EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 12.5.2026
COM(2026) 236 final
2026/0116(NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Comité van de Partijen bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, tijdens zijn 20e vergadering, over tot bepaalde partijen gerichte conclusies over hun uitvoering van dat verdrag en over de verkiezing van leden van de Groep van deskundigen inzake actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement
TOELICHTING
1.Onderwerp van het voorstel
Dit voorstel betreft het besluit tot vaststelling van het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen op de 20e vergadering van het Comité van de Partijen (“het Comité”) bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (“het Verdrag van Istanbul” of “het verdrag”) op 2 juni 2026. Het standpunt heeft betrekking op 1) de voorgenomen vaststelling door het Comité van negen ontwerpconclusies, gericht aan negen partijen, over hun uitvoering van het verdrag, en 2) de voorgenomen verkiezing van vijf leden van de Groep van deskundigen inzake actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (“GREVIO”).
2.Achtergrond van het voorstel
2.1.Het Verdrag van Istanbul
Het Verdrag van Istanbul stelt alomvattende en geharmoniseerde regels vast ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld in Europa en daarbuiten. Het verdrag is op 1 augustus 2014 in werking getreden.
De EU heeft het verdrag in juni 2017 ondertekend en op 28 juni 2023 de toetredingsprocedure afgerond met de nederlegging van twee akten van goedkeuring, waardoor het verdrag voor de EU op 1 oktober 2023 in werking is getreden. De EU is tot het verdrag toegetreden voor aangelegenheden die onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, namelijk aangelegenheden die verband houden met de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie, en aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non‑refoulement. Alle lidstaten hebben het verdrag ondertekend, en 22 hebben het inmiddels geratificeerd.
2.2.Comité van de Partijen
Het Comité bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen bij het verdrag. De partijen moeten ernaar streven als hun vertegenwoordigers deskundigen aan te wijzen van een zo hoog mogelijk niveau op het gebied van het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. De aan het Comité toevertrouwde taken staan in artikel 1 van het reglement van orde6. Op 1 oktober 2023 werd de EU partij bij het verdrag en derhalve lid van het Comité (artikel 67, lid 1, van het verdrag).
2.3.Toezichtmechanisme van het Verdrag van Istanbul
Het Verdrag van Istanbul voorziet in een toezichtmechanisme om een doeltreffende uitvoering van het verdrag door de partijen te waarborgen. Het doel ervan is te beoordelen hoe het verdrag in de praktijk wordt gebracht en om de partijen richtsnoeren te bieden. Het toezichtmechanisme bestaat uit twee afzonderlijke, maar onderling samenwerkende organen: een onafhankelijk deskundigenorgaan, nl. de Groep van deskundigen inzake actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (GREVIO), en het Comité van de Partijen.
GREVIO is een onafhankelijke groep van deskundigen, die tot taak heeft per land toezicht te houden op de uitvoering van het verdrag, overeenkomstig artikel 66, lid 1, van het verdrag. De toezichtprocedure wordt beschreven in artikel 68 van het verdrag. Overeenkomstig artikel 68, lid 1, moeten nieuwe partijen een op een vragenlijst van GREVIO gebaseerd rapport indienen met vermelding van wetgevende en andere maatregelen die zij hebben genomen ter uitvoering van het verdrag. GREVIO stelt een rapport op over de maatregelen die de betrokken partij heeft genomen om het verdrag uit te voeren, en doet suggesties en voorstellen over de wijze waarop de partij de gesignaleerde problemen kan aanpakken.
