CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 19 OKTOBER 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De verweerder in het geding waaruit het onderhavige prejudiciële verzoek is voortgekomen, een Italiaanse handelsvertegenwoordiger, heeft van de civiele en strafrechtbank te Turijn op 23 september 1976 een vonnis verkregen, waarbij verzoekster in het hoofdgeding, een Belgische vennootschap, werd veroordeeld tot betaling van een geldsom. Op 27 december 1976 werd van dit vonnis beroep in cassatie bij de Corte di Cassazione te Rome ingesteld, hetgeen naar Italiaans recht de uitvoerbaarheid van het bestreden vonnis niet schorst. Van de mogelijkheid om schorsing van de tenuitvoerlegging te vragen aan het Italiaanse rechtscollege dat het vonnis heeft gewezen, is blijkbaar geen gebruik gemaakt.
Verweerder in het hoofdgeding wilde het vonnis van de rechtbank te Turijn doen executeren in België. Op grond van artikel 31 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna te noemen het „Verdrag”) verzocht hij hiertoe de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen om verlof tot tenuitvoerlegging, dat werd verleend bij vonnis van 25 november 1976.
Van dit vonnis kwam verzoekster in het hoofdgeding in verzet op grond van artikel 36 van het Verdrag. Tevens verzocht zij de executoirverklaring tot de definitieve uitspraak in Italië aan te houden althans te binden aan een zekerheidsstelling door verweerder. Zij beriep zich hiertoe op artikel 38 van het Verdrag, dat luidt:
„Het gerecht dat over het verzet oordeelt, kan op verzoek van de partij die het verzet heeft gedaan, zijn uitspraak aanhouden indien tegen de in den vreemde gegeven beslissing in de staat van herkomst een gewoon rechtsmiddel is aangewend of indien de termijn daarvoor nog niet is verstreken; in dit laatste geval kan het gerecht een termijn stellen binnen welke het rechtsmiddel moet worden aangewend.
Het gerecht kan het verlof tot tenuitvoerlegging ook geven op voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld; de zekerheid wordt door het gerecht omschreven.”
Volgens verzoekster dient de vraag of sprake is van een gewoon rechtsmiddel, te worden beoordeeld naar het recht van de staat waar het vonnis is gewezen. Volgens dit, in casu Italiaanse, recht wordt het cassatieberoep echter anders dan in het Belgische recht beschouwd als gewoon rechtsmiddel, omdat het de intrede van de kracht van gewijsde belet.
De geopposeerde voert aan dat artikel 38 van het Verdrag hier niet speelt, daar het cassatieberoep noch naar Italiaans noch naar Belgisch recht de tenuitvoerlegging uitsluit.
De beslissing op het opschortingsverzoek hangt derhalve af van de vraag of het in Italië ingestelde cassatieberoep een gewoon rechtsmiddel in de zin van het Verdrag is. De Belgische rechtbank die het Verdrag in zover niet geheel duidelijk acht, besloot bij vonnis van 7 april 1977 de procedure te schorsen en op grond van het bij het Verdrag behorende Protocol van 3 juni 1971 de volgende prejudiciële vragen te stellen:
|
1. |
Welke rechtsmiddelen worden in de artikelen 30 en 38 van het Verdrag van 27 september 1968 als „gewone” rechtsmiddelen bedoeld of, met andere woorden, op welke vonnissen zijn de artikelen 30 en 38 van toepassing, of |
|
2. |
dient de aard van het aangewende rechtsmiddel tegen de beslissing in de staat van herkomst te worden beoordeeld uitsluitend volgens het recht van deze staat? |
|
I — |
Allereerst twee korte vooropmerkingen.
|
|
II — |
Zien wij nu naar de eigenlijke vragen van de verwijzende rechtbank, dan staat — ik beperk mij tot de stellingen die in het hoofdgeding uitvoerig zijn toegelicht — aan de ene kant de opvatting dat het recht van de staat van herkomst bepalend is; deze opvatting wordt verdedigd door de regering van het Verenigd Koninkrijk en — zij het minder fel — door de Commissie. Anderzijds heeft de Bondsregering zich uitgesproken voor een gemeenschappelijk autonoom begrip „gewoon rechtsmiddel” in het Verdrag.
|
|
III — |
Waar uit het voorgaande is gebleken van zwaarwegende argumenten die voor het gebruik van een autonom begrip „gewoon rechtsmiddel” in het Verdrag pleiten, zullen wij thans moeten nagaan welke criteria voor dit gemeenschappelijk begrip moeten worden aangelegd. Dit zal niet zo gemakkelijk zijn, daar het Verdrag hiervoor maar weinig aanknopingspunten biedt. Wanneer men die echter benut en — zoals in genoemd arrest 29/76 wordt gezegd — acht slaat op de doelen en de opzet van het Verdrag evenals op de algemene rechtsbeginselen die in alle nationale rechtsstelsels tezamen worden gevonden, dan kan men toch tot voldoende bruikbare resultaten komen.
Meer valt in gemeenschapsrechtelijk opzicht eigenlijk niet te zeggen over de criteria voor de vraag of in de zin van het Verdrag sprake is van gewone of buitengewone rechtsmiddelen. |
|
IV — |
Samenvattend concludeer ik dat op de gestelde vragen worde geantwoord:
|
( 1 ) Vertaald uit het Duits.