CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL

SIR GORDON SLYNN

VAN 15 OKTOBER 1981 ( 1 )

Mijnheer de President,

mijne beren Rechters,

Deze zaak betreft twee vorderingen van een ambtenaar van de Commissie, Bernard Fournier. De eerste strekt tot schadevergoeding voor de wijze waarop hij gedurende zijn loopbaan is behandeld. Daarnaast vraagt hij te verklaren voor recht, dat zijn vanaf 1 september 1964 of in elk geval sedert 1 september 1965, met de Commissie gesloten contracten in wezen contracten van tijdelijk functionaris zijn en dus in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van zijn pensioen- en dienstjaren in de zin van artikel 77, lid 1, van het Statuut.

Het feitenrelaas is lang en ingewikkeld, maar voor het doel van deze conclusie kan het worden samengevat als volgt. Bij zijn eerste aanstelling werd Fournier door de toenmalige EEG-Commissie tewerkgesteld als hulpfunctionaris bij Directoraat-generaal I (Buitenlandse betrekkingen) voor een periode van zes maanden ingaande op 1 september 1964. Zijn contract werd voor nog eens zes maanden verlengd tot 31 augustus 1965. Kennelijk meende de Commissie toen dat zijn aanstelling als hulpfunctionaris na die datum niet kon worden verlengd, aangezien volgens artikel 52 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (RAP) zijn aanstelling niet langer dan een jaar kon duren tenzij ter vervanging van een ambtenaar of tijdelijk functionaris die tijdelijk niet in staat was zijn werkzaamheden te verrichten. Dit schijnt niet het geval te zijn geweest. Niettemin vroeg DG I verzoekers contract voor een derde periode te verlengen, en wel tot 28 februari 1966, kennelijk omdat de werkzaamheden waarvoor Fournier oorspronkelijk was aangesteld, nog niet waren voltooid. Na enig intern overleg werd zijn contract verlengd tot 30 september 1965, terwijl de besprekingen over zijn hernieuwde aanstelling voortgingen. Ten slotte besloot de Commissie verzoekers contract te verlengen tot 31 december 1965 en later nog eens tot 28 februari 1966. Op 11 januari 1966 deelde de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer onder dankzegging voor de verleende diensten aan Fournier mee, dat zijn contract na 28 februari niet meer zou worden verlengd.

In feite schijnt Fournier zijn werk bij DG I eind december 1965 te hebben voltooid. DG I en DG III (Interne markt) kwamen toen overeen, dat verzoeker per 1 januari 1966 naar laatstgenoemd directoraat-generaal zou overgaan om daar voorbereidend werk te doen voor een conferentie die de Commissie voor juni had georganiseerd. Na een desbetreffend verzoek van DG III werd Fourniers contract van hulpfunctionaris verlengd tot 31 maart 1966 en daarna nog zes maal tot 31 december 1968. Rond die tijd schijnt de Commissie te hebben besloten de contracten van alle hulpfunctionarissen te beëindigen en hen opnieuw aan te stellen als tijdelijk functionaris, teneinde hun de kans te bieden als ambtenaar te worden aangeworven (zie zaak 18/69, Fournier, Jurispr. 1970, blz. 249, 253). Dienvolgens werd Fournier, „in afwachting van een besluit over (zijn) aanstelling als ambtenaar”, een contract aangeboden van tijdelijk functionaris, bij DG II (Economische en financiële zaken) voor een tijdvak van drie maanden ingaande op 1 januari 1969. Dit contract werd telkens weer voor zes maanden verlengd, laatstelijk tot 31 december 1971. Toen werd hem een contract van hulpfunctionaris bij DG VIII (Ontwikkelingshulp) aangeboden. Oorspronkelijk gold dit contract voor drie maanden, maar het werd meermaals verlengd, laatstelijk tot eind 1972. Op 21 februari 1973 besloot de Commissie hem opnieuw aan te stellen als tijdelijk functionaris voor vier maanden ingaande op 1 januari 1973. Fournier zou daarvan op 9 maart kennis hebben gekregen. Op die datum werd hij aangesteld als ambtenaar op proef, en uiteindelijk per 1 april 1974 benoemd in vaste dienst.

