CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 2 JUNI 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Verzoeker, Jean-Jacques Charles Geist, is ambtenaar van de wetenschappelijke en technische groepen van de Commissie. Naar aanleiding van een in de Personeelskoener van 13 juni 1980 gepubliceerde kennisgeving van vacature solliciteerde hij naar een post bij de delegatie van de Commissie in de Verenigde Staten te Washington. Volgens de kennisgeving ging het bij vacature nr. 120 om een eerste secretaris voor wetenschappelijke en technische aangelegenheden en was een ruime ervaring op wetenschappelijk en technisch gebied, met name op het gebied van de energie, vereist. Voorts werd in de kennisgeving gepreciseerd, dat de post was voorbehouden aan ambtenaren van de Commissie, wier bezoldiging ten laste van de huishoudelijke begroting kwam. Als ambtenaar van de wetenschappelijke en technische groepen werd de heer Geist bezoldigd uit kredieten van de begroting voor onderzoek en investeringen.
Volgens de kennisgeving was de vacature ontstaan in het kader van het door de Commissie op 23 juli 1975 ingevoerde roulatiesysteem voor posten bij delegaties en bureaus in derde landen. Ingevolge dit systeem kunnen ambtenaren voor enkele jaren mét hun begrotingspost naar een delegatie of bureau in een derde land worden overgeplaatst, waarna zij naar hun oorspronkelijke post terugkeren of elders worden tewerkgesteld. Het roulatiesysteem is niet uitdrukkelijk beperkt tot ambtenaren wier bezoldiging ten laste van de huishoudelijke begroting komt.
Op 7 augustus 1980 ontving de heer Geist een brief, gedateerd 14 juli en ondertekend door een mevrouw Lambert, waarbij hem werd meegedeeld, dat het tot aanstelling bevoegde gezag zijn sollicitatie niet had kunnen aanvaarden. In de brief stond verder niets, ook geen opgaaf van redenen. Overeenkomstig een besluit van 18 juli van de directeurgeneraal Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie, was de post blijkbaar toegewezen aan een zekere Lafontaine. Op 13 oktober diende de heer Geist een klacht in tegen de brief van 14 juli. Er kwam geen antwoord van de Commissie, zodat de klacht na vier maanden kon worden geacht stilzwijgend te zijn afgewezen. Het verzoekschrift is op 14 mei 1981 ter griffie van het Hof neergelegd; het beroep werd dus tijdig ingesteld, wanneer de termijnen wegens afstand van artikel 1 van bijlage II bij het Reglement voor de procesvoering worden meegeteld.
Het beroep van Geist strekt tot: 1. nietigverklaring van het hem bij voornoemde brief van 14 juli 1980 ter kennis gebrachte besluit; 2. nietigverklaring van het in de kennisgeving van vacature in de Personeelskoerier van 13 juni 1980 vervatte besluit, de post aan uit de huishoudelijke begroting bezoldigde ambtenaren voor te behouden; 3. nietigverklaring van alle besluiten die na de publikatie van de kennisgeving met betrekking tot deze post zijn genomen, en 4. verwijzing van de wederpartij in de kosten.
Aangezien de kennisgeving op 13 juni 1980 is gepubliceerd en Geist zijn klacht eerst heeft ingediend op 13 oktober, dus na het verstrijken van de in artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut vastgestelde termijn van drie maanden voor de indiening van klachten, is de sub 2 vermelde vordering niet-ontvankelijk. Het Hof heeft evenwel in het verleden erkend dat, gezien de onderlinge samenhang van de verschillende handelingen van een aanwervingsprocedure, een verzoeker in een beroep tegen een latere handeling van een dergelijke procedure, de onregelmatigheid van een eerder verrichte handeling kan inroepen (zie b.v. het arrest van 31. 3. 1965, gevoegde zaken 12 en 29/64, Ley, Jurispr. 1965, blz. 141, blz. 158). Bij analogie kunnen de argumenten betreffende de ontwettigheid van de kennisgeving dus in aanmerking worden genomen, in zoverre deze onwettigheid invloed heeft op de wettigheid van de overige besluiten waartegen het beroep is gericht.
