EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 11.6.2026
COM(2026) 275 final
2026/0142(NLE)
Voorstel voor een
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD
waarbij België overeenkomstig artikel 19 van Richtlijn 2003/96/EG wordt gemachtigd een verlaagd belastingtarief toe te passen op stroom die rechtstreeks wordt geleverd aan schepen die op een ligplaats in een haven zijn afgemeerd
TOELICHTING
1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
•Motivering en doel van het voorstel
De belasting van energieproducten en elektriciteit in de Unie is geregeld bij Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (“de energiebelastingrichtlijn” of “de richtlijn”).
Behalve op grond van met name de artikelen 5, 15 en 17 kan de Raad ook uit hoofde van artikel 19, lid 1, van de richtlijn op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen besluiten dat een lidstaat uit specifieke beleidsoverwegingen wordt gemachtigd om verdere belastingvrijstellingen of ‑verlagingen in te voeren.
Dit voorstel strekt ertoe België voor een periode van zes jaar te machtigen een verlaagd tarief van elektriciteitsbelasting toe te passen op stroom die rechtstreeks wordt geleverd aan schepen die op een ligplaats in een haven zijn afgemeerd (“walstroom”), met uitzondering van particuliere pleziervaartuigen. Bij brief van 8 januari 2026 hebben de Belgische autoriteiten de Commissie in kennis gesteld van hun verzoek om deze machtiging.
België verzoekt om machtiging tot toepassing van een verlaagd belastingtarief van 0,50 EUR per MWh, gelijk aan het in de richtlijn vastgestelde minimumbelastingtarief voor elektriciteit voor zakelijk gebruik, voor walstroomvoorziening aan schepen die uitsluitend voor commerciële doeleinden (inclusief visserij) in de zeeën en de binnenwateren van de Unie actief zijn.
De gevraagde geldigheidsduur bedraagt zes jaar vanaf de eerste dag van de maand volgende op de maand waarin het uitvoeringsbesluit van de Raad tot machtiging van België om een verlaagd tarief voor walstroom in te voeren, in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt. Deze duur valt binnen de maximumtermijn die op grond van artikel 19 van de energiebelastingrichtlijn is toegestaan.
Met deze verlaging wil België het gebruik van walstroom bevorderen als duurzaam alternatief voor het opwekken van elektriciteit aan boord via generatoren die fossiele brandstoffen gebruiken. Het stimuleren van het gebruik van walstroom is essentieel om de scheepvaart en Belgische havens te vergroenen. Als walstroom in de toekomst meer wordt gebruikt, zal dit bovendien positief zijn voor de luchtkwaliteit in Belgische havengebieden, conform de vereisten van de richtlijn luchtkwaliteit. Verder verwacht België dat deze maatregel ook zal zorgen voor een vermindering van de CO2-uitstoot, de geluidsoverlast en de stikstofuitstoot, overeenkomstig de habitatrichtlijn en de kaderrichtlijn water.
Met de gevraagde maatregel wil België een gelijk speelveld creëren voor de overgang van bunkerbrandstof (generatoren aan boord) naar walstroom, en tegelijkertijd voor duurzame prikkels zorgen. De maatregel is essentieel als België wil voldoen aan de EU-doelstellingen voor de beschikbaarheid en het gebruik van walstroom, zoals vastgelegd in de FuelEU Zeevaart-verordening en de verordening infrastructuur voor alternatieve brandstoffen.
Met deze regeling wil België eerlijke concurrentie en kansen op het gebied van milieu en energie bevorderen, zonder de goede werking van de interne markt te verstoren. België wil een impuls geven aan het gebruik van walstroom, dat wordt beschouwd als een minder vervuilend alternatief voor de opwekking van elektriciteit aan boord van schepen die zijn afgemeerd op een ligplaats in een haven. Zoals in het verzoek is aangegeven, wordt het Belgische standaardtarief van de elektriciteitsbelasting berekend aan de hand van onderstaande verbruikscategorieën.
