CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL K. ROEMER
VAN 12 MEI 1971 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
Zoals U weet, was verzoeker in het onderhavige geding aanvankelijk werkzaam bij de Euratom-Commissie. Met ingang van 1 februari 1964 werd hij in de rang A 5 te werk gesteld op de gemeenschappelijke juridische dienst van de executieven der Gemeenschappen, namelijk in de sectie belast met Euratom-zaken. Per 1 januari 1965 werd hij bevorderd tot hoofdadministrateur in de rang A 4. — Nadat er in het jaar 1967 één enkele Commissie was gevormd, werd ook de structuur der juridische afdeling gewijzigd. Verzoeker bleef echter werkzaam in de groep Euratom — Onderzoek, die destijds onder leiding stond van een ambtenaar in de rang A 2 en waar voorts één ambtenaar in de rang A 3 en twee ambtenaren in de rang A 4 werkzaam waren; deze groep was belast met aangelegenheden betreffende de toepassing van het Euratom-Verdrag, het technologisch onderzoek en het onderzoek in het kader van het EGKS-Verdrag. Te zamen met een eveneens in de rang A 4 geplaatste collega had verzoeker zich bezig te houden met de behandeling van vraagstukken op het gebied van het kernonderzoek, verspreiding van kennis en industriële eigendom alsook met onderzoekovereenkomst van de EGKS. Voorts waren hem de problemen verband houdende met de civielrechtelijke aansprakelijkheid op het gebied van het kernonderzoek toevertrouwd.
Bij besluit van 24 juli 1968 werd verzoekers collega per 1 juli 1968 bevorderd naar de rang A 3; zijn taak bleef echter voorlopig ongewijzigd. In de loop van 1969, namelijk per 25 april 1969, werd aan deze ambtenaar bij besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag — aanvankelijk tot 24 februari 1970 — verlof om redenen van persoonlijke aard toegekend; dit verlof werd nadien meermalen verlengd en heeft tot december 1970 geduurd. Gedurende deze periode werd de samenstelling van de groep Euratom — Onderzoek van de juridische dienst der Commissie niet gewijzigd (eerst met ingang van 15 januari 1971 werd er opnieuw een ambtenaar in de rang A 6 geplaatst). Dit betekende, dat verzoeker tijdens de afwezigheid van zijn collega in den regel alleen belast was met de taken die aanvankelijk aan hem en zijn collega gezamenlijk waren opgedragen.
Een en ander deed, mede in verband met de voorafgegane bevordering van zijn collega (die hij als een herwaardering van diens ambt beschouwde), bij verzoeker de mening postvatten dat hij ad interim belast was met het vervullen van dit „geherwaardeerde” ambt, waaraan hij een aanspraak als bedoeld in artikel 7, lid 2, van het Statuut ontleende. Op 3 oktober 1969 vorderde hij dan ook een aanvullende toelage „gelijk aan het verschil tussen de bezoldiging, verbonden aan zijn rang en salaristrap, en de bezoldiging welke overeenkomt met de salaris-trap die hem zou toekomen in de aanvangsrang, indien hij werd aangesteld in de loopbaan waarin hij ad interim te werk is gesteld”. Het verzoek werd echter niet ingewilligd en ook in rechte had verzoeker geen succes.
Uitgaande van de opvatting dat hij ad interim het hogere ambt van zijn afwezige collega vervulde en op grond van het feit dat diens verlof langer duurde dan de in artikel 7, lid 2, voorziene termijn van één jaar, wendde verzoeker zich op 16 juli 1970 met een formele klacht tot het tot aanstelling bevoegde gezag. Met een beroep op de bekende feiten betoogde hij dat tewerkstelling ad interim voor langer dan een jaar met artikel 7 van het Statuut niet te verenigen is. De Commissie diende zijns inziens de situatie te normaliseren en de noodzakelijke consequenties te trekken, en wel — in verband met de noodzakelijke overeenstemming tussen rang en ambt — door aanpassing van zijn rang, dat wil zeggen door hem per 24 april 1970 de rang A 3 toe te kennen. — Verzoeker kreeg hierop binnen de termijn van twee maanden, gesteld in artikel 91 van het Statuut, geen antwoord. Eerst in een brief van de voorzitter van 29 september 1970 werd zijn verzoek met zoveel woorden afgewezen — op grond van de overweging dat de taken door verzoeker tijdens het verlof van zijn collega vervuld, niet gebonden zijn aan een ambt van een hogere loopbaan —.
