CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL K. ROEMER

VAN 10 FEBRUARI 1971 ( 1 )

Mijnbeer de President,

mijne heren Rechters,

Verzoeker in het heden te behandelen geding is sinds oktober 1966 als adjunctvertaler werkzaam bij het Europees Parlement. Hij was aanvankelijk tijdelijk functionaris en werd met ingang van 1 mei 1969 in vaste dienst aangesteld in de rang LA/7. Begin vorig jaar meende hij bij de Italiaanse sectie van de vertaal afdeling van het Europese Parlement enkele onregelmatigheden te hebben ontdekt. In verband daarmede diende hij op grond van artikel 90 van het Statuut van de ambtenaren op 6 april 1970 een formele klacht bij het tot aanstelling bevoegde gezag in. In deze op 10 april 1970 door het tot aanstelling bevoegde gezag ontvangen brief stelde hij twee punten aan de orde: enerzijds de regeling van de dienstreizen naar Straatsburg en anderzijds de tewerkstelling ad interim van twee posten van vertaler overeenkomstig artikel 7, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren. Met betrekking tot het eerste punt stelde hij dat slechts een bevoorrechte groep ambtenaren permanent voor deze dienstreizen werd aangewezen, terwijl anderen (waaronder verzoeker) slechts bij toerbeurt en minder dikwijls naar Straatsburg werden gezonden, hoewel zij evenzeer bekwaam waren om de werkzaamheden aldaar -te verrichten. Voorts klaagde hij erover dat een van de permanent voor deze dienstreizen aangewezen personen een tijdelijke functionaris was, die bij een vergelijkend onderzoek een slechtere beoordeling had verkregen dan verzoeker. — Met betrekking tot het tweede punt stelde verzoeker dat toepassing van artikel 7, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren soms geschiedt om persoonlijk voordeel te verschaffen. Dit zou blijken uit het feit dat bij de Italiaanse sectie van de vertaalafdeling een vrouwelijke collega, eveneens in de rang LA/7, tot tweemaal toe ad interim op een vertalerspost was te werk gesteld, hoewel haar bekwaamheid, opleiding en ervaring van lager niveau waren als van verzoeker. Bovendien bevond deze collega zich al in een gunstiger positie, omdat haar man ook ambtenaar was van het Europees Parlement in de rang A 5. — Voorts zouden tegen bedoelde besluiten ook formele zijn in te brengen, aangezien zij niet waren bekendgemaakt. — Om deze redenen wendde klager zich tot het tot aanstelling bevoegde gezag met de volgende verzoeken:

1.

de permanent voor dienstreizen naar Straatsburg aangewezen tijdelijke functionaris te vervangen door een ambtenaar van hogere rang of een grotere anciënniteit;

2.

subsidiair: de normen voor dienstreizen naar Straatsburg zodanig te herzien dat een rechtvaardiger rouleersystem is gewaarborgd;

3.

de twee overeenkomstig artikel 7, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren genomen besluiten tot tewerkstelling ad interim op een post van vertaler ex tunc nietig te verklaren;

4.

subsidiair: artikel 85 van het Statuut van de ambtenaren toe te passen.

Bij brief van 25 juni 1970 heeft de secretaris-generaal van het Europese Parlement afwijzend op deze verzoeken beschikt. Daarbij werd opgemerkt dat dienstreisopdrachten, uitsluitend in het belang van de dienst genomen discretionaire besluiten zijn. Zij kunnen ook aan tijdelijke functionarissen worden verstrekt, wanneer zij — zoals in het door verzoeker bedoelde geval — voor het verrichten van bepaalde werkzaamheden het meest geschikt worden geacht. Daarin kan dan ook geen discriminatie je gens verzoeker worden gezien. — Ten aanzien van de benoemingen ad interim is in artikel 25 van het Statuut geen bekendmaking voorgeschreven; niettemin zijn zij op 19 december 1968, respectievelijk 22 januari 1970 telkens gedurende 10 dagen op het aankondigingsbord bekend gemaakt. Overigens zijn de betreffende besluiten alleen al gerechtvaardigd aangezien uit twee in 1967 en 1968 gehouden vergelijkende onderzoeken (waarvan één een post van vertaler gold) is gebleken dat de ad interim te werk gestelde ambtenares grotere bekwaamheden had dan verzoeker. Derhalve moet de klacht in haar geheel worden verworpen.