Op basis van het rapport van GREVIO kan het Comité van de Partijen overeenkomstig artikel 68, lid 12, van het verdrag tot de betrokken partij gerichte aanbevelingen voor de uitvoering van het verdrag aannemen en een uiterste datum vaststellen waarop de partij een antwoord over de uitvoering van de aanbevelingen moet indienen. Op basis van deze bepaling heeft het Comité van de Partijen aanbevelingen aan partijen gericht waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen maatregelen die zo snel mogelijk moeten worden genomen, met de verplichting om binnen drie jaar verslag aan het Comité uit te brengen, en maatregelen die weliswaar belangrijk zijn, maar niet even urgent. Aan het einde van de periode van drie jaar moet de partij aan het Comité van de Partijen verslag uitbrengen over de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van de tot haar gerichte aanbevelingen. Op basis van deze informatie en eventuele aanvullende informatie stelt het secretariaat van het Comité conclusies op over de uitvoering van de aanbevelingen met betrekking tot elke geëvalueerde partij, die door het Comité van de Partijen worden aangenomen.
2.4.Verkiezing van leden van GREVIO
Overeenkomstig artikel 66 van het verdrag bestaat GREVIO uit 15 leden. Haar leden worden, voor een termijn van vier jaar die eenmaal kan worden verlengd, gekozen door het Comité van de Partijen uit door de partijen voorgestelde kandidaten. De leden van GREVIO worden gekozen uit onderdanen van de partijen, waarbij rekening wordt gehouden met het evenwicht tussen mannen en vrouwen en de geografische spreiding, alsmede met multidisciplinaire deskundigheid.
Overeenkomstig het Verdrag van Istanbul moet het Comité van Ministers van de Raad van Europa de procedure voor de verkiezing van de leden van GREVIO vaststellen. Op 19 november 2014 heeft het Comité van Ministers Resolutie CM/Res(2014) 43 aangenomen over de regels voor de verkiezing van de leden van de Groep van deskundigen inzake actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (GREVIO) (resolutie van het Comité van Ministers). GREVIO heeft in 2015 haar eigen reglement van orde vastgesteld.
Tijdens de vergadering van het Comité op 2 juni 2026 zullen naar verwachting vijf nieuwe leden van GREVIO worden gekozen. Zij zullen deze functie bekleden van 1 september 2026 tot en met 31 augustus 2030. De verkiezingen verlopen in meerdere rondes. Elke partij, met inbegrip van de EU, kan per stemronde een aantal stemmen uitbrengen dat gelijk is aan het aantal zetels van GREVIO dat nog niet is bezet. In de eerste stemronde kan elke partij dus vijf stemmen uitbrengen. Indien in die stemronde één lid wordt gekozen, kan elke partij vier stemmen uitbrengen in de tweede stemronde, enzovoort. De stemrondes gaan door totdat er vijf leden van GREVIO zijn gekozen met een meerderheid van de uitgebrachte geldige stemmen.
Op 21 april 2026 heeft het secretariaat van het Comité in document IC-CP(2026)2 de namen en curricula vitae van de door de partijen voorgedragen kandidaten voor de verkiezingen op 2 juni 2026 gedeeld. Uit het document blijkt dat 13 partijen in totaal 15 kandidaten hebben voorgedragen voor de 5 beschikbare plaatsen. Van de 13 landen die een kandidaat voordragen, zijn er 11 EU-lidstaten.
3.De beoogde handelingen die door het Comité van de Partijen moeten worden vastgesteld
3.1.De negen ontwerpconclusies
Naar verwachting zal het Comité tijdens zijn 20e vergadering op 2 juni 2026 de volgende negen ontwerpconclusies aannemen (de “ontwerpconclusies”):
1)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Bosnië en Herzegovina, vervat in document IC-CP(2026)4 prov.
2)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Cyprus, vervat in document IC-CP(2026)5 prov.
3)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Estland, vervat in document IC-CP(2026)6 prov.
4)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Georgië, vervat in document IC-CP(2026)7 prov.
5)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Duitsland, vervat in document IC-CP(2026)8 prov.
6)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van IJsland, vervat in document IC-CP(2026)9 prov.
7)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Noorwegen, vervat in document IC-CP(2026)10 prov.
8)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Roemenië, vervat in document IC-CP(2026)11 prov.
9)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Zwitserland, vervat in document IC-CP(2026)12 prov.
