CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL K. ROEMER
VAN 21 NOVEMBER 1972 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de onderhavige procedure dient het Hof zich voor de eerste maal bezig te houden met een beschikking van de Commissie krachtens artikel 86 EEG-Verdrag, op grond waarvan het onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden is dat een of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de gemeenschappelijke markt of op een wezenlijk deel daarvan, voor zover de handel tussen Lid-Staten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed.
Om te beginnen het volgende ten aanzien van de feiten:
De onderneming Continental Can Company Inc., New York („Continental”) is een internationaal belangrijke producent van metalen verpakkingen en ander verpakkingsmateriaal evenals van machines voor de fabricage en het gebruik van verpakkingen. Zij beschikt over industriële eigendomsrechten die zij exploiteert door internationale licentieverlening. Op 6 februari 1969 verkreeg zij, door verwerving van de meerderheid van het kapitaal, de controle over Schmalbach-Lubeca-Werke AG te Braunschweig („Schmalbach”), een belangrijke producent van lichtmetalen verpakkingsmaterialen, andere verpakkingen en sluitmachines. Nog dit zelfde jaar verhoogde zij haar participatie tot 85,8 % van het nominale kapitaal.
Vervolgens trachtte Continental haar activiteit en invloed in Europa verder uit te breiden. Zij stelde een plan op om te zamen met Europese verpakkingsondernemingen een vennootschap op te richten ten einde haar Europese belangen daarin onder te brengen. In deze vennootschap zouden een Engelse verpakkingsfabrikant (The Metal Box Company Ltd. te Londen) en Franse en Nederlandse licentienemers van Continental moeten deelnemen. Dit plan vond geen genade bij de betrokken ondernemingen en kon derhalve niet doorgaan. Daarop stuurde Continental aan op een nauwere samenwerking met een Nederlandse licencié, Thomassen & Drijver-Verblifa NV („Thomassen”) te Deventer, een fabrikant van metalen en andere verpakkingen. Op 16 februari 1970 kwamen Continental en Thomassen overeen, dat Continental in Wilmington (in de Amerikaanse staat Delaware) een holding, Europemballage Corporation („Europemballage”) zou oprichten en haar Schmalbach-participatie daarin zou onderbrengen. Voorts zou Continental volgens deze overeenkomst Europemballage ertoe aanzetten en in staat stellen de aandeelhouders van Thomassen (afgezien van Metal Box en Continental) overneming van de aandelen in Thomassen tegen een contant bedrag van 140, — gulden per aandeel aan te bieden. De directie van Thomassen zou haar aandeelhouders aanbevelen hun aandelen aan Europemballage over te doen. Op 20 februari 1970 werd Europemballage inderdaad opgericht, onder 100 % controle van Continental. Volgens plan werden de participaties van Continental in Europa, dus ook in Schmalbach, aan haar overgedragen. Europemballage vestigde een kantoor in New York en in Brussel. Op 16 maart 1970 publiceerde zij (en de directie van Thomassen) het bod aan de aandeelhouders van Thomassen. Op 8 april 1970 had Europemballage tegen betaling van in totaal 44,7 miljoen rekeneenheden aandelen en obligaties van Thomassen in handen gekregen, waarmee de aanvankelijke Thomassen-participatie van 10,4 % op 91,07 % was gebracht.
Deze gebeurtenissen trokken de aandacht van de Commissie die meende bezwaar te moeten maken in verband met artikel 86 EEG-Verdrag. In maart en april 1970 gingen aan de betrokkenen — Continental, Thomassen, Schmalbach en Europemballage — per brief en telex mededelingen in deze zin uit. Toen de opmerkingen der Commissie geen keer in de situatie brachten, besloot zij op 9 april 1970 tegen Continental en Europemballage een procedure ex artikel 3 van verordening nr. 17 (PB nr. 13 van 21 februari 1962) in te leiden wegens verwerving van de controleparticipatie in Thomassen.
