Conclusie van de Advocaat-Generaal K. Roemer

van 2 mei 1967 ( 1 )

Mijnbeer de President, mijne heren Rechters,

De vennootschap Hoogovens, Uw Hof reeds uit talrijke processen bekend, heeft andermaal een beroep ingesteld tot nietigverklaring van een door de Hoge Autoriteit krachtens de schrootverevening tot haar gerichte beschikking.

Wat de feiten betreft, zij voorlopig slechts het volgende opgemerkt :

Tijdens de werking van de schrootverevening heeft verzoekster in haar walserij, behalve eigen produkten, ook van derden afkomstige blokken tot plakken verwerkt. Het daarbij ontstane schroot gebruikte zij voor haar staalproduktie.

Het geding betreft de vraag of dit schroot aan de verevening onderworpen is.

Verzoekster is van mening dat het als eigen omloopschroot moet worden beschouwd en derhalve van de bijdrage is vrijgesteld, daar het in haar onderneming is ontstaan en wedergebruikt; de Hoge Autoriteit daarentegen is van oordeel dat de litigieuze hoeveelheden — welker omvang overigens niet wordt betwist — met belastbaar aankoopschroot gelijk moet worden gesteld en voert daartoe aan dat deze slechts in de produktiecyclus van verzoekster konden worden opgenomen met goedvinden van andere ondernemingen, welke als tegenprestatie bepaalde geldsbedragen ontvingen.

De Hoge Autoriteit zou de gegevens, waarop zij haar stelling baseert, verkregen hebben bij een in september 1960 door de Schweizerische Treuhandgesellschaft in de onderneming van verzoekster ingesteld onderzoek.

Op grond daarvan heeft het Directoraat-Generaal Staal na de uitvaardiging der algemene beschikking 7-63 verzoekster op 8 april 1963 een afrekening met een betalingsbevel gezonden welke mede op de onderhavige hoeveelheden schroot betrekking hadden. De daartegen ingestelde vordering (zaak 28-63) moest evenwel, daar het geen voor beroep vatbare beschikking betrof, als niet-ontvankelijk worden afgewezen (vgl. arrest van 5 december 1963, Jurisprudentie, Deel IX, blz. 491).

Inmiddels vonden in het kader van een langdurige ambtelijke behandeling besprekingen tussen verzoekster en de Hoge Autoriteit plaats. Zij hebben er toe geleid dat op 23 december 1965 krachtens de algemene beschikking 19-65, waarin definitieve heffingstarieven waren voorzien, een nieuwe afrekening werd toegezonden, ditmaal per 31 december 1965, waarbij de litigieuze hoeveelheden schroot wederom als belastbaar aankoopschroot werden beschouwd.

Toen partijen ook daarop niet tot overeenstemming konden geraken, gaf de Hoge Autoriteit ten slotte op 20 juli 1966 een formele beschikking, waarin, evenals in de afrekening van 23 december 1965, het door verzoekster ter zake van bedoelde hoeveelheden verschuldigde bedrag aan bijdragen op Fl 589-912,42 werd berekend.

Verzoekster vordert nu nietigverklaring van deze beschikking en wel op de volgende gronden :

schending van verschillende basisbeschikkingen met betrekking tot de schrootverevening;

schending van enkele verdragsbepalingen en met name van het discriminatieverbod;

schending van de motiveringsplicht

Verzoekster meent voorts dat de Hoge Autoriteit ook in geval van afwijzing van het beroep in de kosten zal moeten worden verwezen, daar zij in de loop van de behandeling een zo grote mate van onzekerheid heeft geschapen, dat verzoekster wel gedwongen was zich tot de rechter te wenden.

Wij onderzoeken thans in hoeverre deze grieven tot de gevorderde nietigverklaring kunnen leiden.

Daar verdere prealabele beschouwingen — mede ten aanzien van de ontvankelijkheid — niet nodig voorkomen, kan zonder meer tot behandeling van de eerste grief worden overgegaan.

1. Schending van algemene schrootbeschikkingen

Bij dit middel wordt de vraag opgeworpen of de opvatting van de Hoge Autoriteit met betrekking tot het litigieuze schroot in strijd is met de beginselen van de artikelen 3 en 4 der beschikking 22-54, 14-55, 2-57, 16-58, artikel 6 der beschikkingen 7-63 en 19-65, van het schrijven van het Gemeenschappelijke Bureau van 9 december 1957 en van de desbetreffende rechtspraak van het Hof.

a) Ten aanzien van de feiten

Alvorens de aldus aangeduide rechtsvragen in bijzonderheden te behandelen, dient nog een en ander over de aan het geding ten grondslag liggende feiten te worden opgemerkt, daar partijen verdeeld zijn over de vraag krachtens welke juridische en zakelijke verhoudingen het onderhavige schroot bij Hoogovens ontstond en in haar bedrijf werd wedergebruikt.

De huidige stand van het geding geeft daartoe het volgende beeld.