Met dit antwoord nam verzoeker geen genoegen. Hij stelde derhalve op 6 augustus 1970 beroep in bij het Hof. Als onder-werp van geschil gaf hij in zijn verzoekschrift enerzijds de implicite gegeven afwijzing van zijn formele klacht aan (inderdaad had hij binnen de in artikel 91 van het Statuut van de ambtenaren gestelde termijn van twee maanden geen antwoord ontvangen) en anderzijds het expliciete antwoord van de secretaris-generaal van het Europese Parlement van 25 juni 1970. — De conclusies strekten aanvankelijk echter uitsluitend tot nietigverklaring der beide benoemingen ad interim (verzoeker had uitdrukkelijk afstand gedaan van het in zijn klacht subsidiair gevorderde). Verzoeker verklaarde met betrekking tot het eerste punt van zijn klacht dat hij zich ter zake refereerde aan het oordeel van het Hof. Eerst bij repliek heeft hij in antwoord op door verweerder ter zake gemaakte opmerkingen het Hof uitdrukkelijk verzocht uit te spreken dat bij het verstrekken van dienstreisopdrachten de bekwaamheden der ambtenaren in aanmerking moeten worden genomen en dat aan een tijdelijk functionaris geen permanente reisopdracht mag worden verstrekt (waarmee zijn vordering werd uitgebreid met het eerste punt van het administratief beroep).

Deze vorderingen hebben wij thans te onderzoeken. Mijns inziens geven zij aanleiding tot de volgende opmerkingen.

I — Ten aanzien van de ontvankelijkheid

In de eerste plaats moet aan de hand van de bedenkingen van het Europees Parlement een aantal vragen worden onderzocht die betrekking hebben op de ontvankelijkheid van de vordering. Zij betreffen in het bijzonder de formulering van de vordering, het inachtnemen van de beroepstermijn en de aanwezigheid van belang bij het beroep.

1. De formulering van de vordering

Zoals gezegd, bevatte het administratief beroep vier vorderingen, waarvan twee subsidiair (deze zijn in het verzoekschrift uitdrukkelijk buiten beschouwing gelaten). In het inleidend verzoekschrift is slechts één der primaire vorderingen herhaald (namelijk die tot nietigverklaring van de benoemingen ad interim). Ten aanzien van de andere primaire vordering (vervanging van een tijdelijke functionaris in geval van dienstreizen) refereert verzoeker zich in zijn verzoekschrift daarentegen zonder uitdrukkelijke vordering aan 's Hofs oordeel. De vraag rijst hier of een punt op deze wijze tot voorwerp van geschil kan worden gemaakt en — indien dit niet het geval is — of althans de mogelijkheid bestaat bij repliek alsnog uitdrukkelijk een vordering in te dienen.