|
Verbruikscategorie
|
Accijns (EUR/MWh)
|
|
0 tot 20 MWh
|
14,21
|
|
20 tot 50 MWh
|
12,09
|
|
50 tot 1 000 MWh
|
11,39
|
|
1 000 tot 25 000 MWh
|
10,69
|
|
25 000 tot 100 000 MWh
|
2,73
|
|
100 000 MWh en meer
|
0,50
|
Het belastingvoordeel hangt af van het verschil tussen de huidige accijnstarieven voor elektriciteit voor zakelijk gebruik en het verlaagd tarief voor walstroom van 0,50 EUR per MWh. Dit houdt in dat de begunstigden worden belast tegen het toepasselijke EU-minimumbelastingtarief voor elektriciteit overeenkomstig de energiebelastingrichtlijn van 0,50 EUR per MWh (zoals gespecificeerd in artikel 10, lid 1, en in tabel C van bijlage I bij de richtlijn, voor zakelijk gebruik). België staat uitsluitend toe dat het belastingvoordeel wordt verleend in de vorm van verlaagde accijns op elektriciteit die aan walstroominstallaties wordt geleverd. Exploitanten van walstroominstallaties die het verlaagde tarief willen toepassen op elektriciteit die aan hun walstroominstallaties worden geleverd, moeten een verklaring overhandigen aan hun elektriciteitsleveranciers waarin staat dat hun netaansluitingen uitsluitend bestemd zijn voor de levering van elektriciteit aan walstroominstallaties die elektriciteit leveren aan andere vaartuigen dan particuliere pleziervaartuigen. De elektriciteitsleverancier zal het verlaagde tarief van energiebelasting vervolgens alleen toepassen op de elektriciteit die aan deze aansluitingen wordt geleverd.
De Belgische autoriteiten hebben aangegeven dat de maatregel dus van toepassing zal zijn op exploitanten van walstroominstallaties in Belgische havens. Deze exploitanten zullen het financiële voordeel naar verwachting doorberekenen aan de gebruikers van walstroom, d.w.z. de eigenaars van binnenvaartschepen en zeeschepen.
Op dit moment zijn er nog geen walstroominstallaties voor de zeevaart. Naar verwachting zullen er in 2030 veertig en in 2035 ongeveer zeventig installaties zijn. Verder wordt verwacht dat schepen tegen 2030 4 600 keer en tegen 2035 zo’n 7 400 keer gebruik zullen maken van de beschikbare installaties. Wat de binnenvaart betreft zijn er momenteel zo’n 200 installaties die ongeveer 400 schepen bedienen.
Voor de raming van de belastinguitgaven die met de maatregel gepaard gaan, hebben de Belgische autoriteiten de geraamde budgettaire gevolgen voor de periode 2027 tot 2032 als volgt berekend:
|
2027
|
0,14 miljoen EUR
|
|
2028
|
0,41 miljoen EUR
|
|
2029
|
0,62 miljoen EUR
|
|
2030
|
1,00 miljoen EUR
|
|
2031
|
1,09 miljoen EUR
|
|
2032
|
1,12 miljoen EUR
|
Met deze belastingverlaging wil België het gebruik van walstroom bevorderen als een duurzaam alternatief voor het opwekken van elektriciteit aan boord via generatoren die fossiele brandstoffen gebruiken. Het stimuleren van deze vorm van alternatieve energie is in lijn met de inspanningen om de duurzame transitie te bevorderen en verder te ondersteunen, zoals ook in de Clean Industrial Deal is vastgelegd.
•Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
De belasting van elektriciteit is geregeld bij de energiebelastingrichtlijn, en met name artikel 10. Krachtens artikel 14, lid 1, punt c), moeten de lidstaten vrijstelling van belasting verlenen voor elektriciteit die aan boord van een vaartuig wordt opgewekt. De artikelen 5, 15 en 17 bieden de lidstaten de mogelijkheid om op bepaalde vormen van elektriciteitsgebruik gedifferentieerde belastingtarieven toe te passen, bijvoorbeeld een belastingvrijstelling of -verlaging, maar deze bepalingen voorzien niet in een belastingverlaging voor walstroom.
Bepalingen van de energiebelastingrichtlijn
Artikel 19, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn luidt als volgt:
Naast de bepalingen van de voorgaande artikelen, met name de artikelen 5, 15 en 17, kan de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen besluiten dat een lidstaat uit specifieke beleidsoverwegingen wordt gemachtigd verdere vrijstellingen of verlagingen in te voeren.