Verzoeker maakte toen op 19 november 1970 het onderhavige geding aanhangig. Hij concludeerde dat het den Hove be-hage:
|
1. |
het besluit van de Commissie waarbij zijn voormeld verzoek van 16 juli 1970 werd afgewezen, nietig te verklaren; |
|
2. |
te verstaan dat de stoffelijke en onstoffelijke schade, door verzoeker als gevolg van het bestaan en het voortduren van een met het Statuut strijdige situatie geleden, zal worden vergoed en dat ter vergoeding van deze schade hetzij verzoeker met ingang van 25 april 1970 zal worden ingedeeld in de rang A 3, hetzij aan hem een door het Hof passend geachte geldelijke compensatie zal worden toegekend. |
De Commissie is van mening dat ook deze vorderingen ongegrond moeten worden verklaard.
Ik zal nu trachten mijn standpunt te Depalen. Vooraf zij vermeld dat verzoekers collega na van zijn verlof te zijn teruggekeerd en nadat de door hem vervulde A 3-post in oktober 1970 vacant was verklaard, zijn vroegere werk niet heeft hervat, doch per 1 januari 1971 in de groep Mededinging van de juridische afdeling te werk is gesteld.
|
1. |
Omdat verzoeker allereerst bezwaar maakt tegen de stilzwijgende afwijzing van zijn verzoek van 16 juli 1970, dat naar wij zagen strekte tot toekenning van de rang A 3, gaat het in dit geding allereerst om de vraag of de Commissie terecht een nieuwe inschaling heeft geweigerd. Wij weten dat verzoeker dit ontkent, waartoe hij zich beroept op het in de jurisprudentie meermalen gereleveerde beginsel van overeenstemming van ambt en rang (vgl. zaak 102-63, Jurisprudentie, Deel X, blz. 1446) alsook op de stelling dat hij in feite het werk van een ambtenaar in de rang A 3 verricht. De Commissie brengt hiertegen in, dat verzoeker in werkelijkheid geenszins de werkzaamheden verbonden aan een hoger ambt heeft, verricht en dat ook een daartoe strekkend, statutair onontbeerlijk, besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag ontbreekt. — Dit zijn de wezenlijke problemen waarom het in casu gaat. Allereerst dan net formele aspect. Terstond zij gezegd dat het volgens de jurisprudentie wel degelijk van belang is. Volgens onze rechtspraak is het namelijk zowel om aanspraak te kunnen maken op de aanvullende toelage wegens tewerkstelling ad interim op een andere post — volgens artikel 7, lid 2, van het Statuut — als voor een aanspraak op hogere inschaling geenszins voldoende dat men in feite bepaalde werkzaamheden verricht, doch moet vaststaan dat de betrokken ambtenaar daarmede door het tot aanstelling bevoegd gezag is belast. Ik verwijs te dien aanzien naar de arresten in de zaak 102-63 (Jurisprudentie, Deel X, blz. 1446) en in de zaak 35-69 (Jurisprudentie, Deel XVI, blz. 614). Wij dienen ons derhalve in de eerste plaats af te vragen, hoe het hiermede in casu is gesteld. Zou alleen een uitdrukkelijke handeling van het tot aanstelling bevoegd gezag in aanmerking komen, dan zou kort en goed kunnen worden geantwoord dat van zo'n handeling niet is gebleken, zodat de vordering alleen reeds omdat aan een formeel vereiste niet is voldaan, moet worden afgewezen. — Laat ons echter bovendien nagaan of wellicht van een stilzwijgende opdracht van het tot aanstelling bevoegd gezag tot het verrichten van werkzaamheden van hogere rang kan worden gesproken (aangenomen dat dit, statutair gezien, voldoende is om aanspraak op dienovereenkomstige inschaling te kunnen maken). In de eerste plaats valt te denken aan de mogelijkheid dat het aan verzoekers collega verleende verlof noodzakelijkerwijze medebracht dat verzoeker als diens bevoegde vervanger zijn taak had te vervullen, zodat artikel 26 van het voorlopig reglement van orde der Commissie had moeten worden toegepast, luidende als volgt: „Behoudens andersluidend besluit van de Commissie wordt elke chef bij zijn verhindering vervangen door de aanwezige, hem ondergeschikte