In de hiervoor sub 3 vermelde vordering is niet gepreciseerd op welke besluiten zij betrekking heeft. Dit had wel moeten gebeuren om verweerster naar behoren te informeren omtrent het voorwerp van de eis en het Hof in staat te stellen, zich van de juiste strekking van de vordering te vergewissen en vast te stellen of het beroep tijdig is ingesteld en de besluiten waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, bezwarend zijn voor verzoeker. In sommige gevallen is het uiteraard onmogelijk, nauwkeurig aan te duiden van welke handelingen nietigverklaring wordt gevorderd (zie b.v. het arrest van 14. 7. 1965, gevoegde zaken 18 en 19/64, Alvino e.a., Jurispr. 1965, blz. 837), doch in de regel kan een onvoldoende nauwkeurige omschrijving van het voorwerp van een vordering tot nietigverklaring tot niet-ontvankelijkheid daarvan leiden (arrest van 28. 5. 1970, zaak 30/68, Lacroix, Jurispr. 1970, blz. 301). In casu is evenwel duidelijk, dat de vordering van Geist is gericht tegen het besluit tot benoeming van Lafontaine. Dit besluit is genomen op 18 juli 1980, doch het staat niet vast dat verzoeker er kennis van had voordat de Commissie haar verweerschrift indiende. Bijgevolg moet de hiervoor sub 3 bedoelde vordering worden geacht op dit besluit betrekking te hebben. Zij moet als niet-ontvankelijk worden beschouwd, voor zover zij strekt tot nietigverklaring van andere besluiten die de Commissie mocht hebben genomen.
Kernpunt van het betoog van Geist is, dat de besluiten tot afwijzing van zijn sollicitatie en tot benoeming van Lafontaine nietig zijn, op grond dat de hele procedure was aangetast door de onwettigheid van de betrokken kennisgeving van vacature. Hij stelt dat deze kennisgeving onwettig was, omdat zij ambtenaren die niet uit huishoudelijke kredieten werden bezoldigd, uitsloot: deze uitsluiting is discriminerend, niet objectief gerechtvaardigd en in strijd met het besluit van de Commissie van 23 juli 1975, dat de roulatie van posten bij delegaties en bureaus in derde landen regelt zonder enige beperking ten aanzien van de daarvoor in aanmerking komende directoratengeneraal of begrotingsposten. De Commissie brengt hiertegen het volgende in: 1. ambtenaren die uit kredieten van de begroting voor onderzoek en investeringen worden bezoldigd, worden betaald met gelden die door de Raad specifiek voor bepaalde onderzoeksprogramma's zijn bestemd, en de Commissie kan deze gelden niet gebruiken om hen voor andere functies te bezoldigen, hetgeen het geval zou zijn indien een ambtenaar van de wetenschappelijke en technische groepen bij een delegatie in een derde land werd tewerkgesteld; 2. het besluit tot invoering van het roulatiesysteem is een interne maatregel ter verbetering van de werking van bepaalde diensten van de Commissie, en de Commissie kan, indien zij dit wenselijk acht, de toepassing ervan tot uit de huishoudelijke begroting bezoldigde ambtenaren beperken; 3. krachtens het roulatiesysteem worden ambtenaren mét hun begrotingspost naar een delegatie of bureau in een derde land overgeplaatst en in beginsel vervangen door een ambtenaar die uit het buitenland terugkeert. De betrokken vacature was ontstaan doordat de ambtenaar die destijds de post bezette, voortijdig naar Brussel werd teruggeroepen; de details van die zaak zijn te vinden in het feitenrelaas van het arrest van 21 augustus 1980 (zaak 174/80 R, Reichardt, Jurispr. 1980, blz. 2665). Laatstgenoemde ambtenaar was oorspronkelijk tewerkgesteld in DG XII en behoorde niet tot de wetenschappelijke en technische groepen; aangezien Geist een dergelijke ambtenaar dus niet kon vervangen, tenzij na een vergelijkend onderzoek (artikel 45, lid 2, Ambtenarenstatuut), mocht uitsluitend worden gesolliciteerd door degenen die ten laste van de huishoudelijke begroting werden bezoldigd.