Met de belastingverlaging in kwestie willen de Belgische autoriteiten een impuls geven aan een minder milieubelastende manier om schepen die op een ligplaats in een haven zijn afgemeerd, van stroom te voorzien, om zo de lokale luchtkwaliteit te verbeteren en de geluidsoverlast te beperken.
De Commissie heeft het gebruik van walstroom al aanbevolen als een alternatief voor de opwekking van stroom aan boord van afgemeerde schepen, en zodoende ook de voordelen ervan voor het milieu erkend.
De begunstigden worden belast tegen het EU-minimumbelastingtarief voor elektriciteit op grond van de energiebelastingrichtlijn van 0,50 EUR per MWh in plaats van het hogere standaardtarief van de Belgische elektriciteitsaccijns, en zo kan aan de vermelde beleidsdoelstelling worden bijgedragen.
Er kan worden overwogen om in een fiscaal gunstige behandeling van walstroom te voorzien op basis van artikel 19 van de richtlijn; dat artikel strekt er namelijk toe de lidstaten de mogelijkheid te geven uit specifieke beleidsoverwegingen verdere vrijstellingen of verlagingen in te voeren.
België heeft gevraagd de maatregel toe te passen gedurende de maximumtermijn waarin artikel 19, lid 2, voorziet, te weten zes jaar. In beginsel moet de maatregel lang genoeg gelden om een positief effect te hebben op investeringsbeslissingen van havenexploitanten in walstroomvoorzieningen en van scheepsexploitanten in uitrusting aan boord.
De derogatie mag toekomstige ontwikkelingen van het bestaande rechtskader echter niet ondergraven, en er moet rekening worden gehouden met de lopende herziening van de energiebelastingrichtlijn en een mogelijk besluit van de Raad op basis van een voorstel van de Commissie tot herschikking van die richtlijn.
In het kader van de voorgestelde herschikking van de richtlijn over de belasting van energieproducten en elektriciteit heeft de Commissie onder meer bepaald dat alle lidstaten belastingvrijstellingen, gedeeltelijke belastingvrijstellingen of belastingverlagingen kunnen toepassen op elektriciteit die rechtstreeks wordt geleverd aan schepen die op een ligplaats in een haven zijn afgemeerd, om zo de ontwikkeling en het gebruik ervan te stimuleren.
Onder deze omstandigheden lijkt het passend de machtiging voor de betreffende periode te verlenen.
Regels inzake staatssteun
Het door de Belgische autoriteiten voorgestelde verlaagde belastingtarief van 0,50 EUR per MWh is gelijk aan het in artikel 10 van Richtlijn 2003/96/EG vastgestelde minimumbelastingniveau voor elektriciteit voor zakelijk gebruik.
In artikel 44 van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie zijn de voorwaarden vastgesteld waaronder steun in de vorm van kortingen op milieubelastingen krachtens Richtlijn 2003/96/EG kan worden vrijgesteld van de verplichte melding van staatssteun.
Het voorstel voor een uitvoeringsbesluit van de Raad doet geen afbreuk aan de verplichting van de lidstaat om de staatssteunregels en met name Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie, in het geval van categorieën vrijgestelde steun, binnen het toepassingsgebied van die verordening na te leven. Het voorstel voor een uitvoeringsbesluit van de Raad doet evenmin afbreuk aan de verplichting van de lidstaat om de steun bij de Commissie te melden alvorens deze uit te voeren, mocht de nieuwe steun niet vrijgesteld zijn van de verplichte melding van artikel 108, lid 3, van het Verdrag.
•Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
Beleid inzake milieu en klimaatverandering
De gevraagde maatregel heeft hoofdzakelijk betrekking op het EU-beleid inzake milieu en klimaatverandering. Voor zover de maatregel de verbranding van bunkerbrandstoffen aan boord van schepen in havens helpt te beperken, zal deze maatregel bijdragen tot de beoogde verbetering van de lokale luchtkwaliteit en de beperking van geluidsoverlast. Krachtens de richtlijn luchtkwaliteit moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de niveaus van verschillende luchtverontreinigende stoffen de in de richtlijn vastgestelde grenswaarden, streefwaarden en andere luchtkwaliteitsnormen niet overschrijden. Dit noopt hen ertoe om oplossingen te vinden voor problemen zoals emissies van schepen die op een ligplaats in een haven zijn afgemeerd (voor zover deze zich voordoen), en het is niet ondenkbaar dat in havens met deze problematiek het gebruik van walstroom als onderdeel van de overkoepelende luchtkwaliteitstrategie verder zal worden gestimuleerd. Het gebruik van walstroom wordt ook aangemoedigd krachtens Richtlijn (EU) 2016/802, waarin het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen is geregeld.
