EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 21.1.2026
COM(2026) 16 final
2026/0013(COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
inzake digitale netwerken, tot wijziging van Verordening (EU) 2015/2120, Richtlijn 2002/58/EG en Beschikking 676/2002/EG en tot intrekking van Verordening (EU) 2018/1971, Richtlijn (EU) 2018/1972 en Besluit 243/2012/EU (verordening digitale netwerken)
(Voor de EER relevante tekst)
{SEC(2026) 14 final} - {SWD(2026) 13 final} - {SWD(2026) 14 final}
TOELICHTING
1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
•Motivering en doel van het voorstel
Zoals in het Europees beleidsprogramma voor het digitaal decennium wordt gesteld, is connectiviteit cruciaal voor de digitale transformatie, waarbij wordt gestreefd naar universele toegang tot gigabitbreedband en 5G in bevolkte gebieden uiterlijk in 2030. Robuuste, snelle en veilige netwerken maken de ontwikkeling van digitale vaardigheden, innovatie in het bedrijfsleven (artificiële intelligentie (AI), cloud) en essentiële e-overheidsdiensten/gezondheidsdiensten mogelijk. Ook dragen ze bij aan het dichten van de digitale kloof door inclusieve participatie en concurrentievermogen in de hele EU te waarborgen. Connectiviteit houdt meer in dan toegang alleen. Het vereist realtime gegevensuitwisseling, een factor die van vitaal belang is voor het vermogen van de EU om haar bredere digitale doelstellingen te verwezenlijken en een echt verbonden, welvarende samenleving te bevorderen.
Een modern en vereenvoudigd rechtskader dat de transitie van traditionele netwerken naar hoogwaardige 5G- en 6G-glasvezelnetwerken en cloudinfrastructuur, en dienstverlening op grotere schaal en grensoverschrijdende activiteiten stimuleert, is cruciaal. Dit kwam ook duidelijk naar voren in de resultaten van de verkennende raadpleging over de toekomst van de elektronischecommunicatiesector en zijn infrastructuur (2023), en later in het witboek van de Commissie “Tegemoetkomen aan de digitale-infrastructuurbehoeften van Europa” (2024), alsook in de reactie op het verzoek om input voor de verordening digitale netwerken (2025).
Uit daaropvolgende strategische analyses, waaronder de rapporten-Letta, -Draghi en -Niinistö, en de mededeling van de Commissie “Het EU-kompas voor concurrentievermogen” blijkt ook dat een geavanceerde digitale netwerkinfrastructuur cruciaal is voor het toekomstige concurrentievermogen van de economie van de EU en voor veiligheid en maatschappelijk welzijn. Eindgebruikers en belangrijke economische sectoren moeten absoluut kunnen beschikken over hoogwaardige, betrouwbare en veilige connectiviteit.
Tegelijkertijd werd in de rapporten-Letta en -Draghi benadrukt dat de eengemaakte markt voor elektronische communicatie versnipperd blijft en dat Europese exploitanten nog steeds tegen belemmeringen aanlopen wanneer zij grensoverschrijdend willen opereren of opschalen, waardoor hun vermogen om te investeren, innoveren en concurreren met evenknieën elders in de wereld wordt beperkt. Het huidige rechtskader (een richtlijn) heeft geleid tot nationale versnippering en is er dus niet in geslaagd een echte eengemaakte markt tot stand te brengen. Exploitanten krijgen te maken met uiteenlopende voorwaarden inzake algemene machtiging in de lidstaten en een lappendeken van nationale vereisten die grensoverschrijdende activiteiten ontmoedigen, de nalevingskosten verhogen en de invoering van nieuwe technologieën vertragen.
Door het toenemende belang van prestatie- en beveiligingsvereisten voor dergelijke diensten ondergaan digitale netwerken een technologische transformatie waarbij cloud- en edgecomputingvermogens integraal deel gaan uitmaken van de connectiviteitsinfrastructuur. De vaststelling van de verordening digitale netwerken, in combinatie met de herziening en evaluatie van het Europees wetboek voor elektronische communicatie en aanverwante rechtshandelingen, biedt een kans om het rechtskader te vereenvoudigen en verder te harmoniseren. Dit zal het concurrentievermogen en de veerkracht ten goede komen en bijdragen tot een meer geïntegreerde eengemaakte markt.
Satellietconnectiviteit ontpopt zicht tot een van de belangrijkste voorwaarden voor de strategische autonomie van de EU. Deze is essentieel voor betaalbare toegang tot breedbandinternet in afgelegen gebieden en voor de verlening van diensten op het gebied van veiligheid, crisisbeheersing, defensie en andere kritieke toepassingen. In het snel veranderende landschap van satelliettechnologie moet de EU haar strategische autonomie op het gebied van satellietcommunicatie, met inbegrip van netwerken en diensten, versterken om de veerkracht te waarborgen en te vergroten en tegelijkertijd bij te dragen tot de eengemaakte markt, hetgeen mogelijk is met geharmoniseerde voorwaarden voor satellietmachtigingen in de EU.
Tegelijkertijd moet er met satellietconnectiviteit voor worden gezorgd dat de Unie beter bestand is tegen schadelijke interferentie die gevolgen heeft voor wereldwijde satellietnavigatiesystemen (Global Navigation Satellite System — GNSS) zoals Galileo. De EU moet op concrete, uitvoerbare en operationele wijze kunnen reageren op veiligheidsdreigingen in verband met drones.
Met het oog op de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van de Unie op het gebied van consumentenwelzijn, industrieel concurrentievermogen, veiligheid en veerkracht, en milieuduurzaamheid, wordt met de verordening digitale netwerken beoogd alle marktdeelnemers aan te moedigen om te innoveren en te investeren in geavanceerde connectiviteit, en een ecosysteem van connectiviteits- en computinginfrastructuur te bevorderen dat de totstandbrenging van het AI-continent mogelijk maakt en de eengemaakte markt bevordert.
•Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
De verordening digitale netwerken zal in de plaats komen van bepaalde bestaande wetgevingsinstrumenten van de EU die het connectiviteitsecosysteem regelen: het Europees wetboek voor elektronische communicatie, de verordening tot oprichting van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (Berec), het programma voor het radiospectrumbeleid, delen van de verordening inzake open internet (OIR) en de richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie (Richtlijn 2002/58/EG). Met de samenvoeging van deze instrumenten in de verordening digitale netwerken — een verordening — wordt beoogd de regels te vereenvoudigen en beter op elkaar af te stemmen, zodat aanbieders op een echte eengemaakte markt kunnen opereren en innoveren. Aanbieders hebben behoefte aan vereenvoudigde en consistente regels inzake machtigingen (Europees wetboek voor elektronische communicatie), toegang tot vaste netwerken en spectrummiddelen (Europees wetboek voor elektronische communicatie, programma voor het radiospectrumbeleid) en een vereenvoudigde en geharmoniseerde reeks regels voor netwerken en diensten (Europees wetboek voor elektronische communicatie, verordening inzake open internet). Tot slot moeten governanceregelingen gunstige voorwaarden voor de eengemaakte markt bevorderen en mogelijk maken (Europees wetboek voor elektronische communicatie, Berec-verordening, programma voor het radiospectrumbeleid). Het voorstel vormt ook een aanvulling op de gigabitinfrastructuurverordening, die een kader biedt voor de bevordering van een snellere en kosteneffectievere uitrol van netwerken met zeer hoge capaciteit. De verordening digitale netwerken is ook in overeenstemming met de roamingverordening, die de roamingtarieven in de EU regelt. Het voorstel vormt daarnaast een aanvulling op en is in overeenstemming met de mededingingsregels van de EU, die per geval worden toegepast (in veel gevallen ex post).
Op het gebied van consumentenbescherming blijft de verordening digitale netwerken een aanvulling vormen op het horizontale EU-kader voor consumentenbescherming. In het voorstel voor de verordening digitale netwerken wordt een hoog niveau van consumentenbescherming gehandhaafd, maar worden de sectorspecifieke regels voor de bescherming van eindgebruikers in verband met elektronische communicatie vereenvoudigd en geharmoniseerd. Het voorstel is volledig in overeenstemming met het beleidsprogramma voor het digitale decennium, waarin een visie wordt geschetst voor de digitale transformatie van Europa tot 2030, aangezien het het regelgevingskader zodanig vormgeeft dat veilige en duurzame digitale infrastructuur tot stand kan worden gebracht.
•Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
Dit voorstel moet volledige complementariteit waarborgen met bestaande en toekomstige EU-voorstellen op het gebied van cloud, AI, data, cyberbeveiliging en -paraatheid, en ruimtevaart. Het waarborgen van samenhang tussen deze onderling verbonden beleidsterreinen is essentieel voor het vermogen van de EU om de noodzakelijke technologische capaciteiten op te bouwen in de volledige digitale waardeketen. Tegelijkertijd is de verordening digitale netwerken, doordat zij de fundamenten voor een meer geïntegreerde digitale eengemaakte markt en een innovatief en investeringsvriendelijk ecosysteem voor digitale infrastructuur versterkt, een van de belangrijkste vlaggenschipinitiatieven in het kader van het EU-kompas voor concurrentievermogen, de horizontale strategie om de Europese economie nieuw leven in te blazen.
Hoewel met de verordening digitale netwerken niet wordt beoogd clouddiensten te reguleren, is met het oog op de toenemende convergentie tussen elektronischecommunicatienetwerken en cloud-/edgecomputing afstemming vereist op de EU-wetgevingshandeling inzake cloud- en AI-ontwikkeling, die tot doel heeft de cloud- en edgevermogens van de EU te versterken door middel van gunstigere investeringsvoorwaarden en gestroomlijnde vergunningsprocedures. Gerelateerde EU-maatregelen op het gebied van toegang tot AI-gegevens en -infrastructuur en steun voor sectorale AI-toepassingen in het kader van het actieplan voor het AI-continent weerspiegelen de bredere transitie naar cloudgebaseerde en op AI gebaseerde netwerkinfrastructuur. Het initiatief is ook in overeenstemming met de strategie voor de Europese data-unie, die tot doel heeft de toegang tot hoogwaardige gegevens te verbeteren en de gegevensgerelateerde infrastructuur verder te ontwikkelen. Door connectiviteit veiliger en betrouwbaarder te maken, zal de verordening digitale netwerken de verwezenlijking van die bredere doelstellingen ondersteunen.
Ondanks het werk dat via de toolbox inzake 5G-cyberbeveiliging is verricht, blijft er in de sector elektronische communicatie sprake van veerkrachtgerelateerde risico’s. Afhankelijkheden hebben nog steeds negatieve gevolgen voor 4G/5G- en vaste netwerken, onderzeese kabels, clouddiensten en kritieke sectoren. De herziening van de cyberbeveiligingsverordening biedt de gelegenheid om risico’s in de ICT-toeleveringsketen systematischer aan te pakken. Deze acties houden nauw verband met het accent op de versterking van de beveiliging en veerkracht van netwerken in dit voorstel, en de acties en het voorstel versterken elkaar dan ook onderling. Hoewel de verplichtingen op het gebied van cyberbeveiliging en weerbaarheid zijn vastgelegd in de NIS 2-richtlijn en de richtlijn betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten (CER-richtlijn), is er nog steeds behoefte aan meer coördinatie op EU-niveau. Deze noodzaak wordt verder versterkt door het feit dat er geen sectorspecifiek operationeel orgaan en geen EU-breed gecentraliseerd overzicht van paraatheid of mechanismen voor vroegtijdige waarschuwing en crisisbeheersing bestaan, en dat de veerkracht van elektronische communicatie niet in kaart is gebracht.
Het voorstel is afgestemd op de doelstellingen van de EU-strategie voor economische veiligheid en de EU-strategie voor een paraatheidsunie doordat het de veerkracht, redundantie en vermogens van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten versterkt om een betrouwbare overdracht van communicatie te waarborgen tijdens natuurlijke of door de mens veroorzaakte verstoringen, crises of situaties van overmacht. Het zal met name bijdragen tot een sterke verbetering van de vermogens van netwerken en diensten, onder meer door middel van maatregelen om de continuïteit en ononderbroken beschikbaarheid van noodcommunicatie en de doeltreffende werking van publieke waarschuwingsdiensten te waarborgen.
De verordening digitale netwerken vormt een aanvulling op de maatregelen die zijn voorgesteld in het kader van de EU-ruimtevaartverordening. In de strategische visie van de EU voor de ruimtevaarteconomie wordt erkend dat ruimtevaartgerelateerde investeringen nodig zijn om regelgevingsbelemmeringen te kunnen wegnemen. De verordening digitale netwerken wordt daarom beschouwd als cruciale bouwsteen van de eengemaakte ruimtevaartmarkt van de EU. Door regelgevingsbelemmeringen weg te nemen, zal deze verordening de pan-Europese toegang tot satellietspectrum verbeteren en de eengemaakte markt voor satellietcommunicatiediensten versterken, zodat een hoger niveau van schaalbaarheid en innovatie mogelijk wordt. Via andere EU-instrumenten wordt geïnvesteerd in satellietinfrastructuur en de bredere waardeketen, onder meer door middel van financiële steun voor multi-orbit-infrastructuur voor veerkracht, interconnectiviteit en beveiliging per satelliet, zoals de IRIS2-constellatie (het satellietsysteem voor beveiligde connectiviteit van de EU) en via financieringsmechanismen voor ruimteactiviteiten in het kader van EU-programma’s zoals het EU-initiatief voor ruimteondernemerschap Cassini en InvestEU.
De verordening vormt een aanvulling op de steun van de EU voor de satellietconstellatie IRIS2, waarmee wordt beoogd de soevereiniteit van de EU op het gebied van satellietconnectiviteit te versterken en de integratie van terrestrische en niet-terrestrische netwerken te faciliteren.
De Commissie zal in 2026 een voorstel goedkeuren voor de totstandbrenging van het Europees systeem voor kritieke communicatie (EUCCS), dat tegen 2030 operationeel moet zijn en op breedband gebaseerde beveiligde communicatiediensten zal verlenen aan overheidsinstanties in de hele EU en het Schengengebied. Het voorstel voor een verordening digitale netwerken vult die inspanningen aan door bij te dragen tot het algemene vermogen van de EU om te reageren op veiligheidsdreigingen en -crises.
2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
•Rechtsgrondslag
Het voorstel is gebaseerd op artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), aangezien het tot doel heeft de eengemaakte markt voor elektronische communicatie te bevorderen en de werking ervan, alsmede de werking van de eengemaakte markt op andere beleidsterreinen van de EU waarvoor spectrum wordt gebruikt, te waarborgen.
•Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)
De verordening digitale netwerken zal een aanzienlijke toegevoegde waarde hebben in vergelijking met maatregelen die op lidstaatniveau worden genomen. De versterking van het Europese concurrentievermogen vereist toegang tot snelle, veilige en veerkrachtige digitale infrastructuur in de hele EU. In een context waarin het digitale connectiviteitslandschap snel verandert met integratie van telecommunicatie-, satelliet-, cloud- en edgecomputingtechnologie, aangestuurd door virtualisering en AI, zal de EU deze doelstellingen alleen kunnen verwezenlijken door middel van een meer geharmoniseerd rechtskader in de hele EU dat versnippering als gevolg van inconsistente nationale administratieve praktijken of uitvoeringsvoorwaarden voorkomt die de kansen van de eengemaakte markt beperkt.
Spectrum is, net als andere middelen als nummers en, tot op zekere hoogte, grond, een schaars goed en bij het beheer en de toewijzing ervan moet niet alleen rekening worden gehouden met specifieke nationale kenmerken en behoeften, maar ook met de belangen van de EU. Daarom is een meer convergente en consistente EU-regelgeving inzake markttoegang nodig zodat de belemmeringen kunnen worden weggenomen die voortvloeien uit de verschillen in voorwaarden voor de toekenning van individuele gebruiksrechten voor spectrum, nummers en land. Als de EU internationaal een voortrekkersrol wil vervullen op het gebied van nieuwe en verbeterde diensten als 5G, moet voldoende schaalgrootte worden gegarandeerd voor fabrikanten van apparatuur en aanbieders van communicatiediensten. Dit vereist niet alleen technische harmonisatie, maar bovenal een eengemaakte markt waarvan de ontwikkeling breed is afgestemd, zodat diensten en apparaten kunnen profiteren van stabiele en geharmoniseerde regels.
Wat satellietconnectiviteit betreft, maakt het inherent mondiale karakter van satellietdiensten, die de nationale grenzen overschrijden, satellietconnectiviteit tot een beleidsterrein waarop met EU-optreden meer kan worden bereikt dan met uitsluitend nationale maatregelen. De tijdige beschikbaarheid en ingebruikname van satellietconnectiviteit zijn cruciale inputs voor de Europese industriële autonomie en speelt een centrale rol bij het verbeteren van het concurrentievermogen van de EU. Hiervoor is echter toegang tot satellietspectrum in de hele EU vereist. Er is dan ook veel te zeggen voor de vaststelling door de EU van een ambitieuze, gecoördineerde, EU-brede aanpak van satellietmachtigingen die wordt geschraagd door passende regelgevingsinstrumenten en aanvullende maatregelen om de verwezenlijking van deze doelstelling te faciliteren en versnellen.
De doelstelling om een tijdige en ordelijke overstap van verouderde kopernetwerken naar op glasvezel gebaseerde netwerken te waarborgen, kan niet in voldoende mate door de lidstaten alleen worden verwezenlijkt, aangezien uiteenlopende nationale benaderingen zouden kunnen leiden tot een versnippering van de eengemaakte markt, rechtsonzekerheid voor exploitanten die in verschillende lidstaten actief zijn, ongelijke voorwaarden voor investeringen en verschillen in het niveau van bescherming van eindgebruikers. EU-optreden is derhalve gerechtvaardigd om een gemeenschappelijk kader, waarborgen en minimumbeginselen voor de transitie vast te stellen. Tegelijkertijd worden het ontwerp, de volgorde en de uitvoering van de transitie, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, overgelaten aan de lidstaten en de nationale regelgevende instanties, die het best in staat zijn om rekening te houden met lokale marktomstandigheden, netwerktopologieën, consumentenbehoeften en specifieke geografische kenmerken. De verordening combineert dus een geharmoniseerde EU-aanpak met nationaal beheerde processen, waarbij doeltreffendheid wordt gewaarborgd en de verantwoordelijkheden van de lidstaten tegelijkertijd volledig worden geëerbiedigd.
Er zijn maatregelen op EU-niveau nodig om versnippering te voorkomen van de regels voor de bescherming van consumenten en eindgebruikers, die administratieve kosten met zich meebrengt voor grensoverschrijdende dienstverleners, de ontwikkeling van innovatieve diensten belemmert en leidt tot een ongelijk en suboptimaal niveau van consumentenbescherming in de EU.
Over het algemeen vereist de omvang van de problemen in het digitale ecosysteem een wetgevingsinitiatief op EU-niveau, omdat zij steeds meer een EU-dimensie hebben en op EU-niveau efficiënter kunnen worden opgelost, met over het algemeen meer voordelen, een snellere en geharmoniseerde uitvoering en lagere kosten dan wanneer de lidstaten alleen zouden optreden.
•Evenredigheid
Evenredigheid is gewaarborgd, aangezien de voorgestelde maatregelen gericht zijn op het aanpakken van knelpunten op de eengemaakte markt, teneinde voorwaarden te scheppen voor nieuwe, meer gevirtualiseerde en op software gebaseerde elektronischecommunicatienetwerken en -diensten in de Unie, met name door de algemene machtigingsregeling te vereenvoudigen en harmoniseren. Op die manier draagt het voorstel bij tot de verwezenlijking van de internemarktdoelstelling van de vrije verrichting van elektronischecommunicatiediensten. Ook wordt voorkomen dat de activiteiten van aanbieders die ervoor kiezen alleen nationaal (of regionaal) actief te zijn, worden verstoord.
Voortbouwend op de geslaagde onderdelen van het bestaande regelgevingskader behoudt het voorstel de goed functionerende regeling voor aanmerkelijke marktmacht (AMM) en de toetsing aan drie criteria, maar worden interventies nu toegespitst op marktfalen, zodat de nationale regelgevende instanties (NRI’s) waar nodig eenvoudiger gebruik kunnen maken van symmetrische maatregelen, en ligt het accent op het gebruik van minder invasieve regelgevingsinstrumenten indien dat mogelijk is. De harmonisatie van toegangsproducten, in combinatie met doelgerichte en evenredige regelgeving, met inbegrip van toegang tot bekabeling van gebouwen en mogelijk meer, moet een breder gebruik van gigabitbreedband en hogere breedbandsnelheden bevorderen. De voorgestelde verordening zou zowel een soepele overstap van koper- naar glasvezelnetwerken als evenredige regelgeving in een omgeving met uitsluitend glasvezelnetwerken mogelijk maken.
Ten opzichte van het huidige kader versnelt het voorstel de overstap naar glasvezelnetwerken. Evenredigheid wordt gewaarborgd aan de hand van passende waarborgen voor eindgebruikers en evaluatie en beheer van het proces op nationaal niveau. De bevoegde instanties moeten ervoor zorgen dat adequate breedbanddiensten beschikbaar zijn door gebruik te maken van passende waarborgen (garanderen dat de kwaliteit en prijzen van op glasvezel gebaseerde retaildiensten vergelijkbaar zijn, dekking van alternatieve technologieën waarborgen enz.). De Commissie zal toezicht houden op dit proces.
De voorgestelde maatregelen zullen ook evenredige wijzigingen op governancegebied met zich meebrengen, waarbij een governancesysteem voor zowel marktregulering als spectrumbeheer wordt opgezet dat geschikt is voor de nieuwe taken op EU-niveau met een internemarktdimensie en waarbinnen besluiten op het meest efficiënte niveau kunnen worden genomen. De Beleidsgroep radiospectrum (RSPG) wordt het Beleidsorgaan radiospectrum (RSPB), vergelijkbaar met Berec. Aangezien Berec en het RSPB geen rechtspersoonlijkheid hebben, zullen zij geen bindende besluiten vaststellen. Deze bevoegdheid blijft berusten bij de Commissie en de nationale regelgevende instanties of nationale voor spectrum verantwoordelijke instanties. Berec en het RSPB zullen adviezen, richtsnoeren en andere vormen van beleidsondersteuning blijven verschaffen.
Om een grotere convergentie op het gebied van spectrumbeheer te bevorderen, zal een aanzienlijke hoeveelheid spectrumtoewijzingen worden onderworpen aan een verplicht EU-mechanisme voor de eengemaakte spectrummarkt, zodat de Commissie, Berec en het RSPB hun opmerkingen over ontwerpmaatregelen kenbaar kunnen maken. De Commissie kan dan waar nodig ingrijpen in situaties die mogelijk gevolgen hebben voor de eengemaakte markt. Gezien het grensoverschrijdende karakter van satellietdiensten zou de Commissie, hierbij ondersteund door de adviesstructuren, EU-satellietmachtigingen beheren, onder meer door satellietvergunninghouders te selecteren, wanneer de spectrummiddelen beperkt zijn.
De regels voor de bescherming van eindgebruikers worden vereenvoudigd en dragen bij tot volledige harmonisatie met gerichte uitzonderingen (bijvoorbeeld met betrekking tot de maximale looptijd van overeenkomsten), maar deze harmonisatie is beperkt tot de gebieden waarop het voorstel betrekking heeft. In het kader van universeledienstverplichtingen wordt een meer geharmoniseerde aanpak ingevoerd voor het definiëren van adequate internettoegangsdiensten. Het toepassingsgebied van de universeledienstverplichtingen blijft beschikbaarheid waarborgen en zorgt ervoor dat consumenten (en bij uitbreiding micro-ondernemingen, kleine ondernemingen en organisaties zonder winstoogmerk) kunnen beschikken over adequate internettoegangdiensten en spraakcommunicatiediensten op een vaste locatie. Het concept van betaalbaarheid van adequate internettoegangdiensten en spraakcommunicatiediensten, met potentiële maatregelen voor consumenten met een laag inkomen of consumenten met bijzondere sociale behoeften, wordt ook gehandhaafd, met een meer geharmoniseerde aanpak om de betaalbaarheid te bepalen. De bepalingen inzake de universeledienstverplichtingen vormen een aanvulling op het proces van uitschakeling van kopernetwerken en de overstap naar glasvezel en zullen daarom worden herzien.
Met de voorgestelde oplossingen zijn de desbetreffende belanghebbenden op de meest tijdige en doeltreffende manier in staat om de synergieën van een grote eengemaakte markt te benutten en inefficiënties binnen hun werkzaamheden en investeringen te verminderen. Tegelijkertijd zorgt het voorstel ervoor dat aanbieders die ervoor kiezen hun diensten in één lidstaat aan te bieden, onder de huidige regels blijven vallen. Bovendien kunnen zij profiteren van betere en duidelijkere regels inzake eindgebruikersrechten alsmede van meer voorspelbaarheid inzake de toegang tot spectruminputs en elektronischecommunicatienetwerken en -diensten.
•Keuze van het instrument
De Commissie stelt een verordening voor, aangezien hierdoor wordt gewaarborgd dat belemmeringen voor de eengemaakte markt worden verwijderd door het bestaande regelgevingskader voor elektronische communicatie te harmoniseren. De voorgestelde verordening bevat specifieke, rechtstreeks toepasselijke rechten en verplichtingen voor aanbieders, bevoegde instanties en eindgebruikers. Daarnaast voorziet het voorstel in coördinatiemechanismen voor bepaalde inputs op Europees niveau om het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten over de grenzen heen te vergemakkelijken en een aangepaste algemene machtigingsregeling voor aanbieders die in één, meerdere of alle lidstaten actief zijn. Een verordening is ook een waardevol instrument om veerkracht te bevorderen. In een omgeving van grensoverschrijdende connectiviteit kunnen kwetsbaarheden in één lidstaat de veiligheid in de hele EU in gevaar brengen en zijn bedreigingen voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, of het nu gaat om cyberaanvallen, fysieke verstoringen of systemische storingen, inherent grensoverschrijdend. Geopolitieke instabiliteit vereist een snelle, gecoördineerde en EU-brede respons, die niet kan worden gewaarborgd als de lidstaten maatregelen op een verschillend tempo of met uiteenlopende ambitieniveaus uitvoeren.
Tot slot blijkt, zoals wordt gesteld in het werkdocument van de diensten van de Commissie “Annex 11 to the Impact Assessment: Evaluation – Review of the functioning of the European Electronic Communications Code (EECC), the Body of European Regulators for Electronic Communications (BEREC) Regulation, the Open Internet Regulation, and certain aspects of the ePrivacy Directive”, (Bijlage 11 bij de effectbeoordeling: evaluatie — beoordeling van de werking van het Europees wetboek voor elektronische communicatie, de verordening tot oprichting van het Orgaan van Europese regulerende instanties voor elektronische communicatie (BEREC), de verordening inzake open internet en bepaalde aspecten van de richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie), blijkt uit de ervaring met het Europees wetboek voor elektronische communicatie dat het de lidstaten niet is gelukt de sectorale uitdagingen tijdig aan te pakken doordat de omzetting van het Europees wetboek voor elektronische communicatie in nationaal recht veel tijd vergde. Dit was met name het geval voor spectrummachtigingen, aangezien veel van de 5G-veilingen vele jaren na de omzettingsdatum van het Europees wetboek voor elektronische communicatie nog plaatsvonden op basis van verouderde wetgeving. De omzetting ging ook vaak gepaard met extra lagen regels die leiden tot overregulering en het voor bedrijven moeilijk maken om grensoverschrijdend te groeien en op te schalen. Vanwege de versnipperde nationale regels heeft het kader van de huidige richtlijn geen echte eengemaakte markt tot stand gebracht. Verschillen in machtigingsvoorwaarden, regels inzake eindgebruikers en aanvullende nationale voorschriften leiden tot een lappendeken van regelgeving die de nalevingskosten verhoogt en de opschaling van innovatieve grensoverschrijdende diensten belemmert, ondanks hun aanzienlijke marktpotentieel. Naarmate connectiviteit convergeert met cloud, edgecomputing en AI, kunnen nieuwe bedrijfsmodellen floreren, maar de huidige complexiteit weerhoudt exploitanten ervan activiteiten te centraliseren, schaalvoordelen te benutten en pan-Europese diensten uit te rollen.
3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
•Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan
Uit analyses is gebleken dat het Europees wetboek voor elektronische communicatie, via de doelstellingen om de connectiviteit en de toegang tot en het gebruik van netwerken met zeer hoge capaciteit te bevorderen, heeft bijgedragen tot de totstandbrenging en handhaving van daadwerkelijke mededinging en de bescherming van eindgebruikers. Het Europees wetboek voor elektronische communicatie, dat een richtlijn is, heeft echter aanleiding gegeven tot nationale versnippering en derhalve niet geleid tot de voltooiing van de eengemaakte markt. Uit analyses is ook gebleken dat behoefte bestaat aan enige herkalibratie van de doelstellingen (investeringen, vraag) en dat mogelijk nieuwe doelstellingen moeten worden toegevoegd met betrekking tot de bevordering van concurrentievermogen, veiligheid, veerkracht en duurzaamheid.
Diverse pijlers van het Europees wetboek voor elektronische communicatie zijn echter nog steeds geschikt voor het beoogde doel.
De AMM-regeling blijft het belangrijkste instrument voor ex ante-regulering door te waarborgen dat de markten goed functioneren. De NRI’s hebben echter in toenemende mate regionale en lokale markten gedefinieerd en het gebruik van ex-anteregulering is in het algemeen afgenomen.
Radiospectrum is van buitengewoon strategische en geopolitieke belang. Het is essentieel om communicatie mogelijk te maken, economische groei en sociale welvaart te stimuleren en kritieke diensten in allerlei sectoren te ondersteunen.
De universeledienstverplichtingen in het Europees wetboek voor elektronische communicatie vormen een vangnet om ervoor te zorgen dat alle consumenten in de EU toegang hebben tot betaalbare en adequate internet- en spraakcommunicatiediensten.
De bepalingen inzake de rechten van eindgebruikers zijn grotendeels nog steeds geschikt voor het beoogde doel, maar bepaalde aspecten ervan kunnen worden vereenvoudigd.
Toegangsregulering is gebaseerd op de beginselen van het mededingingsrecht en op transparante overlegmechanismen met de Commissie als hoedster van de Verdragen, zodat wordt gewaarborgd dat de voorgestelde regelgeving geen belemmering opwerpt voor de eengemaakte markt en verenigbaar is met het EU-recht. Een dergelijk systeem bevordert de voorspelbaarheid van regelgeving door een consistente regelgevingsaanpak te garanderen.
Het huidige kader is in beginsel goed uitgerust om gevallen van aanmerkelijke marktmacht, met inbegrip van lokale monopolies, aan te pakken. Dit is relevant in een volledig op glasvezelnetwerken gebaseerde omgeving waarin kopernetwerken volledig zijn afgeschaft. Het aantal zaken met betrekking tot oligopolistische markten dat op grond van artikel 32 van het Europees wetboek voor elektronische communicatie werd aangemeld, is zeer laag. Mogelijke problemen op oligopolistische markten zijn aangepakt via de regeling voor spectrummachtigingen of het mededingingsrecht.
Er is ook ruimte voor vereenvoudiging van een aantal belangrijke bepalingen van het Europees wetboek voor elektronische communicatie die niet zijn toegepast door regelgevers (artikel 76 inzake mede-investeringen, artikel 77 inzake het opleggen van functionele scheiding) of die door sommige regelgevers zijn toegepast, maar verder moeten worden vereenvoudigd om een bredere toepassing mogelijk te maken (artikel 61, lid 3, inzake symmetrische regelgeving, artikel 79 inzake afspraken met betrekking tot regelgeving, artikel 80 inzake uitsluitend op wholesalemarkten gebaseerde netwerken).
Wat de uitschakeling van kopernetwerken betreft, heeft artikel 81 van het Europees wetboek voor elektronische communicatie een beperkte praktische relevantie gehad, voornamelijk vanwege een gebrek aan door gevestigde exploitanten aangekondigde plannen, en heeft het geen aanzienlijke bijdrage geleverd aan een versnelde transitie van koper- naar glasvezelnetwerken. In plaats daarvan werd met het artikel met name beoogd de NRI’s een kader te bieden om de uitschakeling van kopernetwerken op transparante en concurrerende wijze in goede banen te leiden, en hierbij te waarborgen dat migraties geen negatieve gevolgen hebben voor de mededinging of de rechten van eindgebruikers en dat alternatieve toegangsproducten van vergelijkbare kwaliteit beschikbaar zijn.
Wat draadloze connectiviteit betreft, is met het EU-beleidskader voor spectrum weliswaar de basis gelegd voor een gecoördineerde uitrol van 5G door middel van vroegtijdige harmonisatie en bindende termijnen voor de toewijzing van spectrum, en is gezorgd voor concurrerende prijzen voor eindgebruikers, zij het met verschillen in prijsniveaus en enkele uitzonderingen, maar de EU loopt op het gebied van de uitrol van 5G van hoge kwaliteit achter op toonaangevende wereldeconomieën. Dit heeft niet alleen negatieve gevolgen voor de consument, maar ook voor het industriële concurrentievermogen en innovatie in de EU. Er zijn tal van redenen voor. De voorwaarden voor spectrumtoewijzing blijven extreem versnipperd en hebben niet gezorgd voor consistente investeringsresultaten. Slecht ontworpen veilingen, een te korte geldigheidsduur van vergunningen en een gebrek aan flexibiliteit en stimulansen om spectrum te delen en efficiënter te gebruiken, hebben geleid tot een stijging van de kosten van spectrum, een factor die, in combinatie met de beperkte inkomsten uit mobiele telefonie en het gebrek aan vraag, de uitrol negatief heeft beïnvloed.
De procedurele instrumenten van het Europees wetboek voor elektronische communicatie om bij te dragen tot de totstandbrenging van de eengemaakte markt voor spectrum, en met name de vrijwillige collegiale toetsing van procedures voor spectrumtoewijzing en de vrijwillige gezamenlijke machtigingsprocedure waarbij verschillende lidstaten kunnen samenwerken om spectrumgebruiksrechten toe te kennen aan de hand van gemeenschappelijke voorwaarden en procedures, zijn zelden of op ondoeltreffende wijze gebruikt om de voorspelbaarheid van de regelgeving en investeringen te verbeteren. Wat grensoverschrijdende schadelijke interferentie tussen de lidstaten betreft, heeft de betrokkenheid van de RSPG als bemiddelaar volgens de deelnemers een aanzienlijke meerwaarde gehad, maar konden grensoverschrijdende coördinatieproblemen met derde landen of in niet-geharmoniseerde banden niet volledig efficiënt worden aangepakt.
Over het algemeen hebben de gebrekkige voorspelbaarheid van de regelgeving en het inefficiënte spectrumgebruik de financiële aantrekkelijkheid van 5G-investeringsprojecten verminderd.
Voor satellietdiensten met een duidelijk grensoverschrijdend karakter is het nog evidenter dat het niet is gelukt om een eengemaakte markt tot stand te brengen. Er zijn geen minimale gemeenschappelijke machtigingsvoorwaarden of eisen inzake satellietspectrum, noch gemeenschappelijke selectieprocedures (behalve voor de 2 GHz-band voor mobiele satellietdiensten), en er zijn grote verschillen in de termijnen voor de afgifte van vergunningen, verschillende benaderingen van de nationale coördinatie met bestaande diensten, verschillende vergoedingen en verschillende vergunningsvoorwaarden. Deze versnippering is niet bevorderlijk voor de benutting van het potentieel dat de eengemaakte markt heeft om een gelijk speelveld in de ruimte te waarborgen noch voor het aanbieden op grotere schaal van satellietdiensten in de hele EU, en schept gelegenheid voor forumshopping op regelgevingsgebied. Vanwege deze belemmeringen is de EU minder goed voorbereid op de “direct-to-device”-uitdaging en riskeert zij strategische afhankelijkheid van buitenlandse spelers voor diensten die van cruciaal belang zijn voor haar veiligheid en defensie.
Uit de evaluatie van de algemene machtigingsbepalingen bleek dat de algemene machtigingsregeling verder moet worden geharmoniseerd, geactualiseerd en vereenvoudigd om de invoering van meer gevirtualiseerde, centraal beheerde netwerken en software- en cloudgebaseerde elektronische communicatienetwerken en -diensten in de EU te faciliteren.
De bepalingen inzake de rechten van eindgebruikers zijn in de meeste gevallen nog steeds geschikt voor het beoogde doel en de aandacht moet blijven uitgaan naar de handhaving en uitvoering ervan. Tegelijkertijd zullen sommige actualiseringen en vereenvoudigingen mogelijk zowel consumenten als dienstverleners ten goede komen, bijvoorbeeld de stroomlijning van contractuele informatie (artikel 102 van het Europees wetboek voor elektronische communicatie) en de harmonisatie op EU-niveau van bepaalde aspecten, zoals parameters voor de kwaliteit van diensten (artikel 104 van het Europees wetboek voor elektronische communicatie). Sommige bepalingen van de richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie inzake de technische mogelijkheid om oproepende nummers te identificeren en de daarmee verband houdende privacyrechten, worden bijgewerkt in het licht van de ontwikkeling van elektronischecommunicatienetwerken en de overstap naar IP-gebaseerde netwerken, en hebben dus ook betrekking op de identificatie van het initiërende nummer. Daarnaast zijn er updates met betrekking tot de automatische doorschakeling van oproepen en automatische oproepsystemen en niet-gespecificeerde facturering. Andere achterhaalde bepalingen over telefoongidsen worden geschrapt.
Wat de governance betreft, zijn Berec en het Berec-Bureau en hun bijdrage aan de geharmoniseerde uitvoering van het Europees wetboek voor elektronische communicatie over het algemeen positief beoordeeld, met name wat betreft de kwaliteit van de richtsnoeren en verslagen van Berec, en werd geconcludeerd dat zij de NRI’s hebben geholpen om tot een gemeenschappelijke aanpak te komen. Toch hebben de richtsnoeren en uitwisseling van beste praktijken van Berec niet geresulteerd in de totstandbrenging van een eengemaakte markt. Naarmate markten, technologie en het bredere digitale ecosysteem zich in hoog tempo ontwikkelen, moet het mandaat van Berec ook worden uitgebreid met nieuwe taken op gebieden als veerkracht, spectrum en satellieten. Het Berec-Bureau moet daarnaast meer capaciteit krijgen, zodat het Berec kan ondersteunen, ook inhoudelijk, teneinde een betere afstemming op het EU-beleid te waarborgen.
De bijdrage van de RSPG aan het spectrumbeleid wordt ook positief beoordeeld. De resultaten van de RSPG met betrekking tot spectrum voor toekomstige draadloze connectiviteit, waaronder 6G, het delen van spectrum, het toekomstig gebruik van de ultrahoge-frequentieband, Wereldradiocommunicatieconferenties en de resultaten daarvan, satellietconnectiviteit en klimaatverandering hebben waardevolle input opgeleverd die de Commissie verder in aanmerking kan nemen. Aangezien de RSPG in het algemeen op basis van consensus beslist over de te leveren resultaten, in ieder geval op een aantal gevoelige gebieden, moet hij een evenwicht vinden tussen de verschillende nationale belangen en de belangen van de EU, in sommige gevallen ten nadele van de EU. Adviezen van de RSPG zijn soms te technisch en niet zo politiek/strategisch als zijn rol als adviesgroep op hoog niveau van de Commissie vereist. Ook zijn er diverse beperkingen die de impact van deze adviezen aanzienlijk hebben verminderd, zoals het vrijwillige karakter van de collegiale toetsing en de wettelijke beperkingen van het gebruik van het bemiddelingsmechanisme om interferentie uit derde landen aan te pakken. Synergieën op technische, economische en algemene beleidsterreinen tussen de werkzaamheden van de RSPG en Berec zijn niet benut.
•Raadpleging van belanghebbenden
De Commissie startte in 2023 een brede verkennende raadpleging over de toekomst van de elektronischecommunicatiesector en zijn infrastructuur. In februari 2024 startte de Commissie een raadpleging over haar witboek “Tegemoetkomen aan de digitale-infrastructuurbehoeften van Europa”. Het witboek werd gedurende 18 weken voor feedback gepubliceerd op de website “Geef uw mening” van de Commissie en er kwamen 357 reacties binnen. In juni 2025 werd ook een verzoek om input gepubliceerd over de doelstellingen en beleidsopties voor een voorstel voor een verordening digitale netwerken. Er is een aanzienlijke hoeveelheid feedback ontvangen naar aanleiding van dit verzoek om input.
Naast het verzoek om input zijn in het kader van de drie in opdracht van de Commissie uitgevoerde studies twee overlegrondes met een selecte groep van 134 belanghebbenden gehouden. Onder de beoogde belanghebbenden uit de sector bevonden zich vertegenwoordigers verschillende aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en elektronischecommunicatiediensten en andere dienstverleners. De meeste daarvan waren exploitanten van vaste netwerken, maar er nam ook een aanzienlijk aantal aanbieders van inhoud en toepassingen en omroepen deel.
In het witboek werden de uitdagingen geanalyseerd waarmee Europa momenteel wordt geconfronteerd bij de uitrol van connectiviteitsnetwerken voor toekomstig gebruik. Er werden mogelijke scenario’s gepresenteerd voor toekomstige beleidsmaatregelen, met inbegrip van een eventuele verordening digitale netwerken, onderverdeeld in drie onderdelen. De belanghebbenden waren het eens over de relevantie die moderne, veilige en veerkrachtige digitale infrastructuur heeft voor het concurrentievermogen van de EU.
Gevestigde telecombedrijven waren positief over het idee van een gelijk speelveld op regelgevingsgebied, maar stelden vragen over de regelgevingsoplossing. Cloudaanbieders maakten zich zorgen over hun opname in het toepassingsgebied van telecomspecifieke regelgeving. De meeste belanghebbenden gaven aan het in grote lijnen eens te zijn met het verminderen van de rapportageverplichtingen en het wegnemen van onnodige regeldruk. De feedback over het witboek was cruciaal om te kunnen concluderen dat een nieuw regelgevingskader nodig is om de digitale eengemaakte markt in Europa te voltooien.
In het kader van het verzoek om input gaven de meeste belanghebbenden aan het in grote lijnen eens te zijn met het verminderen van de rapportageverplichtingen en het wegnemen van onnodige regeldruk.
De lidstaten en de NRI’s zagen geen ruimte voor een volwaardige regeling op basis van het land van oorsprong voor elektronischecommunicatiediensten omdat er een aanzienlijke hoeveelheid nationale regels zou blijven bestaan. Wat de bescherming van eindgebruikers betreft, onderstreepten de lidstaten, NRI’s en consumentenorganisaties dat een robuuste consumentenbescherming moet worden gehandhaafd. De meeste telecomexploitanten en dienstverleners pleitten voor vereenvoudiging en uitschakeling van kopernetwerken van sectorspecifieke regels.
Traditionele telecomexploitanten riepen op tot een herijking van het regelgevingskader, dat hen momenteel benadeelt ten opzichte van aanbieders van inhoud en toepassingen. De internetgemeenschap en consumentengroepen waren gekant tegen wijzigingen van de regels inzake open internet, die volgens hen zouden kunnen leiden tot een internet met twee snelheden.
In het toegangsbeleid is sprake van een traditioneel verschil tussen gevestigde exploitanten en toegangvragende partijen: de eerste groep roept op tot deregulering en de tweede wil dat huidige toegangsregeling ongewijzigd blijft. Sommige kleinere aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken (altnets) pleitten voor de vaststelling van een specifieke EU-brede streefdatum om de invoering van glasvezel aan te moedigen zodat de daarmee samenhangende milieuvoordelen kunnen worden benut. Er werd bezorgdheid geuit over mogelijke digitale uitsluiting en marktverstoringen bij een voorbarige uitschakeling van kopernetwerken.
Wat spectrum betreft, zijn de lidstaten en Berec van oordeel dat het huidige governancemodel voor het spectrum geschikt is en staan zij over het algemeen terughoudend tegenover wijzigingen. Zij zijn ook gekant tegen de centralisatie van spectrummachtigingen. Hoewel zij vóór een geharmoniseerd spectrumgebruik zijn vanwege de economische voordelen die daarmee zijn gemoeid, benadrukken zij dat flexibiliteit moet worden gehandhaafd zodat rekening kan worden gehouden met verschillen tussen nationale markten. Een gemeenschappelijke Europese aanpak van de toegang tot de satellietmarkt wordt essentieel geacht voor de ontsluiting van het volledige potentieel van satellietconnectiviteit in de hele EU.
De elektronischecommunicatiegemeenschap steunt een meer investeringsvriendelijk spectrumbeleid dat meer zekerheid en flexibiliteit waarborgt. Haar voorkeur gaat uit naar een langere of onbepaalde geldigheidsduur van vergunningen, stilzwijgende verlenging, lagere spectrumkosten en flexibele gebruiksregels. De sector staat ook achter een vermindering van de versnippering van de markt, sterkere collegiale toetsingen en de invoering van gemeenschappelijke machtigingsprocedures, in combinatie met een duidelijk EU-stappenplan voor de beschikbaarheid van spectrum. Daarnaast benadrukt de sector dat marktvormende maatregelen die investeringen en netwerkdifferentiatie ondermijnen, moeten worden vermeden. De elektronischecommunicatiegemeenschap ondersteunt ook door de EU gestuurde samenwerking op het gebied van opkomende technologieën, zoals direct-to-device (D2D)-satellietdiensten.
Belanghebbenden uit het alternatieve-telecommunicatiesegment zijn voorstander van een betere coördinatie en harmonisatie van spectrumtoewijzing in de lidstaten. Ook achten zij een actuele EU-routekaart voor de beschikbaarheid van spectrum nuttig. Zij staan achter duidelijke, in een vroeg stadium vastgestelde voorwaarden voor de verlenging van vergunningen, beleidsmaatregelen ter bevordering van de handel in spectrum en “use-it-or-share-it-or-lose-it”-verplichtingen om een efficiënter spectrumgebruik te waarborgen. Zij uiten echter ernstige twijfels over de oplegging van wettelijke termijnen voor de toekenning van spectrum.
•Bijeenbrengen en gebruik van expertise
Voor het voorstel zijn de volgende belangrijke inputs in acht genomen:
de bijdragen die zijn ontvangen in het kader van de verkennende raadpleging over de toekomst van de elektronischecommunicatiesector en zijn infrastructuur, die in februari 2023 van start is gegaan;
de feedback van belanghebbenden op het witboek “Tegemoetkomen aan de digitale-infrastructuurbehoeften van Europa” van februari 2024;
de feedback van belanghebbenden die is ontvangen in het kader van het in 2025 gepubliceerde verzoek om input over de verordening digitale netwerken.
Ter onderbouwing van dit voorstel zijn drie evaluaties uitgevoerd:
Studie 2024-025 “Completing the Digital Single Market (DSM): Regulatory enablers for cross-border networks” — FwC-nr. FW-00141705;
Studie 2024-026 “Review of Access Regulation under the European Electronic Communications Code and analysis of future Access policy in full fibre environment” — FwC-nr. FW-00141705;
Studie 2024-028 “Financial conditions, demand and investment needs and their regulatory and policy implications including on the universal service” — FwC-nr. FW-00141705.
Tegelijkertijd heeft de Commissie tussen maart en september 2025 strategische workshops met Berec en de RSPG georganiseerd om de standpunten te verzamelen van hoge vertegenwoordigers van de bevoegde instanties van alle lidstaten. Voorts is in juli 2025 een workshop georganiseerd met het BEUC en de daarbij aangesloten nationale consumentenorganisaties om de zorgen van en uitdagingen voor consumenten en eindgebruikers van elektronische communicatie te bespreken. Daarnaast werd een groot aantal bijeenkomsten gehouden met belanghebbenden uit de industrie uit alle segmenten van de digitale waardeketen, en met hun brancheverenigingen.
•Effectbeoordeling
Uit de effectbeoordeling zijn de volgende opties naar voren gekomen als het meest geschikt om de problemen aan te pakken.
Uitschakeling van kopernetwerken en toegangsregulering
De voorkeursoptie om de uitrol en het gebruik van het “fibre-to-the home”-netwerk (FTTH) te versnellen, zal zijn gebaseerd op nationale plannen die aan de Commissie moeten worden meegedeeld. In die plannen moet worden toegelicht i) in welke gebieden koper zal worden afgeschaft en wanneer; en ii) de maatregelen ter ondersteuning van de overstap naar glasvezel. Tot en met 31 december 2035 wordt de uitschakeling van kopernetwerken in gang gezet wanneer cumulatief aan de volgende twee voorwaarden is voldaan: i) de dekking van glasvezel bedraagt ten minste 95 %; en ii) er zijn betaalbare retailconnectiviteitsdiensten beschikbaar. Na deze datum zullen deze voorwaarden geen rol meer spelen en zullen de lidstaten de uitschakeling van kopernetwerken verplicht moeten stellen in alle resterende zones voor de uitschakeling van kopernetwerken, op enkele uitzonderingen na. Wat toegangsregulering betreft, wordt in deze optie voortgebouwd op het bestaande regelgevingskader, dat zowel symmetrische als asymmetrische (AMM-)maatregelen omvat. De nadruk zal op regionale en lokale markten liggen.
