CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 14 DECEMBER 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoekster in het onderhavige geding werkt sinds januari 1961 bij de Pers- en informatiedienst van de Europese Gemeenschappen. De oorzaak van het geding is te zoeken in de aard van haar dienstbetrekking, die wel een bijzonder ongewoon beeld vertoont.
Aanvankelijk had verzoekster een overeenkomst als deskundige, die herhaaldelijk, de laatste maal tot 28 februari 1964, werd verlengd. Sinds 1 maart 1964 was zij werkzaam als hulpfunctionaris in de zin van artikel 3 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden. Ook deze overeenkomst werd herhaaldelijk vernieuwd, de laatste maal tot 31 december 1968. Met ingang van 1 januari 1969 volgde tewerkstelling als tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2 van de Regeling andere personeelsleden, aanvankelijk tot 31 december 1969 met vervolgens een verlenging tot 31 december 1971. Daarop volgde onmiddellijk weer een aanstelling als hulpfunctionaris, die — met verlenging — tot 30 november 1972 duurde. Van 1 december 1972 af was verzoekster krachtens een besluit van 7 februari 1973 ambtenaar op proef, waarna zij tenslotte ingevolge een besluit van 22 oktober 1973 met ingang van 1 september 1973 in vaste dienst werd benoemd.
In het onderhavige geding is het verzoekster, die verklaard heeft in wezen steeds dezelfde taken van een hoofdadministrateur te hebben verricht, hierom te doen, dat de periodes waarin zij als deskundige en als hulpfunctionaris werkzaam is geweest, in aanmerking worden genomen bij de berekening van het ouderdomspensioen voor ambtenaren, waarop zij op zekere dag aanspraak zal hebben, hoewel gedurende haar diensttijd als deskundige door de Gemeenschap geen bijdragen voor de sociale zekerheid zijn gestort en in de tijd waarin zij als hulpfunctionaris was tewerkgesteld, een verzekeringsverband met de Belgische sociale zekerheid bestond.
Op 21 juni 1976 diende zij een verzoek in bij het hoofd van de afdeling Individuele rechten en voorrechten en vroeg haar in staat te stellen voor de reeds vermelde periodes (1 januari 1961 tot 28 februari 1964; 1 maart 1964 tot 31 december 1968; 1 januari 1972 tot 30 november 1972) pensioenrechten in te kopen in de zin van artikel 11 van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren. Op 2 juli 1976 werd haar geantwoord dat het overschrijven van de bij de Belgische sociale zekerheid verworven rechten naar de Gemeenschap onmogelijk was wegens het ontbreken van een overeenkomst ter zake.
Dit bracht verzoekster ertoe zich op 13 augustus 1976 met een nieuw verzoek tot het hoofd van de afdeling Individuele rechten en voorrechten te wenden. Deze keer sprak zij niet van het inkopen van pensioenrechten, maar stelde dat de genoemde periodes voor de pensioenregeling met een diensttijd als ambtenaar of tijdelijk functionaris moesten worden gelijkgesteld. Dit zou in elk geval opgaan voor haar tweede periode als hulpfunctionaris, daar deze onmiddellijk aansloot bij de periode waarin zij als tijdelijk functionaris werkzaam was geweest en die ongetwijfeld in het kader van de pensioenregeling in aanmerking moest worden genomen. Bij brief van 14 september 1976 werd aan verzoekster geantwoord dat haar diensttijd als tijdelijk functionaris ingevolge artikel 3, sub c, van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut bij de berekening van het ouderdomspensioen wel in aanmerking kon worden genomen. Voor haar tweede periode als hulpfunctionaris kon echter van gelijkstelling met diensttijd vervuld in de hoedanigheid van ambtenaar, geen sprake zijn; daarvoor was enkel inkoop van pensioenrechten in de zin van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut denkbaar. Wat verzoeksters diensttijd als deskundige betrof, zou haar verzoek om inkoop van pensioenrechten nog worden onderzocht.
In een nieuw verzoek aan het hoofd van de afdeling Individuele rechten en voorrechten van 17 maart 1977, herhaalde verzoekster het standpunt dat zowel de diensttijd als deskundige als die vervuld als hulpfunctionaris, voor haar pensioenrecht met dienstperiodes als ambtenaar moesten worden gelijkgesteld, daar zij in die periodes onder dezelfde voorwaarden als ambtenaren had gewerkt. Bovendien moest men bedenken dat de dienst als hulpfunctionaris onderbroken was geweest door een periode waarin verzoekster als tijdelijk functionaris had gewerkt. Daarop deelde de directeur Personeelszaken haar bij nota van 30 juni 1977 mee dat het onmogelijk was bij het berekenen van de pensioenrechten de diensttijd als deskundige in aanmerking te nemen.
Vervolgens diende verzoekster op 20 juli 1977 overeenkomstig artikel 90 Ambtenarenstatuut een formele klacht in bij het tot aanstelling bevoegde gezag. Daarin kritiseerde zij het in de voornoemde nota opgenomen „besluit” en eiste opnieuw dat de periodes van haar tewerkstelling als deskundige en hulpfunctionaris voor de pensioenregeling zouden worden gelijkgesteld met dienstperiodes vervuld door ambtenaren of tijdelijke functionarissen. Deze klacht werd beantwoord in een door een lid van de Commissie ondertekend schrijven van 15 februari 1978. Hierin werd erop gewezen dat verzoekster voor de periodes waarin zij als hulpfunctionaris had gewerkt, pensioenrechten had tegenover de Belgische sociale zekerheid, waarvoor de Commissie bijdragen had gestort. De vraag met betrekking tot de diensttijd als deskundige moest in haar geheel op algemeen niveau worden onderzocht; zodra het resultaat bekend was, zou verzoekster daarvan op de hoogte worden gesteld.