Door de gevraagde maatregel toe te passen, wil België een impuls geven aan het gebruik van walstroom als een milieuvriendelijker alternatief voor de opwekking van elektriciteit aan boord van schepen die zijn afgemeerd op een ligplaats in een haven.
Zoals de Belgische autoriteiten benadrukken, kan het gebruik van walstroom in plaats van generatoren aan boord positief uitpakken voor het milieu. Het stimuleren van het gebruik van walstroom is essentieel om de scheepvaart en Belgische havens te vergroenen. Als walstroom in de toekomst meer wordt gebruikt, zal dit bovendien positief zijn voor de luchtkwaliteit in Belgische havengebieden doordat luchtverontreinigende stoffen, fijnstof en roet afnemen. België verwacht ook dat deze maatregel de geluidshinder en de stikstofemissies zal verminderen. Naar verwachting zal de maatregel ook de CO2-emissies beperken, omdat de elektriciteitsmix van de stroom van het walnet in België minder koolstofintensief is dan de elektriciteit die aan boord wordt geproduceerd door de verbranding van bunkerbrandstoffen, door de hogere efficiëntie van het energiesysteem en het verschil in gebruikte inputbrandstoffen.
Deze maatregel is verenigbaar met de aanbeveling van de Commissie ter bevordering van het gebruik van walstroom door schepen die in communautaire havens verblijven, waarin is gespecificeerd dat walstroom aantrekkelijker wordt als er minder belasting wordt geheven op stroomleverantie aan in havens afgemeerde schepen.
Energiebeleid
De maatregel is conform de verordening infrastructuur voor alternatieve brandstoffen, die betrekking heeft op de installatie van walstroomvoorzieningen in havens, daar waar er vraag is naar dergelijke voorzieningen en de kosten niet groter zijn dan de voordelen, waaronder milieuvoordelen. Uit de beoordeling van een soortgelijke maatregel is ook gebleken dat deze bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het beleid en de wetgeving van de Unie om de ecologische voetafdruk van het zeevervoer te verkleinen en aan de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid in de zin van artikel 107, lid 3, punt c), VWEU.
Op deze plaats zij eraan herinnerd dat een van de hoofdoorzaken van de ongunstige concurrentiepositie van walstroom is gelegen in de volledige belastingvrijstelling die momenteel wordt verleend voor de opwekking van stroom aan boord van schepen terwijl ze in een zeehaven liggen: niet alleen de bunkerbrandstof die wordt gebruikt voor de opwekking van de stroom is vrijgesteld, wat strookt met de normale situatie overeenkomstig artikel 14, lid 1, punt a), van de energiebelastingrichtlijn, maar ook de stroom zelf die aan boord van de schepen wordt geproduceerd. Deze laatste vrijstelling zou als zodanig als moeilijk verenigbaar met de milieudoelstellingen van de Unie kunnen worden gezien, maar zij komt voort uit praktische overwegingen. Om de aan boord opgewekte stroom te belasten, zou immers de reder of de scheepsexploitant moeten aangeven hoeveel stroom er is geproduceerd en verbruikt. Ook zou moeten worden vastgesteld hoeveel daarvan is verbruikt in de territoriale wateren van de specifieke lidstaat waar de belasting verschuldigd is. Het zou een buitensporige administratieve last voor reders zijn om een dergelijke aangifte in te moeten dienen voor elke lidstaat waarvan de territoriale wateren worden bevaren. Soortgelijke overwegingen gelden voor de binnenvaart en voor de facultatieve belastingbehandeling overeenkomstig artikel 15, lid 1, punt f), van de richtlijn. Gezien de vrijstelling van de fossiele route voor elektriciteitsopwekking aan boord van schepen, is het niet gerechtvaardigd om het minder vervuilende alternatief van walstroom te bestraffen en het zou passend zijn België een verlaagd belastingtarief te laten toepassen.