Wat de economische en milieueffecten betreft, zou dit positieve gevolgen hebben in termen van i) een toename van het gecumuleerde bbp in een orde van grootte van 157-327 miljard EUR ten opzichte van het basisscenario; ii) totale CO2-emissiereductie ten opzichte van het basisscenario (0,7 miljoen ton); en iii) gemiddelde downloadsnelheden (314 Mbps in 2030 en 743 Mbps in 2035). De sociale effecten kunnen niet worden gekwantificeerd, maar de optie zal zeer waarschijnlijk de grootste positieve sociale effecten hebben, aangezien hij goed scoort op FTTH-dekking en FTTH-benuttingsgraad. Wat de gevolgen voor de grondrechten betreft, scoort de optie gemiddeld.
Spectrum
De voorkeursoptie bestaat met name uit een geldigheidsduur van vergunningen die standaard onbeperkt is, met de mogelijkheid van herzieningsclausules en intrekking van gebruiksrechten, quasi-automatische verlenging en de toepassing van veilingmodellen die investeringen aanmoedigen. Deze optie voorziet in de mogelijkheid om de voorwaarden voor spectrummachtigingen te harmoniseren en omvat een verplichte procedure voor de eengemaakte spectrummarkt op EU-niveau. Daarnaast worden de transparantie omtrent en de voorspelbaarheid van de timing van de beschikbaarheid van spectrum verbeterd door middel van strategieën en routekaarten. Deze optie is het efficiëntst, aangezien de totale voordelen aanzienlijk groter zijn dan de kosten. De tijdige uitrol van hoogwaardige 5G- en toekomstige 6G-netwerken kan ermee worden gewaarborgd. Dit zou een positief effect hebben op het bbp, overloopeffecten hebben op verticale sectoren en in overeenstemming zijn met en een aanvulling vormen op het proces van de uitschakeling van kopernetwerken.
Algemene machtigingen en machtigingen voor satellietdiensten
De voorkeursoptie omvat “één paspoort” voor niet-satellietnetwerken en -diensten en een EU-machtiging voor satellietspectrum, met inbegrip van de selectie van vergunninghouders in geval van schaarste en handhaving van de machtigingsvoorwaarden. Deze optie zou de administratieve en nalevingskosten en de rapportagekosten verminderen. In combinatie met geharmoniseerde machtigingsvoorwaarden en andere toepasselijke regels (met inbegrip van regels voor eindgebruikers) en “zachte” maatregelen om de samenwerking tussen ecosystemen te faciliteren, zou de voorkeursoptie aanbieders in staat stellen netwerkactiviteiten eenvoudiger te virtualiseren en consistentere grensoverschrijdende diensten te verlenen. De voorkeursoptie zou daarom samenwerking onder gelijke voorwaarden met actoren in het uitgebreide connectiviteitsecosysteem mogelijk maken. De EU-satellietmachtiging zou exploitanten in alle lidstaten onder dezelfde voorwaarden toegang tot spectrum garanderen, zodat zij over de middelen beschikken om in de hele EU op te schalen en diensten te verlenen, terwijl tegelijkertijd aandacht is voor aspecten van soevereiniteit.
Governance
De voorkeursoptie bouwt voort op de bestaande configuratie met Berec en het Berec-Bureau, en de RSPG wordt in plaats van een deskundigengroep van de Commissie een orgaan met een secretariaat dat wordt verzorgd door het Berec-Bureau. Het Bureau, waarvan de naam zal worden gewijzigd in “Bureau voor digitale netwerken” (“ODN”), zal een nieuwe coördinatietaak krijgen die de doeltreffendheid van het spectrumbeheer zal vergroten. Het ODN zal administratieve en ondersteunende diensten verlenen aan zowel Berec als het Beleidsorgaan radiospectrum (RSPB), en zo de bestaande band tussen de twee organen versterken voor betere coördinatie en coherentere resultaten.
Administratieve kosten
De administratieve kosten voor bedrijven houden verband met de verplichtingen en voordelen van de uitschakeling van kopernetwerken en toegang, en met de gebieden van vereenvoudiging. De aanvullende administratieve verplichtingen in verband met de voorwaardelijke uitschakeling van kopernetwerken leiden tot een stijging van de direct terugkerende administratieve kosten met 7 % (in vte’s per jaar) en eenmalige kosten van 73 miljoen EUR ten opzichte van de huidige situatie. Zowel de harmonisatie van de machtigingsvoorwaarden als de EU-satellietmachtiging zal bepaalde eenmalige kosten met zich meebrengen vanwege aanpassingen aan de gemeenschappelijke voorwaarden. Over het geheel genomen zullen de terugkerende kosten voor machtiging en uitvoering echter dalen.
•Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging
Wat toegangsregulering betreft, zou in de voorkeursoptie een aantal bepalingen met betrekking tot de AMM-verordening worden geschrapt, zoals de bepalingen inzake mede-investeringen (artikel 76 van het Europees wetboek voor elektronische communicatie) en functionele scheiding (artikelen 77 en 78 van het Europees wetboek voor elektronische communicatie). Tegelijkertijd zou het voor de NRI’s eenvoudiger worden om op eigen initiatief (en niet op verzoek, zoals nu het geval is) de verlening van toegang tot bekabeling in gebouwen en verder dan het eerste concentratiepunt verplicht te stellen. Hierdoor worden de bestaande regels vereenvoudigd en worden de geconstateerde tekortkomingen, de onnodige complexiteit en het potentiële gebrek aan samenhang in verband met die bepalingen, die tot het beperkte gebruik ervan hebben geleid, weggenomen. Bovendien zullen de gevolgen van de schrapping op de dekking en het gebruik van glasvezel en op de mededinging waarschijnlijk beperkt zijn. Dit geldt met name voor artikel 76 van het Europees wetboek voor elektronische communicatie, dat wordt vervangen door een bredere analyse door de NRI’s van de gevolgen van commerciële regelingen, met inbegrip van mede-investeringen in het kader van de marktanalyseprocedure. Belanghebbenden hebben ook het Refit-potentieel van deze bepalingen erkend.
Bovendien zal de voorgestelde optie het toezicht vereenvoudigen, versterken en vergroten, hetgeen zal leiden tot een consistentere toepassing van corrigerende maatregelen, wat ook gunstig zal zijn voor de eengemaakte markt van de EU. De harmonisatie van specificaties voor belangrijke wholesaleproducten en de aandacht voor garanties met betrekking tot de kwaliteit van diensten voor bedrijven moeten het gebruik van toegangsproducten vereenvoudigen en daarnaast de mededinging op het gebied van diensten voor multinationale bedrijven en bedrijven met meerdere locaties bevorderen.
Wat spectrum betreft, biedt de consolidatie van de relevante bepalingen van het programma voor het radiospectrumbeleid en het Europees wetboek voor elektronische communicatie grote voordelen voor Refit, aangezien consistentie zal worden gegarandeerd door middel van de schrapping van overlappende en achterhaalde bepalingen die het concurrentievermogen van de EU bij de uitrol van innovatieve diensten belemmeren.
De EU-machtiging voor het aanbieden van satellietnetwerken en -diensten en het gebruik van satellietspectrum biedt mogelijkheden voor aanzienlijke efficiëntiewinst, aangezien de kosten van satellietmachtigingen voor satellietexploitanten en nationale instanties erdoor zouden dalen. Een satellietexploitant die diensten in de hele EU wil aanbieden, hoeft niet langer 27 machtigingsprocedures te doorlopen, 27 reeksen machtigingsvoorwaarden in acht te nemen, met onder meer uiteenlopende en dure rapportageverplichtingen en ondoeltreffende handhavingsmaatregelen, of in alle lidstaten afzonderlijk spectrumrechten te verkrijgen.
In plaats daarvan zou de Commissie de verzoeken ontvangen en, met de hulp van het ODN, machtigingen afgeven om satellietdiensten aan te bieden, alsook machtigingen om spectrum te gebruiken, met inbegrip van individuele spectrumgebruiksrechten, hetzij voor specifieke lidstaten waar de aanbieder diensten wil aanbieden, hetzij voor de hele EU. In de hele EU zouden dezelfde machtigingsvoorwaarden, met inbegrip van rapportage-elementen, gelden, die met de hulp van het ODN en het RSPB worden ontwikkeld. De Commissie zou in geval van spectrumschaarste ook zorgen voor selectie op EU-niveau. Voorts zou er een bindend nalevings- en handhavingskader op EU-niveau komen om te waarborgen dat de toegang van satellietconstellaties tot de EU-markt voldoet aan de gemeenschappelijke voorwaarden en in overeenstemming is met het internationaal recht.
Met handhaving op EU-niveau (met inbegrip van intrekking van de machtiging voor de gehele eengemaakte markt van de EU) zouden interferentieproblemen doeltreffend kunnen worden aangepakt en kan tegelijkertijd de naleving van machtigingsvereisten worden gestimuleerd.
Machtigingen voor terrestrische netwerken en diensten zijn een ander belangrijk gebied waarop de efficiëntie zal kunnen worden verbeterd. De flexibiliteit in de regelgeving van het Europees wetboek voor elektronische communicatie is een belangrijke oorzaak van problemen met de algemene machtigingsregeling in de elektronischecommunicatiesector van de EU. Deze flexibiliteit heeft geleid tot versnippering en een inconsistente toepassing van de algemene machtigingsvoorwaarden. In het Europees wetboek voor elektronische communicatie zijn geharmoniseerde algemene machtigingsvoorwaarden vastgesteld, maar dit is slechts een maximumlijst en de nationale discretionaire bevoegdheid om de voorwaarden bepalen, bleef behouden. Bijgevolg hebben de lidstaten niet gekozen voor een gemeenschappelijke aanpak van de algemene machtigingsregeling wat betreft de soorten aanbieders van netwerken en diensten, en hebben zij uiteenlopende secundaire wetgeving en/of administratieve (regelgevende) besluiten ingevoerd om de voorwaarden nader te specificeren. Een maximumlijst met 39 voorwaarden in 26 lidstaten (Denemarken heeft geen systeem inzake algemene machtiging) kan resulteren in de vaststelling op nationaal niveau van 1 014 voorwaarden, waaraan een exploitant die grensoverschrijdend actief is (ofwel die in 27 lidstaten een aanwezigheid heeft of aan regelgeving is onderworpen) moet voldoen.
Het voorstel vermindert deze versnippering en beperkt de rapportage- en nalevingsverplichtingen door aanbieders uitsluitend te onderwerpen aan gestroomlijnde, verder geharmoniseerde voorwaarden en verplichtingen die in de verordening zijn vastgesteld, en samenhang te waarborgen met andere wetgeving en beleidsinitiatieven van de EU, zoals de EU-strategie voor economische veiligheid, zodat netwerken en diensten op betrouwbare en veilige wijze kunnen worden aangeboden. Voorts handhaaft het voorstel een gestroomlijnd, op meldingen gebaseerd systeem in de vorm van één paspoort voor ondernemingen die netwerken en diensten op de eengemaakte markt willen aanbieden, maar kunnen aanbieders in één, meerdere of alle lidstaten actief te zijn op basis van een bevestiging van één nationale regelgevende instantie. Daartoe zullen, met de hulp van Berec en het ODN, de algemene machtigingsvoorwaarden, de procedure voor het ene paspoort en mechanismen voor coördinatie, wederzijdse bijstand en een consistente handhaving door de verschillende nationale regelgevende instanties worden vastgesteld.
Wat de gevolgen voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) betreft, zullen vereenvoudigde procedures, waaronder een gemeenschappelijk kennisgevingsmodel en één kennisgevingsmechanisme, de administratieve en nalevingskosten voor aanbieders, met name kmo’s, naar verwachting verminderen. Deze besparingen zullen kmo’s in staat stellen middelen die zij voorheen moesten besteden aan regelgevingsprocessen, aan te wenden voor innovatie en groei. Door de grotere rechtszekerheid en voorspelbaarheid van regelgeving verbetert het concurrentievermogen van kmo’s en wordt markttoegang gefaciliteerd. Kmo’s profiteren daarnaast indirect van gemeenschappelijke flexibelere toegangsregelingen, waaronder vereenvoudigde toegang tot spectrum en gedeeld spectrumgebruik, die de toetredingsdrempels verlagen en de ontwikkeling en opschaling van innovatieve diensten aanmoedigen. Dit geldt met name voor sectoren als productie, gezondheidszorg, landbouw en vervoer. Er worden geen onevenredige negatieve gevolgen voor kmo’s verwacht. Integendeel, de maatregelen zullen naar verwachting nettovoordelen opleveren voor deze ondernemingen, waaronder kostenbesparingen en betere mogelijkheden voor innovatie.
•Grondrechten
De gevolgen van het voorstel voor de grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en van informatie, non-discriminatie, consumentenbescherming, met inbegrip van de bescherming van consumenten met een handicap, de bescherming van persoonsgegevens en het recht op privacy, werden geanalyseerd. De verordening zal met name zorgen voor een hoger niveau van harmonisatie van de rechten van eindgebruikers, en het hoge niveau van consumentenbescherming wordt gehandhaafd.
In het voorstel wordt ten volle rekening gehouden met de fundamentele rechten en beginselen die zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De voorgestelde maatregelen zijn met name gericht op het bereiken van een hoger niveau van connectiviteit met een reeks gemoderniseerde regels inzake consumentenbescherming. Dit zal op zijn beurt niet-discriminerende toegang waarborgen tot alle inhoud en diensten, met inbegrip van openbare diensten, en bijdragen tot de bevordering van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van ondernemerschap, en de lidstaten in staat stellen het Handvest na te leven.
De invoering van een verplichte, maar voorwaardelijke uitschakeling van kopernetwerken vormt een beperking van de vrijheid van ondernemerschap uit hoofde van artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de EU. Een dergelijke beperking kan echter gerechtvaardigd zijn wanneer daarmee een doelstelling van algemeen belang wordt nagestreefd en de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid in acht worden genomen. Uit de marktontwikkelingen blijkt reeds dat exploitanten op grond van commerciële overwegingen kopernetwerken geleidelijk uitschakelen, hetgeen erop wijst dat een gestructureerde uitschakeling niet per definitie in strijd is met hun belangen. Gezien de verwachte sociale, economische en milieuvoordelen lijkt de maatregel in overeenstemming te zijn met het vereiste van noodzaak. Bovendien zorgen de voorgestelde duurzaamheidsvoorwaarden, de optie om kopernetwerken gedurende een langere periode te blijven gebruiken wanneer niet aan de voorwaarden wordt voldaan en de mogelijke uitzondering op de uitschakeling van kopernetwerken in situaties waarin de uitrol van glasvezel of een andere adequate connectiviteitsoplossing niet mogelijk is, ervoor dat evenredigheid wordt gewaarborgd.
4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
De gevolgen van het voorstel voor de begroting worden in het financieel en digitaal memorandum bij het voorstel in detail beschreven. In totaal zijn 47 voltijdequivalenten (vte’s) nodig om aan het initiatief te werken, bestaande uit 32 personeelsformatieposten en 15 externe personeelsleden (AC’s en GND’s) om de volledige en doeltreffende uitvoering van het initiatief te waarborgen. In deze behoefte zal worden voorzien door personeel van het DG dat reeds voor het beheer van de actie is toegewezen en/of binnen het DG of andere diensten van de Commissie wordt herverdeeld. Naast deze bestaande middelen zijn voor het initiatief 5 vte’s aan uitzonderlijk extra personeel nodig, bovenop de huidige personeelsbezetting, om de volledige en doeltreffende uitvoering van het initiatief te waarborgen. Het ongewijzigde deel van het ODN zal nog steeds worden gefinancierd vanuit de huidige begrotingslijn voor uitgaven van het Berec-Bureau en de extra uitgaven die voortvloeien uit de nieuwe taken van het ODN, zoals beschreven in het voorstel, zullen worden gefinancierd uit vergoedingen voor satellietspectrummachtigingen en, in voorkomend geval, vergoedingen voor EU-nummermachtigingen, en uit vrijwillige bijdragen en bijdragen in natura van de lidstaten.
Het voorstel omvat ook taken waarvoor extra personeel nodig is bij het Berec-Bureau (dat zal worden omgevormd tot het Bureau voor digitale netwerken — “ODN”), hetgeen leidt tot een totale toename van het personeel met 25 vte’s, die allemaal zullen worden gefinancierd uit vergoedingen.
5.OVERIGE ELEMENTEN
•Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende monitoring, evaluatie en rapportage
De Commissie moet de toepassing van deze verordening monitoren en de doeltreffendheid ervan in de loop van de tijd evalueren. Zij moet de werking van deze verordening vijf jaar na de inwerkingtreding en vervolgens om de vijf jaar evalueren en een verslag voorleggen aan het Europees Parlement en de Raad. Bij die evaluaties moet in het bijzonder worden gekeken naar de markteffecten van de artikelen 69 en 83, alsmede naar de vraag of de interventiebevoegdheden ex ante en de andere interventiebevoegdheden op grond van deze verordening volstaan om de nationale regelgevende instanties in staat te stellen ervoor te zorgen dat de mededinging op elektronischecommunicatiemarkten blijft gedijen ten behoeve van de eindgebruikers.
De nationale regelgevende instanties moeten de Commissie ook in kennis stellen van de namen van ondernemingen die voor de toepassing van deze verordening zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, en van de verplichtingen die krachtens de verordening aan deze ondernemingen worden opgelegd. Alle wijzigingen met betrekking tot de aan ondernemingen opgelegde verplichtingen of de ondernemingen waarvoor deze verplichtingen gelden, worden onverwijld ter kennis van de Commissie gebracht.
Uiterlijk drie jaar na de datum van toepassing van deze verordening moet de Commissie de werking van de samenwerking binnen het ecosystemen evalueren, zoveel mogelijk rekening houdend met het Berec-verslag over de effecten van de toepassing van de richtsnoeren op de doeltreffende samenwerking binnen het ecosystemen en op de werking van de faciliteit voor vrijwillige bemiddeling.
Bovendien moet de Commissie uiterlijk op 30 juni 2034 de omvang van de betaalbare universele dienst en de beschikbaarheid van de universele dienst evalueren in het licht van de sociale, economische en technologische ontwikkelingen, met inbegrip van de overstap naar glasvezel. Bij de evaluatie moet rekening worden gehouden met de gangbare technologieën die door de meeste consumenten worden gebruikt. De Commissie moet verslag uitbrengen aan het Europees Parlement en aan de Raad verslag over de resultaten van de evaluatie.
Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening moet het ODN een verslag opstellen over de interne markt voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten. In dit verslag moet een overzicht worden gegeven van de marktontwikkelingen en worden onderzocht hoe de krachtens deze verordening ingevoerde maatregelen van invloed zijn op de werking van de eengemaakte markt, en over de markteffecten van fusies. Het ontwerpverslag moet voorafgaand aan publicatie ter goedkeuring worden voorgelegd aan Berec en RSPB. Vervolgens moeten jaarlijks geactualiseerde verslagen worden gepubliceerd om de vooruitgang en nieuwe trends te monitoren.
•Toelichtende stukken (bij richtlijnen)
•Artikelsgewijze toelichting
Deel I — Toepassingsgebied, doelstellingen en definities
In deel I van deze verordening wordt het horizontale kader voor de ordening van de elektronischecommunicatiesector binnen de EU vastgesteld. Hier worden het onderwerp, het toepassingsgebied en de kernbegrippen van de verordening gedefinieerd en de gemeenschappelijke definities vastgesteld die van toepassing zijn op het rechtskader, teneinde rechtszekerheid en een consistente toepassing in alle lidstaten te waarborgen. Dit deel bevat ook de algemene doelstellingen en regelgevingsbeginselen die als leidraad moeten dienen voor de werkzaamheden van de lidstaten, nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, Berec, het RSPB en het ODN, alsook de Commissie.
Deel II — Veerkracht
Deel II voorziet in een specifiek kader voor de veerkracht en paraatheid van netwerken en diensten, waarbij wordt erkend dat elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en andere digitale infrastructuur essentieel zijn voor het functioneren van de samenleving en de economie. Hiertoe worden verplichtingen en samenwerkingsmechanismen vastgesteld om de beschikbaarheid en vermogens van netwerken en diensten in ernstige crisissituaties te waarborgen. Hieronder valt onder meer de continuïteit van noodcommunicatie en publieke waarschuwingen. Ook wordt voorzien in de vaststelling van een verslag van Berec getiteld “EU-paraatheidsplan voor digitale infrastructuur”. Dit verslag zal een beoordeling, gemeenschappelijke operationele aanbevelingen en methoden van crisisbeheersing bevatten. In het verslag worden bovendien de respectieve rollen van EU-organen en de nationale bevoegde instanties op het gebied van monitoring, coördinatie en respons verduidelijkt, zodat zij kunnen bijdragen tot een coherente en doeltreffende EU-brede aanpak van veerkracht en paraatheid in de elektronischecommunicatiesector.
Deel III — Machtiging voor de eengemaakte markt en paspoorten
In deel III wordt het uniforme kader vastgesteld voor het ene paspoort voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten in het kader van een algemene machtigingsregeling. De vrijheid om dergelijke netwerken en diensten in de hele EU aan te bieden, mits aan de gemeenschappelijke verdere voorwaarden en verplichtingen van deze verordening wordt voldaan, wordt bevestigd. Dit deel voorziet ook in een gestroomlijnd, op meldingen gebaseerd systeem dat aanbieders in staat stelt in één, meerdere of alle lidstaten actief te zijn op basis van één bevestiging van één nationale regelgevende instantie. Het voorstel is in overeenstemming met andere initiatieven inzake striktere eisen voor de beveiliging van ICT-toeleveringsketens. Daartoe zullen, met de hulp van Berec en het ODN, de algemene machtigingsvoorwaarden, de procedure voor het ene paspoort en mechanismen voor coördinatie, wederzijdse bijstand en een consistente handhaving door de verschillende regelgevende instanties worden vastgesteld. In de Berec-richtsnoeren, die in samenwerking met andere bevoegde instanties en de Commissie worden opgesteld, zal worden ingegaan op de procedurele aspecten van de interactie tussen aanbieders, nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, en op de onderlinge afstemming van de toepasselijke voorwaarden en regels van de lidstaten.
Deel IV — Middelen, spectrum en nummering
Deel IV voorziet in een alomvattend en toekomstgericht kader voor het beheer, de toewijzing en het gebruik van essentiële elektronische communicatiemiddelen. Hieronder vallen radiospectrum- en nummervoorraden, met erkenning van hun rol als strategische collectieve goederen die van essentieel belang zijn voor connectiviteit, innovatie, veiligheid en de werking van de eengemaakte markt. Wat radiospectrum betreft, worden gemeenschappelijke beginselen en doelstellingen vastgesteld voor gecoördineerde strategische planning en beheer op EU-niveau, in overeenstemming met internationale verplichtingen, en worden de mechanismen voor grensoverschrijdende coördinatie en de oplossing van problemen in verband met schadelijke interferentie versterkt. Het beginsel van technologie- en dienstenneutraliteit wordt geïntroduceerd, een gedeeld en efficiënt gebruik van spectrum wordt bevorderd en er worden een EU-spectrumstrategie en -routekaarten verschaft om voorspelbaarheid, tijdige beschikbaarheid en afstemming op de bredere beleidsdoelstellingen van de EU te waarborgen.
Deze verordening harmoniseert ook de machtigingsregelingen en de voorwaarden voor toewijzing, geldigheidsduur, verlenging, overdracht en deling van spectrumrechten, en bevordert gunningsprocedures die investeringen en mededinging aanmoedigen. Voorts worden EU-brede instrumenten vastgesteld, zoals de procedure voor de eengemaakte spectrummarkt, gemeenschappelijke machtigingsvoorwaarden, éénloketprocedures en EU-machtigingen, met inbegrip van een specifiek kader voor satellietnetwerken en -diensten in de EU. De verordening voorziet met name in machtigingen op EU-niveau voor satellietspectrum en in de monitoring en handhaving van die machtigingen. Bovendien wordt een procedure vastgesteld voor de verlening van dergelijke machtigingen, wordt voorzien in meer coördinatiemechanismen voor ITU-aanvragen en wordt de co-existentie tussen satelliet- en terrestrische spectrumtoewijzingen binnen de EU gewaarborgd.
Tegelijkertijd biedt deel IV een kader voor pan-Europese nummervoorraden en worden de regels voor nummervoorraden vastgesteld, waarbij het efficiënte beheer, de beschikbaarheid en het extraterritoriale gebruik ervan in de hele EU worden gewaarborgd, EU-brede diensten worden ondersteund en de consumentenbescherming en eerlijke toegang worden gewaarborgd. Samen hebben deze bepalingen tot doel een efficiënt, gecoördineerd en toekomstbestendig gebruik van schaarse middelen te garanderen en tegelijkertijd de rechtszekerheid te vergroten, de versnippering te verminderen en de ontwikkeling van innovatieve, grensoverschrijdende elektronischecommunicatienetwerken en -diensten in de hele EU mogelijk te maken.
Deel V — Overstap naar glasvezel, marktwerking en mededinging
Deel V bevat de regels om de goede werking van de elektronischecommunicatiemarkten en daadwerkelijke mededinging in de hele EU te waarborgen.
Ten eerste wordt een specifiek kader ingevoerd voor een ordelijke overstap van verouderde kopernetwerken naar FTTH-netwerken. Dit kader zal van toepassing zijn indien na een bepaalde datum nog steeds gebruik wordt gemaakt van kopernetwerken. De overstap naar glasvezel zal gebaseerd zijn op nationale plannen die bij de Commissie moeten worden aangemeld. In deze nationale plannen wordt toegelicht i) in welke zones kopernetwerken wordt uitgeschakeld en wanneer; en ii) welke maatregelen zullen worden genomen om de overstap naar glasvezel te bevorderen.
In de beginfase moeten de lidstaten de uitschakeling van kopernetwerken verplicht stellen in gebieden waar cumulatief aan de volgende twee voorwaarden wordt voldaan: i) dekking van glasvezel van ten minste 95 %; en ii) beschikbaarheid van betaalbare retailconnectiviteitsdiensten. In de laatste fase zullen deze voorwaarden geen rol meer spelen en moeten de lidstaten de uitschakeling van kopernetwerken in alle resterende zones voor de uitschakeling van kopernetwerken verplicht moeten stellen, met uitzondering van gebieden waar de uitrol van glasvezel economisch niet haalbaar is en er geen adequate connectiviteitsoplossing beschikbaar is om op koper gebaseerde diensten te vervangen. Gedurende het volledige proces zijn waarborgen van toepassing om continuïteit te garanderen en de consument te beschermen.
Deel V heeft ook betrekking op het kader voor toegang tot land en doorgangsrechten, interconnectie en toegang, en de toepassing van symmetrische en op AMM gebaseerde regelgevende corrigerende maatregelen. In dit deel worden de rechten en plichten verduidelijkt van ondernemingen bij onderhandelingen over toegang en interconnectie, en krijgen de nationale regelgevende instanties de bevoegdheid om evenredige maatregelen op te leggen om, indien gerechtvaardigd, eind-tot-eindverbindingen en interoperabiliteit te waarborgen.
In dit deel worden de belangrijkste onderdelen van het huidige systeem van symmetrische en AMM-toegangsregulering gehandhaafd. Wat AMM betreft, wordt in de regels prioriteit toegekend aan een “investeringsvriendelijke” regulering van de toegang tot passieve netwerken (buizen en masten die exploitanten gebruiken om hun eigen glasvezelnetwerken uit te rollen) en wordt de harmonisatie van toegangsproducten bevorderd. Wat symmetrische toegang betreft, zijn de regels erop gericht de ingebruikname van glasvezel te stimuleren door de toegang tot bekabeling van gebouwen op verzoek te handhaven. Daarnaast kunnen NRI’s symmetrische maatregelen gebruiken om lokale knelpunten aan te pakken door de verlening van toegang tot lokale glasvezelnetwerken verplicht te stellen. Bovendien moeten de symmetrische regels de aansluiting mogelijk maken van eindgebruikers in niet-aangesloten panden door middel van een verplichting voor glasvezelexploitanten die een netwerk in de buurt uitrollen om die gebruikers aan te sluiten.
Deel V versterkt de internemarktprocedures voor ontwerpen van nationale maatregelen die gevolgen hebben voor de handel tussen de lidstaten, en waarborgt een consistente toepassing in de hele EU door middel van gecoördineerde kennisgevings-, beoordelings- en interventiemechanismen.
Deel VI bevat dienstgerelateerde verplichtingen die moeten waarborgen dat eindgebruikers in de EU kunnen profiteren van essentiële connectiviteit en een gemeenschappelijk beschermingsniveau. De universeledienstverplichtingen worden gemoderniseerd door, in overeenstemming met beginsel 20 van de Europese pijler van sociale rechten, het recht van alle consumenten, met name consumenten met een laag inkomen, op toegang tot een betaalbare adequate internettoegangsdienst en spraakcommunicatiediensten op een vaste locatie te actualiseren. Er worden gemeenschappelijke procedures vastgesteld voor de wijze waarop de lidstaten “adequate” connectiviteit definiëren in het licht van de minimumbandbreedte waarover de meeste consumenten beschikken. Deze gemeenschappelijke procedures worden ondersteund door richtsnoeren van Berec en waarborgen de bandbreedte die nodig is voor sociale en economische participatie in de samenleving. Dit deel voorziet ook in een gestructureerde aanpak van betaalbaarheid, met inbegrip van monitoring van de ontwikkeling van de retailprijzen, maatregelen voor consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften, en specifieke steun om gelijkwaardige toegang voor eindgebruikers met een handicap te waarborgen, en stelt de Commissie in staat uitvoeringshandelingen vast te stellen inzake adequate internettoegangsdiensten in het licht van de nationale voorwaarden en criteria, en de methoden die kunnen worden gebruikt voor de beoordeling van de betaalbaarheid. Er wordt een nieuwe en flexibelere aanpak van financiering voorgesteld zonder sectorspecifieke aanwijzing of het verwante financieringsmechanisme.
In deel VI worden voorts de rechten van eindgebruikers in de digitale omgeving gewaarborgd. Open-internettoegang wordt in stand gehouden door de rechten van eindgebruikers op toegang tot en verspreiding van inhoud en op het gebruik van de toepassingen en eindapparatuur van hun keuze te codificeren. Dit gaat gepaard met strikte verplichtingen inzake netneutraliteit, met uitsluitend duidelijk afgebakende en evenredige uitzonderingen en robuust toezicht door de nationale regelgevende instanties, aangevuld met verslagen en richtsnoeren van Berec. De regels voor de bescherming van eindgebruikers, die in drie hoofdstukken worden gepresenteerd, worden geconsolideerd en geactualiseerd.
Het hoofdstuk “Rechten van consumenten” heeft naast consumenten ook betrekking op micro-ondernemingen en organisaties zonder winstoogmerk (sommige bepalingen zijn bovendien van toepassing op kleine en middelgrote ondernemingen) en omvat sectorspecifieke regels inzake transparantie en contractinformatie (met inbegrip van een model voor de samenvatting van het contract), de looptijd en beëindiging van contracten, en gebundelde aanbiedingen.
Het hoofdstuk “Rechten van eindgebruikers” heeft betrekking op het overstappen naar een andere aanbieder en nummerportabiliteit, en waarborgt non-discriminatie.
Het hoofdstuk “Faciliteiten en functionaliteiten voor eindgebruikers” bevat maatregelen om frauduleuze activiteiten tegen te gaan en garandeert kritieke diensten zoals meldpunten voor vermiste kinderen, noodcommunicatie en publieke waarschuwingssystemen, evenals het gebruik van de Europese portemonnee voor digitale identiteit. In overeenstemming met de technologische ontwikkeling en nieuwe uitdagingen met betrekking tot de bescherming van eindgebruikers in dit verband, bevat het hoofdstuk ook geactualiseerde regels inzake identificatie van het oproepende nummer, identificatie van het initiërende nummer, automatische doorschakeling van oproepen en automatische oproepsystemen. Het bevat bepalingen inzake gelijkwaardige toegang en keuzemogelijkheden voor eindgebruikers met een handicap.
In deel VI worden ook gerichte interoperabiliteits- en doorgiftebepalingen gehandhaafd en krijgt de Commissie de bevoegdheid om technische bijlagen te wijzigen door middel van gedelegeerde handelingen om deze aan te passen aan technologische en maatschappelijke ontwikkelingen.
In deel VII wordt het governancekader vastgesteld om de coherente, onafhankelijke en doeltreffende werking van de eengemaakte markt voor elektronische communicatie te waarborgen. De rollen, bevoegdheden en waarborgen die van toepassing zijn op de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties worden gedefinieerd, hun taken worden duidelijk omschreven, hun juridische en functionele onafhankelijkheid van marktdeelnemers wordt gehandhaafd en zij krijgen voldoende middelen en budgettaire autonomie. Dit deel bevat ook gemeenschappelijke beginselen inzake benoeming, ontslag, verantwoordingsplicht en transparantie, evenals verplichtingen tot samenwerking en coördinatie op nationaal en grensoverschrijdend niveau, hetgeen op zijn beurt de consistentie van de regelgeving en het wederzijds vertrouwen in de EU ten goede komt.
In deel VII wordt de governance op EU-niveau verder geconsolideerd door de rol van Berec, het RSPB en het ODN te integreren en versterken. Het verduidelijkt de doelstellingen, taken en interne organisatie van Berec en vergroot de capaciteit van het orgaan om een consistente uitvoering van het regelgevingskader te bevorderen door middel van adviezen, richtsnoeren, verslagen en beste praktijken, ondersteund door gestructureerde gegevensverzameling en markttoezicht. En met het oog op de geopolitieke context worden de bevoegdheden van Berec in verband met veerkracht en paraatheid versterkt, onder meer door middel van de vaststelling van het EU-paraatheidsplan voor digitale infrastructuur. Tegelijkertijd wordt een robuuster kader vastgesteld voor strategische radiospectrumgovernance via het RSPB door de adviserende en coördinerende rol van het orgaan in het spectrumbeleid van de EU, de grensoverschrijdende coördinatie en de internationale betrekkingen te definiëren en tegelijkertijd nauwe samenwerking met Berec te waarborgen wanneer regelgevings- en spectrumaangelegenheden onderling overlappen.
In deel VII wordt een uitgebreid organisatorisch, financieel en verantwoordingskader verschaft voor het ODN als EU-orgaan dat zowel Berec als het RSPB ondersteunt. De taken, governancestructuur, programmering en begrotings- en personeelsregels van het ODN worden beschreven en transparantie, goed financieel beheer en doeltreffend toezicht, met inbegrip van fraudebestrijdings-, audit- en evaluatiemechanismen, worden gewaarborgd.
Deel VIII — Algemene en slotbepalingen
Deel VIII bevat de algemene, procedurele en slotbepalingen die de doeltreffende, transparante en gemeenschappelijke toepassing van deze verordening in de hele EU waarborgen. Er wordt een alomvattend kader vastgesteld voor de geharmoniseerde verstrekking, uitwisseling en publicatie van informatie, waarbij de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, Berec en het RSPB de bevoegdheid krijgen om ondernemingen om evenredige, gerechtvaardigde en tijdige informatie te vragen, onder meer over duurzaamheid, met inachtneming van de vertrouwelijkheid, gegevensbescherming en bedrijfsgeheimen. Voorts wordt voorzien in regelmatig onderzoek naar de uitrol van netwerken in verschillende regio’s en prognoses, waardoor empirisch onderbouwde regelgeving mogelijk wordt en kan worden bijgedragen tot een geïnformeerde besluitvorming over overheidsfinanciering en gecoördineerde planning, onder meer tijdens de transitie van verouderde netwerken naar glasvezelnetwerken.
In deel VIII wordt door middel van gestructureerde raadplegings- en transparantiemechanismen ook openheid, participatie en de consistentie van regelgeving bevorderd. Openbare raadplegingen voor ontwerpmaatregelen met een aanzienlijke impact op de markt, toegankelijke raadplegingsprocedures en de systematische betrokkenheid van eindgebruikers, met inbegrip van consumenten en eindgebruikers met een handicap, en andere belanghebbenden, worden verplicht gesteld. Op EU-niveau worden harmonisatie- en normalisatieprocedures ingevoerd die de Commissie in staat stellen om, met de steun van Berec of het RSPB, verschillen aan te pakken die de eengemaakte markt dreigen te versnipperen, en tegelijkertijd op technologieneutrale wijze interoperabele, toekomstbestendige technische normen te bevorderen.
Deel VIII bevat duidelijke regels inzake geschillenbeslechting, naleving, handhaving en rechtszekerheid. Het voorziet in buitengerechtelijke en regelgevende geschillenbeslechtingsmechanismen op nationaal en grensoverschrijdend niveau, aangevuld met richtsnoeren en vrijwillige bemiddeling om coöperatieve, innovatieve en duurzame ecosysteempraktijken aan te moedigen. Daarnaast wordt voorzien in evenredige handhavingsbevoegdheden, sancties en waarborgen, met inbegrip van het recht van beroep, en wordt het gebruik van gedelegeerde en uitvoeringsbevoegdheden, comitéprocedures, monitoring, evaluatie en overgangsregelingen geregeld.
2026/0013 (COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
inzake digitale netwerken, tot wijziging van Verordening (EU) 2015/2120, Richtlijn 2002/58/EG en Beschikking 676/2002/EG en tot intrekking van Verordening (EU) 2018/1971, Richtlijn (EU) 2018/1972 en Besluit 243/2012/EU (verordening digitale netwerken)
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,
Gezien het advies van het Comité van de Regio’s,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Technologieën evolueren snel, het dataverkeer neemt aanzienlijk toe en daarmee de vraag naar gigabitconnectiviteit. Moderne en duurzame digitale infrastructuur voor connectiviteit en computing is van cruciaal belang voor digitalisering en derhalve zowel voor het concurrentievermogen van de industrie als voor de capaciteit van de samenleving om ten volle te profiteren van digitale diensten. Daarom moet iedereen overal in de Unie, ook in plattelands- en afgelegen gebieden, op eilanden en in bergachtige, dunbevolkte en ultraperifere gebieden, toegang krijgen tot hoogwaardige, veilige en veerkrachtige connectiviteit, waarbij ook betaalbare toegang moet worden gewaarborgd voor mensen met een laag inkomen.
(2)De interne markt voor elektronische communicatie blijft versnipperd over 27 nationale markten, en Europese exploitanten worden nog steeds geconfronteerd met belemmeringen wanneer zij grensoverschrijdend willen opereren of opschalen, waardoor hun vermogen om onder gelijke voorwaarden te investeren, innoveren en concurreren in het uitgebreide connectiviteitsecosysteem wordt beperkt. Voor andere spelers die toetreden tot het bredere connectiviteitsecosysteem, zoals aanbieders van inhoud en toepassingen, geldt in de meeste gevallen een op het land van vestiging gebaseerde regeling en profiteren zij derhalve wel van één eengemaakte Uniemarkt. Het bestaan van dit ongelijke gelijke speelveld tussen verschillende actoren in het ecosysteem werd erkend in het witboek van de Commissie “Tegemoetkomen aan de digitale-infrastructuurbehoeften van Europa” en in het rapport-Letta. In dit verband onderstreepte de Europese Raad in zijn conclusies van oktober 2025 dat bijzondere inspanningen nodig zijn om “de eengemaakte markt voor elektronische communicatie te verdiepen”.
(3)Bij Besluit (EU) 2022/2481 van het Europees Parlement en de Raad werden de digitale streefcijfers voor 2030 van het beleidsprogramma voor het digitale decennium vastgesteld. Dit programma sluit aan op de nagestreefde connectiviteitsdoelstellingen, namelijk dat alle eindgebruikers op een vaste locatie tot aan het netwerkaansluitpunt toegang hebben tot een gigabitnetwerk en alle bevolkte gebieden toegang hebben tot draadloze hogesnelheidsnetwerken van de volgende generatie met prestaties die ten minste gelijkwaardig zijn aan die van 5G. Om die doelstellingen te halen, moet de uitrol van vaste en draadloze gigabitnetwerken in de hele Unie door middel van beleid worden vereenvoudigd, versneld en goedkoper worden gemaakt, onder meer door de administratieve lasten voor zowel exploitanten als nationale overheden te verminderen.
(4)Bij Richtlijn (EU) 2018/1972 werd het Europees wetboek voor elektronische communicatie vastgesteld. Het Europees wetboek voor elektronische communicatie heeft, door middel van zijn doelstellingen om de connectiviteit en toegang tot en gebruik van geavanceerde netwerken te bevorderen, bijgedragen tot de totstandbrenging of instandhouding van daadwerkelijke mededinging op de markten voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten. De lidstaten moesten uiterlijk op 21 december 2020 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vaststellen en bekendmaken om het Europees wetboek voor elektronische communicatie in hun nationale wetgeving om te zetten. De volledige omzetting in alle 27 lidstaten werd pas in 2024 voltooid. Dergelijke lange perioden tussen de vaststelling van de richtlijn en de omzetting van die richtlijn in de rechtsstelsels van de lidstaten zijn niet acceptabel gezien de snelle technologische veranderingen in de huidige geopolitieke en economische context, die regels vereisen die snel een effect teweeg kunnen brengen op de markt. Bovendien gaan sommige nationale bepalingen die verband houden met bepalingen van het Europees wetboek voor elektronische communicatie verder dan wat strikt noodzakelijk zou zijn voor een volledige en conforme omzetting. Het Europees wetboek voor elektronische communicatie (een richtlijn) heeft derhalve geleid tot nationale versnippering en is er derhalve niet in geslaagd een echte eengemaakte markt tot stand te brengen. Daarom moet het Europees wetboek voor elektronische communicatie worden omgevormd tot een verordening en moeten de bepalingen ervan worden samengevoegd met bepalingen die verband houden met de doelstellingen van dit wetboek, maar zijn vastgelegd in andere richtlijnen, verordeningen of besluiten, waaronder Verordening (EU) 2018/1971 van het Europees Parlement en de Raad. Richtlijn 2018/1972, Verordening (EU) 2018/1971, Beschikking 243/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad, en delen van Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad en van Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad moeten derhalve worden samengevoegd tot één verordening, de verordening digitale netwerken.
(5)In haar witboek “Tegemoetkomen aan de digitale-infrastructuurbehoeften van Europa” uit 2024 merkte de Commissie op dat de connectiviteitssector ingrijpende technologische veranderingen ondergaat: digitale infrastructuur wordt cloud- en AI-gebaseerd en het connectiviteitsecosysteem wordt verbreed om nieuwe innovatieve diensten aan te bieden. Derhalve moet rekening worden gehouden met de evolutie van elektronischecommunicatienetwerken naar “digitale netwerken”.
(6)Deze verordening bestrijkt niet de inhoud die via elektronischecommunicatienetwerken met behulp van elektronischecommunicatiediensten wordt geleverd, zoals de inhoud van omroepprogramma’s, financiële diensten en bepaalde diensten van de informatiemaatschappij, en doet geen afbreuk aan maatregelen die door de Unie of lidstaten, overeenkomstig het Unierecht of het nationale recht, worden genomen om de culturele en taalkundige verscheidenheid te bevorderen en mediapluriformiteit te garanderen. De inhoud van televisieprogramma’s valt onder Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad. Het reguleren van audiovisueel beleid en audiovisuele inhoud strekt tot het verwezenlijken van doelstellingen van algemeen belang, zoals vrijheid van meningsuiting, mediapluriformiteit, onpartijdigheid, culturele en taalkundige verscheidenheid, sociale insluiting, consumentenbescherming en de bescherming van minderjarigen. De scheiding tussen de regelgeving inzake elektronische communicatie en de regelgeving inzake inhoud doet niet af aan het feit dat rekening wordt gehouden met de verbanden die tussen beide bestaan, met name om mediapluriformiteit, culturele verscheidenheid en consumentenbescherming te garanderen. Binnen de grenzen van hun bevoegdheden moeten de bevoegde instanties er mee op toezien dat maatregelen met die doelstellingen worden uitgevoerd.
(7)Deze verordening laat de toepassing van Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad op radioapparatuur onverlet, maar heeft wel betrekking op autoradio-ontvangers en ontvangers voor radio voor consumenten, en op digitaletelevisieapparatuur voor consumenten. Om eind-tot-eindinteroperabiliteit te waarborgen, moeten bepaalde aspecten van radioapparatuur als gedefinieerd in Richtlijn 2014/53/EU en van consumentenapparatuur die wordt gebruikt voor digitale televisie, worden gereguleerd om de toegang voor eindgebruikers met een handicap te faciliteren. Het is belangrijk dat netwerkexploitanten en fabrikanten van apparatuur door nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties worden aangemoedigd om door samenwerking de toegang tot elektronischecommunicatiediensten voor eindgebruikers met een handicap te vergemakkelijken. Om een gecoördineerde aanpak met betrekking tot de machtigingsregeling voor radioapparatuur te waarborgen, moet ook het niet-exclusieve gebruik van radiospectrum voor eigen gebruik van dergelijke radioapparatuur worden gereguleerd.
(8)De eisen ten aanzien van de vermogens van elektronischecommunicatienetwerken liggen steeds hoger. Terwijl het accent in het verleden vooral lag op de algemene beschikbaarheid van toenemende bandbreedte voor elke individuele gebruiker, worden andere parameters zoals de downlink- en uplinkdatasnelheden, wachttijd, beschikbaarheid en betrouwbaarheid steeds belangrijker. Het huidige antwoord op die vraag bestaat erin glasvezel steeds dichter bij de gebruiker te brengen, en toekomstige gigabitnetwerken vereisen prestatieparameters die overeenkomen met hetgeen kan worden geboden door een netwerk dat minstens tot aan het netwerkaansluitpunt bestaat. Voor draadloze aansluitingen stemt dit overeen met prestaties die vergelijkbaar zijn met wat haalbaar is met een glasvezelinstallatie tot bij het basisstation, dat hier als netwerkaansluitpunt geldt. Dergelijke gigabitnetwerken, zowel vaste als mobiele, kunnen datasnelheden leveren in de orde van grootte van ten minste één gigabit per seconde in uplink en downlink, alsook andere geavanceerde prestatieparameters zoals korte wachttijden en een hoge stabiliteit. De term “gigabitnetwerk” vervangt de term “netwerk met zeer hoge capaciteit” en de prestatiekenmerken zijn in dit kader bijgewerkt in overeenstemming met de technologische en marktontwikkelingen. Bijgevolg moet elke verwijzing naar “netwerk met zeer hoge capaciteit” als gedefinieerd in artikel 2, lid 2, van Richtlijn (EU) 2018/1972 op grond van deze verordening worden opgevat als “gigabitnetwerk” zoals gedefinieerd in deze verordening.
(9)Bepaalde elektronischecommunicatiediensten die onder deze verordening vallen, kunnen ook vallen binnen de reikwijdte van de definitie “dienst van de informatiemaatschappij” in artikel 1 van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad. De in die richtlijn opgenomen bepalingen inzake diensten van de informatiemaatschappij zijn op die elektronischecommunicatiediensten van toepassing voor zover noch deze verordening, noch andere rechtshandelingen van de Unie meer specifieke regels inzake elektronischecommunicatiediensten bevatten. Elektronischecommunicatiediensten, zoals spraaktelefonie, berichtendiensten en e-maildiensten, vallen wel onder deze verordening. Dezelfde onderneming, bijvoorbeeld een verstrekker van internetdiensten, kan een elektronischecommunicatiedienst aanbieden, zoals internettoegang, en diensten die niet onder deze verordening vallen, zoals de levering van niet-communicatiegerelateerde internetinhoud.
(10)Door eenzelfde onderneming, bv. een kabelexploitant, kunnen tegelijkertijd elektronischecommunicatiediensten, zoals het doorgeven van televisiesignalen, en niet onder deze verordening vallende diensten, zoals radio- of televisiediensten, worden aangeboden; derhalve kunnen aan een dergelijke onderneming in verband met haar activiteit als aanbieder of verdeler van inhoud bijkomende verplichtingen worden opgelegd overeenkomstig andere bepalingen dan die van deze verordening en onverminderd de in een bijlage bij deze verordening vastgestelde lijst van voorwaarden.