Op 17 februari 1978 maakte verzoekster de zaak aanhangig bij het Hof van Justitie. Zij verzocht het Hof
|
— |
vast te stellen dat de tussen haar en de Commissie gesloten overeenkomsten die de periodes van 1 januari 1961 tot 31 december 1968 en van 1 januari 1972 tot en met 30 november 1972 betreffen, als overeenkomsten met een tijdelijk functionaris moeten worden beschouwd, |
|
— |
subsidiair, te verstaan dat deze periodes voor de berekening van het aantal pensioenjaren met een door een ambtenaar of althans een tijdelijk functionaris vervulde diensttijd moeten worden gelijkgesteld, |
|
— |
de Commissie te veroordelen, de genoemde periodes als pensioenjaren in aanmerking te nemen, en |
|
— |
het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van verzoeksters klacht van 20 juli 1977 nietig te verklaren. |
Tegenover deze conclusies neem ik het volgende standpunt in:
I — Ten aanzien van de ontvankelijkheid
De ontvankelijkheid van het beroep wordt door de Commissie uit verscheidene oogpunten in twijfel getrokken.
|
1. |
In de eerste plaats staat zij op het standpunt dat verzoekster er geen actueel belang bij heeft, vragen over haar toekomstige pensioenrechten te laten beantwoorden. Dergelijke rechten ontstaan pas bij de pensionering en hangen dus af van een onzekere toekomstige gebeurtenis; verder geldt daarvoor de voorwaarde dat er tenminste tien dienstjaren zijn vervuld (artikel 77 Ambtenarenstatuut). Desbetreffende verklaringen van de administratie hebben dus geen onmiddellijke rechtsgevolgen voor de huidige situatie van verzoekster. Ook moet ermee rekening worden gehouden dat het standpunt van de administratie kan veranderen en het Statuut op dit punt kan worden gewijzigd. Verzoekster heeft dus hoogstens een abstract belang bij de uitlegging van het Ambtenarenstatuut. Zou men dit als voldoende beschouwen, dan zou daarmee praktisch een „actio popularis” in het leven worden geroepen en loopt men in elk geval het risico dat alle mogelijke vorderingen worden ingesteld betreffende de toepassing van rechtsregels op nog niet bestaande situaties, die zich misschien ooit zullen voordoen. Kennelijk in navolging van de Franse rechtspraak, gaat de Commissie mijns inziens uit van een te enge interpretatie van het begrip „procesbelang” of „te beschermen belang”, dat zeker ook voor het ambtenarenrecht van de Europese Gemeenschappen van betekenis is, maar nergens nader wordt gepreciseerd. Tot nu toe is in de rechtspraak nog niet in een vergelijkbare casuspositie over de ontvankelijkheid van een beroep beslist. Uit de door de Commissie aangehaalde arresten van 9 juli 1970 (zaak 23/69, Fiehn, Jurispr. 1970, blz. 547) en 11 juli 1974 (zaak 5/74, Reinarz, Jurispr. 1974, blz. 819) kan in elk geval niet de stelling worden afgeleid, dat in een proces slechts naar de beantwoording van bepaalde vragen kan worden gestreefd wanneer de verzoeker reeds in een daaraan beantwoordende toestand, namelijk die van voormalig ambtenaar, verkeert. In casu gaat het om het probleem van de berekening van toekomstige pensioenrechten van een ambtenaar, die verschillend uitvalt naargelang bepaalde vroegere periodes in dienst van de Gemeenschap al dan niet in aanmerking worden genomen. Ongetwijfeld verwerft verzoekster gestadig dergelijke rechten, elke dag dat zij als ambtenaar van de Gemeenschappen werkzaam is. Ook al kan zij deze rechten pas later doen gelden, toch heeft zij mijns inziens ook nu reeds tenminste een aanspraak, waarvan het wezen zeker niet zonder meer mag worden aangetast, ook al kan de wetgever op detailpunten nog steeds wijziging aanbrengen. Dit levert mijns inziens voldoende grond op om aan te nemen dat verzoekster er belang bij heeft dat de met haar rechtspositie samenhangende problematiek thans wordt opgelost. Inderdaad lijkt het niet enkel volstrekt onbevredigend om — eventueel langdurige — discussies over de omvang van de pensioenrechten eerst op het tijdstip van de pensionering toe te laten en aldus te accepteren dat een begunstigde niet tijdig in het volle genot van zijn pensioen komt, of dat de oplossing van de daarmee samenhangende problemen — met name wanneer zij door nabestaanden moet worden gezocht — na verloop van een langere periode aanzienlijk wordt bemoeilijkt. Maar ook moet worden bedacht dat verzoekster, afhankelijk van de bereikte oplossing, wellicht andere maatregelen zal willen nemen, bij voorbeeld door een aanvullende ouderdomsverzekering te sluiten — en op het tijdstip van de pensionering is het daarvoor te laat — of door haar dienstbetrekking tijdig, dat wil zeggen vóór er tien jaar zijn verlopen, te beëindigen teneinde zich van een uitkering bij vertrek te verzekeren. Waar in het Statuut elke precisering van het begrip „te beschermen belang” ontbreekt, lijkt het mij niet gerechtvaardigd in dit verband slechts van een onaanzienlijk, onrechtstreeks belang te spreken. Daarbij komt dat andere rechtsstelsels dit begrip niet zo eng afbakenen als het Franse recht. Zo kan men naar Duits recht in zeer bijzondere gevallen de rechter preventief om een verklaring voor recht vragen, zonder eerst het besluit van de administratie te moeten afwachten (vgl. Bundesverwaltungsgericht, arrest van 12 januari 1967, Neue Juristische Wochenschrift 1967, blz. 996). Het valt inderdaad niet goed in te zien waarom de door het gemeenschapsrecht verleende rechtsbescherming op een lager peil zou moeten staan. Het beroep kan dus niet op grond van het ontbreken van een actueel belang als niet-ontvankelijk worden bestempeld. |
|
2. |