Op 15 maart 1971 werd Europemballage te haren kantore te Brussel door het Directoraat-generaal Concurrentie van de Commissie mededeling gedaan van de punten van bezwaar. Op 9 augustus 1971 volgde het antwoord hierop, waarna de betrokkenen bij de mondelinge behandeling zijn gehoord.
Toen de Commissie daarbij niet bleek van een toenadering der standpunten, gaf zij op 9 december 1971 een formele beschikking (PB nr. L 7 van 8 januari 1972), bevattende de juridische beoordeling van de door haar onderzochte feiten en de daaraan verbonden gevolgen rechtens. In de beschikking wordt vastgesteld dat Continental in Duitsland, dat wil zeggen op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt, via Schmalbach een machtspositie inneemt op de markt van lichte verpakkingen voor vlees- en visconserven en van metalen deksels voor glazen potten. Door de verwerving van een meerderheidsdeelneming in de concurrerende onderneming Thomassen in Nederland was deze machtspositie zozeer versterkt dat de concurrentie „praktisch” werd uitgeschakeld, hetgeen het in artikel 86 EEG-Verdrag bedoelde misbruik oplevert. Uit het feit dat Thomassen en Schmalbach voorheen in staat waren over de grenzen, vooral in West-Duitsland en de Benelux, te leveren en dat deze mogelijkheid van grensoverschrijdende mededinging door de fusie was weggevallen, moest tevens worden geconcludeerd dat het samengaan van genoemde vennootschappen invloed kan uitoefenen op de handelsstromen tussen de Lid-Staten op een wijze die nadelig kan zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van één enkele markt tussen de staten. Op deze gronden beschikte de Commissie dat Continental verplicht is aan de vastgestelde inbreuk op artikel 86 een einde te maken en daartoe voor 1 juli 1972 voorstellen aan de Commissie had te doen.
Bij nadere onderhandelingen met de Commissie trachtten de vertegenwoordigers van de vennootschappen een voor haar aanvaardbare oplossing te vinden. Daar Continental en Europemballage echter ook principieel van mening zijn, dat de Commissie artikel 86 in hun geval ten onrechte heeft toegepast, stelden zij op 9 februari 1972 beroep in bij het Hof tot nietigverklaring van de beschikking der Commissie van 9 december 1971.
In dit stadium van de procedure is het thans aan mij te onderzoeken, of de beschikking van de Commissie in stand kan blijven of wel op een van de door verzoeksters aangevoerde gronden (die ik aanstonds onder de loep zal nemen) moet worden vernietigd. Daar partijen verdeeld worden gehouden door een groot aantal feitelijke en rechtsvragen, zal ik vóór mijn beschouwingen een overzicht van mijn indeling geven. Ten eerste zal ik spreken over de procesbevoegdheid van verzoeksters, vervolgens over de rechtsvraag of artikel 86 in een geval als dit hoegenaamd van toepassing is, dan over de vraag van economische aard of Schmalbach in de Bondsrepubliek een machtspositie innam en hoe het stond met de concurrentie tussen Schmalbach en Thomassen, en ten slotte over de vraag of de Commissie bevoegd is een beschikking aan een in de Verenigde Staten gevestigde onderneming te richten en of deze onderneming aansprakelijk kan worden gesteld voor handelingen van een dochtermaatschappij. Tevens zullen in dit verband een aantal formele grieven worden bekeken.
1. Procesbevoegdheid
Ten eerste is Continental New-York tegen de beschikking in het geweer gekomen. Dit is niets bijzonders, omdat de beschikking blijkens artikel 3 uitdrukkelijk tot haar is gericht. Bovendien wordt in het dispositief vastgesteld dat Continental misbruik heeft gemaakt van een machtspositie en dat zij verplicht is de inbreuk op artikel 86 EEG-Verdrag te beëindigen en daartoe passende voorstellen aan de Commissie moet doen.