Het is niet betwist dat door een aantal Duitse en Franse staalproducenten met Breedband en het N.V.W. (Nederlands Verkoopkantoor voor Walserijprodukten — een onderneming waarin zowel Breedband als Hoogovens participeren — rechtstreeks loonwalscontracten met betrekking tot de bewerking van blokken werden afgesloten en dat deze overeenkomsten de clausule bevatten dat het afgevallen schroot tegen vergoeding van de Nederlandse marktprijs bij de loonwalsers mocht achterblijven. Bij de uitvoering dezer opdrachten was ook Hoogovens ingeschakeld en wel bij de eerste produktiehandeling, namelijk bij het uitwalsen van de blokken tot plakken.

Wat de vraag betreft in welke juridische hoedanigheid Hoogovens hierbij optrad, zou een brief van verzoekster aan de Hoge Autoriteit van 25 april 1966 de indruk kunnen wekken dat Hoogovens rechtstreeks partij bij de loonwalsovereenkomsten was, want in dit schrijven wordt gewaagd van schroot „dat in de blokwalserij van onze onderneming is ontstaan uit staal dat in opdracht van een aantal Duitse en Franse staalfabrieken in loondienst is uitgewalst” en voorts van rechtsverhoudingen „die op het punt van de onderwerpelijke loonwalsingen hebben bestaan tussen de opdrachtgever enerzijds en N.V.W., Breedband en Hoogovens anderzijds”.

Daarentegen zou, gelijk in een brief van de Hoge Autoriteit aan verzoekster d.d. 15 juni 1962 wordt gezegd, de Schweizerische Treuhand hebben vastgesteld dat Hoogovens loonwalsopdrachten voor Breedband heeft uitgevoerd en in verband daarmede laatstgenoemde vennootschap telkens voor het ontstane schroot in afzonderlijke afrekeningen heeft gecrediteerd. Nu deze vaststelling in de loop der administratieve behandeling blijkbaar niet werd betwist, zou daaruit kunnen worden afgeleid dat er tussen Breedband en Hoogovens minstens een stilzwijgend accoord heeft bestaan over de uitvoering van walsopdrachten die van de zijde van Hoogovens als een loonwalsovereenkomst worden beschouwd.

Verzoekster acht deze beide gevolgtrekkingen evenwel onjuist. In plaats daarvan heeft zij, in antwoord op een na het einde der schriftelijke behandeling door het Hof gestelde vraag, verklaard, dat zij de verwalsingen heeft uitgevoerd in het kader van een gezamenlijke produktie in de vorm van een maatschap welke tussen haar en Breedband bedongen was. Uitgangspunt van deze verhouding was dat elk der ondernemingen aan de ander bepaalde produktieafdelingen ter beschikking stelden, dat de bedrijfsrekening door Breedband, de ontvanger van het walsloon, opgesteld werd — waarbij de boekingen van het gewonnen schroot slechts voor de gemeenschappelijke kostenberekening van betekenis waren — en dat ten slotte het bedrijfsresultaat naar verhouding van ieders investeringsaandeel tussen de partners werd verdeeld.

Volledige opheldering met betrekking tot alle bijzonderheden van deze weinig overzichtelijke verhoudingen en haar nauwkeurige juridische kwalificatie, komt, nu enkele essentiële aspecten in elk geval vast kwamen te staan, in het kader van het onderhavige geding niet nodig voor. Wij doelen hier op het feit dat in het bedrijf van Hoogovens van derden afkomstige blokken voor rekening en risico van andere ondernemingen werden uitgewalst (hetgeen eveneens moet worden aangenomen wanneer een vaste prijs als walsloon wordt overeengekomen) en voorts op de omstandigheid dat daarbij voor het ontstane schroot uiteindelijk een vergoeding, in welke vorm ook, en naar gelang van de marktprijs gegeven moest worden. Beschouwt men — gelijk verzoekster, in strijd overigens met hetgeen zij in haar brief van 25 april 1966 verklaart, betoogt — slechts Breedband respectievelijk het N.V.W. als medecontractant van de opdrachtgevers, dan ligt het inderdaad voor de hand het bestaan aan te nemen van een op zijn minst stilzwijgend akkoord van dezelfde aard als een loonwalsovereenkomst tussen Breedband en Hoogovens, op grond waarvan uiteraard een verrekening nodig was van het bij Hoogovens verbleven schroot, hetwelk een economische waarde bezat en waarvoor Breedband harerzijds een vergoeding aan de opdrachtgevers schuldig was. Gaat men daarentegen uit van een soort vennootschapsverhouding tussen Hoogovens en Breedband, krachtens welke Hoogovens bepaalde werkzaamheden moest verrichten, dan moet ook hier worden vastgesteld dat via de gemeenschappelijke kostenverrekening in verband met de vaststelling van het bedrijfsresultaat althans een deel der aan de opdrachtgevers af te dragen vergoeding voor ontstaan schroot indirect ten laste van Hoogovens kwam.

In ieder geval was derhalve het wedergebruik van het bij Hoogovens ontstane schroot voor deze onderneming slechts onder bezwarende titel en met toestemming van de opdrachtgevers mogelijk. Deze omstandigheid moet voor een beoordeling naar de regels voor de schrootverevening voldoende worden geacht.

b) Is het bij het uitwalsen van aan derden toebehorende blokken afgevallen schroot eigen omloopschroot van de verwerkende onderneming ?

