CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 23 JANUARI 1980 ( 1 )
Mijnheer de president,
mijne heren rechters,
Deze zaak is 1er prejudiciële beslissing aan het Hof voorgelegd door de Pretore te Bra in Piëmont. Wanneer men de verwijzingsbeschikking leest, clan lijkt liet hoofdzakelijk te gaan om vragen van een vertrouwd soort, betreffende de uitlegging van artikel 95 EEG-Verclrag en de verhouding tussen dal artikel en de artikelen 92 en 93 van het Verdrag. Naar mijn mening evenwel rijzen er enkele prealabele vragen van meer algemeen belang met betrekking tot de strekking van artikel 177 EEG-Verdrag.
De feiten zijn de volgende.
Op 1 februari 1979 bestelde mevrouw M. Novello, woonachtig te Magliano Alfieri in Italie, bij de heer P. Foglia, een wijnhandelaar te Santa Vittoria d'Alba, eveneens in Italie, een aantal kisten Italiaanse wijn die als geschenk moesten worden verzonden aan mevrouw A. Cerutti te Menton in Frankrijk. Het ging om verschillende soorten wijn, die echter alle vielen onder de omschrijving van „likeurwijn” in punt 12 van bijlage II bij verordening (EEG) nr. 337/79 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt. Grofweg gezegd zijn likeurwijnen in de Gemeenschap voortgebrachte wijnsoorten met een hoog alcoholgehalte. De overeenkomst tussen Novello en Foglia bevatte de uitdrukkelijke clausule dat de koopster niet kon worden aangesproken voor rechten die door de Franse of Italiaanse autoriteiten „in strijd met het vrije verkeer van goederen tussen beide landen of anderszins ten onrechte” zouden worden geheven. Foglia belastte het vervoerbedrijf Danzas SpA (hierna „Danzas”) met de verzending van de wijn. De overeenkomst tussen Foglia en Danzas bevatte een clausule over onverschuldigde heffingen van dezelfde strekking als die in de overeenkomst tussen Foglia en Novello. Danzas leverde de wijn af bij Cerutti en zond op 31 maart 1979 een rekening voor vervoer en andere kosten naar Foglia. Op de factuur stond een bedrag van 148300 lire voor belastingen die Danzas bij de invoer van de wijn in Frankrijk had moeten betalen. Foglia betaalde het gehele gefactureerde bedrag en stelde op 7 april voor de Pretore een vordering in tegen M. Novello strekkende tot terugbetaling van dat bedrag. Novello betaalde Foglio zonder dralen de gevraagde som, verminderd met het bedrag van 148300 lire, dat volgens haar op onwettige wijze door de Franse douane was geïnd en dat zij derhalve krachtens de uitdrukkelijke bepaling in haar contract niet verschuldigd was. Daarop verzocht Foglia de Pretore, Danzas in het geding te roepen, want, zo stelde hij, ofwel was de Franse belasting wettig en dan diende Novello ze te betalen, ofwel was de heffing onwettig en dan moest ze ten laste van Danzas komen; doch in geen geval diende hij zelf de kosten te dragen. De Pretore wees het verzoek echter af en verwees bij beschikking van 6 juni 1979 de zaak naar het Hof van Justitie.
Zoals uit de verwijzingsbeschikking blijkt, achtte de Pretore de vraag of de Franse belasting bij invoer van de wijn verenigbaar was met het gemeenschapsrecht van beslissend belang voor zijn uitspraak. Met name was hij van mening dat zijn beslissing of hij Danzas al dan niet in het geding zou roepen, afhing van het antwoord op die vraag.
De Pretore overwoog dat de betrokken Franse belasting geen gelijke werking als douanerechten had. Zij werd niet geheven uit hoofde van de invoer, maar krachtens een ingewikkeld stelsel van interne belastingen, dat zowel op ingevoerde als op buitenlandse produkten van toepassing is.