(11)Om onder de definitie van elektronischecommunicatiediensten te vallen, moet een dienst normaal gezien tegen vergoeding worden aangeboden. Hoewel ten volle wordt erkend dat de bescherming van persoonsgegevens een grondrecht is en dat persoonsgegevens derhalve niet als handelswaar mogen worden beschouwd, moeten de toegang tot en het gebruik of een andersoortige verwerking van persoonsgegevens in het kader van het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten op dezelfde wijze worden behandeld als dienstverrichting tegen vergoeding, indien de aanbieder van een dienst om persoonsgegevens verzoekt en de eindgebruiker deze bewust direct of indirect verstrekt aan de aanbieder in de zin van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad. Dit is ook van toepassing op situaties waarin de eindgebruiker toegang tot informatie verleent zonder die informatie actief te verstrekken, zoals persoonsgegevens, waaronder het IP-adres, of andere automatisch gegenereerde informatie, zoals informatie die door cookies of andere technologie wordt verzameld en doorgegeven. De verwerking van persoonsgegevens moet hoe dan ook in overeenstemming zijn met het Unierecht inzake gegevensbescherming. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) inzake artikel 57 VWEU is er ook sprake van dienstverrichting tegen vergoeding als bedoeld in het Verdrag wanneer de aanbieder van de dienst wordt betaald door een derde partij en niet door de ontvanger van de dienst. Het begrip “dienstverrichting tegen vergoeding” moet daarom ook situaties omvatten waarin de eindgebruiker aan reclame wordt blootgesteld.
(12)Interpersoonlijke communicatiediensten zijn diensten die een interactieve uitwisseling van informatie tussen personen mogelijk maken, zoals traditionele telefoongesprekken tussen twee personen, maar ook alle soorten e-mails, berichtendiensten of groepchats. Interpersoonlijke communicatiediensten omvatten alleen communicatie tussen een door de afzender van de communicatie bepaald aantal, d.w.z. een niet potentieel oneindig aantal, natuurlijke personen. Communicatie waarbij rechtspersonen zijn betrokken, moet onder de definitie vallen wanneer natuurlijke personen namens die rechtspersoon handelen of minstens bij één kant van de communicatie zijn betrokken. Interactieve communicatie betekent dat de dienst de ontvanger van de informatie de mogelijkheid biedt te antwoorden. Diensten die niet aan die eisen voldoen, zoals lineaire uitzendingen, video op verzoek, websites, sociale netwerken, blogs of de uitwisseling van informatie tussen machines, mogen niet als interpersoonlijke communicatiediensten worden beschouwd. In uitzonderlijke gevallen mag een dienst niet als een interpersoonlijke communicatiedienst worden beschouwd wanneer de persoonlijke en interactieve communicatiemogelijkheid slechts een beperkte en louter bijkomstige functie is bij een andere dienst en om objectieve technische redenen niet zonder die hoofddienst kan worden gebruikt en de integratie daarvan geen middel is om de regels inzake elektronischecommunicatiediensten te omzeilen. Als onderdeel van een vrijstelling van de definitie moeten de termen “beperkt” en “louter bijkomstig” restrictief en vanuit een objectief eindgebruikersperspectief worden geïnterpreteerd. Een interpersoonlijke communicatiefunctie kan als beperkt worden beschouwd wanneer het objectieve nut ervan voor een eindgebruiker zeer gering is en wanneer zij in werkelijkheid nauwelijks door eindgebruikers wordt gebruikt. Een voorbeeld van een kenmerk dat buiten het toepassingsgebied van de definitie van interpersoonlijke communicatiediensten zou kunnen vallen, zou, in principe, een communicatiekanaal in onlinespellen kunnen zijn, afhankelijk van de kenmerken van de communicatiemogelijkheid van de dienst.
(13)Interpersoonlijke communicatiediensten die gebruik maken van nummers uit nationale en internationale nummerplannen staan in verbinding met openbaar toegewezen nummervoorraden. Nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten zijn zowel diensten waaraan eindgebruikers zijn toegewezen om de eind-tot-eindverbinding te waarborgen als diensten waarmee eindgebruikers personen kunnen bereiken aan wie die nummers zijn toegewezen. Het gebruik van een nummer als identificatiemiddel mag niet op gelijke voet worden gesteld met het gebruik van een nummer om verbinding te maken met openbaar toegewezen nummers en volstaat derhalve niet om te besluiten dat een dienst een nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiedienst is. Nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten mogen alleen aan verplichtingen worden onderworpen wanneer vanwege het algemeen belang specifieke wettelijke verplichtingen moeten worden opgelegd aan alle types elektronischecommunicatiediensten, ongeacht of voor de verlening van de dienst gebruik wordt gemaakt van nummers. Een verschillende behandeling van nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten is gerechtvaardigd omdat die diensten deel uitmaken en derhalve de voordelen genieten van een openbaar gewaarborgd interoperabel ecosysteem.
(14)Het netwerkaansluitpunt vormt voor regelgevingsdoeleinden een grens tussen het regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten en de regeling voor telecommunicatie-eindapparatuur. Bepaling van de locatie van netwerkaansluitpunten valt onder de bevoegdheid van de nationale regelgevende instantie.
(15)Het begrip “interconnectie” moet in de eerste plaats worden opgevat als een verwijzing naar de technische interconnectie tussen netwerken, ongeacht of deze netwerken openbare elektronischecommunicatienetwerken dan wel particuliere netwerken zijn, met inbegrip van netwerken die eigendom zijn van of worden geëxploiteerd door aanbieders van inhoud en toepassingen, met inbegrip van infrastructuur voor de levering van inhoud. Technologische en commerciële ontwikkelingen hebben geleid tot een toegenomen gebruik van caches, content delivery network nodes en andere technieken die de uitwisseling van verkeer verbeteren en de eind-tot-eindprestaties optimaliseren, hetgeen heeft geresulteerd in nauwere technische samenwerking en frequentere interconnectie tussen openbare en particuliere netwerken.
(16)De doelstellingen van het nieuwe regelgevingskader moeten ook worden geactualiseerd om de uitdagingen van de sector het hoofd te bieden en te garanderen dat de sector zich kan aanpassen aan toekomstige ontwikkelingen. Met de technologische transformatie van elektronischecommunicatienetwerken naar digitale netwerken waarin op cloud- en artificiële intelligentie (AI) gebaseerde oplossingen worden geïntegreerd, wordt het connectiviteitsecosysteem groter. Daarom moet deze verordening het concurrentievermogen van de sector versterken en de sector beter in staat stellen deze transformatie in goede banen te leiden. Zij moet innovatie en doeltreffende samenwerking tussen de zeer diverse actoren in het uitgebreide connectiviteitsecosysteem bevorderen.
(17)Om het concurrentievermogen en de veerkracht van de sector te vergroten, moet deze verordening de ontwikkeling faciliteren van een eengemaakte markt voor elektronische communicatie door vereenvoudigde en verdere geharmoniseerde maatregelen in te voeren, opschaling in de Unie eenvoudiger te maken en innovatie en investeringen in moderne, veerkrachtige en duurzame netwerken en diensten te ondersteunen en stimuleren. Dit moet onder meer het faciliteren van het grensoverschrijdend aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, met inbegrip van pan-Europese satellietcommunicatiediensten, en de ontwikkeling van trans-Europese digitale netwerken omvatten.
(18)Het vergroten van de veerkracht van digitale infrastructuur en diensten in de Unie is van vitaal belang om beter voorbereid te zijn op natuurrampen en door de mens veroorzaakte dreigingen en crises, alsook op interferentie in netwerken en radiosignalen. Met dat doel voor ogen moet deze verordening de strategische autonomie van de Unie versterken, veerkrachtige digitale infrastructuur en diensten waarborgen en paraatheid garanderen bij onvoorziene omstandigheden, zoals fysieke, cyber- en hybride aanvallen en natuurrampen, voorzien in risicobeperkende maatregelen, de veerkracht verbeteren, met name de redundantie van kritieke netwerksegmenten op basis van een coherente integratie van terrestrische en niet-terrestrische netwerken, en voorzien in de netwerkvermogens die de samenleving nodig heeft om op crises te reageren.
(19)Aangezien er knelpunten en toegangsbelemmeringen zullen blijven bestaan op infrastructuurniveau, onder meer als gevolg van de overstap naar glasvezel, moet duurzame mededinging worden gewaarborgd door de invoering van een vereenvoudigd regelgevingskader voor toegang dat marktfalen aanpakt, zodat eindgebruikers kunnen blijven profiteren van een ruimer aanbod van geavanceerde, betaalbare en hoogwaardige diensten.
(20)Het is noodzakelijk om het aantal specifieke sectorregels ex ante terug te brengen, naarmate de mededinging in de markt zich ontwikkelt, en ervoor te zorgen dat elektronische communicatie uiteindelijk volledig wordt geregeld door het mededingingsrecht. Dit is altijd het doel geweest sinds de vaststelling in 2009 van het eerste regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten. Het huidige kader heeft echter geleid tot nationale versnippering en niet geresulteerd in de voltooiing van de eengemaakte markt. Derhalve is meer consistentie in de regelgevingsverplichtingen ex ante nodig. In aanmerking genomen dat de markten voor elektronische communicatie de afgelopen jaren een sterke concurrentiedynamiek hebben getoond, is het essentieel dat ex-ante regulerende verplichtingen alleen worden opgelegd wanneer er sprake is van marktfalen op de betrokken markten, onverminderd het mededingingsrecht.
(21)Er moeten ook behoorlijke stimulansen worden geboden voor investeringen in gigabitnetwerken (waaronder geavanceerde 5G, 6G, glasvezel, onderzeese communicatiekabels en backbone-netwerken) die de innovatie in inhoudrijke internetdiensten ondersteunen en het algehele concurrentievermogen van de Unie versterken. Het is daarom van vitaal belang efficiënte investeringen in de ontwikkeling van die netwerken en oplossingen te bevorderen en de brede beschikbaarheid en ingebruikname van gigabitnetwerken en elektronischecommunicatiediensten te ondersteunen, onder meer door middel van een tijdige overstap naar een volledig op glasvezel gebaseerde omgeving in de hele Unie.
(22)Voor de lidstaten, nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties en belanghebbenden wordt de connectiviteitsdoelstelling enerzijds vertaald in het streven naar netwerken met een maximale capaciteit en economisch duurzame diensten in een bepaald gebied, en anderzijds in het streven naar territoriale samenhang dankzij de convergentie van de in verschillende gebieden beschikbare capaciteit.
(23)Voor een nauwe afstemming van het kader voor elektronische communicatie op de doelstellingen van de Unie met betrekking tot de transitie naar een koolstofarme economie moeten duurzame netwerken en diensten worden bevorderd door aantrekkelijke investeringsvoorwaarden voor energie-efficiënte en koolstofarme netwerken en oplossingen te scheppen. Die doelstelling moet met name worden afgestemd op de bevordering van connectiviteit die energie-efficiëntie en koolstofneutraliteit in andere industriële sectoren mogelijk maakt, en op investeringen in energie-efficiënte connectiviteitsinfrastructuur in overeenstemming met het bijgewerkte taxonomiekader en de daarmee verband houdende gedragscode van de Unie voor de duurzaamheid van telecommunicatienetwerken. Ook moet samenwerking worden bevorderd tussen de actoren die zijn betrokken bij het aanbieden van de eind-tot-einddienst met het oog op een efficiënt beheer van het dataverkeer.
(24)Om de doelstellingen te verwezenlijken, moeten de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties hun acties waar nodig coördineren met de instanties van andere lidstaten en met het Orgaan van Europese regulerende instanties voor elektronische communicatie (“Berec”), het Beleidsorgaan radiospectrum (“RSPB”) en het Bureau voor digitale netwerken (“ODN”).
(25)Naar aanleiding van de oproep van Nevers van 9 maart 2022 hebben de lidstaten een risicobeoordeling uitgevoerd van Europese communicatie-infrastructuur en -netwerken. Die beoordeling bevat een aantal strategische en technische aanbevelingen voor de lidstaten, de Commissie en het Agentschap van de Europese Unie voor cyberbeveiliging (Enisa) om de vastgestelde risico’s te beperken, die met de steun van Berec zullen worden uitgevoerd. In de risicobeoordeling wordt, naast andere strategische aanbevelingen, onder meer voorgesteld om i) de veerkracht van internationale interconnecties te beoordelen; ii) het kritieke karakter, de veerkracht en de redundantie van kerninternetinfrastructuur, zoals onderzeese communicatiekabels, te beoordelen; en iii) de vermogens van de Unie en gecoördineerde maatregelen voor de vergroting van de veerkracht van communicatie-infrastructuur te versterken. Om doeltreffende paraatheid te bereiken en de veerkracht te vergroten, moet de samenwerking tussen de nationale bevoegde instanties en organen op Unieniveau worden versterkt, onder meer door middel van gemeenschappelijke richtsnoeren en tijdige informatie-uitwisseling.
(26)Elektronischecommunicatienetwerken en -diensten vormen de ruggengraat van de samenleving en de economie van de Unie. Hoewel Richtlijn (EU) 2022/2555 van het Europees Parlement en de Raad betrekking heeft op de cyberbeveiliging en weerbaarheid van essentiële en belangrijke alsook kritieke entiteiten, moeten de algehele veerkracht, paraatheid en continuïteit van elektronische communicatie op Unieniveau verder worden verbeterd, ook tijdens grensoverschrijdende of grootschalige natuurlijke of door de mens veroorzaakte verstoringen, crises of situaties van overmacht die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de bevolking. Het ODN moet een centrale coördinerende rol spelen met betrekking tot de veerkracht van de elektronischecommunicatiesector, voortbouwend op zijn deskundigheid, markttoezicht en Uniebrede perspectief. Als zodanig moet het ODN zorgen voor uitwisselingen en coördinatie met de nationale regelgevende instanties, de Commissie en andere relevante organen en agentschappen van de Unie, waaronder Enisa, alsook, in voorkomend geval, internationale organisaties als de NAVO, over kwesties die verband houden met de beoordeling, monitoring, analyse en paraatheid op Unieniveau van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en hun vermogen om bij te dragen aan de algehele veerkracht van de samenleving en de economie van de Unie, met volledige inachtneming van de rol van Enisa, de samenwerkingsgroep voor netwerk- en informatiesystemen (“NIS-samenwerkingsgroep”) en het Europees netwerk van verbindingsorganisaties voor cybercrises (“EU-CyCLONe”) binnen de kaders van de Unie voor cyberbeveiliging en civiele bescherming.
(27)In dit verband moet het ODN worden belast met het waarborgen van een samenhangende, grensoverschrijdende aanpak voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten. De rol van het ODN moet een aanvulling vormen op en mag geen afbreuk doen aan Richtlijn (EU) 2022/2555, en moet zijn gericht op systeembrede paraatheid, uitwisselbare infrastructuur, continuïteit van trans-Europese netwerken en diensten, en een gecoördineerde crisisrespons.
(28)Wanneer zich in de Unie natuurlijke of door de mens veroorzaakte verstoringen, crises of situaties van overmacht voordoen die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de bevolking, zijn de beschikbaarheid en specifieke vermogens van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten van cruciaal belang, aangezien zij de bevolking in staat stellen tijdig informatie te ontvangen, sociale en economische interacties voort te zetten en toegang te krijgen tot openbare en noodhulpdiensten, en nationale instanties in staat stellen met de bevolking te communiceren en reddings- en hulpverleningsinspanningen te organiseren. Onverminderd Richtlijn (EU) 2022/2555 moeten alle aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken, voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten en andere aanbieders in het kader van de algemene machtigingsregeling derhalve maatregelen nemen om bij te dragen tot het waarborgen van de beschikbaarheid van persoonlijke communicatiediensten en internettoegangsdiensten wanneer dergelijke situaties zich voordoen. Aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken die geheel of hoofdzakelijk worden gebruikt voor het aanbieden van openbare elektronischecommunicatiediensten of diensten van de informatiemaatschappij, zoals onderzeese communicatiekabels, kunnen in dergelijke kritieke situaties redundantie waarborgen. Zij moeten, voor zover dat technisch mogelijk en in het algemeen belang is, samenwerken en bijdragen tot de beschikbaarheid van persoonlijke communicatiediensten en internettoegangsdiensten indien de voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatienetwerken en -diensten door de eerdergenoemde grootschalige voorvallen ernstig worden verstoord.
(29)Eindgebruikers moeten in het geval van grootschalige voorvallen die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de bevolking, zoals door calamiteit veroorzaakte netwerkuitval of in geval van overmacht, de bevoegde instanties via noodcommunicatie om hulp of bijstand kunnen verzoeken en informatie van de bevoegde instanties kunnen ontvangen via voor hen waarneembare en begrijpelijke publieke waarschuwingen. Ook kritieke communicatie, die noodhulpdiensten en met bescherming en veiligheid belaste overheidsinstanties in staat stelt hun taken te vervullen, moet volledig beschikbaar zijn. Bijgevolg moeten aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten specifieke maatregelen nemen om ononderbroken elektronische communicatie, met inbegrip van internetverkeer, te waarborgen, voor zover dat nodig is om noodcommunicatie en publieke waarschuwingen doeltreffend over te brengen van en naar alle getroffen eindgebruikers of de volledige bevolking. Kritieke communicatie die normaal gesproken binnen een specifiek netwerk van nationale instanties plaatsvindt, kan worden uitgevoerd als een gespecialiseerde dienst met behulp van nieuwe technologieën, zoals netwerkslicing, waarbij voldoende netwerkcapaciteit beschikbaar moet zijn om de kwaliteit van diensten in crisissituaties te waarborgen. Indien dit nodig is om de kwaliteit van dergelijke diensten te waarborgen, moet prioriteit worden toegekend aan het daarmee samenhangende verkeer en redundantie worden gewaarborgd met het oog op de continue beschikbaarheid van kritieke communicatie. Nationale systemen van alarmcentrales en publieke waarschuwingssystemen moeten zodanig worden ontworpen dat zij extra capaciteit hebben en veerkrachtig zijn in het geval van grootschalige voorvallen die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de bevolking.
(30)Voordat significante wijzigingen worden doorgevoerd in netwerken voor toegang tot noodhulpdiensten, moeten aanbieders van interpersoonlijke communicatiediensten en alarmcentrales alle nodige maatregelen nemen, met inbegrip van het testen en valideren van oplossingen, om te garanderen dat noodcommunicatie en informatie over de locatie van de oproeper voor eindgebruikers beschikbaar en toegankelijk blijven en dat het mogelijk blijft om publieke waarschuwingen naar eindgebruikers te sturen. Aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten moeten bij de bevoegde instanties van de lidstaat een routekaart indienen waarin het migratieproces wordt beschreven en voldoende informatie is opgenomen om het risico voor de beschikbaarheid van noodcommunicatiediensten en voor eventuele getroffen eindgebruikers te beoordelen. Een dergelijke routekaart moet worden opgesteld om de gebruikers van elektronischecommunicatiediensten die nog gebruikmaken van de oudere technologie tijdig te informeren, hen in staat te stellen zich voor te bereiden op of zich aan te passen aan de nieuwe technologieën en te voorkomen dat de elektronischecommunicatiediensten op de door hen gebruikte apparaten worden stopgezet.
(31)Als onderdeel van maatregelen ter versterking van de veerkracht op lange termijn moet bij de ontwikkeling van veerkrachtige geïntegreerde connectiviteit onder meer aandacht worden besteed aan paraatheid met betrekking tot de invoering van de nieuwste technologie, zoals de kwantumcommunicatietechnologieën die in opkomst zijn, om met name in kritieke netwerksegmenten beveiligde communicatie van de volgende generatie te waarborgen. In dit verband is een overstap naar post-kwantumcryptografie noodzakelijk. Ook kan kwantumcommunicatie die wordt ondersteund door op glasvezel gebaseerde communicatienetwerken een belangrijke rol spelen. De Europese infrastructuur voor kwantumcommunicatie, die is ontworpen om integraal deel uit te maken van het nieuwe in de ruimte gestationeerde beveiligde communicatiesysteem van de Unie (infrastructuur voor veerkracht, interconnectiviteit en beveiliging per satelliet — “IRIS2”), kan een drijvende kracht zijn achter de volgende generatie beveiligde communicatie waarvan overheden en bedrijven in de hele Unie kunnen profiteren. Daarom moet de beveiliging van gevoelige gegevens en kritieke infrastructuur worden versterkt door een tijdige overstap naar post-kwantumcryptografie te waarborgen, door kwantumgebaseerde systemen geleidelijk te integreren in bestaande communicatie-infrastructuur en door een veerkrachtig ecosysteem en een veerkrachtige industrie voor kwantumcommunicatie in de Unie te ontwikkelen.
(32)Teneinde de doeltreffende paraatheid van elektronischecommunicatienetwerken en digitale infrastructuur, en een ononderbroken verlening van elektronischecommunicatiediensten te garanderen, ook tijdens natuurlijke of door de mens veroorzaakte rampen, crises of situaties van overmacht, met gebruikmaking van veerkrachtige nationale en grensoverschrijdende interconnecties, moet de rol van Berec op het niveau van de Unie op het gebied van paraatheid en crisisbeheersing worden versterkt. In dit verband moet Berec de inspanningen op Unieniveau aanvullen om een hoog niveau van paraatheid en veerkracht te waarborgen door middel van de vaststelling van een door het ODN opgesteld verslag met als titel “EU-paraatheidsplan voor digitale infrastructuur” (het “plan”). Dit plan moet een integrale beoordeling, operationele aanbevelingen en crisisbeheersingspraktijken bevatten. Deze elementen moeten een consistente benadering van veerkracht in de hele Unie garanderen, met inbegrip van financieringsmechanismen die redundantie waarborgen en de crisisparaatheid op Unieniveau verbeteren.
(33)Het model van Berec voor de verzameling van gegevens over de veerkracht van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, dat de opstelling van het plan moet faciliteren, moet informatie bevatten over de capaciteit, de architectuur, de vermogens en het gebruik van netwerksegmenten die cruciaal worden geacht om de algehele veerkracht en continuïteit van diensten op Unieniveau te waarborgen. Hierbij moet met name aandacht worden besteed aan specifieke netwerksegmenten zoals internationale interconnecties, aggregatienetwerken, kern- en backbone-netwerken, onderzeese communicatiekabels, met inbegrip van de bijbehorende landingspunten, met terrestrische netwerken geïntegreerde satellietnetwerken die back-updiensten kunnen leveren wanneer een van deze netwerken niet beschikbaar is, netwerken voor de levering van inhoud of netwerken die grote datacentrumfaciliteiten met elkaar verbinden. Wanneer op grond van deze verordening informatie moet worden uitgewisseld, gerapporteerd of anderszins moet worden gedeeld die volgens het recht van de Unie of het nationale recht is gerubriceerd, moeten de regels voor de behandeling van gerubriceerde informatie worden toegepast. In voorkomend geval moeten niet-gerubriceerde samenvattingen die operationele coördinatie mogelijk maken, parallel kunnen worden gedeeld.
(34)Voorts moet het ODN op Unieniveau bijdragen tot de monitoring, analyse en synthese van informatie over de architectuur, capaciteit, technische capaciteiten en veerkracht van elektronischecommunicatienetwerken, en coördinatie-inspanningen ondersteunen die zijn gericht op het waarborgen van de beschikbaarheid en verhoogde vermogens van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten tijdens natuurlijke of door de mens veroorzaakte verstoringen, crises of situaties van overmacht, met volledige inachtneming van de nationale kaders voor de coördinatie van crisisrespons. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om het in kaart brengen van gebieden waar redundantie vereist is en het leveren van input voor strategische beleids- en investeringsbeslissingen om redundantie te bevorderen, met name voor trans-Europese digitale netwerken en verwante toekomstige financieringsprogramma’s, zoals voorgesteld als onderdeel van het digitale venster van het Europees Fonds voor concurrentievermogen in het kader van het meerjarig financieel kader. De door het ODN opgestelde integrale Berec-beoordeling moet ook een overzicht verschaffen van de reservecapaciteit van netwerken, alsmede van bestaande en toekomstige mechanismen voor de prioritering van verkeer, met inbegrip van netwerkslicing en andere oplossingen voor netwerkbeheer en netwerkoptimalisering die de communicatie beschermen en beveiligen. Dergelijke mechanismen spelen een belangrijke rol bij het waarborgen van de continuïteit van essentiële communicatienetwerken en -diensten bij verhoogde vraag, netwerkcongestie of andere verstoringen van de communicatie die zich tijdens een crisis kunnen voordoen.
(35)Met name gespecialiseerde diensten die mogelijk worden gemaakt door geavanceerde netwerkvermogens, zoals netwerkslicing, spelen een steeds belangrijkere rol bij de ondersteuning van toepassingen met hogere eisen op het gebied van beveiliging, betrouwbaarheid en korte wachttijden. Het gaat hierbij onder meer om toepassingen als de exploitatie van onbemande luchtvaartuigsystemen, met inbegrip van drones, die een gegarandeerd niveau van prestaties, veerkracht en isolatie van ander verkeer vereisen om veilig te kunnen werken. Indien dergelijke gespecialiseerde diensten beschikbaar zijn, kunnen overheidsinstanties en particuliere exploitanten veiligheidsgerelateerde en veiligheidskritieke toepassingen doeltreffender inzetten en tegelijkertijd innovatie en een efficiënt gebruik van netwerkmiddelen bevorderen, in overeenstemming met de doelstellingen van de Unie inzake veiligheid, technologisch leiderschap en de ontwikkeling van geavanceerde digitale diensten. Elektronischecommunicatienetwerken moeten worden aangewend om de detectie van drones en ander, al dan niet met het netwerk verbonden, vliegend materieel te verbeteren. Met name moet geleidelijk cellulaire detectie worden ontwikkeld en op grote schaal worden uitgerold als extra, complementair detectiesysteem voor civiele en militaire toepassingen, waaronder voor het detecteren, volgen en traceren van dreigingen vanuit de lucht en de detectie van interferentie.
(36)De Unie is voor haar veerkracht in toenemende mate afhankelijk van toekomstbestendige connectiviteit en een vermindering van haar strategische afhankelijkheden. Dit vereist een toekomstgerichte aanpak die het vermogen van terrestrische en niet-terrestrische (satelliet-)netwerken versterkt om naadloos verbinding met elkaar te maken en te functioneren, ook in crisissituaties. De veerkracht kan worden vergroot door geïntegreerde, gelaagde netwerkarchitecturen waarin terrestrische netwerken worden gecombineerd met niet-terrestrische netwerken, ondersteund door virtualisatie, redundantie en geautomatiseerd netwerkbeheer. Een dergelijke integratie kan essentiële communicatie in stand houden wanneer terrestrische infrastructuur beschadigd of overbelast raakt en bijdragen tot de algehele continuïteit van dienstverlening. In dit verband moet het ODN de markt monitoren en de technologische ontwikkelingen volgen, knelpunten voor interoperabiliteit en uitrol in kaart brengen (onder meer tussen terrestrische en niet-terrestrische netwerksystemen en voor opkomende technologieën) en aanbevelingen doen die bijdragen tot een coherente aanpak op Unieniveau van veerkrachtige connectiviteit.
(37)Het ODN moet, in voorkomend geval en in samenwerking met relevante instanties en bevoegde instanties, het dreigingslandschap kunnen analyseren waaraan de elektronischecommunicatienetwerken en -diensten van de Unie in toenemende mate worden blootgesteld, waaronder incidenten in verband met schadelijke radiospectruminterferentie. Dergelijke incidenten zijn de afgelopen jaren, in een context van toegenomen geopolitieke spanningen, toegenomen en kunnen gevolgen hebben voor de beschikbaarheid en kwaliteit van diensten, vaak met grensoverschrijdende gevolgen. In dit verband moet het ODN dergelijke trends analyseren en de bevoegde instanties ondersteunen door operationele aanbevelingen te doen. Zijn rol moet een aanvulling vormen op de nationale verantwoordelijkheden en bijdragen tot een gecoördineerde respons op Unieniveau.
(38)Ter aanvulling van de consistente en gecoördineerde regelgevende respons op Unieniveau om de crisisparaatheid te verbeteren, moet Berec crisisbeheersingspraktijken vaststellen met gemeenschappelijke procedures en coördinatieregelingen voor nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, onder meer op het gebied van crisisbeheersing en civiele bescherming tijdens natuurlijke of door de mens veroorzaakte verstoringen, crises of situaties van overmacht. Die praktijken moeten worden afgestemd op de bestaande kaders voor crisisbeheersing op Unie- en nationaal niveau en een coherent optreden bevorderen, onder meer door de uitwisseling van informatie met relevante systemen voor crisisrespons en coördinatie op het gebied van civiele bescherming op Unieniveau en, wanneer sprake is van cyberbeveiligingsincidenten, via cyberresponsmechanismen. In het plan moet ook worden ingegaan op aspecten van situationeel bewustzijn met betrekking tot aanzienlijke verstoringen die van invloed zijn op noodcommunicatie, kritieke communicatie en de doorgifte van publieke waarschuwingen overeenkomstig de verplichtingen die voortvloeien uit het toepasselijke Unierecht.
(39)Op grond van Richtlijn (EU) 2018/1972 kunnen de lidstaten het recht van aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken en -diensten uitsluitend aan een vrij flexibele algemene machtigingsregeling onderwerpen. Het doel is de ontwikkeling van nieuwe netwerken en diensten te stimuleren en dienstverleners en consumenten daarnaast in staat te stellen te profiteren van de schaalvoordelen van de interne markt. Deze verordening ondersteunt deze doelstelling en handhaaft de vrijheid om in de Unie elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan te bieden op grond van een algemene machtiging.
(40)Het huidige systeem inzake algemene machtiging is gebaseerd op een geharmoniseerde maximumlijst van voorwaarden die de lidstaten de flexibiliteit biedt om te beslissen welke algemene machtigingsvoorwaarden zij op hun grondgebied willen verbinden aan de algemene machtiging, hoe zij deze op nationaal niveau nader willen specificeren en of zij van aanbieders verlangen dat deze bij de nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instanties een kennisgeving indienen van hun voornemen om de diensten te gaan aanbieden. Deze kennisgeving heeft een declaratoir karakter en er is geen uitdrukkelijk besluit of administratieve handeling van de nationale regelgevende instantie vereist.
(41)Uit de evaluatie van Richtlijn (EU) 2018/1972 is echter gebleken dat het feit dat de algemene machtiging niet uniform wordt toegepast en niet optimaal gecoördineerd wordt, en grotendeels op nationaal niveau wordt ontwikkeld en uitgevoerd, en het ontbreken van een uniforme en coherente aanpak van de toepasselijke voorwaarden en de kennisgevingsprocedures, ondanks het geharmoniseerde, niet-verplichte model van Berec, hebben geleid tot versnippering van de regelgeving en tot grotere belemmeringen voor exploitanten wanneer zij willen opschalen of grensoverschrijdend actief willen worden.
(42)Om de uitdagingen in verband met Richtlijn (EU) 2018/1972 het hoofd te bieden en aanbieders in staat te stellen ten volle te profiteren van de interne markt voor elektronische communicatie, moet een moderne algemene machtigingsregeling worden ingevoerd die van toepassing is op alle soorten elektronischecommunicatienetwerken die zijn betrokken bij het aanbieden van voor het publiek beschikbare digitale diensten en, op enkele uitzonderingen na, voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten.
(43)Wat aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken betreft, moet het systeem inzake algemene machtiging niet gelden voor bepaalde soorten netwerken die niet als hoofddoel hebben om het aanbieden van voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten of digitale diensten mogelijk te maken. Voorbeelden hiervan zijn netwerken die voornamelijk worden gebruikt voor particuliere, interne of gesloten communicatie tussen vooraf vastgestelde gebruikersgroepen, met inbegrip van netwerken die alleen worden gebruikt voor interne verbindingen tussen communicatie-infrastructuurfaciliteiten die niet hoofdzakelijk zijn bestemd voor voor het publiek beschikbare digitale diensten. Met betrekking tot het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten moeten nummeronafhankelijke persoonlijke communicatiediensten uitgesloten blijven van het toepassingsgebied van de algemene machtiging. In tegenstelling tot andere categorieën van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, maken nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten geen gebruik van de openbare nummervoorraden en behoren zij niet tot het openbaar gewaarborgde interoperabele ecosysteem. Derhalve is het passend dat soort diensten niet aan de algemene machtigingsregeling te onderwerpen. Aanbieders van nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten kunnen echter worden onderworpen aan bepaalde verplichtingen uit hoofde van deze verordening.
(44)De algemene machtigingsregeling moet afhankelijk worden gesteld van de naleving van een kortere en bijgewerkte lijst van volledig geharmoniseerde voorwaarden die in alle lidstaten gelden, alsook van een aantal andere voorwaarden die voortvloeien uit ander Unierecht of nationaal recht, maar die nog niet volledig zijn geharmoniseerd, zoals regels inzake toegang tot gegevens door rechtshandhavings- en gerechtelijke instanties, waaronder die inzake legale onderschepping en gegevensbewaring en vereisten inzake de beveiliging van de ICT-toeleveringsketen overeenkomstig de cyberbeveiligingsregels, met inbegrip van de cyberbeveiligingsverordening, die Verordening (EU) 2019/881 van het Europees Parlement en de Raad zal vervangen.
(45)Voorts moeten aanbieders die onder een algemene machtiging opereren, een kennisgeving indienen bij de nationale regelgevende instantie van de lidstaat waar zij voornemens zijn elektronischecommunicatienetwerken of -diensten te gaan aanbieden of waar zij dergelijke netwerken of diensten reeds aanbieden. Het moet aanbieders in het kader van regeling voor het ene paspoort ook worden toegestaan slechts één kennisgeving bij één lidstaat in te dienen wanneer zij voornemens zijn netwerken of diensten in een of meer lidstaten aan te bieden. Voor satellietsystemen mag het ene paspoort niet worden toegepast, maar moet een specifieke procedure op Unieniveau worden doorlopen.
(46)Voor de kennisgeving moet gebruik worden gemaakt van een verplicht, door Berec ter beschikking gesteld model. Deze kennisgeving moet bestaan uit een verklaring van een natuurlijke of rechtspersoon aan de nationale regelgevende instantie waarin de intentie wordt geuit om elektronischecommunicatienetwerken of -diensten te gaan aanbieden, en de indiening van beperkte informatie, die nader wordt gespecificeerd in het desbetreffende Berec-model, met inbegrip van identiteits-, contact- en bedrijfsgegevens, informatie over de netwerken of diensten die zullen worden aangeboden en het geografische gebied waar deze beschikbaar zullen zijn, alsook de verwachte datum van aanvang van de activiteit.
(47)De nationale regelgevende instanties mogen geen aanvullende of afzonderlijke vereisten inzake kennisgeving opleggen. In dit verband mogen nationale regelgevende instanties in het kader van de algemene machtiging geen aanvullende, niet in het kennisgevingsmodel van Berec vermelde documenten verlangen. De vereisten inzake kennisgeving en actualiseringen daarvan moeten tot een minimum worden beperkt.
(48)Om het aanbieden van grensoverschrijdende netwerken en diensten aan te moedigen, moeten aanbieders de kennisgeving in elke officiële taal van de Unie of ten minste in het Engels kunnen indienen.
(49)Om bij te dragen tot de digitaliseringsdoelstellingen van de Unie moeten alle nationale regelgevende instanties online indiende kennisgevingen aanvaarden, bijvoorbeeld via een toegangspunt op de website van de betrokken instantie of, wanneer dit vereist is, via geharmoniseerde digitale oplossingen als zakelijke portemonnees, en mogen zij aanbieders niet verplichten digitale certificaten te gebruiken die beperkt zijn tot het nationale grondgebied en niet wederzijds worden erkend in andere lidstaten, en die niet in overeenstemming zijn met de minimumvereisten van Beschikking 2011/130/EU van de Commissie inzake de grensoverschrijdende verwerking van documenten die door de bevoegde autoriteiten elektronisch zijn ondertekend. Om dezelfde reden mag van aanbieders niet worden verlangd dat zij nationale vertegenwoordigers hebben die met de nationale instanties communiceren. Bij de elektronische uitwisseling van informatie of documenten moeten overheidsinstanties voldoen aan de vereisten van Verordening (EU) 2024/903 van het Europees Parlement en de Raad.
(50)De bevoegde instanties mogen het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten geenszins verhinderen, ook niet op grond van de onvolledigheid van een kennisgeving. De kennisgeving van de aanvang van activiteiten mag voor de aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten geen administratieve kosten met zich meebrengen.
(51)Voor doeltreffende grensoverschrijdende coördinatie moet het ODN een centrale databank met alle kennisgevingen bijhouden. De bevoegde instanties moeten uitsluitend volledige kennisgevingen aan het ODN toezenden.
(52)Na de kennisgeving moeten de nationale regelgevende instanties de aanbieder langs elektronische weg bevestigen dat hij netwerken of diensten kan beginnen aan te bieden, en in deze bevestiging een beschrijving opnemen van de voorwaarden, rechten en verplichtingen die van toepassing zijn in de lidstaat of lidstaten waar de aanbieder voornemens is de netwerken of diensten aan te bieden. Wanneer een aanbieder heeft aangegeven voornemens te zijn netwerken of diensten uitsluitend op het grondgebied van één lidstaat aan te bieden, moet hij voldoen aan de geharmoniseerde algemene machtigingsvoorwaarden en, wat eventuele specifieke kenmerken betreft, aan de voorwaarden die van toepassing zijn in het rechtsgebied van die lidstaat.
(53)De bevestiging dat aanbieders hun activiteiten mogen aanvangen, moet informatie bevatten over de rechten en plichten die ondernemingen hebben in het kader van de algemene machtiging. Aanbieders kunnen een dergelijke bevestiging bijvoorbeeld nodig hebben om gebruiksrechten voor radiospectrum of nummervoorraden aan te vragen of om toegang, interconnectie of rechten om faciliteiten te installeren te verkrijgen, met inbegrip van doorgangsrechten, met name in het kader van onderhandelingen met andere, regionale of lokale bestuursniveaus of met dienstverleners in andere lidstaten. Indien een aanbieder daarom verzoekt, moet het ook mogelijk zijn deze bevestiging te verstrekken in de vorm van een verklaring. Dergelijke verklaringen mogen zelf geen aanspraken op rechten inhouden, en rechten uit hoofde van de algemene machtiging, gebruiksrechten of de uitoefening van dergelijke rechten mogen niet van een dergelijke verklaring afhangen. Een verklaring moet dienen als bevestiging of bewijs voor andere nationale of regionale instanties dat de aanbieder beschikt over een machtiging uit hoofde van deze verordening.
(54)Bij de verlening van gebruiksrechten voor radiospectrum, voor nummervoorraden of rechten om faciliteiten te installeren, moeten de nationale regelgevende instanties de ondernemingen waaraan zij dergelijke rechten verlenen in individuele gebruiksrechten of in de bevestiging ten aanzien van activiteiten in het kader van een algemene machtiging in kennis stellen van de relevante voorwaarden voor het gebruik van radiospectrum.
(55)Specifieke verplichtingen die overeenkomstig het Unierecht kunnen worden opgelegd aan ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en elektronischecommunicatiediensten aanbieden op grond van hun aanwijzing als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, moeten worden gescheiden van de algemene rechten en verplichtingen in het kader van de algemene machtiging.
(56)Het is passend om voor niet-openbare elektronischecommunicatienetwerken minder en minder strikte verplichtingen, of zelfs helemaal geen verplichtingen, op te leggen dan gerechtvaardigd is voor openbare elektronischecommunicatienetwerken en -diensten. Zij blijven echter onder meer gebonden aan verplichtingen in verband met het algemeen belang, bijvoorbeeld inzake veerkracht van netwerken, paraatheid, cyberbeveiliging, legale onderschepping en gegevensbewaring overeenkomstig deze verordening of andere toepasselijke Unie- of nationale wetgeving die in overeenstemming is met het Unierecht. Hoewel deze verplichtingen geen voorwaarde vormen voor de algemene machtiging uit hoofde van deze verordening, kunnen zij worden opgelegd aan aanbieders van nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten.
(57)De procedure voor het ene paspoort moet het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten in alle lidstaten vergemakkelijken. De procedure moet worden afgesloten met een bevestiging dat de aanbieder netwerken of diensten mag gaan aanbieden. Het moet mogelijk zijn aanvullende verklaringen af te geven, maar alleen op verzoek van een aanbieder en overeenkomstig de Berec-richtsnoeren inzake algemene machtigingen. Indien nodig kan de aanbieder in het kader van de procedure voor het ene paspoort bijvoorbeeld via het ODN om een verklaring verzoeken waarin wordt beschreven onder welke voorwaarden de aanbieder van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten uit hoofde van de algemene machtiging een aanvraag kan indienen met het oog op het recht faciliteiten te installeren, te onderhandelen over interconnectie en toegang tot interconnectie te verkrijgen teneinde de uitoefening van die rechten, bijvoorbeeld bij andere overheidsinstanties of tegenover andere ondernemingen, te vergemakkelijken. In dergelijke verklaringen kunnen de criteria en de procedure met betrekking tot de specifieke verplichtingen van individuele ondernemingen worden beschreven en zij moeten door de nationale regelgevende instantie van de lidstaat waar de netwerken of diensten zullen worden aangeboden en op verzoek van de aanbieder via het ODN worden verstrekt. In de Berec-richtsnoeren moeten de details worden gespecificeerd van de mogelijkheid om een dergelijke verklaring aan te vragen.
(58)Het is belangrijk om de doeltreffendheid van de regeling voor het ene paspoort te waarborgen. Daarom moeten de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties van de lidstaten worden verplicht onderling samen te werken om Berec en het ODN te ondersteunen bij het opstellen en bijwerken van richtsnoeren en informatiebronnen over de geharmoniseerde toepassing van de algemene machtigingsvoorwaarden in de lidstaten. Daartoe moeten de lidstaten nationale centrale contactpunten aanwijzen.
(59)De voordelen van de regeling voor het ene paspoort kunnen alleen ten volle worden benut als specifieke nationale vereisten in verband met de algemene machtigingsvoorwaarden tot een minimum worden beperkt. Dit geldt ook voor regels die geen deel uitmaken van de verordening digitale netwerken, bijvoorbeeld inzake cyberbeveiliging of rechtshandhaving. In de Berec-richtsnoeren moet daarom worden aangegeven op welke gebieden de nationale regels of de uitvoering ervan verder op elkaar moeten worden afgestemd. Deze elementen moeten dienen als basis voor de follow-up door de Commissie, bevoegde organen van de Unie of andere deskundigengroepen met betrekking tot deze regels. Om deze activiteiten te ondersteunen, moeten de aangewezen nationale centrale contactpunten, in overeenstemming met het Unierecht, nauw met het ODN en met elkaar samenwerken op het gebied van algemene machtigingsvoorwaarden die verband houden met nationale wetgeving en procedures en van toepassing zijn op het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, met name in verband met cyberbeveiliging of rechtshandhaving.
(60)De aangewezen nationale centrale contactpunten moeten het ODN met name in kennis stellen van eventuele specifieke elementen met betrekking tot de nationale uitvoering van de geharmoniseerde algemene machtigingsvoorwaarden in hun respectieve lidstaten, alsook van eventuele nationale procedures die zijn ingevoerd om de algemene machtigingsvoorwaarden uit te voeren. Indien er in een lidstaat verschillende instanties verantwoordelijk zijn voor de handhaving van de algemene machtigingsvoorwaarden, moeten die nationale instanties nauw samenwerken met de aangewezen centrale contactpunten.
(61)De aangewezen nationale centrale contactpunten moeten overeenkomstig de Berec-richtsnoeren ook wederzijdse bijstand verlenen met betrekking tot de handhaving van de algemene machtigingsvoorwaarden.
(62)De nationale regelgevende instantie van de lidstaat van kennisgeving moet de bevoegdheid hebben om sancties op te leggen voor inbreuken op de algemene machtigingsvoorwaarden, mits de nationale regelgevende instantie van de lidstaat waar de netwerken of diensten worden aangeboden, nog geen sancties heeft opgelegd voor inbreuken op dezelfde voorwaarden. Sancties moeten worden opgelegd overeenkomstig het nationale recht en kunnen, in geval van een ernstige inbreuk en indien noodzakelijk geacht na overleg met de regelgevende instanties van de getroffen lidstaten, de intrekking omvatten van het recht om netwerken en diensten aan te bieden in alle lidstaten die onder het ene paspoort vallen. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een ernstige inbreuk wanneer de niet-naleving van een of meer algemene machtigingsvoorwaarden voortduurt, ondanks de corrigerende maatregelen van de nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie. Alleen in uitzonderlijke gevallen, wanneer een nationale regelgevende instantie van de lidstaat waar de netwerken of diensten worden aangeboden, concludeert dat de inbreuk op de machtigingsvoorwaarden op haar grondgebied negatieve gevolgen kan hebben voor de nationale veiligheid of het openbaar belang, moet zij het recht hebben om binnen haar rechtsgebied sancties op te leggen. Een dergelijke uitzonderlijke handhavingsmaatregel moet in overleg met de relevante bevoegde instanties van de lidstaat van kennisgeving worden genomen.
(63)Bij wijze van uitzondering moeten in het geval van intermachinale diensten met extraterritoriaal gebruik van nummervoorraden de desbetreffende regels van de lidstaat van kennisgeving van toepassing zijn.
(64)De vereisten voor het ene paspoort mogen geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de lidstaten om, per geval, de toegang tot nummers of diensten te blokkeren wanneer dit gerechtvaardigd is vanwege fraude of misbruik.
(65)Het moet mogelijk zijn om ondernemingen die elektronischecommunicatiediensten aanbieden een administratieve bijdrage op te leggen ter financiering van de werkzaamheden van de nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instanties bij het beheer van het systeem inzake algemene machtiging en het verlenen van gebruiksrechten. Dergelijke bijdragen mogen het bedrag van de feitelijke administratieve kosten van die werkzaamheden niet overschrijden en niet worden geëist van kleine aanbieders. Daartoe moet worden gezorgd voor transparantie ter zake van de inkomsten en de uitgaven van de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, door middel van een jaarlijkse rapportage over het totale bedrag aan ontvangen bijdragen en de totale administratiekosten, teneinde ondernemingen in staat te stellen te controleren of zij in evenwicht zijn.
(66)Stelsels voor administratieve bijdragen mogen de mededinging niet verstoren, noch belemmeringen scheppen voor toegang tot de markt. Een systeem inzake algemene machtiging maakt het onmogelijk administratieve kosten en dus bijdragen op te leggen aan individuele ondernemingen, tenzij voor het verlenen van gebruiksrechten voor nummervoorraden, van radiospectrum en van rechten om faciliteiten te installeren. Een voorbeeld van een billijk, eenvoudig en transparant alternatief voor die omslagcriteria is een verdeelsleutel gebaseerd op de omzet. Wanneer de administratieve bijdragen zeer laag liggen, kunnen forfaitaire bijdragen, of bijdragen bestaande uit een combinatie van een forfaitair met een omzetgerelateerd bedrag ook een goede mogelijkheid zijn. Voor zover het systeem inzake algemene machtiging ook van toepassing is op ondernemingen met een zeer klein marktaandeel, zoals lokale netwerkaanbieders, of op dienstverrichters waarvan het verdienmodel zeer weinig inkomsten oplevert, zelfs bij een significante marktpenetratie in termen van volume, moeten de lidstaten een passende de-minimisdrempel vastleggen voor administratieve bijdragen.
(67)Als wijzigingen kunnen worden beschouwd als kleine wijzigingen, bijvoorbeeld in het geval van beperkingen, intrekkingen of aanpassingen van rechten, is voorafgaand overleg vereist met de instantie die ze heeft vastgesteld. Het huidige regelgevingskader voor radiospectrum, met name het Europees wetboek voor elektronische communicatie, de radiospectrumbeschikking (Beschikking nr. 676/2002/EG) en het programma voor het radiospectrumbeleid (Besluit nr. 243/2012/EU), is ontwikkeld in een andere geopolitieke context. Daarom is in dit kader onvoldoende aandacht voor de strategische dimensie van radiospectrum. Radiospectrum ondersteunt vitale diensten als kritieke communicatie, noodcommunicatie, luchtverkeersleidings- en maritieme-navigatiediensten en netwerken voor openbare orde en veiligheid. Zoals geldt voor alle basisgoederen, kunnen radiospectrum en de toegang ertoe een zwak punt worden. Bovendien zou het in het kader van gewapende en economische conflicten kunnen worden ingezet als wapen, bijvoorbeeld voor het “spoofen” of “jammen” van signalen of om belangrijke militaire en civiele activiteiten, van vervoer tot bankieren, te verstoren.
(68)Radiospectrum is voor de Unie en haar lidstaten van het grootste strategische en geopolitieke belang. Het is essentieel om communicatie mogelijk te maken, economische groei en sociale welvaart te stimuleren en veiligheid te waarborgen, en voor de verlening missiekritieke diensten in allerlei sectoren. Het radiospectrum is inmiddels van cruciaal belang voor de strategische autonomie en veiligheid van de Unie, en een gecoördineerd beheer ervan is cruciaal om de veiligheid, veerkracht en digitale soevereiniteit van de Unie te waarborgen. Tegelijkertijd is een aantal beleidsterreinen van de Unie, zoals het ruimtevaart-, connectiviteits- en vervoersbeleid, afhankelijk van een passende toegang tot en beheer van spectrum. Daarnaast is een efficiënt en gecoördineerd beheer van het radiospectrum cruciaal voor de uitrol van draadloze netwerken van hoge kwaliteit, die een voorwaarde vormen voor de economische ontwikkeling en het concurrentievermogen van de Unie en voor de voltooiing van een eengemaakte markt voor elektronische communicatie. Dankzij de technologische vooruitgang, met name het vermogen van satellieten om te communiceren met onaangepaste mobiele apparatuur van gebruikers, en de convergentie tussen terrestrische en niet-terrestrische netwerken, en tussen telecommunicatienetwerken en edge- en cloudcomputing, kan met het beheer van radiospectrum als gemeenschappelijke Europese hulpbron de waarde ervan voor de lidstaten en voor de Unie worden gemaximaliseerd. Radiospectrum moet daarom op strategische wijze en doeltreffend worden beheerd en gebruikt als gemeenschappelijke hulpbron.