Daarnaast is echter ook geklaagd door Europemballage (Europemballage Corporation Brussel), dat wil zeggen de dochter van Continental, die de feitelijke verwerving van de Thomassen-aandelen wordt aangewreven. Zij voert daarvoor aan dat de volgens de verklaring der Commissie alleen bindende Franse tekst van de beschikking in het rubrum de Europemballage Corporation uitdrukkelijk vermeldt. Bovendien was de begeleidende brief bij de beschikking gericht aan Europemballage Corporation en werd de procedure ook daarin aangeduid onder het motto „Europemballage”. — Hiertegen is evenmin iets in te brengen. Ook Europemballage wordt ongetwijfeld rechtstreeks geraakt door een beschikking waarin aanmerking wordt gemaakt op een verwerving van aandelen door haar bemiddeling.
Derhalve staat vast dat beide ondernemingen ten processe bevoegd zijn. Daar geen andere bezwaren tegen de ontvankelijkheid van het beroep zijn te vinden, kunnen wij zonder verdere prealabelen tot de behandeling van de procesbeweringen zelf overgaan.
|
2. |
Zoals gezegd, is daar in de eerste plaats de vraag of artikel 86 hoegenaamd op concentraties van toepassing is. Ik wil de vraag eerst iets inperken. — Enerzijds laat artikel 86 stellig geen controle op fusies toe. Op dit punt verschillen partijen niet van mening; uit een vergelijking met het reeds vroeger in werking getreden artikel 66 EGKS-Verdrag, dat een uitvoerige regeling voor concentraties bevat, blijkt duidelijk genoeg dat men bij de opstelling van artikel 86 EEG-Verdrag de doelstellingen en procedure van artikel 66 EGKS niet heeft willen overnemen. — Anderzijds zal men echter nog niet mogen stellen, dat een wijziging in de marktstructuur door een concentratie van ondernemingen nimmer onder artikel 86 valt. In dit opzicht wil ik wijzen op de in de litteratuur heersende en ook door verzoeksters gehuldigde mening dat artikel 86 gaat spelen, wanneer een overheersende onderneming haar machtspositie gebruikt door bij voorbeeld via haar prijzen druk op een concurrent uit te oefenen om beëindiging van de concurrentie en aansluiting bij de onderneming af te dwingen. In zo'n geval is toepassing van artikel 86 geoorloofd, omdat er dan sprake is van oneerlijk marktgedrag van een overheersende onderneming met de kennelijke bedoeling de mededinging te beperken. Intussen zij dadelijk gezegd dat deze laatste interpretatiemogelijkheid zich in casu niet voordoet. Sommige uitlatingen van de Commissie schijnen wel in die richting te duiden (bij voorbeeld waar zij zegt dat de afloop van de licentieovereenkomsten tussen Continental en Thomassen en de noodzaak om over nieuwe overeenkomsten te onderhandelen, van invloed kunnen zijn geweest bij het besluit van de directie van Thomassen om de aandeelhouders tot verkoop te bewegen), maar uit de verklaringen van verzoeksters over het tijdstip en het verloop van de licentieonderhandelingen en over de voorwaarden van de aandelentransactie blijkt ten slotte toch zeer duidelijk dat de Commissie niet wil beweren dat bij de overneming van Thomassen door Europemballage (waarin de aandeelhouders van Thomassen het laatste woord hadden) oneerlijke middelen zijn aangewend. De enige essentiële vraag in casu is slechts — zoals bovenbedoelde inperking duidelijk maakt — of artikel 86 ook in werking komt, wanneer een vooraanstaande onderneming door de verwerving van een andere onderneming haar marktpositie zozeer versterkt, dat er „in de praktijk” geen concurrentie van economisch belang overblijft. Dit is immers de basisstelling van de Commissie in dit verband en juist dit standpunt wordt door verzoeksters met kracht bestreden. Om in dit aldus afgebakende kerngeschil een passend oordeel te geven, moeten verschillende punten in overweging worden genomen. Ten eerste valt een casuspositie, zoals bedoeld door de Commissie, rechtstreeks onder geen van de vier rubrieken in de tweede alinea van