De Commissie meent vervolgens dat het beroep tevens niet-ontvankelijk is, omdat de verklaringen van haar administratie in verband met het verzoek vroegere dienstperiodes van verzoekster bij de berekening van haar pensioen in aanmerking te nemen, niet meer waren dan inlichtingen over een waarschijnlijk toekomstig gedrag, dus ten hoogste voorbereidende handelingen en geen bezwarende besluiten in de zin van artikel 91 Ambtenarenstatuut. In werkelijkheid zouden deze verklaringen geen onmiddellijke gevolgen in de zin van een definitieve benadeling hebben; daartoe zou het eerst komen bij de vaststelling van het pensioen en de bedoelde verklaringen zouden slechts één van de talrijke elementen vormen die daarbij in aanmerking moeten worden genomen. Ook dit standpunt deel ik niet. Wij moeten ervan uitgaan dat de weergegeven verklaringen een thans bestaande rechtspositie betreffen, namelijk de aanspraak op ouderdomspensioen, en daarvoor rechtstreeks gevolgen hebben, aangezien zij de omvang ervan beïnvloeden. Het is zelfs denkbaar dat men aan een positief antwoord, geformuleerd in de zin van verzoeksters rekest, constitutieve werking zou toekennen, wat natuurlijk ook gevolgen zou hebben voor de kwalificering van de weigering van een dergelijk besluit. Men kan ook in geen geval zeggen dat de aangehaalde brieven slechts vrijblijvende inlichtingen bevatten over een toekomstige houding van de administratie. Blijkens de tekst ervan hebben wij integendeel te doen met zeer besliste uitspraken over zeer precieze vragen van verzoekster, uitspraken die, naar men met recht kan aannemen, haar op zekere dag kunnen worden tegengeworpen zo zij ze niet zou aanvechten. Weliswaar moet worden erkend dat de antwoorden van de administratie van de Commissie ten aanzien van de vaststelling van het ouderdomspensioen in zekere zin voorbereidende handelingen zouden kunnen worden genoemd, doch ik ben van mening dat zij wegens hun zelfstandige juridische inhoud — slechts bepaalde, precies af te bakenen rechtsvragen worden behandeld —, voorts vanwege de aanzienlijke afstand in de tijd tot de toekomstige handeling waarmee zij verband houden, en niet in de laatste plaats wegens het grote belang dat verzoekster heeft bij een oplossing op dit moment, stellig niet op één lijn kunnen worden gesteld met de voorbereidende handelingen die in de rechtspraak al eens ter sprake zijn gekomen (bij voorbeeld in het arrest van 7 april 1965, zaak 11/64, Weighardt, Jurispr. 1965, blz. 357, waarin maatregelen in het raam van een integratieprocedure volgens artikel 102 Ambtenarenstatuut niet werden aangemerkt als bezwarende besluiten, maar slechts als voorbereidende handelingen die op zichzelf niet konden worden aangevochten). Ook met het oog op het juridische karakter van de betwiste handelingen dient de ontvankelijkheid van het beroep dus niet te worden ontkend. |
|
3. |
Verder moet worden onderzocht of de ontvankelijkheid van het beroep kan worden aangevochten op grond dat verzoekster haar verzoekschrift niet tijdig, met inachtneming van de voorgeschreven termijnen, bij het Hof zou hebben ingediend. Ten deze zijn er weliswaar geen problemen wanneer men uitgaat van het antwoord van de directeur Personeelszaken van 30 juni 1977. Daartegen is immers op 20 juli 1977 tijdig binnen de termijn van drie maanden een klacht ingediend, en ook het verzoekschrift is — gerekend vanaf het tijdstip van de stilzwijgende afwijzing van de klacht, die wordt geacht te hebben plaatsgehad als vier maanden zijn verstreken — op 17 februari 1978 duidelijk niet te laat ingediend. De Commissie betwijfelt echter of de klacht, die ingevolge artikel 91 Ambtenarenstatuut een noodzakelijke voorwaarde voor het instellen van beroep vormt, tijdig is ingediend en of verzoekster deze stap niet reeds eerder had moeten doen. De Commissie, aan wier administratie volgens het stelsel van rechtsbescherming van het Statuut de vraag betreffende het in aanmerking nemen van vroegere dienstperiodes moest worden voorgelegd, neemt daarbij als uitgangspunt de brief van 13 augustus 1976 aan het hoofd van de afdeling Individuele rechten en voorrechten, waarin voor het eerst werd gesproken van de noodzakelijkheid, de periodes waarin verzoekster als deskundige of als hulpfunctionaris werkzaam was geweest, gelijk te stellen met door tijdelijke functionarissen vervulde dienstperiodes. Die brief zou zijn te beschouwen als een verzoek in de zin van artikel 90 van het Statuut. Daarop heeft verzoekster, met betrekking tot een deel van het probleem, een uitdrukkelijk antwoord ontvangen met de nota van 14 september 1976; de rest van haar verzoek, betreffende de diensttijd als deskundige, moest, toen er vier maanden sinds de indiening ervan waren verstreken, dus op 13 december 1976, als stilzwijgend afgewezen worden beschouwd. De termijn voor het indienen van een klacht zou bijgevolg op 14 september, respectievelijk 13 december 1976 zijn gaan lopen en van dan af gerekend zou de klacht op 20 juli 1977 in elk geval te laat zijn ingediend. De uitdrukkelijke verklaring van 30 juni 1977 over de vraag naar de behandeling van de diensttijd als deskundige zou daarentegen geen zelfstandige betekenis hebben. Aangezien het desbetreffende verzoek reeds stilzwijgend was afgewezen, moest zij veeleer worden beschouwd als een louter bevestigend besluit dat geen nieuwe termijn deed aanvangen. Zou echter de klacht als tardief en bijgevolg niet-ontvankelijk zijn te beschouwen, dan zou dat noodzakelijk ook gelden voor het daarop steunende, op 17 februari 1978 ingestelde beroep. Verzoekster is daarentegen van mening dat haar brief van 13 augustus 1976 niet als een formeel verzoek in de zin van artikel 90 Ambtenarenstatuut kan gelden, daar zij hem niet tot het tot aanstelling bevoegde gezag heeft gericht en zich daarom niet heeft gehouden aan de in een circulaire van de Commissie van 1 oktober 1974 bepaalde procedure: verwijzing naar artikel 90 van het Statuut, gebruik van een bepaald formulier en registratie bij het secretariaat-generaal van de Commissie. In de tweede plaats acht zij het van belang dat de administratie in de nota van september 1976 haar standpunt enkel ten opzichte van een deelprobleem heeft bepaald en heeft verklaard dat het vraagstuk van de diensttijd als deskundige nog werd onderzocht. De opengebleven vraag is, na een herinnering van verzoekster in maart 1977, pas op 30 juni 1977 beantwoord. Deze datum zou men dus als beslissend moeten beschouwen, niet in de laatste plaats ook omdat de brief van 30 juni 1977 met die van september 1976 één geheel vormde, dat als zodanig zou moeten worden beoordeeld. Bij de beoordeling van dit geschilpunt is het van groot belang of men al dan niet geneigd is de zaak