3.2.De beoogde verkiezing van vijf leden van GREVIO
Op 2 juni 2026, tijdens zijn 20e vergadering, zal het Comité van de Partijen naar verwachting vijf leden van GREVIO kiezen, die deze functie van 1 september 2026 tot en met 31 augustus 2030 zullen bekleden.
3.3.De beoogde negen ontwerpconclusies van het Comité van de Partijen
De ontwerpconclusies betreffen de uitvoering van bepalingen van het verdrag die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken, zoals aangelegenheden in verband met de bescherming en ondersteuning van slachtoffers van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, alsook de uitvoering van de bepalingen die verband houden met asiel en non-refoulement. Deze aangelegenheden vallen onder het acquis van de Unie, en met name de richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, de richtlijn slachtofferrechten, de verordening asielnormen, de verordening asielprocedures, de richtlijn opvangvoorzieningen en de gezinsherenigingsrichtlijn. Zij vallen onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie voor zover de desbetreffende bepalingen van het verdrag gemeenschappelijke regels kunnen aantasten of de strekking daarvan kunnen wijzigen in de zin van artikel 3, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Aangezien de beoogde handelingen beslissende invloed kunnen hebben op de inhoud van het Unierecht, in de zin dat ze in de toekomst gevolgen kunnen hebben voor de uitlegging van de relevante bepalingen van het verdrag, is het passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Comité van de Partijen met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non‑refoulement.
De ontwerpconclusies over aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de Unie vallen, zijn in overeenstemming met de doelstellingen, het beleid en het rechtskader van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non‑refoulement en geven geen aanleiding tot bezorgdheid met betrekking tot het Unierecht. Daarom wordt voorgesteld dat de Unie tijdens de 20e vergadering van het Comité van de Partijen geen bezwaar maakt tegen de aanneming van de ontwerpconclusies.
3.4.De beoogde verkiezing van vijf leden van GREVIO
Als lid van het Comité van de Partijen heeft de EU vijf stemmen bij de aanstaande verkiezing van vijf GREVIO-leden tijdens de vergadering van het Comité op 2 juni 2026. De leden worden door het Comité van de Partijen gekozen uit de 15 kandidaten die door 13 partijen zijn voorgedragen.
Van de 13 partijen die een kandidaat voordragen zijn er 11 EU-lidstaten. Alle voorgedragen kandidaten beschikken over uitgebreide multidisciplinaire ervaring op het gebied van de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, zoals uiteengezet in document IC-CP(2026) 2. Voorgesteld wordt dat de EU zich bij de verkiezingen van stemming onthoudt.
4.Rechtsgrondslag
4.1.Procedurele rechtsgrondslag
4.1.1.Beginselen
Artikel 218, lid 9, VWEU voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”. Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen ook instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt”.
4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval
Het Comité van de Partijen is een lichaam dat is opgericht bij het Verdrag van Istanbul. De door het Comité van de Partijen aan te nemen beoogde conclusies, alsook het besluit dat de EU zich van stemming onthoudt bij de verkiezing van GREVIO-leden, vormen handelingen met rechtsgevolgen. De beoogde handelingen kunnen een beslissende invloed hebben op de inhoud van het Unierecht, aangezien ze in de toekomst gevolgen kunnen hebben voor de uitlegging van de relevante bepalingen van het Verdrag van Istanbul. De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is daarom artikel 218, lid 9, VWEU.
4.2.Materiële rechtsgrondslag
4.2.1.Beginselen
De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling waarover namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. Als de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of hoofdcomponent, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is voor de hoofddoelstelling of de hoofdcomponent dan wel de belangrijkste doelstelling of component.
Als een beoogde handeling tegelijkertijd meerdere onlosmakelijk met elkaar verbonden doelstellingen of componenten heeft, zonder dat de ene ondergeschikt is aan de andere, moet een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit bij wijze van uitzondering de verschillende desbetreffende rechtsgrondslagen als materiële rechtsgrondslag hebben.
