CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI

VAN 5 DECEMBER 1973 ( 1 )

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

De in deze zaak gestelde vragen gaan om de uitlegging van verordening nr. 204/69/EEG van de Raad van 28 januari 1969 tot vaststelling van de algemene regels aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer van bepaalde landbouwprodukten die niet vallen onder bijlage II van het Verdrag. De vragen zijn gerezen in een geding voor het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, waar in verzoekster de wettigheid bestrijdt van de weigering van de bevoegde Nederlandse instantie om restitutie toe te kennen wegens de uitvoer naar derde landen van produkten welke als lactoalbumine waren aangegeven en die in het gemeenschappelijk douanetarief zijn ingedeeld onder post 35.02 -A-II-l-b. De exporten vonden plaats in de tijd tussen 30 december 1971 en 29 november 1972.

Daar het hier een melkprodukt betreft, leze men om te beginnen artikel 17, lid 1, van verordening nr. 804/68, dat luidt:

„In de mate, nodig om de uitvoer van de in artikel 1 bedoelde produkten als zodanig of, wanneer het de sub a), b), c) en e) bedoelde produkten betreft, in de vorm van in de bijlage opgenomen produkten, op basis van de prijzen van deze produkten in de internationale handel mogelijk te maken, kan het verschil tussen deze prijzen en de prijzen in de Gemeenschap overbrugd worden door een restitutie bij de uitvoer.” Deze bepaling geldt onder meer voor melk, vers of verduurzaamd, zoals vermeld in artikel 1, sub a) en b), der verordening. Eén der in de bijlage genoemde derivaten van dit basisprodukt, waarvoor krachtens artikel 17 bij uitvoer restitutie kan worden verleend, is lactoalbumine, opgenomen onder post 35.02-A-II-a.

Verordening nr. 122/67/EEG van de Raad van 13 juni 1967, houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector eieren, bevat in artikel 9 een soortgelijke bepaling als genoemd artikel 17 van verordening nr. 804/68, houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten. In de bijlage van verordening nr. 122/67, welke de produkten opsomt waarvoor op grond van artikel 9 een restitutie bij uitvoer kan worden verleend, staat ook ovoalbumine, onder post 35.02-A-II-a, dus onder dezelfde post als lactoalbumine in verordening nr. 804/68.

Bij verordening nr. 204/69/EEG van 28 januari 1969 heeft de Raad de algemene regels vastgesteld voor de toekenning van de restituties bij uitvoer en de criteria ter bepaling van het restitutiebedrag voor bepaalde landbouwprodukten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage II van het Verdrag vallen.

Het orgaan dat in feite bevoegd is de restituties vast te stellen, is de Commissie die hiertoe de zogenaamde „beheerscomité-procedure” moet volgen en de in verordening nr. 204/69 aangegeven regels en criteria moet aanhouden. Deze regels en criteria spelen echter alleen, indien de Commissie aanleiding ziet ge bruik te maken van haar discretionaire bevoegdheid om voor een bepaald produkt een restitutie bij uitvoer toe te kennen. Zij bezit deze bevoegdheid voor zuivelprodukten krachtens artikel 30 van basisverordening nr. 804/68 en voor de sector eieren krachtens de artikelen 9 en 17 van verordening nr. 122/67.

In het relevante tijdvak (30 december 1971-29 november 1972) heeft de Commissie bij verordeningen nrs. 2304/71, 216/72, 854/72, 1018/72, 1619/72 en 2278/72, waarvan de geldigheidsduur telkens verschilde naar gelang van de zich wijzigende marktomstandigheden voor de betrokken produkten, de restituties bij uitvoer van eieren en derivaten, bedoeld in verordening nr. 122/67, waaronder ovoalbumine, vastgesteld.

Noch in deze noch in andere verordeningen, houdende vaststelling van restituties, wordt gesproken van lactoalbumine. Alle door de verwijzende rechter gestelde vragen strekken ertoe te vernemen, of en zo ja hoe de bij uitvoer van ovoalbumine vastgestelde restituties in het betrokken tijdvak ook moesten worden toegepast op lactoalbumine.

Alleen voor het geval de vraag inzake de toepasselijkheid dier restituties bevestigend wordt beantwoord, informeert de nationale rechter naar de geldigheid van verordening nr. 204/69, waarop die restituties voor lactoalbumine zouden zijn gebaseerd, aangezien lactoalbumine niet in bijlage II van het EEG-Verdrag is vermeld en deze verordening niet tot stand is gebracht op de wijze, voorzien in artikel 235 van het Verdrag.

De Nederlandse rechter vraagt allereerst of „het gestelde in bijlage C van verordening (EEG) nr. 204/69 aldus moet worden uitgelegd dat het nootteken 4, gesteld in de verticale kolom, eieren in de schaal' achter de onder tariefpost 35.02-A-II-a vermelde goederen, ovoalbumine en lactoalbumine', mede betrekking heeft op het goed lactoalbumine”.