formalistisch te bekijken. Naar mijn mening is een streng formalistische kijk die in het nadeel van een verzoeker uitvalt, wellicht gerechtvaardigd wanneer er ook belangen van derden in het spel zijn. Om hunnentwille moet namelijk — dit speelt een rol uit het oogpunt van de rechtszekerheid — op de stipte naleving van de voorgeschreven termijnen worden gelet. Daarvan kan evenwel in het onderhavige geding geen sprake zijn; daarom vind ik a priori een ruime beoordeling verdedigbaar met betrekking tot het punt van het indienen van de klacht bij de Commissie, het punt van de betekenis van een antwoord waarmee de klager aan het lijntje wordt gehouden, en vooral het punt van de noodzaak van een samenvattende beoordeling van verscheidene deelantwoorden van de administratie op een verzoek van een personeelslid. Voor zo'n ruime beoordeling vind ik in de eerste plaats steun in twee arresten betreffende de rechtsgeldigheid van klachten die door personeelsleden bij de administratie waren ingediend. Zo is in het arrest van 13 juli 1961 (gevoegde zaken 22 en 23/60, Elz, Jurispr. 1961, blz. 375) verklaard dat er enkel een „aanmaning of sommatie” van de administratie is wanneer voldoende duidelijk is gemaakt dat daardoor een beroepstermijn begint te lopen. Op overeenkomstige wijze werd in het arrest van 4 april 1973 (zaak 31/72, Angelini, Jurispr. 1973, blz. 403) een brief, bedoeld om de aandacht van het bevoegde gezag te vestigen op de rechten die de betrokken ambtenaar meende te kunnen doen gelden, niet beschouwd als een verzoek in de zin van artikel 90 van het Statuut, hoewel tevoren reeds andere stappen waren gedaan en in de brief uitdrukkelijk was gesteld dat de betrokken ambtenaar zich in geval van een ongunstige beslissing genoodzaakt zou zien zich tot andere instanties te wenden. In de tweede plaats voel ik mij tot een betrekkelijk liberale opvatting gerechtigd door de constatering dat de in de rechtspraak behandelde gevallen van niet ter zake dienende, trainerende antwoorden steeds gevallen betroffen waarin een dergelijk antwoord was gegeven op een formele klacht (arresten van 14 april 1970, zaak 24/69, Nebe, Jurispr. 1970, blz. 145 en 7 juli 1971,, zaak 79/70, Müllers, Jurispr. 1971, blz. 689). Bijgevolg is de brief van augustus 1976, waarin verzoekster voor het eerst aan de administratie de vraag voorlegde die het voorwerp vormt van het onderhavige geding, nog niet te beschouwen als een verzoek in de zin van artikel 90 Ambtenarenstatuut; een dergelijk verzoek kan men eventueel wel zien in de maanbrief van maart 1977, maar van toen af zijn de termijnen nageleefd. Overigens had verzoekster geen reden om op de nota van 14 september 1976, die haar vraag niet volledig behandelde, met een klacht te reageren; deze nota moet veeleer samen met die van 30 juni 1977, waarin het aangekondigde resterende antwoord was vervat, als één geheel worden beschouwd, zodat slechts hierna aan het indienen van een klacht kon worden gedacht. Deelt men deze opvatting, dan is het duidelijk onjuist om van een tardief en deswege niet-ontvankelijk beroep te spreken. |
|
4. |
Ten slotte maakt de Commissie er bezwaar tegen, dat het verzoekschrift een verzoek om een verklaring voor recht bevat, en kritiseert zij het feit dat in de conclusies van het verzoekschrift enkel wordt gesproken van de nietigverklaring van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van de klacht, en dat de bezwarende besluiten waar het in werkelijkheid om gaat, namelijk de nota's van 14 september 1976 en 30 juni 1977, niet worden vermeld. Naar mijn mening zijn ook deze bezwaren ongegrond. In het arrest van 10 december 1969 (zaak 32/68, Grasselli, Jurispr. 1969, blz. 505) wordt weliswaar beklemtoond dat het Hof in ambtenarenzaken geen verklaringen voor recht kan geven, doch dit betrof een geval waarin het gewraakte besluit uitsluitend als voorlichting moest worden gekwalificeerd en het desbetreffende beroep tot nietigverklaring daarom niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Ik ben van mening dat er in een geval zoals het onderhavige, ook al wordt er in het stelsel van rechtsbescherming van het Ambtenarenstatuut omtrent verzoeken om een verklaring voor recht niets uitdrukkelijk bepaald, geen bezwaar tegen is dat het Hof verklaringen voor recht, die in verband met de nietigverklaring van een gewraakt besluit moeten worden gegeven, niet alleen in de rechtsoverwegingen, maar ook in het dictum van het arrest opneemt. Zou men echter deze mening niet delen, dan zou dit toch in geen geval de niet-ontvankelijkheid van het beroep in zijn geheel ten gevolge hebben, maar bestaat er hoogstens aanleiding tot een zinvolle interpretatie van de betrokken vordering, daar datgene wat ermee wordt beoogd, zeker niet aan het toezicht van de rechter is onttrokken. Wat het tweede bezwaar van de Commissie betreft, ben ik van mening dat de door verzoekster bestreden handelingen door de verwijzing naar de klacht en haar inhoud duidelijk genoeg zijn aangegeven. In geval de afwijzing van de klacht nietig zou worden verklaard, is de Commissie natuurlijk gehouden daaruit consequenties te trekken voor de in de klacht vermelde handelingen. Vanuit verzoeksters standpunt lijkt dit inderdaad voldoende. Ten slotte zou ik ook nog erop willen wijzen dat verzoekster tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij het verzoek om nietigverklaring zo nodig anders zal formuleren en wel zo, dat het zich tot beide genoemde antwoorden uitstrekt. Zou dit noodzakelijk worden geacht — ik ben ervan overtuigd dat dit niet zo is —, dan zou die ter mondelinge behandeling afgelegde verklaring zeker kunnen worden aangenomen. In de grond gaat het immers niet om een wijziging van het petitum, maar hoogstens om een verduidelijking en interpretatie van de reeds in het verzoekschrift opgenomen conclusies. |
II — Ten principale
Ten principale gaat het om de vraag, of de door verzoekster als deskundige of als hulpfunctionaris vervulde dienstperiodes bij de berekening van het ouderdomspensioen in aanmerking moeten worden genomen. Naar de mening van verzoekster mag men dit om drie redenen aannemen.