Op 30 maart 1979 diende Fournier een formeel verzoek in overeenkomstig artikel 90, lid 1, van het Statuut, strekkende tot vergoeding van de schade die hij had geleden door het onrechtmatige gedrag van de Commissie, in wezen bestaande in de maatregelen die de Commissie in het tijdvak van 1 september 1965 tot 31 maart 1974 ter zake van zijn aanstelling had genomen of verzuimd had te nemen. De geleden schade en de gevorderde bedragen zijn dezelfde als die welke in het verzoekschrift in de onderhavige zaak zijn opgevoerd. Naast de geldbedragen vorderde Fournier ook een herberekening van zijn pensioenrechten. De reden hiervan is dat artikel 40 van de RAP wel bepaalt dat bij de berekening van het aantal pensioenjaren van een ambtenaar de diensttijd als tijdelijk functionaris in aanmerking moet worden genomen doch dat een overeenkomstige bepaling voor de als hulpfunctionaris volbrachte diensttijd niet schijnt te bestaan. Fournier stelt dat hij gedurende de betrokken periode ten onrechte als hulpfunctionaris is beschouwd. Het verzoek werd op 1 augustus afgewezen. Tegen deze afwijzing diende Fournier een klacht in op 25 oktober, dus binnen de statutaire termijn van drie maanden. De Commissie liet na binnen vier maanden te antwoorden, en op 28 maart 1980 stelde Fournier beroep in bij het Hof. Bij brief van 22 mei 1980 verwierp de Commissie de klacht expressis verbis, maar ofschoon zij Fourniers verzoek om schadevergoeding afwees, stemde zij ermee in zijn contracten van hulpfunctionaris vanaf 31 december 1965 te beschouwen als gesloten met een tijdelijk functionaris, op grond dat hij vaste taken had vervuld en geen tijdelijke, zoals hulpfunctionarissen stricto sensu. Dienvolgens diende Fourniers gehele loopbaan vanaf die datum in aanmerking te worden genomen bij de berekening van zijn pensioenjaren.

De Commissie betwist de gegrondheid van de vorderingen maar stelt dat de schadeactie in elk geval niet ontvankelijk is. Tussen partijen is overeengekomen dat het Hof in de huidige stand van het geding uitspraak zal doen over 1) de gegrondheid van de vordering ter zake van de pensioenrechten en 2) de ontvankelijkheid van de schadeactie. Indien deze laatste ontvankelijk wordt verklaard, zal de schriftelijke en mondelinge behandeling worden heropend, zo zijn partijen overeengekomen.

Fourniers vordering dat het tijdvak vóór 31 december 1965 wordt beschouwd als te zijn vervuld als tijdelijk functionaris, is gebaseerd op zaak 17/78 (Deshormes, Jurispr. 1979, blz. 189), waarin werd geoordeeld dat de kwalificatie van een diensttijd afhangt van de uitgeoefende taken en van de omstandigheden waaronder deze werden uitgeoefend, veeleer dan van de formele aard van het aanwervingscontract. Luidens het arrest „schuilt het kenmerk van deze overeenkomst (van hulpfunctionaris) in de onzekere tijdsduur, daar zij slechts kan worden gebruikt voor een kortstondige vervanging of om voorbijgaande, dringend noodzakelijke of niet duidelijk omschreven administratieve taken te vervullen... Het kenmerkende onderscheid tussen hulpfunctionaris en tijdelijk functionaris ligt in het feit dat de tijdelijke functionaris een in de lijst van het aantal ambten opgenomen vast ambt bekleed, terwijl de hulpfunctionaris — behalve wanneer hij ad interim optreedt — een administratieve werkzaamheid uitoefent zonder te zijn tewerkgesteld in een op deze lijst vermeld ambt” (blz. 201 en 202). Verzoekster in die zaak had 18 jaar lang dezelfde taken uitgeoefend en die taken kwamen overeen met de definitie van een ambt dat is opgenomen in de lijst van het aantal ambten, gevoegd bij de afdeling van de begroting die op de Commissie betrekking heeft. Het Hof besliste dan ook dat zij moest worden beschouwd als iemand die de facto als tijdelijk functionaris was aangesteld.