(69)Als gevolg van de ontwikkeling van nieuwe draadloze technologieën en toepassingen neemt de vraag naar radiospectrum toe, niet alleen op het gebied van elektronische communicatie, bijvoorbeeld om burgers en bedrijven overal gigabitconnectiviteit te bieden, maar ook in andere sectoren die afhankelijk zijn van radiospectrum, zoals vervoer, productie, ruimtevaart en energie. Een passende sectoroverschrijdende aanpak van het radiospectrumbeheer is essentieel om aan deze groeiende vraag te voldoen en een efficiënt gebruik van radiospectrum te waarborgen.
(70)Radiospectrum moet zodanig worden beheerd dat schadelijke interferentie wordt vermeden. Om dergelijke interferentie te voorkomen en ervoor te zorgen dat regelgevingsinterventie tot het hoognodige wordt beperkt zou het basisconcept van schadelijke interferentie dan ook naar behoren moeten worden gedefinieerd. Er moeten geavanceerde methoden voor bescherming tegen schadelijke interferentie en andere methoden voor radiospectrumbeheer worden toegepast om zoveel mogelijk te vermijden dat het beginsel “interferentievrij en onbeschermd” moet worden toegepast, d.w.z. de in het radioreglement van de ITU vastgelegde verplichting voor stations die op secundaire basis werken om geen schadelijke interferentie te veroorzaken voor primaire diensten, en het beginsel dat zij geen aanspraak kunnen maken op bescherming tegen door geautoriseerde primaire diensten veroorzaakte interferentie.
(71)De nationale grenzen spelen steeds minder een rol bij het vaststellen van optimaal radiospectrumgebruik. Onnodige versnippering van het nationale beleid leidt tot hogere kosten en gemiste marktkansen voor radiospectrumgebruikers en kan innovatie vertragen ten nadele van de goede werking van de interne markt, en van de consument en de economie als geheel. Strategische planning en coördinatie en, indien nodig, harmonisatie op EU-niveau kunnen helpen ervoor te zorgen dat radiospectrumgebruikers ten volle profiteren van de interne markt en dat de belangen van de Unie wereldwijd doeltreffend kunnen worden behartigd.
(72)De activiteiten in de Unie in verband met het radiospectrumbeleid doen geen afbreuk aan op het niveau van de Unie of nationaal niveau in overeenstemming met het Unierecht genomen maatregelen om doelstellingen van algemeen belang na te streven, in het bijzonder met betrekking tot overheids- en defensienetwerken, inhoudsregulering en audiovisueel en mediabeleid, en het recht van de lidstaten om hun radiospectrum te gebruiken en te organiseren met het oog op de openbare orde, de openbare veiligheid en defensie.
(73)De regels inzake radiospectrumbeheer moeten in overeenstemming zijn met de werkzaamheden van de internationale en regionale organisaties die zich met radiospectrumbeheer bezighouden, zoals de Internationale Telecommunicatie Unie (ITU) en de Europese Conferentie van de Administraties van Posterijen en van Telecommunicatie (CEPT), teneinde het doeltreffende beheer en de harmonisatie van het gebruik van radiospectrum in de Unie en tussen lidstaten en andere leden van de ITU te waarborgen.
(74)Er moet absoluut voor worden gezorgd dat burgers niet zodanig worden blootgesteld aan elektromagnetische velden dat het schadelijk is voor de volksgezondheid. De nationale bevoegde instanties moeten streven naar consistentie in de hele Unie om dit probleem aan te pakken, met bijzondere aandacht voor de voorzorgsbenadering in Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad, waardoor naar meer consistente implementatievoorwaarden wordt toegewerkt. De nationale bevoegde instanties moeten waar nodig de procedure van Richtlijn (EU) 2015/1535 toepassen, ook om voor transparantie voor de belanghebbenden te zorgen en andere lidstaten en de Commissie de kans te geven om te reageren.
(75)Radiospectrum is een schaars openbaar bezit met een belangrijke publieke en marktwaarde. Het is een essentiële input voor alle soorten draadloze netwerken en diensten, met inbegrip van op radioverbindingen gebaseerde elektronischecommunicatienetwerken en -diensten. Het moet dan ook, voor zover het betrekking heeft op die netwerken en diensten, door de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties op efficiënte wijze worden ingedeeld en toegewezen overeenkomstig een verzameling geharmoniseerde doelstellingen en beginselen als basis voor hun optreden, en volgens objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria, zulks met inachtneming van de democratische, sociale, taal- en culturele belangen die een rol spelen bij het gebruik van radiospectrum. In Beschikking nr. 676/2002/EC van het Europese Parlement en de Raad wordt een kader vastgesteld voor de harmonisatie van radiospectrum.
(76)Een gebrek aan coördinatie tussen lidstaten en hun bevoegde instanties bij de organisatie van het radiospectrumgebruik op hun grondgebied kan, indien bilaterale onderhandelingen tussen de lidstaten geen oplossing bieden, tot grootschalige interferentieproblemen leiden, die een zware impact hebben op de ontwikkeling van de digitale eengemaakte markt. De lidstaten en hun bevoegde instanties moeten alle nodige maatregelen treffen om grensoverschrijdende en schadelijke interferentie tussen hen te vermijden. De Beleidsgroep radiospectrum (“RSPG”), die bij Beschikking 2002/622/EG van de Commissie is opgericht, heeft de nodige grensoverschrijdende coördinatie ondersteund en als forum gefungeerd voor het oplossen van grensoverschrijdende kwesties tussen lidstaten. De bijstand van de RSPG is echter tekortgeschoten bij grensoverschrijdende coördinatieproblemen met derde landen in het algemeen en tussen lidstaten met betrekking tot het niet-geharmoniseerde radiospectrum (bv. FM-frequenties), aangezien er eenvoudigweg geen toereikende rechtsgrondslag en instrumenten waren voor zijn optreden. Het proces van grensoverschrijdende coördinatie moet worden voortgezet, maar worden uitgebreid tot niet-geharmoniseerd radiospectrum, bijvoorbeeld FM-frequenties die worden gebruikt door radio-omroepen, aangezien dat radiospectrum ook veel economische, culturele en sociale waarde kan hebben voor de burgers van de Unie. Bovendien moeten alle houders van een recht op het gebruik van radiospectrum in de gelegenheid worden gesteld het proces van bijstand bij het oplossen van interferentieproblemen in gang te zetten wanneer zij bij het rechtmatige gebruik van radiospectrum rechtstreekse gevolgen ondervinden van schadelijke interferentie.
(77)Voor gecompliceerde gevallen van schadelijke interferentie tussen lidstaten die zelfs met steun van het RSPB niet via rechtstreekse onderhandelingen kunnen worden opgelost, kan het noodzakelijk zijn dat de Commissie bindende oplossingen oplegt, voortbouwend op de door het RSPB voorgestelde oplossing, om de zaak definitief op te lossen of om op grond van het Unierecht een gecoördineerde oplossing af te dwingen. Een dergelijk mechanisme moet worden toegepast binnen specifieke termijnen die waarborgen dat er geen ongerechtvaardigde vertraging optreedt, en er moeten passende oplossingen worden voorgesteld, waaronder de intrekking van rechten die aan de oorsprong liggen van de situatie van schadelijke interferentie en rechten op schadevergoeding.
(78)Grensoverschrijdende interferentie door derde landen is aan de grenzen van de Unie inmiddels een steeds zorgwekkender probleem, dat niet alleen een bedreiging vormt voor de netwerken zelf, maar ook voor de veiligheid van de Unie. Interferentie met het wereldwijde satellietnavigatiesysteem (GNSS) in de nabijheid van gebieden waar sprake is van gewapende conflicten, zoals aan de oostgrenzen van de Unie, heeft bijvoorbeeld ernstige gevolgen voor de sectoren van kritieke infrastructuur en elektronische communicatie en voor de vervoers- en financiële sector, aangezien moderne infrastructuur voor nauwkeurige plaatsbepalings-, navigatie- en tijdsbepalingsgegevens (PNT-gegevens) sterk afhankelijk is van dat systeem. In dergelijke gevallen volstaat het niet om een beroep te doen op de ITU. Het Unierecht moet voorzien in een solidariteitsmechanisme om getroffen lidstaten doeltreffender te ondersteunen. In het kader van dat solidariteitsmechanisme moeten alle lidstaten worden verzocht samen en in overeenstemming met specifieke acties die de Unie samen met het RSPB heeft vastgesteld, op te treden en samen met de Commissie tussenbeide te komen om de getroffen lidstaten te ondersteunen. In geval van aanhoudende en ernstige schadelijke interferentie die in strijd is met het internationaal recht, kan de Raad overwegen op grond van artikel 29 VWEU beperkende maatregelen vast te stellen in overeenstemming met de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.
(79)Dankzij technologische ontwikkelingen, met name radiotechnologieën van de volgende generatie (bv. 6G) en AI, wordt het haalbaarder om radiospectrum te delen in een breed scala van frequentiebanden en in dit kader betrouwbaarheid te waarborgen, zodat meerdere gebruikers toegang kunnen krijgen tot een schaarse hulpbron, schadelijke interferentie kan worden voorkomen en een adequate bescherming van gevestigde diensten kan worden gewaarborgd. Een efficiënt, doeltreffend en innovatiegericht gebruik van radiospectrum is essentieel om de connectiviteitsdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken en het concurrentievermogen van de Unie te stimuleren. Om deze doelstellingen te verwezenlijken, is een regelgevingsaanpak vereist waarin een gedeeld gebruik van radiospectrum systematisch als norm wordt beschouwd en satellietspectrummachtigingen worden gebaseerd op het beginsel “use-it-or-share-it”, terwijl alleen exclusieve rechten voor het gebruik van radiospectrum worden toegekend wanneer dit noodzakelijk en gerechtvaardigd is. Tegelijkertijd moet een dergelijk beleid garanderen dat het delen van radiospectrum de mededinging bevordert in plaats van beperkt.
(80)De nationale bevoegde instanties moeten ervan uitgaan dat radiospectrum dat op een bepaald grondgebied of gedurende een bepaalde periode niet wordt gebruikt, kan worden gedeeld, tenzij de houder van het gebruiksrecht aantoont dat het technisch niet haalbaar is om het radiospectrum te delen of dat gedeeld gebruik het gebruik van het radiospectrum door de oorspronkelijke houder zou verstoren, aantasten of anderszins zou beperken, of dat hij voornemens is het radiospectrum te gebruiken op een wijze die gedeeld gebruik onmogelijk maakt. Om te bepalen of radiospectrum wordt gebruikt, moeten de nationale bevoegde instanties rekening houden met verschillende elementen, waaronder de uitrolplannen van de houder van het recht voor de nabije toekomst en de wettelijke verplichtingen uit hoofde van het Unierecht. De voorwaarden voor het delen op grond van het “use-it-or-share-it”-beginsel, met inbegrip van de vergoeding, de wijze waarop de looptijd van de verplichting tot delen wordt bepaald en de technische voorwaarden, moeten voorafgaand aan de verlening van het gebruiksrecht worden vastgesteld.
(81)De nationale bevoegde instanties moeten het gedeeld gebruik van radiospectrum bevorderen, met inachtneming van het mededingingsrecht, door voor elk scenario de meest geschikte machtigingsregelingen vast te stellen en daarvoor passende en transparante regels en voorwaarden vast te stellen. Gedeeld gebruik van radiospectrum kan zijn gebaseerd op algemene machtigingen of vergunningvrij gebruik, waarbij meerdere gebruikers onder specifieke omstandigheden inzake gedeeld gebruik toegang krijgen tot hetzelfde radiospectrum, en dat kunnen gebruiken, in verschillende geografische gebieden of op verschillende tijdstippen. Het kan ook zijn gebaseerd op individuele gebruiksrechten in het kader van regelingen zoals vergunningplichtige gedeelde toegang, waarbij alle gebruikers (bestaande gebruikers en nieuwe gebruikers) overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden voor gedeelde toegang, onder toezicht van de nationale bevoegde instanties, op zodanige wijze dat een minimale gegarandeerde radiotransmissiekwaliteit en naleving van de mededingingswetgeving worden gewaarborgd. Wanneer de bevoegde instanties gedeeld gebruik van radiospectrum in het kader van verschillende machtigingsregelingen toestaan, moeten zij voorkomen dat de vastgestelde looptijden voor het gedeeld gebruik sterk uiteenlopen, teneinde te waarborgen dat spectrum kan worden herbestemd of opnieuw kan worden opengesteld voor op mededinging gebaseerde toewijzing.
(82)Gedeeld spectrumgebruik bevordert weliswaar een efficiënt gebruik, maar is mogelijk niet in alle omstandigheden een geschikte optie. De nationale bevoegde instanties moeten het gedeeld gebruik van spectrum kunnen beperken of ervoor kunnen kiezen het niet voor te stellen om redenen die verband houden met mededinging en niet-discriminerende markttoegang, technische of economische haalbaarheid of de noodzaak van exclusief spectrumgebruik omwille van de openbare veiligheid, de nationale veiligheid, defensie of de bescherming van essentiële diensten als gedefinieerd in Richtlijn (EU) 2022/2557 van het Europees Parlement en de Raad. Dit omvat, in voorkomend geval, de uitrol van belangrijke beveiligde en kritieke communicatiesystemen voor Europa, waarvoor voorspelbare toegang tot spectrum, een hoger niveau van veerkracht en gegarandeerde prestaties nodig kunnen zijn die bij gedeeld gebruik niet kunnen worden gegarandeerd. Elk besluit om gedeeld gebruik te beperken of uit te sluiten moet naar behoren worden gemotiveerd, evenredig zijn en zijn gebaseerd op objectieve criteria.
(83)Flexibiliteit bij het beheer van het radiospectrum en toegang tot het radiospectrum wordt momenteel gewaarborgd door middel van technologie- en dienstenneutrale machtigingen om radiospectrumgebruikers zelf de beste technologieën en diensten te laten kiezen die zij willen verlenen in radiospectrumbanden die beschikbaar zijn verklaard voor elektronische communicatiediensten in de betreffende nationale frequentietoewijzingsplannen in overeenstemming met het Unierecht (“beginsel van technologieneutraliteit en beginsel van dienstenneutraliteit”). Elke administratieve vaststelling van technologieën en diensten die in een bepaalde frequentieband mogen worden gebruikt, moet gebaseerd zijn op evenredige en niet-discriminerende criteria, en moet in het geval van diensten duidelijk worden gemotiveerd op basis van doelstellingen van algemeen belang, en regelmatig worden geëvalueerd. Aangezien een dergelijke vaststelling een uitzondering vormt op de regel van technologie- en dienstenneutraliteit en de vrijheid om te kiezen voor een bepaalde dienst of technologie zou beperken, moet elk voorstel voor een dergelijke vaststelling transparant zijn en aan openbare raadpleging worden onderworpen.
(84)Beperkingen van het beginsel van technologieneutraliteit moeten passend zijn, en gemotiveerd zijn vanuit de noodzaak schadelijke interferentie te voorkomen, bijvoorbeeld door zendmaskers en limieten voor het zendvermogen op te leggen, om te zorgen voor bescherming van de volksgezondheid door de blootstelling van het publiek aan elektromagnetische velden te beperken, om de goede werking van diensten te waarborgen door een toereikende technische kwaliteit van de dienst zonder dat zulks noodzakelijkerwijs belet dat in dezelfde radiospectrumband meer dan één dienst kan worden gebruikt, om een correct gezamenlijk gebruik van het radiospectrum mogelijk te maken, met name wanneer het gebruik daarvan alleen is onderworpen aan een algemene machtiging, om het efficiënte gebruik van het radiospectrum zeker te stellen, of om een doelstelling van algemeen belang na te streven overeenkomstig het Unierecht.
(85)De nationale bevoegde instanties moeten kunnen eisen dat een specifieke dienst in een bepaalde radiospectrumband wordt geleverd voor de verwezenlijking van duidelijk omschreven doelstellingen zoals de veiligheid van het menselijk leven, de openbare veiligheid of de openbare orde, de noodzaak om sociale, regionale en territoriale samenhang te bevorderen, of het vermijden van een ondoelmatig gebruik van het radiospectrum. Die doelstellingen moeten ook de bevordering van culturele en taaldiversiteit omvatten, alsook mediapluriformiteit zoals gedefinieerd door de lidstaten in overeenstemming met het Unierecht. Behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het menselijk leven, de openbare veiligheid of openbare orde te beschermen, mogen uitzonderingen niet leiden tot exclusief gebruik voor bepaalde diensten maar moeten die diensten voorrang krijgen zodat dezelfde radiospectrumband tegelijk zoveel mogelijk door andere diensten of technologieën kan worden benut. De lidstaten zijn bevoegd de draagwijdte en de aard te definiëren van eventuele uitzonderingen wat betreft het bevorderen van culturele en taalkundige diversiteit en mediapluriformiteit.
(86)Wanneer de nationale bevoegde instanties in uitzonderlijke gevallen besluiten om de vrijheid van aanbieding van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid in te perken, moeten zij de redenen voor die inperking toelichten.
(87)Diverse beleidsterreinen van de Unie, zoals elektronische communicatie, onderzoek, technologische ontwikkeling en ruimtevaart, vervoer, energie, gemeenschappelijke veiligheid en defensie en audiovisueel en cultureel beleid, zijn afhankelijk van radiospectrum. Het moet mogelijk zijn beleidsrichtsnoeren en -doelstellingen vast te stellen voor de beschikbaarheid en het efficiënte gebruik van radiospectrum wanneer dat nodig is voor de voltooiing van de interne markt op die beleidsterreinen van de Unie. De nationale bevoegde instanties en de Commissie moeten met name alle nodige stappen nemen om te waarborgen dat er voldoende radiospectrum beschikbaar is om burgers en bedrijven in de Unie overal toegang tot hoogwaardige connectiviteit te bieden, ook wanneer zij reizen of zich in plattelands-, afgelegen of offshoregebieden bevinden. Zij moeten de beschikbaarheid van radiospectrum waarborgen en radiospectrum beschermen voor de uitvoering van ruimtegerelateerde Unieprogramma’s, met name voor aardobservatie en ruimteobservatie, satellietnavigatie en plaatsbepaling, en veilige en veerkrachtige satellietcommunicatie voor gouvernementele gebruikers, alsook voor vervoers- en vervoersbeheersystemen, en de activiteiten in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid. Gezien het belang van dit beleid voor de economie en de samenleving van de EU moeten zij ook trachten voldoende radiospectrum te garanderen voor audiovisuele diensten en diensten voor de productie van inhoud, alsook voor onderzoek en wetenschappelijke activiteiten.
(88)Hoewel dergelijke beleidsoriëntaties en -doelstellingen in het bij Besluit 243/2012/EU vastgestelde meerjarenprogramma voor het radiospectrumbeleid nog steeds geldig zijn, zijn de verwante acties grotendeels voltooid of achterhaald. Om duplicatie te voorkomen en samenhang te waarborgen, moeten de doelstellingen van het meerjarenprogramma voor het radiospectrumbeleid worden opgenomen in deze verordening en moet Besluit 243/2012/EU worden ingetrokken.
(89)Met het oog op de uitvoering van specifiek huidig en toekomstig Uniebeleid dat afhankelijk is van radiospectrum, is het cruciaal dat het voor dat beleid vereiste radiospectrum tijdig worden vastgesteld. Overwegende dat de exacte behoeften en tijdschema’s voor de beschikbaarheid van radiospectrum bekend moeten zijn wanneer dergelijk beleid wordt ontwikkeld of vastgesteld teneinde de voorspelbaarheid van regelgeving te vergroten, moeten de geharmoniseerde details van de specifieke banden in kwestie en de gecoördineerde regels voor de beschikbaarheid en het gebruik ervan voor elk geval nader worden bepaald door de Commissie in een strategisch document dat na raadpleging van het RSPB wordt vastgesteld. Na elke Wereldradiocommunicatieconferentie (“WRC”) van de ITU moet een radiospectrumstrategie van de Unie worden vastgesteld, onder meer om transparantie te waarborgen omtrent de wijze waarop de verschillende WRC-besluiten in de rechtsorde van de Unie zullen worden geïntegreerd. Met de radiospectrumstrategie wordt beoogd de transparantie van radiospectrumgerelateerde activiteiten op Unieniveau te vergroten en de voorspelbaarheid voor verschillende bevoegde instanties en marktdeelnemers te vergroten.
(90)De radiospectrumstrategie van de Unie kan operationele routekaarten voor radiospectrum omvatten waarin specifieke mijlpalen en termijnen voor de beschikbaarheid en machtiging van radiospectrum worden vastgesteld die door middel van uitvoeringshandelingen van de Commissie moeten worden vastgesteld zodra de specifieke omstandigheden en behoeften aan radiospectrum bekend zijn. Bij de vaststelling van de radiospectrumstrategie en -routekaarten van de Unie moet de Commissie rekening houden met de beleidsdoelstellingen van de Unie, zoals de noodzaak om de strategische autonomie van de Unie te waarborgen, met inbegrip van gemeenschappelijke veiligheids- en defensiebehoeften, de connectiviteitsdoelstellingen in het kader van het digitale decennium, met name voor 5G en geavanceerde draadloze netwerken, de voltooiing van de eengemaakte markt en de noodzaak om te voldoen aan specifieke technologische of kwaliteitseisen voor grensoverschrijdende diensten. In een dergelijke spectrumstrategie van de Unie moet met name spectrum (delen van spectrum/banden) worden aangewezen dat de lidstaten via geharmoniseerde procedures en op geharmoniseerde voorwaarden beschikbaar moeten stellen ten behoeve van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de Unie. De Commissie moet er ook rekening mee houden dat radiospectrum een publiek goed is met aanzienlijke sociale, culturele en economische waarde, dat doeltreffend en efficiënt moet worden aangewend. De radiospectrumstrategie en -routekaarten van de Unie moeten in overeenstemming zijn met de relevante internationale overeenkomsten inzake radiospectrum. Schadelijke interferentie moet worden vermeden en de beginselen van technologie- en dienstenneutraliteit en van gedeeld gebruik van radiospectrum moeten worden bevorderd, in overeenstemming met het mededingingsrecht. Om ervoor te zorgen dat de radiospectrumstrategie en -routekaarten van de Unie een verschil maken, moet binnen het RSPB een proces worden opgezet dat de nationale bevoegde instanties in staat stelt om samen met de Commissie de voortgang van de uitvoering in de lidstaten te monitoren en ervaringen, goede praktijken en informatie uit te wisselen. Bovendien moeten synergieën met het monitoringmechanisme van het digitale decennium en van het Europees Semester worden geanalyseerd.
(91)Gezien het belang voor het concurrentievermogen van de EU van een tijdige invoering van draadlozebreedbandcommunicatie van de volgende generatie (6G), met inbegrip van de niet-terrestrische elementen ervan, moet hieraan in de eerste radiospectrumstrategie en -routekaart van de Unie prioriteit worden toegekend. Niettemin moet in de strategie ook rekening worden gehouden met opkomende radiospectrumbehoeften van andere beleidsterreinen van de Unie en moet de strategie integraal van aard zijn en niet alleen zijn gericht op het gebruik op basis van vergunningen, maar ook op gebruik zonder vergunning, bijvoorbeeld in het geval van Radio Local Area Networks (“RLAN’s”).
(92)Om de vruchten van de harmonisatie uit hoofde van Beschikking nr. 676/2002/EG volledig te plukken, moet het gebruik van geharmoniseerde radiospectrumbanden in de hele Unie tijdig en op gesynchroniseerde wijze worden toegestaan. Het gebruik van een radiospectrumband toestaan impliceert de toewijzing van radiospectrum volgens een algemenemachtigingsregeling of individuele gebruiksrechten, zodat het gebruik van radiospectrum is toegestaan zodra de toewijzing is voltooid. Om radiospectrumbanden te kunnen toewijzen, zal het soms nodig zijn een door andere gebruikers gebruikte band vrij te maken en deze gebruikers te compenseren voor de directe kosten van migratie of hertoewijzing van spectrum overeenkomstig het nationale recht. De invoering van een gemeenschappelijke termijn kan in bepaalde lidstaten echter lastig zijn vanwege onopgeloste problemen met betrekking tot grensoverschrijdende coördinatie, de complexe technische migratie van bestaande gebruikers van een band, een doelstelling van algemeen belang, de bescherming van de nationale veiligheid en defensie, of overmacht. In ieder geval moeten de bevoegde instanties alle nodige maatregelen nemen om vertragingen tot een minimum te beperken in termen van geografische dekking, timing en radiospectrumbereik. De nationale bevoegde instanties moeten, afhankelijk van de relevante omstandigheden, de Unie verzoeken juridische, politieke en technische bijstand te verlenen om radiospectrumcoördinatieproblemen met buurlanden, waaronder kandidaat-lidstaten en toetredende landen, op te lossen.
(93)Gezien de snelle ontwikkeling van nieuwe draadloze technologieën en diensten, waaronder het gebruik van moderne vermogens als AI, moet het radiospectrumbeheer van de Unie flexibeler en proactiever worden. In dit verband is het belangrijk innovatoren en andere potentiële gebruikers de mogelijkheid te bieden het harmonisatieproces op Unieniveau in gang te zetten, onder meer wanneer wordt aangetoond dat het noodzakelijk is nieuwe technologieën in te voeren of oude technologieën af te schaffen die een inefficiënt gebruik van radiospectrum veroorzaken of schadelijk zijn voor consumenten. Daarom moet een open, transparante en niet-discriminerende procedure worden opgezet voor de formele indiening en beoordeling van verzoeken om harmonisatie van spectrum door de Commissie. Dit proces moet een openbare raadpleging omvatten die de Commissie helpt te beslissen of zij een nieuw proces moet starten, en zo ja, met welke reikwijdte. Op basis hiervan moet de Commissie kunnen beslissen of zij van start gaat met de actualisering of ontwikkeling van radiospectrumgerelateerd beleid met de hulp van het RSPB, of met de ontwikkeling van geharmoniseerde technische en operationele voorwaarden voor het gebruik van een specifieke radiospectrumband samen met het Radiospectrumcomité overeenkomstig Beschikking nr. 676/2002/EG. Vereisten inzake de vorm, de inhoud en het niveau van detail van de verzoeken, bijzonderheden over de behandeling van de verzoeken en, in voorkomend geval, eventuele termijnen moeten worden vermeld in richtsnoeren.
(94)Algemene machtigingen voor radiospectrumgebruik kunnen het meest effectieve radiospectrumgebruik vergemakkelijken en in sommige gevallen innovatie bevorderen, en zijn concurrentiebevorderend, terwijl individuele gebruiksrechten voor radiospectrum in andere gevallen onder bepaalde specifieke omstandigheden wellicht de geschiktste machtigingsregeling vormen. Individuele gebruiksrechten moeten bijvoorbeeld worden overwogen wanneer gunstige verspreidingskenmerken van het radiospectrum of het beoogde vermogen van de doorgifte impliceren dat algemene machtigingen de interferentieproblemen niet kunnen aanpakken, gelet op de vereiste kwaliteit van de diensten. Technische maatregelen zoals oplossingen ter verhoging van de bestendigheid van de ontvanger kunnen het gebruik van algemene machtigingen of gedeeld radiospectrumgebruik mogelijk maken, en misschien de systematische toepassing van het beginsel “interferentievrij en onbeschermd” voorkomen. Algemene machtigingen kunnen worden gecombineerd met individuele gebruiksrechten. Dit kan met name nuttig zijn voor banden die geen goede verspreidingskenmerken hebben, zoals de millimetergolfbanden. Zo kan in stedelijke gebieden een band worden toegewezen op grond van individuele gebruiksrechten, terwijl deze in plattelandsgebieden beschikbaar wordt gesteld op grond van een algemene machtiging. Om een consistente aanpak in de Unie te bevorderen, kan de Commissie een aanbeveling vaststellen waarin de meest geschikte machtigingsregeling voor het gebruik van radiospectrum in een bepaalde geharmoniseerde radiospectrumband of in delen daarvan wordt aangewezen.
(95)In het algemeen is het aan de bevoegde instanties om te beslissen welke machtigingsregeling het meest geschikt is voor een bepaalde radiospectrumband of delen ervan. Wanneer het risico bestaat dat uiteenlopende oplossingen worden toegepast die de interne markt kunnen versnipperen, met name wanneer bij Beschikking nr. 676/2002/EG geharmoniseerde voorwaarden voor een radiospectrumband zijn vastgesteld, en de uitrol van draadloze systemen hierdoor wordt vertraagd, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om, rekening houdend met het advies van de het RSPB, een besluit te nemen over gemeenschappelijke oplossingen, met inachtneming van de geldende technische harmonisatiemaatregelen. Met een dergelijk besluit wordt beoogd een gemeenschappelijk instrumentarium te verschaffen voor bevoegde instanties waarmee zij rekening moeten houden bij de vaststelling van geschikte consistente machtigingsregelingen die moeten worden toegepast op een band of een deel daarvan, afhankelijk van factoren zoals bevolkingsdichtheid, verspreidingskenmerken van banden, verschillen tussen stedelijk en ruraal gebruik, de eventuele noodzaak van bescherming van bestaande diensten en de daaruit voortvloeiende implicaties voor schaalvoordelen bij de productie.
(96)Om de ontwikkeling van geavanceerde diensten op grotere schaal te faciliteren, een efficiënter gebruik van radiospectrum mogelijk te maken en de kosten van de uitrol van draadloze netwerken te verlagen, moeten potentiële gebruikers van radiospectrum voor openbare of niet-openbare netwerken kunnen verzoeken dat, voor zover mogelijk, dezelfde machtigingsvoorwaarden worden toegepast in de lidstaten waar zij radiospectrum gebruiken voor hun netwerken. De Commissie en de bevoegde instanties moeten met elkaar en met het RSPB samenwerken om gemeenschappelijke toelatingsvoorwaarden op te stellen. De Commissie moet ook bevoegd zijn om het gebruik van dergelijke voorwaarden verplicht te stellen. Met de harmonisatie van de machtigingsvoorwaarden wordt beoogd de grensoverschrijdende verrichting van diensten en schaalvoordelen te vergemakkelijken.
(97)Om de verlening van pan-Europese netwerken en diensten van hoge kwaliteit te bevorderen of schaalvoordelen te benutten, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om op Unieniveau machtiging te verlenen voor een deel van het radiospectrum. De uitrol van elke nieuwe generatie mobiele netwerken is duurder dan die van de vorige generatie. Het is economisch dus niet voor alle momenteel op de Uniemarkt actieve exploitanten van mobiele netwerken haalbaar om hun netwerken op te waarderen naar 6G. Op verzoek van de Commissie moet het RSPB in zijn advies over gemeenschappelijke machtigingsvoorwaarden derhalve de mogelijkheid beoordelen van een toewijzing van radiospectrum op Unieniveau en een passende machtigingsprocedure en voorwaarden voor toekenning voorstellen, zoals exploitatie op basis van een wholesalemodel. Ook zou zich de noodzaak kunnen voordoen van een verhoging van de hoeveelheid voor mobiele satellietdiensten gebruikt radiospectrum door middel van herbestemming van het terrestrische radiospectrum. Om te waarborgen dat pan-Europese diensten worden aangeboden, moet dergelijk herbestemd radiospectrum ook op Unieniveau worden toegekend en vergund. De vaststelling van dezelfde machtigingsvoorwaarden op Unieniveau en, indien daarom wordt verzocht, van machtigingsvoorwaarden en geharmoniseerde toekenningsvoorwaarden op Unieniveau zou de uitrol en ontwikkeling van hoogwaardige netwerken en diensten, zoals satellietcommunicatiediensten die gebruikmaken van aan terrestrische diensten of 6G-netwerken toegewezen radiospectrum, kunnen faciliteren.
(98)Om de bureaucratie te verminderen en de toegang te versnellen tot radiospectrum waarvoor de machtigingsvoorwaarden in meer dan één lidstaat zijn geharmoniseerd, moet het mogelijk zijn een procedure in de vorm van een “één-loketprocedure” vast te stellen om het eenvoudiger te maken dat meerdere nationale regelgevende instanties op gecoördineerde wijze en op één locatie individuele gebruiksrechten verlenen. De Commissie moet de bevoegde instanties aanbevelingen kunnen doen over de afhandeling van dergelijke verzoeken via één loket.
(99)Wanneer de geharmoniseerde toewijzing van radiospectrum aan bepaalde ondernemingen op het niveau van de Unie is overeengekomen, moeten de lidstaten dergelijke overeenkomsten strikt toepassen bij het verlenen van gebruiksrechten voor radiospectrum vanuit het nationale frequentietoewijzingsplan.
(100)Door ervoor te zorgen dat de looptijd van rechten voor het gebruik van radiospectrum lang genoeg is, neemt de voorspelbaarheid op het vlak van investeringen toe en wordt bijgedragen tot een snellere uitrol van netwerken en betere diensten, alsmede tot de stabiliteit ter ondersteuning van de handel in en de verhuur van radiospectrum. De bij Richtlijn (EU) 2018/1972 vastgestelde minimale looptijd van de gebruiksrechten voor draadloze breedband is ontoereikend gebleken om voldoende investeringen aan te trekken, bedrijfscontinuïteit en de afschrijving van mobiele projecten mogelijk te maken (ten opzichte van scenario’s met andere communicatietechnologieën) en een ambitieuzere uitrol van netwerken en geavanceerde en grensoverschrijdende diensten aan te moedigen.
(101)Voorspelbaarheid van investeringen kan derhalve beter worden bereikt door de verlening van rechten voor een onbepaalde looptijd, die de nationale bevoegde instanties periodiek moet kunnen toetsen, met geloofwaardige intrekkingsopties die worden beheerd door de bevoegde instanties, waaronder de nationale mededingingsinstanties. Tegelijkertijd bevordert een onbepaalde looptijd de ontwikkeling van een functionerende secundaire markt voor de handel in en verhuur van radiospectrum. Het risico dat gebruiksrechten voor een onbepaalde looptijd de toegang tot de markt belemmeren en de mededinging, beschikbaarheid en kwaliteit van diensten en investeringsprikkels verminderen, moet echter wel worden aangepakt door middel van sterke en geloofwaardige regelgevingswaarborgen die de mededinging beschermen en het “hamsteren” van radiospectrum voorkomen, zoals verplichtingen om wholesaletoegang te verlenen of een gedeeld gebruik van radiospectrum toe te staan, met inachtneming van het mededingingsrecht. Door passende machtigingsvoorwaarden — zoals “use-it-or-share-it”- of “use-it-or-lose-it”-voorwaarden en uitrolverplichtingen — te kiezen en deze te handhaven, kunnen de nationale bevoegde instanties ervoor zorgen dat radiospectrum niet onbenut blijft of wordt geblokkeerd, en ter beschikking wordt gesteld van efficiëntere of innovatievere concurrenten. Vanwege het belang van technische innovatie moeten de nationale bevoegde instanties rechten kunnen toekennen om radiospectrum voor experimentele doeleinden te gebruiken, onder meer voor wetenschappelijke onderzoeksprojecten en experimenten die worden uitgevoerd tijdens de levenscyclus van door EU-programma’s gefinancierde projecten, waarbij specifieke beperkingen en voorwaarden, onder meer inzake de looptijd, moeten worden opgelegd die strikt gerechtvaardigd zijn gezien het experimentele karakter van dergelijke rechten.
(102)Aangezien de planning van langetermijninvesteringen in dezelfde mate afhankelijk is van de looptijd van gebruiksrechten als van garanties voor de verlenging ervan als, moet deze verlenging in beginsel automatisch zijn, tenzij er dwingende redenen zijn om daar niet voor te kiezen. De nationale bevoegde instanties moeten de bevoegdheid hebben om gebruiksrechten niet, of voor een kortere periode of onder gewijzigde voorwaarden te verlengen. Dit moeten zij doen wanneer aan bepaalde voorwaarden voor weigering of wijziging is voldaan op grond van criteria die restrictief moeten worden geïnterpreteerd om voldoende garanties en voorspelbaarheid te waarborgen. Verlengingsweigeringen kunnen worden gebaseerd op doelstellingen van overheidsbeleid uit hoofde van het Unierecht, alsook op de algemene doelstellingen van deze verordening, met inbegrip van behoeften op defensie- en veiligheidsgebied. Een besluit om rechten niet te verlengen moet altijd worden onderworpen aan een open, niet-discriminerende en transparante procedure en worden meegedeeld in het kader van de procedure voor de eengemaakte spectrummarkt. Met het oog op de rechtszekerheid en de eerbiediging van de legitieme verwachtingen van houders van rechten moet de mogelijkheid om verlenging te weigeren ruim (ten minste vijf jaar) vóór het verstrijken van de betrokken rechten worden overwogen.
(103)Verlengingen moeten gepaard gaan met een herziening van de jaarlijkse en eenmalige vergoedingen voor het gebruik van radiospectrum om te waarborgen dat die vergoedingen een optimaal gebruik blijven bevorderen, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met markt- en technologische ontwikkelingen. Een dergelijke herziening moet zijn gebaseerd op de waarde van de gebruiksrechten volgens de meest recente op mededinging of vergelijking gebaseerde toewijzingsprocedure, gecorrigeerd voor de kosten van daaraan verbonden aanvullende voorwaarden, zoals vereisten inzake dekking of kwaliteit van de diensten. Er moet ook rekening worden gehouden met de inkomsten per verbinding en met de totale lasten voor houders van rechten die voortvloeien uit al hun radiospectrumbezit, teneinde te voorkomen dat zeer hoge prijzen die bij eerdere veilingen zijn betaald, de houders van rechten blijven overbelasten en hen beletten in netwerken te investeren. Met het oog op de rechtszekerheid moeten eventuele aanpassingen van de bestaande vergoedingen zijn gebaseerd op dezelfde beginselen die gelden voor de vaststelling van vergoedingen in het kader van de toekenning van nieuwe gebruiksrechten.
(104)Overdracht van gebruiksrechten voor radiospectrum kan een doeltreffend middel zijn om radiospectrum efficiënter te gebruiken. Met het oog op de flexibiliteit en efficiëntie en om het mogelijk te maken dat de markt radiospectrum op waarde schat, moeten de nationale bevoegde instanties radiospectrumgebruikers standaard de mogelijkheid bieden om hun gebruiksrechten voor radiospectrum over te dragen of te verhuren aan derden, waarbij een eenvoudige procedure wordt gevolgd en de voorwaarden die zijn verbonden aan dergelijke rechten en aan de mededingingsvoorschriften worden nageleefd, en toezicht wordt gehouden door de verantwoordelijke nationale regelgevende instanties. De voorwaarden waaronder een individueel recht door de houder van dat recht kan worden overgedragen of verhuurd, moeten bij de verlening van dat recht nader worden bepaald. Teneinde een dergelijke overdracht of verhuur te vergemakkelijken, en mits de op grond van Beschikking nr. 676/2002/EG vastgestelde technische uitvoeringsmaatregelen in acht zijn genomen, moeten de lidstaten ook verzoeken in overweging nemen die zijn gericht op de opdeling of ontbundeling van radiospectrumrechten en op de evaluatie van voorwaarden voor gebruik. Tegelijkertijd moet de nationale bevoegde instantie de overdracht of verhuur van radiospectrum kunnen afkeuren om redenen van veiligheid of soevereiniteit of andere openbare of beleidsdoelstellingen, waaronder de totstandbrenging of instandhouding van daadwerkelijke mededinging, of bij onvoldoende garanties dat het radiospectrum zal worden gebruikt in overeenstemming met de machtigingsvoorwaarden of voor het beoogde gebruik.
(105)Nieuwe concepten van gedeeld radiospectrumgebruik vereisen nauwkeurige realtimegegevens over de frequentiebenutting om een efficiënt gebruik van radiospectrum te waarborgen en interferentie te voorkomen. Een dynamische databank voor specifieke frequentiebanden moet helpen om onderbenut radiospectrum op te sporen en efficiëntere praktijken voor het gebruik en het delen van radiospectrum te bevorderen, in overeenstemming met het mededingingsrecht. Met een dergelijke dynamische inventaris zou ook een bijdrage kunnen worden geleverd aan de ontwikkeling en uitvoering van een operationele routekaart voor radiospectrum.
(106)Conform de rechtspraak van het Hof van Justitie kunnen de nationale bevoegde instanties geen heffingen of vergoedingen vragen voor het aanbieden van andere netwerken en elektronischecommunicatiediensten dan die waarin deze verordening voorziet. Indien het aanbieden van elektronische communicatie afhankelijk is van overheidsmiddelen waarvan het gebruik is onderworpen aan een specifieke machtiging, moeten de nationale bevoegde instanties vergoedingen kunnen opleggen om een optimaal gebruik van die middelen te waarborgen. Deze vergoedingen moeten een afspiegeling vormen van de waarde van de gebruiksrechten, onder meer rekening houdend met de economische en technische situatie op de desbetreffende markt, en zo worden vastgesteld dat een efficiënte toewijzing en een efficiënt gebruik van radiospectrum worden gewaarborgd. Het moet bijvoorbeeld mogelijk zijn dergelijke vergoedingen te gebruiken voor de financiering van de werkzaamheden van de nationale regelgevende instanties en andere nationale bevoegde instanties die niet voldoende uit de administratieve bijdragen kunnen worden gefinancierd. Wanneer bij toepassing van vergelijkende of op mededinging gebaseerde selectieprocedures vergoedingen voor het gebruik van radiospectrum uitsluitend of gedeeltelijk bestaan in een eenmalig bedrag, wordt er door middel van passende betalingsregelingen voor gezorgd dat dergelijke vergoedingen in de praktijk niet leiden tot selectie op grond van criteria die niets te maken hebben met de doelstelling optimaal gebruik van radiospectrum te maken.
(107)De methode voor de berekening van de hoogte van de radiospectrumvergoedingen in de Unie verschilt aanzienlijk tussen lidstaten. Deze discrepantie kan het aanbieden van netwerken op basis van radiospectrum in meerdere lidstaten bemoeilijken. De Commissie moet derhalve regelmatig benchmarkstudies publiceren en, in voorkomend geval, andere richtsnoeren opstellen met betrekking tot de methode voor de berekening van de jaarlijkse radiospectrumvergoedingen die door de nationale bevoegde instanties voor terrestrisch spectrum in rekening moeten worden gebracht. Een dergelijke methode moet zijn gebaseerd op de beginselen van effectief en efficiënt gebruik van het radiospectrum, transparantie, non-discriminatie en evenredigheid ten opzichte van het beoogde doel, en moet de nationale bevoegde instanties in staat stellen de toe te passen vergoeding, die kan bestaan uit een vast jaarlijks deel (per KHz per bandcategorie) en een percentage van de door het gebruik van frequenties gegenereerde jaaromzet, exact te berekenen. De ervaring die Berec en de nationale regelgevende instanties hebben opgedaan met de ontwikkeling van geschikte kostenmodellen zal bij de bepaling van de methode door de Commissie van onschatbare waarde zijn en moet in aanmerking worden genomen. De nationale bevoegde instanties moeten ervoor zorgen dat het vergoedingsbedrag in elk geval de kosten van het beheer van het radiospectrum dekt.
(108)Vergoedingen die ondernemingen moeten betalen voor rechten voor het gebruik van radiospectrum kunnen van invloed zijn op beslissingen om dergelijke radiospectrummiddelen aan te vragen en te gebruiken. De nationale bevoegde instanties moeten daarom reserveringsprijzen vaststellen op een wijze die resulteert in de efficiënte toewijzing van die rechten, ongeacht de aard van de gevolgde selectieprocedure. De Commissie kan een aanbeveling doen over een gemeenschappelijke methode voor het bepalen van reserveringsprijzen, rekening houdend met criteria als de alternatieve kosten van radiospectrum, de kenmerken van de band en de kosten van naleving van de machtigingsvoorwaarden die zijn opgelegd om beleidsdoelstellingen te ondersteunen. Daarbij moet zij ook rekening houden met de mededingingscontext op de betrokken markt, met inbegrip van de mogelijke alternatieve toepassingen van de middelen. In principe mogen de nationale bevoegde instanties geen reserveringsprijzen vaststellen wanneer zij dekkings- of kwaliteitsverplichtingen opleggen, tenzij er een risico bestaat op samenspanning en/of niet-serieuze deelname waardoor de procedure onnodig wordt verlengd. De Commissie moet de bevoegdheid krijgen om uitvoeringshandelingen vast te stellen indien zij er met de aanbeveling niet in slaagt consistente resultaten in de Unie te waarborgen en dit de uitrol van hoogwaardige draadloze netwerken overal in de Unie in gevaar brengt.
(109)Gezien de hoge kosten van radiospectrum als gevolg van de selectie door middel van op een vergelijking van vergoedingen gebaseerde veilingen, moet meer waarde worden gehecht aan afspraken dan aan vergoedingen. Het moet daarom mogelijk zijn om vergoedingen te vervangen door afspraken van aanvragers om maatregelen uit te voeren die rechtstreeks ten goede komen aan de uitrol van netwerken en de kwaliteit van draadloze communicatie. In de praktijk kan dit de vorm aannemen van een borgsom die wordt terugbetaald of een bankgarantie die wordt opgeheven wanneer die afspraken worden nagekomen.
(110)De eis dat de beginselen van technologieneutraliteit en dienstenneutraliteit worden nageleefd bij het verlenen van gebruiksrechten, en de mogelijkheid om tussen ondernemingen rechten over te dragen, vormen samen de basis voor de vrijheid en de middelen om elektronischecommunicatiediensten aan het publiek te verstrekken, en maken het zo makkelijker doelstellingen van algemeen belang te verwezenlijken. Voor deze verordening maakt het niet uit of radiospectrum rechtstreeks aan aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten wordt toegewezen dan wel aan organen die van die netwerken of diensten gebruik maken. Zulke organen kunnen aanbieders zijn van radio- en televisiediensten. De verantwoordelijkheid voor de naleving van de voorwaarden verbonden aan het gebruiksrecht voor radiospectrum en de desbetreffende aan de algemene machtiging verbonden voorwaarden berust in elk geval bij de onderneming waaraan het gebruiksrecht voor radiospectrum is toegewezen. Bepaalde verplichtingen die zijn opgelegd aan omroepen voor het verlenen van audiovisuele mediadiensten kunnen de toepassing van specifieke criteria en procedures voor het verlenen van gebruiksrechten voor radiospectrum noodzakelijk maken, indien blijkt dat zulks van fundamenteel belang is om te voldoen aan een specifieke doelstelling van algemeen belang als bepaald door de nationale bevoegde instanties overeenkomstig het Unierecht. De procedure voor het verlenen van dergelijke rechten moet echter in ieder geval objectief, transparant, niet-discriminerend en proportioneel zijn.
(111)Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie moeten alle nationale beperkingen van de krachtens artikel 56 VWEU gewaarborgde rechten objectief worden gerechtvaardigd en proportioneel zijn en mogen zij niet verder gaan dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen ervan. Bovendien mag radiospectrum dat niet via een open procedure is toegewezen niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan het algemeen belang waarvoor het is toegewezen. In een dergelijk geval moeten de belangstellende partijen de mogelijkheid krijgen binnen een redelijke periode opmerkingen te maken.
(112)In het kader van de procedure voor het verlenen van rechten moeten de nationale bevoegde instanties nagaan of de aanvrager wel kan voldoen aan de voorwaarden die aan die rechten worden verbonden. Die voorwaarden moeten worden opgenomen in criteria die op objectieve, transparante, evenredige en niet-discriminerende wijze zijn opgesteld, voordat een op mededinging gebaseerde selectieprocedure van start gaat. Voor de toepassing van dergelijke criteria moet aanvragers kunnen worden verzocht de nodige informatie te overleggen waaruit blijkt dat zij in staat zijn aan die voorwaarden te voldoen. Indien dergelijke informatie niet wordt verstrekt, moet de nationale bevoegde instantie de aanvraag voor het gebruiksrecht voor radiospectrum kunnen afwijzen.