4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval
Wat de materiële rechtsgrondslag betreft: de EU is tot het Verdrag van Istanbul toegetreden voor aangelegenheden die onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, namelijk aangelegenheden die verband houden met de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie en aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non‑refoulement. De toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul is opgesplitst in twee afzonderlijke besluiten van de Raad om rekening te houden met de bijzondere positie van Denemarken en Ierland met betrekking tot titel V VWEU. Wanneer de desbetreffende conclusies betrekking hebben op beide aangelegenheden, moet dus ook het besluit tot bepaling van het namens de Unie in het Comité van de Partijen in te nemen standpunt in twee besluiten worden opgesplitst.
Met de beoogde bepalingen worden doelstellingen nagestreefd en zij omvatten componenten op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken (artikel 82, lid 2, en artikel 84 VWEU) en asiel en non-refoulement (artikel 78, lid 2, VWEU). Deze elementen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zonder dat het ene ondergeschikt is aan het andere. Het voorgestelde besluit heeft derhalve de volgende artikelen als materiële rechtsgrondslag: artikel 78, lid 2, artikel 82, lid 2, en artikel 84 VWEU.
4.3.Conclusie
De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 78, lid 2, artikel 82, lid 2, en artikel 84, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.
2026/0116 (NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Comité van de Partijen bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, tijdens zijn 20e vergadering, over tot bepaalde partijen gerichte conclusies over hun uitvoering van dat verdrag en over de verkiezing van leden van de Groep van deskundigen inzake actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 78, lid 2, artikel 82, lid 2, en artikel 84, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het “verdrag”) werd door de Unie gesloten bij Besluit (EU) 2023/1075 van de Raad met betrekking tot de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie, en bij Besluit (EU) 2023/1076 van de Raad met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement, voor zover die aangelegenheden onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen, en het verdrag is voor de Unie op 1 oktober 2023 in werking getreden.
(2)Op grond van artikel 66, lid 1, van het verdrag moet de Groep van deskundigen inzake actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Group of experts on action against violence against women and domestic violence – “GREVIO”) toezien op de uitvoering van het verdrag door de partijen daarbij (de “partijen”). Overeenkomstig artikel 68, lid 11, van het verdrag neemt GREVIO haar rapport en conclusies aan betreffende de maatregelen die door de betrokken partij zijn genomen tot uitvoering van de bepalingen van het verdrag.
(3)Het Comité van de Partijen (het “Comité”) neemt aanbevelingen aan die gericht zijn tot de betrokken partij, overeenkomstig artikel 68, lid 12, van het verdrag, op basis van het rapport en de conclusies van GREVIO. Dergelijke aanbevelingen maken onderscheid tussen maatregelen die zo spoedig mogelijk moeten worden genomen, met de verplichting om binnen een periode van drie jaar daarover verslag aan het Comité uit te brengen, en maatregelen die weliswaar belangrijk zijn, maar niet even urgent. Na die periode van drie jaar moet de partij op tien specifieke gebieden van het verdrag verslag uitbrengen aan het Comité over de genomen maatregelen. Op basis van dat rapport en eventuele aanvullende informatie moet het Comité conclusies aannemen over de uitvoering van de door het secretariaat van het Comité opgestelde aanbevelingen.
(4)Het Comité zal tijdens zijn 20e vergadering op 2 juni 2026 naar verwachting de volgende ontwerpconclusies aannemen over de uitvoering van het verdrag door negen partijen (de “ontwerpconclusies”):
1)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Bosnië en Herzegovina, vervat in document IC-CP(2026)4 prov.
2)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Cyprus, vervat in document IC-CP(2026)5 prov.
3)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Estland, vervat in document IC-CP(2026)6 prov.
4)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Georgië, vervat in document IC-CP(2026)7 prov.
5)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Duitsland, vervat in document IC-CP(2026)8 prov.
6)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van IJsland, vervat in document IC-CP(2026)9 prov.