Gebleken is dat de Franse wetgeving drie categorieën likeurwijn onderscheidt.
De eerste categorie is die van de „vins doux naturels”. Deze worden (althans werden op het betrokken tijdstip) belast met een accijns van FF 22,50 per hl wijn en met cen „droit de consommation” (verbruiksbelasting) van FF I 790 per hl toegevoegde alcohol. De „vins doux naturels” worden omschreven in artikel 406 van de „Code Général des Impôts”. Zij moeten bereid zijn uit welbepaalde wijnstokrassen die derwijze worden geteeld dat de mostopbrengst niet meer dan 40 hl per hectare bedraagt. Het alcoholgehalte moet ten minste 14 graden bedragen; de bijgemengde alcohol moet tenminste 90 graden sterk zijn en de hoeveelheid mag niet minder dan 5 % en niet meer dan 10 % van de hoeveelheid most bedragen. Tenslotte moet eenieder die zijn wijn in de categorie „vins doux naturels” ingedeeld wenst te zien, de ligging en het kadastrale nummer vermelden van de wijngaard waar de druiven zijn geoogst. Het staat vast dat op dit ogenblik uitsluitend in Frankrijk geproduceerde wijn als „vin doux naturel” kan worden erkend. De Franse regering heeft evenwel laten weten dat zij — sinds lange tijd al — bereid is te onderhandelen over regelingen waarbij wijn uit andere Lid-Staten, en met name uit Italië, als zodanig kan worden erkend. Volgens de Commissie behoort nagenoeg alle likeurwijn die in Frankrijk wordt geproduceerd, tot de categorie „vins doux naturels”. Uit de cijfers die de gemachtigde van de Franse regering ter terechtzitting heeft voorgelezen, kan worden afgeleid dat dit tenminste voor het merendeel van de in Frankrijk geproduceerde likeurwijn geldt.
De tweede categorie is die van de „vins de liqueur à appellation d'origine contrôlée”. Krachtens bilaterale conventies die Frankrijk met Portugal, respectievelijk Griekenland heeft gesloten, worden port, madeira en Samos met deze categorie gelijkgesteld. Op deze wijnen wordt een „droit de consommation” geheven van FF 4270 per hl alcohol, ongeacht of de alcohol door natuurlijke gisting van de wijn is verkregen dan wel is toegevoegd.
Ofschoon de opmerkingen van partijen (ook die van de Commissie en van de Franse regering) op dit punt niet altijd even duidelijk waren, schijnen behalve port, madeira en Samos, alleen Franse wijnen (vooral Pineau des Charentes) in deze categorie te vallen. De derde categorie is een restgroep, die alle andere likeurwijnen omvat, met name die welke uit Italië in Frankrijk worden ingevoerd. Zij worden niet alleen belast met het „droit de consommation” van FF 4270 per hl alcohol, maar ook met een „droit de fabrication” (een produktiebelasting) van FF 710 per hl alcohol. Waarschijnlijk zijn het deze belastingen die de Franse douane heeft toegepast op het geschenk van Novello aan Ccrutti.
De vragen die de Pretore aan het Hof heeft voorgelegd, luiden als volgt:
|
„1. |
Moet de belasting die in Frankrijk wordt geheven op uit andere Lid-Staten van de EEG ingevoerde kwa-liteits- en andere likeurwijnen, al dan niet met benaming van oorsprong — zoals de belasting op uit de landen ingevoerde zoete wijnen met een van nature hoog alcoholgehalte, al dan niet met benaming van oorsprong, gelet op de bepalingen van het EEG-Verdrag en de uitvoeringsbesluiten daarvan; worden beschouwd als een ernstige discriminatie in de zin van artikel 95 van het Verdrag, zulks op grond dat
|
|
2. |
Kunnen dergelijke belastingverlagingen eventueel onder artikel 92 van het Verdrag worden gebracht en zo ja, binnen welke grenzen en onder welke voorwaarden? |
|
3. |
Dient een belasting die in strijd is met het gemeenschapsrecht, ipso facto als onwettig te worden beschouwd, en levert bijgevolg de heffing van de extra belasting op ingevoerde produkten een onverschuldigde heffing en dus een onverschuldigde betaling op? |
|
4. |
Kan deze onwettigheid in de gehele Gemeenschap, voor de nationale rechters van alle Lid-Staten worden ingeroepen, ook in een geding tussen particulieren? |
|
5. |
Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord, welke gevolgen heeft dan het ontbreken van een machtiging krachtens artikel 92 van het Verdrag, voor degenen die door die hogere belasting zijn getroffen?” |
Het lijkt mij logisch te beginnen met de vierde vraag van de Pretore.