|
1. |
Op de voorgrond staat haar stelling dat bedoelde overeenkomsten, hoewel zij destijds door partijen anders zijn gekwalificeerd, in werkelijkheid op grond van de objectieve gegevens moeten worden beschouwd als overeenkomsten tot aanstelling als tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2 van de Regeling andere personeelsleden. Verzoekster stond ook als deskundige in een ondergeschiktheidsverhouding tot, en werkte uitsluitend voor, de Commissie. Verder volbracht zij steeds dezelfde taken, die te voren door niemand anders waren vervuld, en verving zij dus met name geen tijdelijk verhinderd personeelslid of ambtenaar. Ten slotte was, althans sinds 1963, in het voor haar dienst geldende organigram een vast ambt voorzien, waarvan de functies met die van verzoekster overeenstemden. In verband met dit middel moet vóór alles de vraag worden beantwoord of inderdaad aan verzoekster, zoals aan een deskundige, nauwkeurig omschreven afzonderlijke opdrachten werden toevertrouwd, of dat zij in werkelijkheid zoals een personeelslid werkzaam was en dus gewoon een bepaald soort taken moest vervullen en daarbij tot de Commissie in een ondergeschiktheidsverhouding stond. Ten deze heeft de Commissie erop gewezen, dat in de deskundigencontracten niets was vermeld over de aard van de opdrachten en het vervullen ervan, en dat een bevoegdheid om aanwijzingen te geven, die nog geen ondergeschiktheid in de zin van het arbeidsrecht impliceert, niet enkel in zuivere tewerkstellingsovereenkomsten kan worden aangetroffen. Ik twijfel er daarentegen niet ernstig aan, dat verzoekster sinds 1961 ondanks de kwalificering van haar overeenkomsten als deskundigencontracten in een geregelde dienstbetrekking tot de Gemeenschap stond, zodat de Commissie, die zich daartoe ook bereid heeft verklaard, voor deze periode alsnog voor dekking bij een nationaal stelsel van sociale zekerheid moet zorgen. Om tot dit resultaat te komen, volstaat het te verwijzen naar nota's van verzoeksters meerderen, die als bijlagen 25, 30 en 33 bij het verzoekschrift zijn gevoegd. Daarin is er sprake van het bestendig karakter van verzoeksters taken en verder van het feit dat verzoekster sinds 9 jaar haar functies uitoefent, en vooral van het feit dat men zich sinds 1961 moeite geeft om haar toestand te regulariseren, wat enkel kan betekenen dat de uitdrukkelijke kwalificering van haar contractuele betrekking niet met de werkelijkheid overeenstemde. Maar datgene waarom het verzoekster eigenlijk gaat, is hiermee nog niet beslist, want een correctie van de kwalificering der deskundigencontracten betekent immers niet noodzakelijk dat zij als overeenkomsten tot aanstelling als tijdelijk functionaris moeten worden beschouwd; zij zouden evengoed als overeenkomsten met een hulpfunctionaris kunnen worden aangemerkt. Bij het verder onderzoek van de vraag, welke van beide kwalificeringen in werkelijkheid van toepassing is, kan men het op zijn minst in zoverre met de Commissie eens zijn, dat voor het jaar 1961 een kwalificering als overeenkomst tot aanstelling als tijdelijk functionaris reeds daarom uitgesloten is omdat de Regeling andere personeelsleden, waarin dergelijke overeenkomsten worden geregeld, eerst op 1 januari 1962 in werking is getreden. Tijdelijk functionaris kon verzoekster dus hoogstens vanaf het jaar 1962 zijn. Daarbij komt voor de ganse hier in aanmerking komende periode, dat in tegenstelling tot wat verzoekster meent, de kwalificering van de dienstverhouding niet enkel afhangt van het vervullen van dezelfde taken gedurende een langere periode; voor de volledige erkenning van een tijdelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 2 van de Regeling andere personeelsleden is het veeleer belangrijk, ten eerste, dat in het organigram van de betrokken dienst een vast ambt met overeenstemmende functies voorkomt, en ten tweede, dat men uitdrukkelijk door het bevoegde gezag in een dergelijk ambt is aangesteld. Zo heeft de Commissie terecht gewezen op de definities opgenomen in de artikelen 2 en 3 van de Regeling andere personeelsleden, die luiden als volgt: „Als tijdelijk functionaris in de zin van deze regeling wordt aangemerkt: …
en „Als hulpfunctionaris in de zin van deze regeling wordt aangemerkt het personeelslid dat is aangesteld:
Ook de desbetreffende rechtspraak is op dit punt heel duidelijk. Ik herinner slechts aan het arrest van 19 maart 1964 (zaak 18/63, Schmitz, Jurispr. 1964, blz. 173), waarin het ging over integratie na de inwerkingtreding van het Ambtenarenstatuut, aan het arrest van 15 juni 1976 (zaak 5/76, Jänsch, Jurispr. 1976, blz. 1027), waar uitzonderingen op het vergelijkend onderzoek voor ambtenaren in de zin van artikel 92 aan de orde waren, of aan arresten waarin het ging om aanspraken op benoeming in een hogere categorie met het oog op daadwerkelijk verrichte werkzaamheden van een boven zijn rang gelegen niveau (zoals bijvoorbeeld in het arrest van 19 maart 1975, zaak 189/73, Van Reenen, Jurispr. 1975, blz. 445). Gaat men hiervan uit — en dat moet men wel om een uitholling van budgettaire en aan het tot aanstelling bevoegde gezag voorbehouden competenties te voorkomen —, dan blijkt inderdaad dat de betrokken overeenkomsten van verzoekster niet als overeenkomsten tot aanstelling als tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2 van de Regeling andere personeelsleden kunnen worden gekwalificeerd. Dit geldt zeker voor de eerste jaren van haar werkzaamheid, toen een daaraan beantwoordend ambt ontbrak. Of dit zo was tot begin 1963 of tot begin 1964, is in het geding betwist. Naar mijn mening heeft de Commissie echter aangetoond dat enkel laatstgenoemd tijdstip juist kan zijn. Een besluit van de administrateur van de Pers- en informatiedienst inzake de functies van een in januari 1963 toegewezen ambt volstond namelijk niet; het aldus vastgestelde organigram moest nog worden goedgekeurd door het comité der vier voorzitters. Uit een nota van 13 september 1963 (bijlage 25 bij het verzoekschrift) blijkt dat dit einde 1963 nog niet was gebeurd. Verzoeksters meerdere sprak zich trouwens ook in deze zin uit in een nota van 24 oktober 1968 (bijlage 30 bij het verzoekschrift), waarin