7)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Noorwegen, vervat in document IC-CP(2026)10 prov.
8)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Roemenië, vervat in document IC-CP(2026)11 prov.
9)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Zwitserland, vervat in document IC-CP(2026)12 prov.
(5)De ontwerpconclusies hebben betrekking op de uitvoering van de bepalingen van het verdrag die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken, zoals aangelegenheden in verband met de bescherming en ondersteuning van slachtoffers van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. De ontwerpconclusies betreffen ook de uitvoering van de bepalingen van het Verdrag die verband houden met asiel en non-refoulement. Die aangelegenheden vallen onder het acquis van de Unie, met name Richtlijn 2003/86/EG van de Raad, Richtlijnen 2012/29/EU, (EU) 2024/1346 en (EU) 2024/1385 van het Europees Parlement en de Raad, en de Verordeningen (EU) 2024/1347 en (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad.
(6)De beoogde handelingen zullen rechtsgevolgen hebben, aangezien zij een beslissende invloed kunnen hebben op de inhoud van het recht van de Unie, in de zin dat ze in de toekomst gevolgen kunnen hebben voor de uitlegging van de relevante bepalingen van het verdrag. Het is daarom passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie in het Comité moet worden ingenomen met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement.
(7)Opgemerkt moet worden dat conclusies met betrekking tot een aantal artikelen van het verdrag slechts gedeeltelijk onder de bevoegdheid van de Unie vallen. Wat die artikelen betreft, mag dit besluit geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de lidstaten. Met name wat de aanbevelingen over de artikelen 49 en 50 van het verdrag betreft, mag dit besluit geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de lidstaten inzake de interne organisatie en het beheer van hun rechtsstelsels, en wat de aanbevelingen over artikel 31 van het verdrag betreft, mag dit besluit geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van familierecht.
(8)Wat Bosnië en Herzegovina betreft, houden de ontwerpconclusies over de uitvoering van het verdrag onder meer in dat het nodig is dat het land: het beleid en de maatregelen ter uitvoering van het verdrag harmoniseert door ervoor te zorgen dat zij betrekking hebben op alle vormen van geweld tegen vrouwen en alle delen van het grondgebied van de staat en dat zij onafhankelijk worden gemonitord en geëvalueerd (artikel 7 van het verdrag); het aantal bestaande coördinerende organen stroomlijnt en zorgt voor voldoende financiële middelen (artikel 10 van het verdrag); inspanningen blijft leveren om systematische, vergelijkbare en uitgesplitste gegevens uit alle relevante bronnen te verzamelen (artikel 11 van het verdrag), ervoor zorgt dat spoedeisende locatieverboden snel worden uitgevaardigd in situaties waarin er sprake is van onmiddellijk gevaar en ook kunnen gelden ten aanzien van de kinderen van het slachtoffer, en dat er geen gaten vallen tussen bevelen (de artikelen 52 en 53 van het verdrag), en vrouwelijke migranten die het slachtoffer zijn van geweld dat onder het verdrag valt, de mogelijkheid geeft een autonome verblijfsvergunning aan te vragen (artikel 59 van het verdrag). Aangezien deze ontwerpconclusies in overeenstemming zijn met het beleid en de doelstellingen van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement en geen aanleiding geven tot bezorgdheid met betrekking tot het recht van de Unie, moet het standpunt van de Unie erin bestaan geen bezwaar te maken tegen de aanneming ervan.