De beslissende rechtsvraag is derhalve of het bij zodanige verwalsing ontstane schroot, gelijk verzoekster wil, volgens de beginselen van de verevening als eigen omloopschroot van de loonwalser valt te beschouwen.

Verzoekster beroept zich hier met name op de jurisprudentie met betrekking tot het begrip eigen omloopschroot en in dit verband in het bijzonder op het arrest in de zaak 3-65 (Jurisprudentie, Deel XI, blz. 1394).

Hierbij ligt het voor de hand juist aan dit arrest een beslissend argument tegen verzoeksters stelling te ontlenen. Daarin wordt namelijk beslist dat er sprake is van eigen omloopschroot wanneer een onderneming schroot, gewonnen bij eigen produktie of voor haar rekening plaatsgevonden hebbende vervaardiging casu quo verwerkingharer produkten, in haar produktiecyclus terugbrengt, hetgeen onder andere ook voor de opdrachtgever bij loonwalsovereenkomsten geldt. Dezelfde gedachte komt in dit arrest andermaal tot uitdrukking bij de behandeling van de grief van discriminatie welke werd voorgedragen in verband met de verschillende behandeling enerzijds van het bij de in loondienst bewerkte blokken gevallen schroot en het aan de opdrachtgever teruggegeven schroot en anderzijds van het krachtens een eigendomsvoorbehoud aan de verkoper van blokken terug te geven schroot. Het Hof heeft deze grief niet aanvaard en het dan ook rechtens juist geacht dat het bij de verwalsing in loondienst ontstane en aan de besteller teruggegeven schroot als eigen omloopschroot van deze laatste wordt behandeld.

Is zodanig schroot echter in beginsel als eigen omloopschroot van de opdrachtgever te beschouwen, dan kan het — dit is het logische gevolg — wanneer de besteller onder bezwarende titel van de teruggave afziet, niet tevens eigen omloopschroot van de verwerkende onderneming zijn.

Intussen kan met dit beroep op de rechtspraak niet worden volstaan en wel gezien bepaalde overwegingen waarop in verband met het schrijven van het Gemeenschappelijke Bureau van 9 december 1957 nog nader moet worden ingegaan. Onderzoeken wij derhalve nog afzonderlijk de door verzoekster voorgedragen argumenten.

Gelijk U bekend, staan in het middelpunt van haar beschouwingen die passages van het arrest 3-65 waarin wordt gezegd, dat voor het begrip eigen omloopschroot „de omstandigheden van de produktie” en een „analyse van de verrichtingen bij de schrootwinning” van doorslaggevende betekenis zijn. Van eigen omloopschroot is sprake, wanneer het werkelijk een produkt van de eigen activiteit ener van de bijdrageplicht vrij te stellen onderneming betreft. Verzoekster meent, dat in de eerste plaats op deze factoren moet worden gelet en dat het onjuist is contractuele verhoudingen (betreffende de schrooteigendom) tot andere ondernemingen in de definitie van eigen omloopschroot te betrekken. Wanneer zich in een bepaald geval gelijktijdig verschillende criteria zowel van aankoopschroot als van eigen omloopschroot voordoen, dan dienen deze laatste kenmerken, als zijnde die van het gemeenschapsrecht, te prevaleren.

Het komt mij evenwel voor dat deze gevolgtrekkingen op een onjuiste interpretatie van de jurisprudentie berusten.

Reeds in andere gevallen heb ik er op gewezen dat het misleidend kan zijn bepaalde passages uit hun verband te rukken en ze toe te passen los van de bijzondere omstandigheden waarop het arrest betrekking heeft. Dit geldt eveneens voor de rechtspraak over de schrootverevening welke steeds in haar geheel dient te worden beschouwd.

Gaat men aldus te werk, dan blijkt dat bij de schrootverevening een wezenlijk beginsel op de voorgrond staat, namelijk dat het begrip aankoopschroot van allesbeheersende betekenis is en dat het ruim geïnterpreteerd moet worden (zo dienen daaronder ook analoge overeenkomsten te worden gebracht), terwijl de vrijstelling voor eigen omloopschroot de uitzondering vormt, hetgeen betekent dat de daarvoor geldende criteria restrictief moeten worden geïnterpreteerd. Deze regel is ook in het arrest Espérance-Longdoz uitdrukkelijk aanvaard (Jurisprudentie, Deel XI, blz. 1376). Ook wordt het dan duidelijk dat bij de beoordeling van de met de schrootverevening verband houdende problemen contractuele rechtsbetrekkingen niet zonder meer van bijkomstig belang mogen worden geacht. Dit laatste is hoogstens het geval wanneer partijen op deze wijze trachten het begrip eigen omloopschroot uit te breiden. Doch juist het arrest in de zaak 3-65 verbiedt deze betrekkingen als „omstandigheden van de produktie van het schroot, waarom het gaat”, geheel buiten beschouwing te laten, immers werd in deze uitspraak het bij de verwalsing in loondienst (dus krachtens bepaalde contractuele verhoudingen) gewonnen schroot bij teruglevering aan de opdrachtgever als eigen omloopschroot van deze laatste aangemerkt.

