CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J. P. WARNER

VAN 5 JULI 1973 ( 1 )

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

Deze zaak is aan het Hof voorgelegd door een verwijzingsbeschikking van het Hessische Finanzgericht. Zij heeft betrekking op twee importen in de Bondsrepubliek, door verzoekster verricht in het najaar van 1963, van respectievelijk een partij Franse tarwe en een partij Franse gerst. Waarom de procedure in deze zaak zo lang heeft gesleept, is het Hof niet medegedeeld, maar het zal geen verbazing wekken dat de Gemeenschapsverordeningen die op deze importen van toepassing waren, inmiddels allang zijn vervangen. Dat wil niet zeggen dat de gestelde vragen door de ontwikkeling van het Gemeenschapsrecht volledig zijn achterhaald, want soortgelijke (hoewel niet in alle opzichten identieke) vragen kunnen rijzen onder de thans geldende verordeningen.

U zult zich herinneren dat vóór 1962 ten minste enkele van de toenmalige Lid-Staten hun landbouw beschermden door middel van uiteenlopende tarieven, contingenten en andere maatregelen. Op 4 april 1962 stelde de Raad verordening nr. 19 vast, die ten doel had geleidelijk een gemeenschappelijke ordening van de graanmarkten in de Lid-Staten tot stand te brengen met het oog op de instelling van een enkele gemeenschappelijke markt. Deze verordening en de meeste bepalingen ter uitvoering hiervan werden per 1 juli 1967 vervangen door 's Raads verordening nr. 120/67/EEG betreffende de gemeenschappelijke ordening van de markten in de sector granen, zoals wij die thans in hoofdzaak kennen.

Deze zaak valt onder de overgangsperiode van 1962 tot 1967, toen verordening nr. 19 nog gold. Onder vigeur van deze verordening mocht elke Lid-Staat zijn eigen landbouw blijven beschermen, zelfs tegen invoer uit andere Lid-Staten (hoewel in mindere mate dan tegen invoer uit niet-Lid-Staten), doch ten aanzien van granen uitsluitend door middel van het bij de verordening ingevoerde heffingsstelsel.

Dat stelsel kwam, voor zover van belang, op het volgende neer: Elke Lid-Staat stelde jaarlijks voor elke in de verordening genoemde graansoort en binnen de door de Raad gestelde grenzen, „richtprijzen” vast, welke door die staat passend worden geacht als koopprijs op de groothandelsmarkt binnen zijn gebied met het grootste tekort. In de Bondsrepubliek was dit sleutelgebied Duisburg. Elke Lid-Staat stelde dan, eveneens jaarlijks, dienovereenkomstige drempelprijzen vast, waartegen de betrokken produkten in die staat moesten worden ingevoerd om niet onder het niveau van de richtprijs in het sleutelgebied te komen. Ten slotte stelde de Commissie voor de invoer uit andere Lid-Staten, franco-grensprijzen" vast, uitgaande van de geldende prijzen op de meest gerede markt van elke uitvoerende staat. Elke staat was dan gerechtigd om op dergelijke importen een heffing te leggen, gelijk aan het verschil tussen de franco-grensprijs en de drempelprijs, zulks verminderd met een bepaald bedrag ten einde voorrang te geven aan invoer uit Lid-Staten boven die uit niet-Lid-Staten. In geval van invoer uit niet-Lid-Staten moest de Commissie in plaats van franco-grensprijzen cif-prijzen vaststellen, waarop de heffing dan werd gebaseerd, maar naar mijn mening doet dit hier verder niet ter zake.

In casu gaat het geschil over de wijze waarop de Bondsrepubliek de drempelprijzen voor het jaar 1963-1964 heeft vastgesteld.

De beginselen voor de vaststelling van de drempelprijzen onder verordening nr. 19 zijn reeds aan de orde gekomen in zaak 76-70 (Ludwig Wünsche (…) Co tegen Hauptzollamt Ludwigshafen/Rhein, Jurisprudentie 1971, blz. 393). Gezien 's Hofs overwegingen (in het bijzonder op de bladzijden 399-400) en de conclusie van Advocaat-Generaal Roemer (met name op de bladzijden 404-407) in deze zaak, dunkt mij dat wij het volgende als vaststaand mogen aannemen:

1.

In het systeem van verordening nr. 19 lag besloten dat voor de berekening van drempelprijzen de dienovereenkomstige richtprijzen moesten worden verminderd met de geschatte kosten van een importeur tussen het punt van aankoop franco grens van de exporteur en het punt waarop de richtprijzen van toepassing waren (dat wil zeggen het punt van veronderstelde verkoop door de importeur op de groothandelsmarkt in het sleutelgebied), en met een brutowinstmarge voor de importeur.

2.

