Brussel, 20.5.2026

COM(2026) 245 final

2026/0122(NLE)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot wijziging van Verordening (EU) 2026/249 van de Raad tot vaststelling, voor 2026, 2027 en 2028, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden die in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Bij Verordening (EU) 2026/249 van de Raad 1 worden voor 2026, 2027 en 2028 voor bepaalde visbestanden de vangstmogelijkheden vastgesteld die in de wateren van de EU en, voor vissersvaartuigen van de EU, in bepaalde wateren buiten de EU van toepassing zijn. Het voorstel wijzigt die vangstmogelijkheden om rekening te houden met de bekendmaking van wetenschappelijk advies, de resultaten van het overleg met derde landen en vergaderingen van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB’s), en andere ontwikkelingen. Verordening (EU) 2026/249 is reeds een keer gewijzigd met hetzelfde doel 2 .

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

De voorgestelde maatregelen stroken met de doelstellingen en regels van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) (“de basisverordening”) 3 , die onder meer moeten worden toegepast bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden, d.w.z. de vangst- en visserij-inspanningsbeperkingen. Een van de doelstellingen van het GVB is bestanden te herstellen tot een niveau waarmee de maximale duurzame opbrengst (MDO) kan worden gehaald, en ze op dat niveau te houden. Het doel is ervoor te zorgen dat de EU-visserijen zowel ecologisch als economisch en sociaal duurzaam zijn.

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

De voorgestelde maatregelen stroken met andere EU-beleidsmaatregelen, met name Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad 4 (“kaderrichtlijn mariene strategie”), en zijn erop gericht bij te dragen aan het bereiken van een goede milieutoestand, met name wat betreft beschrijvend element 3, waarin is bepaald dat alle commercieel geëxploiteerde soorten vis en schaal- en schelpdieren binnen veilige biologische grenzen moeten blijven.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

De rechtsgrondslag van dit voorstel is artikel 43, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Subsidiariteit

Het voorstel valt onder de exclusieve bevoegdheid van de EU zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, punt d), VWEU. Het subsidiariteitsbeginsel is daarom niet van toepassing.

Evenredigheid

In het voorstel worden vangstmogelijkheden aan de lidstaten toegewezen overeenkomstig de doelstellingen en regels van de basisverordening en de resultaten van multilateraal of bilateraal overleg met niet-EU-landen, onder meer in het kader van ROVB’s. Bijgevolg moeten de vangstmogelijkheden worden vastgesteld op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies, waar mogelijk rekening houdend met biologische en sociaal-economische overwegingen betreffende gemengde visserijen.

Krachtens artikel 16, leden 6 en 7, en artikel 17 van de basisverordening beslissen de lidstaten zelf hoe de voor hen beschikbare vangstmogelijkheden volgens bepaalde in die artikelen vermelde criteria kunnen worden toegewezen aan vaartuigen die hun vlag voeren. De lidstaten beschikken dan ook over de nodige speelruimte om met het oog op de benutting van de voor hen beschikbare vangstmogelijkheden de toegewezen quota te verdelen volgens het sociale/economische model van hun keuze.

Keuze van het instrument

Omdat een bestaande verordening wordt gewijzigd, is een verordening het geschiktste rechtsinstrument.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

Niet van toepassing.

Raadpleging van belanghebbenden

De Commissie heeft, met name via de adviesraden, belanghebbenden geraadpleegd op basis van haar jaarlijkse mededeling getiteld “Duurzamere visserij in de EU: stand van zaken en oriëntaties voor 2026” (COM(2025) 296 final).

In hun reactie op die jaarlijkse mededeling hebben de belanghebbenden hun mening gegeven over de door de Commissie verrichte evaluatie van de bestandssituatie en over de vraag welke beheersmatige reactie passend is. De Commissie heeft met die reacties rekening gehouden bij de uitwerking van het voorstel.

Bijeenbrengen en gebruik van expertise

De deskundigengroepen en besluitvormingsorganen van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (International Council for the Exploration of the Sea, hierna “ICES”) hebben een kader opgezet voor het wetenschappelijk advies van de ICES. Dat kader is gebaseerd op de beste beschikbare wetenschappelijke kennis en is collegiaal getoetst door onafhankelijke deskundigen. Op vraag van de Commissie wordt dat ICES-advies uitgebracht op basis van dat kader en met het oog op het mogelijk maken van de uitvoering van de doelstellingen en voorschriften van de basisverordening.

Effectbeoordeling

Het toepassingsgebied van het voorstel is omschreven in artikel 43, lid 3, VWEU.

Met dit voorstel wordt beoogd een kortetermijnaanpak te vermijden en zich te richten op duurzaamheid op de lange termijn. Er is rekening gehouden met initiatieven van belanghebbenden en adviesraden indien deze door de ICES positief werden beoordeeld. Het GVB-hervormingsvoorstel van de Commissie was gebaseerd op een effectbeoordeling (SEC(2011) 891) waarin werd geoordeeld dat de verwezenlijking van de MDO-doelstelling een noodzakelijke voorwaarde was om tot ecologische, economische en sociale duurzaamheid te komen en dat die drie doelstellingen niet los van elkaar kunnen worden verwezenlijkt.

Wat de vangstmogelijkheden voor bestanden van ROVB’s en voor gezamenlijk met niet-EU-landen beheerde bestanden betreft, worden met dit voorstel hoofdzakelijk internationaal overeengekomen maatregelen omgezet. Bij het voorbereiden en voeren van de internationale onderhandelingen waarin vangstmogelijkheden van de EU worden overeengekomen met niet-EU-landen, worden alle aspecten die van belang zijn voor de beoordeling van de mogelijke gevolgen van de vangstmogelijkheden in aanmerking genomen.

Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

Niet van toepassing.

Grondrechten

Het voorstel strookt met de grondrechten, en met name die welke in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

De voorgestelde maatregelen hebben geen gevolgen voor de begroting.

OVERIGE ELEMENTEN

   Artikelsgewijze toelichting

Met het voorstel wordt beoogd Verordening (EU) 2026/249 te wijzigen zoals hieronder uiteengezet.

Ansjovis in het westelijke deel van de Atlantische Iberische wateren

Bij Verordening (EU) 2026/249 is de totale toegestane vangst (TAC) voor ansjovis (Engraulis encrasicolus) in het westelijke deel van ICES-deelgebied 9 en in ICES-deelgebied 10 (westelijk deel van de Atlantische Iberische wateren en wateren van de Azoren) voorlopig op nul vastgesteld voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027, in afwachting van de bekendmaking door de ICES van zijn wetenschappelijk advies voor ansjovis in het westelijke deel van ICES-sector 9a (westelijke Atlantische Iberische wateren) voor die periode.

