Conclusies van de Advocaat-Generaal Joseph Gand
van 17 maart 1965 ( 1 )
Mijnheer de President, mijne heren Rechters,
Na een door het Europese Parlement uitgeschreven intern vergelijkend onderzoek werd, bij besluit van 12 mei 1964, de heer Ducci benoemd tot afdelingshoofd (A 3) bij het Directoraat-Generaal Algemene Zaken.
Alfieri, ambtenaar in de rang L A 4 van de taalkundige dienst van het Parlement, die ook aan het vergelijkend onderzoek had deelgenomen, stelt thans bij Uw Hof een beroep in waarvan de hoofdvordering gericht is tegen de benoeming van de heer Ducci. Daarnaast bestrijdt hij op verschillende gronden de wijze van bekendmaking van het litigieuze vergelijkend onderzoek en de bekendmaking zelf, alsmede de besluiten waarbij de jury de heer Falcone heeft toegestaan ook aan het vergelijkend onderzoek deel te nemen, en de in artikel 30 van het Statuut bedoelde lijst van geschikte kandidaten heeft vastgesteld Ten slotte vraagt hij Uw Hof het Parlement tot betaling van een schadevergoeding te veroordelen.
I
Een belangrijk — zo niet het voornaamste — punt dat partijen tijdens dit geding verdeeld houdt, betreft de ontvankelijkheid van de vorderingen en, eventueel, van de middelen waarop deze steunen.
Het Parlement voert vooreerst aan dat, voor zover deze vorderingen gericht zijn tegen de onderscheiden handelingen die voor de procedure van het vergelijkend onderzoek bepalend zijn geweest, zij tardief zijn ingesteld; voorts stelt het Parlement dat, nu de benoeming slechts wordt bestreden op grond van beweerdelijke onwettigheid of het niet bestaan van deze handelingen, en niet wegens een daaraan klevend gebrek, het beroep eveneens niet ontvankelijk is voor zover het gericht is tegen het benoemingsbesluit.
In de verdere ontwikkeling van zijn betoog wijst het Parlement er op dat volgens de jurisprudentie van Uw Hof (zie met name het ar-rest-Lassalle ten aanzien van de uitschrijving van een vergelijkend onderzoek) sommige handelingen die een benoeming voorbereiden daarvan kunnen worden gesplitst en, indien zij nadeel berokkenen, afzonderlijk kunnen worden bestreden. Indien zulks niet geschiedt gaan — zoals de geachte raadsman van het Parlement bij pleidooi heeft herhaald — deze handelingen, die op zich zelf aan de verzoeker geen nadeel kunnen berokkenen noch zijn rechtspositie rechtstreeks kunnen beïnvloeden, een onverbrekelijk deel van het definitieve besluit vormen : de rekwirant moet in dat geval in zijn op nietigverklaring van het definitieve besluit gerichte beroep aantonen dat hij bij de nietigheid van de voorbereidende handelingen belang heeft. Vervolgens de verschillende aangevoerde grieven besprekend is het Parlement van oordeel dat het meerendeel betrekking heeft op etappes van het vergelijkend onderzoek die als handelingen waardoor nadeel werd berokkend konden worden bestreden; omdat ten tijde van deze handelingen daartegen geen beroep werd ingesteld kunnen deze grieven thans niet meer met vrucht worden voorgedragen. Alleen het ontbreken van openbaarheid, het niet bekendmaken van de samenstelling van de jury en van de toelatingslijst zijn (naar de mening van het Parlement) onverbrekelijk verbonden aan het benoemingsbesluit, doch verzoeker heeft geen belang bij een bestrijding van de daaraan mogelijkerwijze klevende gebreken.
Deze stelling, waaraan noch spitsvondigheid noch scherpzinnigheid worden ontzegd, zal, zo komt het ons voor, toch niet kunnen worden aanvaard. De werving is een ingewikkelde administratieve procedure, dat wil zeggen een reeks noodzakelijke besluiten: de uitschrijving van het onderzoek, de toelating tot het onderzoek volgen op elkander tot uiteindelijk het besluit tot stand komt waarbij de ambtenaar wordt benoemd. De betrokkenen kunnen ongetwijfeld tegen elk van de voorafgaande handelingen opkomen, voor zover deze echte administratieve besluiten zijn en zij dit binnen de voorgeschreven termijn na de aankondiging, respectievelijk bekendmaking doen. Zij zijn echter niet verplicht zulks te doen; zij mogen het definitieve besluit afwachten, en zijn dan ontvankelijk in hun beroep op de onwettigheid van een der voorbereidende besluiten, zelfs indien de termijn voor de rechtstreekse bestrijding van deze besluiten is verstreken.