ambtenaar van de hoogste categorie en rang die de oudste in dienstjaren of bij een gelijk aantal dienstjaren, de oudste in leeftijd is.” Bij nader inzien blijkt echter, dat deze conclusie bezwaarlijk kan worden getrokken. Het voorschrift leent zich namelijk niet voor toepassing binnen een dienst die is gestructureerd als de juridische dienst der Commissie. Reeds de op bepaalde vakgebieden gespecialiseerde groepen („équipes”) zijn niet als administratieve eenheden — onder leiding van ambtenaren in de rang A 2 — te beschouwen. A fortiori is binnen zulk een groep een ambtenaar in de rang A 3 niet de meerdere van een ambtenaar in de rang A 4. Bovendien heeft de Commissie gelijk, wanneer ze stelt dat wanneer in het kader van de juridische dienst al aan toepassing van genoemd artikel 26 kan worden gedacht, die dienst in haar geheel als administratieve eenheid moet worden beschouwd, zodat niet verzoeker, doch een ambtenaar in de rang A 4 met meer dienstjaren automatisch in aanmerking zou zijn gekomen betrokkene te vervangen. Als stilzwijgende oparacnt zou voorts de reactie der Commissie op verzoekers klacht kunnen worden beschouwd. Doch ook dit gaat niet op: bij lezing van het stellige antwoord van de voorzitter blijkt heel duidelijk, dat de Commissie met betrekking tot de taakverdeling binnen de juridische dienst geen bepaald standpunt heeft ingenomen en slechts heeft uitgesproken dat verzoekers werkzaamheden geheel met zijn rang in overeenstemming waren. Hoogstens zou men zich kunnen afvragen, of de wijze waarop de Directeur-generaal van de juridische dienst de taken heeft verdeeld — met andere woorden het feit dat aan verzoeker alleen alle taken zijn opgedragen waarmede hij aanvankelijk belast was te zamen met de collega aan wie later verlof werd verleend — aan de Commissie in haar hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag moet worden toegerekend, des dat daaraan consequenties voor de inschaling dienen te worden verbonden. Doch ook dit kan niet het geval zijn. — Om te beginnen is ten deze irrelevant het door verzoeker ingeroepen feit dat de Directeur-generaal van de juridische dienst onmiddellijk onder de voorzitter van de Commissie staat. Ook andere directeuren-generaal staan onder een lid van de Commissie, doch dat wil niet zeggen dat de handelingen van de directeur-generaal zonder meer aan dat lid c.q. de voorzitter mogen worden toegerekend. Bovendien bedenke men, dat niet de voorzitter, doch de Commissie als het tot aanstelling bevoegde gezag is te beschouwen, wanneer het erom gaat voor een situatie als de onderhavige een regeling te treffen. — Ook zou ik het niet juist achten indien men van een stilzwijgende delegatie van bevoegdheden van het aanstellend gezag aan de Directeur-generaal van de juridische dienst in de zin van artikel 2 van het Statuut zou willen spreken, omdat het volgens de bijzondere structuur van de juridische dienst (waarop wij nog terugkomen) aan de directeur-generaal is overgelaten het werk als geheel in eèn aantal vakgebieden te verdelen. Met zekerheid zal namelijk mogen worden aangenomen dat hiervan slechts sprake kan zijn in het kader van de door de Commissie zelf vastgelegde hiërarchie, dat wil zeggen volgens de door de Commissie toegekende rangen. De Commissie heeft derhalve de bevoegdheid tot inrichting van de juridische dienst niet zonder meer uit handen gegeven en het ligt stellig niet in haar bedoeling de haar competerende beslissingen nopens inschaling of bevordering door interne maatregelen van de Directeur-generaal van de juridische dienst te laten doorkruisen. Het ware wellicht slechts anders wanneer van een uitdrukkelijke, duidelijke delegatie van bevoegdheden zou mogen worden gesproken, hetgeen niet het geval is. Verzoekers wens — toekenning van een hogere rang — moet derhalve alleen reeds worden afgewezen op