Uit deze zaak leidt Fournier af, dat wanneer de vervulde taken vaste welomschreven taken in Europese overheidsdienst zijn, de dienstperiode is vervuld als tijdelijk functionaris en niet als hulpfunctionaris. Hierbij wordt evenwel buiten beschouwing gelaten (althans wordt onvoldoende gewicht toegekend aan) een vereiste dat mijns inziens in de zaak-Deshormes een belangrijke rol speelt, namelijk dat er een „ambt” moet zijn. Het volstaat niet dat gelijksoortige taken vaak, of zelfs altijd, door anderen als hulpfunctionaris worden vervuld. Anders zouden alle hulpfunctionarissen kunnen stellen tijdelijke functionarissen te zijn. De juiste toetssteen is mijns inziens of er een ambt bestaat met dezelfde taken als door de hulpfunctionaris worden vervuld. Dit is het bewijs dat de taken van de hulpfunctionaris in feite vaste, welomschreven taken zijn in het kader van de Europese overheidsdienst.

Er is weinig bekend over de taken waarmee Fournier na 1 september 1964 was belast, en omdat het zo lang is geleden heeft de Commissie geen opheldering kunnen verschaffen. Fournier evenwel hecht zeer veel belang aan een nota die een andere ambtenaar van de Commissie in 1972 schreef aan de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer, ter ondersteuning van Fourniers demarches om als ambtenaar te worden aangesteld. Blijkens documenten uit de tijd werd Fournier tezamen met vijf anderen aangesteld als hulpfunctionaris van de categorie A en tewerkgesteld bij DG I in het Directoraat Algemene handelspolitiek, dat door personeelsgebrek niet in staat was de opdrachten waarmee het in 1964 was belast, uit te voeren. In zijn aanwervingscontract werd Fourniers functie omschreven als die van wetenschappelijk medewerker. Blijkens een brief van de directeur-generaal van DG I van 22 juli 1965 werd hij aanvankelijk aangesteld „voor een belangrijke studie”, die blijkbaar verband hield met onderzoek naar de buitenlandse handel van de Gemeenschap.

Uit een nota van Fournier zelf, gedateerd 9 juli 1965, blijkt dat hij in de herfst van 1964 heeft gewerkt aan een verslag over de buitenlandse handel van de Gemeenschap tussen 1958 en 1963, en aan een ander verslag over de handel in het derde kwartaal van 1964. Het jaar daarop werkte hij aan de paragraaf over de buitenlandse handel in 1964 in het Achtste algemeen verslag over de werkzaamheden van de Gemeenschappen en aan een verslag over de handel in het vierde kwartaal van 1964. Dit wordt tot op zekere hoogte bevestigd door de nota waarop hij zich nu beroept, gedateerd 30 mei 1972 en blijkbaar geschreven door een afdelingshoofd van het toenmalige DG XI (Buitenlandse handel), waarin wordt verklaard dat hij het eerste verslag schreef over de buitenlandse handel van de Gemeenschap (alsmede een herziene versie voor het daaropvolgende jaar), kwartaalverslagen over de gemeenschapshandel en een onderzoekprogramma over de buitenlandse handel van de Gemeenschap. Fournier schijnt ook DG I te hebben vertegenwoordigd in een groep van deskundigen die was belast met het opstellen van prognoses op middellange termijn. Merken wij op dat deze nota lijkt te steunen op een onderzoek dat de schrijver ervan had ingesteld, en op door derden verstrekte inlichtingen. De schrijver schijnt geen persoonlijke of directe kennis te hebben gehad van de feiten die, zoals hij aanduidt, plaatsvonden voor hij ten tonele verscheen.