Het doet er weinig toe dat, zoals de verwerende partij opmerkt, in het onderhavige geval in het geheel niet is aangevoerd dat aan het benoemingsbesluit zelf, waarbij het bevoegde gezag een keuze doet uit degenen die op de lijst van geschikte kandidaten zijn geplaatst, enig gebrek kleeft. Een rekwirant die, na deelneming aan het vergelijkend onderzoek, ontvankelijk is in zijn bestrijding van deze benoeming kan bij deze gelegenheid zijn vordering doen steunen op alle middelen die tegen de vroegere handelingen zouden kunnen worden aangewend, waarbij er geen aanleiding toe bestaat na te gaan of hij bij het aanvoeren van deze. of gene grief al dan niet belang heeft. De beoordeling van het belang moet geschieden aan de hand van de vorderingen en niet van de middelen.
Aldus luidt tenminste de stelling die wij hebben verdedigd in onze conclusie in de zaak-Ley, 12-64 en 29-64, ter zitting van 4 februari jongstleden. In afwachting van Uw arrest kunnen wij niets anders doen dan daarbij persisteren.
Als hoofdvordering bestrijdt Alfieri het besluit waarbij naar aanleiding van een vergelijkend onderzoek waaraan hij, verzoeker, heeft deelgenomen, de heer Ducci is benoemd; hij doet zulks binnen de bij artikel 91 van het Statuut bepaalde termijn. De in zijn verzoekschrift aangevoerde grieven dienen derhalve te worden onderzocht, zelfs indien zij betrekking hebben op vroegere stadia van de procedure en zelfs indien zij besluiten betreffen die niet meer rechtstreeks zouden kunnen worden bestreden.
II
|
1. |
De eerste grief, gegrond op het niet bestaan, althans de nietigheid, van de bekendmaking van het vergelijkend onderzoek, is ontleend aan de wijze van bekendmaking. In het onderhavige geval is het vergelijkend onderzoek slechts aan belanghebbenden ter kennis gebracht door de aanplakking van een circulaire die geen ondertekening door enige ambtenaar droeg, noch zegel of hoofd van enige instelling; deze aanplakking vond plaats op de aanplakborden die voor alle mogelijke doeleinden worden gebruikt en niet alleen voor administratieve mededelingen. Vandaar de mogelijkheid om na te gaan of overeenkomstig artikel 1, lid 1, van bijlage III van het Statuut, de bekendmaking van het vergelijkend onderzoek wel is vastgesteld door het tot aanstelling bevoegde gezag na raadpleging van de Paritaire Commissie en van degene die voor de betrokken dienst verantwoordelijk is. De onregelmatigheid van de bekendmaking van een administratief besluit kan invloed uitoefenen op de mogelijkheid het aan derden tegen te werpen, doch het tast in beginsel de geldigheid van dat besluit niet aan. Voorts wijst het Europese Parlement er terecht op dat het Statuut geen enkele speciale wijze van bekendmaking voorschrijft; voldoende is dat het personeel in staat wordt gesteld om op een daartoe geschikte plaats van een kopie van de bekendmaking kennis te nemen. Het litigieuze stuk bevindt zich in Uw dossier; het schijnt ons zo duidelijk dat er voor de belanghebbenden geen enkele twijfel mogelijk is. Het stuk vermeldt dat het gaat om de functie van afdelingshoofd (rang A 3) bij het Directoraat-Generaal Algemene Zaken en vangt aldus aan : „De voorzitter heeft overeenkomstig de bepalingen van het Statuut besloten tot uitschrijving van een intern vergelijkend onderzoek ten einde te voorzien in bovenbedoeld ambt. Hij heeft daartoe na raadpleging van de Paritaire Commissie en van de door de betrokken dienst aangewezen ambtenaar de door de Secretaris-Generaal voorgestelde bekendmaking van een vergelijkend onderzoek vastgesteld”. Dan volgt een opsomming van de aard van de functie, van de vereiste kwalificaties en kennis, en van de aard van het examen. Dat de bekendmaking noch een ondertekening noch zegel, of een hoofd droeg heeft niet verhinderd dat de personeelsleden volledig bekend waren met de auteur van de bekendmaking van het vergelijkend onderzoek, die duidelijk was aangeduid. Naar het ons voorkomt tast de omstandigheid dat de aanplakking plaatsvond op een bord waarop ook mededelingen van andere aard werden gedaan, de regelmatigheid ervan niet aan. |
|
2. |