(9)Wat Cyprus betreft, houden de ontwerpconclusies over de uitvoering van het verdrag onder meer in dat het nodig is dat het land: ervoor zorgt dat de bepalingen van het verdrag op niet-discriminerende wijze worden uitgevoerd (artikel 4 van het verdrag); inspanningen blijft leveren om systematische, vergelijkbare en uitgesplitste gegevens uit alle relevante bronnen te verzamelen (artikel 11 van het verdrag); de bevoegde autoriteiten in staat stelt een dader van huiselijk geweld uit de gedeelde verblijfplaats te zetten bij onmiddellijk gevaar en ervoor zorgt dat er toezicht wordt gehouden op dergelijke bevelen en dat ze worden gehandhaafd, en dat sancties bij niet-nakoming doeltreffend worden toegepast in de praktijk (de artikelen 52 en 53 van het verdrag), en richtsnoeren ontwikkelt en gebruikt over genderbewuste opvangprocedures en over het voorkomen van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en meisjes in asielaccommodaties (artikel 60 van het verdrag). Aangezien deze ontwerpconclusies in overeenstemming zijn met het beleid en de doelstellingen van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement en geen aanleiding geven tot bezorgdheid met betrekking tot het recht van de Unie, moet het standpunt van de Unie erin bestaan geen bezwaar te maken tegen de aanneming ervan.
(10)Wat Estland betreft, houden de ontwerpconclusies over de uitvoering van het verdrag onder meer in dat het nodig is dat het land: ervoor zorgt dat de relevante beleidslijnen en maatregelen alle onder het verdrag vallende vormen van geweld tegen vrouwen aanpakken en worden uitgevoerd op basis van een gendergerelateerd begrip van geweld, en dat de impact ervan wordt geëvalueerd (artikel 7 van het verdrag); ervoor zorgt dat terdege rekening wordt gehouden met de veiligheid van vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld en hun kinderen bij procedures voor voogdij- en bezoekregelingen (artikel 31 van het verdrag), en ervoor zorgt dat het rechtskader en de praktijk met betrekking tot spoedeisende locatieverboden in overeenstemming zijn met het verdrag (artikel 52 van het verdrag). Aangezien deze ontwerpconclusies in overeenstemming zijn met het beleid en de doelstellingen van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken en geen aanleiding geven tot bezorgdheid met betrekking tot het recht van de Unie, moet het standpunt van de Unie erin bestaan geen bezwaar te maken tegen de aanneming ervan.
(11)Wat Georgië betreft, houden de ontwerpconclusies over de uitvoering van het verdrag onder meer in dat het nodig is dat het land: ervoor zorgt dat bij alle relevante beleidslijnen en maatregelen rekening wordt gehouden met het genderperspectief op geweld en dat het effect ervan systematisch wordt geëvalueerd (artikel 7 van het verdrag); ervoor zorgt dat vrouwenrechtenorganisaties adequate en duurzame financiering krijgen en regelmatig worden geraadpleegd (artikel 9 van het verdrag); ervoor zorgt dat er geïnstitutionaliseerde structuren zijn voor coördinatie en samenwerking tussen de betrokken actoren om te zorgen voor een gecoördineerde respons van meerdere instanties op alle vormen van geweld die onder het verdrag vallen (artikel 18 van het verdrag); het aantal en de capaciteit van opvangplaatsen uitbreidt en ervoor zorgt dat er opvangplaatsen voor personen van hetzelfde geslacht bestaan (artikel 23 van het verdrag) en ervoor zorgt dat strafrechtelijke aansprakelijkheid voor verkrachting kan worden vastgesteld zonder onnodige procedures of praktijken die kunnen leiden tot de hertraumatisering van slachtoffers (de artikelen 49 en 50 van het verdrag). Aangezien deze ontwerpconclusies in overeenstemming zijn met het beleid en de doelstellingen van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken en geen aanleiding geven tot bezorgdheid met betrekking tot het recht van de Unie, moet het standpunt van de Unie erin bestaan geen bezwaar te maken tegen de aanneming ervan.