Derhalve mag bij samenloop van bepaalde criteria van aankoopschroot en eigen omloopschroot aan deze laatste, als zijnde die van het gemeenschapsrecht, niet de voorrang worden toegekend. Integendeel moet, gelijk uit een reeks van arresten blijkt, het eveneens gemeenschapsrechtelijke criterium van koop worden onderzocht. Is hiervan, zelfs in analoge vorm, sprake, dan staat de bijdrageplicht vast en kan van vrijstelling geen sprake zijn. — Voor de vraag of het een met koop analoge rechtsvorm betreft, acht de jurisprudentie de criteria van nationaal kooprecht niet beslissend ( 2 ) (d.w.z. wilsovereenstemming gericht op eigendomsovergang tegen betaling van een koopprijs). Zo is bij voorbeeld afstand van schroot onder bezwarende titel door een derde voldoende. Ook werd beslisr dat in het kader van het concern een werkelijke overgang van vermogensbestanddelen niet vereist is, doch het enkele noteren van niet aan de markt gebonden prijzen een voldoende aanwijzing voor eigendomsoverdracht vormt (arrest 19-61). In de zaken 42 en 49-59 werd zelfs beslist dat een creditering van Breedband door Hoogovens een voldoende vermoeden van schrootaankoop vormt, zulks zelfs in geval deze boeking slechts geschiedde voor de calculatie der produktiekosten, welke in het kader van een tussen Hoogovens en Breedband bestaande gemeenschap van winst- en verlies, door deze ondernemingen gemeenschappelijk werden gedragen.

Getoetst aan deze beginselen ontmoet de door de Hoge Autoriteit in casu ter bepaling van het belastbare schroot gevolgde methode geen bezwaar.

Wanneer ons namelijk uiteindelijk blijkt dat het bij Hoogovens in het kader van de uitvoering ener loonwalsovereenkomst ontstane schroot slechts met toestemming van de opdrachtgever in het bedrijf van de verwerkende onderneming achterbleef en dat daarvoor een vergoeding voldaan moest worden dan zijn hiermede toch minstens de criteria voor een met koop analoge overeenkomst gegeven. Het gaat niet aan bovendien nog te verlangen dat het schroot uit een vreemde produktiecyclus afkomstig is, immers zou aldus het genoemde beginsel ener ruime interpretatie van het begrip koop worden miskend.

Ook kan tegen de vaststelling van en met koop gelijk te stellen transactie niet worden aangevoerd dat bij het aangaan daarvan het voorwerp der wilsovereenstemming — het afgevallen schroot — nog niet bestond en dat de loonwalser daarvan ononderbroken eigenaar geweest zou zijn gedurende de periode gelegen tussen het ontstaan en het hergebruik van dat schroot. Civielrechtelijk kan de eigendom van toekomstige zaken zeer wel het voorwerp ener overeenkomst vormen. Ook is het, gezien de hierboven geschetste gang van zaken, in het onderhavige geval civielrechtelijk mogelijk dat van een ware eigendomsovergang moet worden gesproken, daar volgens verschillende rechtsstelsels bij verwerking van vreemde zaken de als resultaat van de bewerking verkregen zaak aan de opdrachtgever toebehoort.

Dit punt is echter niet beslissend, want krachtens onze rechtspraak vormt het ontbreken van eigendomsovergang geen dwingende grond tot vrijstelling van de bijdrageplicht.

Zou men een andere redenering volgen en daarbij met name de door verzoekster bedoelde omstandigheden in het centrum der beschouwingen stellen, dan zou zulks mijns inziens tot een met de beginselen der rechtspraak niet te verenigen omkering van het stelsel leiden.

Immers niet mag worden vergeten dat bedoelde criteria voor het eigen omloopschroot telkens in verband met bepaalde feitelijke situaties worden opgesteld en dat hun ontbreken, ondanks de aanwezigheid van bedingen van eigendomsrecht, tot weigering van de vrijstelling heeft geleid. Gelijk bekend, ging het om de verschillende gevallen van concernschroot en het krachtens het eigendomsvoorbehoud aan de vervreemder van blokken teruggegeven schroot. Bij de behandeling van die gevallen betrof het de vraag of vrijstelling voor werkelijk eigen omloopschroot met het oog op een verbetering der produktiviteit kon worden gerechtvaardigd, welke verbetering het gevolg zou zijn van het hergebruik van reeds eerder aan de bijdrageplicht onderworpen schroot der betrokken onderneming; hiertoe werd van een bepaalde organisatie der produktie gesproken waarbij dat schroot in hetzelfde bedrijf werd geproduceerd en ingezet. Met deze overwegingen werd derhalve een engere interpretatie van het begrip eigen omloopschroot beoogd; daarentegen lag het niet in de bedoeling te stellen dat het voor de beoordeling van de bijdrageplicht en de mogelijkheid van vrijstelling alleen, of in de eerste plaats, op de beantwoording van technische vragen met betrekking tot het produktieverloop aankwam.