sprake is van het ontbreken, tot begin 1964, van een aan verzoeksters functies beantwoordend ambt in het organigram van de Persdienst. Maar ook in de rest van de betrokken periode kan verzoeksters contractuele betrekking niet als een overeenkomst tot aanstelling als tijdelijk functionaris worden beschouwd. Zo was het bedoelde vaste ambt in 1964 het voorwerp van een vergelijkend onderzoek van de EGKS, in augustus 1964 van een interinstitutioneel vergelijkend onderzoek en in januari 1965 van een algemeen vergelijkend onderzoek. Tijdens deze onderzoeken bleef het vacant en hoewel dit mogelijk ware geweest, werd het met name niet tijdelijk aan verzoekster toegewezen. Met het oog op deze vergelijkende onderzoeken sloot de Commissie integendeel met verzoekster een tijdelijke overeenkomst als hulpfunctionaris (zie bijlage 1 bij de repliek). Aan het vergelijkend onderzoek nam ook verzoekster deel; in april 1965 kwam zij op de eerste plaats van de lijst van geschikte kandidaten. Toch werd einde 1965 in de vacature voorzien door de benoeming van een andere kandidaat, die op die lijst zeer dicht achter verzoekster volgde. Van dit tijdstip af bestond er aanvankelijk bij de Persdienst geen vast ambt voor verzoeksters functies. Dit kwam er pas weer per 1 januari 1969, omdat het directoraat-generaal Landbouw het tijdelijk ter beschikking stelde (zie bijlage 33 bij het verzoekschrift), en van toen af had verzoekster inderdaad tot en met 31 december 1971 een overeenkomst als tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2 van de Regeling andere personeelsleden. Toen het bedoelde ambt aan het directoraat-generaal Landbouw moest worden teruggegeven, ontbrak weer een geschikt vast ambt voor verzoekster bij de Persdienst en daarom werd zij, zoals boven reeds vermeld, gedurende elf maanden opnieuw als hulpfunctionaris tewerkgesteld. Bij deze stand van zaken dienen wij vast te stellen dat men deels om begrotingsrechtelijke redenen, maar ook met het oog op de voorschriften van de Regeling andere personeelsleden, niet ervan kan uitgaan dat verzoekster in werkelijkheid vanaf 1 januari 1961 tot haar aanstelling als ambtenaar op proef in een tijdelijke dienstbetrekking stond in de zin van artikel 2 van de Regeling andere personeelsleden. |
|
2. |
In de tweede plaats doet verzoekster gelden dat de Commissie bij de regeling van haar dienstbetrekking een dienstfout heeft begaan. Ten onrechte zou zij verzoekster als deskundige hebben behandeld; op de hulpfunctionariscontracten zou zijn aan te merken dat zij meer dan een jaar hebben gelopen en dat deze regeling opnieuw werd gekozen nadat verzoekster reeds drie jaar lang als tijdelijk functionaris had gewerkt. Hiermee zou inbreuk zijn gemaakt op artikel 52 van de Regeling andere personeelsleden en op de „zorgplicht” waarop artikel 54 van de Regeling andere personeelsleden doelt met de verwijzing naar artikel 24 Ambtenarenstatuut. Aan verzoekster zou op deze wijze schade zijn toegebracht, daar de betrokken periodes bij de berekening van haar ouderdomspensioen niet in aanmerking werden genomen. Die schade zou op de meest passende wijze als het ware in natura kunnen worden vergoed, door de genoemde tijdvakken te behandelen als waren het dienstperiodes als tijdelijk functionaris geweest. Met betrekking tot deze poging om verzoeksters aanspraak te staven, moet zonder meer worden erkend dat de Commissie — en dit is voor de aansprakelijkheid wegens dienstfout de eerste, hoewel niet de enige voorwaarde — zich op bepaalde ogenblikken en in zeker opzicht onrechtmatig heeft gedragen. Dat is het geval voor zover met verzoekster een deskundigencontract werd gesloten, terwijl er in feite een geregelde dienstbetrekking tot stand kwam. Dat geldt ook voor zover de hulpfunctionariscontracten langer hebben gelopen dan het toegelaten maximum van één jaar (artikel 52, sub b, van de Regeling andere personeelsleden). Daarbij dient men echter te bedenken dat de Regeling andere personeelsleden eerst op 1 januari 1962 in werking is getreden, zodat van bedoelde onrechtmatigheid eerst vanaf 1 januari 1963 sprake kan zijn. Ik meen echter niet dat een dergelijke onrechtmatigheid ook bestond in de periode na afloop van de tijdelijke dienstbetrekking. Op dat ogenblik liep het contract als hulpfunctionaris slechts voor de duur van elf maanden; ook kan mijns inziens uit het gemeenschapsrecht niet worden afgeleid dat het verboden is na afloop van een tijdelijke dienstbetrekking opnieuw een overeenkomst tot aanstelling als hulpfunctionaris te sluiten. In deze periode, dus in het jaar 1972, zal men echter op zijn minst van een schending van de zorgplicht moeten spreken, omdat de Commissie zich niet voldoende inspande om de toestand van verzoekster in een voor haar pensioenrechten gunstige zin te wijzigen. Bovendien kan men mijns inziens aannemen dat een dergelijk plichtsverzuim ook reeds in een aanmerkelijk vroegere periode bestond, daar het reeds zeer vroeg in de bedoeling lag verzoekster vast tewerk te stellen — ik verwijs daartoe naar de bijlagen 25 en 30 bij het verzoekschrift —, daar haar geschiktheid voor een aanstelling tot ambtenaar na haar deelname aan het vergelijkend onderzoek in het jaar 1965 vaststond en de Commissie klaarblijkelijk — dat is in de loop van de mondelinge behandeling volkomen duidelijk geworden — in de vacature op grond van het genoemde vergelijkend onderzoek op betwistbare wijze heeft voorzien. Aan de benoemde ambtenaar werden immers niet de in de aankondiging genoemde functies, volkomen identiek aan die van verzoekster, maar reeds kort daarop andere functies toegewezen. Zoals reeds gezegd is een schending van rechtsregels evenwel niet voldoende. Bovendien moet vaststaan dat de beweerde schade juist daaruit voortkwam en dat dus de mogelijkheid bestond met behulp van andere maatregelen een toestand te scheppen, waarin de dienstjaren voor de berekening van het ouderdomspensioen in aanmerking konden worden genomen; verder moet men van schuld kunnen spreken. Na het bovenstaande is de beslissende vraag, of er een vast ambt bestond dat voor verzoekster kon worden gebruikt, of dat er voor een dergelijk ambt kon en moest worden gezorgd. Was dit niet het