Ter terechtzitting heeft de Commissie verklaard, dat in de kennisgevingen van vacatures in het kader van het roulatiesysteem niet langer wordt vermeld, dat de betrokken posten aan uit de huishoudelijke begroting bezoldigde ambtenaren zijn voorbehouden, doch de Commissie heeft blijkbaar niet beslist, of onder dit systeem andere ambtenaren kunnen worden tewerkgesteld. Misschien zal in de toekomst een soepeler standpunt worden ingenomen, hoewel de kwestie nog niet principieel schijnt opgelost. Thans wordt elk afzonderlijk geval in concreto bezien.
Ofschoon het besluit van 23 juli 1975 de roulatie niet uitdrukkelijk tot uit de huishoudelijke begroting bezoldigde ambtenaren beperkt, wordt daaruit wel duidelijk, dat er geen sprake is van een algemeen recht tot deelneming aan het roulatiesysteem; de mogelijkheid tot deelneming hangt af van de roulatielijst die elk jaar door de Commissie op voorstel van het met personeelszaken belaste lid van de Commissie en met instemming van de betrokken leden moet worden vastgesteld. Zowel het aantal posten als de categorieën voor tewerkstelling in aanmerking komende ambtenaren kunnen worden beperkt. Dit wordt mijns inziens door het ingevoerde roulatiesysteem beoogd en komt mij als zodanig niet als onwettige discriminatie voor.
Zoals het Hof in het arrest van 17 december 1981 (zaak 791/79, Demont, Jurispr. 1981, blz. 3105) — onder verwijzing naar het arrest van 24 februari 1981 (gevoegde zaken 161 en 162/80, Carbognani en Coda Zabetta, Jurispr. 1981, blz. 543) — heeft verklaard, „vallen [de algemene bepalingen betreffende het roulatiesysteem] onder de aan iedere instelling toekomende algemene bevoegdheid om haar eigen diensten te organiseren met het oog op de goede werking daarvan ... [De] instellingen [zijn] vrij bij de organisatie van hun diensten van de hun toevertrouwde taken uit te gaan en met het oog daarop het te hunner beschikking staande personeel tewerk te stellen. Zo gezien is met de door de Commissie bij haar [besluit] van 23 juli 1975 ... vastgestelde algemene bepalingen inzake het roulatiesysteem voor in derde landen werkende ambtenaren geen star kader van voorschriften ontstaan, maar een systeem waarvan de toepassing in het belang van de goede werking van de dienst en in het belang van de ambtenaar eventueel kan worden aangepast aan de behoeften van het concrete geval” (r.o. 8).
In casu was de vacature niet ontstaan in het kader van de algemene periodieke roulatie van in derde landen tewerkgestelde ambtenaren: de Commissie moest een vervanger vinden voor één ambtenaar die voortijdig naar Brussel was teruggeroepen. In beginsel worden in het roulatiesysteem ambtenaren die bij een delegatie of een bureau in een derde land worden tewerkgesteld, in het directoraatgeneraal waarvan zij afkomstig zijn, vervangen door een ambtenaar die uit een derde land terugkeert. De uit Washington terugkerende ambtenaar was voordien tewerkgesteld in DG XII en bezoldigd uit de huishoudelijke begroting. Aangezien hij normaliter mét zijn post moest overgaan naar het DG waaruit zijn vervanger afkomstig was, was het mijns inziens objectief gerechtvaardigd en in overeenstemming met de bepalingen van het besluit van 23 juli 1975, dat de Commissie kandidaten voor de post te Washington uitsluitend zocht onder degenen wier bezoldiging ten laste van de huishoudelijke begroting kwam. In casu was de gekozen kandidaat eveneens in DG XII tewerkgesteld en deed zijn vervanging door de uit Washington terugkerende ambtenaar blijkbaar geen moeilijkheden rijzen. Men kan niet stellen, dat de gekozen kandidaat niet aan de in de kennisgeving van vacature gestelde vereisten voldeed.