Vervoersbeleid
De maatregel is in overeenstemming met de doelstellingen van de FuelEU Zeevaart-verordening. In deze verordening is bepaald dat schepen die zijn ingedeeld als cruiseschepen, veerboten en containerschepen met een brutotonnage van meer 5 000 vanaf 2030 gebruik moeten maken van walstroomvoorzieningssystemen, tenzij zij over emissievrije technologie beschikken. De bredere toepassing van het verlaagde tarief, namelijk voor de binnenvaart en schepen met een lager brutotonnage, zou de maatregel nog steeds rechtvaardigen. Zoals de Belgische autoriteiten hebben benadrukt, zal de machtiging van cruciaal belang zijn om België in staat te stellen de bovengenoemde EU-doelstellingen voor de beschikbaarheid en het gebruik van walstroom te halen.
Interne markt en eerlijke mededinging
Vanuit het oogpunt van de interne markt en de eerlijke mededinging zorgt de maatregel enkel voor een beperking van de door de belastingvrijstelling voor bunkerbrandstoffen bestaande verstoring tussen twee concurrerende bronnen van stroom voor afgemeerde schepen, namelijk opwekking aan boord en walstroom.
De Belgische autoriteiten merken op dat in dit stadium niet kan worden uitgesloten dat de voorgestelde belastingverlaging elektriciteitsleveranciers en indirect eigenaren van schepen voor de commerciële vaart bevoordeelt. Schepen kunnen echter van walstroom gebruik blijven maken ongeacht de vlag die zij voeren, zodat nationale marktdeelnemers fiscaal niet gunstiger worden behandeld dan hun concurrenten uit andere EU-lidstaten.
Wat de concurrentie tussen havens betreft, zijn er geen noemenswaardige gevolgen te verwachten voor het handelsverkeer tussen de lidstaten als schepen van koers zouden veranderen om gebruik te kunnen maken van walstroom tegen een verlaagd belastingtarief. Aangezien het gebruik van walstroom, zoals hierboven is uiteengezet, ondanks de belastingverlaging waarschijnlijk niet rendabeler zal zijn dan stroomopwekking aan boord (althans niet op korte termijn), is het evenmin aannemelijk dat deze belastingverlaging aanzienlijke concurrentieverstoring zou veroorzaken tussen havens omdat schepen hun koers zouden verleggen naar havens die walstroomvoorzieningen aanbieden.
De Belgische autoriteiten voeren aan dat andere factoren (zoals het soort schip en de lading, de beschikbare verbindingen met het achterland of andere economische factoren) een rol spelen bij de selectie van havens, zodat de loutere beschikbaarheid van walstroom niet doorslaggevend lijkt te zijn.
Tenzij het huidige kader en de situatie ingrijpend wijzigen, is het, vanwege de periode waarvoor een verlaagd belastingtarief zou worden toegestaan, niet waarschijnlijk dat de conclusie van de analyse uit de voorgaande paragrafen anders zou luiden voordat de maatregel afloopt.
2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
•Rechtsgrondslag
Artikel 19 van Richtlijn 2003/96/EG van de Raad.
•Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)
Het onder artikel 113 VWEU vallende gebied van de indirecte belastingen ressorteert als zodanig niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie in de zin van artikel 3 VWEU.
Op grond van artikel 19 van Richtlijn 2003/96/EG heeft de Raad evenwel, via afgeleid recht, een exclusieve bevoegdheid gekregen om een lidstaat te machtigen verdere vrijstellingen of verlagingen in de zin van dat artikel in te voeren. De lidstaten kunnen daarom niet in de plaats van de Raad treden. Bijgevolg is het subsidiariteitsbeginsel niet van toepassing op het onderhavige uitvoeringsbesluit. Aangezien deze handeling niet een ontwerp van wetgevingshandeling is, moet ze niet naar de nationale parlementen worden gestuurd overeenkomstig protocol nr. 2 bij de Verdragen ter beoordeling van de naleving van het subsidiariteitsbeginsel.
•Evenredigheid
Het voorstel is in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel. De belastingverlaging gaat niet verder dan wat nodig is om het gestelde doel te bereiken.
•Keuze van het instrument
Het voorgestelde instrument is een uitvoeringsbesluit van de Raad. Artikel 19 van Richtlijn 2003/96/EG voorziet uitsluitend in dit soort maatregel.
