Conclusies van de Advocaat-Generaal

K. ROEMER

24 juni 1964

Vertaald uit het Duits

Mijnheer de President, mijne heren Rechters,

De thans te behandelen zaak heeft evenals de gedingen-Raponi en Bernusset contra Commissie van de E.E.G. een geval van bevordering tot voorwerp.

Bij een op 12 juli 1963 in het Mededelingenblad voor het personeel opgenomen „kennisgeving ener vacature” deelde de Commissie mede dat bij het Directoraat-Generaal „Interne Markt”, Directie recht van vestiging en diensten, een post van afdelingshoofd (Rang A/3) vacant was.

Verzoeker die sedert december 1958 ambtenaar was bij genoemd Directoraat-Generaal (Rang A/4), zond zijn sollicitatie in. De keus van de Commissie viel evenwel op een andere kandidaat, die bij beschikking van 29 juli 1963 met ingang van 16 augustus 1963 tot afdelingshoofd werd bevorderd.

Het thans te onderzoeken beroep tot nietigverklaring richt zich tegen deze beschikking. Mijn taak wordt hierbij aanzienlijk verlicht door de beslissingen van het Hof in de zaken 27-63, 94 en 96-63 welke in hoofdzaak dezelfde vragen betreffen als het onderhavige geding.

Wegens deze overeenstemming hebben partijen bij pleidooi afgezien van de behandeling van een reeks argumenten, die weliswaar in de gewisselde conclusies voorkomen, doch gezien de uitspraken van het Hof na afloop van de schriftelijke behandeling als niet meer ter zake dienende konden worden beschouwd.

Ik zal dan ook niet nader op de volgende vragen ingaan:

1.

Wie is de verwerende partij in dit geding, de Europese Economische Gemeenschap als zodanig, of alleen de Commissie?

2.

Verlangt artikel 45 van het personeelsstatuut nog algemene uitvoeringsbepalingen in de zin van artikel 110 van dat Statuut en met name een algemene regeling voor de beoordelingscriteria waarop bij de keuze van de te bevorderen kandidaat moet worden gelet?

3.

Konden bevorderingen eerst geschieden nadat de in artikel 5 van het Statuut bedoelde omschrijving van functies en werkzaamheden was gegeven?

4.

Moet een bevorderingsbeschikking ten opzichte van de niet bevorderde kandidaten worden gemotiveerd?

Alleen de wijze waarop de bevorderingsbeschikking wordt voorbereid vormt nog een onderwerp dat, — nu partijen zich bij pleidooi in hoofdzaak daartoe hebben bepaald — nadere behandeling behoeft en dan nog slechts in zoverre als het gaat om de in artikel 45 bedoelde keus van de te bevorderen kandidaat op grond van een vergelijkend onderzoek der verdiensten, daar het ontbreken van de in artikel 43 bedoelde beoordelingsrapporten ten tijde van het geven der bevorderingsbeschikking, volgens de rechtspraak van het Hof niet als een gebrek mag worden beschouwd.

De bevorderingsprocedure in de onderhavige zaak verliep naar het uiterlijk als volgt: nadat de sollicitaties waren binnengekomen ging het Directoraat-Generaal Algemeen Bestuur eerst over tot een onderzoek van de wettelijke vereisten (diensttijd, rang enz.). Het sprak zich bovendien uit over de vraag wie van de in aanmerking komende kandidaten voor de vacante post het meest geschikt voorkwam. Dit voorstel werd door het Hoofd van de werkgroep „Interne Markt” overgenomen, van een schriftelijke motivering voorzien en daarna door het Algemeen Secretariaat op 26 juni 1963 aan de andere leden van de Commissie toegezonden.

Op 29 juli 1963 werd in de 238e zitting van de Commissie tot bevordering van de voorgestelde kandidaat besloten, zulks nadat — gelijk het in het proces-verbaal van de zitting heet — de sollicitaties aan de Commissie waren voorgelegd, zij het voorstel van het Hoofd van de werkgroep „Interne Markt” had onderzocht en tot een „examen comparatif des mérites des candidats” was overgegaan. Er bestaat verschil van mening over de vraag of op de beslissende zitting aan de leden van de Commissie de sollicitatiedossiers der verschillende kandidaten werden uitgereikt. De gemachtigde van de Commissie beweert dat dit het geval was, doch verzoeker betwijfelt dit.

Vergelijkt men dit feitelijk verloop met dat van de zaak-Bernusset, dan moet naar het uiterlijk een overeenstemming in bijzonderheden worden vastgesteld. Wij behoeven dit niet nader te documenteren, daar de feiten welke aan het geding-Bernusset ten grondslag lagen nog vers in het geheugen liggen.