Derhalve kan, althans op grond van de bestaande rechtspraak, de Hoge Autoriteit niet worden verweten dat zij het begrip „aankoopschroot” ten nadele van verzoekster onjuist zou hebben gedefinieerd.

Hoogstens blijft in het kader van het eerste middel nog de vraag te onderzoeken welke betekenis in het geval van Hoogovens aan het door de Hoge Autoriteit goedgekeurde schrijven van het Gemeenschappelijk Bureau d.d. 9 december 1957 toekomt, hetwelk aan de ondernemingen in de vorm ener circulaire van het Fonds d.d. 31 januari 1958 werd toegezonden. Dit punt behoeft evenwel geen uitvoerige beschouwing.

In deze circulaire wordt de aanmeldings- en bijdrageplicht voor het geval van bewerking van staal in loondienst geregeld. Het daarbij gewonnen schroot moet als eigen omloopschroot van de opdrachtgever worden aangemerkt wanneer de overeenkomst tot bewerking zulks voorziet. In zodanig geval behoeft de bewerker geen opgave te doen. Daarentegen geldt het afvalschroot als eigen omloopschroot van de bewerker wanneer dit in de loonwalsovereenkomst is bepaald. In dit geval behoeft de besteller geen aanmelding te doen en mag hij met name op zijn belastbare hoeveelheid aankoopschroot geen reductie toepassen. Het is derhalve aan betrokkenen overgelaten, wie van hen opgave zal doen en de bijdragen betalen.

Voor zover verzoekster zich op deze regeling beroept om de onrechtmatigheid van vrijstelling ten behoeve van de opdrachtgevers bij loonwalsovereenkomsten te betogen en er over te klagen dat het hun teruggegeven schroot als hun eigen omloopschroot wordt behandeld, kunnen verdere beschouwingen achterwege blijven, daar wij ons standpunt te dezer zake reeds in eerdere conclusies hebben geformuleerd en het Hof deze opvatting in zijn arrest 3-65 heeft aanvaard. Niettemin merken wij ten aanzien van verzoeksters grief andermaal op dat zodanige vrijstelling gerechtvaardigd wordt door de overweging, dat een verbetering van het rendement door de inzet van afvalschroot slechts relevant is, voor zover zij wordt bereikt door schroot hetwelk bij de betrokken onderneming in verband met de staalproduktie reeds met de vereveningsbijdrage werd belast. Dit geldt voor de opdrachtgever, doch niet voor hem die staal krachtens een loonwalsovereenkomst bewerkt. Ook is er geen sprake van dat op deze wijze het juridische en natuurlijke onderremersbegrip vervalst zou worden door de abstracte constructie van een onderneming die zou zijn samengesteld uit de staalfabriek van de besteller en de walserij van de bewerker, want het Hof heeft, waar het bewerking in loondienst betrof, steeds beslist dat het voor de besteller schroot betreft afkomstig uit derde zelfstandige ondernemingen, welk schroot het bijzondere kenmerk vertoont, dat het krachtens bepaalde clausules voor rekening van de opdrachtgever werd geproduceerd.

Met betrekking tot de grief, dat bedoelde regeling niet in het geval van verzoekster werd toegepast, dient er op te worden gewezen dat bedoeld rondschrijven blijkens zijn aard slechts zag op de gevallen waarin loonwalsovereenkomsten door twee schrootverbruikende en derhalve bijdrageplichtige ondernemingen werden afgesloten. In verband met deze gang van zaken diende men er voor te waken dat het afgevallen schroot, op welke wijze dan ook, belast zou kunnen worden, waarbij het in beginsel aan de betrokkenen kon worden overgelaten hoe zij de bijdrageplicht onder elkander zouden verdelen. Neemt de besteller het schroot over, dan moet worden aangenomen dat het walsloon dienoverenkomstig wordt verminderd.

Het onderhavige geval ligt evenwel anders, immers rechtstreekse contractuele verhoudingen tussen verzoekster als bewerkende onderneming en de staalfabrieken als opdrachtgever ontbreken hier kennelijk. Daar echter Breedband als tussengeschakelde onderneming (gelijk ook het N.V.W.) niet aanmeldings- of bijdrageplichtig was en bovendien, naar ons is gebleken, de opdrachtgevers geen afstand van hun recht op aftrek hebben gedaan, kon er van een vrijstelling voor Hoogovens ingevolge de circulaire van het Fonds geen sprake zijn.

Derhalve kan geen der gronden, welke in verband met het eerste middel werden voorgedragen, tot vernietiging der bestreden beschikking leiden.

2. Schending van artikel 3 b, c, d; 4 b en 5 van het Verdrag

In de tweede plaats klaagt verzoekster over schending van een aantal verdragsbepalingen welke alle hetzelfde beginsel tot uitdrukking brengen, namelijk dat gelijksoortige situaties niet verschillend mogen worden behandeld, of anders gezegd: het discriminatieverbod.