Fournier heeft erop gewezen dat de verslagen die hij opstelde of hielp opstellen, met regelmatige tussenpozen verschenen. Men dient evenwel te bewijzen dat Fournier in elk opzicht deed wat een tijdelijk functionaris zou doen. Wezenlijk daartoe is dat zijn taken overeenkomen met die van een welomschreven ambt. Het zou stellig voldoende zijn indien kon worden aangetoond dat Fourniers werkzaamheden na zijn vertrek bij DG I werden toegewezen aan een bestaand of nieuw ambt. Er is evenwel geen enkele aanwijzing, dat zijn taken, in zoverre die kunnen worden aangesteld, ooit onder de omschrijving vielen van een welbepaald ambt bij de Commissie. Veeleer schijnen zij te hebben behoord tot de algemene taak van het directoraat waarbij hij was tewerkgesteld. Het feit dat hij bij DG I was tewerkgesteld om te helpen bij het toegenomen werkvolume in 1964, en dat hij werd overgeplaatst zodra het werk was voltooid, doet voorts onderstellen dat zijn werkzaamheid voorzag in een dringende, maar voorbijgaande behoefte en dat er dus niet van vaste taken kan worden gesproken. Het feit dat hem op 22 juli 1965 werd meegedeeld dat zijn aanstelling na 28 februari 1966 niet kon worden verlengd en dat hij het werk waarmee hij bezig was, moest afmaken, deed het ad-hoc-karakter van zijn taak nog sterker uitkomen.

Er is gezegd dat het besluit van de Commissie om het tijdvak na 31 december 1965 te beschouwen als in wezen vervuld als tijdelijk functionaris, noodzakelijk impliceert dat het eraan voorafgaande tijdvak evenzo moet worden beschouwd. De concessie van de Commissie lijkt te zijn gebaseerd op een vuistregel die zij op grond van het arrest-Deshormes toepaste en die erop neerkomt dat, bij gebreke van nauwkeurige gegevens betreffende de feitelijk vervulde functies, wordt aangenomen dat de betrokkene daadwerkelijk hulpfunctionaris was, tenminste gedurende het eerste jaar van zijn tewerkstelling, maar dat hij het daarna enkel formeel was. In casu ging de Commissie er vanuit dat alles erop wees dat Fournier, toen hij bij DG I was tewerkgesteld, in wezen de functies van een hulpfunctionaris had vervuld. Anderzijds was er zo weinig bekend van zijn taken na zijn overgang naar DG III op 1 januari 1966, dat in zijn voordeel werd aangenomen dat hij de facto tijdelijk functionaris was geweest. Of deze concessie nu terecht is of niet, gelet op de beschikbare gegevens lijkt het in elk geval niet juist, ze uit te breiden tot de periode vóór 31 december 1965. Fourniers bewering dat hij vóór en na die datum dezelfde functies heeft vervuld, lijkt evenwel niet juist te zijn. In de eerste plaats was hij niet bij hetzelfde directoraat-generaal tewerkgesteld en in de tweede plaats was hij oorspronkelijk bij DG III aangesteld om te helpen bij de voorbereiding van een conferentie.

De redenen waarom een hulpfunctionaris geen pensioenrechten kan verwerven, zijn duidelijk. De uitsluiting van de jaren als hulpfunctionaris leidt echter tot een minder aantrekkelijk resultaat wanneer de hulpfunctionaris later als ambtenaar met pensioenrechten wordt aangesteld en zijn gehele loopbaan bij dezelfde werkgever doormaakt. In casu dunkt mij, dat de Commissie alleszins billijk en misschien zelfs royaal is geweest door de periode na 31 december 1965 voor het pensioen in aanmerking te nemen. Op grond van het arrest-Deshormes had zij het recht het tijdvak tot die datum uit te sluiten.

Deze vordering moet mijns inziens dan ook worden afgewezen.