grond van het feit dat hij zich voor het vervullen van bedoelde — volgens hem aan een A 3-post beantwoordende — taak niet kan beroepen op een maatregel van het tot aanstelling bevoegde gezag. wij willen net echter bij deze formele, door sommigen wellicht aanvechtbaar geachte overwegingen niet laten. Ik zou bovendien willen ingaan op hetgeen in dit geding, materieel gezien, als de hoofdzaak kan worden beschouwd, namelijk de vraag of werkelijk mag worden gezegd dat verzoeker het werk verbonden aan een ambt in de rang A 3 heeft verricht. — Hij beroept zich daartoe in hoofdzaak op het onweersproken feit, dat hij nadat aan zijn naar de rang A 3 bevorderde collega verlof was verleend, diens taak volledig heeft overgenomen. Ter beoordeling of dit als een voldoende grondslag voor verzoekers vordering mag worden beschouwd, moet eerst worden ingegaan op de differentiatie der ambten op de juridische dienst der Commissie. Wij kunnen daartoe niet terugvallen op een algemene omschrijving (die blijkbaar ontbreekt); een betrouwbaar beeld wordt echter verkregen aan de hand van de van tijd tot tijd gedane kennisgevingen inzake vacatures; de Commissie meent dat uit al die kennisgevingen een — broksgewijze tot stand gekomen — omschrijving kan worden opgebouwd. Daaruit blijkt vooral, dat specialisatie op een bepaald vakgebied voor de differentiatie der ambten niet bepalend is, doch dat het voor de hierbedoelde A 3- en A 4-posten meer in het algemeen gaat om de mate van verantwoordelijkheid waarmede een ambtenaar mag worden belast, om meer of minder zelfstandigheid bij de behandeling van juridische kwesties, om de speelruimte waarover hij beschikt wanneer hij namens de Commissie in comités of werkgroepen c.q. tegenover de permanente vertegenwoordigers moet optreden, alsook om de vraag of hij op hoger hiërarchisch niveau en in belangrijke geschillen voor het Hof van Justitie met de vertegenwoordiging der Commissie wordt belast. Hierdoor is volgens de Commissie ook te verklaren dat in de kennisgevingen der vacatures een verschillende terminologie wordt gebezigd (voor ambtenaren in de rang A 4 wordt gesproken van accomplissement de taches de conception d'études ou de controle et notamment: participer a l'étude de tous les problèmes juridiques pouvant se poser, soit au regard des Traités, soit dans différentes législations nationales en ten aanzien van juridische adviseurs in de rang A 3 wordt gezegd dat zij zijn geroepen a examiner tous les problèmes juridiques pouvant se poser, soit au regard des Traités, soit dans différentes législations nationales, à propos de l'activité de la Commission en dienen te beschikken over een expérience pratique de nature juridique d'une durée d'au moins cinq années préparant entre autres aux tâches contentieuses — men vergelijke te dien aanzien artikel 5, lid 1, eerste alinea, van het Statuut, waar het om de differentiatie der loopbanen gaat —). Gezien hetgeen ons dienaangaande werd verklaard, zijn deze taakomschrijvingen onmiskenbaar afgestemd op de bijzondere aard van de juridische dienst. Zij komen overeen met de typische taakstelling van juristen, die op verschillende gebieden een gelijksoortige, slechts naar de mate van verantwoordelijkheid genuanceerd adviserende en verdedigende werkzaamheid verrichten. Binding van de ambten aan speciale vakgebieden — met dienovereenkomstige differentiatie — moet daarentegen wegens de moeilijkheid verbonden aan een juiste waardering van de verschillende rechtsgebieden — die elkaar bovendien onvermijdelijk overlappen — als zeer hachelijk worden beschouwd. Bovendien zou men voor wijzigingen in de taakverdeling zijn aangewezen op de omslachtige overplaatsings-procedure, waardoor de dienst zeer zou inboeten aan beweeglijkheid, eigenschap die juist wegens de wisselende omvang der werkzaamheden en de wisselende taken