Het is begrijpelijk dat de Pretore niet erg gelukkig is met een situatie waarin hij moet, althans meent te moeten, oordelen over de verenigbaarheid van wettelijke regelingen van een andere Lid-Staat met het gemeenschapsrecht, zeker als men voor ogen houdt dat die Lid-Staat op geen enkele wijze in het geding vertegenwoordigd is.
Men moet evenwel bedenken dat van alle rechterlijke instanties in alle Lid-Staten wordt verlangd dat zij het gemeenschapsrecht handhaven wanneer dit in bij hen aanhangige zaken van toepassing is. Als in een geschil tussen particuliere personen dat bij een rechtbank van een Lid-Staat aanhangig gemaakt wordt, de beslissing afhangt van de vraag of wetten van een andere Lid-Staat verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, dan moet de rechter over die vraag beslissen. Hij mag deze vraag niet uit de weg gaan op grond van de enkele omstandigheid dat de geldigheid van de wetten van een andere Lid-Staat betwist wordt. Zijn oordeel zal evenwel slechts voor partijen in het geding kracht van gewijsde hebben en de Lid-Staat welks wetten werden aangevochten, niet binden. Evenmin vermag het, als precedent of op grond van enig ander rechtspraakbeginsel, andere rechterlijke instanties in de Gemeenschap te binden.
Zou de Pretore zijn ingegaan in het onderhavige geval op Foglia's verzoek om Danzas in het geding te roepen, en zou Danzas dan hebben betoogd dat de bedoelde Franse belasting wettig was, dan was de vraag betreffende de wettigheid ervan onontkoombaar geweest en had de rechter daarover moeten beslissen. In die omstandigheden zou het passend geweest zijn dat de rechter, als hij dat nodig had geoordeeld, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vragen had voorgelegd aan het Hof, ofschoon zijn uitspraak slechts voor Foglia, Novello en Danzas bindend zou zijn geweest.
Wat mij in deze zaak dwars zit, is dat etin feite tussen de partijen in het bij de Pretore aanhangige geding, namelijk Foglia en Novello, geen geschil bestaat over enig punt van gemeenschapsrecht. Beiden betogen dat de betrokken Franse belasting daarmee in strijd is. Novello neemt dat standpunt in omdat dat klaarblijkelijk in haar belang is. De houding van Foglia is ons in zijn schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting door zijn raadsman duidelijk gemaakt. In wezen, zo zegt hij, is zijn positie in het geding voor de Pretore die van een neutrale partij: ofwel Novello, ofwel Danzas moet het bedrag van 148300 lire betalen, en hijzelf behoeft er in geen geval voor op te komen (hoewel hij voor het moment de rekening heeft betaald). Als Italiaans wijnhandelaar heeft Foglia er natuurlijk in een ruimer kader belang bij te stellen dat de Franse belasting onwettig is, en voor het Hof heeft hij deze stelling krachtig verdedigd.
In deze omstandigheden is het mijns inziens de vraag, of de verwijzingsbeschikking wel ontvankelijk is.