Voor zover zij in dit verband een vergelijking treft met de behandeling van concernschroot of schroot, dat krachtens een eigendomsvoorbehoud aan de verkoper van blokken werd teruggegeven, moge met een verwijzing naar vroegere conclusies en arresten worden volstaan. Hierin wordt, met name wat het aan een eigendomsvoorbehoud onderworpen schroot betreft, een wezenlijk onderscheid met aan de besteller teruggeleverd loonwalsschroot gemaakt in zover namelijk bij de vervreemding van blokken de bijdragen over het bij de vervaardiging daarvan gebruikte schroot kon worden afgewenteld en het walsproces naar eigen goedvinden geregeld in een mate welke bij de bewerking in loondienst ontbreekt. Hetzelfde geldt voor het concernschroot. Daar het naar 's Hofs oordeel op het bij een concern in één hand verenigde bedrijfsgezag, de exclusieve economische bedrijfsvoering, niet aankomt, moet worden aangenomen, dat het concernbedrijf waarin bij bewerking van staal schroot gewonnen werd, op eigen verantwoordelijkheid en risico handelde, een omstandigheid die het belangrijk van een tegen loon bewerkende onderneming doet verschillen, welke ten aanzien van de vervaardiging van het eindprodukt geen economisch risico draagt en dus als een produktieafdeling van de opdrachtgever kan worden behandeld.

Derhaleve blijft thans nog slechts de vraag te onderzoeken of er wat de bijdrageplicht betreft van loonwalserijen sprake was van een onrechtmatige ongelijke behandeling ten opzichte van ondernemingen die staal van derden kopen, dit bewerken en het daarbij gewonnen schroot met toestemming van de Hoge Autoriteit vervolgens als niet belastbaar eigen omloopschroot opnieuw mogen inzetten.

Mijns inziens is dit hier niet het geval.

Neemt men aan dat een bijzondere behandeling van eigen omloopschroot bij de verevening in het algemeen kan worden verdedigd — een vraag welke in verschillende arresten met verwijzing naar de tekst van het Verdrag zelf (Bijlage 2 van het Verdrag) definitief werd beslist —, en acht men het juist dat in het kader der schrootverevening — zowel wat laatstgenoemd schroot als het aankoopschroot betreft — niet geheel van de toepassing van rechtsbegrippen mag worden afgezien, dan blijft er in feite slechts één oplossing over, namelijk dat het bij de bewerking van gekochte blokken ontstane schroot als eigen omloopschroot wordt aangemerkt. De eigendomsverhoudingen geven hier geen enkele aanleiding tot moeilijkheden, daar ingewikkelde constructies, zoals bij het eigendomsvoorbehoud, niet nodig blijken Het ware zelfs gekunsteld hier van schrootaankoop te spreken, daar voorwerp van de koop kennelijk slechts staalblokken zijn, waaruit ingevolge de bewerking halffabrikaten en eindprodukten, zowel als schroot, eerst op een later tijdstip ontstaan

Deze zuivere juridische beschouwing kan evenwel met economische overwegingen, die immers bij de oplossing van de vereveningsvraagstukken te allen tijden mede van belang zijn, worden uitgebreid. Hierbij kan uiteraard niet — gelijk verzoekster wil — slechts aan de vraag worden gedacht, in hoeverre het rendement door de inzet van afgevallen schroot — vergeleken met de positie van verzoekster, een onderneming die werkzaamheden tegen loon verricht — verbetert, want zodanige, de produktie betreffende, overwegingen zijn niet alleen beslissend.

Terechr wijst de Hoge Autoriteit erop, dat voor de vrijstelling van eigen omloopschroot mede de overweging van belang is een dubbele belasting van bepaalde hoeveelheden schroot te vermijden, dat wil zeggen te voorkomen, dat aan een onderneming opnieuw een bijdrage wordt opgelegd voor schroot, ontstaan bij de bewerking van staal, hetwelk met behulp van reeds belastbaar schroot geproduceerd werd.

Op dit punt bestaat er een wezenlijk onderscheid tussen de positie van de tegen loon bewerkende onderneming en die van het bedrijf hetwelk staal kocht en bewerkte. Inderdaad kan er van worden uitgegaan dat de prijs van het ingezette schroot, inclusief de bijdrage, een element vormt van de staalprijs en dat aldus de bijdrageplicht op de koper van het staal wordt afgewenteld, respectievelijk bij staal uit derde landen (wat op herzelfde neerkomt), de prijs voor ingevoerd schroot. Geheel anders is de situatie bij degene die tegen loon bewerkt: hij geeft het grootste deel van het bewerkte staal aan de opdrachtgever terug en behoudt slechts het afgevallen schroot. Er is derhalve geen sprake van dat de bijdrageplicht op hem wordt afgewenteld, want het walsloon wordt uitsluitend berekend naar de verrichte arbeid en niet naar de waarde van het aldus ontstane produkt.

Op grond van deze, juridische zowel als economische, overwegingen komt een verschillende behandeling respectievelijk van de loonwalser en de onderneming die staal kocht, voor de toepassing van de schrootverevening gerechtvaardigd voor, zodat er van een onrechtmatige discriminatie geen sprake kan zijn.

Het tweede middel kan derhalve evenmin slagen.