Het Parlement acht deze handelwijze ongeoorloofd en verzoekt dientengevolge de eerst bij repliek gedane vordering als niet-ontvankelijk te verwerpen. Naar mijn mening moeten wij ons bij dit standpunt aansluiten, ook al mag dit formalistisch schijnen. — Uit de desbetreffende bepalingen van het Statuut (artikel 19 van het EEG- en EGA-Statuut, artikel 22 van het EGKS-Statuut) en in het bijzonder uit artikel 38, § 1, van het Reglement voor de procesvoering blijkt namelijk dat het verzoekschrift zelf de conclusies van verzoeker moet bevatten. Dit is een essentiële voorwaarde aangezien slechts op deze wijze het geding kan worden afgebakend. Het belang dat ons procesrecht aan de formulering van conclusies in het verzoekschrift toekent, blijkt reeds uit het feit dat zij niet worden genoemd in artikel 38, § 7, van het Reglement voor de procesvoering, op grond waarvan bepaalde verzuimen in het verzoekschrift, op aanwijzing van de griffier, — volgens de bepalingen van het Statuut — zelfs na het verstrijken van de beroepstermijn, kunnen worden hersteld. Verzuimen bij de formulering der conclusies kunnen dus niet worden hersteld in die zin, dat ontbrekende vorderingen naderhand kunnen worden toegevoegd; het is duidelijk dat hier vooral overwegingen in verband met de eerbiediging van de beroepstermijn doorslaggevend zijn. Aangezien verzoeker — zoals gezegd — de onderhavige vordering echter eerst bij repliek heeft gedaan en de beroepstermijn op dat moment reeds was verstreken, blijft slechts de mogelijkheid haar wegens niet-ontvankelijkheid bij het onderzoek buiten beschouwing te laten. Ook het in het verzoekschrift gemaakte voorbehoud kan hierin geen verandering brengen, want zelfs wanneer dit rechtens relevant zou zijn moet toch worden bedacht dat het uitdrukkelijk alleen betrekking heeft op „middelen feitelijk en rechtens” en niet op de vordering zelf. — Ik zal derhalve alle met de regeling voor dienstreizen naar Straatsburg samenhangende vragen verder buiten beschouwing laten.

2. Inachtneming van de beroepstermijn

Wat betreft de vordering tot nietigverklaring van de benoemingen ad interim, bestaan volgens het Europees Parlement geen bedenkingen met betrekking tot de inachtneming van de beroepstermijn voor de tweede benoeming die op 5 januari 1970 plaatsvond en eerst op 22 januari 1970 werd bekendgemaakt. Hetzelfde kan volgens het Parlement echter niet worden gezegd van het eerste besluit, aangezien dit op 4 december 1968 werd genomen.

Bij het onderzoek van dit verweer moet in aanmerking worden genomen dat het beroep tegen de betrokken handelingen niet rechtstreeks bij het Hof van Justitie is ingesteld, doch eerst na een administratief beroep (hetgeen volgens 's Hofsvaste jurisprudentie alleszins wenselijk is). Aangezien het administratief beroep op 10 april 1970 bij het tot aanstelling bevoegd gezag is ingekomen (en aangezien de inachtneming van de daarna aangevangen termijnen kennelijk geen moeilijkheden oplevert, aangezien het beroep op 6 augustus 1970 is ingesteld), gaat het uitsluitend om de vraag of het administratief beroep binnen de beroepstermijn is ingediend, respectievelijk of deze termijn (teruggerekend vanaf 10 april 1970) niet vóór 11 januari 1970 is ingegaan. —

Er zij echter al dadelijk op gewezen dat moeilijk valt te bewijzen of de zaken werkelijk zo liggen. Volgens artikel 91 van het Statuut van de ambtenaren gaat de beroepstermijn bij individuele maatregelen in op de dag van kennisgeving. Bij maatregelen die weliswaar tot een individuele ambtenaar zijn gericht, doch daarnaast voor vele anderen van belang zijn, is een individuele kennisgeving aan deze ambtenaren niet vereist, doch kan worden volstaan met een openbare bekendmaking, die voldoende gegevens over de inhoud der maatregelen bevat. In casu is het op 4 december 1968 genomen en op 15 december 1968 in werking getreden besluit tot tewerkstelling ad interim volgens het Europees Parlement met ingang van 19 december 1968 gedurende 10 dagen op het aankondigingsbord bekendgemaakt. Weliswaar betwist verzoeker dit, doch aangenomen mag worden dat het Parlement — waar dergelijke handelingen niet officieel worden vastgelegd — zulks genoegzaam heeft aangetoond door de bij zijn memorie van dupliek gevoegde overzichten, waarin de bevoegde dienst de verschillende bekendmakingen op het aankondigingsbord overzichtelijk gerangschikt, naar naam, onderwerp, datum, enzovoort, heeft vermeld. Hierin moet althans een begin van een bewijs worden gezien dat verzoeker had moeten weerleggen (hetgeen in werkelijkheid niet is geschied). — Aanvaardt men dit standpunt echter niet, bij voorbeeld omdat de aankondiging ten dele in de vakantietijd viel, dan staat toch vast, dat het besluit ook in het Maandblad van het Personeel is bekendgemaakt, namelijk — volgens het Parlement — in een op 20 juni 1969 verspreid nummer, respectievelijk — volgens verzoeker — in een nummer waarvan hij eerst bijna een jaar na het besluit, namelijk begin december 1969, kennis heeft kunnen nemen. Deze bekendmaking bevatte van het besluit alle essentiële gegevens (de naam van de betrokkene en het ad interim vervulde ambt), dat wil zeggen voldoende voor ieder die belang had bij het instellen van een beroep. — Derhalve kan inderdaad worden geconcludeerd dat in ieder geval de beroepstermijn reeds vóór bovengenoemde datum (11 januari 1970) is ingegaan en niet, zoals verzoeker wil, bij ontvangst van een brief van de directeur-generaal Administratie van het Europees Parlement van 25 maart 1970, waarin verzoeker desgevraagd inlichtingen ontving omtrent de hem interesserende benoemingen ad interim. Het verzoek tot nietigverklaring van de eerste benoeming moet derhalve wegens overschrijding van de beroepstermijn als niet-ontvankelijk worden verworpen.