De ICES zal dat advies naar verwachting op 19 juni 2026 bekendmaken. In afwachting van de bekendmaking van het ICES-advies wordt in dit voorstel de desbetreffende overweging voorlopig opgenomen tussen vierkante haken en wordt de TAC voor ansjovis in het westelijke deel van ICES-deelgebied 9 en in ICES-deelgebied 10 voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027 als “p.m.” (pro memorie) aangemerkt. Zodra dat ICES-advies beschikbaar is, werken de diensten van de Commissie het voorstel bij door middel van een non-paper waarin op basis van dat advies een definitieve TAC voor dat bestand en die periode wordt voorgesteld. Indien echter blijkt dat dit de Raad niet in staat zou stellen de definitieve TAC tijdig vast te stellen en bijgevolg zou leiden tot een tijdelijke onderbreking van deze visserij vanaf 1 juli 2026, zullen de diensten van de Commissie in plaats daarvan een voorlopige TAC voorstellen voor de periode van 1 juli tot en met 30 september 2026.

Noordse garnaal in het Skagerrak-Kattegat en de Noordzee

Bij Verordening (EU) 2026/249 is de TAC voor Noordse garnaal (Pandalus borealis) in de EU-wateren en Noorse wateren van ICES-sector 3a (Skagerrak-Kattegat) voorlopig op nul vastgesteld voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027, in afwachting van de bekendmaking door de ICES van zijn wetenschappelijk advies voor Noordse garnaal in de ICES-sectoren 3a en 4a oost (Skagerrak-Kattegat en noordelijke Noordzee in de Noorse trog).

Voorts is bij die verordening het EU-quotum voor Noordse garnaal in de Noorse wateren van de Noordzee ten zuiden van 62° NB voor 2026 vastgesteld op het met Noorwegen overeengekomen niveau van 148 ton.

Naar verwachting zal de ICES zijn advies voor Noordse garnaal in de ICES-sectoren 3a en 4a oost bekendmaken op 8 juni 2026. Na de bekendmaking van dat ICES-advies zal de EU bilateraal overleg plegen met Noorwegen over: i) het niveau van de totale vangstmogelijkheden voor Noordse garnaal in de ICES-sectoren 3a en 4a oost voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027; ii) het niveau van de TAC voor Noordse garnaal in ICES-sector 3a voor die periode, en iii) een extra overdracht van Noorwegen naar de EU van vangstmogelijkheden voor Noordse garnaal in de Noorse wateren van de Noordzee ten zuiden van 62° NB voor 2026; de EU en Noorwegen waren tijdens bilateraal overleg over de uitwisseling van quota en toegangsregelingen voor 2026 overeengekomen dat zij deze overdracht in overweging zouden nemen. Indien een dergelijke aanvullende overdracht van Noorwegen naar de EU zou worden overeengekomen, zou Noorwegen worden gecompenseerd door een overdracht van de EU naar Noorwegen van aanvullende vangstmogelijkheden voor Noordse garnaal in de Groenlandse wateren van de ICES-deelgebieden 2, 5, 12 en 14 in 2026.

In afwachting van de uitkomst van dat bilateraal overleg wordt de tekst van de desbetreffende overweging van Verordening (EU) 2025/1350 van de Raad 5 in dit voorstel voorlopig opgenomen tussen vierkante haken en worden de TAC’s voor Noordse garnaal: i) in de EU-wateren en Noorse wateren van ICES-sector 3a voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027; ii) in de Noorse wateren van de Noordzee ten zuiden van 62° NB voor 2026, en iii) in de Groenlandse wateren van de ICES-deelgebieden 2, 5, 12 en 14 als “p.m.” aangemerkt. Zodra de uitkomst van dat bilaterale overleg bekend is, werken de diensten van de Commissie het voorstel bij door middel van een non-paper waarin die TAC’s voor die perioden worden voorgesteld op de met Noorwegen overeengekomen niveaus.

Sprot in de Noordzee en in het Skagerrak-Kattegat

Bij Verordening (EU) 2026/249 zijn de TAC’s voor sprot (Sprattus sprattus) en geassocieerde bijvangsten voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027 voorlopig op nul vastgesteld in: i) de wateren van de EU en het Verenigd Koninkrijk (VK) van ICES-deelgebied 4 en ICES-sector 2a (Noordzee), en ii) de EU-wateren en Noorse wateren van ICES-sector 3a (Skagerrak-Kattegat), in afwachting van de bekendmaking door de ICES van zijn wetenschappelijk advies voor sprot in ICES-deelgebied 4 en ICES-sector 3a voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027.

De ICES heeft dat advies op 30 april 2026 bekendgemaakt. Na de bekendmaking van dat ICES-advies zal de EU trilateraal overleg plegen met het VK en Noorwegen over: i) het niveau van de totale vangstmogelijkheden voor dat bestand voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027, en ii) het niveau van de TAC’s voor sprot in ICES-deelgebied 4 en ICES-sector 2a, respectievelijk ICES-sector 3a voor die periode.

In afwachting van de uitkomst van dat trilaterale overleg wordt de tekst van de desbetreffende overweging van Verordening (EU) 2025/1350 in dit voorstel voorlopig opgenomen tussen vierkante haken en worden de TAC’s voor sprot en geassocieerde bijvangsten voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027 in: i) de wateren van de EU en het VK van ICES-deelgebied 4 en ICES-sector 2a, en ii) de EU-wateren en Noorse wateren van ICES-sector 3a als “p.m.” aangemerkt. Zodra de uitkomst van dat trilaterale overleg bekend is, werken de diensten van de Commissie het voorstel bij door middel van een non-paper waarin die TAC’s voor die periode worden voorgesteld op de met het VK en Noorwegen overeengekomen niveaus.

Sprot in het Kanaal

Bij Verordening (EU) 2026/249 is de TAC voor sprot in de EU-wateren en de wateren van het VK van de ICES-sectoren 7d en 7e (Kanaal) voorlopig op nul vastgesteld voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027, in afwachting van de bekendmaking door de ICES van zijn wetenschappelijk advies voor sprot in dat gebied voor die periode.

De ICES heeft dat advies op 30 april 2026 bekendgemaakt. Na de bekendmaking van dat ICES-advies zal de EU krachtens artikel 498, leden 2, 4 en 6, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds 6 (de “handels- en samenwerkingsovereenkomst”) bilateraal overleg plegen met het VK over het niveau van de TAC voor dat bestand voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027.

In afwachting van de uitkomst van dat bilaterale overleg wordt de tekst van de desbetreffende overweging van Verordening (EU) 2025/1350 in dit voorstel voorlopig opgenomen tussen vierkante haken en wordt de TAC voor sprot in de ICES-sectoren 7d en 7e voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027 als “p.m.” aangemerkt. Zodra de uitkomst van dat bilaterale overleg bekend is, werken de diensten van de Commissie het voorstel bij door middel van een non-paper waarin de TAC voor die periode wordt voorgesteld op het met het VK overeengekomen niveau.