node kan worden gemist, zoals de praktijk vooral in de lagere ambtenarenrangen ook veelal uitwijst. Ten slotte zou een dergelijke starre binding aan bepaalde vakgebieden moeilijk te rijmen zijn met het redelijk verlangen om op de juridische dienst over all-round ambtenaren te beschikken. Tot nu toe betrokken wij vooral de doelmatigheid in onze overwegingen. Anders dan verzoeker meent kan echter ook niet worden gezegd dat voormelde structuur tegen de beginselen van het Statuut indruist. — In de eerste plaats heeft men er geenszins van afgezien de ambten naar aard en betekenis der verrichte werkzaamheden hiërarchisch te ordenen, ook al kan van ambtelijke ondergeschiktheid in bestuurstechnische zin niet worden gesproken. — En de mogelijkheid dat de taken elkander gedeeltelijk overlappen werd bovendien in de rechtspraak onvermijdelijk — en derhalve met het Statuut in overeenstemming — geacht (zaak 28-64, Jurisprudentie, Deel XI, blz. 312). — Voorts wordt in het Statuut, met name in de artikelen 1 en 4, niet een zo vergaande individualisatie der ambten verlangd als verzoeker bepleit. Daarvan is zelfs geen sprake in artikel 5, lid 4, waarin het gaat om de omschrijving der werkzaamheden. Deze omschrijving mag derhalve algemeen worden gehouden, zolang daarin maar Funktionsbeschreibungen als vermittelnde Bewertungskriterien, nähere Definitionsmerkmale voorkomen, welke overeenkomstige inschaling van alle ambten van hetzelfde niveau in dezelfde rang waarborgen ( 2 ). Ook zonder dat men het er voor behoeft te houden dat de algemeen luidende omschrijving van de Commissie door de maatregelen van inwendige dienst van de Directeur-generaal van de juridische dienst nader is gepreciseerd, is aldus de inachtneming gewaarborgd van wezenlijke statutaire voorschriften, met name van de artikelen 1 en 7, lid 1, artikel 4 (voor zover het inderdaad om het vervullen van vacatures gaat), doch ook van artikel 7, lid 2 (vervulling ad interim van een hoger ambt). Daartegenover staat weliswaar dat dit laatste artikel bij een algemene omschrijving minder vaak wordt toegepast, doch dit kan in verband met het uitzonderingskarakter van dit voorschrift al evenmin als een wezenlijke inbreuk op fundamentele beginselen van het Statuut worden beschouwd. En hetzelfde moet gelden voor het ervaringsfeit, dat bij zulk een stand van zaken ook de voorschriften nopens het overplaatsen van een andere ambtenaar nauwelijks tot toepassing kunnen komen, wanneer het er slechts om gaat een ambtenaar te belasten met op een ander terrein gelegen werkzaamheden. Ondanks het arrest-Reinarz zou ik daartegen geen bezwaar willen maken, niet in de laatste plaats omdat het nemen van overplaatsingsbesluiten een aangelegenheid is waarover de administratie discretionair heeft te oordelen en het binnen het bestek van een overzichtelijke dienst zonder meer mogelijk is op passende wijze tegemoet te komen aan het redelijk verlangen van een ambtenaar met andere werkzaamheden te worden belast. Waar ook het arbeidsterrein van andere directoraten-generaal een speciale organisatie gedoogt, vind ik in een en ander geen aanleiding van een discriminerende toepassing der statutaire bepalingen te spreken. Hier dient niet slechts te worden bedacht, dat ook andere diensten (statistiek, dienst van de woordvoerder, mededinging) op overeenkomstige wijze als de juridische dienst zijn georganiseerd; ook zij herinnerd aan de voordelen welke ambtenaren op zulke diensten juist aan deze elastische structuren kunnen ontlenen. Tracht men nu tegen de achtergrond van deze principiële inzichten verzoekers wens — hogere inschaling — ook in materieel opzicht recht te doen wedervaren, dan blijkt al spoedig dat zijn daartoe strekkend verzoek niet gegrond is. Zoals gezegd, staat verzoeker op het standpunt dat men door hem te belasten met taken gelegen op het gebied