Daar de drempelprijzen immers jaarlijks tevoren werden vastgesteld en van toepassing waren op alle desbetreffende importen door wie ook verricht, dienden de ten deze in aanmerking te nemen kosten forfaitair te worden begroot aan de hand van de kostenelementen die voor importeurs in het algemeen gelden, en niet te worden bepaald op grond van de door een bepaalde importeur voor een bepaalde invoer werkelijk gedragen kosten.

3.

Alleen kosten die door elke importeur bij het verrichten van zijn invoer op de meest economische wijze onvermijdelijk moesten worden gedragen, mochten in aanmerking worden genomen. Dit bracht onder andere mee dat als wettelijk criterium werd aangenomen dat er als het ware een gefingeerde invoer plaatsvond op het gunstigste punt van de grens van de betrokken staat ten opzichte van het sleutelgebied. In de Bondsrepubliek werd (ten opzichte van Duisburg) Emmerik als dit punt aangewezen.

Verzoeksters grief in deze zaak is dat de Bondsrepubliek bij de vaststelling van de drempelprijzen voor 1963/1964, bepaalde door importeurs gedragen kosten niet, althans niet voldoende, in aanmerking heeft genomen met als gevolg dat zowel die prijzen als ook de heffingen die haar ter zake van de beide bovenbedoelde importen werden opgelegd, te hoog waren.

In de verwijzingsbeschikking van het Hessische Finanzgericht wordt de vraag aan het Hof als volgt geformuleerd:

„Zijn de artikelen 2 en 4 van verordening nr. 19/62 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschappen (PB EEG 1962, blz. 933) in die zin te verstaan dat bij de berekening van de heffing de door verzoekster genoemde kostenfactoren, met name …”

(volgt een opsomming van een aantal dezer factoren)

„van de drempelprijs moesten worden afgetrokken of niet?”

De aldus geformuleerde vraag — die overeenstemt met de vraagstelling van het Finanzgericht Rheinland-Pfalz in de zaak-Wünsche — is in zekere zin onjuist, omdat strikt genomen de betrokken kosten moesten worden afgetrokken van de richtprijs bij de berekening van de drempelprijs, niet van de drempelprijs bij de berekening van de heffing. Ik neem echter aan dat het Hessische Finanzgericht bij de formulering heeft gedacht aan de aanwijzing van het Hof in de zaak-Wünsche dat, wanneer een Lid-Staat bij de vaststelling van de drempelprijzen had verzuimd een passende mindering aan te brengen, het de nationale rechter vrijstond zulks te corrigeren door de heffing dienovereenkomstig te verlagen.

Zowel verzoekster als de Commissie als de regering van de Bondsrepubliek zijn het er blijkens hun schriftelijke opmerkingen over eens dat sommige van de kosten in kwestie onvermijdelijk door elke importeur moesten worden gedragen en dientengevolge aftrekbaar waren. Deze kosten vallen in vijf rubrieken uiteen:

1.

De kosten van de ingevolge artikel 16, lid 2, van verordening nr. 19 verplichte waarborg in de vorm van een deposito of een bankgarantie.

2.

De kosten van inspectie der goederen op planteziekten en parasieten. Deze inspectie is in de Duitse wet voorgeschreven voor alle importen van onder meer granen. Buiten beschouwing blijven echter de kosten van maatregelen, zoals fumigatie, als gevolg van de inspectie, omdat — aldus de Commissie en de Bondsregering — dergelijke maatregelen niet noodzakelijkerwijs bij elke invoer worden bevolen.

3.

De kosten van inklaring (Zollabfertigungskosten) die gewoonlijk als bemiddelingskosten kunnen worden aangemerkt. Hierbuiten valt echter een retributie (Zollüberwachungsgebühren) die door de Duitse douaneautoriteiten zelf kon worden opgelegd, doch volgens de Commissie en de Bondsrepubliek alleen als de importeur de goederen ergens anders dan op het officiële douanekantoor of buiten de normale diensturen wilde inklaren.

Met betrekking tot deze laatste kosten en de kosten van inspectie op planteziekten is door verzoekster nog gesteld dat dit lasten waren met gelijke werking als douanerechten en derhalve onrechtmatig. Een vraag in die zin is door het Hessische Finanzgericht echter niet aan het Hof gesteld en ik zal dit punt dan ook ter zijde laten.

Resten dan nog twee kostenrubrieken die omnium consensu aftrekbaar zijn:

4.

De Duitse compenserende omzetbelasting, die het eigenlijke onderwerp van geschil in de zaak-Wünsche vormde en naar het oordeel van het Hof aftrekbaar is.

5.

Het vervoer van Emmerik naar Duisburg. Het enige verschil van mening betreft het kwantum. De beslissing in deze behoort tot het ressort van het Hessische Finanzgericht en niet, althans niet in dit stadium, van het Hof.