Tot deze conclusie komt men trouwens evenzeer met de redenering dat deze benoeming niet door het tot aanstelling bevoegde gezag, doch door de secretarisgeneraal van het Europees Parlement is gedaan, en derhalve wegens niet-inachtneming van de competentieregels volstrekt nietig is, zodat geen vernietiging noodzakelijk is, doch slechts vaststelling van de nietigheid. Afgezien van eventuele twijfel aan de concludentie van dit argument (nietigheid van een handeling mag immers slechts worden aangenomen in geval van kennelijke onbevoegdheid), moet namelijk ook worden opgemerkt dat verzoeker, zelfs wanneer men nietigheid aanneemt, geen belang had bij een dergelijke declaratoire uitspraak. En wel daarom, omdat hetzelfde vraagstuk — nakoming van de competentieregels — ook naar aanleiding van de tweede benoeming ad interim werd opgeworpen en het onderzoek daarvan opheldering kan brengen. Derhalve kan men nu bij deze conclusie blijven dat het onderzoek verder kan worden beperkt tot het tweede benoemingsbesluit.

3. Het voor beroep vereiste belang

Ten aanzien van het verzoek tot nietigverklaring van de tweede benoeming ad interim heeft verweerder ten slotte nog het vereiste belang betwist, op grond dat verzoeker in geen geval zelf meer in aanmerking kwam voor een dergelijke benoeming. Voorts wees hij op verzoekers argument dat voor dit besluit geen noodzaak had bestaan. Indien dit inderdaad zo was, dan — aldus het Parlement — zou verzoeker zelf destijds ook geen voordeel hebben gehad van een nietigverklaring van de genomen maatregel: hij had zelf evenmin een benoeming ad interim op deze post kunnen verwachten; het is derhalve duidelijk dat enig belang bij het beroep ontbreekt.

Over deze argumenten kan naar mijn mening vooreerst worden opgemerkt dat zij stellig deels de zaak ten principale betreffen, zodat daarop bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid niet behoeft te worden ingegaan. — Voorts moet echter worden geconstateerd dat, zelfs wanneer verzoekers redenering juist is, het bestaan van een belang bij het beroep niet zonder meer mag worden ontkend. Ik meen namelijk dat in gevallen als het onderhavige een zodanig belang niet slechts moet worden erkend wanneer verzoeker wil bereiken dat een dergelijke maatregel tot hem wordt gericht in plaats van tot de ambtenaar jegens wie het bestreden besluit is genomen, maar ook wanneer jegens een andere ambtenaar een besluit is genomen dat bij de beoordeling van de toekomstige ambtelijke stand een rol kan spelen, bij voorbeeld — hierop is uitdrukkelijk gewezen — bij bevorderingsbesluiten. Zo gezien, heeft verzoeker dus wel degelijk belang bij nietigverklaring van het bestreden besluit, aangezien dit voor zijn toekomstige loopbaan een factor van belang is, ook al heeft hijzelf geen kans dat een soortgelijk besluit tot hem wordt gericht.