waarop hij tevoren samen met een collega werkzaam was, hem het vervullen van een A 3-post heeft opgedragen, en wel omdat bedoelde collega, voordat hem verlof verleend werd, zonder wijziging van zijn taak naar de rang A 3 is bevorderd. Deze redenering is echter slechts schijnbaar dwingend. Gezien de bekende structuur van de juridische dienst hield die bevordering namelijk niet in, dat het ambt van de bevorderde collega, de door hem vervulde taak, hoger werd gewaardeerd (ware dit wel het geval geweest, dan had zulks verzoeker, gezien zijn standpunt, reeds in het jaar 1968 aanleiding moeten geven te verlangen dat zijn ambt, waaraan dezelfde werkzaamheden zijn verbonden, ook hoger zou worden ingeschaald). Veeleer is het zo dat verzoekers collega ook in feite naar een hoger ambt werd bevorderd, des dat hij daarna normaliter met een zwaardere verantwoordelijkheid kon worden belast. Daarmede is in overeenstemming dat het vroegere ambt van de bevorderde ambtenaar vacant werd verklaard, dat in dat ambt opnieuw is voorzien en dat de aangeworven ambtenaar op een andere groep binnen het bestek van de juridische dienst is te werk gesteld. De mogelijkheid moet niet worden uitgesloten dat — zoals de vertegenwoordiger van de Commissie ten processe heeft verklaard — bij de bevordering ook de overweging een rol gespeeld heeft, dat aan de betrokken ambtenaar spoedig een andere taak zou worden toegedeeld (zoals na zijn terugkomst van verlof is gebeurd), reden waarom men hem slechts voorlopig — in verband met het ophanden zijnde verlof — in de groep Euratom — Onderzoek heeft gelaten. Dit geeft echter niet de doorslag, juist omdat bij de waardering van het ambt niet de speciale werkzaamheden van de betrokken ambtenaar bepalend zijn, zodat de bevorderde ambtenaar ook bij een ongewijzigde ambtstaak een hoger ambt is gaan vervullen, omdat hij met een zwaardere verantwoordelijkheid werd belast. Het kan verzoeker derhalve niet baten, wanneer hij alleen naar de hem opgedragen werkzaamheden verwijst. Omdat hij echter — en dit is essentieel — niet bovendien weet waar te maken dat hij, nadat aan zijn collega verlof werd verleend, ook diens zwaardere verantwoordelijkheid kreeg te dragen — dat wil zeggen op dezelfde voet als zijn collega de op bedoeld arbeidsterrein gelegen taak alom had te behartigen —, terwijl de Commissie voorts verklaarde dat de als chef d'équipe optredende A 2-ambtenar na de inkrimping van de groep stellig in ruimere mate van zijn leidinggevende en controlerende bevoegdheden gebruik gemaakt heeft, moet het inderdaad uitgesloten worden geacht dat verzoeker de aan een hoger ambt verbonden taak heeft vervuld en uit dien hoofde aanspraak op een hogere inschaling mag maken. Niet slechts op grond van voormelde formele overwegingen, doch om zwaarwegende materiële redenen mocht de Commissie derhalve afwijzend op het verzoek beschikken. |
|
2. |
Gezien dit resultaat, behoef ik nog slechts met een enkel woord in te gaan op verzoekers accessoire vordering, strekkende tot geldelijke compensatie van stoffelijke en onstoffelijke schade die hij als gevolg van deze beweerdelijk irreguliere situatie zou hebben geleden. Allereerst zij erop gewezen, dat verzoeker er zich bij voorbeeld niet op beroept, dat de hem opgedragen werkzaamheden kwantitatief redelijke grenzen te buiten zijn gegaan. Dit zou hem ook nauwelijks hebben kunnen baten, want dat men tijdelijk hem alleen met voormelde werkzaamheden heeft belast (naar U weet, werd de groep Euratom — Onderzoek per 15 januari 1971 met een nieuwe ambtenaar in de rang A 6 versterkt) kan, in aanmerking genomen de mogelijkheid dat de chef d'équipe een deel der taken aan zich heeft getrokken, en gelet op aard en omvang van de te verrichten werkzaamheden, bezwaarlijk onjuist worden geacht, ook niet wanneer men zich vergelijkenderwijs afvraagt hoeveel