In de tweede plaats voert Alfieri aan dat volgens artikel 29 van het Statuut de uitschrijving van een vergelijkend onderzoek afhankelijk is van een voordien door het tot aanstelling bevoegde gezag in te stellen onderzoek naar de mogelijkheden van bevordering en overplaatsing binnen de Instelling. Uit niets kan volgens hem worden afgeleid dat dit onderzoek heeft plaatsgevonden. Hierop antwoordt het Parlement, dat daadwerkelijk is gehandeld „overeenkomstig de bepalingen van het Statuut” en dat overigens Alfieri, die behoorde tot de talendienst, door middel van bevordering op een A 3 post, die buiten zijn loopbaan valt, geen aanspraak kon maken. Dit antwoord impliceert noodzakelijkerwijs dat het Parlement bij zijn met het oog op een eventuele bevordering ingesteld onderzoek a priori de leden van de taalkundige dienst heeft uitgesloten; Uw Hof zal dus moeten nagaan of dit standpunt zich met het Statuut verdraagt omdat, indien zulks niet het geval is, het op dit punt door het tot aanstelling bevoegde gezag genomen besluit behept zou zijn met een rechtsdwaling waardoor het verdere verloop van de procedure onregelmatig zou zijn geworden. Kan een ambtenaar van de taalkundige dienst bij wege van overplaatsing of bevordering worden benoemd in een ambt dat niet tot zijn dienst behoort? Zoals bij pleidooi is opgemerkt heeft de Commissie van de E.E.G. tot wie door een lid van het Europese Parlement een schriftelijke vraag was gericht, daarop ontkennend geantwoord en het door haar ingenomen standpunt wordt door alle Instellingen gedeeld. Het komt ons voor dat het in overeenstemming is met de tekst van het Statuut, sommige dubbelzinnigheden ten spijt die ongetwijfeld de op een bepaald tijdstip voorgestane opvatting weerspiegelen van een verdeling van het personeel in drie groepen: algemeen, taalkundig en technisch. Zoals bekend geeft artikel 5 van het Statuut in zijn huidige redactie een indeling van de verschillende ambten, naar aard en niveau van de daarmede overeenkomende werkzaamheden, in vier categorieën die in afdalende hiërarchische volgorde zijn gerangschikt. Dit betekent dus een verticale indeling. Daarbij komt echter nog een tweeledig horizontale indeling: enerzijds de, thans reeds bestaande, groep voor de talendienst, aangeduid met de letters L/A, en omvattende zes rangen die met de rangen 3 tot en met 8 van de categrie A gelijkgesteld zijn, en gegroepeerd in loopbanen die zich in het algemeen over twee rangen uitstrekken. Anderzijds een indeling die in de toekomst kan plaatsvinden: ambten waarvoor eenzelfde beroepsvorming vereist is zullen kunnen worden samengevoegd tot groepen bestaande uit een aantal rangen welke tot een of meer categorieën behoren. Ten slotte kunnen wij nog memoreren dat titel VIII van het Statuut bijzondere bepalingen inhoudt voor de ambtenaren der „wetenschappelijke of technische groepen van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek op het gebied van de kernenergie”; het verband tussen de standaardfuncties en de loopbanen van deze ambtenaren is in een speciale tabel opgenomen. Keren wij thans terug tot de taalkundige dienst. Verzoeker stelt dat hij onder de categorie A valt en dat een L/A-ambtenaar zonder meer een A-ambtenaar is; daarom bestaat er volgens hem geen enkele reden om te beletten, dat hij in een hogere rang buiten zijn groep, doch binnen de A-categorie, wordt bevorderd. Deze argumentatie kan ons niet volledig overtuigen. Wat er zij van de bewering van Alfieri, de taalkundige dienst vereist wel degelijk een „beroepsvorming” die niet met de overige betrekkingen van de A-categorie verward mag worden. Was zulks niet het geval waarom zou dan een aparte groep zijn ingesteld? Waarom daaraan de letters L/A gegeven? Waarom daarbij rangen ingevoerd die gelijkgesteld zijn met bepaalde rangen van de categorie A? Dit alles duidt, naar het ons voorkomt, op de wens om voor de personeelsleden van de taalkundige dienst een positie, een loopbaan, te scheppen die tot op zekere hoogte gelijkloopt met die van de overige personeelsleden van de categorie A, evenwel zonder deze twee loopbanen geheel in elkander te doen opgaan. Thans verdienen de bepalingen van de artikelen 7 en 45 van het Statuut waarop zowel de E.E.G.