geval, dan heeft het feit dat verzoekster ten onrechte op grond van een deskundigencontract werkzaam was, hoogstens tot gevolg dat zij voor deze periode als hulpfunctionaris moet worden gekwalificeerd; de andere vaststelling, namelijk dat er in strijd met artikel 52, sub b, van de Regeling andere personeelsleden overeenkomsten als hulpfunctionaris met haar zijn gesloten voor een langere duur dan één jaar, zou dan tot gevolg hebben dat de dienstbetrekking uiterlijk 1 januari 1963 had moeten worden beëindigd. In deze belangrijke kwestie moet allereerst worden vastgesteld dat vóór begin 1964 bij de Pers- en informatiedienst geen vast ambt met verzoeksters functies bestond. Voor deze periode is ook niets naar voren gebracht dat het vermoeden wettigt dat het creëren van een dergelijk vast ambt mogelijk en gepast ware geweest. Men mag toch niet vergeten dat wij hier te doen hebben met de uitoefening van een zeer ruim bemeten organisatiebevoegdheid. Mijns inziens zijn er volstrekt geen aanwijzingen dat bij die uitoefening fouten zijn gemaakt met betrekking tot de verdeling van de aanvankelijk schaarse ambten. Vanaf begin 1964 tot bij het voorzien in de vacature waartoe, zoals gezegd, einde 1965 op betwistbare wijze werd besloten, bestond er echter een vast ambt. Zeker voor deze periode had men een onregelmatigheid in verzoeksters nadeel door een tijdelijke plaatsing in dit ambt kunnen voorkomen. Ik zie ook geen ernstige reden die dit verhinderde en op grond waarvan men het bestaan van een dienstfout zou kunnen ontkennen, daar het instellen van een vergelijkend onderzoek zeker niet zou zijn tegengehouden door de tijdig opzegbare toewijzing voor onbepaalde duur van het ambt aan verzoekster. In de daaropvolgende periode ontbrak dan weer een ambt, behalve in de jaren 1969 tot 1971, toen van het directoraat-generaal Landbouw een ambt kon worden „geleend”, dat inderdaad ook voor verzoekster is gebruikt. Het lijkt mij echter niet overtuigend, deze periode eenvoudig op dezelfde wijze te beoordelen als die vóór 1964. Het probleem, verzoeksters dienstbetrekking op een bevredigende wijze te regelen, was uiterlijk vanaf het midden der jaren zestig bijzonder dringend geworden. Samen met de omstandigheid dat voor de jaren 1969 tot 1971 voorlopig voor een ambt kon worden gezorgd, kan dit veeleer het vermoeden wettigen dat ook voor de jaren 1966 tot 1968 en voor 1972 een gelijkaardige oplossing had moeten worden gezocht en dat dit in een zo groot apparaat als dat van de Commissie ook mogelijk zou zijn geweest. Vindt men echter deze gevolgtrekking, met de kennis die wij nu hebben, niet verdedigbaar, dan ware het toch gepast de vraag der beschikbaarheid van ambten in andere sectoren van de Commissie verder op te helderen, tenzij men een geschikte, gelijkwaardige oplossing tot stand wil brengen op grond van overwegingen die in het raam van de derde, hierna nog te onderzoeken vordering een rol spelen. Ook al zijn de voorwaarden voor het aansprakelijk stellen wegens dienstfout blijkbaar vervuld — dat wil zeggen voor de periode van begin 1964 tot einde 1965 —, toch dienen wij nog nader in te gaan op twee bezwaren van de Commissie, alvorens te kunnen vaststellen dat verzoekster voor de genoemde periode met het oog op de berekening van haar ouderdomspensioen recht heeft op een restitutio in integrum. Deze bezwaren hebben betrekking op de kwestie van verzoeksters eigen schuld en op het feit dat het geen actuele en zekere, maar hoogstens een toekomstige en hypothetische schade betreft, en het recht op vergoeding daarvan volgens de rechtspraak van het Hof aan strenge eisen is onderworpen. Aan dit punt behoeven wij mijns inziens niet veel woorden te besteden. Ten eerste kan volgens mij bezwaarlijk worden gesproken van een belangrijke eigen schuld van verzoekster doordat zij met een verlenging van de overeenkomsten als hulpfunctionaris voor een langere duur dan één jaar zou hebben ingestemd en niet zelf naar regularisering heeft gestreefd door naar andere vacante ambten te solliciteren. Wij behoeven hier slechts te wijzen op het feit dat men verzoekster wegens haar verdiensten en wegens het belang dat men hechtte aan de door haar vervulde taken, beslist in dienst wilde houden; van belang zijn ook de voortdurende pogingen tot regularisering en de herhaaldelijk in die zin gedane toezeggingen. In dit verband verwijs ik naar de nota's van haar meerderen die als bijlagen 25, 30 en 33 bij het verzoekschrift zijn overgelegd. Wat anderzijds het probleem betreft van de toekomstige schade, die pas bij de pensionering ontstaat, ben ik van mening dat zij voldoende van te voren zichtbaar is, in de zin van de door de Commissie aangehaalde rechtspraak. Bovendien mag men met het oog op de reeds bestaande en voortdurend groter wordende aanspraken terecht spreken van een bestaande, niet louter hypothetische schade, waarvoor beslist nu reeds een compensatie kan worden toegewezen, ook al betekent dit niet dat een actueel vermogensrecht moet worden toegekend. Bijgevolg kan worden bevestigd dat het beroep, voor zover het op een dienstfout is gesteund, op zijn minst voor een deel van de betrokken periode, namelijk voor de jaren 1964 en 1965, in alle geval gegrond is en dat de Commissie dus is gehouden, tenminste deze periode bij de berekening van het ouderdomspensioen in aanmerking te nemen. |
|
3. |