(113)De nationale bevoegde instanties moeten, voorafgaand aan het verlenen van het recht, uitsluitend elementen controleren waarvan een zorgvuldig handelende aanvrager redelijkerwijs de nodige gegevens kan verstrekken, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de belangrijke publieke en marktwaarde van radiospectrum, dat een schaars publiek goed is. Dit mag de nationale bevoegde instantie er niet van weerhouden om in een later stadium te controleren of aan de subsidiabiliteitscriteria is voldaan, bijvoorbeeld door middel van mijlpalen, indien in eerste instantie niet redelijkerwijs aan de criteria kon worden voldaan. Teneinde het doeltreffend en efficiënt gebruik van radiospectrum in stand te houden, mogen de nationale bevoegde instanties geen rechten verlenen wanneer uit hun beoordeling blijkt dat aanvragers niet in staat zijn aan de voorwaarden te voldoen, zonder daarbij afbreuk te doen aan de mogelijkheid om experimenteel gebruik gedurende een beperkte tijd te vergemakkelijken.
(114)Wanneer de vraag naar een radiospectrumband groter is dan de beschikbaarheid ervan en een nationale bevoegde instantie als gevolg daarvan besluit dat het aantal gebruiksrechten voor radiospectrum moeten worden beperkt, moeten passende en transparante procedures worden toegepast bij de verlening van die rechten teneinde discriminatie te voorkomen en een optimaal gebruik van dit schaarse goed te waarborgen. Een dergelijke beperking moet gerechtvaardigd en evenredig zijn en worden gebaseerd op een grondige beoordeling van de marktomstandigheden, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de algehele voordelen van de gebruiker en met nationale doelstellingen en doelstellingen inzake de interne markt. De doelstellingen van een eventuele beperkingsprocedure moeten van tevoren duidelijk worden omschreven en, waar mogelijk, worden gekwantificeerd, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de noodzaak om doelstellingen in verband met de nationale en de interne markt te verwezenlijken. Bij het overwegen van de meest geschikte selectieprocedure moeten de nationale bevoegde instanties, in overeenstemming met de op Unieniveau genomen coördinatiemaatregelen, tijdig en op transparante wijze alle belanghebbende partijen raadplegen over de rechtvaardiging, doelstellingen en voorwaarden van de procedure, waarbij zij onder meer het resultaat van elke daaraan verwante beoordeling van de mededingings-, technische en economische situatie op de markt moeten vermelden. De nationale bevoegde instanties moeten onder meer gebruik kunnen maken van vergelijkende of op mededinging gebaseerde selectieprocedures voor de toewijzing van radiospectrum, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de mededingings-, technische en economische situatie op de markt. Bij het beheer van dergelijke regelingen moeten de nationale bevoegde instanties rekening houden met de doelstellingen van deze verordening. Indien een lidstaat van mening is dat verdere rechten in een band beschikbaar kunnen worden gesteld, moet hij van start gaan met het proces daarvoor.
(115)Hoewel veilingen een transparante, niet-discriminerende toewijzing en een efficiënt gebruik van radiospectrum mogelijk maken, kunnen zij — als selectieprocedure op basis van concurrerende biedprijzen — leiden tot een aanzienlijke financiële last voor exploitanten als zij niet naar behoren zijn ontworpen of als de gunningsvoorwaarden geen afspiegeling vormen van de situatie op de markt. Daarom moet de voorkeur worden gegeven aan investeringsgerichte veilingen die zijn gericht op het verkrijgen van bepaalde afspraken inzake kwaliteit en dekking in plaats van op de betaling van vergoedingen.
(116)Het forum voor vrijwillige collegiale toetsing, dat bij Richtlijn (EU) 2018/1972 is opgericht als instrument om te bevorderen dat deelnemers van elkaar leren, heeft niet geleid tot meer convergentie in het gebruik en de definities van de elementen van selectieprocedures en de voorwaarden die verbonden zijn aan gebruiksrechten voor radiospectrum, aangezien slechts ongeveer een derde van de nationale maatregelen collegiaal werd getoetst. Aangezien die elementen en voorwaarden aanzienlijke gevolgen hebben voor de marktomstandigheden en de mededingingssituatie, met inbegrip van de voorwaarden voor toetreding en uitbreiding, moet een nieuw mechanisme voor ex ante coördinatie — een procedure voor de eengemaakte radiospectrummarkt — worden ingesteld. Die procedure moet van toepassing zijn op elke maatregel die door de nationale bevoegde instanties wordt voorgesteld met het oog op de uitvoering van een selectieprocedure of de wijziging of verlenging van gebruiksrechten met betrekking tot geharmoniseerd radiospectrum voor draadlozebreedbandnetwerken en -diensten voor elektronische communicatie. Een dergelijk ex-antemechanisme is efficiënter dan interventie ex post, aangezien maatregelen die niet gerechtvaardigd of onevenredig zijn, er van tevoren mee kunnen worden gedetecteerd. De aanmeldende autoriteit moet met name toelichten waarom een voorgestelde marktvormingsmaatregel noodzakelijk is om daadwerkelijke mededinging in stand te houden of tot stand te brengen, en wat de waarschijnlijke gevolgen ervan zijn voor bestaande en toekomstige investeringen door marktdeelnemers, en zich hierbij baseren op een marktanalyse. Indien de aanmeldende autoriteit voornemens is een beperkte looptijd voor een gebruiksrecht op te leggen, moet zij beargumenteren waarom zij de voorgestelde looptijd toereikend acht in het licht van de investeringen die nodig zijn om de doelstellingen van de toewijzingsprocedure en van deze verordening te verwezenlijken. De Commissie moet eventuele voorbehouden kenbaar kunnen maken die zij heeft bij ontwerpen van marktvormingsmaatregelen, d.w.z. maatregelen die van invloed zijn op de structuur of het niveau van de mededinging op de markt, zoals radiospectrumplafonds, reserveringen of wholesaletoegangsverplichtingen, en moet in dat geval de redenen voor het voorbehoud vermelden. Zo kan de Commissie van oordeel zijn dat de maatregel een belemmering voor de interne markt opwerpt of ernstige twijfels hebben over de verenigbaarheid ervan met het recht van de Unie, in het bijzonder de doelstellingen van deze verordening. De Commissie kan ook voorbehouden kenbaar maken in verband met een beperking van de looptijd, indien zij van oordeel is dat de voorgestelde looptijd ontoereikend is. In haar evaluatie zal de Commissie rekening moeten houden met de mogelijke gevolgen van de looptijd van de gebruiksrechten voor de mededinging. Om de doeltreffendheid van het proces te waarborgen, moet de Commissie, indien zij dit nodig acht, de mogelijkheid krijgen een veto uit te spreken over de looptijd van gebruiksrechten of over marktvormingsmaatregelen. Deze nieuwe procedure voor de eengemaakte radiospectrummarkt moet in de plaats komen van het forum voor collegiale toetsing.
(117)Wanneer marktvormingsmaatregelen of een beperkte looptijd van vergunningen worden gestaafd door robuust economisch bewijs en goed zijn vormgegeven, kunnen zij een belangrijke rol spelen bij het waarborgen van daadwerkelijke mededinging op de markten voor elektronische communicatie. Besluiten inzake maatregelen die specifiek zijn gericht op de bevordering van de mededinging bij het verlenen of verlengen van gebruiksrechten voor radiospectrum, moeten worden genomen door de nationale regelgevende instanties en andere nationale bevoegde instanties, die over de nodige kennis op het vlak van de economie, de technologie en de markt beschikken. Voorwaarden voor de toewijzing van radiospectrum kunnen van invloed zijn op de concurrentiesituatie op de markten voor elektronische communicatie en op voorwaarden voor toegang tot de markt. Beperkte toegang tot radiospectrum, met name wanneer radiospectrum schaars is, kan een toegangsbarrière opwerpen of een belemmering vormen voor investeringen, de uitrol van netwerken, het aanbieden van nieuwe diensten of toepassingen, innovatie en mededinging. Nieuwe gebruiksrechten, met inbegrip van gebruiksrechten die door middel van overdracht of verhuur zijn verworven, en de invoering van nieuwe, flexibele criteria voor radiospectrumgebruik kunnen ook van invloed zijn op de bestaande mededinging. Wanneer bepaalde, voor de bevordering van de mededinging gebruikte voorwaarden ten onrechte worden toegepast, kunnen daaruit andere effecten voortvloeien. Zo kunnen radiospectrumlimieten en -reserveringen tot kunstmatige schaarste leiden, kunnen wholesaletoegangsverplichtingen bij ontbreken van marktmacht tot een onterechte beperking van bedrijfsmodellen leiden, en kunnen grenzen voor overdracht de ontwikkeling van secundaire markten belemmeren. Daarom is een consistente en objectieve mededingingstoets ten aanzien van het opleggen van dergelijke voorwaarden noodzakelijk en moet die op gecoördineerde wijze worden toegepast. Het gebruik van dergelijke maatregelen moet daarom worden gebaseerd op een grondige en objectieve beoordeling door de nationale regelgevende instanties van de markt en de concurrentievoorwaarden op die markt, die op haar beurt weer moet zijn gebaseerd op een marktanalyse. De nationale bevoegde instanties moeten evenwel te allen tijde het doeltreffende en efficiënte gebruik van radiospectrum waarborgen en verstoring van de mededinging als gevolg van tegen vrije mededinging indruisende hamsterpraktijken voorkomen.
(118)Maatregelen die de structuur van de markt beïnvloeden, zoals radiospectrumplafonds of reserveringen, mogen alleen worden opgelegd wanneer minder ingrijpende maatregelen, zoals wholesaletoegangsverplichtingen, niet volstaan om daadwerkelijke mededinging op retailniveau te waarborgen. Voordat wholesaletoegangsverplichtingen worden opgelegd, moeten de nationale bevoegde instanties beoordelen of de retailmarkten daadwerkelijk concurrerend zouden zijn zonder wholesale-interventie. Deze beoordeling moet integraal zijn en er moeten een aantal parameters voor in acht worden genomen, zoals, maar niet beperkt tot, gepubliceerde prijzen voor consumenten- en zakelijke producten op de massamarkt, kortingen, met inbegrip van gerichte kortingen, alsook investeringen en de kwaliteit van de diensten. Bij de bepaling van de gebruiksrechten waarvoor dergelijke verplichtingen gelden, moet de nationale bevoegde instantie rekening houden met de beschikbare capaciteit om wholesaleaanbiedingen te ondersteunen.
(119)Door de enorme toename van de vraag naar radiospectrum en van de vraag door eindgebruikers naar draadlozebreedbandcapaciteit zijn alternatieve, complementaire, wat spectrumgebruik betreft efficiënte toegangsoplossingen nodig, waaronder draadloze toegangssystemen met laag vermogen en kort bereik, zoals RLAN’s en netwerken van cellulaire toegangspunten met een laag vermogen. Dergelijke complementaire draadloze toegangssystemen, in het bijzonder publiek toegankelijke RLAN-toegangspunten, geven eindgebruikers in toenemende mate toegang tot het internet en bieden mobiele aanbieders de mogelijkheid mobiel verkeer af te wikkelen. RLAN’s maken gebruik van geharmoniseerd radiospectrum zonder dat een individuele machtiging of een gebruiksrecht voor radiospectrum vereist is. De meeste RLAN-toegangspunten worden tot dusver door particuliere gebruikers gebruikt als een lokaal draadloos verlengstuk van hun vaste breedbandverbinding. Eindgebruikers mogen er binnen de grenzen van hun eigen internetabonnement niet van worden weerhouden hun RLAN-toegang met anderen te delen, teneinde het aantal beschikbare toegangspunten te vergroten, met name in dichtbevolkte gebieden, de capaciteit op het vlak van draadloze gegevens te maximaliseren door hergebruik van radiospectrum, en een kosteneffectieve complementaire draadlozebreedbandinfrastructuur te creëren die voor andere eindgebruikers toegankelijk is. Onnodige beperkingen op de opstelling en onderlinge koppeling van RLAN-toegangspunten moeten dan worden opgeheven.
(120)Overheden of aanbieders van openbare diensten die RLAN’s in hun gebouwen of op hun terreinen voor hun personeel, bezoekers of klanten gebruiken, bijvoorbeeld om de toegang tot e-overheidsdiensten te vergemakkelijken of ten behoeve van informatie over openbaar vervoer of wegverkeersmanagement, moeten ook toegang tot dergelijke toegangspunten verlenen voor algemeen gebruik door de burgers als aanvulling op de diensten die zij in hun gebouwen of op hun terreinen aanbieden, voor zover dat is toegestaan op grond van de voorschriften inzake mededinging en openbare aanbestedingen. De aanbieder van dergelijke lokale toegang tot elektronischecommunicatienetwerken in of rond een privéwoning of een beperkte openbare ruimte op niet-commerciële basis of als nevendienst voor een andere activiteit die niet van dergelijke toegang afhankelijk is, zoals RLAN-hotspots die op die plaats aan klanten van andere commerciële activiteiten of aan het algemene publiek beschikbaar worden gesteld, kan evenwel verplicht zijn algemene machtigingen voor gebruiksrechten voor radiospectrum na te leven, maar moet niet worden onderworpen aan voorwaarden of vereisten die zijn verbonden aan algemene machtigingen van toepassing op aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken of -diensten, noch aan verplichtingen inzake eindgebruikers of interconnectie. Op een dergelijke aanbieder blijven echter wel de voorschriften inzake aansprakelijkheid van Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van toepassing. Andere technologieën, zoals communicatie op basis van zichtbaar licht, zijn in opkomst en zullen een aanvulling vormen op de huidige vermogens van RLAN’s en draadloze toegangspunten betreffende radiospectrum, door middel van toegangspunten op basis van optisch zichtbaar licht, en leiden tot hybride lokale netwerken waarmee optische draadloze communicatie mogelijk is.
(121)Aangezien draadloze toegangspunten met laag vermogen, zoals femtocellen, picocellen, metrocellen of microcellen, soms zeer klein zijn en gebruikmaken van discrete apparatuur vergelijkbaar met door particulieren gebruikte RLAN-routers, waarvoor geen verdere vergunning nodig is dan die vereist voor het gebruik van radiospectrum, en rekening houdend met het positief effect van zulke toegangspunten op het gebruik van radiospectrum en op de ontwikkeling van draadloze communicatie, moeten beperkingen op de inzet ervan zoveel mogelijk worden beperkt. Als gevolg daarvan mogen de nationale bevoegde instanties, ter vergemakkelijking van de implementatie van draadloze toegangspunten met klein bereik, en onverminderd elke toepasselijke vereiste in verband met radiospectrumbeheer, in beginsel geen individuele vergunningen opleggen voor de implementatie van dergelijke apparaten op gebouwen die niet officieel beschermd zijn als onderdeel van een aangewezen omgeving, en evenmin officieel beschermd zijn vanwege hun bijzondere architectonische of historische waarde, behalve wanneer de openbare veiligheid in het geding is. Daartoe moeten de kenmerken ervan, zoals maximumgrootte, gewicht en emissie-eigenschappen, op Unieniveau worden gespecificeerd op proportionele wijze voor lokale uitrol en om te zorgen voor een hoge mate van bescherming van de volksgezondheid. Voor de exploitatie van draadloze toegangspunten met klein bereik moet artikel 7 van Richtlijn 2014/53/EU van toepassing zijn. Dit laat de particuliere eigendomsrechten volgens het Unierecht of het nationale recht onverlet. De procedure voor de behandeling van vergunningsaanvragen moet worden gestroomlijnd, onverminderd eventuele handelsovereenkomsten, en de ermee gepaard gaande administratieve lasten moeten worden beperkt tot de administratieve kosten van de behandeling van de aanvraag. Een verzoek om een vergunning moet zo snel mogelijk worden beoordeeld, in beginsel binnen vier maanden.
(122)Openbare gebouwen en andere publieke infrastructuur worden dagelijks bezocht en gebruikt door een aanzienlijk aantal eindgebruikers die verbonden moeten zijn met netwerken om gebruik te kunnen maken van digitale openbare diensten, digitale vervoersdiensten en andere diensten. Andere publieke infrastructuur, zoals lantaarnpalen en verkeerslichten, vormen bijvoorbeeld op grond van de dichte verspreiding ervan zeer waardevolle locaties voor de plaatsing van kleine cellen. Onverminderd de mogelijkheid voor de nationale bevoegde instanties om de uitrol van draadloze toegangspunten met klein bereik afhankelijk te stellen van voorafgaande individuele vergunningen, moeten exploitanten het recht op toegang tot die openbare locaties krijgen om adequaat te kunnen inspelen op de vraag. In aanvulling op Verordening (EU) 2024/1309 van het Europees Parlement en de Raad en onverminderd de beginselen die zijn vastgelegd in die verordening, moeten de nationale bevoegde instanties er derhalve voor zorgen dat dergelijke openbare gebouwen en andere publieke infrastructuur op redelijke voorwaarden beschikbaar worden gemaakt voor de uitrol van kleine cellen. Verordening (EU) 2024/1309 volgt een functionele aanpak en voorziet slechts in verplichtingen betreffende de toegang tot fysieke infrastructuur in gevallen waarin die deel uitmaakt van een netwerk en eigendom is van of wordt gebruikt door een netwerkexploitant, zodat tal van gebouwen die in bezit zijn van of gebruikt worden door overheden er niet onder vallen. Fysieke infrastructuur, zoals buizen en masten, die wordt gebruikt voor intelligente vervoerssystemen in handen van netwerkexploitanten (aanbieders van vervoersdiensten of aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken) en die ruimte biedt aan onderdelen van een netwerk, vereist geen specifieke verplichting en valt dus binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2024/1309.
(123)Artikel 4 van Beschikking nr. 676/2002/EG betreffende de functie van het Radiospectrumcomité moet worden gewijzigd. Om de veiligheid en de technologische soevereiniteit van de Unie en haar lidstaten te waarborgen, moet een mechanisme worden ingesteld dat de Commissie en de lidstaten in staat stelt kwesties te bespreken en een besluit te nemen over een gemeenschappelijk standpunt zonder derde landen en belanghebbenden daarbij te betrekken. De Commissie moet derhalve de bevoegdheid krijgen om van de lidstaten te verlangen dat zij, voorafgaand aan de besprekingen tijdens de CEPT, in het Radiospectrumcomité gemeenschappelijke standpunten vaststellen met betrekking tot de ontwikkeling van bepaalde technische uitvoeringsmaatregelen die gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid of de technologische soevereiniteit van de Unie of haar lidstaten.
(124)Satellietcommunicatie speelt een cruciale rol bij het waarborgen van de veiligheid, veerkracht en strategische autonomie van de Unie. De recente technologische ontwikkelingen, de veranderende marktdynamiek, geopolitieke uitdagingen en punten van zorg op het gebied van mededinging in verband met satellietnetwerken vereisen een krachtiger optreden op Unieniveau. Satellietexploitanten streven steeds meer naar pan-Europese markttoegang en regelgevers staan onder toenemende druk om geschikte regelgevingskaders vast te stellen die aansluiten op het beleid en de doelstellingen van de Unie. De regels voor het aanbieden van satellietcommunicatienetwerken en -diensten en het gebruik van satellietspectrum moeten worden vereenvoudigd en geconsolideerd, de totstandbrenging van grensoverschrijdende diensten en netwerken moet worden gefaciliteerd en lacunes in de regelgeving met betrekking tot de voorwaarden voor toegang tot de satellietmarkten van de Unie moeten worden voorkomen.
(125)In zijn advies van 16 juni 2021 over het programma voor het radiospectrumbeleid heeft de RSPG benadrukt dat het spectrumbeleid de ontwikkeling moet ondersteunen van innovatieve satellietsystemen die door de EU beheerste connectiviteit waarborgen en betrouwbare, veerkrachtige en kosteneffectieve satellietdiensten voor de overheid leveren. Een aangescherpt Uniekader is derhalve noodzakelijk om de Unie te positioneren als prominente speler in de mondiale ruimtevaartindustrie, een solide basis te leggen voor de ontwikkeling en exploitatie van pan-Europese satellietinfrastructuur en de doeltreffende handhaving van waarborgen op het gebied van veiligheid en mededinging te garanderen. Voorts moet dit kader een essentiële rol spelen bij de uitvoering van de op 26 maart 2025 vastgestelde strategie voor een paraatheidsunie, waarin onder meer wordt onderstreept dat in het kader van de ontwikkeling van veilige communicatie en connectiviteit in de hele Unie minimumparaatheidscriteria voor essentiële diensten als elektronischecommunicatiediensten moeten worden opgesteld om de veerkracht van vitale maatschappelijke functies te waarborgen en tweeërlei gebruik door ontwerp te bevorderen.
(126)Overeenkomstig artikel 216, lid 1, VWEU heeft de Unie externe bevoegdheid en kan zij overeenkomsten sluiten met internationale organisaties wanneer de Verdragen daarin voorzien of wanneer dit noodzakelijk is om de doelstellingen van het beleid van de Unie te verwezenlijken. Het beheer van radiospectrum en het gebruik van radiofrequenties, onder meer voor satellietcommunicatie, zijn gebieden die grotendeels worden gereguleerd door Uniewetgeving die is vastgesteld op grond van artikel 114 VWEU, met name Richtlijn (EU) 2019/1872 en Beschikking nr. 676/2002/EG. Het gebruik van radiospectrum door satellieten is inherent internationaal van aard: het wordt geregeld door mondiale coördinatiemechanismen binnen de ITU en maakt grensoverschrijdende dienstverlening in meerdere landen mogelijk. Tegelijkertijd vormt het satellietradiospectrum een cruciale troef voor de mondiale communicatiemarkten, die van invloed is op het concurrentievermogen, de investeringen en het vermogen om in de hele Unie innovatieve diensten aan te bieden. Met het oog op deze tweeledige internationale en marktdimensie is een coherente en toekomstgerichte aanpak op Unieniveau nodig om een efficiënt gebruik van het satellietradiospectrum, doeltreffende coördinatie en een goede werking van de interne markt te waarborgen.
(127)Een van de basisprocessen om interferentievrije exploitatie te waarborgen, is de coördinatie van satellietnetwerken voorafgaand aan hun lancering. Overeenkomstig het radioreglement van de ITU moet de overheidsdienst die een nieuw satellietsysteem aanmeldt, zorg dragen voor coördinatie met alle reeds gelanceerde of aangemelde systemen die de werking van het nieuwe satellietsysteem kunnen beïnvloeden en zo nodig parameters aanpassen zodat het nieuwe systeem geen schadelijke interferentie voor dergelijke systemen veroorzaakt. Om de transparantie binnen de Unie met betrekking tot ITU-aanmeldingen en -registraties te vergroten, moeten de nationale bevoegde instanties de Commissie en andere nationale bevoegde instanties in het RSPB van dergelijke activiteiten in kennis stellen. Bovendien moet een mechanisme worden opgezet om te waarborgen dat een overheidsdienst andere nationale bevoegde instanties en de Unie om steun kan verzoeken bij de uitvoering van coördinatie binnen de ITU, met name wanneer het risico bestaat dat de belangen en het beleid van de Unie worden geschaad.
(128)De harmonisatie en het beheer van radiospectrum voor satellietgebruik op internationaal niveau via de ITU hebben niet geleid tot de harmonisatie van nationale machtigingsprocedures voor het aanbieden van satellietcommunicatiediensten en voor het gebruik van het verwante spectrum. De toepasselijke regels en voorwaarden voor satellietnetwerken en satellietcommunicatiediensten van de lidstaten blijven versnipperd, waardoor satellietexploitanten in de Unie niet de vereiste schaal kunnen bereiken om grensoverschrijdende of pan-Europese connectiviteitsdiensten aan te bieden. Dergelijke diensten worden steeds belangrijker om gebieden met weinig dekking en afgelegen gebieden te verbinden, de veerkracht te vergroten en de uitrol van nieuwe technologieën te bevorderen. Om deze uitdagingen het hoofd te bieden, moet het aanbieden van satellietnetwerken en -diensten worden onderworpen aan een algemene machtiging op Unieniveau, op voorwaarden die door Commissie samen met de lidstaten ontwikkelt. Gezien de diverse aard van satellietnetwerken en -diensten kunnen dergelijke machtigingsvoorwaarden het best worden ontwikkeld door middel van uitvoeringshandelingen en in nauwe samenwerking met het RSPB, gezien de brede ervaring die nationale voor spectrum verantwoordelijke instanties hebben opgedaan met satellietmachtigingen. Een kennisgeving aan de Commissie in het kader van een dergelijke algemene machtiging zou een onderneming in de hele Unie dezelfde rechten verlenen, zonder dat afzonderlijke kennisgeving in afzonderlijke lidstaten vereist is.
(129)Er moet een geharmoniseerd en gecentraliseerd Uniekader voor machtigingen voor het gebruik van satellietspectrum tot stand worden gebracht, waarvan de uitvoering wordt ondersteund door de nationale bevoegde instanties van de lidstaten. Een dergelijk kader, waarbij op gemeenschappelijke voorwaarden gebruiksrechten op Unieniveau worden verleend, zou de rechtszekerheid vergroten, de versnippering verminderen en de strategische autonomie, veiligheid en soevereiniteit van de Unie op het gebied van satellietcommunicatie versterken, en tegelijkertijd een aanvulling vormen op de doelstellingen van de ruimtevaartwetgeving van de Unie en de visie voor de ruimtevaarteconomie van de Unie. Satellietmachtigingen op Unieniveau, via een procedure waarin de Commissie en het RSPB, ondersteund door het ODN, zijn betrokken bij alle stappen, van toewijzing en vergunningverlening tot handhaving, zouden de administratieve lasten verminderen, de transparantie omtrent markttoegang vergroten en een consistent beheer van schaars radiospectrum en interferentie garanderen. Dit zou de integriteit van de interne markt waarborgen, veilige en concurrerende diensten bevorderen en het radiospectrumbeleid afstemmen op de strategische doelstellingen van de Unie, en aldus veilige, schaalbare en strategisch autonome satellietcommunicatie mogelijk maken.
(130)Spectrum dat voor satellietnetwerken en -diensten wordt gebruikt, moet onderworpen zijn aan een machtiging van de Unie die wordt verleend door de Commissie, met de hulp van het Beleidsorgaan voor het radiospectrum. Er moet een Europese tabel voor de toewijzing van satellietfrequenties worden vastgesteld om satellietexploitanten op transparante wijze inzicht te bieden in het spectrum dat voor specifieke satellietdiensten toegankelijk is. Hoewel de Commissie voor bepaalde satellietspectrumbanden, bijvoorbeeld voor het internet der dingen, kan besluiten dat toegang kan worden verleend op grond van een algemene machtiging, moet voor andere banden de voorkeur worden gegeven aan individuele gebruiksrechten, gezien de noodzaak om schadelijke interferentie te voorkomen en de kwaliteit van de diensten, de veerkracht van netwerken en de beveiliging van communicatie te waarborgen.
(131)Om het aanbieden van pan-Europese satellietnetwerken en -diensten mogelijk te maken, moeten de machtigingsvoorwaarden voor het gebruik van satellietspectrum bovendien in de hele Unie gelijk zijn. Dergelijke machtigingsvoorwaarden moeten met name de naleving waarborgen van de toepasselijke regels van het radioreglement van de ITU inzake satellietcoördinatie en voorkoming van schadelijke interferentie, alsook coördinatie met andere huidige en toekomstige satellietsystemen, wat van bijzonder belang is voor de satellietsystemen die in het kader van de programma’s van de Unie reeds worden gebruikt of gepland zijn. Ook moet worden gestreefd naar samenhang tussen de machtigingsvoorwaarden voor het aanbieden van satellietnetwerken of -diensten en de cyberbeveiligingsverordening, die Verordening (EU) 2019/881 van het Europees Parlement en de Raad zal vervangen.
(132)Hoewel het grootste deel van het satellietspectrum efficiënt kan worden gedeeld tussen verschillende aanbieders, worden de meeste machtigingen van de Unie verleend op basis van het beginsel “wie het eerst komt, het eerst maalt”. Tot op heden zijn in het kader van de selectieprocedure van de Unie uit hoofde van Beschikking nr. 626/2008/EG alleen de houders van het recht om de 2 GHz-band te gebruiken voor pan-Europese levering van de mobiele satellietdienst (Mobile Satellite Service — “MSS”) geselecteerd. Aangezien ander satellietspectrum in de toekomst schaars kan worden, moet de verordening voorzien in een passende selectieprocedure om in dergelijke omstandigheden houders van gebruiksrechten voor banden te selecteren. Die procedure moet worden geïnspireerd op de vergelijkende selectieprocedure uit hoofde van Beschikking nr. 626/2008/EG. Vergelijkende selectieprocedures moeten gericht zijn op de uitrol van innovatieve satellietcommunicatie en op bevordering van de integratie van Europese technologieën in het nieuwe ruimte-ecosysteem. Dit is cruciaal om de industriële en wetenschappelijke vermogens van de Unie te vergroten en de strategische autonomie en toeleveringsketens van Europa in de ruimtevaartsector te versterken. In bepaalde gevallen zullen op mededinging gebaseerde procedures, zoals veilingen, mogelijk geschikter zijn om te waarborgen dat spectrum wordt toegewezen aan de ondernemingen die het optimaal kunnen benutten. In dergelijke gevallen moet worden gegarandeerd dat op passende wijze rekening wordt gehouden met andere beleidsdoelstellingen, zoals de noodzaak om een brede dekking van het grondgebied van de Unie te waarborgen.
(133)In zijn advies van 17 juni 2025 over de beleidsaanpak op EU-niveau voor direct-to-device (D2D)-satellietconnectiviteit en daarmee verband houdende internemarktkwesties heeft de RSPG gewezen op de noodzaak van een beschermingsmechanisme dat de lidstaten in staat stelt collectief te reageren op gevallen van niet-naleving van de gemeenschappelijke vereisten voor satellietcommunicatiediensten om de belangen van de EU te beschermen. In het kader van de ITU is er een beproefd proces voor de bilaterale oplossing van grensoverschrijdende interferentieproblemen tussen overheidsdiensten, maar dat proces neemt veel tijd in beslag en gaat niet vergezeld van voldoende garanties voor een doeltreffende en tijdige oplossing van de interferentieproblemen. Bij deze verordening moeten derhalve de instrumenten worden vastgesteld om de naleving te waarborgen van de in de verordening vastgestelde machtigingsvoorwaarden, met name verplichtingen om te coördineren en schadelijke interferentie op het grondgebied van de Unie en te voorkomen. Hoewel de machtiging voor satellietnetwerken en -diensten en het verwante gebruik van spectrum op Unieniveau moet worden verleend, moet de Commissie in het kader van het toezicht op de naleving van de machtigingsvoorwaarden samenwerken met de nationale bevoegde instanties, die over de nodige rechtsmacht, capaciteit en deskundigheid beschikken om naleving te controleren en problemen met betrekking tot schadelijke interferentie te detecteren.
(134)Met het oog op een gecoördineerde monitoring en handhaving van Uniemachtigingen moet de Commissie, rekening houdend met het advies van het RSPB, gedetailleerde regelingen vaststellen waarin de handhavingsmodaliteiten worden beschreven. De Commissie kan ook geldboeten of dwangsommen opleggen wegens schending van de machtigingsvoorwaarden of van andere bepalingen van het gebruiksrecht voor satellietradiospectrum. Bij dergelijke geldboeten moet rekening worden gehouden met de ernst en duur van de inbreuk en, indien de inbreuk bestaat in de schending van nationale regels, met eventuele sancties die reeds door de nationale instanties zijn opgelegd. De nationale bevoegde instanties moeten de Commissie in kennis kunnen stellen van elke inbreuk op de machtigingsvoorwaarden of bepalingen van het gebruiksrecht voor satellietradiospectrum. Teneinde naleving te waarborgen, moeten de lidstaten op hun grondgebied volledige uitvoering geven aan het besluit waarbij corrigerende maatregelen of sancties worden opgelegd, met inbegrip van een uiteindelijk verbod voor een onderneming om satellietnetwerken of -diensten in de Unie aan te bieden. In dergelijke gevallen moet een lidstaat waarvan de connectiviteit ernstig zou worden verstoord door een opschorting of stopzetting van de activiteiten van een satellietexploitant, de Commissie echter kunnen verzoeken de toepassing van een dergelijke gecoördineerde maatregel op zijn nationale grondgebied voor een verlengbare periode van maximaal zes maanden uit te stellen.
(135)Technologische ontwikkelingen leiden tot de geleidelijke integratie van terrestrische en niet-terrestrische netwerken in een uniforme communicatiearchitectuur, waarbij grondinfrastructuur wordt gecombineerd met niet-terrestrische componenten, met name satellietconstellaties met een lage omloopbaan, zodat overal ter wereld veerkrachtige en hoogwaardige connectiviteit mogelijk wordt. Uit de wereldwijde concurrentiestrijd om normalisatie en toegang tot satellietspectrum voor mobiele technologieën van de volgende generatie blijkt het strategische belang van spectrum als kritieke hulpbron. Er zijn specifieke wettelijke bepalingen op dit gebied nodig om doeltreffend te kunnen inspelen op deze ontwikkelingen door de regels voor het beheer van het satellietspectrum aan te scherpen zodat de Unie haar strategische autonomie bij de uitrol van veilige en veerkrachtige terrestrische en niet-terrestrische 5G- en 6G-netwerken kan waarborgen. Tegelijkertijd is er, als gevolg van de schaarste aan mobiel satellietspectrum, een steeds grotere behoefte om spectrum te delen tussen terrestrische en niet-terrestrische gebruikers. Dit delen moet zo gebeuren dat de verlening van de terrestrische diensten niet in gevaar wordt gebracht. Om de ongehinderde continuïteit van het huidige gebruik en de huidige toepassingen te garanderen, moet deze verordening waarborgen dat gedeeld gebruik van spectrum tussen terrestrische en satellietsystemen uitsluitend plaatsvindt als de primaire houder van het terrestrische gebruiksrecht daarmee heeft ingestemd, en onder zijn verantwoordelijkheid. In een context van geïntegreerde satelliet- en mobiele communicatiediensten die mogelijk worden gemaakt door 6G-technologieën, vervagen de traditionele grenzen tussen terrestrische en satellietnetwerken. Daarom is een gecoördineerd en toekomstgericht regelgevingskader nodig om versnippering van de markt en spectruminterferentie te voorkomen, met name in frequentiebanden die door zowel terrestrische mobiele als satellietexploitanten zullen worden gebruikt.
(136)Met het oog op de uitvoering van het specifieke huidige en toekomstige beleid van de Unie dat afhankelijk is van nummervoorraden, is het van essentieel belang dat de behoeften aan zowel bestaande als innovatieve diensten tijdig in kaart worden gebracht. De ontwikkeling van de interne markt van de Unie leidt tot een toenemende uitrol van grensoverschrijdende diensten, die in veel gevallen afhankelijk zijn van nummervoorraden. Om ervoor te zorgen dat dergelijke diensten gedijen en de verwachte maatschappelijke voordelen en economische groei opleveren, moet worden gewaarborgd dat de regelgeving met betrekking tot de planning, de toewijzing en het beheer van nummervoorraden in de Unie consistent en voorspelbaar is. De Commissie moet, op basis van de inbreng van alle belanghebbende partijen en met gedegen inachtneming van het advies van Berec, een toekomstgerichte nummerstrategie ontwikkelen die de basis zou vormen voor het nummerplan van de Unie.
(137)De beschikbaarheid van pan-Europese nummervoorraden zou een consistenter en eenvoudiger gebruik van nummervoorraden door aanbieders van grensoverschrijdende of pan-Europese diensten mogelijk maken. De Commissie moet met de steun van de lidstaten maatregelen kunnen nemen, waaronder de vaststelling van uitvoeringshandelingen, om het nummerplan van de Unie vast te stellen, aanvragen voor nummerreeksen bij de ITU mogelijk te maken en de voorwaarden vast te stellen die kunnen worden verbonden aan het gebruiksrecht van nummervoorraden uit het nummerplan van de Unie, met inbegrip van de vergoedingen voor gebruiksrechten voor dergelijke voorraden en de mogelijkheid om dergelijke vergoedingen over te dragen aan het ODN. De nationale regelgevende instanties moeten de pan-Europese nummervoorraden toewijzen omdat zij zich in de beste positie bevinden om de handhaving van de aan de individuele gebruiksrechten verbonden voorwaarden te waarborgen, maar het ODN moet, in samenwerking met de nationale regelgevende instanties en onder toezicht van Berec, een actuele databank van de pan-Europese nummervoorraden bijhouden die fungeert als een gecentraliseerd overzicht van beschikbare nummers.
(138)De ontwikkeling van pan-Europese diensten, met name intermachinale diensten, zou verder worden gefaciliteerd door de beschikbaarheid van geharmoniseerde nummers in de hele Unie, en het beheer van deze nummervoorraden door de nationale regelgevende instanties in samenwerking met het ODN zou waarborgen dat dienstverleners slechts aan één reeks voorwaarden hoeven te voldoen. Daartoe moeten de lidstaten de Commissie ondersteunen bij het verkrijgen van nummervoorraden van de ITU, onder meer door de Commissie in staat te stellen namens hen aanvragen voor dergelijke specifieke nummerreeksen in te dienen. Indien nummervoorraden in de Unie moeten worden geharmoniseerd om de ontwikkeling van pan-Europese diensten of grensoverschrijdende diensten te bevorderen, met name nieuwe intermachinale diensten zoals verbonden auto’s, en een gecentraliseerd beheer van deze nummervoorraden door de nationale regelgevende instanties in samenwerking met het ODN eenvoudigere en transparantere toewijzingsprocedures voor dienstverleners mogelijk zou maken, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om uitvoeringshandelingen vast te stellen.
(139)Met het oog op een doeltreffende ondersteuning van het vrije verkeer van goederen, diensten en personen binnen de Unie, moet het mogelijk zijn gebruik te maken van bepaalde nationale nummervoorraden, met name bepaalde niet-geografische nummers, op extraterritoriale wijze, dat wil zeggen buiten het grondgebied van de toekennende lidstaat. Gelet op het aanzienlijke risico van fraude met betrekking tot interpersoonlijke communicatie, mag dergelijk extraterritoriaal gebruik uitsluitend worden toegestaan voor het aanbieden van andere elektronischecommunicatiediensten dan interpersoonlijke communicatiediensten. Handhaving van de toepasselijke nationale wetten, in het bijzonder de voorschriften inzake consumentenbescherming en andere voorschriften inzake het gebruik van nummervoorraden, moet worden gewaarborgd door de nationale bevoegde instanties, ongeacht waar de gebruiksrechten zijn verleend en waar de nummers binnen de Unie worden gebruikt.
(140)De nationale regelgevende instanties van de lidstaten waar de nummervoorraden vanuit een andere lidstaat worden gebruikt, hebben geen gezag over die nummervoorraden. Het is dan ook van essentieel belang dat de nationale regelgevende instantie van de lidstaat die de rechten van extraterritoriaal gebruik verleent, ook zorgt voor de doeltreffende bescherming van de eindgebruikers in de lidstaten waar die nummers worden gebruikt. Met het oog op de totstandbrenging van doeltreffende bescherming moeten de nationale regelgevende instanties die rechten verlenen voor extraterritoriaal gebruik, ook voorwaarden stellen inzake de naleving door de aanbieder van de consumentenbeschermingsvoorschriften en van andere voorschriften in verband met het gebruik van nummervoorraden in de lidstaten waar de nummervoorraden zullen worden gebruikt.
(141)De nationale regelgevende instanties van de lidstaten waar nummervoorraden worden gebruikt, moeten de nationale regelgevende instanties die de rechten hebben verleend voor het gebruik van de nummervoorraden, kunnen vragen te helpen bij de handhaving van hun nationale regels. Handhavingsmaatregelen van de nationale regelgevende instanties die de gebruiksrechten hebben verleend, moeten afschrikkende sancties inhouden, met name, in het geval van een ernstige inbreuk, de intrekking van het recht op extraterritoriaal gebruik voor de nummervoorraden die zijn toegekend aan de betrokken onderneming. De vereisten inzake extraterritoriaal gebruik mogen geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de nationale regelgevende instantie om de toegang tot nummers of diensten te blokkeren wanneer dat gerechtvaardigd is vanwege fraude of misbruik. Het extraterritoriale gebruik van nummervoorraden mag geen afbreuk doen aan de voorschriften van de Unie die verband houden met het aanbieden van roamingdiensten, met inbegrip van die welke betrekking hebben op afwijkend gebruik of misbruik van roamingdiensten die onderworpen zijn aan de regulering van retailprijzen en die profiteren van gereguleerde wholesaleroamingtarieven. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om met derde landen specifieke overeenkomsten te sluiten over extraterritoriaal gebruik van nummervoorraden.
(142)De toegang tot nummervoorraden op basis van transparante, objectieve en niet-discriminerende criteria is essentieel voor ondernemingen die in de elektronischecommunicatiesector willen concurreren. De nationale regelgevende instanties moeten gebruiksrechten voor nummervoorraden kunnen verlenen aan andere ondernemingen dan aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten gelet op het toenemende belang van nummers voor uiteenlopende diensten inzake het internet der dingen. Alle elementen van de nationale nummerplannen zouden door de nationale regelgevende instanties moeten worden beheerd, met inbegrip van de puntcodes die worden gebruikt bij netwerkadressering.
(143)Om belanghebbenden in de gelegenheid te stellen zich te informeren, moeten de besluiten inzake de verlening van gebruiksrechten voor nummervoorraden worden bekendgemaakt. Het moet mogelijk zijn aan deze bekendmakingsverplichting te voldoen door die besluiten op een website openbaar toegankelijk te maken.
(144)De initiërende partij moet toegang hebben tot alle nummers die zijn opgenomen in de nationale nummerplannen van andere lidstaten, en toegang krijgen tot diensten die gebruik maken van niet-geografische nummers, met inbegrip van freephonenummers en betaalnummers en pan-Europese nummervoorraden binnen de Unie, behalve wanneer de ontvangende partij om commerciële redenen ervoor heeft gekozen de toegang vanuit bepaalde geografische gebieden te beperken. De initiërende partij moet ook toegang kunnen krijgen tot universele internationale freephonenummers.
(145)Er mag geen beperking zijn op de grensoverschrijdende toegang tot nummervoorraden en de daarmee verband houdende diensten, tenzij in objectief gerechtvaardigde gevallen, bijvoorbeeld wanneer dit nodig is om fraude of misbruik te bestrijden (zoals bij bepaalde betaalnummerdiensten), wanneer het nummer uitsluitend als een nationaal nummer is gedefinieerd (bijvoorbeeld een nationaal kort nummer), of wanneer dit economisch gezien niet haalbaar is. De nationale regelgevende instanties moeten de bevoegdheid hebben om op basis van een analyse per geval van de risico’s die zijn gemoeid met een bepaald gebruikspatroon, de toegang tot nummers of diensten te blokkeren, ook preventief, wanneer dit gerechtvaardigd is om redenen van fraude of misbruik. Aan van buiten de betrokken lidstaat oproepende partijen behoeven niet dezelfde tarieven in rekening te worden gebracht als aan van binnen die lidstaat oproepende partijen. De gebruikers moeten van tevoren duidelijk en volledig worden geïnformeerd over alle kosten in verband met freephonenummers, zoals internationale oproepkosten voor nummers die toegankelijk zijn via de standaard internationale oproepcodes. Wanneer inkomsten uit interconnectie of andere diensten door aanbieders van elektronischecommunicatiediensten om redenen van fraude of misbruik worden ingehouden, moeten de lidstaten waarborgen dat ingehouden inkomsten uit diensten zo mogelijk worden terugbetaald aan de eindgebruikers die door die gevallen van fraude en misbruik zijn benadeeld.
(146)Snelle en hoogwaardige connectiviteit is essentieel voor de maatschappelijke cohesie en het concurrentievermogen van de economie van de Unie. “Fibre-to-the-home” (FTTH)-netwerken zijn de meest toekomstbestendige manier om veilige, betrouwbare en energie-efficiënte vaste connectiviteit te bieden waarmee de doelstellingen van de Unie op het gebied van digitale transformatie en klimaat kunnen worden verwezenlijkt en tegelijkertijd de onderhouds- en operationele kosten voor exploitanten kunnen worden verlaagd.
(147)Om de overstap naar glasvezel, met name de uitrol van FTTH-netwerken, te versnellen en het gebruik van de via die netwerken aangeboden diensten te vergroten, moet de uitschakeling van verouderde kopernetwerken ordelijk en tijdig worden gepland en uitgevoerd. Daartoe moet een gestructureerd kader worden vastgesteld voor een geleidelijke en evenredige kunnen van kopernetwerken naar glasvezelnetwerken. Het gebruik van kopernetwerken in het algemeen belang moet worden gereguleerd, zonder afbreuk te doen aan de eigendom van netwerkactiva, die onder het nationale recht moet blijven vallen.
(148)Bij de uitschakeling van kopernetwerken moeten de beginselen van voorspelbaarheid, transparantie en evenredigheid in acht worden genomen. Daarom moeten objectieve voorwaarden, procedurele stappen en waarborgen voor de uitschakeling van kopernetwerken worden vastgesteld, en moet hierbij worden voorzien in evenredige uitzonderingen. In combinatie met een voldoende lange overgangsperiode beschermen deze maatregelen de belangen van eindgebruikers, vergroten zij de rechtszekerheid voor bedrijven en voorkomen zij concurrentieverstoringen. Deze overgangsperiode is lang genoeg om exploitanten van kopernetwerken in staat te stellen de uitschakeling te plannen, voor te bereiden en te voltooien. De periode moet deze exploitanten ook in staat stellen om, indien zij dit economisch en commercieel gerechtvaardigd achten, hun bestaande netwerken op te waarderen naar FTTH of FTTH-netwerken uit te rollen. Bovendien geeft de termijn van één jaar vanaf de bindende rechtshandeling waarbij de uitschakeling van kopernetwerken verplicht wordt gesteld, de kopernetwerkexploitanten voldoende tijd om de start van de uitschakeling van kopernetwerken te plannen en alle nodige stappen voorafgaand aan deze start uit te voeren.
(149)Om een coherente en efficiënte voorbereiding van de uitschakeling van kopernetwerken mogelijk te maken, is gecoördineerd optreden op Unie- en nationaal niveau nodig in de lidstaten waar op koper gebaseerde diensten na 30 juni 2029 nog steeds operationeel zijn. Deze lidstaten spelen een sleutelrol bij een snelle en ordelijke overstap naar glasvezel ten behoeve van eindgebruikers. Elk van deze lidstaten moet een nationaal plan voor de overstap naar glasvezelnetwerken opstellen met een strategie voor de overstap naar glasvezelnetwerken. In dat plan moet de netwerkdekking voor de relevante technologieën worden beschreven, moeten uitrolinitiatieven worden geïdentificeerd en maatregelen worden gespecificeerd ter bevordering van een tijdige en ordelijke migratie van koper- naar glasvezelnetwerken.
(150)Met de plannen voor de overstap naar glasvezel moet worden bijgedragen tot de verwezenlijking van de connectiviteitsdoelstellingen in het kader van het digitale decennium, met name die welke verband houden met gigabitconnectiviteit. Om ervoor te zorgen dat de investeringsbehoeften voor de overstap naar glasvezelnetwerken in een vroeg stadium voldoende in detail kunnen worden vastgesteld, moeten de lidstaten de aanbevelingen die zij hebben gekregen in hun verslagen over het digitale decennium in acht nemen om de plannen voor nationaal en regionaal partnerschap (“NRP-plannen”) in het kader van het volgende meerjarig financieel kader op te stellen en hun nationale strategische stappenplannen voor het digitale decennium dienovereenkomstig aan te passen. De lidstaten moeten bij de herziening van hun NRP-plannen als onderdeel van de tussentijdse evaluatie ook rekening houden met hun veranderende behoeften, met name in het licht van de vorderingen bij de overstap naar glasvezel en de uitschakeling van kopernetwerken.
(151)Om de uitschakeling van kopernetwerken op gestructureerde en transparante wijze te plannen en beheren, moeten de nationale regelgevende instanties specifieke geografische zones voor de uitschakeling van kopernetwerken (“CSO-zones”) aanwijzen aan de hand van geharmoniseerde criteria op basis van door de Commissie vastgestelde richtsnoeren. De nationale regelgevende instanties moeten deze zones constant evalueren in het licht van de uitrol van netwerken en marktontwikkelingen.
(152)Het is mogelijk aan de duurzaamheidsvoorwaarde met betrekking tot de glasvezeldekking te voldoen ongeacht of dergelijke netwerken worden uitgerold door gevestigde of door alternatieve exploitanten. Voor de beoordeling van de beschikbaarheid van betaalbare retailconnectiviteitsdiensten van vergelijkbare kwaliteit voor eindgebruikers die gebruikmaken van op koper gebaseerde diensten, moeten de nationale regelgevende instanties objectieve en transparante criteria toepassen, rekening houdend met nationale omstandigheden, lokale uitrolomstandigheden en relevante marktgegevens.
(153)De lidstaten moeten ernaar streven ruim vóór 31 december 2035 in een aanzienlijk deel van de CSO-zones met de uitschakeling van kopernetwerken te beginnen. Daartoe moeten zij, in overeenstemming met hun nationale plan voor de overstap naar glasvezel, passende maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat in een zo groot mogelijk aantal CSO-zones in een vroeg stadium aan de duurzaamheidsvoorwaarden wordt voldaan.