(12)Wat Duitsland betreft, houden de ontwerpconclusies over de uitvoering van het verdrag onder meer in dat het nodig is dat het land: landelijke wettelijke definities vaststelt die in overeenstemming zijn met het verdrag (artikel 3 van het verdrag); zorgt voor coördinatie en samenwerking tussen alle relevante actoren bij de uitvoering van beleid en maatregelen ter voorkoming en bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en zorgt voor een gecoördineerde respons van meerdere instanties zonder discriminatie (artikel 7 van het verdrag), en ervoor zorgt dat alle relevante sectoren uitgesplitste gegevens verzamelen (artikel 11 van het verdrag). Aangezien deze ontwerpconclusies in overeenstemming zijn met het beleid en de doelstellingen van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken en geen aanleiding geven tot bezorgdheid met betrekking tot het recht van de Unie, moet het standpunt van de Unie erin bestaan geen bezwaar te maken tegen de aanneming ervan.
(13)Wat IJsland betreft, houden de ontwerpconclusies over de uitvoering van het verdrag onder meer in dat het nodig is dat het land: ervoor zorgt dat het nationale coördinerende orgaan een duidelijk mandaat krijgt om zijn taken te kunnen vervullen en daarvoor de specifieke middelen krijgt (artikel 10 van het verdrag), en de vervolgings- en onderzoekscapaciteit met betrekking tot alle vormen van geweld tegen vrouwen versterkt en zorgt voor systematische en genderbewuste risico-inventarisatie (de artikelen 49, 50 en 51 van het verdrag). Aangezien deze ontwerpconclusies in overeenstemming zijn met het beleid en de doelstellingen van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken en geen aanleiding geven tot bezorgdheid met betrekking tot het recht van de Unie, moet het standpunt van de Unie erin bestaan geen bezwaar te maken tegen de aanneming ervan.
(14)Wat Noorwegen betreft, houden de ontwerpconclusies over de uitvoering van het verdrag onder meer in dat het nodig is dat het land: ervoor zorgt dat nationale beleidsdocumenten goed worden gecoördineerd en een holistisch antwoord bieden op alle vormen van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (artikel 7 van het verdrag); ervoor zorgt dat de door belanghebbenden verzamelde gegevens worden uitgesplitst (artikel 11 van het verdrag), en maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten een pleger van huiselijk geweld bij onmiddellijk gevaar kunnen bevelen de woning van het slachtoffer te verlaten, en dat bevelen sneller verwerkt kunnen worden (artikel 52 van het verdrag). Aangezien deze ontwerpconclusies in overeenstemming zijn met het beleid en de doelstellingen van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken en geen aanleiding geven tot bezorgdheid met betrekking tot het recht van de Unie, moet het standpunt van de Unie erin bestaan geen bezwaar te maken tegen de aanneming ervan.
(15)Wat Roemenië betreft, houden de ontwerpconclusies over de uitvoering van het verdrag onder meer in dat het nodig is dat het land: de toepassing van het verdrag op alle vormen van geweld die onder het verdrag vallen, verbetert, ervoor zorgt dat de bepalingen van het verdrag op niet-discriminerende wijze worden uitgevoerd, maatregelen neemt om de desbetreffende wetgeving in overeenstemming te brengen met de definitie van huiselijk geweld, en een genderperspectief integreert in de Roemeense wet inzake huiselijk geweld (de artikelen 3 en 4 van het verdrag); zorgt voor coördinatie en samenwerking tussen alle relevante actoren bij de uitvoering van beleid en maatregelen ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (artikel 7 van het verdrag); zorgt voor passende financiële middelen voor de uitvoering van relevante beleidslijnen en maatregelen en stabiele en duurzame financiering voor vrouwenrechtenorganisaties die slachtoffers ondersteunen (artikel 8 van het verdrag), en zorgt voor de verzameling van uitgesplitste gegevens (artikel 11 van het verdrag). Aangezien deze ontwerpconclusies in overeenstemming zijn met het beleid en de doelstellingen van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken en geen aanleiding geven tot bezorgdheid met betrekking tot het recht van de Unie, moet het standpunt van de Unie erin bestaan geen bezwaar te maken tegen de aanneming ervan.