Krachtens artikel 177 EEG-Verdrag is het Hof van Justitie bevoegd bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over vragen betreffende het gemeenschapsrecht, „indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der Lid-Staten.” Het Hof is derhalve niet bevoegd een prejudiciële uitspraak te doen in een zaak waar de procedure voor de nationale rechter geen vraag ten aanzien van het gemeenschapsrecht doet rijzen.
Weliswaar wordt in artikel 177, tweede alinea, verder nog bepaald dat de betrokken rechterlijke instantie de zaak naar het Hof van Justitie kan verwijzen „indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis”, maar deze woorden mogen niet zo worden uitgelegd, dat zij de nationale rechterlijke instanties een onbeperkte bevoegdheid toekennen om zaken naar het Hof te verwijzen, want die bevoegdheid wordt geclausuleerd door de aanhef van de bepaling: „Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen...”. Bovendien moet de tweede alinea gelezen worden in samenhang met de derde, waarbij aan een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, de verplichting wordt opgelegd zicht tot het Hof te wenden „indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen in een zaak aanhangig (bij deze rechterlijke instantie)”. Het is duidelijk dat de tweede en de derde alinea als parallelle bepalingen moeten worden gezien, waarin enerzijds aan lagere rechterlijke instanties de bevoegdheid wordt verleend, en anderzijds aan eindrechters de verplichting wordt opgelegd zich tot het Hof te wenden uitsluitend wanneer een vraag van gemeenschapsrecht wordt opgeworpen. Een bruikbaar criterium voor de toelaatbaarheid van een verwijzing krachtens de tweede alinea lijkt mij trouwens, of de zaak, indien zij voor een rechter in hoogste ressort aanhangig was geweest, naar het Hof had moeten worden verwezen.
Vanzelfsprekend hoeft de vraag niet te worden opgeworpen door partijen in het bij de nationale rechter aanhangige geding. De rechter kan de vraag ook ambtshalve opwerpen. Maar zeker in burgerlijke zaken, waarvan uitsluitend de belangen van partijen de inzet vormen, moet het naar mijn mening gaan om een vraag waarover, als zij eenmaal is opgeworpen, partijen het oneens zijn. Anders is zij binnen het raam van het geding in werkelijkheid helemaal geen vraag. Ik zei: „waarvan uitsluitend de belangen van partijen de inzet vormen”, want wanneer van de rechter een uitspraak over een zakelijk recht wordt gevraagd of een aangelegenheid van openbare orde in het geding is, gelden andere overwegingen.
Het Hof heeft artikel 177 altijd zo uitgelegd, dat in het algemeen de nationale rechterlijke instantie heeft te oordelen over de relevantie van de te verwijzen vragen. Dit is stellig een heilzame opvatting en ik vraag het Hot niet ze op te geven. Maar liet is slechts een algemene regel, geen absolute. In de recente zaak 22/79 (Greenwich Film Production, nog niet gepubliceerd) heb ik een aantal voorwaarden genoemd die eraan moeten verbonden worden. Ik hoef niet te herhalen wat ik toen heb betoogd. Er is mij alleszins geen enkel geval bekend waarin het Hof heeft overwogen dat een vraag mocht worden verwezen in weerwil van het feit dat partijen in het voor de nationale rechter aanhangige geding het over het antwoord eens waren, terwijl uitsluitend partijen belang hadden bij een antwoord op de vraag.
Een van de redenen waarom ik van mening ben dat het Hof zich niet met een dergelijke zaak behoort in te laten, is dat zij voor de nationale rechter niet naar behoren zal zijn uiteengezet en dat ook de discussie voor dit Hof niet adequaat zal kunnen zijn. Hierbij verlies ik niet uit het oog dat in de onderhavige zaak bij het Hof gelukkigerwijze zowel schriftelijke als mondelinge opmerkingen zijn ingediend door de Franse regering. Maar de procedure die het de regeringen van de Lid-Staten mogelijk maakt opmerkingen in te dienen in krachtens artikel 177 naar het Hof verwezen zaken, heeft niet de bedoeling een Lid-Staat de rol op te dringen van enige of belangrijkste partij aan de ene of de andere zijde in een geding; het zou hoogst ongelukkig zijn om die procedure als een geschikt middel daartoe te gebruiken. Er kunnen zich vanzelfsprekend gevallen voordoen waarin een Lid-Staat toevallig in een dergelijke situatie terecht komt, maar het betaamt niet dat hij opzettelijk daarin wordt gebracht.
