EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 19.2.2026
COM(2026) 88 final
2026/0054(NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen op de vijftiende vergadering van de Conferentie der partijen bij het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten ten aanzien van voorstellen van verschillende partijen om de bijlagen bij dat Verdrag te wijzigen
TOELICHTING
1.Onderwerp van het voorstel
Dit voorstel betreft het besluit tot bepaling van het standpunt dat op de vijftiende vergadering van de Conferentie der partijen bij het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten (“het Verdrag”) namens de Unie moet worden ingenomen in verband met de voorgenomen vaststelling van besluiten tot wijziging van de bijlagen bij het Verdrag.
2.Achtergrond van het voorstel
2.1.Het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten
Het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten beoogt de instandhouding van trekvogelsoorten en trekkende terrestrische en mariene diersoorten in hun hele verspreidingsgebied. Het is een intergouvernementeel verdrag dat tot stand is gekomen onder auspiciën van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties en gericht is op de wereldwijde bescherming van wilde diersoorten en natuurlijke habitats. De trekkende diersoorten waarvan het behoud wordt beoogd, worden vermeld in bijlage I (bedreigde soorten) en bijlage II (soorten waarover overeenkomsten dienen te worden gesloten) bij het Verdrag. Het verdrag is op 1 november 1983 in werking getreden.
De Europese Unie is partij bij het verdrag. Alle lidstaten zijn partij bij het verdrag.
2.2.De Conferentie der partijen
De Conferentie der partijen is het belangrijkste besluitvormingsorgaan van het Verdrag. Artikel VII van het Verdrag geeft een opsomming van de taken van dit orgaan, dat onder meer bevoegd is om de mate en aard van de bescherming van trekkende soorten te beoordelen en in het licht van deze beoordeling de bijlagen I en II bij het Verdrag te wijzigen. De besluiten van de Conferentie der partijen worden genomen met een meerderheid van twee derde van de aanwezige en stemuitbrengende partijen, tenzij door het Verdrag anders is bepaald.
De vijftiende vergadering van de Conferentie der partijen zal van 23 tot en met 29 maart 2026 in Campogrande (Brazilië) plaatsvinden.
2.3.De beoogde handeling van de Conferentie der partijen
De Conferentie der partijen zal op haar vijftiende vergadering besluiten aannemen tot wijziging van de bijlagen bij het Verdrag (“de beoogde handelingen”).
De beoogde handelingen strekken ertoe de bijlagen I en II bij het Verdrag te wijzigen overeenkomstig artikel XI van het Verdrag.
Krachtens artikel III van het Verdrag worden in bijlage I bij het Verdrag de bedreigde trekkende soorten vermeld en moeten de partijen die staten zijn die deel uitmaken van het verspreidingsgebied van de betrokken soort verscheidene instandhoudingsmaatregelen nemen en het onttrekken van dieren aan de populatie van deze soorten verbieden.
In artikel IV van het Verdrag is bepaald dat in bijlage II de trekkende soorten moeten worden vermeld waarvan de mate en aard van de bescherming niet gunstig is en waarvoor, in verband met het behoud en het beheer ervan, internationale overeenkomsten moeten worden gesloten, alsmede de trekkende soorten waarvan de mate en de aard van de bescherming aanzienlijk gebaat zouden zijn bij de internationale samenwerking die uit een internationale overeenkomst zou voortvloeien.
Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan een trekkende soort zowel in bijlage I als in bijlage II worden opgenomen.
Krachtens artikel XI van het Verdrag kan iedere partij voorstellen tot wijziging indienen. Een wijziging van de bijlagen wordt negentig dagen na de vergadering van de Conferentie der partijen waarop zij is aangenomen voor alle partijen van kracht, behalve voor de partijen die een voorbehoud maken.
3.Namens de Unie in te nemen standpunt
Met betrekking tot de vijftiende vergadering van de Conferentie der partijen bij het Verdrag heeft de Unie geen wijzigingen van de bijlagen bij het Verdrag voorgesteld.