In zijn verzoekschrift stelt Fournier dat de Commissie in zes opzichten onrechtmatig heeft gehandeld: (1) zijn loopbaan bij de Commissie was precair en onzeker; (2) zijn indeling als hulpfunctionaris en als tijdelijk functionaris; (3) zijn indeling als ambtenaar; (4) de verlenging van zijn tewerkstelling als hulpfunctionaris was onwettig en onrechtmatig; (5) kwellingen, intimidaties en het feit dat hij sinds zijn benoeming in vaste dienst met onbelangrijk werk is belast; (6) de Commissie heeft waarschuwingen met betrekking tot zijn gezondheid genegeerd. En er zijn eveneens zes schadeposten: (1) slechte gezondheid; (2) psychische belasting wegens de slechte gezondheid van zijn gezin; (3) psychische belasting wegens het ontbreken van een normale loopbaan; (4) inkomstenderving, vermindering van pensioenrechten en uitblijven van promotie; (5) aanstelling in vaste dienst in rang A 6 in plaats van in rang A 4; (6) psychische belasting wegens de ndergeschikte aard van de hem opgedragen werkzaamheden.

De Commissie stelt dat de gehele schadevordering niet ontvankelijk is, op grond dat Fournier door middel van een schadeactie tracht te verkrijgen wat hem is geweigerd bij zijn beroep tot nietigverklaring in 1969, of wat hij had kunnen trachten te verkrijgen door andere, tijdig ingestelde beroepen tot nietigverklaring van handelingen van de Commissie. De Commissie verwijst hierbij naar zaak 18/69 (Fournier, Jurispr. 1970, blz. 249), betreffende een beroep tot nietigverklaring van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn verzoek om aanstelling als ambtenaar in vaste dienst in de rang A 4 in plaats van zijn toenmalige aanstelling als tijdelijk functionaris in de rang Β 1. Fournier vorderde toen een verklaring voor recht, dat hij in de rang A 4 moest worden aangesteld. Zijn beroep werd niet ontvankelijk verklaard, aangezien hij verlangde dat de Commissie zou afwijken van de in het Statuut omschreven vormvoorschriften en voorwaarden. Op 4 december 1972 diende hij overeenkomstig artikel 90, lid 1, van het Statuut een verzoek in om te worden aangesteld in een met zijn kwalificaties overeenstemmend ambt. De Commissie schijnt op dit verzoek niet te hebben geantwoord, maar Fournier diende geen klacht in tegen afwijzing ervan. Bovendien baseert de Commissie zich op de beschikking in de zaken 114-117/79 (Fournier, Jurispr. 1980, blz. 1529), waarin Fourniers echtgenote en kinderen stelden persoonlijk schade te hebben geleden door het onrechtmatig handelen van de Commissie jegens Fournier. Het Hof verklaarde deze beroepen niet ontvankelijk. Gesteld werd dat zij strekten „tot vergoeding van schade die zou zijn veroorzaakt door het gedrag van een instelling met betrekking tot het verloop van de loopbaan van een van haar ambtenaren of personeelsleden, zulks terwijl deze zelf gebruik heeft kunnen maken van de krachtens het Verdrag geboden mogelijkheden tot betwisting van besluiten van de betrokken instelling, die tot doel of gevolg zouden hebben dat hij op onregelmatige aanstellingsvoorwaarden in dienst wordt genomen of gehouden, en om in voorkomend geval deswege een beroep te doen op het Hof” (blz. 1531).

Krachtens artikel 179 EEG-Verdrag is het Hof van Justitie bevoegd, uitspraak te doen in elk geschil tussen de Gemeenschap en haar personeelsleden, binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgesteld in het Statuut of voortvloeiende uit de regeling welke voor hen toepasselijk is. In zaak 9/75 (Meyer-Burckhardt, Jurispr. 1975, blz. 1171, 1181) overwoog het Hof dat een dergelijk geschil „dat voortkomt uit de dienstbetrekking tussen een ambtenaar en de instelling... binnen het kader van artikel 179 van het Verdrag en de artikelen 90 en 91 van het Statuut ligt, en met name op het punt van de ontvankelijkheid buiten het toepassingsgebied van zowel de artikelen 178 en 215 van het Verdrag als artikel 43 van's Hofs EEG-Statuut valt” (vgl. zaak 11/72, Giordano, Jurispr. 1973, blz. 417).