Het vraagstuk van de verenigbaarheid van een wettelijk voorschrift of administratieve praktijk van een Lid-Staat met het gemeenschapsrecht kan in hoofdzaak op twee wijzen aan het Hof van Justitie worden voorgelegd. De eerste is de procedure die krachtens artikel 169 EEG-Verdrag door de Commissie kan worden ingeleid; de tweede is de verwijzing krachtens artikel 177 door een rechterlijke instantie van de betrokken Lid-Staat van vragen gerezen in een hoofdgeding waarin de bevoegde instantie van die Lid-Staat partij is. In beide procedures geniet de betrokken Lid-Staat bepaalde waarborgen, waarop hij als interveniënt in een door een rechterlijke instantie van een andere Lid-Staat naar het Hof verwezen zaak, geen beroep kan doen. In de eerste plaats wordt het geding gevoerd in een taal waarmee zijn ambtenaren en advocaten vertrouwd zijn. Ten tweede zal de Lid-Staat normaliter gelegenheid hebben gehad de zaak voor te bereiden en zijn standpunt (met alle bewijzen die hij dienstig acht) voor de Commissie of voor de nationale rechter uiteen te zetten, vooraleer de zaak bij het Hof van Justitie aanhangig gemaakt wordt.
Als mijn eerder uiteengezette zienswijze juist is, dat het af en toe kan voorkomen dat een rechterlijke instantie van een Lid-Staat, ter beslissing van een bij haar aanhangige zaak, een oordeel moet vellen over de verenigbaarheid van een wet van een andere Lid-Staat met het gemeenschapsrecht, en dat het in zulk geval passend is dat de rechter een vraag of vragen voorlegt aan het Hof van Justitie, dan moet men aannemen dat laatstbedoelde Lid-Staat in zulk geval de genoemde waarborgen niet geniet. Maar indien er tussen partijen in het hoofdgeding een echt geschil bestaat, dient men naar mijn mening om twee redenen met dit ontbreken van waarborgen vrede te nemen: in de eerste plaats om een nog ernstiger rechtsweigering ten aanzien van partijen in het hoofdgeding te voorkomen, en ten tweede omdat de betrokken Lid-Staat dan normaliter niet de enige of belangrijkste partij aan één zijde in het geding behoeft te zijn, maar aan de zijde van één der partijen kan optreden. De mogelijkheid bestaat natuurlijk dat die partij nalaat voor het Hof te verschijnen of zijn zaak slecht verdedigt. Maar dat is dan een gevolg van onvermijdelijke onvolkomenheden van de gerechtelijke procedure, en niet van een oneigenlijk gebruik daarvan.
In de zaken die de Commissie in dit verband heeft aangehaald, namelijk zaak 22/76 (Import Gadgets, Jurispr. 1976, blz. 1371) en zaak 52/77 (Cayrol, Jurispr. 1977, blz. 2261) was er geen enkele reden om aan te nemen dat tussen partijen geen echt geschil bestond.
Zaak 244/78, Union Laitière Normande, arrest van 12 juli 1979 (nog niet gepubliceerd), lijkt mij al meer een grensgeval, want het geschil gíng daar tussen een moedermaatschappij en haar dochteronderneming, en het lijkt erop dat de laatste niet erg van zich af heeft gebeten. De vraag naar de ontvankelijkheid van de verwijzingsbeschikking schijnt niet aan de orde te zijn gesteld. Toch blijkt uit het arrest dat het Hof de zaak zeer omzichtig heeft benaderd; het heeft slechts één van de door de nationale rechter gestelde vragen beantwoord, ervan uitgaande dat dit antwoord zou volstaan om het de nationale rechter mogelijk te maken in de zaak uitspraak te doen. In het onderhavige geval daarentegen wordt de vraag naar de ontvankelijkheid wel opgeworpen — zij het onrechtstreeks — door de vierde vraag van de Pretore.
