CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
A. DUTHEILLET DE LAMOTHE
VAN 9 DECEMBER 1971 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Op 29 juni 1967 exporteerde de firma Brodersen, een te Lübeck gevestigde graanpellerij, 270 ton granen van gerst naar Denemarken.
De vaststelling van het restitutiebedrag waarop deze firma ter zake van deze export aanspraak kon maken, leidde tot een proces met het ten deze verantwoordelijke Duitse bureau, de Einfuhr- und Vorratsstelle für Getreide und Futtermittel.
De firma Brodersen heeft telkens weer betoogd dat zij recht had op de restitutie voor geparelde gerst, hetgeen de Duitse administratie steeds heeft betwist. Na aanvankelijk iedere restitutie te hebben geweigerd, heeft zij ten slotte aan de firma Brodersen de restitutie voor gepelde gerst — die uiteraard lager is dan die voor geparelde gerst — toegekend.
Ter onderscheiding van gepelde gerst en geparelde gerst schijnen drie criteria te kunnen worden aangelegd:
|
1. |
het „uiterlijk” of „granulometrisch” criterium (korrelvorm, mate van slijpen, afmetingen …); |
|
2. |
het asgehalte van het produkt; |
|
3. |
het zetmeelgehalte van het produkt. |
Deze drie criteria dekken elkaar niet en sluiten elkaar evenmin uit, doch kunnen gecombineerd worden toegepast.
Zo werden in de destijds geldende Duitse restitutieregeling zowel voorwaarden gesteld die het asgehalte betroffen als voorwaarden ten aanzien van de uiterlijke vorm.
Het asgehalte van het door de firma Brodersen uitgevoerde produkt voldeed aan de gestelde voorwaarden, doch volgens de bevoegde Duitse administratie was dit, gezien de Duitse regeling, met de uiterlijke vorm niet het geval.
Het Finanzgericht van Hessen, dat van de zaak had kennis te nemen, heeft zich kennelijk afgevraagd of de toe te passen nationale regeling verenigbaar was met een zekere communautaire afbakening van de grens tussen gepelde gerst en geparelde gerst.
Dit was de wezenlijke aanleiding tot het stellen van de beide onderhavige vragen.
I
Denkend aan de wijze van interpretatie welke U in het onlangs gewezen arrest — Siemers — (van 24 november 1971) hebt toegepast, stellen wij U voor op deze beide vragen één enkel antwoord te geven, des dat U zich niet zult hebben uit te spreken over moeilijk te beantwoorden — en zelfs moeilijk te begrijpen — technische en wetenschappelijke vragen, doch anderzijds aan de nationale rechter de gemeenschapsrechtelijke beginselen aan de hand worden gedaan welke hij behoeft om zijn beslissing toe te lichten en hem de draagwijdte dier beginselen in het licht van de gegevens betreffende het onderhavig geval wordt verduidelijkt.
De ten deze toepasselijke beginselen zijn die welke U in het arrest van 27 oktober 1971 — Rheinmühlen — reeds hebt opgesteld.
De hierbedoelde uitvoertransactie vond plaats op 29 juni 1967, dat wil zeggen vóór de — uiterlijk op 1 juli 1967 bepaalde — inwerkingtreding van verordening nr. 120/67.
Daaruit volgt dat de restitutieregeling haar grondslag vond in de artikelen 19 en 20 van 's Raads basisverordening nr. 19, waarin aan de Lid-Staten wordt toegestaan binnen zekere door de communautaire gezagsorganen vastgestelde maxima restituties toe te kennen.
In Uw voormeld arrest Rheinmühlen hebt U geoordeeld dat de Lid-Staten in dit tijdvak:
|
1. |
bij vaststelling van de voorwaarden waaronder de roe te kennen resrituties konden worden verleend, gehouden waren een aantal voor de toepassing van het algemeen stelsel van verordening nr. 19 noodzakelijke regels of beginselen te eerbiedigen; |
|
2. |
anderzijds bevoegd waren aan de voor invoering van het communautaire systeem noodzakelijke restitutie-voorwaarden andere, met name meer restricrieve, voorwaarden toe te voegen. |
Wanneer men deze beginselen in de onderhavige zaak toepast, blijkt niet in twijfel te kunnen worden getrokken dat er in dit tijdvak noodzakelijkerwijs een zekere communautaire afbakening van de begrippen gepelde gerst en geparelde gerst moest bestaan.
In verordeningen ter uitvoering van verordening nr. 19 werden voor de toe te kennen restituties verschillende maxima vastgesteld naar gelang sprake was van gepelde gersr of van geparelde gerst; voor dit laatste produkt was het maximum hoger dan voor het eerste.