3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
•Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan
De maatregel vereist geen evaluatie van bestaande wetgeving.
•Raadpleging van belanghebbenden
Dit voorstel is gebaseerd op een verzoek van België en heeft uitsluitend betrekking op deze lidstaat. Daarom zijn er geen belanghebbenden geraadpleegd.
•Bijeenbrengen en gebruik van expertise
Er hoefde geen beroep te worden gedaan op externe deskundigheid.
•Effectbeoordeling
Dit voorstel betreft een machtiging van een afzonderlijke lidstaat op diens eigen verzoek en vereist geen effectbeoordeling.
Zoals echter eerder is opgemerkt, blijkt uit de door België verstrekte informatie dat de maatregel slechts beperkte gevolgen zal hebben voor de belastinginkomsten en dat het belastingtarief voor walstroom nog altijd hoger zal liggen dan het minimumbelastingniveau dat is vastgesteld in de energiebelastingrichtlijn. België verwacht dat de maatregel een positief effect zal hebben op de verwezenlijking van zijn milieudoelstellingen. Als walstroom in de toekomst meer wordt gebruikt, zal dit bovendien positief zijn voor de luchtkwaliteit in Belgische havengebieden, conform de vereisten van de richtlijn luchtkwaliteit. Verder verwacht België dat deze maatregel ook zal zorgen voor een vermindering van de CO2-uitstoot, de geluidsoverlast en de stikstofuitstoot, overeenkomstig de habitatrichtlijn en de kaderrichtlijn water.
Specifieker gezien ramen de Belgische autoriteiten de belastinguitgaven tijdens de toepassing van de maatregel als volgt:
|
2027
|
0,14 miljoen EUR
|
|
2028
|
0,41 miljoen EUR
|
|
2029
|
0,62 miljoen EUR
|
|
2030
|
1,00 miljoen EUR
|
|
2031
|
1,09 miljoen EUR
|
|
2032
|
1,12 miljoen EUR
|
•Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging
De maatregel voorziet niet in een vereenvoudiging. Hij vloeit voort uit het verzoek van België en heeft uitsluitend betrekking op deze lidstaat.
•Grondrechten
De maatregel heeft geen gevolgen voor de grondrechten.
4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
De maatregel leidt niet tot financiële of administratieve lasten voor de Unie. Het voorstel heeft derhalve geen gevolgen voor de begroting van de Unie.
5.OVERIGE ELEMENTEN
•Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage
Er is geen uitvoeringsplan nodig. Dit voorstel betreft een machtiging voor een belastingverlaging, gericht tot een afzonderlijke lidstaat, op diens eigen verzoek. Zij wordt verleend voor een beperkte periode van zes jaar. Het toegepaste belastingtarief zal gelijk zijn aan het in de energiebelastingrichtlijn vastgestelde minimumbelastingniveau. De maatregel kan worden geëvalueerd indien er na de geldigheidsduur een verzoek om verlenging wordt ingediend.
•Toelichtende stukken (bij richtlijnen)
Het voorstel vereist geen toelichtende stukken over de omzetting.
•Artikelsgewijze toelichting
In artikel 1 is bepaald dat België wordt gemachtigd een verlaagd tarief van elektriciteitsbelasting toe te passen op stroom die rechtstreeks wordt geleverd aan schepen die op een ligplaats in een Belgische haven zijn afgemeerd (“walstroom”), met uitzondering van particuliere pleziervaartuigen. Dit tarief mag niet lager zijn dan 0,50 EUR per MWh, dat wil zeggen het in de richtlijn vastgestelde minimumbelastingniveau voor elektriciteit voor zakelijk gebruik. Het verlaagde tarief zal niet gelden voor de levering van stroom aan particuliere pleziervaartuigen zoals omschreven in artikel 14, lid 1, punt c), tweede alinea, van de energiebelastingrichtlijn.
In artikel 2 is bepaald dat de gevraagde machtiging wordt verleend met ingang van de eerste dag van de maand volgende op de maand waarin het uitvoeringsbesluit van de Raad, waarbij België wordt gemachtigd een verlaagd tarief voor walstroom in te voeren, in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt, binnen de door de richtlijn toegestane maximumtermijn van zes jaar, zoals België heeft gevraagd.