Lodde in de Groenlandse wateren

Naar aanleiding van de bekendmaking van het meest recente wetenschappelijke advies voor lodde (Mallotus villosus) in het gebied IJsland-Oost-Groenland-Jan Mayen in januari 2026 hebben Groenland en IJsland een TAC en hun respectieve quota voor dat bestand vastgesteld voor de periode van 15 oktober 2025 tot en met 15 april 2026. Overeenkomstig artikel 2, lid 1, van het Protocol inzake de uitvoering van de Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie, enerzijds, en de regering van Groenland en de regering van Denemarken, anderzijds 7 , heeft Groenland vangstmogelijkheden van 5 545 ton voor dat bestand en die periode aangeboden, die de EU op 5 februari 2026 heeft aanvaard. Daarom zijn bij Verordening (EU) 2026/249, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2026/786 van de Raad 8 , de quota van de EU en de lidstaten voor lodde in de Groenlandse wateren van de ICES-deelgebieden 2, 5, 12 en 14 voor de periode van 15 oktober 2025 tot en met 15 april 2026 vastgesteld op het met Groenland overeengekomen niveau.

Groenland heeft de EU vervolgens echter verzocht te bevestigen dat zij voornemens was deze vangstmogelijkheden te gebruiken, omdat de Groenlandse vloot deze anders zou kunnen gebruiken om het quotum optimaal te benutten. Gezien het gebrek aan belangstelling van haar visserijsector heeft de EU Groenland aangeboden die vangstmogelijkheden terug te krijgen. Daarom moeten de quota van de EU en de lidstaten voor lodde in de Groenlandse wateren van de ICES-deelgebieden 2, 5, 12 en 14 voor de periode van 15 oktober 2025 tot en met 15 april 2026 dienovereenkomstig tot nul worden verlaagd.

Kabeljauw in de Groenlandse wateren

Overeenkomstig artikel 11 van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de EU en Groenland 9 en overeenkomstig de voorwaarden van artikel 6 en hoofdstuk VI van het protocol bij die overeenkomst zijn de EU en Groenland overeengekomen om in de periode van 12 februari 2026 tot en met 31 december 2026 experimentele visserij op kabeljauw (Gadus morhua) te verrichten in de Groenlandse wateren van de ICES-deelgebieden 5 en 14, ten noordoosten van 42° WL. Het doel van de experimentele visserij is de mogelijke aanwezigheid en verspreiding van kabeljauw in dat gebied te bepalen. Voor die experimentele visserij zijn vangstmogelijkheden van 3 000 ton vastgesteld, waarvan 900 ton aan de EU is toegewezen. Die vangstmogelijkheden mogen alleen worden gebruikt door vaartuigen die betrokken zijn bij die experimentele visserij en wetenschappelijke bemonstering verrichten. Die wetenschappelijke bemonstering moet worden uitgevoerd onder door het Greenland Institute of Natural Resources vast te stellen voorwaarden. Voorgesteld wordt dat EU-quotum vast te stellen zoals overeengekomen met Groenland.

In afwachting van een akkoord tussen de lidstaten over de verdeelsleutel voor dat bestand wordt voorgesteld het EU-quotum voorlopig niet aan de lidstaten toe te wijzen en alle lidstaten toe te staan het EU-quotum te bevissen totdat het volledig is opgebruikt.

Noordelijke kabeljauw in het NAFO-verdragsgebied

Bij Verordening (EU) 2026/249 zijn de TAC en het EU-quotum voor kabeljauw in de sectoren 2J, 3K en 3L van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijke deel van de Atlantische Oceaan (NAFO) (kabeljauw in de sectoren “2J3KL”, “noordelijke kabeljauw in het NAFO-verdragsgebied”) voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027 voorlopig op nul vastgesteld in afwachting van het besluit van de NAFO tot vaststelling van die TAC.

Naar verwachting zal Canada in juni 2026 zijn wetenschappelijk advies voor kabeljauw in de sectoren 2J3KL bekendmaken voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027. Na de bekendmaking van dat advies zal Canada naar verwachting voor zijn vissersvaartuigen een vangstbeperking voor kabeljauw in de NAFO-sectoren 2J3KL vaststellen voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027. Overeenkomstig haar regels stelt de NAFO voor dat bestand en voor die periode een TAC vast, alsook een toewijzing aan andere verdragsluitende partijen bij de NAFO, met inbegrip van een EU-quotum, voor vangsten in het gereglementeerde NAFO-gebied. Die TAC en die toewijzing moeten worden vastgesteld op een zodanig niveau dat de door Canada vastgestelde vangstbeperking overeenkomt met 95 % van de TAC en de toewijzing aan de andere verdragsluitende partijen bij de NAFO overeenkomt met 5 % van de TAC.

In afwachting van het besluit van de NAFO om een dergelijke TAC, een toewijzing aan andere verdragsluitende partijen bij de NAFO en herstelmaatregelen voor dat bestand vast te stellen, wordt de desbetreffende overweging van Verordening (EU) 2025/1350 in dit voorstel voorlopig opgenomen tussen vierkante haken en wordt de TAC voor kabeljauw in de NAFO-sectoren 2J3KL voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027 als “p.m.” aangemerkt. Zodra het besluit van de NAFO bekend is, werken de diensten van de Commissie het voorstel bij door middel van een non-paper waarin de TAC en eventuele herstelmaatregelen voor die periode worden voorgesteld in overeenstemming met dat besluit van de NAFO.

Iccat

Na de vaststelling van Iccat-aanbeveling 25-04 tot vaststelling van een meerjarig beheersplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee 10 tijdens de 29e jaarvergadering van de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (Iccat) in november 2025, is op 4 maart 2026 op grond van artikel 66, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2023/2053 van het Europees Parlement en de Raad 11  een gedelegeerde verordening van de Commissie vastgesteld tot wijziging van artikel 8, lid 2, van die verordening teneinde de aanbeveling in het EU-recht op te nemen. Die gedelegeerde verordening zal naar verwachting op 14 mei 2026 in werking treden. Bijgevolg kunnen de lidstaten nu verzoeken om maximaal 20 %, in plaats van 5 % voorheen, van hun jaarlijkse quotum voor blauwvintonijn in het Iccat-verdragsgebied ten oosten van 45° WL over te dragen van het voorgaande jaar naar een bepaald jaar. Lidstaten die een dergelijk verzoek doen, moeten dit verzoek bij de Commissie indienen in hun jaarlijks visserijplan. Voor 2026 hebben Griekenland, Spanje, Frankrijk, Kroatië, Italië, Cyprus, Malta en Portugal om dergelijke overdrachten vanuit 2025 verzocht. Op basis van die verzoeken heeft de Commissie een herzien EU-jaarplan ingediend bij het Iccat-secretariaat, uit hoofde van artikel 11, lid 5, van Verordening (EU) 2023/2053. Daarom wordt voorgesteld de quota van die lidstaten voor blauwvintonijn in het Iccat-verdragsgebied, ten oosten van 45° WL, voor 2026 dienovereenkomstig te wijzigen. De diensten van de Commissie zullen het voorstel actualiseren door middel van een non-paper waarin de referentie en de datum van inwerkingtreding van de op 4 maart 2026 vastgestelde gedelegeerde verordening worden gespecificeerd.