artikel 86, hetgeen duidelijk blijkt bij lezing van de daar genoemde gevallen van misbruik. Op zichzelf zegt dit echter nog niets definitiefs over de toepassing van artikel 86, omdat reeds de woorden „met name” erop wijzen dat het in die gevallen slechts om voorbeelden gaat en niet om een uitputtende opsomming. Voorts zij bedacht dat de formulering „misbruik van een machtspositie op de gemeenschappelijke markt” in de eerste alinea van artikel 86 schijnt in te houden dat voor de toepassing van deze bepaling de machtspositie als instrument en op laakbare wijze moet zijn gebruikt; deze criteria zouden derhalve noodzakelijk zijn als elementen voor de rechtstoepassing. Indien dit inderdaad zo is, dan kan artikel 86 in ons geval zeker niet worden toegepast, daar — zoals gezegd — ook de Commissie meent dat Continental haar via Schmalbach verkregen machtspositie niet als instrument heeft gebruikt bij de verwerving van de aandelen-Thomassen. Hiertegen brengt de Commissie weer in dat dit punt (gebruik van een machtspositie) inderdaad wel een rol speelt in de voorbeelden sub a), c) en d) van artikel 86, tweede alinea, doch als element in het voorbeeld b) geheel op de achtergrond staat. Daarin wordt als misbruik eveneens beschouwd het „beperken van de produktie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van de verbruikers”, dat wil zeggen interne handelwijzen waarbij de machtspositie niet instrumenteel is, doch slechts sprake moet zijn van een benadeling der verbruikers, dus van een bepaalde werking op de markt. Hierop voortbordurend, tracht de Commissie haar vorenomschreven stelling aan de hand van artikel 86, tweede alinea, sub b), te rechtvaardigen en aan een beperking van de concurrentie door versteviging van een machtspositie een misbruikkarakter toe te kennen, omdat de consumenten kunnen worden benadeeld door de verminderde keuzemogelijkheden. Een belangrijke rol spelen voor haar in dit verband ook de Verdragsbeginselen en -doeleinden, die zijn te vinden in de preambule van het Verdrag (het waarborgen van „eerlijkheid in de mededinging”) en artikel 3, sub f), („de invoering van een regime waardoor wordt gewaarborgd dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt niet wordt vervalst”). Bovendien leidt zij uit artikel 85, lid 3, sub b), een grondbeginsel af, dat in het algemeen bepalend zou zijn voor het mededingingsrecht in het Verdrag, namelijk dat de mededinging niet „voor een wezenlijk deel van de betrokken produkten” mag worden uitgeschakeld. De beslissende vraag is nu dus of wij met de gevolgtrekkingen van de Commissie kunnen meegaan of dat deze — zoals verzoeksters menen — op ernstige bezwaren stuiten. Ik moge al dadelijk zeggen dat ik na afweging van alle relevante factoren tot de overtuiging kom dat tegen de stelling der Commissie wel de nodige bedenkingen zijn te maken. Het is duidelijk dat de Commissie doende is artikel 86 extensief uit te leggen, doordat zij een benadeling der verbruikers wegens beperking der produktie vanuit een overheersende positie gelijkstelt met aantasting van consumentenbelangen, die het gevolg kan zijn van het uitvallen van een concurrent, dus van beperking van de keuzemogelijkheden. Deze interpretatie moet principieel argwaan wekken bij een zo ingrijpende bepaling als artikel 86, dat een verbod (met als vermoedelijk gevolg civielrechtelijke nietigheid) bevat en overtreding bestraft. Hier valt veel te zeggen voor de stelling dat een enge interpretatie, dus voorzichtigheid met analogiepogingen, geboden is en dat — zoals verzoeksters menen — de handeling althans onder de aard van de voorbeelden in artikel 86, tweede alinea, sub a) tot en met d), moet vallen. Men dient hier, anders gezegd, uit te gaan van het adagium in dubio pro libertate, dat voor de overeenkomstige bepaling in paragraaf 22 van de Duitse Gesetz gegen Wettbewerbsbeschränkungen bij herhaling door