Er bestaat een reeks arresten van het Hof die onverzoenbaar lijken met mijn standpunt of met sommige onderdelen daarvan. Deze reeks begint met zaak 33/70 (SACE, Jurispr. 1970, blz. 1213), vervolgt met zaak 18/71 (Eunomia, Jurispr. 1971, blz. 811), zaak 43/71 (Politi, ibid. blz. 1039), zaak 2/73 (Geddo, Jurispr. 1973, blz. 865), zaak 162/73 (Birra Dreher, Jurispr. 1974, blz. 201) en eindigt met zaak 70/77 (Simmenthal, Jurispr. 1978, blz. 1453).
Al deze zaken hebben gemeen, dat zij ter prejudiciële beslissing naar het Hof werden verwezen door Italiaanse rechterlijke instanties en dat de verwijzingsbeschikking telkens zonder tegenspraak was gewezen (blijkbaar krachtens artikel 633 e.v. van de Codice di procedura civile). De wederpartij werd met andere woorden níet door de Italiaanse rechter gehoord vóór de beschikking tot verwijzing.
Toch beschouwde het Hof in elk van die gevallen — impliciet of uitdrukkelijk — de verwijzingsbeschikking als ontvankelijk. In de zaak-Simmenthal merkt het evenwel op, dat het „in het belang van een goede rechtsbedeling kan zijn, niet tot verwijzing over te gaan dan na de wederpartij te hebben gehoord.”
Ik moet bekennen dat ik deze rechtspraak niet erg bevredigend vind, hoewel ik ze zelf in de zaak-Simmenthal als conform met het recht heb aanvaard.
In de eerste twee genoemde zaken is de vraag naar de ontvankelijkheid kennelijk niet aan de orde geweest. In de zaak-SACE roert advocaatgeneraal Roemer in zijn conclusie (blz. 1226) het probleem heel even aan, waar hij de Italiaanse dwangbcvelprocedure vergelijkt met het verzoek om voorlopige voorzieningen naar Duits recht, waarom het ging in zaak 29/69 (Stander, Jurispr. 1969, blz. 419). In het arrest gaat het Hof echter niet op het probleem in. In de zaak-Eunomia blijft het probleem volstrekt onaangeroerd, zowel in de conclusie van de advocaatgeneraal als in het arrest, al heeft het Hof, zoals advocaatgeneraal Dutheillet de Lamothe in zijn conclusie in de derde zaak, de zaak-Politi, aanstipte, er blijkbaar rekening mee gehouden in de rechtsoverweging betreffende de kosten (een dermate duister punt, dat het bij de vertaling van het arrest aan de aandacht van de Engelse vertaaldienst ontsnapte). In de zaak-Politi beschouwde advocaatgeneraal Dutheillet de Lamothe, op de uitermate zwakke basis van de twee voorafgaande arresten, het probleem als opgelost (zie Jurispr. 1971, blz. 1053-1054) en het Hof volgde hem daarin (ibid. blz. 1047-1048). In de zaak-Geddo kwam advocaatgeneraal Trabucchi nog eens terug op het vraagstuk (zie Jurispr. 1973, blz. 892-893), maar het Hof besteedde er in het arrest geen aandacht aan. Vervolgens kwam de zaak-Birra Dreher, waarin advocaatgeneraal Mayras loyaal tot de conclusie kwam dat de vraag al in eerdere arresten een oplossing had gekregen; hij verwees daarbij naar het arrest-Politi en naar de conclusie van advocaatgeneraal Trabucchi in de zaak-Geddo (zie Jurispr. 1974, blz. 220-221). Het Hof volgde hem in die opvatting. Tenslotte lavam de zaak-Simmenthal, waarin ik weliswaar niet stoutmoedig genoeg was om, zoals ik wellicht had moeten doen, te zeggen dat de rechtspraak onbevredigend was en nieuwe overweging behoefde, maar er toch met verwijzing naar zaak 52/76 (Benedetti, Jurispr. 1977, blz. 163) de aandacht op vestigde dat de door de Italiaanse rechterlijke instanties niet op tegenspraak gegeven verwijzingsbeschikkingen in het raam van artikel 177 EEG-Verdrag volgens de jurisprudentie van het Hof wel geldig, maar niet per se wenselijk waren (zie Jurispr. 1978, blz. 1484). Het Hof nam die opvatting ovelin de eerder door mij geciteerde overweging.