Om die reden mag de ontvankelijkheid van het beroep mijns inziens niet volledig worden uitgesloten, doch dient te worden erkend dat er wel degelijk aanleiding bestaat de hoofdzaak, de gegrondheid van het beroep tegen de tweede benoeming ad interim, te onderzoeken.

II — Ten principale

1. Het ontbreken der vereiste bevoegdheid

Verzoeker betwist de rechtmatigheid van het besluit waarbij een van zijn collega's met ingang van 5 januari 1970 ad interim werd te werk gesteld op een post van vertaler (de betrokken ambtenares was met zwangerschapsverlof), en wel in de eerste plaats op grond van de bevoegdheidsregeling. Zoals U weet, is het besluit genomen door de secretaris-generaal van het Europees Parlement. Volgens verzoeker had het besluit echter door het Bureau van het Parlement of — zoals hij bij de mondelinge behandeling heeft gesteld — door de voorzitter van het Parlement als het tot aanstelling bevoegd gezag moeten zijn genomen.

Wij moeten derhalve onderzoeken wat bij het Europees Parlement het tot aanstelling bevoegd gezag in de zin van artikel 2 van het Statuut van de ambtenaren is voor de in artikel 7, lid 2, bedoelde maatregelen. Hiertoe is van belang het op 12 december 1962 door het Bureau van het Europees Parlement genomen en desgevraagd bij het dossier gevoegde besluit tot aanwijzing van het tot aanstelling bevoegd gezag. Blijkens dit besluit worden de door het Statuut van de ambtenaren aan het tot aanstelling bevoegd gezag verleende bevoegdheden uitgeoefend door de voorzitter van het Europees Parlement (dus niet door de secretarisgeneraal), voor zover het gaat om ambtenaren van de talendienst tot en met de rang LA/6 en — hetgeen hier vooral van belang is — om toepassing van artikel 7 van het Statuut van de ambtenaren. Verweerder heeft er echter op gewezen dat in artikel 7, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren, dat handelt over de tewerkstelling ad interim, niet wordt gesproken van het tot aanstelling bevoegd gezag.

Daaruit zou in verband met voornoemd besluit van het Bureau van het Parlement van 12 december 1962 mogen worden afgeleid dat het hier gaat om de uitoefening van gewone administratieve bevoegdheden die aan de secretaris-generaal als hoofd van het secretariaat van het Parlement toekomen.

