CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 9 NOVEMBER 1978 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
De procedure waarin ik thans conclusie neem, betreft de toepassing van verordening nr. 19 van 4 april 1962 houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB 1962, blz. 933), en op grond daarvan vastgestelde regelingen, vooral verordening nr. 130 van de Raad houdende afwijking van artikel 17 van verordening nr. 19 met betrekking tot het van tevoren vaststellen van de heffing voor bepaalde produkten (PB 1962, blz. 2555), alsmede verordening nr. 87 van de Commissie van 25 juli 1962 houdende uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de invoer- en uitvoercertificaten voor graan en graanprodukten.
Ingevolge verordening nr. 19 werden wegens het verschillende prijsniveau in de Lid-Staten ook heffingen toegepast in het intracommunautaire handelsverkeer. Voor de invoer uit andere Lid-Staten was een invoercertificaat vereist, dat op aanvraag werd afgegeven en enige maanden geldig bleef. De hoogte van de heffing werd in beginsel bepaald door het bedrag dat op de dag van invoer gold. In afwijking hiervan was in verordening nr. 130 voor bepaalde produkten, waaronder gerst, een voorfixatie van de heffing voorzien. Werd om zo'n voorfixatie gevraagd, dan werd de heffing toegepast die gold op de dag van indiening van het verzoek. De afgegeven certificaten gaven niet alleen het recht te importeren, zij verplichtten ook daartoe. Ter verzekering van de naleving van deze verplichting moest de importeur een waarborg stellen die werd verbeurd wanneer de verplichting niet werd nagekomen. Ten deze bepaalt artikel 8 van verordening nr. 87 van de Commissie:
|
1. |
„Bij de beschouwing van de vraag of een waarborg geheel of gedeeltelijk is verbeurd, wordt rekening gehouden met de omstandigheden die grond opleveren voor het maken van een uitzondering. |
|
2. |
|
|
3. |
Indien de Lid-Staten op andere dan de in lid 2, sub a, genoemde gronden het bestaan van een uitzondering in de zin van lid 1 erkennen, brengen zij deze gronden onverwijld ter kennis van de Commissie.” |
Overeenkomstig deze bepalingen diende de firma Hirsch & Söhne, verweerster in het hoofdgeding, op 16 januari 1963 een aanvraag in voor een invoercertificaat voor brouwerijgerst uit Frankrijk. Op het aanvraagformulier was vermeld „levering uiterlijk in april 1963”; ook in de begeleidende brief was sprake van „levering uiterlijk in april 1963”. De rechtsvoorgangster van verzoekster in het hoofdgeding, de Einfuhr- und Vorratsstelle für Getreide und Futtermittel, gaf het aangevraagde certificaat op 17 januari 1963 af. Dit certificaat bevatte geen voorfixatie van de heffing; het was dus een zogenaamd dagcertificaat, waarbij de op de dag van invoer geldende heffing diende te worden toegepast.
Toen verweerster dit — pas later — ontdekte, richtte zij zich telefonisch en vervolgens op 8 februari 1963 ook schriftelijk tot verzoekster. Zij betoogde dat haar aanvraag betrekking had op een termijntransactie en dat het certificaat dienovereenkomstig moest worden aangevuld met de vermelding van het heffingbedrag dat gold op de dag van indiening van de aanvraag. Op 15 februari 1963 wees verzoekster dit verzoek af op grond dat in de aanvraag niet over een termijntransactie was gesproken. Verweerster nam hiermee geen genoegen en wendde zich op 20 februari, 4 maart en 19 maart nogmaals tot verzoekster. Zij verklaarde daarbij haar bezwaar tegen het certificaat te handhaven; om echter verzoekster tegemoet te komen stelde zij op 19 maart ook voor, voor het certificaat de tussen 1 en 11 februari geldende heffing toe te passen. Toen op 21 maart 1963 ook dit voorstel werd afgewezen, verklaarde verweerster in een nieuw verzoekschrift van 5 april 1963, dat zij, onder handhaving van haar bezwaar, tevens de nietigheid van haar eigen aanvraag van 16 januari 1963 inriep. Daartoe betoogde zij dat de bepalingen van het Bürgerliches Gesetzbuch (§ 119 e. v.) inzake het inroepen van de nietigheid („Anfechtung”) van wilsverklaringen wegens dwaling analogisch konden worden toegepast, en zij voerde aan dat zij steeds een termijntransactie en niet een dagcertificaat voor ogen had gehad. Tevens verklaarde zij het haar verstrekte certificaat in geen geval te zullen gebruiken, doch haar aanvraag voor een invoercertificaat met voorfixatie van de heffing (maand van invoer: april 1963) te handhaven.
Blijkbaar zijn de goederen in april 1963 inderdaad onder dekking van een nieuw invoercertificaat ingevoerd. Omdat het oorspronkelijk afgegeven certificaat echter niet was benut en de Einfuhr- und Vorratsstelle het beroep op dwaling — hetgeen de nietigheid van het oorspronkelijke certificaat zou hebben meegebracht — niet wilde aanvaarden, verklaarde zij de gestelde waarborg in juli 1963 verbeurd.