3. Onvoldoende motivering

Met de derde grief, schending van wezenlijke vormvoorschriften, klaagt verzoekster over schending van de motiveringsplicht. Zij stelt dat de bestreden beschikking deels onjuiste gegevens bevat, deels te algemeen en onvolledig met redenen werd omkleed. Zo zou de concrete positie van verzoekster nauwelijks behandeld zijn, terwijl de overeenkomsten, op grond waarvan zij haar werkzaamheden verrichtte, evenals haar voorwerp, niet duidelijk zijn aangegeven. Voorts zou ook niet ingegaan zijn op de vraag krachtens welke rechtsbetrekkingen de eigendom van het onderhavige schroot op verzoekster overging. En ten slotte zou de Hoge Autoriteit de tijdens de administratieve behandeling opgeworpen vraag ener eventuele discriminatie buiten beschouwing hebben gelaten.

Wat het eerste punt betreft, de beweerde onjuistheid der motivering, werd het in de loop van het geding duidelijk dat hier van een misverstand sprake is. Wanneer in de beschikking wordt gezegd dat Hoogovens bepaalde bijdragen heeft voldaan, dan wordt hiermede niet gedoeld op de bijdrageplicht ten aanzien van het litigieuze schroot, doch van het schroot hetwelk in het bedrijf van Breedband gewonnen werd. In het kader van de beschikking, in haar geheel bezien, wordt dit voldoende duidelijk. Van enige onjuistheid is derhalve geen sprake.

De overige grieven evenwel zouden ernstigere bedenkingen kunnen doen rijzen en zulks met name op grond van de jongste rechtspraak ten aanzien van de motiveringsplicht in vereveningszaken. Inderdaad wordt in de considerans slechts summier vermeld dat er tussen Breedband, respectievelijk het N.V.W. enerzijds en een aantal Duitse en Franse staalondernemingen anderzijds, loonwalscontracten bestonden. Het bij het uitwalsen gevallen schroot zou krachtens bepaalde bedingen en tegen vergoeding van de op de Nederlandse markt geldende prijs mogen worden behouden. Hoogovens zou in het kader van deze overeenkomsten herhaaldelijk opdrachten hebben ontvangen om de van de staalfabrieken afkomstige blokken tot plakken te verwerken, waarbij dan het zoeven genoemde beding zou gelden voor het gevallen schroot hetwelk Hoogovens mocht hergebruiken.

Deze gegevens vormen inderdaad een sobere weergave der feiten. Vat men evenwel de motiveringsplicht op in die zin dat slechts de wezenlijke feiten moeten worden gerelateerd waarop de Hoge Autoriteit haar redenering doet steunen, dan kan de opvatting worden verdedigd dat zij met de vermelding, dat het hier van derden afkomstig staal betrof, nog juist aan deze eis heeft voldaan. Is dit juist, dan zou een nauwkeuriger aanduiding van die juridische en zakelijke betrekkingen welke voor het onderhavige geval kenmerkend zijn, in de loop van de behandeling voor het Hof mogen volgen.

Ook zou men de, eveneens summiere, weergave van de rechtsoverwegingen der Hoge Autoriteit nog voldoende kunnen achten, waar zij vaststelt dat het begrip eigen omloopschroot eng moet worden geïnterpreteerd, dar het in casu beslissend is dat de bewerkte blokken door Hoogovens noch vervaardigd, noch gekocht werden en dat het gevallen schroot krachtens overeenkomst en tegen vergoeding opnieuw mocht worden ingezet. Bij een welwillende waardering zou men kunnen zeggen dat de Hoge Autoriteit hiermede duidelijk maakt hoe zij bij de beoordeling de accenten heeft gelegd en met name welke elementen zij als indiciën voor een met koop gelijk te stellen overeenkomst heeft beschouwd.

Voorts is het niet juist dat de Hoge Autoriteit zich over de grief van discriminatie niet zou hebben uitgesproken, zulks nog daargelaten de vraag of van haar wel mag worden verlangd dat zij op alle tijdens de administratieve behandeling voorgedragen weren ingaat. In ieder geval wijst de Hoge Autoriteit erop, dat het geval waarin blokken worden aangekocht en verwerkt — hetwelk verzoekster met name als object van vergelijking had gekozen — juridische, economische en industriële kenmerken vertoont, waardoor het — en niet in de laatste plaats omdat de bewerking voor eigen rekening plaatsvond — zich duidelijk ondetscheidt van het geval van de loonwalsopdracht. Ook op dit punt mocht een verdere ontwikkeling van de gronden eerst bij de gerechtelijke behandeling volgen.

Het komt mij dan ook voor dat, hoewel enkele gegronde bedenkingen rijzen, de beschikking niet wegens onvoldoende motivering vernietigd kan worden en zulks niet in de laatste plaats gezien de omstandigheid, dat het hier een beschikking betreft welke alleen verzoekster raakt en voorts daar zij ingevolge de uitvoerige gedachtenwisseling tijdens de administratieve behandeling van de door de Hoge Autoriteit gevolge redenering in bijzonderheden op de hoogte was.