Andere partijen bij het Verdrag hebben voorstellen ingediend om bijlage I te wijzigen en de volgende soorten en ondersoorten in de bijlage op te nemen: Acinonyx jubatus (populaties in Zimbabwe, Botswana en Namibië), Hyaena hyaena, Pteronura brasiliensis, Pterodroma baraui, Pterodroma cervicalis occulta, Pterodroma hasitata, Pterodroma madeira, Pterodroma magentae, Pterodroma incerta, Pseudobulweria macgillivrayi, Pseudobulweria aterrima, Pseudobulweria becki, Numenius phaeopus hudsonicus, Limosa haemastica, Tringa flavipes, Alopias pelagicus, Alopias superciliosus, Alopias vulpinus, Sphyrna lewini, Sphyrna mokarran.
Eén partij bij de overeenkomst, Oezbekistan, heeft een voorstel tot wijziging van bijlage I ingediend om de volgende soort van de lijst in deze bijlage af te voeren (met behoud van de vermelding ervan in bijlage II): Cervus elaphus yarkandensis.
Andere partijen bij het Verdrag hebben voorstellen ingediend om bijlage II te wijzigen en de volgende soorten in de bijlage op te nemen: Acinonyx jubatus (populaties in Zimbabwe, Botswana en Namibië), Hyaena hyaena, Pteronura brasiliensis, Pterodroma leucoptera (populaties in Australië en Nieuw-Caledonië), Pterodroma brevipes, Pterodroma defilippiana, Pterodroma longirostris, Pterodroma cookii cookii, Pterodroma cookii orientalis, Pterodroma pycrofti, Pterodroma axillaris, Pterodroma neglecta juana, Pterodroma arminjoniana, Pterodroma alba, Pterodroma cervicalis cervicalis, Pterodroma externa, Pterodroma feae, Pterodroma deserta, Ardenna carneipes, Pseudobulweria rostrata, Bubo scandiacus, Sporophila iberaensis, Mustelus schmitti, Squatina guggenheim, Pseudoplatystoma corruscans.
Bijgevolg moet de Raad een besluit nemen met het oog op de vaststelling van het standpunt dat op de vijftiende vergadering van de Conferentie der partijen namens de Unie moet worden ingenomen ten aanzien van alle wijzigingsvoorstellen.
De Unie moet alle bovenvermelde voorstellen steunen, met één uitzondering voor de soort Cervus elaphus yarkandensis, omdat ze wetenschappelijk gefundeerd zijn en stroken met de verbintenis van de Unie om internationaal samen te werken ter bescherming van de biodiversiteit, onder meer door na te denken over de vraag op welke wijze wetenschappelijke informatie over biologische kenmerken en biologische referentiepunten van de visserij het best kan worden ingezet.
Het toevoegen van deze soorten aan bijlage I of II bij het Verdrag of het afvoeren van de soort Cervus elaphus yarkandensis van de lijst in bijlage I, zoals voorgesteld, zou geen wijziging van het recht van de Unie vereisen.
De zoogdieren Acinonyx jubatus en Hyaena hyaena komen niet voor in de Unie. De toevoeging van deze soorten aan de bijlagen I en II moet worden gesteund.
Pteronura brasiliensis komt in de Unie alleen voor in Frans-Guyana, waar de natuurwetgeving van de Unie niet van toepassing is. De toevoeging van deze soort aan de bijlagen I en II bij het verdrag moet worden gesteund.
Met betrekking tot het zoogdier Cervus elaphus yarkandensis heeft de Wetenschappelijke Raad van het Verdrag tijdens zijn achtste zitting in december 2025 gewezen op het gebrek aan duidelijkheid over de taxonomische reikwijdte van het voorstel en de behoefte aan meer gegevens over populatieaantallen. Bijgevolg is er momenteel onvoldoende informatie om een standpunt ten aanzien van deze soort vast te stellen. Het definitieve standpunt van de EU over het afvoeren van deze soort van de lijst in bijlage I is derhalve afhankelijk van de indiening en bestudering van nieuwe wetenschappelijke of technische informatie vóór of tijdens de Conferentie der partijen, en wordt vastgesteld overeenkomstig de criteria van artikel III, lid 3, van het Verdrag.