Ten deze zij opgemerkt dat genoemde bijlage C onder post 35.02 van het gemeenschappelijk douanetarief naar dezelfde berekeningscoëfficiënt voor zowel ovoalbumine als lactoalbumine verwijst ter bepaling van het restitutiebedrag bij uitvoer van deze produkten. Deze berekeningscoëfficiënt is afgestemd op „eieren in de schaal”, benodigd voor de produktie van ovoalbumine. Derhalve kan men stellen dat, ten einde voor de berekening van de restitutie de hoeveelheid basisprodukt te bepalen, die wordt geacht te zijn verwerkt tot afgeleid produkt, lactoalbumine fictief wordt gelijkgesteld met ovoalbumine. Zoals de Commissie te kennen gaf in de toelichting op het ontwerp dat als verordening nr. 2682/72 op 1 januari 1973 in de plaats is getreden van verordening nr. 204/69, was een dergelijke gelijkstelling tót de inwerkingtreding van eerstgenoemde verordening geoorloofd, omdat ovoalbumine en lactoalbumine met hun zelfde technische eigenschappen in het verleden moeilijk te onderscheiden waren. Momenteel is dit dank zij nieuwe analysemethoden wel mogelijk. Dit verklaart ook waarom onder de vroegere regeling beide produkten voor de vaststelling van het restitutiebedrag werden onderworpen aan dezelfde berekeningsmaatstaven die zich richtten naar het basisprodukt van het in de Gemeenschapseconomie belangrijkste produkt van de twee, namelijk ovoalbumine.

Aldus ware de eerste vraag van de Nederlandse rechter bevestigend te beantwoorden.

Het bovenstaande wil evenwel niet zeggen dat, wanneer de bevoegde Gemeenschapsautoriteit — dat wil dus zeggen de Commissie, die hiertoe de beheerscomitéprocedure volgt — besluit om bij uitvoer van ovoalbumine restitutie te verlenen, zulks automatisch ook voor lactoalbumine geldt. De twee produkten zijn alleen gelijkgesteld voor de toepassing van de criteria ter berekening van de restituties. Het is dan ook een normatieve verordening die gaat over het „hoe” en niet over het „of”. Vóór de concrete toepassing van de criteria moet er echter een duidelijke wilsverklaring van de Commissie zijn om restitutie toe te ken nen bij de uitvoer van elk produkt afzonderlijk waarvoor die maatstaven in abstracto gelden.

Verzoekster betoogt dat de gelijkstelling, in bijlage C van verordening nr. 204/69, van lactoalbumine met ovoalbumine ten aanzien van de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag meebrengt dat, wanneer de Commissie een bepaald restitutiebedrag voor één produkt vaststelt, de exporteurs van het andere produkt automatisch recht hebben op eenzelfde restitutiebedrag, daar ingevolge genoemde bijlage van verordening nr. 204/69 de restitutie voor beide produkten immers gelijk is. De toekenning van een bepaalde restitutie voor ovoalbumine en niet voor lactoalbumine zou derhalve in strijd zijn met deze bepaling, omdat dit zou neerkomen op de vaststelling van twee verschillende restitutiebedragen voor de beide produkten. Zelfs al zou het bedrag van een eventuele restitutie voor lactoalbumine volgens de berekeningsmaatstaven die in de betrokken periode golden, zijn samengevallen met de restitutie voor ovoalbumine, dan kan verzoeksters betoog toch niet standhouden, omdat er duidelijk een drogreden aan ten grondslag ligt. Mathematisch mag het juist zijn dat het niet-vaststellen van enige restitutie gelijkstaat met het vaststellen van een nul-restitutie, maar deze twee termen vallen rechtens, bij de toepassing van de onderhavige regeling, niet samen. Bezien vanuit de werking van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten, is het ontbreken van een toepassingsbepaling, waarbij restitutie wordt verleend voor uitvoer van lactoalbumine, iets geheel anders als het vaststellen van een ander restitutiebedrag voor dit produkt dan voor ovoalbumine. De gelijkstelling van de beide produkten in bijlage C van verordening nr. 204/69 wil alleen zeggen dat, wanneer de Commissie termen aanwezig acht om voor lactoalbumine restitutie te verlenen, zij bij de vaststelling van het restitutiebedrag voor dit produkt dezelfde berekeningsmaatstaven moet hanteren als die welke voor ovoalbumine gelden. Maar deze verplichting van de Commissie aangaande de wijze van berekening der restitutie betekent niet dat zij voor een produkt restitutie moet verlenen alleen omdat zij de voorwaarden voor restitutieverlening inzake het andere produkt vervuld achtte. Indien genoemde bepaling in de bijlage van verordening nr. 204/69 aldus zou moeten worden gelzen, zou de consequentie hiervan zijn dat deze verordening, die ook formeel een uitvoeringsverordening is voor de basisverordeningen tot ordening van de markten in de sector zuivel en eieren, op dit punt in strijd zou zijn met de voornaamste bepalingen van laastgenoemde verordeningen: deze voorzien wel in de mogelijkheid om bij uitvoer van de daarbedoelde afgeleide produkten restitutie te verlenen, doch alleen voor zover de afzet van de desbetreffende basisprodukten dit verlangt.