Overeenkomstig artikel 17 ter van Verordening (EU) 2017/2107 van het Europees Parlement en de Raad 12 zijn bij Verordening (EU) 2026/249, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2026/786, de jaarlijkse quota voor bepaalde lidstaten voor witte tonijn (Thunnus alalunga) in het Iccat-verdragsgebied ten noorden van 5° NB van 2024 naar 2026 overgedragen. De quota van die lidstaten voor dat bestand voor 2026 zijn dienovereenkomstig gewijzigd bij Verordening (EU) 2026/786 van de Raad. Het quotum van het VK voor dat bestand voor 2026 is echter niet gewijzigd om rekening te houden met die overdrachten en moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

NPFC

Bij Verordening (EU) 2026/249, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2026/786, zijn de vangstbeperkingen die beschikbaar zijn voor de lidstaten die verdragsluitende partij zijn bij de Commissie voor de visserij in het noordelijke deel van de Stille Oceaan (NPFC) voor respectievelijk trawlers en ringzegenvaartuigen en het aanvullende EU-quotum voor Spaanse makreel (Scomber japonicus) in het NPFC-verdragsgebied voor de periode van 1 juni 2026 tot en met 31 mei 2027, alsook de bijbehorende inspanningsbeperkingen, voorlopig als “nog vast te stellen” aangemerkt.

Tijdens haar jaarvergadering in april 2026 heeft de NPFC die vangstbeperkingen vastgesteld voor de periode van 1 juni 2026 tot en met 31 december 2026 en zo de vangstperiode in overeenstemming gebracht met het kalenderjaar. Ook heeft zij gevlekte makreel (Scomber australasicus), die samen met Spaanse makreel wordt geoogst, aan die vangstbeperkingen toegevoegd.

2026/0122 (NLE)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot wijziging van Verordening (EU) 2026/249 van de Raad tot vaststelling, voor 2026, 2027 en 2028, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden die in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Bij Verordening (EU) 2026/249 van de Raad 13 worden voor 2026, 2027 en 2028 voor bepaalde visbestanden de vangstmogelijkheden vastgesteld die in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn. Die vangstmogelijkheden, met inbegrip van bepaalde maatregelen die functioneel daarmee verbonden zijn, moeten worden gewijzigd om rekening te houden met de bekendmaking van wetenschappelijk advies, met de uitkomst van het overleg met derde landen en van vergaderingen van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB’s) en met andere ontwikkelingen.

(2)[De overweging en de desbetreffende bepalingen zullen worden bijgewerkt na de bekendmaking van het ICES-advies of indien blijkt dat deze actualisering ertoe zou leiden dat de Raad de definitieve TAC niet tijdig kan vaststellen en bijgevolg zou resulteren in een tijdelijke onderbreking van deze visserij vanaf 1 juli 2026.] [OFWEL] [Op 19 juni 2026 heeft de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) zijn wetenschappelijk advies voor ansjovis (Engraulis encrasicolus) in het westelijke deel van ICES-sector 9a bekendgemaakt voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027. Na de bekendmaking door de ICES van dat advies moeten de totale toegestane vangsten (TAC) voor ansjovis in het westelijke deel van ICES-deelgebied 9 en ICES-deelgebied 10 voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027 worden vastgesteld op het door de ICES geadviseerde niveau.] [OFWEL] [Bij Verordening (EU) 2026/249 is de totale toegestane vangst (TAC) voor ansjovis (Engraulis encrasicolus) in het westelijke deel van ICES-deelgebied 9 en in ICES-deelgebied 10 voorlopig op nul vastgesteld voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027, in afwachting van de bekendmaking door de ICES van zijn wetenschappelijk advies voor ansjovis in het westelijke deel van ICES-sector 9a voor die periode. Met het oog op de voortzetting van de visserij totdat de definitieve TAC voor dat bestand voor de relevante periode is vastgesteld, moet een voorlopige TAC voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 september 2026 worden vastgesteld op een niveau dat overeenstemt met [X].]

(3)[De overweging en de desbetreffende bepalingen zullen worden bijgewerkt na afloop van het overleg tussen de Unie en Noorwegen.] [Op 23 juni 2025 hebben de Unie en Noorwegen overleg afgerond over: i) het niveau van de totale vangstmogelijkheden voor Noordse garnaal (Pandalus borealis) in de ICES-sectoren 3a en 4a oost voor de periode van 1 juli 2025 tot en met 30 juni 2026; ii) het niveau van de TAC voor Noordse garnaal in ICES-sector 3a, en iii) aanvullende technische maatregelen voor dat bestand. De Unie heeft aan dat overleg deelgenomen op basis van het op 12 juni 2025 door de Raad goedgekeurde standpunt van de Unie. De uitkomst van dat overleg is vastgelegd in goedgekeurde notulen die op 23 juni 2025 zijn ondertekend. De TAC voor Noordse garnaal in ICES-sector 3a moet daarom worden vastgesteld op het met Noorwegen overeengekomen niveau, en de met Noorwegen overeengekomen aanvullende technische maatregelen moeten worden ingevoerd. Tijdens dat overleg hebben de Unie en Noorwegen uitwisselingen van Noordse garnaal in de Noorse wateren van de Noordzee ten zuiden van 62° NB van Noorwegen naar de Unie overwogen. Aangezien echter geen overeenstemming kon worden bereikt over aanvullende overdrachten van Noordse garnaal in de Noordzee, moeten de niet-toegewezen vangstmogelijkheden voor Noordse garnaal in de Groenlandse wateren van de ICES-deelgebieden 5 en 14 aan de lidstaten worden toegewezen. De quota van de lidstaten voor Noordse garnaal in de Groenlandse wateren van de ICES-deelgebieden 5 en 14 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.]

(4)[De overweging en de desbetreffende bepalingen zullen worden bijgewerkt na afloop van het overleg tussen de Unie, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen.] [Op 21 mei 2025 hebben de Unie, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen overleg gepleegd over: i) het niveau van de totale vangstmogelijkheden voor sprot (Sprattus sprattus) in ICES-deelgebied 4 en ICES-sector 3a voor de periode van 1 juli 2025 tot en met 30 juni 2026, en ii) de niveaus van de TAC’s voor sprot in de wateren van de Unie en wateren van het Verenigd Koninkrijk van ICES-deelgebied 4 en ICES-sector 2a en in de wateren van de Unie en Noorse wateren van ICES-sector 3a voor die periode. De Unie heeft aan dat overleg deelgenomen op basis van het op 12 mei 2025 door de Raad goedgekeurde standpunt van de Unie. De uitkomst van dat overleg is vastgelegd in goedgekeurde notulen die op 21 mei 2025 zijn ondertekend. De relevante TAC’s moeten derhalve worden vastgesteld op de met het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen overeengekomen niveaus.]