-Commissie als het Parlement zich baseren, nadere beschouwing. Artikel 7 bepaalt dat het tot aanstelling bevoegde gezag elke ambtenaar te werk stelt in een tot zijn categorie of groep behorend ambt dat met zijn rang overeenkomt. Artikel 45, lid 1, voegt hieraan toe dat bevordering voor de ambtenaar de aanstelling medebrengt in de eerstvolgende hogere rang van de categorie of de groep waartoe hij behoort. Indien de ambtenaar dus tot een groep behoort kunnen tewerkstelling en bevordering slechts binnen deze groep plaatsvinden. Men kan deze „opsluiting” betreuren, te meer nu de hoogste rang van de talendienst L/A 3 is, maar zoals het ons voorkomt vloeit zulks uit de tekst voort; uit de tekst volgt immers — zonder dat naar het bepaalde in artikel 45, lid 2, behoeft te worden verwezen —, dat de ambtenaar van de talendienst geen ambt buiten zijn groep kan verkrijgen dan na te hebben deelgenomen aan een vergelijkend onderzoek; het Parlement heeft het Statuut dus juist toegepast door bij de beoordeling van de mogelijkheid van een bevordering tot de rang A 3 geen rekening te houden met de ambtenaren van de taalkundige dienst die de rang L/A 4 bezaten. Bij de vóór de uitschrijving van het intern vergelijkend onderzoek gevolgde procedure kan aan het Parlement geen rechtsdwaling worden verweten. |
|
3. |
Wij behoeven ons niet lang bezig te houden met het derde middel, ontleend aan de omstandigheid dat de bekendmaking van het vergegelijkend onderzoek — of in elk geval de wijze waarop de bekendmaking is geschied — geen aanduiding bevatte van de samenstelling van de jury. Volgens het verzoekschrift zou dit een verzuim van een wezenlijk vormvereiste betekenen. Ofschoon artikel 3 van bijlage III op het tot aanstelling bevoegde gezag de taak legt de voorzitter en de leden van de jury te benoemen, en de voorwaarden omschrijft waaraan de leden die ambtenaar zijn moeten voldoen, wordt in genoemd artikel in het geheel niet bepaald dat de samenstelling van de jury in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek moet voorkomen. Men kan ermede volstaan artikel 1 van de bijlage te lezen om zich hiervan te overtuigen: het bevat acht nauwkeurig omschreven bepalingen van wat in de aankondiging moet voorkomen, doch geen enkele daarvan heeft betrekking op de jury. |
|
4. |
Verzoeker merkt tegen de aankondiging van het vergelijkend onderzoek bovendien nog op dat daarmede voorbijgegaan is aan artikel 4. lid 1, sub d, van bijlage III, waarin wordt bepaald dat in dit document nauwkeurig moeten worden aangegeven de diploma's en andere schriftelijke bewijsstukken of de ervaring die voor de te begeven betrekking is vereist. De circulaire vermeldt echter slechts studies op universitair niveau, bekroond met een diploma, of een ervaring die hetzelfde niveau waarborgt, hetgeen volkomen onvoldoende is alleen al om deze reden dat geen enkele verdere specificatie wordt gegeven, noch voor wat betreft de duur, noch voor wat betreft de aard van de ervaring. Verzoeker verliest hierbij uit het oog dat deze vrij vage, en praktisch geheel aan de bewoordingen van artikel 5 van het Statuut waarmede de ambtenaren van de A-categorie worden omschreven, ontleende definitie onmiddellijk gevolgd wordt door de navolgende tekst: de kandidaat voor deze post dient een zeer gedegen opleiding te bezitten op administratief en juridisch gebied of op dat van de politieke wetenschappen, alsmede een goede kennis van de parlementaire gang van zaken ». Het is duidelijk dat de geëiste ervaring, waarvan het peil eveneens nauwkeurig is omschreven, op deze gebieden moet zijn verkregen, en dat in ieder geval geen enkele bepaling een meer precieze formulering vordert. |
|
5. |
Blijft ten slotte een laatste middel dat wij U willen voorstellen eveneens te verwerpen' Het steunt op de omstandigheid dat de jury op de lijst van de kandidaten die aan de voorwaarden van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek voldoen, ook heeft geplaatst de heer Falcone, van wie verzoeker betwist, dat hij eert ervaring bezit die een universitair niveau waarborgt. Met de verwerende partij zouden wij geneigd zijn hierop te antwoorden dat de beoordeling van deze ervaring tot de souvereine bevoegdheid van de jury behoort; in ieder geval heeft naar onze mening de beweerdelijke onregelmatigheid — aangenomen dat deze zou zijn komen vaststaan — geen invloed gehad op de gewraakte benoeming, omdat de keuze van het tot aanstelling bevoegde gezag op een ander dan op de heer Falcone is gevallen. |
III
Alfieri heeft ten slotte subsidiaire vorderingen tot schadevergoeding ingediend, waaromtrent in de gedingstukken geen enkele rechtsgrond is geadstrueerd. Bijgevolg zullen deze vorderingen zonder meer moeten worden afgewezen.
Wij concluderen derhalve :
|
— |
met bepaling dat, overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering, iedere partij haar eigen kosten draagt. |
|
— |
tot verwerping van het beroep, |
( 1 ) Vertaald uit het Frans.