De vogelsoorten Pterodroma cervicalis occulta, Pterodroma hasitata, Pterodroma magentae, Pterodroma incerta, Pseudobulweria macgillivrayi, Pseudobulweria becki, Pterodroma leucoptera (populaties in Australië en Nieuw-Caledonië), Pterodroma brevipes, Pterodroma defilippiana, Pterodroma longirostris, Pterodroma cookii cookii, Pterodroma cookii orientalis, Pterodroma pycrofti, Pterodroma axillaris, Pterodroma neglecta juana, Pterodroma arminjoniana, Pterodroma alba, Pterodroma cervicalis cervicalis, Pterodroma externa, Ardenna carneipes, Pseudobulweria rostrata, Numenius phaeopus hudsonicus, Limosa haemastica, Tringa flavipes en Sporophila iberaensis komen niet voor op het Europese grondgebied, waarop Richtlijn 2009/147/EG van toepassing is. De toevoeging van deze soorten aan bijlage I of II bij het Verdrag vereist derhalve geen aanpassing van het recht van de Unie.
De vogelsoorten Pterodroma madeira, Pterodroma feae, Pterodroma deserta en Bubo scandiacus vallen reeds onder de vogelrichtlijn van de EU. De opname van deze soorten in bijlage I of II bij het Verdrag moet worden gesteund.
De vissoorten Alopias pelagicus, Alopias superciliosus en Alopias vulpinus zijn strikt beschermd op grond van de verordening tot vaststelling van de vangstmogelijkheden van 2025. Zij zijn ook beschermd op grond van de verordening technische maatregelen. De verordening technische maatregelen biedt ook het noodzakelijke beschermingsniveau voor de vissoorten Sphyrna lewini en Sphyrna mokarran. De opname van deze soorten in bijlage I of II bij het Verdrag moet worden gesteund.
De vissoorten Mustelus schmitti, Squatina guggenheim en Pseudoplatystoma corruscans komen niet voor in de Unie. De opname van deze soorten in bijlage I of II bij het Verdrag moet worden gesteund.
4.Rechtsgrondslag
4.1.Procedurele rechtsgrondslag
4.1.1.Beginselen
Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.
Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt”.
4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval
De Conferentie der partijen is een lichaam dat is opgericht krachtens een overeenkomst, te weten het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten.
De door de Conferentie der partijen vast te stellen handelingen zijn handelingen met rechtsgevolgen. De beoogde handelingen zullen overeenkomstig artikel XI van het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten volkenrechtelijk bindend zijn.
De beoogde handelingen strekken niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het Verdrag.
De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.
4.2.Materiële rechtsgrondslag
4.2.1.Beginselen
De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of overwegende component, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is voor de hoofddoelstelling of de hoofdcomponent dan wel de belangrijkste doelstelling of component.
4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval
De doelstelling en de inhoud van de beoogde handelingen hebben in de eerste plaats betrekking op de bescherming van het milieu.
De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 192, lid 1, VWEU.
4.3.Conclusie
De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 192, lid 1, VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.
5.Bekendmaking van de beoogde handeling
Aangezien de handelingen van de Conferentie der partijen strekken tot wijziging van de bijlagen I en II bij het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten, is het passend die handelingen na de vaststelling ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend te maken.
2026/0054 (NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen op de vijftiende vergadering van de Conferentie der partijen bij het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten ten aanzien van voorstellen van verschillende partijen om de bijlagen bij dat Verdrag te wijzigen
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten (het “Verdrag”) is door de Unie bij Besluit 82/461/EEG van de Raad gesloten en is op 1 november 1983 in werking getreden.
(2)Krachtens artikel XI van het Verdrag kan de Conferentie der partijen bij het Verdrag (de “Conferentie der partijen”) besluiten vaststellen om de bijlagen bij het Verdrag te wijzigen.