(5)[De overweging en de desbetreffende bepalingen zullen worden bijgewerkt na afloop van het overleg tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk.] [Op 12 mei 2025 hebben de Unie en het Verenigd Koninkrijk bilateraal overleg gepleegd krachtens artikel 498, leden 2, 4 en 6, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds 14 over het niveau van de TAC voor sprot in de ICES-sectoren 7d en 7e voor de periode van 1 juli 2025 tot en met 30 juni 2026. De Unie heeft aan dat overleg deelgenomen op basis van het op 8 mei 2025 door de Raad goedgekeurde standpunt van de Unie. De uitkomst van dat overleg is vastgelegd in een schriftelijk verslag dat op 22 mei 2025 is ondertekend. De TAC voor sprot in de ICES-sectoren 7d en 7e voor de periode van 1 juli 2025 tot en met 30 juni 2026 moet bijgevolg worden vastgesteld op het met het Verenigd Koninkrijk overeengekomen niveau.]

(6)Bij Verordening (EU) 2026/249, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2026/786 van de Raad 15 , zijn de quota van de Unie en de lidstaten voor lodde (Mallotus villosus) in de Groenlandse wateren van de ICES-deelgebieden 2, 5, 12 en 14 voor de periode van 15 oktober 2025 tot en met 15 april 2026 vastgesteld op het met Groenland overeengekomen niveau, overeenkomstig artikel 2, lid 1, van het Protocol inzake de uitvoering van de Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie, enerzijds, en de regering van Groenland en de regering van Denemarken, anderzijds 16 . Gezien het gebrek aan belangstelling van de visserijsector van de Unie, heeft de Unie Groenland vervolgens echter aangeboden die vangstmogelijkheden terug te krijgen. Daarom moeten de quota van de Unie en de lidstaten voor lodde in de Groenlandse wateren van de ICES-deelgebieden 2, 5, 12 en 14 voor de periode van 15 oktober 2025 tot en met 15 april 2026 dienovereenkomstig tot nul worden verlaagd.

(7)Overeenkomstig artikel 11 van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Unie en Groenland 17 en overeenkomstig de voorwaarden van artikel 6 en hoofdstuk VI van het protocol bij die overeenkomst zijn de Unie en Groenland overeengekomen om in de periode van 12 februari 2026 tot en met 31 december 2026 experimentele visserij op kabeljauw (Gadus morhua) te verrichten in de Groenlandse wateren van de ICES-deelgebieden 5 en 14, ten noordoosten van 42° WL. Voor die experimentele visserij zijn vangstmogelijkheden van 3 000 ton vastgesteld, waarvan 900 ton aan de Unie is toegewezen. Dat quotum van de Unie moet worden vastgesteld zoals overeengekomen met Groenland. In afwachting van een akkoord tussen de lidstaten over de verdeelsleutel voor dat bestand mag dat Uniequotum voorlopig niet aan de lidstaten worden toegewezen, zodat alle lidstaten het Uniequotum kunnen bevissen totdat het volledig is opgebruikt.

(8)[De overweging en de desbetreffende bepalingen zullen worden bijgewerkt na het besluit van de NAFO.] [Op 18 juni 2025 heeft Canada voor zijn vissersvaartuigen die in de NAFO-sectoren 2J, 3K en 3L op kabeljauw vissen, voor de periode van 1 juli 2025 tot en met 30 juni 2026 een vangstbeperking vastgesteld. Vervolgens heeft de NAFO op 23 juni 2025 een TAC voor dat bestand en die periode vastgesteld, alsook een toewijzing aan andere verdragsluitende partijen bij de NAFO die overeenkomt met 5 % van de TAC, met inbegrip van een quotum van de Unie, voor vangsten in het gereglementeerde NAFO-gebied. Daarnaast heeft de NAFO de herstelmaatregelen voor dat bestand voor die periode gehandhaafd. Die maatregelen moeten in het recht van de Unie worden omgezet.]

(9)[De overweging zal worden bijgewerkt nadat de daarin bedoelde gedelegeerde verordening in werking is getreden.] Na de vaststelling van Iccat-aanbeveling 25-04 tot vaststelling van een meerjarig beheersplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee 18 tijdens de 29e jaarvergadering van de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (Iccat) in november 2025, is op 4 maart 2026 op grond van artikel 66, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2023/2053 van het Europees Parlement en de Raad 19 een gedelegeerde verordening van de Commissie vastgesteld tot wijziging van artikel 8, lid 2, van die verordening teneinde die aanbeveling in het Unierecht op te nemen. Die gedelegeerde verordening zal naar verwachting op 14 mei 2026 in werking treden. Bijgevolg kunnen de lidstaten nu verzoeken om maximaal 20 % van hun jaarlijkse quotum voor blauwvintonijn in het Iccat-verdragsgebied ten oosten van 45° WL over te dragen van het voorgaande jaar naar een bepaald jaar. Voor 2026 hebben Griekenland, Spanje, Frankrijk, Kroatië, Italië, Cyprus, Malta en Portugal om dergelijke overdrachten vanuit 2025 verzocht. Op basis van die verzoeken heeft de Commissie een herzien jaarplan van de Unie ingediend bij het Iccat-secretariaat, uit hoofde van artikel 11, lid 5, van Verordening (EU) 2023/2053. Daarom moeten de quota van die lidstaten voor blauwvintonijn in het Iccat-verdragsgebied ten oosten van 45° WL voor 2026 dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)Tijdens haar jaarvergadering in april 2026 heeft de Commissie voor de visserij in het noordelijke deel van de Stille Oceaan (NPFC) voor trawlers en ringzegenvaartuigen vangstbeperkingen voor Spaanse makreel (Scomber japonicus) en gevlekte makreel (Scomber australasicus) vastgesteld voor alle verdragsluitende partijen bij de NPFC voor de periode van 1 juni 2026 tot en met 31 december 2026. Daarnaast heeft de NPFC voor diezelfde periode een extra hoeveelheid van die bestanden voor de Unie vastgesteld. Ook heeft zij bijbehorende inspanningsbeperkingen vastgesteld. Voorts heeft de NPFC maatregelen vastgesteld die functioneel verbonden zijn met die vangstbeperkingen en met die extra hoeveelheid, zonder welke: i) die vangstbeperkingen voor alle verdragsluitende partijen bij de NPFC niet hadden kunnen worden vastgesteld, en ii) de vangstmogelijkheden voor Spaanse makreel en gevlekte makreel in het NPFC-verdragsgebied zouden moeten worden verlaagd om de niet-doelsoorten te beschermen. Die vangstmogelijkheden en functioneel daarmee verbonden maatregelen moeten in het recht van de Unie worden opgenomen.

(11)Verordening (EU) 2026/249 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)Om de rapportageperioden voor de bij deze verordening gewijzigde TAC’s te handhaven, en aangezien sommige van die TAC’s van toepassing zijn vanaf 1 januari 2026, moeten de gewijzigde TAC’s met terugwerkende kracht vanaf die datum van toepassing zijn. Een dergelijke toepassing met terugwerkende kracht doet geen afbreuk aan de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen aangezien de betrokken TAC’s worden gehandhaafd of verhoogd.