(154)Zodra aan de duurzaamheidsvoorwaarden is voldaan, moeten de lidstaten na de publicatie van de desbetreffende beoordelingen door de nationale regelgevende instanties de uitschakeling van kopernetwerken binnen vastgestelde termijnen verplicht stellen. Deze geleidelijke aanpak maakt een ordelijke migratie mogelijk, vermindert de onzekerheid en biedt exploitanten en eindgebruikers voldoende tijd om zich aan te passen.
(155)Wanneer in een CSO-zone niet aan de duurzaamheidsvoorwaarden wordt voldaan, zijn de lidstaten niet verplicht om de uitschakeling van kopernetwerken in die zones vóór 31 december 2035 verplicht te stellen en mag het kopernetwerk in gebruik blijven. Uiterlijk op 31 december 2035 moet de uitschakeling van kopernetwerken in de regel echter in alle CSO-zones verplicht worden gesteld. Met deze langetermijndoelstelling wordt een duidelijk investeringssignaal afgegeven en voldoende flexibiliteit geboden om rekening te houden met verschillen tussen lidstaten en regio’s in de voortgang van de uitrol.
(156)In uitzonderlijke gevallen, wanneer de uitrol van glasvezel economisch niet haalbaar is en er geen adequate connectiviteitsoplossing beschikbaar is om op koper gebaseerde diensten te vervangen, moeten lidstaten kunnen afzien van de verplichte uitschakeling van kopernetwerken. Dergelijke uitzonderingen zijn noodzakelijk om onevenredige gevolgen voor eindgebruikers te voorkomen en de continuïteit van essentiële diensten te waarborgen. In deze context zijn adequate connectiviteitsoplossingen oplossingen waarmee de continuïteit kan worden gewaarborgd van elektronischecommunicatiediensten van een kwaliteit die vergelijkbaar is met de kwaliteit van de diensten die in hetzelfde gebied worden geleverd via het kopernetwerk. De beschikbaarheid van dergelijke adequate connectiviteitsoplossingen moet door de nationale regelgevende instanties worden bepaald aan de hand van objectieve criteria, waaronder kwaliteit en betaalbaarheid, rekening houdend met de marktomstandigheden.
(157)Om een soepele overstap te waarborgen en eindgebruikers te beschermen, moeten lidstaten voorafgaand aan de uitschakeling van kopernetwerken voorzien in passende waarborgen. Deze waarborgen moeten duidelijke en tijdige informatie omvatten, evenals maatregelen om de continuïteit of migratie van kritieke diensten naar functioneel gelijkwaardige alternatieven te waarborgen.
(158)De nationale regelgevende instanties moeten toezicht houden op de uitvoering van de uitschakeling van kopernetwerken en waarborgen dat exploitanten voldoen aan goedgekeurde plannen, tijdschema’s en communicatieverplichtingen met betrekking tot de uitschakeling. In geval van niet-naleving moeten doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties worden opgelegd.
(159)Er moeten behoorlijke stimulansen worden geboden ter bevordering van investeringen in gigabitnetwerken die de innovatie in inhoudrijke internetdiensten ondersteunen en het algehele concurrentievermogen van de Unie versterken. Het is derhalve van cruciaal belang efficiënte investeringen in de ontwikkeling van die netwerken te bevorderen, en tegelijkertijd de mededinging op lange termijn te beschermen, aangezien er op het niveau van de infrastructuur knelpunten en toegangsbarrières blijven bestaan, en de keuze voor de consument te vergroten door middel van voorspelbaarheid en consistentie van de regelgeving.
(160)De mededinging kan het best worden bevorderd door een in economisch opzicht efficiënt niveau van investeringen in nieuwe en bestaande infrastructuur, indien nodig aangevuld met regelgeving, om te waarborgen dat consumenten en bedrijven uit verschillende diensten kunnen kiezen. Een efficiënt niveau van mededinging op basis van infrastructuur is de mate van duplicatie van infrastructuur waarbij investeerders redelijkerwijs kunnen verwachten dat zij een correct rendement zullen behalen.
(161)Er moet zorg voor worden gedragen dat er procedures bestaan voor de verlening van faciliteiteninstallatierechten, die snel, niet-discriminerend en transparant zijn, teneinde de voorwaarden voor eerlijke en daadwerkelijke mededinging te waarborgen. Vergunningen die zijn afgegeven aan aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten zodat zij toegang krijgen tot openbare of particuliere eigendom, zijn fundamentele factoren bij het opzetten van elektronischecommunicatienetwerken of nieuwe netwerkelementen. Onnodige complexiteit en vertraging bij de procedures voor het verlenen van toegangsrechten kunnen derhalve belangrijke obstakels vormen voor de ontwikkeling van mededinging. Het verwerven van toegangsrechten door erkende ondernemingen moet derhalve worden vereenvoudigd. Bevoegde instanties moeten het verwerven van toegangsrechten coördineren, en relevante informatie toegankelijk maken op hun websites.
(162)Het is noodzakelijk de bevoegdheden van de lidstaten ten aanzien van de houders van toegangsrechten te versterken om te zorgen voor een eerlijke, efficiënte en milieuverantwoorde invoering dan wel uitrol van een nieuw netwerk, ongeacht eventuele verplichtingen voor een onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht om toegang te verlenen tot zijn elektronischecommunicatienetwerk. Een verbetering van het gezamenlijk gebruik van faciliteiten kan de milieukosten die de invoering van elektronischecommunicatie-infrastructuur meebrengt, sterk verlagen en bijdragen tot de volksgezondheid en de openbare veiligheid alsmede tot stedenbouwkundige en planologische doelstellingen. De bevoegde instanties moeten derhalve over de bevoegdheid beschikken om ondernemingen die hebben geprofiteerd van rechten om faciliteiten te installeren op, over of onder openbaar of particulier eigendom, voor te schrijven dergelijke faciliteiten of eigendom te delen (met inbegrip van fysieke colocatie), zulks na een passende periode van openbare raadpleging waarin alle belanghebbende partijen in staat moeten zijn gesteld hun standpunt naar voren te brengen, in de specifieke gebieden waarin dergelijke redenen van algemeen belang aanleiding geven tot een dergelijk gedeeld gebruik. Dat kan het geval zijn wanneer bijvoorbeeld ondergronds sprake is van ernstige congestie of wanneer er een natuurlijke barrière moet worden gepasseerd. De bevoegde instanties moeten met name het gedeeld gebruik van netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten, zoals kabelgoten, kabelbuizen, masten, mangaten, straatkasten, antennes, torens en andere ondersteunende constructies, gebouwen of toegangen tot gebouwen, en een betere coördinatie van civiele werken op grond van doelstellingen van milieuduurzaamheid van elektronischecommunicatienetwerken of andere redenen van openbare orde kunnen opleggen. Daarentegen moet het aan de nationale regelgevende instanties zijn om regels vast te stellen voor de verdeling van de kosten van het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom, teneinde te waarborgen dat de betrokken ondernemingen een passende vergoeding voor het risico ontvangen. In een symmetrische context moet in voorkomend geval bijvoorbeeld rekening worden gehouden met eventuele richtsnoeren van de Commissie of Berec overeenkomstig artikel 3, artikel 5, lid 6, en artikel 11, lid 6, van Verordening (EU) 2024/1309. Gezien de verplichtingen in het kader van Verordening (EU) 2024/1309 moeten de bevoegde instanties, met name de plaatselijke instanties, tevens, in samenwerking met de nationale regelgevende instanties, passende coördinatieprocedures met betrekking tot openbare werken en andere passende openbare faciliteiten of eigendom vaststellen, met inbegrip van procedures die waarborgen dat belanghebbende partijen over informatie betreffende passende openbare faciliteiten of eigendom en lopende en voorgenomen openbare werken beschikken, dat zij tijdig over dergelijke werken worden geïnformeerd en dat gedeeld gebruik zoveel mogelijk wordt vergemakkelijkt.
(163)Wanneer van exploitanten van mobiele netwerken om milieuredenen wordt geëist dat zij torens of masten delen, zou dit verplichte gedeelde gebruik om redenen van de volksgezondheid kunnen leiden tot een verlaging van de voor elke exploitant toegestane maximum transmissievermogensniveaus, wat er dan weer toe zou kunnen leiden dat de exploitanten meer transmissiestations moeten installeren om te zorgen voor nationale dekking. Bevoegde instanties moeten ernaar streven een evenwicht te vinden tussen overwegingen op het vlak van het milieu en van volksgezondheid, zoveel mogelijk rekening houdend met de voorzorgsbenadering.
(164)De verplichtingen inzake toegang en interconnectie mogen alleen gelden voor openbare elektronischecommunicatienetwerken. Aanbieders van niet-openbare elektronischecommunicatienetwerken mogen niet aan deze verplichtingen worden onderworpen. Zij kunnen echter onder door de lidstaten vastgestelde voorwaarden toegang verkrijgen tot openbare netwerken. Als kanalen voor levering van eind-tot-eindverkeer dragen aanbieders van niet-openbare elektronischecommunicatienetwerken echter steeds meer verkeer over aan aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken door middel van “peering” of “transit”. In bepaalde gevallen kan dergelijk verkeer aanleiding geven tot onevenredige of onhoudbare investeringsbehoeften voor de ontvangende aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken. Dergelijke situaties moeten worden aangepakt in overeenstemming met de door Berec vastgestelde richtsnoeren om samenwerking binnen het ecosysteem te vereenvoudigen en, in voorkomend geval, via de geplande faciliteit voor vrijwillige bemiddeling.
(165)In een open en concurrentiegerichte markt mogen er geen beperkingen bestaan die ondernemingen verhinderen onderling toegangs- en interconnectieregelingen, en met name grensoverschrijdende overeenkomsten, aan te gaan, met dien verstande dat de mededingingsregels van het VWEU in acht moeten worden genomen. In het kader van de totstandbrenging van een efficiëntere, echte pan-Europese markt met een reële mededinging, met meer keuze en concurrerende dienstverlening voor de eindgebruiker, moeten ondernemingen die een verzoek om toegang of interconnectie krijgen van andere ondernemingen waarop algemene machtigingen van toepassing zijn voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aan het publiek, in beginsel zulke overeenkomsten sluiten, en te goeder trouw onderhandelen.
(166)In markten waar tussen ondernemingen grote verschillen in onderhandelingscapaciteit blijven bestaan, en waar sommige ondernemingen gebruik maken van door anderen verschafte infrastructuur voor het aanbieden van hun diensten, moet een regelgevingskader worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de markt efficiënt functioneert. De nationale regelgevende instanties moeten de nodige bevoegdheden krijgen om, in gevallen waarin commerciële onderhandelingen mislukken, te zorgen voor passende toegang en interconnectie en voor de nodige interoperabiliteit tussen diensten in het belang van de eindgebruikers. Zij moeten in het bijzonder de eind-tot-eindverbinding waarborgen door proportionele verplichtingen op te leggen aan ondernemingen die zijn onderworpen aan een algemene machtiging en die de toegang tot de eindgebruikers controleren. De controle van de toegangsmiddelen kan eigendom of controle van de fysieke verbinding met de eindgebruiker (vast of mobiel), of de bevoegdheid tot wijziging of intrekking van het nationale nummer (de nationale nummers) voor de toegang tot het aansluitingspunt van de eindgebruiker inhouden. Een dergelijk optreden zou bijvoorbeeld noodzakelijk zijn indien de netwerkexploitanten op onredelijke wijze de keuze aan toegangsmogelijkheden tot internetportalen en -diensten voor eindgebruikers zouden beperken.
(167)Met het oog op het beginsel van niet-discriminatie moeten de nationale regelgevende instanties waarborgen dat alle ondernemingen, ongeacht hun omvang en bedrijfsmodel en de vraag of zij verticaal geïntegreerd of gescheiden zijn, op redelijke voorwaarden interconnectie tot stand kunnen brengen, teneinde eind-tot-eindverbindingen en toegang tot het internet te bieden.
(168)Nationale wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen die de eisen en voorwaarden voor toegang of interconnectie koppelen aan de activiteiten van de om interconnectie vragende partij, meer bepaald aan de omvang van haar investeringen in netwerkinfrastructuur, en niet aan de aangeboden interconnectie- of toegangsdiensten, kunnen leiden tot verstoring van de markt en als gevolg daarvan onverenigbaar zijn met de mededingingsregels.
(169)Netwerkexploitanten die de toegang regelen tot hun eigen klanten, doen dat op basis van unieke nummers of adressen uit een gepubliceerde nummer- of adresseringsruimte. Andere netwerkexploitanten moeten in staat zijn die klanten te bereiken en moeten dus in staat zijn direct of indirect interconnectie met elkaar tot stand te brengen. Het is daarom passend rechten en verplichtingen met betrekking tot het voeren van onderhandelingen over interconnectie vast te stellen.
(170)Interoperabiliteit is in het voordeel van de eindgebruiker en is een belangrijk doel van het EU-regelgevingskader. Het bevorderen van een goede interoperabiliteit is een van de doelstellingen van de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties die zijn vastgesteld in dat regelgevingskader. Dat kader moet ook bepalen dat de Commissie een lijst van standaarden of specificaties met betrekking tot het aanbieden van diensten, technische interfaces of netwerkfuncties moet publiceren als basis voor het stimuleren van harmonisatie inzake elektronische communicatie. De lidstaten moeten het gebruik van de gepubliceerde standaarden of technische specificaties aanmoedigen in zoverre dat strikt noodzakelijk is om de interoperabiliteit van de diensten te waarborgen en de vrije keuze van de gebruiker te verbeteren.
(171)Momenteel zijn zowel eind-tot-eindverbindingen als de toegang tot noodhulpdiensten ervan afhankelijk dat eindgebruikers gebruikmaken van nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten. Een toegenomen exclusief gebruik van nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten door een steeds groter aantal eindgebruikers kan leiden tot een gebrek aan afdoende interoperabiliteit tussen communicatiediensten. Er zouden daardoor significante belemmeringen voor de markttoegang en voor verdere innovatie kunnen ontstaan en deze zouden een ernstige bedreiging kunnen vormen voor doeltreffende eind-tot-eindverbindingen tussen eindgebruikers.
(172)Indien zich dergelijke problemen op het gebied van interoperabiliteit voordoen, moet de Commissie aan Berec kunnen vragen een verslag uit te brengen dat voorziet in een feitelijke beoordeling van de marktsituatie op het niveau van de Unie en van de lidstaten. Met inachtneming van het verslag van Berec en andere beschikbare bewijsstukken moet de Commissie, rekening houdend met de effecten op de interne markt, besluiten of maatregelen van regelgevende aard, onder meer door de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties, noodzakelijk zijn. Indien de Commissie besluit dat dergelijke maatregelen van regelgevende aard noodzakelijk zijn op Unieniveau of door nationale regelgevende of andere bevoegde instanties in overweging moeten worden genomen, moet zij de bevoegdheid hebben om uitvoeringshandelingen vast te stellen waarin de aard en de werkingssfeer van mogelijke maatregelen van regelgevende aard door onder meer de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties nader worden omschreven, waaronder met name verplichtingen tot publicatie en toelating van het gebruik, de wijziging en de doorgifte van relevante informatie door instanties en aanbieders, en maatregelen waarbij het verplichte gebruik van normen of specificaties aan alle of specifieke aanbieders wordt opgelegd.
(173)De nationale regelgevende instanties moeten in het licht van de specifieke nationale omstandigheden beoordelen of het noodzakelijk en gerechtvaardigd is maatregelen te treffen teneinde eind-tot-eindverbindingen te waarborgen, en zo ja, evenredige verplichtingen in overeenstemming met de uitvoeringshandelingen van de Commissie opleggen aan aanbieders van nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten met een aanzienlijke mate van dekking en benutting door de gebruikers. Aanbieders met een beperkt aantal eindgebruikers of een beperkte geografische dekking die slechts in geringe mate zouden bijdragen aan die doelstelling, mogen normaliter niet worden onderworpen aan dergelijke interoperabiliteitsverplichtingen.
(174)In situaties waarin ondernemingen geen toegang hebben tot levensvatbare alternatieven voor niet-repliceerbare bedrading, kabels en bijbehorende faciliteiten in gebouwen of tot aan het eerste concentratie- of distributiepunt en teneinde mededinging ten behoeve van de eindgebruikers te bevorderen, moeten de nationale regelgevende instanties de bevoegdheid hebben om toegangsverplichtingen op te leggen aan alle ondernemingen, ongeacht een eventuele aanwijzing als onderneming met aanmerkelijke marktmacht. Daarbij moeten de nationale regelgevende instanties alle technische en economische belemmeringen voor toekomstige replicatie van netwerken in overweging nemen. Aangezien dergelijke verplichtingen in sommige gevallen echter ingrijpend kunnen zijn, de stimulansen voor investeringen kunnen ondermijnen, en de positie van spelers met aanmerkelijke marktmacht zouden kunnen versterken, moeten ze alleen worden opgelegd wanneer dit gerechtvaardigd en evenredig is om te komen tot duurzame mededinging op de desbetreffende markten. Alleen het feit dat meerdere dergelijke infrastructuurvoorzieningen reeds bestaan, hoeft niet per se zodanig te worden geïnterpreteerd dat de bijbehorende activa repliceerbaar zijn. Indien dit in combinatie met dergelijke toegangsverplichtingen nodig is, moeten ondernemingen tevens een beroep kunnen doen op de verplichtingen betreffende het verlenen van toegang tot fysieke infrastructuur uit hoofde van Verordening (EU) 2024/1309. Door de nationale regelgevende instantie opgelegde verplichtingen en alle besluiten die uit hoofde van Verordening (EU)2024/1309 door andere bevoegde instanties zijn genomen teneinde toegang te waarborgen tot fysieke infrastructuur in gebouwen of tot fysieke infrastructuur tot het eerste toegangspunt, moeten consistent zijn.
(175)De nationale regelgevende instanties moeten, voor zover nodig, verplichtingen kunnen opleggen aan ondernemingen om toegang te verlenen tot bepaalde faciliteiten, namelijk applicatieprogramma-interfaces (API’s) en elektronische programmagidsen (EPG’s), teneinde niet alleen de toegankelijkheid voor eindgebruikers van digitale radio- en televisieomroepdiensten te waarborgen, maar ook de toegankelijkheid van daaraan gerelateerde complementaire diensten, met inbegrip van programmagerelateerde diensten die specifiek zijn ontworpen om de toegankelijkheid voor eindgebruikers met een handicap te verbeteren, en programmagerelateerde geconnecteerde televisiediensten.
(176) Wanneer de nationale regelgevende instanties nagaan tot welk concentratie- of distributiepunt zij toegangsverplichtingen willen opleggen, is het belangrijk dat zij een punt kiezen overeenkomstig de Berec-richtsnoeren. De keuze van een punt dat zich dichter bij de eindgebruikers bevindt, zal, indien mogelijk, gunstiger zijn voor de mededinging op infrastructuurgebied en de uitrol van gigabitnetwerken. Het kan ook gerechtvaardigd zijn verplichtingen op te leggen met betrekking tot de toegang tot bedrading en kabels voorbij het eerste punt van samenkomst of distributie, indien is aangetoond dat hoge en niet-voorbijgaande fysieke of economische hindernissen duplicatie in de weg staan en leiden tot concurrentieproblemen of markttekortkomingen op retailniveau ten nadele van de eindgebruikers. De beoordeling van de repliceerbaarheid van netwerkelementen vereist een marktanalyse, maar de nationale regelgevende instantie mag niet worden gedwongen die verplichtingen op te leggen. Een dergelijke marktanalyse noopt echter wel tot een adequate economische beoordeling van de marktvoorwaarden, om te bepalen of is voldaan aan de criteria die nodig zijn om verplichtingen voorbij het eerste punt van samenkomst of distributie op te leggen. De kans dat dergelijke toegangsverplichtingen nodig zijn, zal waarschijnlijk groter zijn in geografische gebieden waar de uitrol van alternatieve infrastructuur voor ondernemingen niet levensvatbaar of risicovoller is, bijvoorbeeld vanwege een lage bevolkingsdichtheid. Omgekeerd zal het opleggen van dergelijke verplichtingen in een gebied met een hoge concentratie van huishoudens doorgaans niet nodig zijn.
(177)De nationale regelgevende instanties moeten nagaan of dergelijke symmetrische verplichtingen de positie kunnen versterken van ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht. De nationale regelgevende instanties moeten toegangsverplichtingen kunnen opleggen aan actieve of virtuele netwerkelementen die worden gebruikt voor dienstverlening op dergelijke infrastructuur voorbij het eerste punt van samenkomst of distributie, indien de toegang tot passieve elementen economisch inefficiënt of fysiek onuitvoerbaar is, en indien de nationale regelgevende instantie van oordeel is dat zonder een dergelijke ingreep het doel van de toegangsverplichting zou worden omzeild. Om een consistente regelgeving in de hele Unie te bevorderen, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om van de nationale regelgevende instanties te verlangen dat zij ontwerpmaatregelen tot uitbreiding van de toegangsverplichtingen voorbij het eerste punt van samenkomst of distributie intrekken.
(178)Teneinde te voldoen aan het beginsel van evenredigheid, kan het passend zijn dat de nationale regelgevende instanties bepaalde categorieën ondernemingen uitsluiten van verplichtingen die verder gaan dan het door de nationale regelgevende instanties te bepalen eerste concentratie- of distributiepunt, op grond van het feit dat een toegangsverplichting die niet is gebaseerd op de aanwijzing van een onderneming als een onderneming met aanmerkelijke marktmacht, schadelijk kan zijn voor hun businesscase op het gebied van recentelijk geïmplementeerde netwerkelementen, met name bij kleine lokale projecten. Uitsluitend op wholesalemarkten actieve ondernemingen moeten niet aan dergelijke toegangsverplichtingen worden onderworpen indien zij op commerciële basis doeltreffende alternatieve toegang tot een gigabitnetwerk aanbieden tegen eerlijke, niet-discriminerende en redelijke voorwaarden, onder meer wat betreft de prijs. Die vrijstelling moet onder dezelfde voorwaarden kunnen worden uitgebreid tot andere aanbieders. De vrijstelling moet niet gelden voor aanbieders die overheidsmiddelen ontvangen.
(179)Gedeeld gebruik van passieve infrastructuur die wordt gebruikt voor het aanbieden van draadloze elektronischecommunicatiediensten, in overeenstemming met de beginselen van het mededingingsrecht, kan uitermate nuttig zijn met het oog op maximale gigabitconnectiviteit in de hele Unie, met name in minder dichtbevolkte gebieden waarin replicatie praktisch niet uitvoerbaar is en eindgebruikers wellicht geen toegang tot dergelijke connectiviteit krijgen. De nationale regelgevende instanties moeten bij wijze van uitzondering een dergelijk gedeeld gebruik of gelokaliseerde roamingtoegang kunnen opleggen, in overeenstemming met het Unierecht, indien die mogelijkheid duidelijk is vastgelegd in de oorspronkelijke voorwaarden voor verlening van het gebruiksrecht en indien zij kunnen aantonen dat een dergelijk gedeeld gebruik voordelen biedt wat betreft het wegwerken van onoverkomelijke economische of fysieke obstakels die tot gevolg hebben dat nauwelijks of geen toegang tot netwerken of diensten bestaat, waarbij rekening wordt gehouden met diverse factoren, waaronder met name de noodzaak van dekking langs belangrijke transportroutes, de keuze en een betere kwaliteit van de diensten voor eindgebruikers evenals de noodzaak om stimulansen voor de uitrol van infrastructuur in stand te houden. In omstandigheden waar eindgebruikers geen toegang hebben en gedeeld gebruik van passieve infrastructuur alleen niet voldoende is om de situatie te verhelpen, moeten de nationale regelgevende instanties verplichtingen kunnen opleggen ten aanzien van het gedeeld gebruik van actieve infrastructuur. Op die manier moeten de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties de flexibiliteit behouden om de meest geschikte verplichting inzake gedeeld gebruik of toegang te kiezen. Die verplichting moet evenredig en gerechtvaardigd zijn in het licht van de aard van het geconstateerde probleem.
(180)Hoewel een nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie ondernemingen, ongeacht of zij zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, onder sommige omstandigheden verplichtingen kan opleggen om eind-tot-eindverbindingen of interoperabiliteit van diensten tot stand te brengen, moet dit wel gebeuren overeenkomstig het regelgevingskader en met name met de toepasselijke kennisgevingsprocedures. Dergelijke verplichtingen mogen alleen worden opgelegd indien dit gerechtvaardigd is om de doelstellingen te verwezenlijken en indien zij objectief gerechtvaardigd, transparant, evenredig en niet-discriminerend zijn overeenkomstig de relevante kennisgevingsprocedures.
(181)In het kader van de overstap naar glasvezel is het cruciaal om ervoor te zorgen dat eindgebruikers binnen een redelijke termijn worden aangesloten op de voor hun pand beschikbare glasvezelnetwerken.
(182)Om de aansluiting van eindgebruikers te waarborgen, moeten de nationale regelgevende instanties alle aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken verplichten om, met een redelijke lijnverlenging, een verbinding tot stand te brengen tussen de woning van de verzoekende eindgebruiker en het dichtstbijzijnde distributie- of aansluitpunt dat bestemd is om het pand van die eindgebruiker te bedienen.
(183)In beginsel mogen de voor deze aansluiting aangerekende tarieven niet hoger zijn dan de gebruikelijke aansluitkosten in de betrokken lidstaat. De nationale regelgevende instanties kunnen echter een aanvullende vergoeding toestaan, rekening houdend met geografische en eventuele andere relevante omstandigheden, mits de door de eindgebruikers betaalde kosten billijk en redelijk zijn, en zij kunnen waar nodig ingrijpen door maximumprijzen vast te stellen. De nationale regelgevende instanties moeten bestaande contracten en commerciële voorwaarden die tussen aanbieders van retaildiensten en eindgebruikers zijn overeengekomen, kunnen gebruiken als benchmark om te bepalen of de prijzen en voorwaarden billijk en redelijk zijn.
(184)De overstap naar glasvezel, de noodzaak om te waarborgen dat eindgebruikers in hun woning op glasvezel worden aangesloten en de gemelde moeilijkheden die exploitanten ondervinden bij de uitrol van glasvezel in meergezinswoningen om aan de vraag van eindgebruikers te voldoen, rechtvaardigen een uitzondering op artikel 11, lid 4, van Verordening (EU) 2024/1309. In dergelijke omstandigheden, wanneer voor de aansluiting van de verzoekende eindgebruiker bekabeling in het gebouw en bijbehorende faciliteiten binnen een meergezinswoning moeten worden uitgerold, mogen de eigenaren of beheerders van de eenheid een dergelijke uitrol niet weigeren. Om buitensporige betreding van particuliere eigendom en onnodige duplicatie van infrastructuur in gebouwen te voorkomen, moeten zij echter het recht hebben de uitrol van een tweede bekabeling en bijbehorende faciliteiten in het gebouw te weigeren. De nationale regelgevende instanties moeten er vervolgens voor zorgen dat toegang tot het netwerk op symmetrische basis wordt verleend.
(185)Om onoverkomelijke economische of fysieke obstakels weg te nemen voor het verstrekken aan eindgebruikers van diensten of netwerken die afhankelijk zijn van het gebruik van radiospectrum en indien sprake is van lacunes in de mobiele dekking, kunnen toegang tot en gedeeld gebruik van passieve infrastructuur of, indien dit niet volstaat, gedeeld gebruik van actieve infrastructuur, dan wel overeenkomsten inzake gelokaliseerde roamingtoegang, noodzakelijk zijn. Onverminderd de verplichtingen inzake gedeeld gebruik die zijn verbonden aan de gebruiksrechten op basis van bepalingen inzake machtiging en toewijzing van gebruiksrechten, en met name maatregelen om de mededinging te bevorderen, kan de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties, wanneer zij voornemens zijn maatregelen te nemen betreffende het opleggen van gedeeld gebruik van passieve infrastructuur of, ingeval toegang tot en gedeeld gebruik van passieve infrastructuur niet volstaan, het opleggen van gedeeld gebruik van actieve infrastructuur of van overeenkomsten inzake gelokaliseerde roamingtoegang, echter ook worden verzocht het mogelijke risico voor marktdeelnemers in gebieden met weinig dekking in aanmerking te nemen.
(186)Mededingingsregels alleen volstaan niet altijd om in het tijdperk van digitale televisie culturele diversiteit en mediapluriformiteit te garanderen. De technologische en marktontwikkelingen maken het noodzakelijk dat verplichtingen om voorwaardelijke toegang op billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden aan te bieden, regelmatig door een lidstaat worden herzien voor zijn nationale markt, met name om na te gaan of het gerechtvaardigd is die verplichtingen uit te breiden tot EPG’s en API’s, in zoverre dit nodig is om ervoor te zorgen dat eindgebruikers toegang hebben tot specifieke digitale omroepdiensten. De lidstaten moeten derhalve met alle wetgevende, regelgevende of administratieve middelen die zij noodzakelijk achten, de digitale omroepdiensten kunnen specificeren waarvoor de toegang van eindgebruikers moet worden gewaarborgd.
(187)De lidstaten moeten ook kunnen toestaan dat de nationale regelgevende instantie de verplichtingen in verband met de voorwaardelijke toegang tot digitale omroepdiensten opnieuw beziet om met behulp van een marktanalyse na te gaan of er verplichtingen afgeschaft of gewijzigd moeten worden voor ondernemingen die op de betrokken markt geen aanmerkelijke macht hebben. Een eventuele afschaffing of wijziging van verplichtingen mag de toegang voor eindgebruikers tot dergelijke diensten of de vooruitzichten voor werkelijke mededinging niet nadelig beïnvloeden.
(188)In bepaalde omstandigheden moeten verplichtingen ex ante worden opgelegd om de ontwikkeling van een concurrerende markt te waarborgen, waarbij de voorwaarden gunstig zijn voor de implementatie van en toepassing van gigabitnetwerken en -diensten, en het behalen van maximale voordelen voor de eindgebruiker. Bij de beoordeling van de noodzaak van regelgeving ex ante moeten de nationale regelgevende instanties rekening houden met de vraag of wholesaletoegang beschikbaar is voor geïnteresseerde ondernemingen op basis van reeds bestaande regelgeving (met name op grond van Verordening (EU) 2024/1309) dan wel op basis van commerciële voorwaarden die duurzame, concurrerende resultaten voor eindgebruikers op de retailmarkt mogelijk maken. Indien deze toegangsmogelijkheden niet significant genoeg zijn, moet de nationale regelgevende instantie onverwijld beoordelen of het noodzakelijk is de verplichtingen op te leggen aan ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht. Het is essentieel dat regelgevingsverplichtingen ex ante alleen worden opgelegd op een wholesalemarkt waar er een of meer ondernemingen zijn met aanmerkelijke marktmacht, teneinde duurzame mededinging te waarborgen, en wanneer het mededingingsrecht van de Unie en het nationale mededingingsrecht ontoereikend zijn om het probleem op te lossen. Het begrip “aanmerkelijke marktmacht” moet in overeenstemming zijn met het begrip “machtspositie” als gedefinieerd in de rechtspraak van het Hof van Justitie.
(189)De Commissie heeft op Unieniveau, overeenkomstig de beginselen van het mededingingsrecht, richtsnoeren opgesteld voor nationale regelgevende instanties aan de hand waarvan zij kunnen beoordelen of op een bepaalde markt daadwerkelijke mededinging heerst en of er sprake is van aanmerkelijke marktmacht. De nationale regelgevende instanties moeten analyseren of een bepaalde markt voor producten of diensten daadwerkelijk concurrerend is in een gegeven geografisch gebied, dat het grondgebied of een deel van het grondgebied van de betrokken lidstaat kan zijn, dan wel aangrenzende delen van het grondgebied van lidstaten, die als één geheel worden gezien. Bij een analyse van daadwerkelijke mededinging moet onder meer worden onderzocht of de markt in de toekomst concurrerend zal zijn en dus of een eventueel gebrek aan daadwerkelijke mededinging blijvend is. De Commissie moet de richtsnoeren regelmatig opnieuw toetsen, met name wanneer bestaande wetgeving wordt herzien, rekening houdend met de rechtspraak van het Hof van Justitie, economische literatuur en opgedane ervaringen met betrekking tot de markt, teneinde te waarborgen dat deze geschikt blijven in een zich snel ontwikkelende markt. De nationale regelgevende instanties moeten met elkaar samenwerken wanneer de relevante markt transnationaal blijkt te zijn.
(190)Bij haar regelmatige beoordeling van de markttrends in de Unie moet de Commissie de feedback van belanghebbenden in acht nemen. De resultaten van de raadpleging van belanghebbenden moeten openbaar worden gemaakt in een verslag. Bij haar beoordeling van de vraag of een aanbeveling van de Commissie betreffende relevante product- en dienstenmarkten (“de marktenaanbeveling”) moet worden vastgesteld, zal de Commissie beoordelen of een relevante product- en dienstenmarkt aan de drie criteria voldoet. De Commissie kan de marktenaanbeveling goedkeuren na openbare raadpleging, onder meer van de nationale regelgevende instanties, en rekening houdend met het advies van Berec.
(191)De nationale regelgevende instanties moeten relevante geografische markten op hun grondgebied definiëren en daarbij rekening houden met de marktenaanbeveling indien deze is vastgesteld op grond van deze verordening, en met de nationale en plaatselijke omstandigheden. De nationale regelgevende instanties moeten daarom ten minste de markten analyseren die in de marktenaanbeveling zijn opgenomen, inclusief de markten die zijn vermeld, maar in de specifieke nationale of lokale context niet meer worden gereguleerd. De nationale regelgevende instanties moeten ook markten analyseren die niet in de marktenaanbeveling zijn opgenomen, maar die op basis van voorafgaande marktanalysen binnen hun bevoegdheidsgebied worden gereguleerd, of andere markten als zij voldoende redenen hebben om ervan uit te gaan dat wellicht aan de drie criteria is voldaan. De nationale regelgevende instanties moeten ook beslissen of het op basis van de resultaten van de in het kader van het geografisch onderzoek verzamelde informatie nodig is een marktanalyse uit te voeren.
(192)In sommige omstandigheden worden markten gedefinieerd als nationaal of subnationaal, bijvoorbeeld door de nationale of lokale aard van de uitrol van netwerken waardoor de grenzen van de potentiële marktmacht van ondernemingen wat betreft het wholesaleaanbod worden bepaald, maar is er nog steeds een significante transnationale vraag door één of meerdere categorieën eindgebruikers. Dat kan met name het geval zijn bij de vraag door zakelijke eindgebruikers met activiteiten op meerdere locaties in verschillende lidstaten. Als leveranciers niet in voldoende mate aan die transnationale vraag voldoen, bijvoorbeeld als zij versnipperd zijn door nationale grenzen of op lokaal niveau, ontstaat er een potentiële belemmering voor de interne markt. Berec moet de nationale regelgevende instanties daarom voorzien van richtsnoeren betreffende gemeenschappelijke regelgevingsbenaderingen opdat op bevredigende wijze aan de transnationale vraag kan worden voldaan om zo een basis voor de interoperabiliteit van wholesaletoegangsproducten in de hele Unie te verschaffen en efficiëntieverbeteringen en schaalvoordelen tot stand te brengen ondanks de versnippering aan de aanbodzijde. De richtsnoeren van Berec moeten bijdragen tot de keuzes die de nationale regelgevende instanties maken bij het nastreven van de internemarktdoelstelling, wanneer zij op nationaal niveau verplichtingen opleggen aan ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, en zij moeten tegelijkertijd als leidraad fungeren voor de harmonisatie van de technische specificaties van wholesaletoegangsproducten waarmee aan een dergelijke geconstateerde transnationale vraag kan worden voldaan, in het belang van de interne markt.
(193)Wanneer de nationale regelgevende instanties bepalen of een onderneming aanmerkelijke marktmacht heeft op een specifieke markt, moeten zij handelen overeenkomstig het Unierecht en de richtsnoeren van de Commissie inzake marktanalyse en de beoordeling van aanmerkelijke marktmacht in acht te nemen.
(194)Het uitgangspunt van de nationale regelgevende instanties voor de identificatie van wholesalemarkten die aan regelgeving ex ante kunnen worden onderworpen, moet de analyse van de bijbehorende retailmarkten zijn. De analyse van daadwerkelijke mededinging op retail- en wholesaleniveau moet toekomstgericht met betrekking tot een bepaald tijdsbestek worden uitgevoerd, waarbij moet worden uitgegaan van het mededingingsrecht, in voorkomend geval met inbegrip van de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie. Als wordt geconstateerd dat een retailmarkt daadwerkelijk concurrerend zou zijn bij afwezigheid van regelgeving ex ante op wholesaleniveau op de bijbehorende markten, moet de nationale regelgevende instantie hieruit de conclusie trekken dat regelgeving op wholesaleniveau niet meer noodzakelijk is.
(195)De nationale regelgevende instanties moeten ervoor zorgen dat de markten op consistente wijze en, indien mogelijk, tegelijkertijd worden geanalyseerd. Bovendien moet de kennisgeving alle relevante informatie bevatten, met inbegrip van de marktdefinitie, de aanwijzing als onderneming met aanmerkelijke marktmacht en de daarmee samenhangende corrigerende maatregelen, om ervoor te zorgen dat de opgelegde corrigerende maatregelen evenredig zijn en de daadwerkelijk marktsituatie weerspiegelen, en om optimale transparantie voor marktdeelnemers te waarborgen.
(196)Met wholesaleregulering moeten problemen op retailniveau worden opgelost. De nationale regelgevende instanties moeten de beoordeling ervan uitvoeren voor elke afzonderlijke wholesalemarkt die voor regelgeving in aanmerking komt, te beginnen bij corrigerende maatregelen voor de toegang tot civiele infrastructuur, aangezien dergelijke maatregelen gewoonlijk bevorderlijk zijn voor een verbetering van de duurzaamheid van de mededinging, met inbegrip van mededinging op het vlak van infrastructuur, en vervolgens alle wholesalemarkten te analyseren die in aanmerking komen voor regelgeving ex ante, in volgorde van waarschijnlijke geschiktheid om geconstateerde problemen op het gebied van mededinging op retailniveau aan te pakken. Wanneer zij besluiten welke specifieke maatregel moet worden opgelegd, moeten de nationale regelgevende instanties de consequenties van het opleggen van elke specifieke corrigerende maatregel in overweging nemen: als een maatregel slechts bij bepaalde netwerktopologieën haalbaar is, kan dat een belemmering vormen voor de uitrol van gigabitnetwerken ten bate van de eindgebruiker.
(197)Onverminderd het beginsel van technologieneutraliteit moeten de nationale regelgevende instanties via de opgelegde corrigerende maatregelen voorzien in stimulansen en, waar dat mogelijk is vóór de uitrol van de infrastructuur, voorzien in de ontwikkeling van een flexibele en open netwerkarchitectuur, die uiteindelijk de lasten en complexiteit van de in een latere fase opgelegde corrigerende maatregelen zal beperken. De nationale regelgevende instantie moet tijdens elke fase van de beoordeling, voordat zij bepaalt of een aanvullende, zwaardere corrigerende maatregel wordt opgelegd, ernaar streven te bepalen of de betrokken retailmarkt daadwerkelijk concurrerend zou zijn, mede rekening houdend met een eventuele relevante commerciële regeling of andere omstandigheden op de wholesalemarkt, met inbegrip van andere soorten regelgeving die al van kracht zijn, en in het kader van elke regelgeving die de nationale regelgevende instantie als passend beschouwt voor een onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht. Een dergelijke beoordeling, die moet garanderen dat alleen de meest geschikte corrigerende maatregelen voor het effectief aanpakken van de in de marktanalyse geconstateerde problemen worden opgelegd, belet niet dat een nationale regelgevende instantie oordeelt dat een mix van dergelijke maatregelen, ook al zijn die van verschillende intensiteit, conform het evenredigheidsbeginsel, de minst ingrijpende manier is om het probleem aan te pakken. Zelfs als dergelijke verschillen niet leiden tot de definitie van afgebakende geografische markten, moeten deze als rechtvaardiging kunnen dienen van differentiatie van de passende corrigerende maatregelen die worden opgelegd met het oog op de uiteenlopende intensiteit van de concurrentiedruk.
(198)Wanneer een nationale regelgevende instantie regelgeving op wholesaleniveau intrekt, moet zij een passende opzeggingstermijn vaststellen om een duurzame overgang naar een gedereguleerde markt te waarborgen. Bij het bepalen van die opzeggingstermijn moet de nationale regelgevende instantie rekening houden met bestaande overeenkomsten tussen aanbieders van toegang en toegangvragende partijen die op basis van de opgelegde regelgevingsverplichtingen zijn gesloten. Dergelijke overeenkomsten kunnen in het bijzonder toegangvragende partijen gedurende een bepaalde periode contractuele wettelijke bescherming bieden. De nationale regelgevende instantie houdt ook rekening met de mogelijkheid dat marktdeelnemers gebruikmaken van op de markt beschikbare commerciële aanbiedingen betreffende wholesaletoegang of mede-investering, en met de noodzaak om een langere periode van mogelijke regelgevingsarbitrage te voorkomen. In door de nationale regelgevende instantie vastgestelde overgangsregelingen moet rekening worden gehouden met de reikwijdte en termijnen betreffende regelgevend toezicht op bestaande overeenkomsten, zodra de opzeggingstermijn begint.
(199)Om marktdeelnemers zekerheid te verschaffen over regelgevingsvoorwaarden, moet een termijn worden vastgesteld voor marktherzieningen. Daarom moeten marktanalyses regelmatig en binnen een redelijke en passende tijdspanne worden uitgevoerd. Wanneer een nationale regelgevende instantie verzuimt binnen de vastgestelde termijn een marktanalyse uit te voeren, dan bestaat het risico dat dit de interne markt in gevaar brengt.
(200)Aangezien de elektronischecommunicatiesector een snel evoluerende sector is die gekenmerkt wordt door technologische innovatie en zeer dynamische markten, moet de regelgeving op gecoördineerde en geharmoniseerde wijze op Unieniveau kunnen worden aangepast omdat gebleken is dat uiteenlopende opvattingen van de nationale regelgevende instanties over de uitvoering van het regelgevingskader de interne markt zouden kunnen belemmeren.
(201)In het belang van meer stabiliteit en voorspelbaarheid van regelgevende maatregelen moet de maximale toegestane periode tussen marktanalyses van vijf jaar worden gehandhaafd, mits veranderingen op de markt in de tussenliggende periode geen nieuwe analyse vergen en onverminderd de mogelijkheid om voorlopige maatregelen op te leggen. De nationale regelgevende instanties moeten voldoen aan hun verplichting om de markten te analyseren en ten minste om de vijf jaar kennis te geven van de desbetreffende ontwerpmaatregel, teneinde te waarborgen dat de toepasselijke regelgeving een afspiegeling vormt van de mededingingsvoorwaarden op de markt. Derhalve moet alleen een kennisgeving die een nieuwe beoordeling van de marktdefinitie en van aanmerkelijke marktmacht bevat, worden beschouwd als het begin van een nieuwe marktcyclus van vijf jaar.
(202)Het opleggen van een specifieke verplichting aan een onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht vereist geen extra marktanalyse, maar wel een verantwoording dat de verplichting in kwestie passend en evenredig aan de aard van het probleem op de desbetreffende markt en op de verwante retailmarkt is.
(203)Bij de beoordeling van de evenredigheid van de op te leggen verplichtingen en voorwaarden houden de nationale regelgevende instanties rekening met de verschillende mededingingsvoorwaarden in de verschillende regio’s in hun lidstaat en nemen zij in het bijzonder de resultaten van het uitgevoerde geografische onderzoek in acht.
(204)Bij evaluaties van verplichtingen die zijn opgelegd aan ondernemingen die gedurende het tijdsbestek van een marktanalyse zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, moeten de nationale regelgevende instanties rekening kunnen houden met de gevolgen van nieuwe marktontwikkelingen voor de concurrentievoorwaarden. Verplichtingen inzake transparantie, non-discriminatie, scheiding van boekhoudingen, prijscontrole en kostentoerekening kunnen worden overwogen als aanvulling op de oplegging van geharmoniseerde toegangsproducten van de Unie. Wanneer ondernemingen verplicht zijn om in te gaan op redelijke verzoeken om toegang tot en gebruik van specifieke netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten, kunnen dergelijke verzoeken alleen worden afgewezen op basis van objectieve criteria als technische haalbaarheid of de noodzaak om de integriteit van het netwerk te handhaven. In geval van weigering van toegang moet de benadeelde partij de zaak ter beslechting volgens de procedures krachtens deze verordening kunnen voorleggen. Van een onderneming met verplichtingen inzake machtiging tot toegang kan niet worden geëist dat zij vormen van toegang verleent die niet onder haar bevoegdheid vallen. Dat de nationale regelgevende instanties het verlenen van toegang verplicht stellen om op korte termijn de mededinging te bevorderen, mag er niet toe leiden dat concurrenten minder gestimuleerd worden om te investeren in alternatieve faciliteiten die op langere termijn voor meer duurzame mededinging of betere prestaties en meer voordelen voor de eindgebruiker zullen zorgen. De nationale regelgevende instanties zouden bij het kiezen van de minst ingrijpende regelgevende manier, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, bijvoorbeeld kunnen beslissen de verplichtingen te evalueren die zijn opgelegd aan ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, en eerdere besluiten te wijzigen, onder meer door verplichtingen in te trekken of al dan niet nieuwe toegangsverplichtingen op te leggen indien dat in het belang is van de gebruikers en van duurzame mededinging op het gebied van diensten. Aangezien technische details van de toegangsverplichting een sleutelrol kunnen spelen bij het vermogen om de diensten van de aanbieders van toegang effectief te repliceren en op retailniveau te concurreren, moeten de nationale regelgevende instanties technische en operationele voorwaarden kunnen opleggen aan de aanbieder of begunstigden van machtigingen tot toegang overeenkomstig het Unierecht. Met name het opleggen van technische voorwaarden moet voldoen aan Richtlijn (EU) 2015/1535. Bij het opleggen van verplichtingen voor de toegang tot nieuwe en betere infrastructuur moeten de nationale regelgevende instanties ervoor zorgen dat de voorwaarden voor de toegang de omstandigheden weerspiegelen die aan het besluit tot investering ten grondslag lagen en onder meer rekening houden met de ontwikkelingskosten, de verwachte aanvaarding van de nieuwe producten en diensten en het verwachte prijsniveau voor de consument. Voorts moeten de nationale regelgevende instanties, om de investeerders zekerheid over hun planning te bieden, in staat zijn zo nodig voorwaarden voor de toegang vast te stellen mits deze niet discriminerend zijn. Bij de opgelegde voorwaarden voor de toegang moet rekening worden gehouden met de noodzaak om daadwerkelijke mededinging bij de dienstverlening aan consumenten en bedrijven in stand te houden.
(205)Het verplicht stellen van het verlenen van toegang tot de netwerkinfrastructuur kan verantwoord zijn als een middel om de mededinging te vergroten, maar de nationale regelgevende instanties moeten de rechten van een infrastructuureigenaar om zijn infrastructuur te eigen bate te exploiteren afwegen tegen de rechten van andere dienstenaanbieders om toegang te krijgen tot faciliteiten die voor hen van essentieel belang zijn om diensten te kunnen aanbieden. Het verplicht stellen van het verlenen van toegang tot de netwerkinfrastructuur kan verantwoord zijn als een middel om de mededinging te vergroten, maar de nationale regelgevende instanties moeten de rechten van een infrastructuureigenaar om zijn infrastructuur te eigen bate te exploiteren afwegen tegen de rechten van andere dienstenaanbieders om toegang te krijgen tot faciliteiten die voor hen van essentieel belang zijn om concurrerende diensten te kunnen aanbieden. Prijscontrole kan noodzakelijk zijn wanneer uit de analyse van een specifieke markt blijkt dat er sprake is van ondoeltreffende mededinging. Met name moeten ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht zich ervan onthouden zodanige prijzen te hanteren dat het verschil tussen hun detailprijzen en de interconnectieprijzen of toegangsprijzen die zij aanrekenen aan concurrenten die op detailhandelsniveau vergelijkbare diensten aanbieden, onvoldoende is om een duurzame mededinging te waarborgen. Wanneer een nationale regelgevende instantie de kosten berekent die worden verricht om een dienst tot stand te brengen waarvoor krachtens deze verordening een machtiging is verleend, is het wenselijk een redelijke opbrengst toe te staan uit het kapitaal dat is geïnvesteerd door exploitanten met aanmerkelijke marktmacht, met inbegrip van relevante arbeidskosten en bouwkosten, indien nodig na aanpassing van de waarde van het kapitaal aan de actuele waarde van de activa en de efficiëntie van de bedrijfsvoering. De methode voor het terugverdienen van de kosten moet zijn afgestemd op de omstandigheden, rekening houdend met de noodzaak om efficiëntie, duurzame mededinging en de uitrol van gigabitnetwerken te bevorderen, en met gigabitconnectiviteit. De nationale regelgevende instanties moeten ertoe kunnen besluiten om voor netwerken van de nieuwe generatie gereguleerde wholesaletoegangsprijzen in stand te houden of er geen op te leggen, indien de mededinging voldoende gewaarborgd is. Meer bepaald om buitensporige prijzen te voorkomen op markten met ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, moet flexibiliteit wat betreft prijsstelling vergezeld gaan van aanvullende waarborgen ter bescherming van de mededinging en de belangen van de eindgebruiker, zoals strikte verplichtingen inzake niet-discriminatie, maatregelen ter waarborging van de technische en economische repliceerbaarheid van downstreamproducten, en een aantoonbare retailprijsbeperking als gevolg van mededinging op infrastructuurgebied of een prijsanker dat afkomstig is van andere gereguleerde toegangsproducten, of beide. Die waarborgen voor de mededinging doen geen afbreuk aan het vaststellen door de nationale regelgevende instanties van andere omstandigheden waarin het passend zou zijn geen gereguleerde toegangsprijzen voor bepaalde wholesale-inputs op te leggen, bijvoorbeeld wanneer het door een grote mate van prijselasticiteit van de vraag van eindgebruikers voor de onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht niet winstgevend is om prijzen te berekenen die aanzienlijk boven het concurrerende niveau liggen of wanneer een lage bevolkingsdichtheid de prikkels voor de ontwikkeling van gigabitnetwerken reduceert en de nationale regelgevende instantie constateert dat er door middel van opgelegde verplichtingen is gezorgd voor doeltreffende en niet-discriminerende toegang.