Men is het er ook over eens dat, naast deze vijf kostenrubrieken, een marge in mindering moet worden gebracht voor een redelijk deel van de algemene kosten van de importeur evenals voor zijn winst.

Naar mijn mening is het volgens de beginselen in het arrest-Wünsche duidelijk dat de vijf kostenrubrieken en de marge inderdaad aftrekbaar waren bij de berekening van de drempelprijzen.

Het geschil over de kosten'van maatregelen naar aanleiding van de inspectie der goederen en over de retributie voor de Duitse douane moet dunkt mij worden beslecht door het Hessische Finanzgericht, omdat het in beide gevallen gaat om de vraag of uitgaven onder dat hoofd bij elke invoer onvermijdelijk zijn. De beantwoording van deze vraag houdt een toepassing en niet alleen uitlegging van Gemeenschapsrecht in. Wellicht zal het Hessische Finanzgericht ten aanzien van het eerste punt zijn eigen beslissing VII, 4-67 van 19 december 1972 volgen, dat kosten van fumigatie niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de berekening van de drempelprijzen, omdat zij niet voor alle importeurs onvermijdelijk zijn.

Verder zijn in deze zaak bepaalde kosten in het geding, die gemakshalve onder het hoofd bankkosten kunnen worden samengebracht. Hieronder vallen tevens kosten, verbonden aan de procedure van betaling op vertoon van documenten. Volgens zowel de Commissie als de regering van de Bondsrepubliek zijn sommige van deze kosten inderdaad aftrekbaar, maar andere niet omdat zij niet onvermijdelijk waren. Volgens de Bondsregering mogen de financieringskosten voor de aankoop van goederen niet in mindering worden gebracht, voor zover zij betrekking hebben op de tijd tot het moment van grensoverschrijding, omdat zij tot dan toe moeten worden verdisconteerd in de door de Commissie vastgestelde franco-grensprijzen.

Naar ik meen, ligt ook de oplossing van deze punten niet op de weg van het Hof, omdat men hier niet meer heeft te maken met de uitlegging maar met de toepassing van de Gemeenschapsverordening. Het Hof zou ten deze kunnen volstaan met de uitspraak dat alleen de kosten die door elke importeur bij het verrichten van zijn invoer op de meest economische wijze onvermijdelijk moesten worden gedragen, bij de berekening van de drempelprijzen in mindering konden worden gebracht.

Wel moet ik iets zeggen over de opmerking van de Bondsregering met betrekking tot de financieringskosten. Men dient zich hierbij wel te realiseren dat zich in dit opzicht alleen een vraag kan voordoen, als voor het Hessische Finanzgericht feitelijk is komen vast te staan dat onder de marktomstandigheden in het relevante tijdvak elke importeur in de Bondsrepubliek voor de goederen onvermijdelijk moest betalen vóór aankomst bij de grens. Als dit niet komt vast te staan, kan er in principe geen sprake zijn van aftrekbare kosten ter financiering van de aankoop van de goederen vóór dat tijdstip.

De Bondsregering gaat er in haar redenering vanuit dat de Commissie bij de vaststelling van de franco-grensprijzen rekening moest houden met alle kosten tot het tijdstip van aankomst der goederen bij de grens. De Bondsrepubliek beroept zich hiertoe op het arrest in de zaak 17-72, Gesellschaft für Getreidehandel AG tegen Einfuhr- und Vorratsstelle für Getreide und Futtermittel (Jurisprudentie 1972, blz. 1071). In dit arrest werd echter, voor zover van belang, beslist dat de Commissie bij het vaststellen van de franco-grensprijzen de door de exporteur te dragen kosten in aanmerking moest nemen. Het Hof heeft niets gezegd over de door de importeur te dragen kosten. Bovendien is het commercieel niet anders dan logisch dat, wanneer krachtens een franco-grenscontract de goederen door de importeur moeten worden betaald vóór aankomst bij de grens, zulks voor hem zou moeten resulteren in een lagere prijs dan zonder een dergelijke bepaling, omdat de last van de kapitaalfinanciering der goederen in een eerder stadium van de exporteur wordt afgewenteld op de importeur. Mijns inziens ligt aan de redenering van de Bondsregering de fout ten grondslag dat volgens het systeem van verordening nr. 19 de kosten die ten laste van de importeur komen tussen het tijdstip van aankomst der goederen bij de grens en het tijdstip van aanbieding op de groothandelsmarkt, zouden moeten worden verrekend in de drempelprijzen. Naar mijn mening gaat het er niet om waar de goederen zich op een bepaald moment bevonden. Volgens de opzet van het systeem was de richtprijs de wenselijk geachte prijs waartegen een hypothetische importeur zou moeten verkopen aan een hypothetische groothandelaar in Duisburg, en was de drempelprijs de prijs waartegen die importeur van een buitenlandse exporteur moest kopen ten einde hem met commerciële middelen te beletten de richtprijs te ondergraven. Het verschil tussen de richtprijs en de drempelprijs wordt derhalve geacht alle kosten weer te geven, die in verband met de hypothetische invoer ten laste van de importeur komen, ongeacht de tijd of plaats waarop hij die moet dragen, evenals (zoals de Bondsregering toegeeft) een marge voor zijn algemene kosten en nettowinst. Hieruit zou volgen dat indien Duitse importeurs in 1963 inderdaad gelijkelijk verplicht waren aangekochte goederen te betalen vóór aankomst bij de grens, de daarmee verbonden kosten in mindering moeten worden gebracht bij de berekening van de drempelprijzen. Anders niet.