Om deze redenen was de kennisgeving van vacature niet onwettig en moet de vordering tot nietigverklaring van latere, tijdens de benoemingsprocedure genomen besluiten worden afgewezen. Mijns inziens behoeft niet te worden ingegaan op de meer algemene vraag, of ambtenaren wier bezoldiging ten laste van de begroting voor onderzoek en investeringen komt, onder het roulatiesysteem al dan niet wettig bij een delegatie of bureau in een derde land kunnen worden tewerkgesteld.
Voorts wordt aangevoerd, dat het in de brief van 14 juli vervatte besluit tot afwijzing van de sollicitatie van Geist moet worden nietigverklaard op grond dat 1. de ambtenaar die het heeft ondertekend, niet bevoegd was om een dergelijk besluit te nemen en 2. het besluit niet is gemotiveerd.
Zoals het Hof in het arrest van 26 november 1981 (zaak 195/80, Michel, Jurispr. 1981, blz. 2861) en in eerdere arresten heeft verklaard, moet een besluit dat iemand bezwaart, met redenen worden omkleed, teneinde het Hof in staat te stellen toezicht uit te oefenen op de wettigheid ervan, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om te kunnen vaststellen of het gegrond is dan wel door rechtsdwaling is aangetast. Deze redenen moeten worden gegeven op het ogenblik waarop het besluit wordt genomen, en moeten niet eerst tijdens de procedure voor het Hof aan het licht komen.
De brief van mevrouw Lambert was geen besluit. Mijns inziens strekte hij tot mededeling van een besluit dat los stond van het besluit van 18 juli 1980 tot benoeming van Lafontaine. Geist werd niet afgewezen omdat Lafontaine als de meest geschikte kandidaat was gekozen. De sollicitatie van Geist werd als zodanig niet aanvaard, omdat hij niet uit de huishoudelijke begroting werk bezoldigd en bijgevolg niet voor de post in aanmerking kwam. Mijns inziens had die brief zulks zowel ingevolge het Ambtenarenstatuut als uit een oogpunt van behoorlijk bestuur in eenvoudige bewoordingen moeten vermelden.
Het staat evenwel ook vast, dat Geist uit het sollicitatieformulier kon opmaken dat hij niet in aanmerking kwam, en wij moeten aannemen dat hij dit ook wist. Gelet op de in de kennisgeving van vacature vermelde vereisten, moest zijn sollicitatie wel worden afgewezen. Mijns inziens dient het aan de brief van mevrouw Lambert ontleende argument te worden verworpen, hetzij op grond dat „verzoeker geen rechtmatig belang kan hebben bij de nietigverklaring” (arrest van 29. 9. 1976, zaak 9/76, Morello, Jurispr. 1976, blz. 1415, blz. 1422), hetzij omdat het geen wijs beleid zou zijn het besluit wegens gebrek aan motivering nietig te verklaren, nu slechts één uitslag mogelijk was en zulks ook bekend was. Het lijkt mij verkieslijker het beroep op deze basis te verwerpen, dan op grond dat in casu feitelijk aan de motiveringsverplichting was voldaan ingevolge het beginsel uit het arrest in de zaak Démont (r.o. 12 en 13), waar deze verplichting feitelijk was nagekomen.
In repliek kwam Geist met een nieuwe vordering, inhoudende dat het besluit van 23 juli 1975 tot invoering van het roulatiesysteem moet worden nietigverklaard. Daartoe beriep hij zich op twee argumenten: 1. het besluit is niet openbaar gemaakt of ter kennis van het personeel gebracht; 2. het is niet vastgesteld overeenkomstig artikel 110 Ambtenarenstatuut.