(206)Civieltechnische activa waarvan een elektronischecommunicatienetwerk gebruikmaakt, zijn van essentieel belang voor de geslaagde uitrol van nieuwe netwerken vanwege de hoge kosten voor het dupliceren van die activa, en de significante besparingen die kunnen worden verwezenlijkt wanneer deze kunnen worden hergebruikt. Daarom is, als aanvulling op de in Verordening (EU) 2024/1309 vastgestelde voorschriften inzake fysieke infrastructuur, een specifieke maatregel nodig wanneer civieltechnische activa eigendom zijn van een onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht. Wanneer civieltechnische activa beschikbaar en herbruikbaar zijn, is het effect van de totstandbrengingen van daadwerkelijke toegang tot die activa op de uitrol van concurrerende infrastructuur uiterst positief, en het is daarom noodzakelijk te waarborgen dat de toegang tot dergelijke activa kan worden gebruikt als een op zichzelf staande maatregel voor de verbetering van de concurrentie- en implementatiedynamiek op alle downstreammarkten, hetgeen in overweging moet worden genomen voordat de noodzaak om andere potentiële corrigerende maatregelen op te leggen wordt beoordeeld, en niet enkel als een aanvullende maatregel op andere wholesaleproducten of -diensten, of als een maatregel die is beperkt tot ondernemingen die dergelijke andere wholesaleproducten of -diensten gebruiken. De nationale regelgevende instanties moeten de waarde van herbruikbare civieltechnische activa bepalen aan de hand van de wettelijk voorgeschreven boekwaarde, zonder de cumulatieve afschrijvingen op het tijdstip van de berekening en geïndexeerd op basis van een toepasselijke prijsindex, zoals de consumentenprijzenindex, waarbij gedurende een periode van ten minste 40 jaar volledig afgeschreven, maar nog gebruikte activa worden uitgesloten. Wanneer ook uit de verzamelde informatie over de uitrol van gigabitinfrastructuur blijkt dat toegang tot fysieke infrastructuur een cruciale voorwaarde is voor de uitgerolde netwerken en dus voor de downstreammarkt, kan de aanwijzing van een afzonderlijke markt voor fysieke infrastructuur ook worden overwogen om voorspelbaarheid van de regelgeving op lange termijn te waarborgen.
(207)Om de totstandbrenging van een interne markt op het gebied van digitale netwerken en diensten te bevorderen, is het essentieel om toegangsproducten waar mogelijk verder te harmoniseren. Daarom moet deze verordening voorzien in de vereisten op grond waarvan een wholesaletoegangsproduct kan worden beschouwd als Europees geharmoniseerd wholesaletoegangsproduct dat door de nationale regelgevende instanties van alle lidstaten kan worden opgelegd. Geharmoniseerde toegangsproducten kunnen FTTH-ontbundeling en virtuele ontbundelde lokale toegang omvatten aangezien dit de producten zijn die doorgaans worden opgelegd op wholesalemarkten die standaardklanten bedienen. Daarnaast kunnen dergelijke geharmoniseerde producten, indien nodig, ethernethuurlijnen en parameters voor de kwaliteit van de diensten op markten voor zakelijke klanten omvatten.
(208)De nationale regelgevende instanties moeten dienovereenkomstig beoordelen of het passend en evenredig zou zijn om verplichtingen die eerder aan ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht zijn opgelegd om wholesaletoegang tot gigabitnetwerken te verlenen, te vervangen door een verplichting om een Europees geharmoniseerd toegangsproduct te leveren.
(209)Aangezien de markt en technologie constant evolueren, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om uitvoeringshandelingen vast te stellen om de technische vereisten voor Europese toegangsproducten te bepalen, naargelang de behoeften.
(210)Wanneer een nationale regelgevende instantie heeft geconcludeerd dat een Europees geharmoniseerd toegangsproduct passend en evenredig zou zijn, moet zij het opleggen aan de betrokken onderneming met aanmerkelijke macht. De oplegging van Europese geharmoniseerde toegangsproducten moet voorrang hebben op de oplegging van andere corrigerende maatregelen. De nationale regelgevende instanties mogen alleen verplichtingen inzake de toegang tot en het gebruik van specifieke netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten opleggen wanneer een Europees geharmoniseerd toegangsproduct niet zou volstaan om de mededingingsproblemen op een specifieke markt aan te pakken.
(211)De prijsstelling van toegang tot nieuw aangelegde civieltechnische infrastructuur van de ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht voor de uitrol van gigabitnetwerken door alternatieve exploitanten, kan van invloed zijn op de bereidheid van de exploitant met aanmerkelijke marktmacht om nieuwe civieltechnische infrastructuur aan te leggen met voldoende capaciteit om alternatieve netwerken te hosten. De prijs voor de toegang tot de nieuw aangelegde civieltechnische infrastructuur moet de huidige marktomstandigheden weerspiegelen en gebaseerd zijn op de volledige werkelijke kosten die de exploitant met aanmerkelijke marktmacht maakt, zolang gewaarborgd is dat de voorwaarden voor toegang tot die infrastructuur strikt niet-discriminerend zijn. Een dergelijke benadering zou de juiste stimulansen bieden om te investeren in nieuwe civieltechnische infrastructuur. Bovendien kan, afhankelijk van de marktomstandigheden, de aanleg van belangrijke nieuwe civieltechnische infrastructuur voor de exploitant met aanmerkelijke marktmacht een hoger investeringsrisico inhouden dan het investeringsrisicoprofiel dat verbonden is aan het hergebruik van bestaande civieltechnische infrastructuur. Dat risicoprofiel zou risico’s omvatten in termen van gemaakte kosten en verwachte inkomsten, die door de NRI’s moeten worden beoordeeld. Indien de verplichting van gelijkwaardigheid op het gebied van toegang (gelijkwaardigheid van input of output) echter daadwerkelijk uitvoer wordt uitgevoerd en er sprake is van een bewezen prijsbeperking op de retailmarkt, aangevuld met de economische repliceerbaarheid van downstreamproducten, moeten de nationale regelgevende instanties in beginsel afzien van het opleggen van gereguleerde prijzen. Dergelijke verplichtingen moeten bijvoorbeeld bestaan uit technische en economische repliceerbaarheidstests, gecombineerd met monitoringmechanismen. De prijsbeperking op de retailmarkt kan het gevolg zijn van mededinging op het gebied van infrastructuur, duidelijke afspraken van alternatieve aanbieders om gigabitnetwerken uit te rollen in gebieden die volgens geografische onderzoeken weinig dekking hebben en gereguleerde ankerproducten die aan kostenoriëntatie zijn onderworpen. Wanneer een nationale regelgevende instantie de invoering van een kostentoerekeningssysteem verplicht stelt met het oog op prijscontrole, moet zij een jaarlijkse controle kunnen uitvoeren om te garanderen dat het kostentoerekeningssysteem wordt nageleefd als zij daartoe over het nodige gekwalificeerde personeel beschikt, of moet zij die controle kunnen laten uitvoeren door een andere gekwalificeerde instantie die onafhankelijk is van de betrokken onderneming. Het tariferingsysteem in de Unie is gebaseerd op Calling Party Network Pays. Uit een analyse van de substitueerbaarheid aan de vraag- en de aanbodzijde blijkt dat er momenteel en in de nabije toekomst geen substituten op wholesaleniveau zijn waardoor de vaststelling van de tarieven voor afgifte in een bepaald netwerk zou kunnen worden beperkt. Gelet op het feit dat afgiftemarkten toegankelijk zijn vanuit twee richtingen vormt ook kruissubsidiëring tussen exploitanten een potentieel concurrentieprobleem. Dat potentiële concurrentieprobleem kan zich voordoen bij zowel vaste als mobiele gespreksafgiftemarkten. Omdat het in het belang van de exploitanten van gespreksafgifte is om de prijzen vast te stellen op een niveau dat ver boven de kosten ligt, wordt kostenoriëntatie beschouwd als de meest geschikte oplossing op middellange termijn. Toekomstige marktontwikkelingen kunnen de dynamiek van die markten in zoverre wijzigen dat regelgeving niet meer nodig is.
(212)Teneinde de regeldruk bij het aanpakken van de concurrentieproblemen in verband met wholesalegespreksafgifte in de hele Unie consistent te verlagen, moet de Commissie door middel van een gedelegeerde handeling één enkel maximumtarief voor gespreksafgifte voor mobiele diensten en één enkel maximumtarief voor gespreksafgifte voor vaste diensten blijven vaststellen die in de hele Unie gelden. Er moeten gedetailleerde criteria en parameters worden vastgesteld op basis waarvan de waarden van gespreksafgiftetarieven worden bepaald. De gespreksafgiftetarieven zijn in de hele Unie consistent gedaald en zullen naar verwachting nog verder dalen.
(213)Teneinde rekening te houden met markt-, sociale en technologische ontwikkelingen, met inbegrip van de ontwikkeling van technische normen, de risico’s voor de beveiliging van netwerken en diensten te ondervangen, en te zorgen voor daadwerkelijke toegang tot noodhulpdiensten via noodcommunicatie, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de vaststelling van een uniform Uniebreed tarief voor gespreksafgifte in vaste en mobiele markten; maatregelen ter bestrijding van fraude; en maatregelen in verband met de vaststelling van maatregelen inzake noodcommunicatie in de Unie; en tot wijziging van de bijlagen bij deze verordening teneinde rekening te houden met technologische en maatschappelijke ontwikkelingen of veranderingen in de marktvraag. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(214)Het is momenteel op sommige markten al mogelijk dat de ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht als onderdeel van de marktanalyse afspraken kunnen aanbieden die erop gericht zijn de door de nationale regelgevende instantie geconstateerde mededingingsproblemen aan te pakken en waarmee de nationale regelgevende instantie dan rekening houdt bij het besluit inzake passende regelgevingsverplichtingen. Dergelijke corrigerende maatregelen kunnen ook bestaan in de overdracht van netwerkactiva voor lokale toegang of een aanzienlijk deel daarvan aan een afzonderlijke rechtspersoon met een andere eigenaar, of in de oprichting van een afzonderlijke zakelijke entiteit. Bij het besluit inzake de meest passende corrigerende maatregelen om doeltreffendheid op lange termijn te waarborgen moet rekening worden gehouden met eventuele nieuwe marktontwikkelingen. Onverminderd de bepalingen betreffende de regelgevende behandeling van uitsluitend op wholesalemarkten actieve ondernemingen vormt de aard van de aangeboden afspraken op zich echter geen beperking voor de discretionaire bevoegdheid die aan de nationale regelgevende instantie is verleend om maatregelen te nemen ten aanzien van ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht. Teneinde de transparantie te verhogen en rechtszekerheid in de hele Unie te verschaffen, moet deze verordening voorzien in de procedure aan de hand waarvan afspraken door ondernemingen worden aangeboden en door nationale regelgevende instanties worden beoordeeld, rekening houdend met de standpunten van de marktdeelnemers door middel van een markttoets, en aan de hand waarvan die afspraken in voorkomend geval bindend kunnen worden gemaakt voor de betrokken onderneming en door de nationale regelgevende instantie afdwingbaar zijn. Tenzij de nationale regelgevende instantie afspraken bindend heeft gemaakt en zij beslist heeft geen verplichtingen op te leggen, doet die procedure geen afbreuk aan de toepassing van de marktanalyse, noch aan de verplichting passende en evenredige corrigerende maatregelen op te leggen ter remediëring van de geconstateerde markttekortkoming.
(215)De nationale regelgevende instanties moeten de afspraken geheel of gedeeltelijk bindend kunnen maken voor een specifieke periode die niet langer mag zijn dan de periode waarvoor ze zijn aangeboden, na een markttoets te hebben verricht door middel van een openbare raadpleging van belanghebbenden. Indien de afspraken bindend zijn gemaakt, moet de nationale regelgevende instantie met de gevolgen van dit besluit rekening houden in haar marktanalyse en deze in overweging nemen bij de keuze van de meest passende regelgevingsmaatregelen. De nationale regelgevende instanties moeten de tot stand gekomen afspraken beoordelen vanuit een toekomstgericht oogpunt van duurzaamheid, met name wanneer zij de periode bepalen waarvoor deze bindend worden gemaakt, en zij moeten rekening houden met de noodzaak om stabiele en voorspelbare marktomstandigheden te waarborgen. Bindende afspraken in het kader van vrijwillige scheiding door een verticaal geïntegreerde onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht op één of meer relevante markten, kunnen zorgen voor voorspelbaarheid en transparantie door het proces van de uitvoering van de beoogde scheiding te schetsen van een onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht. Om de nationale regelgevende instanties bij te staan bij het toezicht op de naleving door de partijen, kunnen de afspraken de aanwijzing van een monitoring trustee omvatten, wiens identiteit en mandaat moeten worden goedgekeurd door de nationale regelgevende instantie, alsmede de verplichting voor de onderneming die de afspraken aanbiedt om op gezette tijden uitvoeringsverslagen te verstrekken.
(216)Eigenaren van netwerken waarvan het bedrijfsmodel is beperkt tot het aanbieden van wholesalediensten aan anderen, kunnen een gunstige invloed hebben op de totstandbrenging van een bloeiende wholesalemarkt, hetgeen positieve effecten heeft op de retailmededinging downstream. Voorts kan hun bedrijfsmodel, ook al is het minder aantrekkelijk voor kortetermijninvesteerders, aantrekkelijk zijn voor potentiële investeerders in minder vluchtige infrastructuuractiva, met perspectieven op de langere termijn betreffende de implementatie van gigabitnetwerken. De aanwezigheid van een onderneming die uitsluitend op de wholesalemarkt actief is, heeft echter niet per se daadwerkelijk concurrerende retailmarkten tot gevolg, en ondernemingen die uitsluitend op de wholesalemarkt actief zijn kunnen worden aangemerkt als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, met name op productmarkten en geografische markten. Bepaalde concurrentierisico’s die voortvloeien uit het gedrag van ondernemingen met uitsluitend op wholesalemarkten gerichte bedrijfsmodellen kunnen kleiner zijn dan bij verticaal geïntegreerde ondernemingen, mits het bedrijfsmodel daadwerkelijk uitsluitend op wholesalemarkten is gericht en er geen stimulansen zijn om te discrimineren tussen downstreamaanbieders. De reactie van regelgevende aard moet daarom in evenredige mate minder ingrijpend zijn, maar de mogelijkheid om verplichtingen met betrekking tot een eerlijke en redelijke prijsstelling in te voeren, moet worden behouden. Anderzijds moeten de nationale regelgevende instanties kunnen ingrijpen indien zich concurrentieproblemen voordoen waaronder de eindgebruikers te lijden hebben. Dit zou met name van belang zijn in gebieden waar na de voltooiing van de uitschakeling van kopernetwerken een onderneming die uitsluitend op wholesaleniveau actief is, zal overblijven als enige aanbieder van een gigabitnetwerk. Een op wholesalemarkten actieve onderneming die alleen retaildiensten levert aan bedrijven die groter zijn dan kleine en middelgrote ondernemingen, moet worden beschouwd als een uitsluitend op wholesalemarkten actieve onderneming.
(217)Het Uniemechanisme waarmee de Commissie de nationale regelgevende instanties ertoe kan brengen geplande maatregelen in te trekken met betrekking tot de marktdefinitie en het aanwijzen van ondernemingen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, heeft in belangrijke mate bijgedragen tot een samenhangende aanpak om vast te stellen onder welke omstandigheden ex-anteregelgeving kan worden toegepast en voor welke ondernemingen zij geldt. Uit ervaringen met de procedures op grond van de artikelen 32 en 33 van Richtlijn (EU) 2018/1972 is gebleken dat de nationale regelgevende instanties bij gelijke marktomstandigheden de oplossingen op zeer uiteenlopende manieren toepassen, waardoor de interne markt in elektronische communicatie kan worden ondermijnd. De Commissie en Berec moeten derhalve, binnen de grenzen van hun respectieve verantwoordelijkheden, de bevoegdheid krijgen om een hoger niveau van samenhang te waarborgen in de toepassing van corrigerende maatregelen betreffende de door de nationale regelgevende instanties voorgestelde ontwerpmaatregelen. Het is nog steeds noodzakelijk dat de Commissie voor ontwerpmaatregelen met betrekking tot de uitbreiding van verplichtingen voorbij het eerste punt van samenkomst of distributie, indien nodig om de hoge en niet-tijdelijke economische of fysieke drempels voor replicatie aan te pakken, ten aanzien van ondernemingen ongeacht of deze zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, of met betrekking tot de regelgevende behandeling van nieuwe elementen van gigabitnetwerken, van een nationale regelgevende instantie kan verlangen dat zij een ontwerpmaatregel intrekt. Om te profiteren van de deskundigheid van de nationale regelgevende instanties inzake de marktanalyse, moet de Commissie, alvorens besluiten te nemen of aanbevelingen te doen, bij Berec te rade gaan.
(218)Bij de beoordeling van ontwerpmaatregelen moet de Commissie nog steeds een duidelijke termijn eerbiedigen om een grondige maar snelle beoordeling te waarborgen. Het is echter niet langer gerechtvaardigd verschillende termijnen te hanteren voor de beoordeling van marktonderzoeken enerzijds en corrigerende maatregelen anderzijds. Eén enkele termijn voor beide beoordelingen zou de samenhang verbeteren en bijdragen tot de totstandbrenging van een vereenvoudigd en efficiënter regelgevingskader.
(219)De transparantie met betrekking tot de toepassing van het Uniemechanisme voor consolidering van de interne markt voor elektronische communicatie moet in het belang van burgers en belanghebbenden worden vergroot, teneinde de betrokken partijen in staat te stellen hun eigen opvattingen kenbaar te maken, onder meer door nationale regelgevende instanties te verplichten om ontwerpmaatregelen bekend te maken op hetzelfde moment dat zij hiervan kennisgeving doen aan de Commissie en Berec, en aan de nationale regelgevende instanties in andere lidstaten. Zulke ontwerpmaatregelen moeten onderbouwd zijn en een gedetailleerde marktanalyse omvatten.
(220)De nationale raadpleging van belanghebbende partijen moet worden uitgevoerd vóór de raadpleging op Unieniveau, teneinde de interne markt voor elektronische communicatie te versterken en in het kader van de procedure voor de consequente toepassing van oplossingen, zodat bij de raadpleging op Unieniveau met de standpunten van de belanghebbende partijen rekening kan worden gehouden. Dit zou een tweede raadpleging op Unieniveau in geval van wijzigingen van een geplande maatregel als gevolg van de nationale raadpleging overbodig maken.
(221)De nationale regelgevende instanties werken op transparante wijze samen met elkaar, met Berec en met de Commissie om te zorgen voor de consequente toepassing in alle lidstaten van deze verordening.
(222)De beslissingsvrijheid van de nationale regelgevende instanties moet wel verenigbaar zijn met de ontwikkeling van consequente regelgevingspraktijken en een consequente toepassing van het regelgevingskader om doeltreffend bij te dragen tot de ontwikkeling en voltooiing van de interne markt. De nationale regelgevende instanties moeten derhalve steun verlenen aan de relevante internemarktactiviteiten van de Commissie en van Berec.
(223)Maatregelen die van invloed zouden kunnen zijn op de handel tussen de lidstaten zijn maatregelen die direct of indirect, feitelijk of in potentie, van invloed zouden kunnen zijn op het handelspatroon tussen de lidstaten op een wijze die een belemmering kan vormen voor de interne markt. Hieronder vallen maatregelen die aanzienlijke gevolgen hebben voor ondernemingen of gebruikers in andere lidstaten, waaronder: maatregelen die gevolgen hebben voor de prijzen voor gebruikers in andere lidstaten; maatregelen die gevolgen hebben voor de mogelijkheid van een onderneming in een andere lidstaat om een elektronische communicatiedienst te verlenen, in het bijzonder maatregelen die gevolgen hebben voor de mogelijkheid diensten te verlenen op transnationale basis; en maatregelen die gevolgen hebben voor de marktstructuur of de toegang tot de markt, met nadelige gevolgen voor ondernemingen in andere lidstaten. Het aanpakken van dergelijke maatregelen is uitermate belangrijk, aangezien met deze verordening wordt gestreefd naar de geleidelijke totstandbrenging van een interne markt voor elektronische communicatie en digitale netwerken.
(224)Wanneer de Commissie heeft besloten dat een nationale regelgevende instantie een geplande maatregel moet intrekken, moet die instantie haar ontwerpmaatregel intrekken of een herziene versie indienen. Voor de kennisgeving van de herziene maatregel aan de Commissie moet met het oog op meer rechtszekerheid een termijn voor de nationale regelgevende instantie worden vastgesteld zodat de marktdeelnemers worden geïnformeerd over de duur van de marktherziening.
(225)Hoewel het cruciaal is dat de nationale regelgevende instanties voldoende tijd krijgen om grondige marktanalyses/-evaluaties uit te voeren, moeten zij ook snel kunnen reageren op situaties die dringende maatregelen vereisen.
(226)Derhalve moet een uitzondering op het algemene tijdschema voor marktevaluaties worden vastgesteld om de nationale regelgevende instanties in staat te stellen voorlopige maatregelen vast te stellen. Dergelijke voorlopige maatregelen moeten voor een beperkte periode gelden en mogen slechts één keer worden gebruikt om hetzelfde probleem aan te pakken.
(227)Gezien de korte termijnen in het raadplegingsmechanisme op Unieniveau moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven om aanbevelingen of richtsnoeren vast te stellen ter vereenvoudiging van de procedures voor de uitwisseling van informatie tussen de Commissie en de nationale regelgevende instanties — bijvoorbeeld in gevallen die betrekking hebben op stabiele markten of die alleen geringe wijzigingen inhouden van maatregelen waarvan al eerder kennisgeving is gedaan, of om de invoering mogelijk te maken van een vrijstelling van kennisgeving om procedures in bepaalde gevallen te stroomlijnen. Ten slotte moet de Commissie, indien nodig, en rekening houdend met het advies van Berec, aanbevelingen kunnen vaststellen met betrekking tot de identificatie van de relevante product- en dienstenmarkten, de kennisgevingen in het kader van de procedure voor het consolideren van de interne markt en de geharmoniseerde toepassing van de bepalingen van het regelgevingskader.
(228)De toegenomen mededinging en keuzemogelijkheden op het gebied van communicatiediensten hebben geleidelijk geresulteerd in een beperking van het toepassingsgebied van de universele dienst. Elementen als telefoongidsen of het aanbieden van openbare betaaltelefoons zijn uitgefaseerd uit het toepassingsgebied van de universele dienst. Het concept van universele dienst moet derhalve evolueren teneinde gelijke tred te houden met de technologische vooruitgang, de marktontwikkelingen en de veranderingen in de behoeften van de gebruiker.
(229)De universele dienst moet een vangnet blijven waarmee wordt gewaarborgd dat ten minste de reeks minimumdiensten voor iedereen beschikbaar is en tegen een betaalbare prijs voor consumenten, aangezien het risico op sociale uitsluiting door het ontbreken van dergelijke toegang ertoe kan leiden dat burgers op sociaal en economisch vlak niet volledig aan de maatschappij kunnen deelnemen.
(230)Een fundamentele eis die aan de universele dienst moet worden gesteld, is dat wordt gewaarborgd dat alle consumenten tegen een betaalbare prijs toegang hebben tot adequate internettoegangs- en spraakcommunicatiediensten op een vaste locatie. Wanneer sprake is van toegangsbeperkingen, kunnen de lidstaten ook overwegen te zorgen voor de betaalbaarheid van adequate internettoegangs- en spraakcommunicatiediensten die niet op een vaste locatie worden aangeboden, wanneer zij dit nodig achten om te waarborgen dat consumenten sociaal en economisch volledig aan de samenleving kunnen deelnemen. Er moet met name voor worden gezorgd dat consumenten met een handicap op een vaste locatie gelijkwaardige toegang hebben. Er mogen geen beperkingen worden gesteld aan de technische middelen waarmee de adequate internettoegangs- en spraakcommunicatiediensten op een vaste locatie worden aangeboden, zodat zowel draadverbindingen als draadloze verbindingen op technologische neutrale wijze mogelijk zijn, noch beperkingen ten aanzien waarvan ondernemingen alle universeledienstverplichtingen of een gedeelte daarvan vervullen.
(231)De snelheid van de toegang tot internet voor een willekeurige gebruiker kan afhankelijk zijn van een aantal factoren, zoals van de aanbieders van internettoegang alsmede van de specifieke toepassing waarvoor een aansluiting wordt gebruikt. Het is aan de lidstaten om, rekening houdend met het Berec-richtsnoeren, adequate internettoegang te definiëren op basis van de minimumbandbreedte waarover de meerderheid van de consumenten op het grondgebied van een lidstaat beschikt, teneinde een passend niveau van sociale inclusie en participatie in de digitale economie en maatschappij op hun grondgebied mogelijk te maken. De adequate internettoegangsdienst moet toereikende bandbreedte hebben om toegang tot en gebruik van ten minste basisdiensten die overeenkomen met de diensten die worden gebruikt door de meerderheid van de consumenten mogelijk te maken. Om bij te dragen tot een consistente toepassing in de lidstaten, moet in de Berec-richtsnoeren rekening worden gehouden met de ontwikkeling van het internetgebruik om de onlinediensten aan te wijzen die door een meerderheid van de consumenten in de hele Unie worden gebruikt en die nodig zijn voor sociale en economische participatie in de samenleving. Berec moet de gegevens in aanmerking nemen die jaarlijks door de nationale regelgevende instanties worden verzameld over de ontwikkeling en het niveau van de retailprijzen van adequate internettoegangsdiensten en spraakcommunicatiediensten van een op het respectieve nationale grondgebied gespecificeerde kwaliteit. Alvorens de richtsnoeren uit te vaardigen, moet Berec belanghebbenden raadplegen, met inbegrip van maatschappelijke organisaties die kwetsbare consumenten vertegenwoordigen. De Commissie moet de bevoegdheid krijgen om uitvoeringshandelingen vast te stellen ter bepaling van de adequate internettoegangsdienst en de bandbreedte die vereist is voor sociale en economische participatie in de samenleving. De rechten van eindgebruikers die van toepassing zijn op elektronischecommunicatiediensten moeten ook van toepassing zijn op alle adequate internettoegangs- en spraakcommunicatiediensten.
(232)De nationale regelgevende instanties moeten in overleg met andere bevoegde instanties toezicht houden op de ontwikkeling en de details van retailprijzen voor door consumenten gebruikte adequate internettoegangs- en spraakcommunicatiediensten teneinde te beoordelen of maatregelen inzake betaalbaarheid vereist zijn. Die monitoring mag niet vaker dan eenmaal per jaar plaatsvinden, om te voorkomen dat dit een buitensporige administratieve last oplevert voor de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties of voor aanbieders van die diensten. De monitoring kan betrekking hebben op de details van het aanbod van tariefopties of -pakketten voor consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften, met inbegrip van consumenten met een handicap, en moet de basis vormen voor de vaststelling van maatregelen inzake betaalbaarheid.
(233)De behoefte aan maatregelen inzake betaalbaarheid verschilt per lidstaat en met een geharmoniseerde aanpak van de criteria en methoden die in aanmerking moeten worden genomen voor de beoordeling van de betaalbaarheid van adequate internettoegangs- en spraakcommunicatiediensten moet een consistente aanpak worden gewaarborgd, waarin rekening wordt gehouden met de verschillende situaties in de lidstaten. Met het oog op de harmonisatie van de criteria en methoden die in aanmerking moeten worden genomen voor de beoordeling van de betaalbaarheid, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om uitvoeringshandelingen vast te stellen. De criteria moeten onder meer de meest betaalbare prijs op de markt omvatten, alsmede het percentage van het inkomen van consumenten dat deze prijs vertegenwoordigt, rekening houdend met consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften. Voorts moeten de in acht te nemen economische en sociale aspecten ook koopkracht en nationale steunregelingen, met name voor kwetsbare consumenten, omvatten.
(234)Een betaalbare prijs is een prijs die door de lidstaten op nationaal niveau wordt vastgesteld op basis van de gemeenschappelijke criteria en methoden die in de uitvoeringshandeling van de Commissie zijn vastgesteld. Wanneer lidstaten concluderen dat de retailprijzen voor adequate internettoegangs- en spraakcommunicatiediensten niet betaalbaar zijn voor consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften, met inbegrip van ouderen, consumenten met een handicap en consumenten die in plattelands- of geografisch geïsoleerde gebieden wonen, moeten zij passende maatregelen nemen. Daartoe zouden de lidstaten die consumenten directe steun voor communicatiedoeleinden kunnen verlenen, die deel zou kunnen uitmaken van de sociale toelagen, of de vorm kan aannemen van vouchers of rechtstreekse betalingen aan die consumenten. In de plaats van of in aanvulling op die maatregelen zouden de lidstaten van alle aanbieders van zulke diensten kunnen verlangen dat zij basistariefopties of -pakketten, met inbegrip van lagere maandelijkse abonnementskosten, aanbieden.
(235)Dergelijke bijzondere tariefopties of -pakketten om te voorzien in de behoeften van consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften moeten voorzien in adequate internettoegangs- en spraakcommunicatiediensten, zonder aanvullende gebundelde diensten, teneinde de gevolgen voor de marktwerking te beperken.
(236)Wanneer een lidstaat aanbieders verplicht consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften tariefopties of -pakketten aan te bieden die verschillen van die welke zij onder normale commerciële voorwaarden aanbieden, moeten die tariefopties of -pakketten worden aangeboden door alle aanbieders van internettoegangs- en spraakcommunicatiediensten. De verplichting voor alle aanbieders van internettoegangs- en spraakcommunicatiediensten om tariefopties of -pakketten aan te bieden, mag geen buitensporige administratieve of financiële lasten veroorzaken voor die aanbieders of lidstaten.
(237)Gezien de geringe reikwijdte van de universeledienstverplichtingen is de behoefte om sectorspecifieke benamingen te gebruiken, beperkt. Om alle of een deel van de specifieke nettokosten van de vervulling van de universeledienstverplichtingen te dekken, zodat onder meer een redelijke winst kan worden gemaakt, kan financiële overheidssteun noodzakelijk blijken. Overcompensatie wordt hierbij vermeden. In dit geval moeten, gezien het bestaan van staatssteunregels voor overheidsfinanciering, met name voor diensten van algemeen economisch belang (“DAEB-pakket”), de sectorspecifieke regels inzake de aanwijzing van ondernemingen en de berekening van mogelijke compensatie voor het aanbieden van de universele dienst voor elektronische communicatie worden ingetrokken. Indien overheidscompensatie wordt toegekend voor de vervulling van universeledienstverplichtingen, moet deze in overeenstemming zijn met de toepasselijke staatssteunregels, met name artikel 106, lid 2, de artikelen 107 en 108 VWEU en het DAEB-pakket. De vereenvoudiging met betrekking tot de afschaffing van de sectorspecifieke aanwijzing van de universeledienstverplichting en de bijbehorende methode voor de berekening van de nettokosten zou de lidstaten meer flexibiliteit bieden bij de keuze van de methode voor de financiering van universeledienstverplichtingen, zodat de administratieve lasten voor aanbieders mogelijk afnemen en tegelijkertijd de verenigbaarheid met de interne markt wordt gewaarborgd.
(238)De betaalbaarheid mag voor consumenten g een obstakel zijn om toegang te krijgen tot het minimumpakket van connectiviteitsdiensten. Het recht om een contract te sluiten met een aanbieder moet inhouden dat consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften die recht hebben op sociale tariefopties of -pakketten, een contract moeten kunnen sluiten voor de verlening van betaalbare adequate internettoegangs- en spraakcommunicatiediensten, in ieder geval op een vaste locatie. Om de financiële risico’s, zoals niet-betaling van rekeningen, tot een minimum te beperken, moeten aanbieders vrij zijn om de overeenkomst aan te bieden onder voorafbetalingsvoorwaarden, op basis van betaalbare individuele vooraf betaalde eenheden.
(239)De betaalbaarheid voor individuele consumenten moet zijn gebaseerd op hun recht om een contract te sluiten met een aanbieder. Andere rechten, zoals gespecificeerde facturering, de beschikbaarheid van een nummer gedurende een passende periode en de mogelijkheid om de uitgaven te monitoren en beheersen, zijn op grond van deze verordening eindgebruikersrechten voor alle consumenten en moeten ook gelden voor consumenten die profiteren van maatregelen inzake de betaalbaarheid van de universele dienst.
(240)Consumenten mogen niet worden verplicht om gebruik te maken van diensten die zij niet wensen, en daarom moeten de desbetreffende consumenten de mogelijkheid hebben om de betaalbare universele dienst op verzoek te beperken tot spraakcommunicatiediensten.
(241)De lidstaten moeten maatregelen nemen om te bevorderen dat een markt ontstaat voor betaalbare producten en diensten, met functies voor consumenten met een handicap, inclusief uitrusting met hulptechnologie. Dat is onder meer mogelijk door verwijzing naar Europese normen of door ondersteuning van de uitvoering van eisen uit hoofde van Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad. De lidstaten moeten geschikte maatregelen introduceren en specifieke maatregelen nemen, bijvoorbeeld als de markt onder normale economische omstandigheden geen betaalbare producten en diensten levert met faciliteiten voor consumenten met een handicap. Die maatregelen kunnen directe financiële steun aan consumenten omvatten. De kosten van bemiddelingsdiensten voor consumenten met een handicap moeten overeenstemmen met de gemiddelde kosten van spraakcommunicatiediensten.
(242)Bemiddelingsdiensten zijn diensten die mogelijk maken dat zich ver uit elkaar bevindende eindgebruikers van verschillende communicatiewijzen (bijvoorbeeld tekst, gebarentaal, spraak) in beide richtingen kunnen communiceren door omzetting van de ene naar de andere communicatiewijze aan te bieden, doorgaans door een menselijke ingreep. Realtimetekst wordt gedefinieerd overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/882. Wanneer een lidstaat besluit de ondernemingen te compenseren die basistariefopties of -pakketten aanbieden, bijvoorbeeld wanneer de bepaling een onredelijke financiële last veroorzaakt, moet deze lidstaat ervoor zorgen dat een dergelijke maatregel verenigbaar is met de interne markt, met inbegrip van de mededingingsregels.
(243)Voor datacommunicatie met datasnelheden die toereikend zijn voor een adequate internettoegang zijn vaste aansluitingen bijna universeel beschikbaar en worden zij gebruikt door een meerderheid van de burgers van de Unie, en hebben diensten op basis van draadloze technologieën een nog groter bereik. Er zijn echter verschillen tussen de lidstaten wat betreft de beschikbaarheid en betaalbaarheid van adequate internettoegangsdienst op een vaste locatie in stedelijke en plattelandsgebieden.
(244)De markt heeft een belangrijke rol te vervullen bij het waarborgen van de beschikbaarheid van toegang tot internet met voortdurend toenemende capaciteit. In gebieden waar de markt dat niet doet, lijken andere publieke beleidsinstrumenten ter bevordering van de beschikbaarheid van adequate internettoegangsverbindingen in beginsel kosteneffectiever en minder marktverstorend dan universeledienstverplichtingen, bijvoorbeeld het aanwenden van financiële instrumenten, zoals die welke beschikbaar zijn in het kader van het InvestEU-programma en het Breedbandfonds voor Europese verbindingen, ondersteund door de Connecting Europe Facility, het gebruik van door de lidstaten beheerde overheidsfinanciering van de Unie, nationale financiering en het koppelen van dekkingsverplichtingen aan gebruiksrechten voor radiospectrum om de uitrol van breedbandnetwerken in minder dichtbevolkte gebieden te ondersteunen. Een van de doelstellingen van maatregelen van openbaar beleid kan ook zijn eindgebruikers in staat te stellen adequate internettoegangsdiensten aan te schaffen die zij anders niet zouden aanschaffen, bijvoorbeeld, in voorkomend geval, door middel van rechtstreekse steun of connectiviteitsvouchers voor de financiering van maandelijkse vergoedingen, standaard aansluitingskosten, noodzakelijke eindapparatuur of beperkte bekabeling in gebouwen, bijvoorbeeld wanneer dat nodig is voor en een aanvulling vormt op het aanbieden van de dienst. Wanneer een lidstaat voornemens is hiervoor financiële steun te verlenen, moet hij ervoor zorgen dat een dergelijke maatregel verenigbaar is met de interne markt, met inbegrip van de mededingingsregels.
(245)Als, na een gepaste beoordeling, rekening houdend met de resultaten van het geografisch onderzoek van de netwerkuitrol door de bevoegde instantie, blijkt dat het onwaarschijnlijk is dat consumenten, micro-ondernemingen, kleine ondernemingen of organisaties zonder winstoogmerk in bepaalde gebieden door middel van marktmechanismen of mechanismen voor overheidsinterventie zullen worden uitgerust met een verbinding die adequate internettoegangsdienst, zoals door de lidstaten gedefinieerd, en spraakcommunicatiediensten op een vaste locatie mogelijk maakt, moeten de lidstaten bij wijze van uitzondering verschillende aanbieders of groepen aanbieders van die diensten kunnen aanwijzen in de verschillende relevante delen van het nationale grondgebied. Naast het geografische onderzoek moeten de lidstaten waar nodig een beroep kunnen doen op alle aanvullende onderbouwing waarmee zij kunnen vaststellen in hoeverre adequate internettoegangs- en spraakcommunicatiediensten op een vaste locatie beschikbaar zijn. Die aanvullende onderbouwing kan onder meer gegevens omvatten waarover de nationale regelgevende instanties beschikken in het kader van de marktanalyseprocedure en de gegevens van de gebruikers. De lidstaten moeten universeledienstverplichtingen ter ondersteuning van de beschikbaarheid van een adequate internettoegangsdienst kunnen beperken tot de hoofdlocatie of verblijfplaats van de eindgebruiker.
(246)Wanneer een lidstaat, om de beschikbaarheid van adequate internettoegangs- en spraakcommunicatiediensten te garanderen wanneer een dergelijke dienst onder normale commerciële omstandigheden of aan de hand van andere beleidsinstrumenten niet kan worden gewaarborgd, besluit een of meer ondernemingen te belasten met het waarborgen van die beschikbaarheid op het gehele nationale grondgebied of delen daarvan, en daartoe financiële steun te verlenen, moet hij ervoor zorgen dat een dergelijke maatregel verenigbaar is met de interne markt, met inbegrip van de mededingingsregels.
(247)Eisen om dekking van het nationale territorium te waarborgen, die worden opgelegd in een toewijzingsprocedure, zullen waarschijnlijk bepaalde ondernemingen uitsluiten of ontmoedigen zich kandidaat te stellen als universeledienstaanbieders. Het belasten van aanbieders met universeledienstverplichtingen voor een buitensporig lange of onbepaalde periode zou ook kunnen leiden tot een uitsluiting van bepaalde aanbieders. Wanneer een lidstaat besluit om met het oog op de betaalbaarheid alle aanbieders te belasten met het aanbieden van tariefopties of -pakketten, kan hij slechts een of enkele van hen belasten met het aanbieden van het beschikbaarheidselement van de universele dienst.
(248)Naar aanleiding van de geleidelijke beperking van de reikwijdte van de universele dienst is het aanbieden van openbare betaaltelefoons, telefoongidsen en telefooninlichtingendiensten in het kader van de universeledienstregeling verder uitgefaseerd. Hierdoor zijn de bepalingen van Richtlijn (EU) 2018/1972 betreffende de status van de bestaande universele diensten die buiten het toepassingsgebied van Richtlijn (EU) 2018/1972 vallen, achterhaald.
(249)De betaalbaarheid van adequate internettoegangs- en spraakcommunicatiediensten houdt verband met de informatie die de gebruikers ontvangen over de uitgaven voor het gebruik en de relatieve kosten van het gebruik in verhouding tot die van andere diensten, en houdt ook verband met hun vermogen om de uitgaven te beheersen. Deze faciliteiten die aanbieders van de betaalbare universele dienst in aanmerking komende consumenten bieden, omvatten onder meer de mogelijkheid voor consumenten tot selectieve nummerblokkering, zoals dure gesprekken met tariefnummers, tot beheersing van de uitgaven door middel van vooruitbetaling en tot compensatie van de voorafgaande aansluitkosten.
(250)Behalve in het geval van aanhoudend te laat of niet betaalde rekeningen, moeten consumenten die recht hebben op betaalbare tarieven, in afwachting van een regeling van het geschil, worden beschermd tegen onmiddellijke afsluiting van het netwerk op grond van een onbetaalde rekening en, met name bij een geschil over hoge rekeningen voor betaalnummers, moeten zij toegang behouden tot essentiële spraakcommunicatiediensten en een minimumdienstverleningsniveau van internettoegang.
(251)Om stabiliteit te waarborgen en een geleidelijke overgang te bevorderen van sectorspecifieke regels voor de organisatie en financiering van de universele dienst naar het op DAEB’s toepasselijke rechtskader, mogen er geen gevolgen zijn voor bestaande aanwijzingen van ondernemingen voor het aanbieden van de universele dienst in de lidstaten op basis van Richtlijn (EU) 2018/1972, mits deze zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening van kracht waren. Zij moeten hun status behouden tot deze aanwijzingen vervallen, mits de diensten of vergelijkbare diensten niet beschikbaar zijn onder normale commerciële omstandigheden.
(252)Als gevolg van toekomstige sociale, economische en technologische ontwikkelingen, met inbegrip van de overstap naar glasvezel, kan de behoefte aan beschikbaarheid of betaalbaarheid van de universele dienst veranderen. Berec moet de beschikbaarheid en betaalbaarheid van adequate internettoegang en spraakcommunicatie in de lidstaten daarom monitoren en een advies publiceren met een beoordeling van de gevolgen van dergelijke ontwikkelingen voor de toepassing in de praktijk van de bepalingen van deze verordening. In het advies kan Berec rekening houden met eventuele waarborgen die de lidstaten in het kader van de uitschakeling van kopernetwerken hebben vastgesteld voor consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften. De Commissie moet, rekening houdend met het advies van Berec, met name een verslag indienen om voor te stellen om het toepassingsgebied van de regels inzake de beschikbaarheid of betaalbaarheid van de universele dienst te wijzigen of opnieuw te definiëren.
(253)Bij Verordening (EU) 2015/2120 zijn gemeenschappelijke regels vastgesteld om een gelijke en niet-discriminerende behandeling van verkeer bij het aanbieden van internettoegangsdiensten en de daarmee verband houdende rechten van eindgebruikers te waarborgen, teneinde eindgebruikers te beschermen en tegelijkertijd de ononderbroken werking van het internetecosysteem als motor van innovatie te garanderen.
(254)De huidige herziening van het Europese regelgevingskader voor elektronische netwerken en diensten in deze verordening biedt de gelegenheid om de bepalingen van Verordening (EU) 2015/2120 inzake maatregelen betreffende het open internet in deze verordening samen te voegen, zonder afbreuk te doen aan de grondbeginselen van gelijke en niet-discriminerende behandeling van verkeer bij het aanbieden van internettoegangsdiensten of aan het recht van eindgebruikers om informatie en inhoud te raadplegen en verspreiden, toepassingen en diensten te gebruiken en aan te bieden, en eindapparatuur van hun keuze te gebruiken.
(255)In het tweede verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van Verordening (EU) 2015/2120 werd bevestigd dat de beginselen inzake open-internettoegang nog steeds geschikt zijn voor het beoogde doel en een passend evenwicht bieden tussen de bescherming van eindgebruikers en het mogelijk maken van technologische vooruitgang. In het licht van de aanzienlijke ontwikkeling van netwerktechnologieën sinds 2015 moeten echter de voorwaarden worden gedefinieerd waaronder gespecialiseerde zakelijke diensten moeten worden aangeboden. Die gespecialiseerde zakelijke diensten worden een integraal onderdeel van het netwerkaanbod voor de interconnectie van datacentra bij het aanbieden van edgecomputing en AI-diensten. Het aanbieden van korte wachttijden en een gegarandeerde kwaliteit van de diensten zijn essentiële kenmerken van gespecialiseerde zakelijke diensten. Kritieke overheidsdiensten moeten ook als prioritaire diensten worden beschouwd om te waarborgen dat elektronischecommunicatienetwerken tegemoetkomen aan de toegenomen vraag naar veiligheids- en defensiebehoeften, zoals detectie, respons en mobiliteit. Hoewel Berec bevoegd is om richtsnoeren uit te vaardigen om een consistente uitvoering door de nationale regelgevende instanties te bevorderen, kunnen aanvullende richtsnoeren op Unieniveau nodig zijn om te zorgen voor een geharmoniseerde aanpak van opkomende diensten en technologieën, met inbegrip van netwerkslicing, experimentele diensten en gedifferentieerde industriële toepassingen. Door de Commissie de bevoegdheid te verlenen om uitvoeringshandelingen met betrekking tot de uitvoering van gespecialiseerde diensten vast te stellen, moet derhalve worden bijgedragen tot de rechtszekerheid en de samenhang van regelgeving in de hele Unie door te voorzien in duidelijke nalevingscriteria, met inbegrip van onder meer parameters voor de kwaliteit van de dienstverlening of minimumniveaus die moeten worden gewaarborgd voor algemene internettoegangsdiensten. Een dergelijke uitvoeringshandeling moet de Berec-richtsnoeren aanvullen, de uniforme toepassing van het kader ondersteunen en investeringen en innovatie in geavanceerde connectiviteitsdiensten en met name in het business-to-business-segment aanmoedigen, zodat het concurrentievermogen van de digitale economie van de Unie wordt versterkt en de prioritering van kritieke overheidsdiensten wordt gewaarborgd.
(256)Om de vergelijkbaarheid in heel de Unie te vergemakkelijken en de nalevingskosten te verlagen, moet Berec richtsnoeren vaststellen over de relevante parameters voor de kwaliteit van de diensten voor internettoegangsdiensten, waarmee nationale regelgevende instanties, in samenspraak met andere bevoegde instanties, zoveel mogelijk rekening moeten houden wanneer zij de verplichtingen met betrekking tot de kwaliteit van de diensten handhaven die relevant zijn voor eindgebruikersrechten. Berec moet in zijn richtsnoeren voor internettoegangsdiensten de parameters voor de kwaliteit van de diensten specificeren die moeten worden gemeten voor de informatievereisten voor contracten en voor informatie die met het oog op transparantie moet worden gepubliceerd, rekening houdend met de normen en technische specificaties van Europese en internationale normalisatie-instellingen. Deze parameters moeten ten minste parameters omvatten voor het monitoringmechanisme voor internettoegangsdiensten, relevante parameters voor eindgebruikers met een handicap, download- en uploadsnelheden overeenkomstig de vereiste informatie over snelheden voor contracten met internettoegangsdiensten en voor te publiceren informatie over wachttijden, vertraging en pakketverlies. De relevante parameters voor eindgebruikers met een handicap moeten ook parameters voor interpersoonlijke communicatiediensten omvatten.