2026/0142 (NLE)
Voorstel voor een
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD
waarbij België overeenkomstig artikel 19 van Richtlijn 2003/96/EG wordt gemachtigd een verlaagd belastingtarief toe te passen op stroom die rechtstreeks wordt geleverd aan schepen die op een ligplaats in een haven zijn afgemeerd
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit, en met name artikel 19, lid 1, eerste alinea,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Bij brief van 8 januari 2026 heeft België overeenkomstig artikel 19 van Richtlijn 2003/96/EG verzocht om machtiging tot toepassing van een verlaagd belastingtarief op stroom die rechtstreeks wordt geleverd aan schepen die op een ligplaats in een haven zijn afgemeerd (“walstroom”).
(2)Met dit verlaagde belastingtarief wil België het gebruik van walstroom stimuleren. Het gebruik van dergelijke stroom wordt beschouwd als een minder milieubelastende manier om schepen die op een ligplaats in een haven zijn afgemeerd, van stroom te voorzien dan de verbranding van bunkerbrandstoffen door die schepen.
(3)Voor zover het gebruik van walstroom de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen voorkomt die gepaard gaat met de verbranding van bunkerbrandstoffen door schepen op een ligplaats in een haven, verbetert de maatregel de lokale luchtkwaliteit in havengebieden. Gezien de koolstofintensiteit van de elektriciteitsproductie in België, zal het gebruik van walstroom in plaats van elektriciteit die wordt opgewekt door verbranding van bunkerbrandstoffen naar verwachting de CO2-emissies, andere luchtverontreinigende stoffen en de geluidsoverlast verminderen. Er wordt daarom verwacht dat de toepassing van het verlaagde belastingtarief voor walstroom zal bijdragen tot de doelstellingen van het milieu-, gezondheids- en klimaatbeleid van de Unie.
(4)De machtiging van België om een verlaagd belastingtarief op walstroom toe te passen, gaat niet verder dan wat nodig is om het gebruik van die elektriciteit te bevorderen, aangezien stroomopwekking aan boord vanuit concurrentieoogpunt in de meeste gevallen nog altijd het interessantste alternatief zal zijn. Om dezelfde reden, en omdat de relevante technologie momenteel nog niet wijdverbreid is op de markt, valt niet te verwachten dat de toepassing van dat verlaagde belastingtarief gedurende de toepassingsperiode ervan tot grote concurrentieverstoringen zal leiden en daardoor de goede werking van de interne markt zal belemmeren.
(5)Overeenkomstig artikel 19, lid 2, van Richtlijn 2003/96/EG moet iedere uit hoofde van artikel 19, lid 1, van die richtlijn verleende machtiging strikt beperkt zijn in de tijd. Om te garanderen dat de machtiging lang genoeg geldt om de betrokken marktdeelnemers er niet van te weerhouden de noodzakelijke investeringen te doen, is het passend de gevraagde machtiging voor een termijn van zes jaar te verlenen. Deze machtiging komt echter te vervallen op de datum van toepassing van algemene bepalingen betreffende belastingvoordelen voor walstroom die de Raad op grond van artikel 113 of een andere bepaling van het Verdrag zou vaststellen, indien die bepalingen gedurende de periode van de machtiging van toepassing worden.
(6)Dit besluit laat de toepassing van Unieregels betreffende staatssteun onverlet,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
België wordt gemachtigd een verlaagd belastingtarief toe te passen op stroom die rechtstreeks wordt geleverd aan schepen, met uitzondering van particuliere pleziervaartuigen, die op een ligplaats in een haven zijn afgemeerd (“walstroom”), mits de in artikel 10 van Richtlijn 2003/96/EG vastgestelde minimumbelastingniveaus in acht worden genomen.
Artikel 2
Dit besluit is van toepassing gedurende een periode van zes jaar met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Mocht de Raad evenwel, handelend op basis van artikel 113 of een andere bepaling van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, algemene bepalingen betreffende belastingvoordelen voor walstroom vaststellen die van toepassing worden gedurende de in eerste alinea van dit artikel vermelde periode, dan komt dit besluit te vervallen wanneer die algemene bepalingen van toepassing worden.
Artikel 3
Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk België.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De voorzitter