(13)Gezien de urgentie om onderbrekingen in de visserijactiviteiten te voorkomen, moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1
Wijziging van Verordening (EU) 2026/249

Bijlage IA, delen A en B, en de bijlagen IB, IC, ID en IM bij Verordening (EU) 2026/249 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2
Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2026.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    Verordening (EU) 2026/249 van de Raad van 26 januari 2026 tot vaststelling, voor 2026, 2027 en 2028, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden die in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot wijziging van Verordening (EU) 2025/202 (PB L, 2026/249, 30.1.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/249/oj ).
(2)    Verordening (EU) 2026/786 van de Raad van 30 maart 2026 tot wijziging van Verordening (EU) 2026/249 tot vaststelling, voor 2026, 2027 en 2028, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden die in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L, 2026/786, 31.3.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/786/oj ).
(3)    Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1380/oj ).
(4)    Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2008/56/oj )
(5)    Verordening (EU) 2025/1350 van de Raad van 8 juli 2025 tot wijziging van Verordening (EU) 2025/202 tot vaststelling, voor 2025 en 2026, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden die in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L, 2025/1350,n 10.7.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2025/1350/oj ).
(6)    Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (PB L 149 van 30.4.2021, blz. 10, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_internation/2021/689(1)/oj ).
(7)    Protocol inzake de uitvoering van de Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie, enerzijds, en de regering van Groenland en de regering van Denemarken, anderzijds (2025-2030) (PB L, 2024/3203, 30.12.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/prot/2024/3203/oj ).
(8)    Verordening (EU) 2026/786 van de Raad van 30 maart 2026 tot wijziging van Verordening (EU) 2026/249 tot vaststelling, voor 2026, 2027 en 2028, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden die in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L, 2026/786, 31.3.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/786/oj ).
(9)    Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie, enerzijds, en de regering van Groenland en de regering van Denemarken, anderzijds (PB L 175 van 18.5.2021, blz. 3, ELI:  http://data.europa.eu/eli/agree_internation/2021/793/oj ).
(10)    Iccat-aanbeveling 25-04 ter vervanging van aanbeveling 24-05 tot vaststelling van een meerjarig beheersplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee, https://www.iccat.int/Documents/Recs/compendiopdf-e/2025-04-e.pdf .
(11)    Verordening (EU) 2023/2053 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 tot vaststelling van een meerjarig beheersplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en in de Middellandse Zee, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1936/2001, (EU) 2017/2107 en (EU) 2019/833, en tot intrekking van Verordening (EU) 2016/1627 (PB L 238 van 27.9.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2053/oj ).
(12)    Verordening (EU) 2017/2107 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2017 tot vaststelling van in het verdragsgebied van de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (ICCAT) geldende beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1936/2001, (EG) nr. 1984/2003 en (EG) nr. 520/2007 van de Raad (PB L 315 van 30.11.2017, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/2107/oj ).
(13)    Verordening (EU) 2026/249 van de Raad van 26 januari 2026 tot vaststelling, voor 2026, 2027 en 2028, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden die in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot wijziging van Verordening (EU) 2025/202 (PB L, 2026/249, 30.1.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/249/oj ).
(14)    Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (PB L 149 van 30.4.2021, blz. 10, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_internation/2021/689(1)/oj ).
(15)    Verordening (EU) 2026/786 van de Raad van 30 maart 2026 tot wijziging van Verordening (EU) 2026/249 tot vaststelling, voor 2026, 2027 en 2028, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden die in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L, 2026/786, 31.3.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/786/oj ).
(16)    Protocol inzake de uitvoering van de Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie, enerzijds, en de regering van Groenland en de regering van Denemarken, anderzijds (2025-2030) (PB L, 2024/3203, 30.12.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/prot/2024/3203/oj ). 
(17)    Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie, enerzijds, en de regering van Groenland en de regering van Denemarken, anderzijds (PB L 175 van 18.5.2021, blz. 3, ELI:  http://data.europa.eu/eli/agree_internation/2021/793/oj ).
(18)    Iccat-aanbeveling 25-04 ter vervanging van aanbeveling 24-05 tot vaststelling van een meerjarig beheersplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee, https://www.iccat.int/Documents/Recs/compendiopdf-e/2025-04-e.pdf .
(19)    Verordening (EU) 2023/2053 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 tot vaststelling van een meerjarig beheersplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en in de Middellandse Zee, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1936/2001, (EU) 2017/2107 en (EU) 2019/833, en tot intrekking van Verordening (EU) 2016/1627 (PB L 238 van 27.9.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2053/oj ).

Brussel, 20.5.2026

COM(2026) 245 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot wijziging van Verordening (EU) 2026/249 van de Raad tot vaststelling, voor 2026, 2027 en 2028, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden die in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn


BIJLAGE

Wijzigingen van Verordening (EU) 2026/249

(1)Bijlage IA wordt als volgt gewijzigd:

(a)in deel A wordt tabel 2(1) vervangen door:

 

 

 

Tabel

2(1)

 

 

 

Soort:

Ansjovis

 

 

Gebied:

9W(1) en 10

 

 

 

Engraulis encrasicolus

 

 

(ANE/9WX10)

 

 

Spanje

 

p.m.

(2)

Analytische TAC

 

 

Portugal

p.m.

(2)

Unie

p.m.

(2)

TAC

p.m.

(2)

(1)

Het gedeelte van deelgebied 9 ten westen van de lijn die de volgende punten met elkaar verbindt:

Punt

Breedtegraad

Lengtegraad

1

36°00’00” NB

11°00’00” WL

2

37°01’20” NB

8°59’47” WL

(2)

Dit quotum mag slechts worden gevangen van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027.

”;

(b)in deel B wordt tabel 77 vervangen door:

 

 

 

Tabel

77

 

 

 

Soort:

Noordse garnaal

 

Gebied:

3a

 

 

 

Pandalus borealis

 

(PRA/03A.)

 

 

Denemarken

 

p.m.

(1)

Analytische TAC

 

 

Zweden

p.m.

(1)

Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Unie

p.m.

(1)

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

TAC

 

p.m.

(1)

 

 

 

 

(1)

Dit quotum mag slechts worden gevangen van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027.

 

”;

(c)in deel B wordt tabel 79 vervangen door:

 

 

 

Tabel

79

 

 

 

Soort:

Noordse garnaal

 

Gebied:

Noorse wateren ten zuiden van 62° NB

 

Pandalus borealis

 

(PRA/4N-S62)

 

Denemarken

 

p.m.

Analytische TAC

 

 

Zweden

123

(1)

Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Unie

p.m.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

TAC

 

Niet relevant

 

 

 

 

 

(1)

Bijvangsten van kabeljauw, schelvis, witte koolvis, wijting en zwarte koolvis moeten in mindering worden gebracht op de quota voor die soorten.

”;

(d)in deel B worden de tabellen 113 en 114 vervangen door:

 

 

 

Tabel

113

 

 

 

Soort:

Sprot en geassocieerde bijvangsten

Gebied:

3a

 

 

 

Sprattus sprattus

 

(SPR/03A.)

 

 

Denemarken

p.m.

(1)(2)(3)

Analytische TAC

 

 

Duitsland

p.m.

(1)(2)(3)

Zweden

p.m.

(1)(2)(3)

Unie

p.m.

(1)(2)(3)

TAC

 

p.m.