Een niet op tegenspraak gegeven verwijzingsbeschikking heeft tot gevolg dat de verweerder de mogelijkheid wordt ontzegd voor de nationale rechterlijke instantie zijn standpunt uiteen te zetten vooraleer de zaak wordt verwezen, en bovendien dat de nationale rechter vóór de verwijzing niet kan uitmaken of er in werkelijkheid tussen partijen wel een geschil over een punt van gemeenschapsrecht bestaat. In zoverre sluit de opvatting die ik thans verdedig, niet aan bij de rechtspraak. Maar er moet op worden gewezen dat in elk van de genoemde zaken, afgezien van de zaak-Eunomia, bij de behandeling voor het Hof duidelijk is gebleken dat tussen partijen wel degelijk een geschil over een punt van gemeenschapsrecht bestond en dat er een echte verweerder was (meestal aangeduid als de Italiaanse regering) die zijn standpunt voor het Hof verdedigde. In de zaak-Eunomia werd het vraagstuk eenvoudig niet behandeld. Bovendien stond in geen enkel van de aangehaalde gevallen het recht van een andere Lid-Staat dan Italië ter discussie.
Een andere lastige zaak is de al eerder vermelde zaak-Benedetti. In dat geval was er een procedure op tegenspraak voor een Italiaanse pretore, maar tussen partijen bestond er kennelijk geen echt geschil. Het werkelijke geschil was tussen hen en de AIMA, een Italiaanse overheidsinstelling. De Pretore besliste dat de AIMA in het geding zou worden geroepen, maar nog vóór de AIMA gehoord was, verwees hij de zaak naar het Hof van Justitie. In feite gaf hij dusdoende een verwijzingsbeschikking vooraleer uit te maken of er tussen partijen een geschil bestond over een punt van gemeenschapsrecht. De AIMA was voor het Hof niet vertegenwoordigd, maar haar belangen werden behartigd door de Italiaanse regering. Uit het arrest blijkt duidelijk dat het Hof deze gang van zaken onbevredigend achtte. Evenals later in de zaak-Union Laitière Normande, zag het Hof ervan af alle vragen van de verwijzingsbeschikking te beantwoorden. Alles tezamen lijkt de zaak-Benedetti mij met betrekking tot dit vraagstuk geen duidelijke stellingname in de ene noch in de andere zin.
Mij dunkt daarom dat het Hof alles welbeschouwd niet van enige eerdere uitspraak zou afwijken wanneer het zou beslissen dat het krachtens artikel 177 EEG-Verdrag niet bevoegd is een uitspraak te geven in zaken waarin tussen partijen geen geschil bestaat over een punt van gemeenschapsrecht en waarvan geen andere belangen dan die van partijen de inzet vormen; ik meen dat het Hof in deze zin moet beslissen.
Zo gezien, lijkt het mij niet juist in te gaan op de andere vragen die de Pretore aan het Hof heeft voorgelegd, en ik zie er dan ook van af ze te bespreken.
( 1 ) Vernaald uit het Engels.