Ik ben er echter niet geheel van overtuigd dat dit verweer kan slagen. Verschillende overwegingen komen hierbij in aanmerking. — Vooreerst is het weliswaar juist dat volgens artikel 2 van het Statuut van de ambtenaren „iedere instelling bepaalt welke gezagsorganen bij haar de bevoegdheden uitoefenen die volgens dit Statuut aan het tot aanstelling bevoegde gezag toekomen”, doch welbeschouwd slaat deze definitie niet slechts op de artikelen van het Statuut van de ambtenaren, waarin uitdrukkelijk sprake is van het tot aanstelling bevoegde gezag, doch op de gezamenlijke bevoegdheden die volgens het Statuut aan het tot aanstelling bevoegde gezag toekomen. Dit verklaart waarom het tot aanstelling bevoegde gezag niet is vermeld in alle artikelen waarvan de toepassing aan de voorzitter van het Parlement is voorbehouden. Ik noem U slechts artikel 16 van het Statuut van de ambtenaren, dat spreekt van „instelling”. — Voorts ben ik met Euler (Europãisches Beamtenstatut 1966, Deel I, blz. 36) van mening dat delegatie van bevoegdheid op grond van artikel 2 van het Statuut van de ambtenaren restrictief moet worden uitgelegd. De bevoegdheid tot het nemen van besluiten berust derhalve bij het hoogste tot aanstelling bevoegde gezag van een instelling, indien niet duidelijk blijkt van delegatie aan lagere instanties. Dit is in casu van belang, aangezien in het besluit van het Bureau van het Parlement van 12 december 1962 de toepassing van het gehele artikel 7 van het Statuut van de ambtenaren is voorbehouden aan de voorzitter van het Parlement, voor zover het ambtenaren van de talendienst tot en met de rang LA/6 betreft. Indien slechts een deel van artikel 7 was bedoeld, namelijk alleen lid 1, dan was dit in het besluit van 12 december 1962 stellig even duidelijk vermeld als bij andere artikelen van het Statuut van de ambtenaren, zoals artikel 28, waarvan slechts punt a), of artikel 59 waarvan slechts het eerste lid wordt genoemd. Nu dit bij artikel 7 van het Statuut van de ambtenaren niet is geschied, moet worden aangenomen dat toepassing daarvan op ambten in de rang LA/6 volledig is voorbehouden aan de voorzitter van het Parlement. — Ten slotte moet ook rekening worden gehouden met het belang van de overeenkomstig artikel 7, lid 2, te nemen maatregelen. Tewerkstelling ad interim kan zich, zoals bekend, over geruime tijd uitstrekken en voorts zijn dit soort besluiten van groot belang voor de loopbaan van de betrokken ambtenaren (bij voorbeeld voor bevordering). Ook om deze redenen kan stellig niet worden gezegd dat benoemingen ad interim administratieve maatregelen van ondergeschikt belang zijn, die de secretaris-generaal van het Parlement ook voor hogere functies zonder uitdrukkelijke machtiging mag nemen.

Bij een zinvolle uitlegging van het besluit van het Bureau van het Parlement van 12 december 1962 aan de hand van de bepalingen van het Statuut moet men derhalve erkennen dat het onderhavige besluit niet door de secretaris-generaal, doch slechts door de voorzitter van het Parlement mocht worden genomen en dat het derhalve wegens onbevoegdheid moet worden vernietigd.

2. Schending van artikel 7 van het Statuut van de ambtenaren

Het resultaat van het onderzoek naar de bevoegdheid maakt eigenlijk verder onderzoek overbodig. Ten einde de basis van het onderzoek te verbreden wil ik echter ten minste nog op één argument ingaan, namelijk de vraag of het besluit tot tewerkstelling ad interim hoegenaamd geoorloofd was.

Op zichzelf levert deze vraag geen moeilijkheden op, omdat artikel 7 bepaalt dat ad interim vervulde ambten moeten behoren bij een hogere loopbaan dan die waarin de betrokken ambtenaar is geplaatst. Aan deze voorwaarde is in casu voldaan aangezien de betrokken ambtenares is geplaatst in de loopbaan LA/8 — LA/7, terwijl de post waarvoor zij werd aangewezen de loopbaan LA/6 — LA/5 omvat.