4. De kostenbeslissing

Het beroep dient dus als ongegrond te worden afgewezen. Krachtens ons Reglement voor de procesvoering zou verzoekster derhalve in de kosten moeten worden verwezen. Om hieraan te ontkomen heeft zij evenwel subsidiair gevorderd dat met toepassing van artikel 69, § 3, van bedoeld Reglement op dit punt te haren gunste zal worden beslist. Zij voert daartoe aan dat de Hoge Autoriteit door de wijze waarop zij deze zaak heeft behandeld een grote mate van onzekerheid deed ontstaan. Met name zou de bestreden beschikking afwijken van de in het schrijven van het Gemeenschappelijk Bureau d.d. 9 december 1957 neergelegde beginselen. Ook zou de Hoge Autoriteit zich bij de motivering van andere argumenten hebben bediend dan in de omvangrijke briefwisseling gedurende de administratieve behandeling, welke overigens bepaalde tegenstrijdigheden vertoonde. Een en ander zou voor verzoekster redelijkerwijs aanleiding hebben gevormd tot het instellen van beroep ten einde de gerezen vragen door de rechter te doen beslissen.

Inderdaad kent onze rechtspraak gevallen waarin de Hoge Autoriteit, hoewel zij in het gelijk werd gesteld, niettemin in de proceskosten werd veroordeeld, daar zij door haar houding aanleiding tot het aanvangen ener gerechtelijke actie had gegeven. Bezien wij derhalve nader of in de onderhavige zaak in gelijke zin moet worden beslist.

Wat voornoemde brief van het Gemeenschappelijk Bureau betreft, kan ik volstaan met een verwijzing naar hetgeen te dier zaken reeds eerder werd opgemerkt. Daarbij bleek, dat bedoeld schrijven slechts zag op het geval van twee schrootverbruikende en tot het doen van opgaven verplichte ondernemingen tussen wie een loonwalsovereenkomst werd gesloten, doch niet op een geval als het onderhavige waarin verzoekster niet in enige rechtsstreekse betrekking tot schrootverbruikende ondernemingen stond. Derhalve kan niet met vrucht worden betoogd, dat de bestreden beschikking aan de in bedoeld schrijven neergelegde beginselen derogeert en dat deze afwijking een grond tot het instellen van beroep zou hebben opgeleverd.

Hetzelfde geldt voor de bewering dat de argumentatie van de considerans verschilt van de tijdens de administratieve behandeling aangevoerde gronden, welke overigens in zichzelf tegenstrijdig zouden zijn. De redenen waarmede de beschikking werd omkleed behoeven niet in herinnering te worden gebracht, daar wij die reeds bij de bespreking van het laatste middel hebben gerelateerd. Wat nu de inhoud van de verschillende door de Hoge Autoriteit tot verzoekster gerichte brieven betreft (brieven van 15 juni 1962, 6 augustus 1963, 29 januari 1965 en 27 juni 1966), de daarin vervatte argumentatie ligt — hoewel niet overal even uitvoerig geformuleerd en telkens op de door verzoekster voorgebrachte bezwaren afgestemd — in het algemeen in dezelfde lijn als de motivering der beschikking. In bedoelde brieven wordt namelijk gezegd dat verzoekster, zonder zelf partij bij die overeenkomsten te zijn geweest, in het kader van tussen Breedband en verschillende opdrachtgevers gesloten loonwalscontracten, van derden afkomstig staal heeft bewerkt, waarbij het contractuele beding gold, dat Breedband het afgevallen schroot mocht behouden. Hoogovens zou harerzijds schroot hebben verkregen bij de voor rekening van Breedband uitgevoerde werkzaamheden. Dit schroot zou hoogstens als eigen omloopschroot der opdrachtgevers, doch niet als zodanig schroot van Hoogovens mogen worden aangemerkt. Dit ware slechts anders, indien de opdrachtgevers de verplichting tot voldoening der bijdragen zouden hebben overgenomen, hetgeen bij loonwalsovereenkomsten op grond van de brief van het Gemeenschappelijk Bureau d.d. 9 december 1957 mogelijk was. Voorts wordt in deze brieven nog nader ingegaan op het onderscheid tussen loonwalsovereenkomsten en staalverkopen met eigendomsvoorbehoud ten aanzien van het gewonnen schroot, alsmede — zulks naar aanleiding van een tegenwerping van verzoekster — op de verschillende behandeling, welke met het oog op het bij de bewerking van gekocht staal afgevallen schroot noodzakelijk voorkomt.

Wij kunnen derhalve noch in bedoeld schrijven, noch in de redenen waarmede de beschikking werd omkleed een tot misverstand aanleiding gevende onzekerheid vaststellen. Er bestaat dan ook geen grond de Hoge Autoriteit met toepassing van artikel 69, § 3, van het Reglement voor de procesvoering geheel of gedeeltelijk in de kosten te verwijzen.

5. Conclusie

Ik heb derhalve de eet als volgt te concluderen :

Het beroep van de vennootschap Hoogovens tegen de Hoge Autoriteit der E.G.K.S. is ontvankelijk doch niet gegrond. Overeenkomstig artikel 69, § 2, van voornoemd Reglement zal verzoekster in de kosten worden veroordeeld.


( 1 ) Vertaald uit het Duits.

( 2 ) Arrest 19-61, Jurisprudentie, Deel VIII, blz. 705.