(2)

 

 

 

 

(1)

Maximaal 5 % van het quotum mag bestaan uit bijvangsten van wijting en schelvis (OTH/*03A.). De bijvangsten van wijting en schelvis die krachtens deze bepaling op het quotum in mindering worden gebracht, en de bijvangsten van soorten die krachtens artikel 15, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 op het quotum in mindering worden gebracht, mogen samen niet hoger zijn dan 9 % van het quotum.

(2)

Dit quotum is van toepassing van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027.

(3)

Overdrachten van dit quotum naar de wateren van het Verenigd Koninkrijk en van de Unie van 2a en 4 zijn toegestaan. Dergelijke overdrachten moeten evenwel vooraf aan de Commissie en het Verenigd Koninkrijk worden gemeld.

”;

 

 

 

Tabel

114

 

 

 

Soort:

Sprot en geassocieerde bijvangsten

Gebied:

wateren van het Verenigd Koninkrijk en van de Unie van 4; wateren van het Verenigd Koninkrijk van 2a

 

 

Sprattus sprattus

 

(SPR/2AC4-C)

België

 

p.m.

(1)(2)

Analytische TAC

 

 

Denemarken

p.m.

(1)(2)

Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Duitsland

p.m.

(1)(2)

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Frankrijk

p.m.

(1)(2)

Nederland

p.m.

(1)(2)

Zweden

p.m.

(1)(2)(3)

Unie

p.m.

(1)(2)

Noorwegen

p.m.

(1)

Faeröer

p.m.

(1)(4)

Verenigd Koninkrijk

p.m.

(1)

TAC

 

p.m.

(1)

 

 

 

 

(1)

Dit quotum geldt van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027.

(2)

Maximaal 2 % van het quotum mag bestaan uit bijvangsten van wijting (OTH/*2AC4C). De bijvangsten van wijting die krachtens deze bepaling op het quotum in mindering worden gebracht en de bijvangsten van soorten die krachtens artikel 15, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 op het quotum in mindering worden gebracht, mogen samen niet hoger zijn dan 9 % van het quotum.

(3)

Inclusief zandspieringen.

(4)

Mag tot 4 % bijvangsten van haring bevatten.

 

 

 

”;

(e)in deel B wordt tabel 115 vervangen door:

 

 

 

Tabel

115

 

 

 

Soort:

Sprot

 

 

Gebied:

7d en 7e

 

 

 

Sprattus sprattus

 

(SPR/7DE.)

 

 

België

 

p.m.

(1)

Analytische TAC

 

 

Denemarken

p.m.

(1)

Duitsland

p.m.

(1)

Frankrijk

p.m.

(1)

Nederland

p.m.

(1)

Unie

p.m.

(1)

Verenigd Koninkrijk

p.m.

(1)

TAC

 

p.m.

(1)

 

 

 

 

(1)

Dit quotum geldt van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027. 

 

 

”.

(2)Bijlage IB wordt als volgt gewijzigd:

(a)tabel 3 wordt vervangen door de volgende tabel en tabel 3(1) wordt ingevoegd:

Tabel

3

Soort:

Kabeljauw

Gebied:

Groenlandse wateren van 2 en 12; Groenlandse wateren van 5 en 14, ten zuidwesten van 42° WL

Gadus morhua

(COD/GL251214)

Duitsland

2 050

(1)

Analytische TAC

Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Unie

2 050

(1)

TAC

Niet relevant

(1)

Mag niet worden gevangen van 1 maart tot en met 31 mei in het beheersgebied Kleine Bank binnen de lijnen die de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden:

Punt

Breedtegraad

Lengtegraad

1

65°00’ NB

38°00’ WL

2

65°00’ NB

35°15’ WL

3

64°00’ NB

35°15’ WL

4

64°00’ NB

38°00’ WL

Tabel

3(1)

Soort:

Kabeljauw

Gebied:

Groenlandse wateren van 5 en 14, ten noordoosten van 42° WL

Gadus morhua

(COD/GL51442)

Unie

900

(1)

Analytische TAC

Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

TAC

Niet relevant

(1)

(1)

Mag alleen worden gevangen in het kader van experimentele visserij door vaartuigen die wetenschappelijke bemonstering verrichten. Die wetenschappelijke bemonstering wordt uitgevoerd onder door het Greenland Institute of Natural Resources vast te stellen voorwaarden.

”;

(b)tabel 9 wordt vervangen door:

Tabel

9

Soort:

Lodde

Gebied:

Groenlandse wateren van 2, 5, 12 en 14

Mallotus villosus

(CAP/GL251214)

Jaar

2026

2027

Denemarken

0

(2)

0

(3)

Analytische TAC

Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Duitsland

0

(2)

0

(3)

Zweden

0

(2)

0

(3)

Alle lidstaten

0

(1)(2)

0

(1)(3)

Unie

0

(2)

0

(3)

Noorwegen

0

(2)

0

(3)

TAC

Niet relevant

(2)

Niet relevant

(3)

(1)

Denemarken, Duitsland en Zweden mogen pas gebruikmaken van het quotum voor “alle lidstaten” wanneer zij hun eigen quotum hebben opgebruikt. Lidstaten waaraan meer dan 10 % van het quotum van de Unie is toegewezen, mogen het quotum voor “alle lidstaten” echter helemaal niet gebruiken. Vangsten die in mindering moeten worden gebracht op dit gedeelde quotum, worden afzonderlijk gerapporteerd (CAP/GL251214_AMS).

(2)

Dit quotum is van toepassing van 15 oktober 2025 tot en met 15 april 2026.

(3)

Dit quotum is van toepassing van 15 oktober 2026 tot en met 15 april 2027.

”;

(c)tabel 13 wordt vervangen door:

 

 

Tabel

13

 

Soort:

Noordse garnaal

 

Gebied:

Groenlandse wateren van 2, 5, 12 en 14

 

Pandalus borealis

 

 

(PRA/GL251214)

Denemarken

p.m.

Analytische TAC

Frankrijk

p.m.

Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Unie

p.m.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Noorwegen

p.m.

Faeröer

0

TAC

Niet relevant

 

 

 

”;

(3)In bijlage IC wordt tabel 1 vervangen door:

 

 

Tabel

1

 

Soort:

Kabeljauw

 

Gebied:

NAFO 2J3KL

 

Gadus morhua

 

(COD/N2J3KL)

Bulgarije

p.m.

(1)(2)

Analytische TAC

Duitsland

p.m.

(1)(2)

Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Estland

p.m.

(1)(2)

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Spanje

p.m.

(1)(2)

Frankrijk

p.m.

(1)(2)

Letland

p.m.

(1)(2)

Litouwen

p.m.

(1)(2)

Polen

p.m.

(1)(2)

Portugal

p.m.

(1)(2)

Roemenië

p.m.

(1)(2)

Unie

p.m.

(1)(2)

TAC

p.m.

(1)(2)

 

 

(1)

Dit quotum is van toepassing van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027.