Volgens de jongste jurisprudentie — waarmee ik instem — kan met een dergelijke formele beschouwing echter niet worden volstaan, doch moet bij een juiste toepassing van artikel 7 ook met de desbetreffende functies rekening worden gehouden. Wij moeten ons dus afvragen of de werkzaamheden op de ad interim vervulde post meer verantwoordelijkheid voor de ambtenaar meebrengen, of zij aanmerkelijk afwijken van zijn eigenlijke werkzaamheden en of er hier duidelijke verschillen bestaan (zaak 5-70, arrest van 16 december 1970). Verzoeker betwist uitdrukkelijk dat dit in casu het geval is. Hij stelt met name dat de bestreden benoemingen ad interim voor zijn collega geen andere werkzaamheden meebracht, dat zij evenals tevoren als vertaalster werkzaam is en dat haar vertalingen nog steeds worden gereviseerd. Om opheldering op dit punt te krijgen, heeft het Hof het Parlement een aantal vragen gesteld. Naar aanleiding daarvan werden de aankondigingen van vacatures overgelegd, waarin zowel de werkzaamheden van de ad interim bezette post als de werkzaamheden van de ambtenaar aan wie deze post was opgedragen, worden omschreven. Daaruit blijkt inderdaad dat er geen verschil bestaat tussen de eisen waaraan de betrokken ambtenaren bij de vervulling der vergeleken posten moeten voldoen. In beide gevallen wordt universitaire opleiding, volledige beheersing van het Italiaans, grondige kennis van ten minste twee officiële talen der Gemeen schap en kennis van juridische, economische en technische terminologie geëist. Het enige verschil is dat als werkzaamheden voor het ambt van vertaler in de loopbaan LA/8 — LA/7 is aangegeven: „vertaling uit ten minste twee officiële talen van de Gemeenschap in het Italiaans”, en voor het ambt in de loopbaan LA/6 — LA/5: „vertaling van moeilijke teksten uit ten minste twee officiële talen in het Italiaans”. Voorts heeft het Parlement betoogd dat het verschil niet zozeer lag in de aard der werkzaamheden, dan wel in de bekwaamheid van de met deze werkzaamheden belaste ambtenaar, zodat bij het ambt in de loopbaan LA/6 — LA/5 met een minder vergaande revisie kan worden volstaan. — Welke conclusie kan daaruit worden getrokken? Het valt niet te ontkennen dat de ad interim vervulde functie voor de daarmee belaste ambtenares meer verantwoordelijkheid meebracht dan haar eigen functie. Men kan zich echter moeilijk op het standpunt stellen dat er bij de ad interim vervulde werkzaamheden en de graad van moeilijkheid daarvan sprake is van een duidelijk verschil (une différence marquée) in de zin van het arrest 5-70. Volgens de recente jurisprudentie is het dus zeer twijfelachtig of het Parlement wel voldoende grond had voor een besluit krachtens artikel 7, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren. Derhalve dient het bestreden besluit ook wegens ontbreken van de materiële voorwaarde van artikel 7 van het Statuut van de ambtenaren te worden vernietigd.

3.

Gezien deze uitkomst treed ik niet meer in de andere middelen, zijnde misbruik van bevoegdheid (waartoe verzoeker heeft gesteld dat het de bedoeling was de aangewezen ambtenares persoonlijk te bevoordelen), schending van wezenlijke vormvoorschriften (in strijd met artikel 25, tweede alinea, van het Statuut van de ambtenaren, zou van de interim-post geen kennisgeving van vacature zijn gedaan en zou het personeelscomité niet zijn ingeschakeld), voorts het argument dat een vergelijkende beoordeling van de verdiensten der in aanmerking komende ambtenaren had moeten plaatsvinden (waarbij verzoeker beter zou zijn geplaatst dan de ad interim benoemde ambtenares), en ten slotte het argument dat de handelwijze van het Parlement discriminerend was, aangezien voor de ad interim vervulling van het ambt overeenkomstig artikel 7 niet met alle in aanmerking komende ambtenaren rekening was gehouden. De waarde van deze grieven wil ik in het midden laten, al krijgt men na een summier onderzoek de indruk dat deze middelen en argumenten moeilijk tot toewijzing van het beroep hadden kunnen leiden.

III — Samenvatting

Op grond van het voorgaande luidt mijn conclusie als volgt:

De vorderingen, ertoe strekkende het in december 1968 genomen besluit tot tewerkstelling ad interim nietig te doen verklaren en te doen verstaan dat aan een bepaalde tijdelijke functionaris niet permanent bij elke plenaire vergaderperiode opdrachten voor dienstreizen naar Straatsburg mogen worden verstrekt, moeten als niet-ontvankelijk worden verworpen. Daarentegen schijnt het beroep, voor zover het strekt tot nietigverklaring van het in januari 1970 genomen besluit tot tewerkstelling ad interim niet slechts ontvankelijk, maar ook gegrond, zodat het — na twee maanden stilzwijgen — implicite gegeven besluit tot afwijzing van verzoekers administratief beroep in zoverre moet worden nietigverklaard. Derhalve bestaat er naar mijn mening aanleiding om de helft van aan verzoekers zijde gevallen kosten ten laste van het Parlement als verweerder te brengen.


( 1 ) Vertaald uit het Duits.