werk andere groepen binnen de juridische dienst hadden te verzetten. — Ook voor de gevorderde schadevergoeding beroept verzoeker zich in hoofdzaak op een onjuiste inschaling en andere door de Commissie beweerdelijk begane onregelmatigheden, met name op het feit dat er geen gedetailleerde omschrijving van werkzaamheden — naar vakgebieden — is opgesteld. Na hetgeen ik ten aanzien van de door verzoeker verlangde inschaling reeds heb betoogd, is het zonder meer duidelijk dat verzoeker langs deze weg al evenmin aanspraak op vergoeding van materiële schade kan maken. De inschaling is niet onjuist, omdat zij, gezien de organisatie van de juridische dienst, niet aan het vervullen van taken op een speciaal vakgebied gebonden is. Al evenmin is sprake van een onvoldoende omschrijving der werkzaamheden; wij zagen dat het Statuut voldoende ruimte laat voor het in de juridische dienst toegepaste model. Van een dienstfout mag derhalve niet worden gesproken. — Bovendien zou men zich met de Commissie kunnen afvragen, waarin het geldelijk verlies, de aan verzoeker toegebrachte schade, zou moeten worden gezocht. Dit geldt vooral voor de beweerdelijk onvolkomen omschrijving van werkzaamheden; in genen dele is bewezen dat een meer gedetailleerde omschrijving — naar vakgebieden — juist voor verzoekers werkzaamheden tot hogere waardering moest leiden. Hoogstens zou kunnen worden nagegaan, of van onstoffelijke schade van verzoeker kan worden gesproken, namelijk in zoverre dat door voormelde maatregel der Commissie de indruk kon worden gewekt, dat de taak van verzoekers collega was van het niveau van de rang A 3, en dat men aan verzoeker voor het vervullen' van dezelfde werkzaamheden een dienovereenkomstige hiërarchische behandeling ten onrechte heeft onthouden. Ook had het er wellicht de schijn van, dat verzoeker die gedurende vrij lange tijd het aanvankelijk aan twee ambtenaren toevertrouwde werk alleen verrichtte — terwijl aan zijn collega een bevordering en verlof om redenen van persoonlijke aard werd verleend — willens en wetens op discriminerende wijze is behandeld, dat hij — mogelijk om met de nationaliteit verband houdende redenen — het slachtoffer van misbruik van discretionaire bevoegdheden is geworden. Hiervan zou geen sprake kunnen zijn, wanneer de door de Commissie genomen organisatorische maatregelen duidelijker waren omschreven en begrijpelijker gemotiveerd. — Omdat ik echter meen te moeten betwijfelen of wij in zoverre over voldoende betrouwbare gegevens beschikken om van een dienstfout — en van daardoor veroorzaakte schade — te kunnen spreken (op de juridische dienst moet men met de gang van zaken op de hoogte zijn geweest), terwijl ik bovendien het gevoel heb dat het Hof zich door zulke overwegingen te doen gelden al te zeer op het gebied van de billijkheidsrechtspraak zou begeven, zou ik uiteindelijk de gedachte aan vergoeding voor onstoffelijke schade van de hand willen wijzen en U willen voorstellen de daartoe strekkende vordering te verwerpen. |
|
3. |
Ten slotte zal nog over de kosten moeten worden beslist. Evenals in andere gedingen lijkt mij er iets voor te zeggen om in aanmerking te nemen dat de situatie rechtens niet duidelijk en niet overzichtelijk was en dit ten gunste van verzoeker te doen gelden. Omdat de onduidelijkheid van de rechtstoestand aan de Commissie moet worden toegerekend, zou een deel van verzoekers kosten ten laste van de Commissie kunnen worden gebracht. |
|
4. |
Samenvattend concludeer ik, dat het verzoek ontvankelijk is, doch ongegrond moet worden geacht. Het dient derhalve geheel te worden afgewezen. Ik acht het echter juist de aan de zijde van verzoeker gevallen proceskosten ten dele ten laste van de Commissie te brengen. |
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
( 2 ) Euler, Europäisches Beamtenstatut, 1. Band, blz. 78.