(3)De Conferentie der partijen zal tijdens haar vijftiende vergadering in maart 2026 besluiten vaststellen tot wijziging van de bijlagen bij het verdrag met betrekking tot voorstellen betreffende i) de opname in bijlage I bij het Verdrag van Acinonyx jubatus (populaties in Zimbabwe, Botswana en Namibië), Hyaena hyaena, Pteronura brasiliensis, Pterodroma baraui, Pterodroma cervicalis occulta, Pterodroma hasitata, Pterodroma madeira, Pterodroma magentae, Pterodroma incerta, Pseudobulweria macgillivrayi, Pseudobulweria aterrima, Pseudobulweria becki, Numenius phaeopus hudsonicus, Limosa haemastica, Tringa flavipes, Alopias pelagicus, Alopias superciliosus, Alopias vulpinus, Sphyrna lewini, Sphyrna mokarran; ii) het afvoeren van Cervus elaphus yarkandensis van de lijst in bijlage I bij het Verdrag (met behoud van de vermelding ervan in bijlage II), en iii) de opname in bijlage II bij het Verdrag van Acinonyx jubatus (populaties in Zimbabwe, Botswana en Namibië), , Hyaena hyaena, Pteronura brasiliensis, Pterodroma leucoptera (populaties in Australië en Nieuw-Caledonië), Pterodroma brevipes, Pterodroma defilippiana, Pterodroma longirostris, Pterodroma cookii cookii, Pterodroma cookii orientalis, Pterodroma pycrofti, Pterodroma axillaris, Pterodroma neglecta juana, Pterodroma arminjoniana, Pterodroma alba, Pterodroma cervicalis cervicalis, Pterodroma externa, Pterodroma feae, Pterodroma deserta, Ardenna carneipes, Pseudobulweria rostrata, Bubo scandiacus, Sporophila iberaensis, Mustelus schmitti, Squatina guggenheim, Pseudoplatystoma corruscans.
(4)De beoogde handelingen van de Conferentie der partijen zullen voor de Unie rechtsgevolgen hebben uit hoofde van het internationaal recht.
(5)De Unie moet alle bovenvermelde voorstellen steunen, met één uitzondering voor de soort Cervus elaphus yarkandensis, omdat ze wetenschappelijk gefundeerd zijn en stroken met de verbintenis van de Unie om overeenkomstig artikel 5 van het VN-verdrag inzake biologische diversiteit internationaal samen te werken ter bescherming van de biodiversiteit, en met de in de Conferentie der partijen bij dat verdrag genomen besluiten,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Op de vijftiende vergadering van de Conferentie der partijen wordt namens de Unie het volgende standpunt ingenomen:
(1)de opname van de volgende soorten en ondersoorten in bijlage I wordt gesteund:
(1)populaties in Zimbabwe, Botswana en Namibië van Acinonyx jubatus
(2)Hyaena hyaena
(3)Pteronura brasiliensis
(4)Pterodroma baraui
(5)Pterodroma cervicalis occulta
(6)Pterodroma hasitata
(7)Pterodroma madeira
(8)Pterodroma magentae
(9)Pterodroma incerta
(10)Pseudobulweria macgillivrayi
(11)Pseudobulweria aterrima
(12)Pseudobulweria becki
(13)Numenius phaeopus hudsonicus
(14)Limosa haemastica
(15)Tringa flavipes
(16)Alopias pelagicus
(17)Alopias superciliosus
(18)Alopias vulpinus
(19)Sphyrna lewini
(20)Sphyrna mokarran
(2)het definitieve standpunt over het afvoeren van de lijst in bijlage I van de volgende soort wordt afhankelijk gesteld van de beschikbaarheid van aanvullende informatie en/of wijzigingen van het voorstel aan de hand waarvan kan worden bepaald of aan de criteria van artikel III, lid 3, van het Verdrag is voldaan:
(1)Cervus elaphus yarkandensis
(3)de opname van de volgende soorten in bijlage II wordt gesteund:
(1)populaties in Zimbabwe, Botswana en Namibië van Acinonyx jubatus
(2)Hyaena hyaena
(3)Pteronura brasiliensis
(4)populaties in Australië en Nieuw-Caledonië van Pterodroma leucoptera
(5)Pterodroma brevipes
(6)Pterodroma defilippiana
(7)Pterodroma longirostris
(8)Pterodroma cookii cookii
(9)Pterodroma cookii orientalis
(10)Pterodroma pycrofti
(11)Pterodroma axillaris
(12)Pterodroma neglecta juana
(13)Pterodroma arminjoniana
(14)Pterodroma alba
(15)Pterodroma cervicalis cervicalis
(16)Pterodroma externa
(17)Pterodroma feae
(18)Pterodroma deserta
(19)Ardenna carneipes
(20)Pseudobulweria rostrata
(21)Bubo scandiacus
(22)Sporophila iberaensis
(23)Mustelus schmitti
(24)Squatina guggenheim
(25)Pseudoplatystoma corruscans
Artikel 2
Kleine technische wijzigingen van de in artikel 1 geformuleerde standpunten kunnen worden overeengekomen zonder nader besluit van de Raad.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De voorzitter