Uit artikel 9 van verordening nr. 122/67 volgt immers dat de restitutie voor ovoalbumine in het kader van de marktordening voor eieren wordt vastgesteld in samenhang met de restitutie ten behoeve van de uitvoer van dit basisprodukt waarvan ovoalbumine is afgeleid. Dienovereenkomstig is de restitutieverlening bij uitvoer van lactoalbumine alleen gerechtvaardigd, indien zij noodzakelijk is voor de afzet van melk, waarvan lactoalbumine is afgeleid. Dit blijkt uit artikel 17 van verordening nr. 804/68 betreffende de gemeenschappelijke marktordening voor zuivelprodukten, op grond waarvan restituties bij uitvoer kunnen worden verleend voor zover nodig om de uitvoer mogelijk te maken van de in artikel 1 bedoelde produkten — in ons geval met name melk — als zodanig of in de vorm van de in de bijlage genoemde produkten, waaronder lactoalbumine. Het lijkt mij dan ook duidelijk dat een besluit tot restitutieverlening voor lactoalbumine moet afhangen van de afzetomstandigheden van haar basisprodukt. Het zou derhalve in strijd zijn met het doel van de restitutie die bij uitvoer van lactoalbumine kan worden verleend, wanneer men het daartoe strek kend besluit implicite en automatisch vervat acht in een besluit dat alleen betrekking heeft op de specifieke eieren-marktsector, zoals de verordeningen waarbij de Commissie een restitutie voor de uitvoer van ovoalbumine heeft ingesteld.

Mijns inziens kan er geen twijfel bestaan aan de ongegrondheid van deze interpretatie.

In tegenstelling tot hetgeen verzoekster in het hoofdgeding betoogt, wil ook het feit dat voor de invoer van lactoalbumine in de Gemeenschap dezelfde heffing geldt als voor de invoer van ovoalbumine, geenszins zeggen dat er bij de verlening van restitutie in geval van uitvoer van deze beide produkten automatisch sprake is van eenzelfde correlatie. Tussen de heffing en de restitutie is een dergelijke automatische samenhang in het algemeen niet noodzakelijkerwijs gegeven. Wat lactoalbumine betreft, komt daar nog bij dat — zoals verzoekster zelf verklaarde — de heffing bij invoer in de Gemeenschap niet zozeer is vastgesteld voor de bescherming van de communautaire lactoalbumineproduktie die in de algemene Gemeenschapseconomie nauwelijks enige rol speelt, als wel voor de bescherming van de produktie van ovoalbumine in de Gemeenschap. Immers, juist vanwege het substitutievermogen van lactoalbumine ten opzichte van ovoalbumine zou de douanebescherming van dit laatste produkt ernstig tekort schieten, als zij niet tevens gold voor het substitutieprodukt lactoalbumine. Waar het invoerrecht voor lactoalbumine dus is vastgesteld ter bescherming van een ander produkt, kan men hieruit niet afleiden dat de afzet van lactoalbumine in derde landen moet worden bevorderd door een uitvoerrestitutie. Gezien de economisch onbelangrijke lactoalbumineproduktie in de Gemeenschap, was het volgens de Commissie niet nodig voor dit produkt restituties vast te stellen. Dit zou waarschijnlijk alleen maar hebben gewerkt als een stimulans tot produktie-uitbreiding, niet op grond van reële marktverhoudingen in de Gemeenschap, maar uitsluitend vanwege het kunstmatige restitutiegewin. De restitutie is daarentegen bedoeld als ondersteuning van reeds bestaande belangrijke economische activiteiten.

Samenvattend moge ik concluderen het Nederlandse rechtscollege te antwoorden dat bijlage C van verordening nr. 204/69 in noot 4 van de kolom „eieren in de schaal” met betrekking tot de goederen ovoalbumine en lactoalbumine van post 35.02-A-II-a weliswaar tevens verwijst naar lactoalbumine voor de bepaling van de criteria ter berekening van restitutiebedragen bij uitvoer, maar dat zulks niet inhoudt dat bij toepassing dier bepaling de toekenning van een restitutie bij wege van een verordening der Commissie voor de uitvoer van ovoalbumine automatisch eveneens geldt voor de uitvoer van lactoalbumine, afgezien van een bijzondere bepaling dienaangaande in de betrokken verordening der Commissie betreffende melkprodukten.

Bijgevolg behoeft niet verder te worden ingegaan op de overige vragen van de verwijzende rechter.


( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.