Ofschoon — gelijk het arrest-Meyer-Burckhardt zelf uiteenzet — de te volgen procedures beide in de artikelen 90 en 91 van het Statuut zijn aangegeven, zijn er twee onderscheiden beroepsmogelijkheden: een beroep tot nietigverklaring van een onwettig besluit en een beroep tot schadevergoeding. De verzoeker kan de eerste of de tweede, dan wel beide kiezen, zolang hij zich na de afwijzing van zijn klacht maar aan de gestelde termijnen houdt.

Een „vordering tot schadevergoeding is een zelfstandige beroepsweg... Zij strekt niet tot ongedaanmaking van een bepaald besluit, maar tot vergoeding van de schade die door een instelling in de uitoefening van haar functie werd veroorzaakt... Het beroep kan slechts gegrond zijn, wanneer komt vast te staan dat verweerster aansprakelijk is uit hoofde van een dienstfout waardoor verzoeker een thans nog bestaande schade heeft geleden.” Schadevergoeding kan zelfs worden toegekend indien het financiële gevolg daarvan hetzelfde zou zijn als dat van nietigverklaring van de handeling (zaak 79/71, Heinemann, Jurispr. 1972, blz. 579, 589-590).

Ofschoon het om twee verschillende beroepswegen gaat, kunnen er zich omstandigheden voordoen waarin het recht om schadevergoeding te vorderen, vervalt doordat is nagelaten beroep tot nietigverklaring van een onwettige handeling in te stellen of wanneer een dergelijk beroep is afgewezen. In zaak 4/67 (Muller, Jurispr, 1967, blz. 455) bij voorbeeld had de verzoekster een tardief beroep ingesteld tot nietigverklaring van de benoeming van een andere ambtenaar, terwijl zij daarnaast bij wege van schadevergoeding het salaris vorderde dat zij niet had ontvangen als gevolg van het feit dat zijzelf op de betrokken post was benoemd. Het Hof besliste dat de niet-ontvankelijkheid van de eerste vordering de niet-ontvankelijkheid van de tweede meebracht. De beslissing lijkt gebaseerd te zijn op de gedachte dat het beweerd verlies in werkelijkheid was veroorzaakt door het verzuim om tijdig een beroep tot nietigverklaring in te stellen. „Dat verzoekster deze schade had kunnen vermijden door die handelingen tijdig te bestrijden; dat... zij zulks naliet te doen; dat zij onder de gegeven omstandigheden dit verzuim niet kon herstellen en zich in zekere zin via een vordering tot schadevergoeding een nieuwe beroepstermijn trachtte te verschaffen” (Jurispr. 1977, blz. 455, 466).

In zaak 59/65 (Schreckenberg, Jurispr. 1966, blz. 779, 791-792) overwoog het Hof „dat wanneer aan een partij een op aansprakelijkheid gebaseerde actie openstaat zonder dat enige wetsbepaling haar ertoe dwingt alsdan tevens nietigverklaring van de schadeveroorzakende onrechtmatige handeling te vorderen, zulks niet wil zeggen, dat zij langs deze weg een niet-ontvankelijkverklaring in een op die onrechtmatigheid gebaseerde vordering van dezelfde geldelijke strekking kan ontgaan”. Dezelfde benadering zien wij bij voorbeeld in de zaken 15/73 e. a. (Schots-Kortner e. a., Jurispr. 1974, blz. 177) en zaak 33/80 (Albini, arrest van 16 juli 1981, Jurispr. 1981).