Hiertegen kwam de firma Hirsch in september 1963 allereerst in beroep bij het Verwaltungsgericht — overigens zonder succes, want het beroep werd in juli 1974 afgewezen — en vervolgens bij het Hessische Verwaltungsgerichtshof. Bij arrest van 15 maart 1976 stelde dit de firma Hirsch in hoofdzaak in het gelijk. Het achtte een inroeping van de nietigheid van een aanvraag van een certificaat wegens dwaling niet uitgesloten en wel mede op grond van overwegingen die verband houden met het stelsel en de eisen van de gemeenschappelijke ordening van de graanmarkt. Het huldigde de opvatting dat aan de voorwaarden voor een dergelijke inroeping was voldaan, daar de firma Hirsch had gedwaald aangaande de inhoud van de aanvraag, aangezien zij in werkelijkheid een termijncertificaat had willen vragen en dit enkel bij vergissing niet had gedaan. De verklaring van 5 april 1963, waarmee de nietigheid was ingeroepen, was ook tijdig afgelegd, namelijk onverwijld na kennisname van de gronden daarvoor. Door die inroeping was echter de ingediende aanvraag vervallen en dus ook — omdat de aanvraag voorwaarde is voor de afgifte van het certificaat — het certificaat zelf, alsmede de daarop gebaseerde verplichting tot invoer, waarvan de nakoming door de waarborg moest worden verzekerd.
Vervolgens kwam de zaak bij wege van beroep tot cassatie voor het Bundesverwaltungsgericht. De Bundesanstalt für landwirtschaftliche Marktordnung, de rechtsopvolgster van de Einfuhr- und Vorratsstelle, acht namelijk de rechtsopvatting van het Verwaltungsgerichtshof niet juist, omdat men ervan zou moeten uitgaan dat het gemeenschapsrecht een uitputtende regeling bevat voor het geval een invoercertificaat niet wordt gebruikt. Krachtens deze regeling zou het dan ook uitgesloten zijn dat na de afgifte van een certificaat de nietigheid van de aanvraag kan worden ingeroepen op grond van dwaling bij de indiening daarvan. Verweerster in cassatie daarentegen acht een dergelijke inroeping met betrekking tot de aanvraag en daarmee de vernietiging van het invoercertificaat wel mogelijk. Zij baseert zich in beginsel op het Duitse recht, omdat de uitvoering van het gemeenschapsrecht aan de nationale autoriteiten is overgelaten. Daartegen zou in geen geval als bezwaar kunnen worden aangevoerd dat daarmee de waarde van de — door de certificaten mogelijk gemaakte — prognoses over de warenbewegingen wordt verminderd, want een aanvraag van een dagcertificaat had ook vlak voor de dag van invoer kunnen worden ingediend, dat wil zeggen op een tijdstip waarop de nietigheid van de eerste aanvraag al lang was ingeroepen.
Het Bundesverwaltungsgericht kwam bij de beoordeling van het geval tot de conclusie dat het was gebonden aan de feitelijke constatering van het Verwaltungsgerichtshof, dat bij vergissing een dagcertificaat was aangevraagd en dat de nietigheid van deze aanvraag tijdig was ingeroepen. Daarnaast gaf het een uiteenzetting over het inroepen van nietigheid wegens dwaling in het Duitse administratieve recht, dat wil zeggen over de mogelijkheid bepalingen uit het burgerlijk recht analogisch op dit gebied toe te passen. Daarmee was het probleem nog niet volledig tot klaarheid gebracht en in elk geval viel er, vanwege de eisen van het publiekrecht, niet aan te ontkomen het recht om een beroep op nietigheid te doen, in te perken. Omdat het bovendien voor het Bundesverwaltungsgericht niet duidelijk was hoe het beroep op dwaling in het gemeenschapsrecht is geregeld, schorste het bij beschikking van 27 januari 1978 de procedure en verzocht het Hof van Jusititie krachtens artikel 177 EEG-Verdrag uitspraak te doen inzake de volgende vragen:
|
1. |
Dient de vraag of de nietigheid van een verzoek tot afgifte van een invoercertificaat als bedoeld in artikel 16, lid 1, eerste zin, van verordening 19/62/EEG, kan worden ingeroepen en welke gevolgen een dergelijke inroeping heeft, naar nationaal recht te worden beantwoord? |
|
2. |
Zo neen, kan dan volgens het gemeenschapsrecht de nietigheid van een dergelijk verzoek wegens dwaling worden ingeroepen, eventueel ook dan, wanneer de dwaling onverschoonbaar is? |
|
3. |
Zo ja, welke rechtsgevolgen heeft dan een dergelijke inroeping wat betreft de verbeurte van de waarborg, die de aanvrager ingevolge artikel 16, lid 2, tweede zin, van verordening 19/62/EEG moet stellen, om te garanderen dat de verplichting tot invoer tijdens de geldigheidsduur van het certificaat wordt nageleefd? |
Hierover wil ik het volgende opmerken.