Verweerster betoogt dat deze suppletoire vordering niet-ontvankelijk is. Artikel 42, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt: „Nieuwe middelen mogen in de loop van het geding niet worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de schriftelijke behandeling is gebleken.” In het arrest van 1 april 1982 (zaak 11/81, Dürbeck, Jurispr. 1982, blz. 1251) heeft het Hof overwogen: „Een nieuw feit kan het voordragen van een nieuw middel in de loop van het geding alleen rechtvaardigen, wanneer het zich op het tijdstip waarop het beroep werd ingesteld, nog niet voordeed of de verzoeker niet bekend was” (r.o. 17). Het betrokken besluit was ten tijde van de opstelling van het verzoekschrift bekend, aangezien in het verzoekschrift ernaar wordt verwezen, zodat de eventuele onwettigheid ervan op dat ogenblik bekend kon zijn en had kunnen worden aangevoerd. De enige omstandigheid, rechtens of feitelijk, die Geist aanvoert ter rechtvaardiging van de voordracht van een nieuw middel, is dat een afschrift van het besluit bij het verweerschrift van de Commissie was gevoegd. Mijns inziens is dit onvoldoende, aangezien de feiten van stond af aan bekend waren.
Er bestaat een zekere tendens om artikel 42, paragraaf 2, niet strikt toe te passen, althans voor zover de wederpartij behoorlijk gelegenheid is geboden, op de aangevoerde punten te antwoorden (zie b.v. conclusie van advocaatgeneraal Capotorti in zaak 112/78, Kobor, Jurispr. 1979, blz. 1581). In casu heeft de Commissie zich in haar memorie van dupliek en ter terechtzitting naar behoren kunnen verweren. Bovendien is in de rechtspraak van het Hof erkend, dat het Hof bepaalde proceduregebreken ambtshalve moet opwerpen (zie arresten van 21. 12. 1954, zaak 2/54, Italië t. Hoge Autoriteit, Jurispr. 1954/55, blz. 79, blz. 107, en 21. 3. 1955, zaak 6/54, Nederland t. Hoge Autoriteit, ibid., blz. 215, blz. 237, betreffende de verplichting om vóór de vaststelling van een handeling tot bepaalde raadplegingen over te gaan), in welk geval artikel 42, paragraaf 2, niet aan de beoordeling daarvan in de weg kan staan (zie b.v. het arrest van 30. 9. 1982, zaak 110/81, Roquette, Jurispr. 1982, blz. 3159). Mijns inziens moet deze vordering dan ook ontvankelijk worden geacht.
In het arrest-Demont (r.o. 8) heeft het Hof erop gewezen, dat de algemene bepalingen betreffende het roulatiesysteem niet onder artikel 110 vallen en interne organisatiemaatregelen van de Commissie zijn. Dit volstaat naar mijn mening om beide argumenten ten gronde van de hand te wijzen.
Gesteld al dat de Commissie met de invoering van het roulatiesysteem een besluit heeft genomen en dit besluit nietig werd verklaard, zou Geist daar volgens mij geen baat bij hebben. Door het besluit nietig te verklaren zou het roulatiesysteem worden opgeheven. Zelfs in dat geval zou de Commissie mijns inziens wettig kunnen beslissen, de oorspronkelijk te Washington tewerkgestelde ambtenaar door een andere uit de huishoudelijke begroting bezoldigde ambtenaar te vervangen, en zou zij de overplaatsing van een uit de begroting voor onderzoek en investeringen bezoldigde ambtenaar kunnen weigeren, in het belang van een goede organisatie van haar diensten. In wezen is juist dit onder het geldende roulatiesysteem geschied. De weigering tot overplaatsing van een uit de begroting voor onderzoek en investeringen bezoldigde ambtenaar berust niet op een uitdrukkelijk of stilzwijgend in het roulatiesysteem vervatte voorwaarde, doch op de vrijheid van de Commissie om in het kader van dit systeem alle feiten in aanmerking te nemen.
Mitsdien concludeer ik tot verwerping van het beroep met verwijzing van elke partij in haar eigen kosten overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering.
( 1 ) Vertaald uit het Engeis