleed.

3.

Derhalve staat vast dat ook de nieuwe, in repliek voorgedragen argumenten klaarblijkelijk niet dienstig zijn voor verzoeksters beroep.

V — Conclusie

Samenvattend ben ik van oordeel dat het beroep van de firma Klöckner moet worden verworpen en verzoekster derhalve in de proceskosten moet worden verwezen.


( *1 ) Vertaald uit het Duits.