CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER

VAN 3 MEI 1979 ( 1 )

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

U hebt zojuist de vragen en antwoorden gehoord van aan de ene kant rechter O'Keeffe en mijzelf en aan de andere kant de geleerde gemachtigde van de Commissie. Daarvóór hebt u zeer uitvoerige pleidooien beluisterd. Het lijkt mij weinig zinvol u te vragen de behandeling te verdagen om mij gelegenheid te geven mijn conclusie voor te bereiden.

Ik geloof dat de wijze waarop de zaak moet worden opgelost, door die laatste vragen en antwoorden volledig duidelijk is geworden. Gebleken is immers dat er geen enkele gemeenschapsbepaling bestaat die de douane-instanties verplicht of machtigt de monetaire compenserende bedragen in de drie verschillende gevallen die ik heb genoemd, aan te passen of niet aan te passen, dat wil zeggen, een extra monetair compenserend bedrag te heffen in een geval als het onderhavige — zoals de Commissie wil —, geen extra monetair compenserend bedrag te heffen in een geval van overmacht, en, bij invoer in een land met een gedevalueerde munt, geen aanvullend monetair compenserend bedrag toe te kennen.

Artikel 20 van verordening nr. 1259/72 en artikel 20 van verordening nr. 232/75 is ten deze volstrekt neutraal. Het bepaalt enkel dat de monetaire compenserende bedragen zullen worden vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,3.

Ik heb volledig begrip voor het betoog van de Commissie, dat wanneer het produkt niet is gebruikt overeenkomstig de in de verordeningen nrs. 1259/72 of 232/75 voorgeschreven bestemming, niet meer de uitzonderingsbepaling van artikel 20 van toepassing is, maar de algemene regel vervat in de verordeningen van de Commissie waarin de monetaire compenserende bedragen voor het betrokken tijdvak algemeen worden vastgesteld. Maar dit betoog bewijst te veel, want zou het juist zijn, dan zou in alle gevallen een aanpassing moeten plaatsvinden. Wellicht zouden de verordeningen van de Commissie moeten voorzien in een aanpassing in een geval als het onderhavige. Doch in werkelijkheid doen zij dat niet. Zij laten deze materie eenvoudig ongeregeld, en het Hof kan mijns inziens in die verordeningen geen bepalingen lezen die er niet in staan.

Ik zou derhalve willen concluderen dat op de eerste vraag die het Finanzgericht in beide zaken heeft gesteld, worde geantwoord dat artikel 20 van verordening nr. 1259/72, respectievelijk van verordening nr. 232/75, aldus moet worden uitgelegd, dat de verlaging van het monetaire compenserende bedrag enkel afhankelijk is van de voorwaarde dat het produkt is verkocht overeenkomstig de artikelen 1 tot 19 van de verordening, en dat het niet tevens noodzakelijk is dat het overeenkomstig de voorschriften van de verordening is gebruikt. Daarmee komt de tweede vraag niet meer aan de orde.


( 1 ) Vertaald uit het Engels.