In de gevoegde zaken 4 en 30/74 (Scuppa, Jurispr. 1975, blz. 919, 939) betoogde de advocaat-generaal Trabucchi, dat „de niet-ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring van de beweerdelijk schadeveroorzakende handeling mijns inziens niet op zichzelf de ontvankelijkheid van het verzoek tot schadevergoeding kan aantasten”. Hij meende dat ook indien een beroep tot nietigverklaring niet ontvankelijk was, een schadeactie mogelijk was wanneer deze niet louter een middel vormde om zich te onttrekken aan een termijn die een beroep tot nietigverklaring verhinderde, of wanneer niet kon worden gesteld dat de handeling geen schade had veroorzaakt, of wanneer inderdaad kon worden gesteld dat de schadevordering autonoom was. In zaak 153/79 (Bowden e. a., arrest van 14 mei 1981, Jurispr. 1981), was advocaat-generaal Capotorti van mening dat, zo twee vorderingen nauw samenhangen, de verzoeker niet via een schadevordering de voorschriften mag omzeilen die een beroep tot nietigverklaring uitsluiten.

Deze zaak en andere, zoals de zaken 53/70 (Vinck, Jurispr. 1971, blz. 601),126/75 e.a. (Giry, Jurispr. 1977, blz. 1937), 23/69 (Fiehn, Jurispr. 1970, blz. 547; waarin werd gesteld dat de schadevordering niet was gebaseerd op de ontwettigheid van het in het beroep tot nietigverklaring bestreden besluit, ofschoon zij hetzelfde financiële gevolg kon hebben), lijken de volgende conclusies te wettigen: a) een schadevordering kan geen alternatief zijn voor een niet ontvankelijk beroep tot nietigverklaring; b) uit de afwijzing van een beroep tot nietigverklaring kan blijken dat de schade niet voortvloeit uit de bestreden handelingen, maar enkel uit het verzuim tijdig beroep tot nietigverklaring in te stellen; c) een schadevordering kan op zichzelf staan en er kunnen andere aspecten een rol spelen dan die welke in het beroep tot nietigverklaring in het geding waren, ook indien de feiten waarop de twee acties zijn gebaseerd, dezelfde zijn; d) een schadevordering kan worden ingesteld onafhankelijk van het beroep tot nietigverklaring.

Passen wij deze beginselen toe op de onderhavige zaak, dan zijn, zo komt het mij in de huidige stand van het geding voor, de tweede, derde en vierde vordering niet ontvankelijk, in zoverre het daarbij enkel gaat om vergoeding wegens handelingen van de Commissie, die eerder voor nietigverklaring hadden moeten worden voorgedragen (of om vorderingen die al in 1969 zijn afgewezen). Anders ligt het met de overige vorderingen (en mogelijkerwijs ook met zaken die onder de tweede, derde en vierde vordering zouden kunnen vallen). Deze doen de op zichzelf staande vraag rijzen of de Commissie door de wijze waarop zij Fournier gedurende zijn loopbaan heeft behandeld, is tekortgeschoten in haar verplichtingen en hem daardoor schade heeft veroorzaakt. Daarbij gaat het niet enkel om de vraag of een bepaalde aanstelling of het uitblijven van een aanstelling onwettig was, en de gestelde schade is een andere dan die welke zou voortvloeien uit een specifieke onwettige handeling.

Mitsdien concludeer ik als volgt:

(1)

Zonder stelling te kiezen met betrekking tot de vraag of Foumiers vorderingen uiteindelijk gegrond zijn en of hij zijn schade had kunnen beperken, ben ik van mening dat de vorderingen binnen de door mij gestelde grenzen niet niet ontvankelijk moeten worden verklaard. Mijns inziens moet de schriftelijke behandeling worden heropend om partijen in staat te stellen desgewenst nadere opmerkingen te maken over de schadevorderingen, voor zover deze ontvankelijk zijn. Inzonderheid zal Fournier nadere bijzonderheden moeten verstrekken over de gestelde schade en over de wijze waarop hij de door hem gevorderde bedragen heeft berekend.

(2)

De vordering dat het tijdvak van 1 september 1964 tot 31 december 1965 worde beschouwd als een tijdvak van tewerkstelling in een andere hoedanigheid dan die van hulpfunctionaris, moet niet ontvankelijk worden verklaard.


( 1 ) Vertaald uil het Engels.