Wij dienen ons evenwel af te vragen of niettemin — gelijk de Commissie op grond van enkele feitelijke bijzonderheden aanneemt — de onderhavige zaak anders zou kunnen worden beoordeeld.

Er blijft allereerst enige twijfel aangaande de omstreden vraag of de leden van de Commissie op de beslissende zitting ook over de sollicitatiedossiers dan wel alleen over bedoeld bevorderingsvoorstel beschikten. Het proces-verbaal van de zitting van de Commissie, waarin de woorden voorkomen „la Commission a été saisie des candidatures” is niet volkomen duidelijk en de verklaring van de gemachtigde van de Commissie, „dat de bevorderingsbeschikking correct werd voorbereid”, is uiteraard onvoldoende. Wèl kan worden aangenomen dat de procedure een gelijk verloop heeft gehad als in de zaak-Bernusset, hoewel in casu de mededeling van de Algemeen Secretaris niet de referentie „P.J.” (pièces jointes) bevat. Hoe dit ook zij, ik zal Uw Hof niet voorstellen ter opheldering van dit punt instructiemaatregelen te gelasten.

Overigens kan met betrekking tot de door de Commissie aangevoerde feitelijke bijzonderheden van de onderhavige zaak worden gezegd, dat het door verzoeker overgelegde sollicitatiedossier inderdaad bijzonder uitvoerig was en dat de leden van de Commissie daarin alle details over zijn loopbaan, zowel bij de Commissie als elders, konden vinden. Wellicht kan ook worden aangenomen dat zelfs het persoonsdossier van verzoeker geen uitvoeriger voorlichting geeft over alle belangrijke gegevens zijn loopbaan betreffende.

Deze omstandigheid kan echter voor de in artikel 45 gestelde eisen niet van wezenlijk belang zijn; evenmin blijkt dat zij volgens 's Hofs rechtspraak op het stuk van bevorderingen beslissend geacht zou kunnen worden. Wat het Hof — en m.i. terecht — in de zaak-Bernusset gewraakt heeft, was het feit, dat de Commissieleden voor de beoordeling van de geschiktheid tot bevordering, afgezien van het voor één kandidaat geldende bevorderingsvoorstel, over geen andere gegevens beschikten dan eenzijdige, van de kandidaten zelf afkomstige verklaringen over hun loopbaan. Het Hof overweegt:

„dat de door de betrokkenen zelf zonder verificatie of controle door de bevoegde diensten van de Commissie overgelegde sollicitatiedossiers gegevens vormen van hoofdzakelijk subjectieve aard, welker inhoud en betekenis slechts met behoedzaamheid mogen worden beoordeeld, waar het hier aangelegenheden betreft welke een zo objectief mogelijk onderzoek van de verdiensten der kandidaten verlangen”.

Of de verklaringen der kandidaten uitvoerig Jan wel beknopt zijn is niet van belang, maar wèl het feit dat zij slechts een subjectieve opsomming der feiten bevatten, welke over de verdiensten van de betrokkenen in het geheel niets zeggen, of althans een objectief oordeel daarover niet toelaten. Hierbij moet worden bedacht, dat artikel 45 voor het normale geval een vergelijkend onderzoek eist op basis van door derden over de kandidaten opgestelde rapporten. Ook gedurende een noodzakelijke „période d'adaptation” aan de eisen van het nieuwe Statuut kan van de regel van artikel 45 niet zo ver worden afgeweken, dat eenzijdige verklaringen der kandidaten ter voorbereiding van bevorderingsbeschikkingen voldoende zouden zijn.

Het onderhavige geval vraagt dus dezelfde oplossing als ik in de zaak-Bernusset voorstelde en die het Hof ook heeft gekozen: nu uit de stukken van de Commissie niet blijkt, dat haar leden nader over de verdiensten der afzonderlijke kandidaten werden geïnformeerd, moet de bestreden bevorderingsbeschikking wegens onvoldoende voorbereiding nietig verklaard worden.

Gelet op dit resultaat acht ik het dan ook niet nodig op de overige grieven in te gaan. (Vertraagde of achterwege gebleven publikatie der bevorderingsbeschikking, onjuiste waardering der feiten, détournement de pouvoir, in verschillende opzichten begaan.)

Ik concludeer dat het beroep ontvankelijk en gegrond zal worden verklaard en de bestreden beschikking mitsdien zal worden vernietigd, met veroordeling van de Commissie in de proceskosten overeenkomstig artikel 69 van het Reglement voor de procesvoering.