Ten slotte het punt waarover de Commissie en de Bondsregering in hun schriftelijke opmerkingen zeer duidelijk van mening verschilden. Zoals U zich herinneren zult, heb ik de gemachtigde van de Commissie hierover tijdens de zitting nadere vragen gesteld. Het betreft de kosten van weging en monstertrekking van de goederen bij aankomst ten behoeve van de importeur, voor controle op conformiteit met het contract.

Verzoekster, de Commissie en de Bondsregering schijnen het erover eens te zijn dat een dergelijk onderzoek van de goederen (te onderscheiden van het volgens de Duitse wet vereiste onderzoek op planteziekten en parasieten) essentieel was en dat de kosten ervan onvermijdelijk door de importeur moesten worden gedragen. Uit de stukken is niet geheel duidelijk, waar of wanneer precies dat onderzoek zou hebben plaatsgehad in het geval van de hypothetische invoer die, zoals ik heb gesuggereerd, het beslissende criterium vormt. Maar dit is niet van belang, als inderdaad mijn mening juist is, dat alle onvermijdelijk ten laste van de hypothetische importeur komende kosten in mindering moesten worden gebracht bij de berekening van de drempelprijzen, ongeacht waar en wanneer die kosten ontstonden. Geheel volgens deze zienswijze waren verzoekster en de Commissie het erover eens dat de kosten van dit onderzoek aftrekbaar waren. De Bondsregering was een andere mening toegedaan op grond dat de hypothetische verkoop aan de groothandelaar te Duisburg een verkoop was met levering van de goederen franco magazijn, ongelost en dat de controle zou plaatsvinden na lossing.

Opgemerkt zij dat verordening nr. 19 niets bepaalt omtrent een dergelijk beding bij de hypothetische verkoop. Wel daarentegen zegt artikel 2, lid 3, van verordening nr. 120/67/EEG van de Raad:

„De richtprijs en de basisinterventieprijs worden vastgesteld voor Duisburg in het stadium van de groothandel, geleverd franco magazijn, zonder lossing.”

Niettemin ging de Commissie ter terechtzitting ervan uit dat een soortgelijke bepaling implicite was vervat in verordening nr. 19, en naar men moet aannemen, deelt verzoekster deze mening, daar zij de kosten van lossing te Duisburg niet heeft aangevoerd onder de kosten die in aanmerking moesten worden genomen bij de berekening van de drempelprijzen.

Hoe dan ook, mij dunkt dat aan de redenering van de Bondsregering op dit punt dezelfde drogreden ten grondslag ligt als aan haar betoog inzake de financieringskosten voor de aankoop der goederen. Het gaat er niet om in welk stadium een importeur bepaalde kosten moet dragen, maar of hij ze onvermijdelijk moet dragen. Is dit het geval, dan moeten die kosten worden verwerkt in de verkoopprijs op de groothandelsmarkt in Duisburg en dus in aanmerking worden genomen bij de berekening van de drempelprijs.

Overigens is zowel in de schriftelijke opmerkingen van de Commissie als in die van de Bondsregering nog sprake van andere kosten, zoals die voor het drogen en de eosinering of andere denaturering van het graan. Ik kan geen verwijzing hiernaar vinden in de opmerkingen van verzoekster, zodat ik aanneem dat deze kosten althans in dit stadium van de zaak geen rol meer spelen. Maar ook al zou deze gevolgtrekking onjuist zijn, dan nog doet zich in dit verband geen probleem voor, daar hiervoor dezelfde beginselen gelden als voor de andere kosten die ik besproken heb.

Derhalve moge ik concluderen dat de door het Hessische Finanzgericht aan het Hof voorgelegde vraag als volgt worde beantwoord:

De artikelen 2 en 4 van verordening nr. 19 van 1962 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschappen zijn aldus te verstaan dat bij de vaststelling van de drempelprijzen alle kosten die een importeur bij het verrichten van zijn invoer op de meest economische wijze onvermijdelijk heeft gedragen, in aanmerking moeten worden genomen, maar geen andere.


( 1 ) Vertaald uit het Engels.