De Lid-Staten mochten dus alleen pro-dukten die ten minste aan een zekere communautaire begripsomschrijving beantwoordden, als geparelde gerst aanmerken, omdat anders de maxima voor de toe te kennen restituties hun betekenis zouden hebben verloren en mogelijkerwijs een onnodig beroep zou worden gedaan op de communautaire middelen, ten laste waarvan de restituties toch al goeddeels werden gebracht.
II
Rest ons dit „communautair minimum” dar de Lid-Staten bij het onderscheiden van geparelde gerst en gepelde gerst hadden te eerbiedigen, nader te bepalen.
Onzes inziens bestond dit communautair minimum in bedoeld tijdvak — uitsluitend — in het onderscheid dat in de toelichtingen van de nomenclatuur van Brussel tussen beide soorten gerst wordt gemaakt.
Ik kom tot deze oplossing op grond van de gezamenlijke toepasselijke bepalingen.
|
1. |
Gedurende dit gehele tijdvak wordt het maximumrestitutiebedrag bepaald naar rato van het variabel element der heffing, en dit stelsel wordt ook toegepast in de enige bepaling die tijdens de hierbedoelde uirvoertransactie gold, te weten artikel 1 van verordening nr. 60/66 van de Commissie. Dit variabel element wordt voor de onderhavige granen berekend volgens 's Raads verordening nr. 141/64 van 21 oktober 1964, met name volgens artikel 5 dat onder meer de produkten van post 11.02 van het gemeenschappelijk douanetarief betreft. Er bestonden toen echter geen toelichtingen op deze tot het gemeenschappelijk douanetarief zelf behorende post. Doch daarin werd een post van de nomenclatuur van Brussel geheel overgenomen en volgens vaste rechtspraak dienen bij gebreke van toelichtingen op het douanetarief zelf, de toelichtingen van deze nomenclatuur ter onderscheiding van de produkten die in de verschillende douaneposten worden bedoeld. Het criterium waaraan de Lid-Staten zich derhalve bij her onderscheiden van gepelde gerst en geparelde gerst in ieder geval hadden te houden, was het in hoofdzaak „uiterlijk” criterium van de toelichtingen op post 11.02 van de nomenclatuur van Brussel, zoals dat met name in lid 3 en lid 4 is omschreven. |
|
2. |
Wij vroegen ons af of tot dit „communautair minimum” niet ook behoort een aan het asgehalte van het produkt ontleend criterium, zoals dat was te vinden in verordening nr. 164/64 van de Commissie van 29 oktober 1964 — en waarnaar in verordening nr. 11/66 van de Commissie wordt verwezen —. Na bestudering van de voorschriften menen wij deze vraag voor bedoeld tijdvak echter ontkennend te moeten beantwoorden. Verordening nr. 164/64 is uitdrukkelijk ingetrokken door de — ten dage van de hierbedoelde export uitsluitend toepasselijke — verordening nr. 60/66. Verordening nr. 11/66 bracht alleen wijziging in de percentages van verordening nr. 164/64. Deze laatste verordening en het daarbij ingevoerde stelsel zijn uitdrukkelijk ingetrokken bij verordening nr. 60/66, zodat onzes inziens bij die zelfde gelegenheid ook verordening nr. 11/66 implicite is ingetrokken. Tussen de data van inwerkingtreding van verordening nr. 60/66 en verordening nr. 120/67 hadden de Lid-Staten zich derhalve alleen te houden aan de communautaire maatstaf die was neergelegd in de toelichtingen op de nomenclatuur van Brussel. |
Wij concluderen derhalve dat het den Hove behage te verklaren voor recht:
„dat de Lid-Staten tot de inwerkingtreding van verordening nr. 120/67 vrij waren de voorwaarden voor de verlening van de restituties die zij mochten toekennen vast te stellen, voor zover die voorwaarden althans verenigbaar waren met de regels opgesteld door de communautaire gezagsorganen.
„dat zij wat betreft de restituties die bij export van gepelde gerst of geparelde gerst naar derde landen konden worden toegekend, in het tijdvak van toepassing van verordening nr. 60/66 verplicht waren om, ter eerbiediging der door de communautaire gezagsorganen voor de restituties vastgestelde maxima, als geparelde gerst alleen te beschouwen produkten die ten minste voldeden aan de voorwaarden gesteld in de toelichtingen op post 11.02 van de dusgenaamde „nomenclatuur van Brussel”.
„dat de nationale gezagsorganen in dit zelfde tijdvak aan deze minimumvoorwaarden andere, meer beperkende voorwaarden konden toevoegen”.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.