|
1. |
Een punt van belang bij de beantwoording van de eerste vraag is dat de vernietiging van een certificaataanvraag bij wege van „Anfechtung” — resulterende in de vernietiging van het certificaat zelf en het verval of de opheffing van de verplichting tot invoer — betrekking heeft op het materiële recht inzake invoer. Door toepassing van nationaal recht toe te staan, zou men ongewenste verkeersverleggingen en mededingingsbeperkingen teweeg kunnen brengen daar niet uitgesloten is dat de nationale rechtsstelsels op dit punt verschillen. In een zo belangrijk onderdeel van het recht is dit onaanvaardbaar. Wij dienen er derhalve van uit te gaan dat een uniforme communautaire regeling noodzakelijk is; de vraag of de nietigheid van een certificaataanvraag op grond van dwaling kan worden ingeroepen, moet dus aan de hand van het gemeenschapsrecht worden beantwoord. Terecht is ten deze gewezen op de rechtspraak tot op heden, bijvoorbeeld het arrest van 28 mei 1974 (zaak 3/74, Pfützenreuther, Jurispr. 1974, blz. 589), volgens hetwelk de bepalingen betreffende invoercertificaten in de Lid-Staten eenvormig moeten worden uitgelegd en toegepast. Van belang is ook dat ingevolge het arrest van 18 februari 1970 (zaak 40/69, Bollmann, Jurispr. 1970, blz. 69) de Lid-Staten voor de toepassing van gemeenschapsverordeningen geen maatregelen mogen nemen waardoor de strekking van de gemeenschapsrechtelijke bepalingen wordt gewijzigd of daaraan bepalingen worden toegevoegd. Na hetgeen ik in het begin heb gezegd, zou het daarentegen onjuist zijn zich voor een afwijkende opvatting te beroepen op het arrest van 11 februari 1971 (zaak 39/70, Norddeutsches Vieh- und Fleischkontor GmbH, Jurispr. 1971, blz. 49), volgens hetwelk nationale vorm- en procedurevoorschriften voor de toepassing van het gemeenschapsrecht beslissend kunnen zijn. En evenmin kan voor zo'n andere opvatting een argument worden ontleend aan artikel 7, tweede alinea, van verordening nr. 87 van de Commissie, luidende: „Totdat overeenkomstig de procedure van artikel 26 van verordening nr. 19 van de Raad harmonisatie plaatsvindt, worden de voorschriften betreffende het stellen en het verbeuren alsmede het bedrag van de waarborg door de Lid-Staten vastgesteld …” Met betrekking tot deze bepaling heeft de Commissie overtuigend betoogd dat men bij deze regeling het oog had op nog geldige, niet gebruikte certificaten, doch dat het bij het inroepen van de nietigheid wegens dwaling gaat om een nietigheid ex tune van de invoercertificaten, waarvan de teruggave van de waarborg dus slechts een secundair gevolg is. Mitsdien moet met betrekking tot de eerste vraag worden geconstateerd dat het probleem of het mogelijk is de nietigheid van de aanvraag tot verlening van een invoercertificaat in te roepen, niet aan de hand van het nationale recht, doch alleen van het gemeenschapsrecht kan worden opgelost. |
|
2. |
Vervolgens wil ik onderzoeken of het inroepen van de nietigheid van een aanvraag om afgifte van een certificaat wegens dwaling, dat wil dus zeggen dat die aanvraag achteraf en met terugwerkende kracht ongedaan wordt gemaakt, inderdaad volgens EEG-recht mogelijk is.
|
|
3. |
De derde vraag, die ik thans nog moet bespreken, behoeft ons tenslotte evenmin veel tijd te kosten. Zij betreft de rechtsgevolgen welke de inroeping van nietigheid op grond van dwaling heeft voor de verbeurte van de waarborg die de aanvrager van een certificaat ingevolge het gemeenschapsrecht moet stellen. Ten deze kan men volstaan met de constatering dat bij een regelmatige en tijdige inroeping van nietigheid op grond van een relevante dwaling (of dit nu, al naar gelang het nationale recht, door een eenzijdige verklaring of door een vordering in rechte geschiedt) de aldus bestreden aanvraag wegvalt. Zonder een rechtsgeldige aanvraag is echter ook het op grond daarvan afgegeven certificaat nietig en daarmee vervalt ook de daarop berustende verplichting tot invoer. Omdat anderzijds het niet nakomen van de verplichting tot invoer een voorwaarde is voor de verbeurte van de waarborg, kan bij een regelmatige inroeping van de nietigheid van de aanvraag van een certificaat deze verbeurte niet plaatsvinden, zodat de gestelde waarborg moet worden vrijgegeven. |
|
4. |
De prejudiciële vragen van het Bundesverwaltungsgericht kunnen mitsdien worden beantwoord als volgt:
|
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
( 2 ) Naar Duits recht (§ 119 BGB) rechtens relevant (N.v.d.V.).