gezaghebbende auteurs wordt aangevoerd ten einde tot een nauwe aansluiting bij de tekst der bepaling te komen. Inderdaad kan niet worden ontkend — ik zeg dit in verband met het essentiële vereiste van de rechtszekerheid — dat een benadeling van de verbruikers in de zin van de hier alleen bruikbare norm van artikel 86, tweede alinea, sub b), een aanzienlijk nauwkeuriger element is als de beïnvloeding van de keuzemogelijkheden der verbruikers door het uitvallen van een concurrent, wat slechts tot benadeling kan leiden. Juist uit het onderhavige geval blijkt zeer duidelijk dat de noodzakelijke economische waarderingen op dit punt uiterst moeilijk zijn en dat de rechtsgevolgen bij de stelling der Commissie derhalve nauwelijks zijn te voorzien. Daartegenover kan ook niet worden gewezen op de mogelijkheid krachtens artikel 2 van verordening nr. 17 een negatieve verklaring aan te vragen, omdat — afgezien van de duur van deze procedures — een dergelijke verklaring geen legaliserend effect heeft. Tegen de argumenten die de Commissie voor haar standpunt put uit de Verdragsbeginselen en -doeleinden in de preambule en de beginartikelen van het Verdrag, is bovendien nog het volgende in te brengen. Het is wel in confesso dat het bij bedoelde teksten gaat om verklaringen en normen die zich niet voor rechtstreekse toepassing lenen. Dit blijkt met name uit artikel 3, dat op tal van punten uitvoeringsbepalingen van de Lid-Staten of de Raad verlangt of — zoals in de woorden „onder de voorwaarden in dit Verdrag voorzien” besloten ligt — naar andere bepalingen in het Verdrag zelf verwijst. Wat de onderhavige bepaling van artikel 3, sub f), betreft, volgt zulks vooral ook uit de zeer algemeen gehouden formulering. Hieruit kan immers net zo min nauwkeurig worden afgeleid, wat onder „vervalsing van de mededinging” wordt verstaan, als uit de preambule van het Verdrag een exact criterium voor het begrip „eerlijke mededinging” is op te maken. Men dient daartoe de artikelen 85 en 86 op te slaan. Uit artikel 85 blijkt evenwel dat een beperking van de concurrentie, dus een inbreuk op de regel van onvervalste mededinging, kan worden gedoogd, indien aan de voorwaarden van lid 3 is voldaan. Uit artikel 86 volgt voorts, dat het Verdrag zelfs de afwezigheid van enige concurrentie, dus een zuiver monopolie, duldt. Men mag dit zeggen omdat artikel 86 geen onderscheid naar de mate van marktbeheersing maakt en niet — zoals section 2 van de Sherman Act die bij de opstelling van het Verdrag alleszins bekend was — reeds de poging om een monopoliepositie te scheppen verbiedt. Bovendien bevat artikel 86 EEG-Verdrag juist niet het in artikel 66 EGKS-Verdrag en artikel 85, lid 3 b), EEG-Verdrag wèl gemaakte voorbehoud dat een „daadwerkelijke mededinging” niet mag worden verhinderd, respectievelijk de mogelijkheid niet mag worden gegeven de mededinging voor een wezenlijk deel van de betrokken produkten uit te schakelen. De verwijzing naar de fundamentele verdragsartikelen levert dus niets op voor de stelling der Commissie, doch bovendien zijn hiertegen nog twee andere niet onbelangrijke argumenten in te brengen. Ten eerste mag men niet vergeten dat artikel 86 een volstrekt verbod bevat, dus zonder mogelijkheid van wettiging. Bij toepassing van dit artikel op het onderhavige soort gevallen zou deze interpretatie uit een oogpunt van industriepolitiek tot hoogst ongewenste gevolgen kunnen leiden. — Anderzijds kan de stelling der Commissie, waarmee zij althans de zwaarste gevallen van ongewenste fusies wil aangrijpen, tot gevolg hebben dat de aandacht wordt afgeleid van het algemene probleem van de controle op fusies, hetgeen evenzeer onjuist zou zijn. Mijns inziens is het standpunt dat artikel 86 zich principieel niet leent voor een controle op fusies, meer in het belang van een gezonde concurrentieordening in de Gemeenschap en moet men niet de schijn wekken dat