(2)

In het kader van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan tussen 15 april 2027 00.00 uur UTC en 30 juni 2027 23.59 uur UTC. In deze periode mag deze soort uitsluitend als bijvangst worden gevangen, met een maximum van 1 250 kg of 5 % indien dat meer is.

”;

(4)Bijlage ID wordt als volgt gewijzigd:

(a)tabel 7 wordt vervangen door:

 

 

 

Tabel

7

 

 

 

Soort:

Noord-Atlantische witte tonijn 

Gebied:

Iccat-verdragsgebied, ten noorden van 5° NB, met uitzondering van de Middellandse Zee

 

Thunnus alalunga

 

(ALB/ICAN05NXM)

 

Ierland

 

4 959,40

Analytische TAC

Spanje

27 953,00

Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Frankrijk

8 791,67

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Portugal

3 065,81

Unie

44 769,88

(1)(2)

Verenigd Koninkrijk

741

(3)

TAC

47 251,00

(1)

Het aantal vissersvaartuigen van de Unie dat op Noord-Atlantische witte tonijn als doelsoort vist, bedraagt: 1 241.

(2)

Bijzondere voorwaarde: binnen de limieten van dit quotum mag niet meer dan de volgende hoeveelheden worden gevangen in de wateren van het Verenigd Koninkrijk (ALB/*ICAN05NXM-UK):

Ierland

62,03

Spanje

349,65

Frankrijk

109,97

Portugal

38,35

Unie

560,00

(3)

Bijzondere voorwaarde: Binnen de limieten van dit quotum mag niet meer dan de volgende hoeveelheden worden gevangen in de wateren van de Unie (ALB/*ICAN05NXM-EU):

 

 

560,00

 

 

 

 

 

”;

(b)tabel 12(1) wordt vervangen door:

 

 

 

Tabel

12

 

 

 

Soort:

Blauwvintonijn

 

 

Gebied:

Iccat-verdragsgebied, ten oosten van 45° WL

 

Thunnus thynnus

 

(BFT/ICAE45W)

 

Cyprus

 

240,16

(4)

Analytische TAC

Griekenland

480,79

Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Spanje

8 352,55

(2)(4)

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Frankrijk

8 067,21

(2)(3)(4)

Kroatië

1 353,64

(6)

Italië

6 534,98

(4)(5)

Malta

517,31

(4)

Portugal

858,28

Overige

104,03

(1)

Unie

26 508,95

(2)(3)(4)(5)(6)

TAC

 

48 403,00

(1)

(1)

Met uitzondering van Cyprus, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Kroatië, Italië, Malta en Portugal, en uitsluitend als bijvangst. Vangsten die in mindering moeten worden gebracht op dit gedeelde quotum, worden afzonderlijk gerapporteerd (BFT/ICAE45W_AMS).

(2)

Bijzondere voorwaarde: in het kader van deze TAC worden de vangstbeperkingen en de verdeling daarvan over de lidstaten voor vangsten van blauwvintonijn tussen 8 kg/75 cm en 30 kg/115 cm door de in punt 1 van bijlage VI bedoelde vaartuigen als volgt vastgesteld (BFT/*E45W8301):

Spanje

1 267,03

Frankrijk

588,60

Unie

1 855,63

(3)

Bijzondere voorwaarde: in het kader van deze TAC worden de vangstbeperkingen en de verdeling daarvan over de lidstaten voor vangsten van blauwvintonijn met een gewicht van ten minste 6,4 kg of een lengte van ten minste 70 cm door de in punt 1 van bijlage VI, bedoelde vaartuigen als volgt vastgesteld (BFT/*E45W641):

Frankrijk

100,00

Unie

100,00

(4)

Bijzondere voorwaarde: in het kader van deze TAC worden de vangstbeperkingen en de verdeling daarvan over de lidstaten voor vangsten van blauwvintonijn tussen 8 kg/75 cm en 30 kg/115 cm door de in bijlage VI, punt 2, bedoelde vaartuigen als volgt vastgesteld (BFT/*E45W641):

Spanje

167,05

Frankrijk

322,69

*

Italië

130,70

Cyprus

4,80

Malta

10,35

Unie

635,59

 

* Waarvan 50 % alleen in de Golfe du Lion gevangen mag worden.

 

 

 

 

 

(5)

Bijzondere voorwaarde: in het kader van deze TAC worden de vangstbeperkingen en de verdeling daarvan over de lidstaten voor vangsten van blauwvintonijn tussen 8 kg/75 cm en 30 kg/115 cm door de in bijlage VI, punt 3, bedoelde vaartuigen als volgt vastgesteld (BFT/*E45W643):

Italië

130,70

Unie

130,70

(6)

Bijzondere voorwaarde: binnen deze TAC worden de vangstbeperkingen en de verdeling daarvan over de lidstaten voor vangsten van blauwvintonijn tussen 8 kg/75 cm en 30 kg/115 cm voor kweekdoeleinden door de in bijlage VI, punt 3, bedoelde vaartuigen als volgt vastgesteld (BFT/*E45W8303F):

Kroatië

1 218,28

 

Unie

1 218,28

 

 

 

 

 

”;

(5)Bijlage IM wordt vervangen door:

BIJLAGE IM 

NPFC-VERDRAGSGEBIED

 

 

Tabel 

1 

 

Soort:

Spaanse makreel en gevlekte makreel

Scomber japonicus en Scomber australasicus 

Gebied:

NPFC-verdragsgebied

Unie

 

5 560 

(1)(3)(4)(5)

Voorzorgs-TAC

Verdragsluitende partijen bij de NPFC, met inbegrip van de Unie

 

47 940

(1)(2)(3)(4) 

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

TAC

 

Niet relevant

 

 

(1) 

Mag slechts worden gevangen van 1 juni 2026 tot en met 31 december 2026.

(2) 

Bijzondere voorwaarde: in het kader van deze vangstbeperking mag door de volgende vaartuigen niet meer worden gevangen dan de hieronder vermelde hoeveelheden: 

 

Trawlers* 

(M/M/NPFC-TR) 

Ringzegenvaartuigen* 

(M/M/NPFC-PS) 

 

 

 

5 703

42 237

 

 

 

*    De visserij in het kader van die vangstbeperkingen wordt gesloten door de verdragsluitende partijen van de NPFC, waaronder voor de Unie door de Commissie, binnen twee dagen na de datum van de kennisgeving door de uitvoerend secretaris van de NPFC dat die vangstbeperkingen voor 95 % zijn benut.

(3) 

Te allen tijde mag slechts één onder de vlag van een lidstaat varende trawler op Spaanse makreel en gevlekte makreel vissen. Dat geldt onverminderd de eventuele toewijzing van toekomstige vangstmogelijkheden door de Unie in het NPFC-verdragsgebied, met name aan de lidstaat die gemachtigd is om te vissen in de periode van 1 juni 2026 tot en met 31 december 2026.

(4) 

Vissersvaartuigen van de Unie met een brutotonnage van meer dan 10 000 mogen niet worden gemachtigd om op Spaanse makreel te vissen.

(5) 

Vangsten in het kader van dit quotum moeten afzonderlijk worden gerapporteerd (M/M/NPFC-EU).

”;