(16)Wat Zwitserland betreft, houden de ontwerpconclusies over de uitvoering van het verdrag onder meer in dat het nodig is dat het land: zorgt voor een gemeenschappelijk begrip van geweld tegen vrouwen in overeenstemming met het verdrag en inspanningen levert om geweld tegen slachtoffers van intersectionele discriminatie aan te pakken en te bestrijden (de artikelen 3 en 4 van het verdrag); zorgt voor passende financiering voor relevante beleidslijnen en maatregelen en duurzame financiering voor organisaties die gespecialiseerde ondersteuning verlenen aan vrouwelijke slachtoffers van geweld (artikel 8 van het verdrag); de inspanningen voortzet om de verzameling van uitgesplitste gegevens in de strafrechtsector te verbeteren (artikel 11 van het verdrag); ervoor zorgt dat slachtoffers en hun kinderen toegang hebben tot gespecialiseerde opvangplaatsen in het hele land (de artikelen 22 en 23 van het verdrag), en de veiligheid van slachtoffers en hun kinderen bij de uitoefening van bezoekrechten waarborgt (artikel 31 van het verdrag). Aangezien deze ontwerpconclusies in overeenstemming zijn met het beleid en de doelstellingen van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken en geen aanleiding geven tot bezorgdheid met betrekking tot het recht van de Unie, moet het standpunt van de Unie erin bestaan geen bezwaar te maken tegen de aanneming ervan.
(17)Tijdens de vergadering van het Comité op 2 juni 2026 zullen naar verwachting vijf leden van GREVIO worden gekozen. Zij zullen deze functie bekleden van 1 september 2026 tot en met 31 augustus 2030. Overeenkomstig artikel 66 van het verdrag bestaat GREVIO uit 15 leden. Haar leden moeten, voor een termijn van vier jaar die eenmaal kan worden verlengd, door het Comité uit door de partijen voorgestelde kandidaten worden gekozen. De leden van GREVIO moeten worden gekozen uit onderdanen van de partijen, waarbij rekening wordt gehouden met het evenwicht tussen mannen en vrouwen en de geografische spreiding, alsmede met multidisciplinaire deskundigheid.
(18)Als lid van het Comité heeft de Unie recht op vijf stemmen bij de voorgenomen verkiezing van vijf leden. De vijf leden moeten door het Comité worden gekozen uit de 15 kandidaten die door 13 partijen zijn voorgedragen. Van de 13 landen die een kandidaat voordragen, zijn er 11 EU-lidstaten. Aangezien alle voorgedragen kandidaten beschikken over uitgebreide multidisciplinaire ervaring op het gebied van de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, zoals uiteengezet in document IC-CP(2026) 2, moet het standpunt van de EU zijn dat ze zich onthoudt van stemming bij deze verkiezingen.
(19)Ierland is niet gebonden door Besluit (EU) 2023/1076 van de Raad en neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van dit besluit.
(20)Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van dit besluit en is dit niet bindend voor, noch van toepassing op Denemarken,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het namens de Unie in het bij artikel 67 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld opgerichte Comité van de Partijen, tijdens de 20e vergadering van dat comité, in te nemen standpunt houdt in:
1) dat geen bezwaar wordt gemaakt tegen de aanneming van de volgende handelingen:
1)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Bosnië en Herzegovina, vervat in document IC-CP(2026)4 prov.
2)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Cyprus, vervat in document IC-CP(2026)5 prov.
3)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Estland, vervat in document IC-CP(2026)6 prov.
4)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Georgië, vervat in document IC-CP(2026)7 prov.
5)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Duitsland, vervat in document IC-CP(2026)8 prov.
6)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van IJsland, vervat in document IC-CP(2026)9 prov.
7)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Noorwegen, vervat in document IC-CP(2026)10 prov.
8)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Roemenië, vervat in document IC-CP(2026)11 prov.
9)Conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Zwitserland, vervat in document IC-CP(2026)12 prov.
2) dat de Unie zich onthoudt van stemming bij de verkiezingen van vijf leden van de Groep van deskundigen inzake actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.
Artikel 2
Dit besluit wordt van kracht op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De voorzitter