Tenslotte doet verzoekster haar beroep nog steunen op de beginselen van billijkheid, gelijke behandeling, verdelende rechtvaardigheid en behoorlijk bestuur. De weigering van de Commissie om de periodes waarin verzoekster als deskundige of hulpfunctionaris werkzaam was, althans voor de berekening van het ouderdomspensioen gelijk te stellen met dienstperiodes in de zin van artikel 2 van de Regeling andere personeelsleden, zou daarmee in strijd zijn. Daar verzoekster inderdaad in de periode van 1961 tot 1972 zoals een ambtenaar ononderbroken in dienst was en het van het begin af in de bedoeling lag haar vast tewerk te stellen, lijkt het hoogst onbillijk daarmee bij de vaststelling van het ouderdomspensioen geen rekening te houden. Bovendien zou van belang zijn dat in het geval van een ander personeelslid diens werkzaamheid voor de Gemeenschap als deskundige, na zijn benoeming tot ambtenaar, in de zin van verzoeksters stelling wel voor zijn ouderdomspensioen in aanmerking is genomen. De Commissie betoogde daartegenover dat men met een beroep op billijkheidsprincipes geen oplossing kan goedkeuren die niet met het positieve recht in overeenstemming is. Met name zou men aldus in conflict komen met de rechtspraak (arrest van 1 april 1971, zaak 54/70, Landra, Jurispr. 1971, blz. 311), waarin is vastgesteld dat dienstperiodes als hulpfunctionaris bij de berekening van de pensioenjaren in de zin van artikel 3, sub c, van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut niet in aanmerking kunnen worden genomen. Verder houdt de Commissie ons voor dat bij de door verzoekster nagestreefde oplossing periodes waarvoor geen bijdragen zijn gestort in de zin van artikel 3 van bijlage VIII bij het Statuut, als pensioenjaren zouden worden erkend, en dat dan voor deze periodes meer dan één recht op ouderdomsrente zou bestaan. Bij het door verzoekster ingeroepen geval van een ander personeelslid, aan wie een dergelijke behandeling te beurt was gevallen, zou men ten slotte niet over het hoofd mogen zien dat dit geval in zoverre van het onderhavige verschilt dat op de diensttijd als deskundige onmiddellijk een benoeming tot ambtenaar is gevolgd. Bij dit geschilpunt moet zeker worden toegegeven dat het natuurlijk hoogst problematisch lijkt zich op de vermelde beginselen te beroepen tot rechtvaardiging van een oplossing die volgens de termen van de toepasselijke tekst uitgesloten is. Toch acht ik een dergelijke poging niet a priori ontoelaatbaar, gelet op het feit dat het geschreven ambtenarenrecht bij alle nuancering niet voor elke situatie een precies passende oplossing geeft. Daarbij is echter de uiterste voorzichtigheid en terughoudendheid geboden. Een dergelijke handelwijze kan immers alleen in krasse uitzonderingsgevallen worden overwogen, waarin, alle omstandigheden in aanmerking genomen, een zuiver legalistische oplossing klaarblijkelijk onrechtvaardig zou zijn. Bovendien moet er natuurlijk op worden gelet dat aan de vereisten van het geschreven recht zo weinig mogelijk afbreuk wordt gedaan. In het onderhavige geval is hierbij van belang dat verzoekster kennelijk om organisatorische en budgettaire redenen een onredelijk lange tijd in een hachelijke positie is gelaten. Daarbij was — zoals is aangetoond — reeds zeer vroeg uitgemaakt dat zij vast moest worden tewerkgesteld, en wordt niet betwist dat zij voor de Gemeenschap belangrijke taken heeft vervuld. Bovendien is bekend dat verzoekster aan een vergelijkend onderzoek voor een aan haar functies beantwoordend ambt heeft deelgenomen, dat zij als beste daaruit te voorschijn kwam en dat het vacante ambt niet aan haar, maar — en dit was erg incorrect — met wijziging van de functies aan een andere kandidaat is toegewezen. Niet in de laatste plaats moet er nog aan worden herinnerd dat het verzoekster niet gaat om een wijziging van haar toestand met alle consequenties, maar enkel om het probleem van de pensioenberekening. Bij deze stand van zaken moet men niet aarzelen haar eis tot gelijkstelling in principe als gegrond te beschouwen. Ik vind dit beslist gerechtvaardigd vanaf het tijdstip waarop door de met succes bekroonde deelname aan een vergelijkend onderzoek was bewezen dat zij in een vast ambt kon worden benoemd. Verder reikende resultaten ten gunste van verzoekster op grond van de betrokken principes zijn echter moeilijk te rechtvaardigen: wat ten aanzien van de aansprakelijkheid wegens dienstfout werd gezegd, blijft natuurlijk onverminderd van kracht. Het zou ook nauwelijks verdedigbaar zijn — op de regeling van haar dienstbetrekking tot einde 1962 is verder niets aan te merken — de gewenste gedeeltelijke regularisering reeds vanaf net jaar 1963 toe te staan. Wat dit betreft, helpt ook het door verzoekster aangehaalde geval van een andere deskundige ons niet veel verder, want niet alleen vertoont het de bijzonderheid dat een benoeming tot ambtenaar onmiddellijk op zijn diensttijd als deskundige aansloot, maar het ging daar ook slechts om terugwerkende regularisering van een periode van ongeveer twee- en-een-half jaar. Bovendien meen ik dat men, om te voldoen aan de vereisten van het geschreven recht, erop moet letten dat verzoekster uit de terugwerkende gelijkstelling geen ongerechtvaardigd voordeel behaalt. Wat dit betreft, zullen zich evenwel geen problemen voordoen: verzoekster heeft zich immers uitdrukkelijk bereid verklaard voor de bedoelde periodes de door ambtenaren en tijdelijke functionarissen te storten bijdragen na te betalen en de als hulpfunctionaris tegenover de Belgische sociale zekerheid verworven rechten aan de Gemeenschap te cederen. Aanvaardt men dit alles — vanzelfsprekend moet het door de Commissie aangehaalde arrest in zaak 54/70 daarbuiten blijven —, dan zou daaruit dus volgen dat verzoekster recht heeft op gelijkstelling, niet enkel voor de periode waarin bij de Pers- en informatiedienst een vacant vast ambt met haar functies beschikbaar was, maar ook voor de daarop volgende periode (1966 tot 1968 en elf maanden in 1972), waarin een dergelijk vast ambt ontbrak en het niet geheel zeker is of er, wat dit betreft, van een dienstfout kan worden gesproken. |
|
4. |
Bijgevolg kan worden vastgesteld dat de weigering van de Commissie de door verzoekster als deskundige of als hulpfunctionaris volbrachte dienstperiodes voor de berekening van het ouderdomspensioen in aanmerking te nemen, onrechtmatig is voor zover het de periode sinds 1964 betreft. Met dien verstande, en rekening houdend met de noodzakelijkheid bijdragen na te betalen en te voorkomen dat verzoekster voor de genoemde periode zowel rechten tegenover de Belgische sociale zekerheid als recht op een ouderdomspensioen krachtens het gemeenschapsrecht heeft, moeten de in verzoeksters klacht genoemde besluiten van de administratie van de Commissie worden nietig verklaard. Daar verzoekster in mijn opvatting voor een groot deel in het gelijk wordt gesteld, zou ik het 'passend vinden de Commissie in twee derde van verzoeksters proceskosten te verwijzen. |
( 1 ) Vertaald uit het Duits.