het omvangrijke probleem van de controle op fusies althans voor een deel kan worden opgelost, wanneer met een extensieve interpretatie van artikel 86 gevallen worden bestreken waarin slechts een onbelangrijke, marginale restantconcurrentie verdwijnt en die mededingingsrechtelijk dus niet het schadelijkst zijn. Deze rechtspolitieke overweging is misschien niet van beslissend belang, maar bij een algemene beoordeling van de problematiek mag zij toch niet geheel over het hoofd worden gezien. Tot slot van deze beschouwingen over de kernvraag van het geding kan ik dus slechts het volgende vaststellen: naar mijn mening zijn de argumenten die verzoeksters aan de bewoordingen en opzet van de mededingingsregels van het Verdrag ontlenen, mede gelet op verwijzingen naar de voorgeschiedenis van het Verdrag en uitlatingen van vooraanstaande deskundigen, zo zwaarwegend dat de stelling der Commissie inzake de uitlegging van artikel 86 en de toepassing ervan op gevallen van een versterkte marktpositie waarvan geen ongeoorloofd gebruik is gemaakt, niet meer gegrond voorkomt. Derhalve dient de bestreden beschikking te worden vernietigd, daar zij in artikel 86 van het Verdrag geen rechtsbasis vindt. |
|
3. |
Zoals gezegd, zal ik mijn beschouwing met deze constatering niet afsluiten. Ik zou nog willen ingaan op de vraag of de vaststelling van de Commissie dat Continental via Schmalbach een machtspositie op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt inneemt, gegrond is. Voorts zal ik onderzoeken of de Commissie tot een juist oordeel is gekomen over de gevolgen van de aaneensluiting van Schmalbach met Thomassen in de holding Europemballage voor de mededingingsverhoudingen in de gemeenschappelijke markt. Het is daarbij niet mijn bedoeling — wat in verband met mijn tot dusver bereikte conclusies begrijpelijk moge zijn — de vrij ingewikkelde, in hoofdzaak economische vragen die zich hier voordoen, uitputtend te behandelen. Ik wil slechts enkele problemen aanroeren en trachten deze globaal te beantwoorden.
Ook wat de wijziging van de concurrentieverhoudingen betreft, is derhalve niet te miskennen dat de bevindingen der Commissie niet vrij zijn van elke twijfel, zodat eveneens op dit punt van de economische beoordeling nauwelijks kan worden gezegd dat de beschikking van de Commissie hecht en onaantastbaar is gefundeerd. |
|
4. |
Verzoeksters werpen verder nog twee grieven op betreffende de rechtspositie van Continental, waarop ik slechts globaal zal ingaan. Ten eerste wordt opgemerkt dat de gewraakte verwerving van aandelen heeft plaatsgevonden door Europemballage, een dochteronderneming van Continental met eigen rechtspersoonlijkheid, zodat twijfelachtig zou zijn of de handelingen van de dochter zonder meer aan de moeder kunnen worden toegerekend en de Continental-groep dus als eenheid kan worden behandeld. — Ten tweede wordt gesteld dat Continental in de gemeenschappelijke markt niet commercieel werkzaam is; overeenkomstig de internationale praktijk moet derhalve worden aangenomen dat zij buiten de jurisdictie der Gemeenschapsinstanties valt. Dat deze grieven niet kunnen slagen, behoeft mijns inziens geen uitvoerig betoog.
|
|
5. |
Ten slotte zijn er nog een aantal vorm- en procedureklachten, die eveneens in enkele woorden zijn af te doen.
|
|
6. |
Samenvattend concludeer ik als volgt: Op grond van mijn standpunt over de principiële vraag van de toepassing van artikel 86 op gevallen als het onderhavige, doch ook omdat de economische overwegingen van de Commissie op het punt machtspositie en wijziging van de mededingingsverhoudingen mij niet overtuigend voorkomen, dient het door Europemballage en Continental ingestelde beroep gegrond te worden verklaard. Mitsdien moet de beschikking der Commissie van 9 december 1971 worden vernietigd en zal de Commissie de kosten van het geding hebben te dragen. |
( 1 ) Vertaald uit het Duits.