(257)De uiteenlopende uitvoering van de voorschriften betreffende de bescherming van eindgebruikers heeft geleid tot ernstige belemmeringen voor de interne markt, die gevolgen hebben voor zowel aanbieders als eindgebruikers van elektronischecommunicatiediensten. Die belemmeringen moeten worden weggenomen door de toepassing van dezelfde regels die zorgen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van bescherming in de gehele Unie. Een gekalibreerde volledige harmonisatie van de rechten van de eindgebruiker die onder deze verordening vallen, moet aanzienlijk meer rechtszekerheid bieden voor zowel de eindgebruikers als de aanbieders van elektronischecommunicatiediensten, en moeten de toegangsdrempels en onnodige nalevingslasten als gevolg van de versnippering van de regelgeving aanzienlijk verlagen. Volledige harmonisatie helpt bij het verwijderen van belemmeringen op de werking van de interne markt als gevolg van dergelijke nationale bepalingen betreffende eindgebruikersrechten, die tegelijkertijd nationale aanbieders beschermen tegen concurrentie uit andere lidstaten. Volledige harmonisatie van rechten van eindgebruikers vergroot hun vertrouwen in de interne markt omdat zij profiteren van een even hoog niveau van bescherming bij het gebruik van elektronischecommunicatiediensten, niet alleen in hun eigen land, maar ook wanneer zij in andere lidstaten wonen, werken of reizen.
(258)Contracten vormen een belangrijk hulpmiddel voor eindgebruikers om transparantie van de informatie en rechtszekerheid te waarborgen. De meeste aanbieders van diensten in een concurrerende omgeving sluiten contracten met hun klanten om redenen van commerciële wenselijkheid. De verplichtingen inzake informatievereisten voor contracten hebben betrekking op internettoegangsdiensten en persoonlijke communicatiediensten. Diensten die geheel of hoofdzakelijk bestaan uit het overbrengen van signalen, zoals transmissiediensten die worden gebruikt voor intermachinale diensten, vallen niet onder de aanvullende informatievereisten voor contracten. De informatievereisten, die ook vereist zouden kunnen zijn op grond van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, mogen niet leiden tot duplicatie van de informatie in precontractuele en contractuele documenten. Ter zake doende informatie die in verband met deze richtlijn wordt verstrekt, inclusief eventuele prescriptievere en uitvoerigere informatievereisten, moet worden geacht aan de overeenkomstige vereisten op grond van Richtlijn 2011/83/EU te voldoen. Daarnaast zijn de voorschriften van bestaande Uniewetgeving inzake consumentenbescherming met betrekking tot contracten, met name Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en Richtlijn 2011/83/EU, van toepassing op consumententransacties met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten. Verordening (EU) 2016/679 betreffende gegevensbescherming is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens.
(259)Sommige van die bepalingen inzake de bescherming van de eindgebruiker die alleen van toepassing zijn op consumenten, namelijk die inzake informatie over het contract en de maximale looptijd van contracten en bundels, moeten niet alleen de consumenten ten goede komen, maar ook de micro-ondernemingen, evenals organisaties zonder winstoogmerk zoals gedefinieerd in het Unie- of het nationale recht. De onderhandelingspositie van die categorieën van ondernemingen en organisaties is vergelijkbaar met die van consumenten en daarom moeten zij hetzelfde niveau van bescherming genieten, tenzij zij uitdrukkelijk afzien van die rechten. Verplichtingen in deze verordening inzake informatie over contracten, met inbegrip van de in de onderhavige verordening aangehaalde verplichtingen van Richtlijn 2011/83/EU, moeten gelden ongeacht of er een betaling wordt gedaan en ongeacht het bedrag dat de klant moet betalen. De verplichtingen inzake contractinformatie, met inbegrip van die welke in Richtlijn 2011/83/EU zijn vastgesteld, moeten automatisch van toepassing zijn op micro-ondernemingen en organisaties zonder winstoogmerk, tenzij zij verkiezen met aanbieders van elektronischecommunicatiediensten te onderhandelen over geïndividualiseerde contractvoorwaarden. Anders dan micro-ondernemingen en organisaties zonder winstoogmerk, hebben grotere ondernemingen doorgaans een sterkere onderhandelingspositie en zijn zij daarom niet afhankelijk van dezelfde contractuele-informatievereisten als consumenten. De bepalingen inzake het overstappen naar een andere aanbieder en nummerportabiliteit, die ook voor grotere ondernemingen van belang zijn, moeten van toepassing blijven op alle eindgebruikers. Organisaties zonder winstoogmerk zijn juridische entiteiten die geen winst maken voor de eigenaars of leden ervan. Normaal gesproken zijn organisaties zonder winstoogmerk liefdadigheidsinstellingen of andere soorten organisaties van openbaar belang. Derhalve is het, gezien de vergelijkbare situatie, legitiem om die organisaties, wat de rechten van eindgebruikers betreft, op dezelfde wijze te behandelen als micro-ondernemingen in het kader van deze verordening. Bovendien hebben consumenten die op grond van de universele dienst recht hebben op betaalbare tarieven, recht op hetzelfde niveau van bescherming als alle andere consumenten.
(260)De specifieke kenmerken van de elektronischecommunicatiesector vereisen, naast horizontale contractregels, een beperkt aantal aanvullende bepalingen ter bescherming van de eindgebruiker. Eindgebruikers moeten onder meer worden geïnformeerd over de kwaliteit van de aangeboden dienstverleningsniveaus, de voorwaarden voor promoties en beëindiging van contracten, de toepasselijke tariefplannen en de tarieven voor diensten waarvoor bijzondere prijsstellingsvoorwaarden gelden. Die informatie is relevant voor aanbieders van internettoegangsdiensten en van voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiediensten. Een aanbieder van voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten mag niet zijn onderworpen aan de verplichtingen inzake informatievereisten voor contracten waarbij de aanbieder en daaraan gelieerde ondernemingen of personen geen vergoeding ontvangen die direct of indirect verband houdt met het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten, zoals in het geval van een universiteit die bezoekers gratis toegang geeft tot haar wifinetwerk op de campus zonder een vergoeding te ontvangen voor het aanbieden van haar elektronischecommunicatiedienst, noch door betaling vanwege de gebruikers, noch door reclame-inkomsten. Dit mag geen afbreuk doen aan de informatievereisten uit hoofde van het Unierecht inzake gegevensbescherming.
(261)Het is van essentieel belang dat de vereiste relevante informatie wordt verstrekt vóór de sluiting van het contract en in duidelijke en begrijpelijke taal en op een duurzame drager of, indien haalbaar en zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de definitie van of de vereisten inzake een duurzame drager in Richtlijn 2011/83/EU, in een door de aanbieder aan de gebruiker beschikbaar gesteld en toegezonden document, dat gemakkelijk is te downloaden, te openen en te raadplegen op apparaten die veelvuldig door consumenten door worden gebruikt. Aanbieders moeten ook een samenvatting van de belangrijkste contractvoorwaarden verstrekken. De informatie die vóór de sluiting van het contract wordt verstrekt en de samenvatting van de contractvoorwaarden maken integraal deel uit van het definitieve contract. De samenvatting van het contract moet beknopt en gemakkelijk leesbaar zijn, het liefst niet meer dan het equivalent van één vel enkelzijdig A-vier of, wanneer verschillende diensten in één contract worden gebundeld, het equivalent van maximaal drie vellen enkelzijdig A-vier. Om in te spelen op technologische, sociale en marktontwikkelingen en de nalevingskosten te verlagen, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen voor dergelijke samenvattingen van contracten die door de aanbieders moeten worden gebruikt in overeenstemming met de belangrijkste elementen van de informatievereisten van deze verordening.
(262)Zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de materiële verplichting voor de aanbieder betreffende veiligheid, moet in het contract het soort actie worden gespecificeerd dat de aanbieder kan ondernemen in geval van beveiligingsincidenten, dreigingen en kwetsbaarheden. Ook moet in het contract worden aangegeven welke vergoedingen en terugbetalingsregelingen er zijn indien een aanbieder niet adequaat reageert op een beveiligingsincident, ook wanneer een aan de aanbieder ter kennis gebracht beveiligingsincident het gevolg is van bekende zwakke plekken in soft- of hardware waarvoor een programmawijziging is gegeven door de fabrikant of ontwikkelaar, en de dienstverlener die wijziging niet heeft doorgevoerd noch andere passende tegenmaatregelen heeft genomen.
(263)De bepalingen betreffende het waarborgen van open-internettoegang moeten worden aangevuld met doeltreffende bepalingen betreffende eindgebruikers, die nader ingaan op kwesties die specifiek verband houden met internettoegangsdiensten en consumenten in staat stellen weloverwogen keuzes te maken. Aanbieders van internettoegangsdiensten moeten de consumenten duidelijk informeren over het mogelijke effect van toegepaste verkeersbeheerspraktijken op de kwaliteit van de internettoegangsdiensten, de persoonlijke levenssfeer van de consumenten en de bescherming van persoonsgegevens en over het mogelijke effect van andere diensten dan internettoegangsdiensten waarop zij zich abonneren op de kwaliteit en de beschikbaarheid van hun respectieve internettoegangsdiensten. Om consumenten in dergelijke situaties weerbaar te maken, moeten aanbieders van internettoegangsdiensten de consumenten in de overeenkomst op de hoogte stellen van de snelheid die zij realistisch gezien kunnen leveren. Onder normaal beschikbare snelheid wordt verstaan de snelheid die een eindgebruiker meestal kan verwachten wanneer hij toegang zoekt tot de dienst. Aanbieders van internettoegangsdiensten moeten de consumenten ook informeren over de rechtsmiddelen waarover zij overeenkomstig het nationale recht beschikken in geval van niet-vervulling van de prestatievereisten. Elke significante, voortdurende of regelmatig voorkomende discrepantie tussen de werkelijke prestaties van de dienst en de in de overeenkomst vermelde prestaties, die wordt vastgesteld door een door de nationale regelgevende instantie gecertificeerd monitoringmechanisme, moet als tekortkoming in de nakoming worden beschouwd met het oog op de bepaling van de rechtsmiddelen waarover de consument overeenkomstig het nationale recht beschikt. De methoden moeten worden vastgesteld in de richtsnoeren van Berec.
(264)Eindgebruikers zijn zich vaak niet bewust van de kosten van hun gebruiksgedrag of hebben het moeilijk om de tijd of het gegevensgebruik in te schatten bij het gebruik van elektronischecommunicatiediensten. Met het oog op een grotere transparantie en een betere controle van hun communicatiebudget is het belangrijk dat eindgebruikers kunnen beschikken over voorzieningen die hen in staat stellen hun gebruik op de voet te volgen. Daarnaast moeten aanbieders, om eindgebruikers voor onverwachts hoge rekeningen te behoeden, gratis meldingen aanbieden in geval van atypische of buitensporige verbruikspatronen, onder meer met betrekking tot betaalnummers en andere diensten waarvoor bijzondere prijsvoorwaarden gelden. Gespecificeerde facturen over het gebruik van internettoegang mogen alleen het tijdstip, de duur en de omvang aangeven van het gebruik tijdens een gebruikssessie, maar niet de websites of interneteindpunten waarmee tijdens die sessie verbinding is gemaakt. Op grond van Richtlijn (EU) 2018/1972 konden de lidstaten waarborgen dat de bevoegde instanties, in voorkomend geval in coördinatie met de nationale regelgevende instanties, van aanbieders van internettoegangsdiensten of voor het publiek beschikbare nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten konden verlangen dat zij alle of een deel van de extra faciliteiten als bedoeld in Richtlijn (EU) 2018/1972 beschikbaar stelden. De lidstaten konden ook verder gaan dan deze faciliteiten om een hoger niveau van consumentenbescherming te waarborgen. Deze extra faciliteiten moeten worden aangeboden aan consumenten van de universele dienst die profiteren van maatregelen inzake betaalbaarheid. Daarnaast zijn gespecificeerde facturering, indien van toepassing, en bepaalde kostenbeheersingsmaatregelen verplichte faciliteiten die kosteloos moeten worden verstrekt aan alle consumenten. De lidstaten mogen in hun nationale wetgeving geen andere, afwijkende vereisten voor extra faciliteiten opnemen. Zij moeten echter wel bepalingen kunnen handhaven met betrekking tot de faciliteiten die bij Richtlijn (EU) 2018/1972 zijn vastgesteld, met inbegrip van faciliteiten die aanbieders verplichten aanvullende informatie over het verbruiksniveau te verstrekken en tijdelijk het verdere gebruik van de betrokken dienst boven een bepaald financieel of volumeplafond te verhinderen.
(265)De beschikbaarheid van transparante, actuele en vergelijkbare informatie over aanbiedingen en diensten is een cruciaal element voor consumenten op concurrerende markten waar verscheidene dienstverleners hun diensten aanbieden. De consumenten moeten in staat zijn gemakkelijk de prijzen van de diverse op de markt aangeboden diensten te vergelijken, gebaseerd op informatie die in een gemakkelijk toegankelijke vorm bekend wordt gemaakt. Om hen in staat te stellen gemakkelijk prijzen en diensten te vergelijken, moeten aanbieders van internettoegangsdiensten of voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiediensten met het oog op meer transparantie informatie publiceren over onder meer tarieven, kwaliteit van de diensten, voorwaarden inzake de geleverde eindapparatuur en andere relevante informatie. Ondernemingen vertrouwen doorgaans op contractvoorwaarden waarover is onderhandeld en zijn niet afhankelijk van dezelfde vereisten inzake de bekendmaking van aanbiedingen als consumenten.
(266)Het kan in uitzonderlijke omstandigheden, namelijk als dit technisch niet haalbaar is, voorkomen dat aanbieders van interpersoonlijke communicatiediensten die verplicht zijn toegang te verschaffen tot noodhulpdiensten via noodcommunicatie, deze toegang tot noodhulpdiensten en/of tot de locatie van de oproeper niet kunnen verschaffen. In die gevallen moeten zij hun klanten adequaat informeren in het contract. Die aanbieders moeten hun klanten voorzien van duidelijke en transparante informatie in het initiële klantencontract en deze bijwerken in het geval van een wijziging in het verlenen van toegang tot noodhulpdiensten, bijvoorbeeld in facturen. Die informatie moet alle beperkingen omvatten wat territoriale dekking betreft, op basis van de geplande technische operationele parameters van de communicatiedienst en de beschikbare infrastructuur. Als de dienst niet wordt geleverd via een verbinding die wordt beheerd om een bepaalde kwaliteit van de diensten te geven, moet de informatie ook het betrouwbaarheidsniveau van de toegang en van de informatie over de locatie van de oproeper omvatten in vergelijking met een dienst die via een dergelijke verbinding wordt geleverd, rekening houdend met de huidige technologie en kwaliteitsnormen, alsmede de overeenkomstig deze verordening gespecificeerde parameters inzake de kwaliteit van de diensten.
(267)Nu eindgebruikers meer mogelijkheden hebben om een breed scala aan aanbiedingen te bekijken en vergelijken met behulp van geavanceerde digitale zoekinstrumenten, particuliere en openbare, is de verplichte verstrekking van vergelijkingsinstrumenten door de relevante bevoegde instanties minder relevant geworden. Vergelijkingsinstrumenten, zoals websites, zijn een effectief middel voor eindgebruikers om de merites van verschillende aanbieders van internettoegangsdiensten en openbare interpersoonlijke communicatiediensten te beoordelen, voor zover de dienst wordt verleend tegen terugkerende of verbruikgerelateerde rechtstreekse betaling, en om onpartijdige informatie te verkrijgen, met name door op één plaats prijzen, tarieven en kwaliteitsparameters te vergelijken. De bevoegde instanties zouden dergelijke instrumenten op verzoek van de aanbieder van het instrument kunnen certificeren om te garanderen dat deze operationeel onafhankelijk zijn van dienstverleners en dat geen enkele dienstverlener in de zoekresultaten een gunstige behandeling krijgt.
(268)Om ten volle te kunnen profiteren van de mededinging, moeten de consumenten geïnformeerde keuzes kunnen maken en van aanbieder kunnen veranderen wanneer dat in hun belang is. Het is essentieel dat zij dit kunnen doen zonder gehinderd te worden door juridische, technische of praktische belemmeringen, met inbegrip van contractuele voorwaarden, procedures en heffingen. Dit sluit niet uit dat aanbieders in contracten met consumenten een redelijke minimumcontractperiode van maximaal 24 maanden opnemen. De lidstaten moeten echter de mogelijkheid hebben om in het licht van nationale omstandigheden, zoals concurrentieniveaus en de stabiliteit van netwerkinvesteringen, bepalingen inzake een kortere maximumperiode te handhaven, en consumenten toe te staan om naar een ander tariefplan over te stappen of binnen de looptijd van het contract dat contract zonder extra kosten te beëindigen. Onafhankelijk van het contract voor een elektronischecommunicatiedienst kunnen consumenten een langere terugbetalingstermijn voor fysieke verbindingen verkiezen en daar baat bij hebben. Dergelijke consumentenafspraken kunnen een belangrijke rol spelen bij het bevorderen van de uitrol van gigabitnetwerken tot aan of tot zeer dicht bij de panden van de eindgebruiker, onder meer door regelingen betreffende bundeling van de vraag, waardoor investeerders in netwerken initiële risico’s kunnen verminderen. De rechten van de consument om te kunnen overstappen naar een andere aanbieder van elektronischecommunicatiediensten mogen echter niet worden beperkt door dergelijke terugbetalingstermijnen in contracten betreffende fysieke verbindingen, en dergelijke contracten mogen geen eindapparatuur of internettoegangsapparatuur, zoals handsets, routers of modems, omvatten. De gelijke behandeling van entiteiten, met inbegrip van exploitanten, die de aanleg van een fysieke gigabitaansluiting in de gebouwen van een eindgebruiker financieren, moet worden gewaarborgd, ook in gevallen waarin de financiering plaatsvindt in de vorm van een contract op afbetaling. De verplichtingen inzake de looptijd van contracten moeten van toepassing zijn op micro-ondernemingen en organisaties zonder winstoogmerk, tenzij zij verkiezen met aanbieders van elektronischecommunicatiediensten te onderhandelen over geïndividualiseerde contractvoorwaarden. Anders dan micro-ondernemingen hebben grotere ondernemingen doorgaans een sterkere onderhandelingspositie en zijn zij daarom niet afhankelijk van dezelfde vereisten inzake de looptijd van contracten als consumenten. De verplichtingen inzake contractbeëindiging moeten van toepassing zijn op micro-ondernemingen, kleine ondernemingen, middelgrote ondernemingen en organisaties zonder winstoogmerk, tenzij zij verkiezen met aanbieders van elektronischecommunicatiediensten te onderhandelen over geïndividualiseerde contractvoorwaarden.
(269)Het is mogelijk om contracten met betrekking tot elektronischecommunicatiediensten automatisch te verlengen. In dat geval moeten de consumenten bij het verstrijken van de initiële contractperiode hun contract kosteloos kunnen beëindigen.
(270)Alle wijzigingen van de contractvoorwaarden die worden voorgesteld door de aanbieders van andere voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten dan nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten en die niet ten voordele zijn van de consument, bijvoorbeeld met betrekking tot kosten, tarieven, datavolumebeperkingen, datasnelheden, dekking of de verwerking van persoonsgegevens op andere wettelijke gronden uit hoofde van het Unierecht inzake gegevensbescherming dan toestemming, moeten aanleiding geven tot het recht van de consument om het contract kosteloos te beëindigen, zelfs indien naast de betrokken wijzigingen ook wijzigingen ten voordele van de consument worden aangebracht. Elke wijziging van de contractvoorwaarden door de aanbieder moet voor de consument een grond zijn om het contract te beëindigen, tenzij elke wijziging afzonderlijk ten voordele is van die consument of de wijzigingen louter van administratieve aard zijn, zoals een wijziging in het adres van de aanbieder, en zij voor de consument geen nadeel inhouden, of de wijzigingen worden opgelegd bij wet- of regelgeving, zoals nieuwe voorlichtingsvoorschriften met betrekking tot contracten die door het Unierecht of het nationale recht worden opgelegd. De vraag of de wijziging uitsluitend in het voordeel van de consument is, moet worden beoordeeld aan de hand van objectieve criteria. Het recht van de consument om het contract te beëindigen mag alleen worden uitgesloten indien de aanbieder kan aantonen dat elke contractuele wijziging uitsluitend in het voordeel van de consument is of louter van administratieve aard is, en geen negatieve gevolgen heeft voor de consument.
(271)Wanneer een rechtmatige prijsindexeringsclausule, die is gespecificeerd overeenkomstig de informatievereisten voor contracten die een beschrijving vereisen van de methode aan de hand waarvan de prijs rechtmatig mag worden aangepast, een integraal onderdeel van het contract vormt, zou de uitvoering ervan geen wijziging van de contractvoorwaarden, maar de toepassing van een bestaande contractbepaling inhouden, mits de clausule in overeenstemming is met het Unierecht en het nationale recht.
(272)Consumenten moeten door middel van een duurzaam medium op de hoogte worden gebracht van elke wijziging van de contractuele voorwaarden. De bepalingen betreffende de beëindiging van het contract moeten gelden onverminderd andere bepalingen van het Unierecht of het nationale recht waarop aanbieders of consumenten zich met betrekking tot gronden voor contractbeëindiging of wijziging van contractvoorwaarden kunnen beroepen.
(273)Met betrekking tot de eindapparatuur moeten in het klantencontract alle voorwaarden worden gespecificeerd die de aanbieder verbindt aan het gebruik van de apparatuur, bijvoorbeeld via “simlocken” van mobiele apparaten, indien dergelijke voorwaarden niet door het nationale recht verboden zijn, alsmede alle kosten die bij het aflopen van het contract vóór of op de afgesproken einddatum verschuldigd zijn, inclusief de kosten die worden opgelegd om de apparatuur te mogen behouden. Wanneer de consument de eindapparatuur wenst te behouden die bij de sluiting van het contract aan dat contract werd verbonden, mag de verschuldigde vergoeding niet meer bedragen dan de waarde pro rata temporis berekend op basis van de waarde op het ogenblik dat het contract werd gesloten of het resterende gedeelte van de servicevergoeding tot het aflopen van het contract, naargelang welk bedrag het laagst is. Eventuele beperkingen van het gebruik van eindapparatuur op andere netwerken moeten kosteloos door de aanbieder worden opgeheven, ten laatste bij de betaling van een dergelijke vergoeding.
(274)Bundels bestaande uit ten minste een internettoegangsdienst of een voor het publiek beschikbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiedienst, alsook andere diensten zoals voor het publiek beschikbare nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten, lineaire omroep en intermachinale diensten, of eindapparatuur, komen steeds vaker voor en vormen een belangrijk onderdeel van de mededinging. Voor de toepassing van deze verordening moet een bundel worden geacht te bestaan in situaties waarin de onderdelen van de bundel worden verstrekt of verkocht door dezelfde aanbieder onder hetzelfde of een verwant of daaraan verbonden contract. Hoewel bundels vaak leiden tot voordelen voor de consumenten, kunnen zij het overstappen bemoeilijken of duurder maken en het risico meebrengen van een contractuele “lock-in”. Indien verschillende diensten en eindapparatuur binnen in een bundel onderworpen zijn aan uiteenlopende regels voor de beëindiging van het contract en het overstappen of voor contractuele verbintenissen inzake de aankoop van eindapparatuur, worden de consumenten effectief belemmerd in hun rechten uit hoofde van deze verordening om over te schakelen naar concurrerende aanbiedingen voor de hele bundel of delen daarvan. Sommige essentiële bepalingen van deze verordening inzake contractsamenvattende informatie, transparantie, contractduur, beëindiging van contracten en overstappen moeten daarom van toepassing zijn op alle onderdelen van een bundel, met inbegrip van eindapparatuur, andere diensten zoals digitale inhoud of digitale diensten, en elektronischecommunicatiediensten die niet rechtstreeks onder de werkingssfeer van deze bepalingen vallen. Alle eindgebruikersverplichtingen die van toepassing zijn op een bepaalde elektronischecommunicatiedienst die als een op zichzelf staande dienst wordt verstrekt of verkocht, moeten eveneens van toepassing zijn wanneer die dienst deel uitmaakt van een bundel met ten minste een internettoegangsdienst of een voor het publiek beschikbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiedienst. Andere contractuele aangelegenheden, zoals de rechtsmiddelen die van toepassing zijn in geval van gebrek aan overeenstemming met het contract, moeten worden beheerst door de regels die van toepassing zijn op het desbetreffende onderdeel van de bundel, bijvoorbeeld door contractrechtelijke bepalingen voor de verkoop van goederen of de levering van digitale inhoud. Een recht om enig onderdeel van een bundel die ten minste een internettoegangsdienst of een voor het publiek beschikbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiedienst omvat, vóór het einde van de overeengekomen contracttermijn te beëindigen vanwege non-conformiteit of leveringsverzuim, moet de consument echter het recht geven om alle onderdelen van de bundel te beëindigen. Tevens mogen consumenten, voor het behoud van hun mogelijkheid om gemakkelijk van aanbieder te veranderen, niet bij een aanbieder ingesloten worden (“lock-in”) door middel van een contractuele feitelijke verlenging van de initiële contractperiode.
(275)De mogelijkheid om over te stappen naar een andere aanbieder is van cruciaal belang voor daadwerkelijke mededinging in een concurrerende omgeving. De beschikbaarheid van transparante, accurate en tijdige informatie over de overstap moet het vertrouwen van de eindgebruiker in de overstap verhogen en zijn bereidheid verhogen om actief deel te nemen aan de concurrentie. Aanbieders van diensten moeten de continuïteit van de dienst waarborgen, zodat eindgebruikers naar een andere aanbieder kunnen overstappen zonder gehinderd te worden door het risico van een onderbreking van de dienst en, waar technisch mogelijk, op de door de eindgebruikers gevraagde datum. In uitzonderlijke omstandigheden kan een overstap om objectieve technische redenen onmogelijk zijn, bijvoorbeeld in situaties waarin de veilige werking of de integriteit van eindapparatuur hierdoor in gevaar zou komen. Dit zou het geval kunnen zijn voor simkaarten of eSIM’s die in eindapparatuur zijn geïntegreerd en zowel voor de transmissie van intermachinale diensten als voor internettoegang worden gebruikt. Een voorbeeld hiervan is een auto waarin dezelfde eSIM wordt gebruikt voor het bijwerken van de software van de auto als voor internettoegang voor het infotainmentsysteem.
(276)Nummerportabiliteit is een essentieel element voor de keuzevrijheid van de consument en voor daadwerkelijke mededinging in concurrerende elektronischecommunicatiemarkten. Eindgebruikers die daarom verzoeken, moeten hun nummers kunnen behouden ongeacht de dienstaanbieder en gedurende een beperkte periode tijdens het overstappen naar een andere dienstaanbieder. De bepalingen inzake het overstappen naar een andere aanbieder en nummerportabiliteit zijn niet van toepassing op het aanbieden van nummerportabiliteit tussen aansluitingen op het openbare telefoonnetwerk op vaste en mobiele locaties.
(277)Het effect van nummerportabiliteit wordt aanzienlijk versterkt wanneer er transparante tariefinformatie beschikbaar is voor zowel eindgebruikers die hun nummer overdragen als voor de eindgebruikers die personen bellen die hun nummer hebben overgedragen. De nationale regelgevende instanties moeten waar mogelijk passende tarieftransparantie bevorderen als onderdeel van de uitvoering van nummerportabiliteit.
(278)De prijsstelling voor interconnectie in verband met nummerportabiliteit moet kostengeoriënteerd zijn; de nationale regelgevende instanties moeten daarbij ook rekening kunnen houden met de prijzen op vergelijkbare markten.
(279)Nummerportabiliteit moet onverwijld worden uitgevoerd zodat het nummer binnen één werkdag geactiveerd en operationeel is en de dienst voor de eindgebruiker vanaf de overeengekomen datum niet langer dan een werkdag onderbroken is. Het recht om het nummer over te dragen, moet worden verleend aan de eindgebruiker die het betrokken (al dan niet vooraf betaald) contract met de aanbieder heeft gesloten. Ter vergemakkelijking van een éénloketsysteem waarmee de ervaring van een naadloze overstap voor eindgebruikers mogelijk wordt, moet het overstapproces worden geleid door de ontvangende aanbieder van elektronische communicatie aan het publiek. Om bij te dragen tot een consistente toepassing in de lidstaten van de regels inzake het overstappen naar een andere aanbieder en nummerportabiliteit, moet Berec richtsnoeren uitvaardigen inzake het algemene proces voor overstappen naar een andere aanbieder en het overdragen van nummers, met inachtneming van de technologische ontwikkelingen. Dit moet, waar beschikbaar, een vereiste inhouden op grond waarvan de procedure voor nummeroverdracht moet verlopen via etherdistributie, tenzij anders gevraagd door een eindgebruiker, alsook nadere gegevens over het compensatieproces in geval van vertragingen bij of misbruik met betrekking tot de overstap- en overdrachtsprocessen, en gemiste afspraken met betrekking tot dienstverlening of installatie, of niet-naleving door de aanbieder van de verplichtingen in verband met het overstappen naar een andere aanbieder en nummerportabiliteit.
(280)De lidstaten moeten regels vaststellen ten aanzien van sancties voor het geval een aanbieder niet aan de verplichtingen inzake overstappen naar een andere aanbieder en nummeroverdraagbaarheid uit hoofde van deze verordening voldoet, onder meer in geval van vertragingen bij of misbruik met betrekking tot de overdracht door of namens een aanbieder. De ervaring in sommige lidstaten heeft geleerd dat het risico bestaat dat eindgebruikers te maken krijgen met een verandering van aanbieder zonder hun instemming. Dit is een kwestie die voornamelijk door de rechtshandhavingsinstanties moet worden aangepakt, maar de lidstaten moeten adequate sancties kunnen opleggen, die nodig zijn om het genoemde risico zo veel mogelijk te beperken, en ervoor kunnen zorgen dat eindgebruikers gedurende de gehele overstapprocedure worden beschermd zonder de procedure voor hen minder aantrekkelijk te maken. Het recht om nummers over te dragen, mag niet door contractvoorwaarden worden beperkt.
(281)Teneinde te garanderen dat het overstappen en het overdragen van nummers plaatsvinden binnen de in deze verordening vastgestelde termijnen, moeten de lidstaten erin voorzien dat eindgebruikers vlot en tijdig door aanbieders worden gecompenseerd wanneer een overeenkomst tussen een aanbieder en een eindgebruiker niet wordt nageleefd. Dergelijke maatregelen moeten evenredig zijn met de duur van de periode waarin de aanbieder de overeenkomst niet naleeft. Die maatregelen kunnen compensatie omvatten indien de activering van de dienstverlening, de nummeroverdracht of het uitvallen van een dienst langer dan een werkdag duurt, en wanneer aanbieders niet komen opdagen op afspraken met betrekking tot dienstverlening of installatie. Een aanvullende compensatie kan ook plaatsvinden in de vorm van een automatische vermindering van de vergoeding voor wanneer de overdragende aanbieder de diensten moet blijven verstrekken totdat die van de ontvangende aanbieder zijn geactiveerd.
(282)In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel mag een aantal bepalingen inzake eindgebruikersrechten van deze verordening niet gelden voor micro-ondernemingen die enkel nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten aanbieden. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie moet de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen, die micro-ondernemingen omvat, in enge zin worden geïnterpreteerd. Opdat uitsluitend ondernemingen die echte onafhankelijke micro-ondernemingen zijn, in aanmerking komen, moet worden gekeken naar de structuur van micro-ondernemingen die een economische groep vormen waarvan de macht groter is dan de macht van een micro-onderneming, en moet ervoor worden gezorgd dat de definitie van micro-onderneming niet met zuiver formele middelen wordt omzeild.
(283)De voltooiing van de interne markt voor elektronische communicatie vereist het wegnemen van belemmeringen voor eindgebruikers met betrekking tot de grensoverschrijdende toegang tot elektronischecommunicatiediensten binnen de Unie. Aanbieders van elektronische communicatie aan het publiek mogen eindgebruikers de toegang niet ontzeggen, deze toegang niet beperken en eindgebruikers niet discrimineren. Differentiatie moet echter mogelijk zijn op basis en binnen de grenzen van het Unierecht, bijvoorbeeld de maatregelen van Verordening (EU) nr. 2022/612 voor het voorkomen van misbruik of afwijkend gebruik van gereguleerde retailroamingdiensten.
(284)Eindgebruikers worden steeds kwetsbaarder voor frauduleuze activiteiten die via interpersoonlijke communicatiediensten worden uitgevoerd. Verschillende lidstaten hebben nationale maatregelen ingevoerd om nieuwe fraudeconstructies, zoals CLI-spoofing, phishing, smishing en vishing, tegen te gaan. Deze maatregelen blijven echter ongecoördineerd en vormen in de eerste plaats een afspiegeling van nationale perspectieven, hetgeen tot gevolg heeft dat fraudeurs hun activiteiten kunnen verplaatsen naar rechtsgebieden waar dergelijke praktijken niet doeltreffend worden aangepakt. Het ODN moet het mogelijk maken relevante informatie en beste praktijken te verzamelen om Berec in staat te stellen technische en juridische richtsnoeren uit te vaardigen inzake maatregelen waarmee eindgebruikers in de Unie doeltreffend kunnen worden beschermd tegen frauduleuze activiteiten. De Berec-richtsnoeren moeten de lidstaten in staat stellen gecoördineerde maatregelen vast te stellen die door interpersoonlijke communicatiediensten moeten worden uitgevoerd, met volledige inachtneming van de Uniewetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens. De Commissie moet de bevoegdheid krijgen om gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van de doeltreffendheid van de maatregelen die interpersoonlijke communicatiediensten nemen om eindgebruikers tegen frauduleuze activiteiten te beschermen.
(285)Gezien de specifieke aspecten betreffende het melden van vermiste kinderen moeten de lidstaten zich blijven inzetten om ervoor te zorgen dat een goed werkend meldpunt voor vermiste kinderen daadwerkelijk op hun grondgebied beschikbaar is op het nummer 116000. De lidstaten moeten passende maatregelen nemen om te zorgen voor een toereikend kwaliteitsniveau bij het beheer van het nummer 116000.
(286)Naast het nummer 116000 van het meldpunt voor vermiste kinderen zorgen veel lidstaten er tevens voor dat kinderen op het nummer 116111 toegang hebben tot een kindvriendelijke telefonische hulplijn voor kinderen die behoefte hebben aan zorg en bescherming. Die lidstaten en de Commissie moeten ervoor zorgen dat burgers, en in het bijzonder kinderen en de nationale systemen voor kinderbescherming, zich ervan bewust worden dat de 116111-hulplijn bestaat.
(287)Om kwesties van algemeen belang met betrekking tot het gebruik van internettoegangsdiensten en voor het publiek beschikbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten aan te pakken en de bescherming van de rechten en vrijheden van derden te bevorderen, moeten de lidstaten met de hulp van aanbieders van dergelijke diensten informatie van algemeen belang over het gebruik van dergelijke diensten kunnen produceren en verspreiden of laten verspreiden. Dit moet informatie van algemeen belang kunnen omvatten over de meest voorkomende inbreuken en de rechtsgevolgen daarvan, bijvoorbeeld over schending van het auteursrecht, ander onwettig gebruik en de verspreiding van schadelijke inhoud, en ook advies over en manieren om zich te beschermen tegen gevaren voor de persoonlijke veiligheid, bijvoorbeeld gevaren als gevolg van de vrijgave van persoonlijke informatie in bepaalde omstandigheden, en tegen gevaren voor de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, evenals het beschikbaar zijn van gemakkelijk te gebruiken en configureerbare software of softwareopties ter bescherming van kinderen of kwetsbare personen. Bovendien moeten eindgebruikers worden gewezen op de risico’s voor de persoonlijke veiligheid, de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens die zijn gemoeid met het gebruik van internettoegangsdiensten en voor het publiek beschikbare persoonlijke communicatiediensten, met inbegrip van de frauduleuze activiteiten die via deze diensten worden gepleegd, en moeten zij worden geïnformeerd over de manieren waarop zij zich tegen deze risico’s kunnen beschermen. De informatieverstrekking kan worden gecoördineerd volgens een samenwerkingsprocedure. Dergelijke informatie van algemeen belang moet zo nodig worden geactualiseerd en in door de lidstaten te bepalen, eenvoudig te begrijpen formaten worden gepresenteerd, alsmede op de websites van de nationale overheden worden aangeboden. De lidstaten moeten aanbieders van internettoegangsdiensten en voor het publiek beschikbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten kunnen verplichten die gestandaardiseerde informatie te verspreiden naar al hun klanten op een manier die de nationale overheden geschikt achten. De verspreiding van dergelijke informatie van algemeen belang mag de aanbieders echter niet buitensporig belasten. Als dat toch het geval is, moeten de lidstaten verlangen dat die informatie wordt verspreid via de kanalen die de aanbieders voor de normale zakelijke communicatie met eindgebruikers gebruiken.
(288)Bij ontstentenis van relevante rechtsregels van de Unie worden inhoud, toepassingen en diensten als legaal of als schadelijk beschouwd overeenkomstig het nationaal materieel en procesrecht. Aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten moeten handelen in overeenstemming met de vereisten uit hoofde van Verordening (EU) 2022/2065, ongeacht of inhoud, toepassingen of diensten al dan niet rechtmatig of schadelijk zijn. Deze verordening en Richtlijn 2002/58/EG gelden onverminderd Verordening (EU) 2022/2065, die onder andere een “mere conduit”-regel (doorgeefluikregel) bevat voor dienstverleners die als tussenpersoon optreden, zoals aldaar gedefinieerd.
(289)Eindgebruikers moeten kosteloos en zonder enig betaalmiddel te hoeven gebruiken, toegang hebben tot de noodhulpdiensten via noodhulpcommunicatie, vanaf elk apparaat dat nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten mogelijk maakt, onder meer wanneer zij binnen de Unie reizen. Noodhulpcommunicatie is een communicatiemiddel dat spraakcommunicatiediensten, berichten, video of andere vormen van communicatie omvat, bijvoorbeeld realtimetekst, diensten voor totale conversatie en bemiddelingsdiensten. De lidstaten moeten, rekening houdend met de vermogens en technische uitrusting van de alarmcentrales, kunnen bepalen welke nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten geschikt zijn voor noodhulpdiensten, en zij moeten daarbij ook de mogelijkheid hebben om die opties te beperken tot spraakcommunicatiediensten en het equivalent ervan voor eindgebruikers met een handicap, of om extra opties toe te voegen in overleg met de nationale alarmcentrales. Noodhulpcommunicatie kan namens een persoon vanuit een voertuig tot stand komen door een eCall zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2015/758. De op grond van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad uitgegeven Europese portemonnees voor digitale identiteit geven eindgebruikers toegang tot een digitale hub voor essentiële diensten. Daarom moeten de lidstaten ervoor zorgen dat eindgebruikers ook noodcommunicatie kunnen initiëren via hun digitale portemonnee.
(290)De noodcommunicatie en de informatie over de locatie van de beller moeten onverwijld naar de meest geschikte alarmcentrale worden doorgestuurd, zodat de noodcommunicatie op passende wijze kan worden beantwoord en behandeld. Er moet ook worden gezorgd voor een doeltreffende doorschakeling van noodcommunicatie in het kader van de technologische migratie van circuit- naar pakketgeschakelde technologieën. De meest geschikte alarmcentrale wordt gewoonlijk door de lidstaat bepaald op basis van een territoriale bevoegdheid om noodcommunicatie af te handelen of de bevoegdheid om een bepaald type communicatie af te handelen, bijvoorbeeld een alarmcentrale die is uitgerust om realtimetekst of communicatie in gebarentaal te verwerken. Interpersoonlijke communicatiediensten die worden aangeboden via pakketgeschakelde technologieën die spraak, tekst (met inbegrip van realtimetekst) en video aanbieden, kunnen in het publieke netwerkdomein of het domein van de alarmcentrale worden doorgeschakeld. Afhankelijk van de nationale organisatie van alarmcentrales kan, wanneer de noodcommunicatie via de openbare netwerken het alarmsysteem bereikt, verdere doorschakeling binnen het IP-netwerk van de alarmcentrale nodig zijn om de meest geschikte centrale te bereiken. Om te waarborgen dat alle eindgebruikers toegang hebben tot doeltreffende noodcommunicatie, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat alle soorten noodcommunicatie en de informatie over de locatie van de beller die op hun grondgebied voorgeschreven zijn, tijdig naar de meest geschikte alarmcentrale worden doorgestuurd. De lidstaten moeten toegang tot noodhulpdiensten via noodcommunicatie vanuit nummeronafhankelijke persoonlijke communicatiediensten kunnen opleggen zolang het nationale systeem van alarmcentrales deze communicatie kan ontvangen en kan doorschakelen naar de meest geschikte alarmcentrale, en informatie over de locatie van de oproeper kan ontvangen. Dit kan inhouden dat een lidstaat één enkele IP-gateway aanwijst voor de ontvangst van noodcommunicatie. Niettemin moeten dergelijke aanbieders de eindgebruikers ervan op de hoogte brengen dat de toegang tot het uniforme Europese alarmnummer 112 of informatie over de locatie van de oproeper niet wordt ondersteund.
(291)De lidstaten moeten nagaan of de alarmcentrale noodhulpcommunicatie in meer dan één taal aankunnen.
(292)De lidstaten moeten specifieke maatregelen treffen om te waarborgen dat de noodhulpdiensten, inclusief het uniforme Europese alarmnummer 112, gelijkelijk toegankelijk zijn voor eindgebruikers met een handicap, met name eindgebruikers die doof of slechthorend zijn, spraakmoeilijkheden hebben of doofblind zijn, in overeenstemming met Richtlijn (EU) 2019/882. Het gelijkwaardigheidsbeginsel houdt in dat eindgebruikers met een handicap via noodcommunicatie toegang tot noodhulpdiensten moeten hebben op een functioneel gelijkwaardige manier als andere eindgebruikers, die doorgaans via spraakdiensten bellen naar “112”.
(293)Informatie over de locatie van de oproeper, die van toepassing is op alle noodhulpcommunicatie, verbetert het beschermingsniveau en de veiligheid van de eindgebruikers en helpt de noodhulpdiensten hun taken uit te voeren, op voorwaarde dat de doorschakeling van noodhulpcommunicatie en bijbehorende gegevens naar de betrokken noodhulpdiensten wordt gewaarborgd door het nationale systeem van alarmcentrales. De ontvangst en het gebruik van informatie over de locatie van de oproeper, die zowel netwerkgebaseerde locatiegegevens (wanneer het netwerk dat de connectiviteit waarborgt die informatie aan de dienstverlener of de alarmcentrale verstrekt) als verbeterde handsetgebaseerde locatiegegevens van de oproeper (wanneer de radioapparatuur deze beschikbaar stelt voor doorgifte) omvat, moeten in overeenstemming zijn met alle andere vereisten uit hoofde van het Unierecht op het gebied van de verwerking van persoonsgegevens. Ondernemingen die netwerkgebaseerde locatiegegevens verstrekken, moeten informatie over de oproeper beschikbaar stellen aan de noodhulpdiensten zodra de oproep die dienst bereikt, ongeacht de gebruikte technologie. Handsetgebaseerde locatietechnologieën zijn echter accurater en kosteneffectiever gebleken vanwege de beschikbaarheid van gegevens die worden verstrekt door de European Geostationary Navigation Overlay Service en het Galileo-satellietsysteem, en door andere wereldwijde satellietnavigatiesystemen en wifi-gegevens. Daarom moet uit de handset afgeleide informatie over de locatie van de oproeper netwerkgebaseerde informatie over de locatie aanvullen, ook al is het mogelijk dat de handsetgebaseerde informatie pas beschikbaar wordt nadat de noodhulpcommunicatie tot stand komt. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de uit de handset afgeleide informatie over de locatie van de oproeper, indien beschikbaar, aan de meest geschikte alarmcentrale wordt verstrekt. Dit is wellicht niet altijd mogelijk, bijvoorbeeld wanneer de locatie niet op de handset of via de gebruikte interpersoonlijke communicatiedienst voorhanden is, of wanneer het technisch niet haalbaar is die informatie te verkrijgen. De lidstaten moeten er voorts voor zorgen dat de alarmcentrales de beschikbare informatie over de locatie van de oproeper kunnen opvragen en beheren, waar dat mogelijk is. De vaststelling en de doorgifte van informatie over de locatie van de oproeper moeten kosteloos zijn, zowel voor de eindgebruiker als voor de instantie die de noodhulpcommunicatie behandelt, ongeacht de wijze van vaststelling, bijvoorbeeld via de handset of het netwerk, of de wijze van doorgifte, bijvoorbeeld via spraak, sms of op IP-basis.
(294)Het is belangrijk het bewustzijn betreffende het bestaan van het uniforme Europese alarmnummer 112 te vergroten teneinde het niveau van bescherming en veiligheid van burgers die in de Unie reizen, te versterken. Te dien einde moet aan de burger duidelijk worden gemaakt dat bij reizen in alle lidstaten gebruik kan worden gemaakt van het uniforme Europese alarmnummer 112 als uniform alarmnummer in de gehele Unie; dit moet met name gebeuren via informatie die wordt verstrekt in internationale busterminals, treinstations, havens of luchthavens en in telefoongidsen, documenten van eindgebruikers en afrekeningen. Dit is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de lidstaten, maar de Commissie moet voortgaan zowel met de ondersteuning als met de aanvulling van de initiatieven van de lidstaten om de bekendheid van het uniforme Europese alarmnummer 112 te bevorderen en de kennis ervan bij de bevolking en de ontwikkeling van het gebruik ervan periodiek te evalueren.
(295)Om in te spelen op de technologische ontwikkelingen met betrekking tot de toegang tot noodhulpdiensten via de digitale portemonnee, nauwkeurige informatie over de locatie van de oproeper, gelijkwaardige toegang voor eindgebruikers met een handicap en doorschakeling van oproepen naar de meest geschikte alarmcentrale, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om door middel van een gedelegeerde handeling maatregelen vast te stellen die nodig zijn om doeltreffende noodcommunicatie in de Unie te waarborgen. Dergelijke maatregelen mogen geen afbreuk doen aan de organisatie van de noodhulpdiensten in de lidstaten.
(296)Een burger in één lidstaat die contact moet opnemen met de noodhulpdiensten in een andere lidstaat, kan dat nu niet doen omdat de alarmcentrale in het thuisland mogelijk niet beschikt over de contactgegevens van het systeem van alarmcentrales in een andere lidstaat. Daarom moet in elke lidstaat een beveiligde databank worden bijgehouden met alle telefoonnummers van de systemen van alarmcentrales overal in de Unie. Daartoe moet het ODN een beveiligde databank bijhouden met E.164-nummers die kunnen worden gebruikt om contact op te nemen met de alarmcentrales van de lidstaten, teneinde te waarborgen dat de alarmcentrales in de lidstaten contact met elkaar kunnen opnemen.
(297)Aanbieders van mobiele nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten spelen een belangrijke rol in de nationale paraatheidsstrategieën, en daarom moeten zij publieke waarschuwingen doorgeven aan alle betrokken eindgebruikers. Als betrokken eindgebruikers moeten worden beschouwd: die eindgebruikers die zich bevinden in de geografische gebieden die tijdens de waarschuwingsperiode mogelijk worden getroffen door dreigende of zich ontwikkelende ernstige noodsituaties en rampen, zoals vastgesteld door de bevoegde instanties.
(298)Wanneer het zeker is dat alle betrokken eindgebruikers, ongeacht hun plaats of lidstaat van verblijf, daadwerkelijk worden bereikt en aan het hoogste niveau van gegevensbeveiliging is voldaan, moeten de lidstaten kunnen voorzien in de doorzending van publieke waarschuwingen via de Europese portemonnees voor digitale identiteit die zijn uitgegeven krachtens Verordening (EU) nr. 910/2014 en tegelijkertijd kunnen waarborgen dat de burgers van de Unie adequaat worden beschermd wanneer zij in een andere lidstaat reizen.
(299)“Identificatie van het initiërende nummer” heeft betrekking op informatie voor de identificatie van de initiator of het eindpunt van de communicatie van een elektronischecommunicatiedienst zoals Voice over Internet Protocol (“VoIP”) in pakketgeschakelde netwerken die naar de terminal van de ontvangende partij of eindgebruiker kan worden verzonden wanneer de communicatie tot stand wordt gebracht. In circuitgeschakelde netwerken wordt met de term “identificatie van het oproepende nummer” verwezen naar de weergave van het nummer van de oproeper aan de opgeroepene voordat de oproep tot stand wordt gebracht.
(300)Voor de identificatie van het initiërende nummer kunnen andere identificatiecodes dan E.164-nummers of nationale nummerplannen worden gebruikt als signaleringsprotocollen om de identiteit van de initiator of het eindpunt door te geven aan de eindapparatuur van de opgeroepen of ontvangende partij wanneer de oproep of de communicatie tot stand wordt gebracht. De aanbieders van interconnectie, met inbegrip van aanbieders van transitdiensten, moeten de overdracht van de authentieke informatie voor de identificatie van het initiërende nummer of de identificatie van het oproepende nummer waarborgen in de nationale en internationale interconnectieovereenkomsten overeenkomstig de nationale of internationale regelgeving of de regels van de betrokken landen.
(301)Er moet bescherming worden geboden voor het recht van de oproeper om de weergave van de identificatie van het oproepende nummer/van het initiërende nummer te blokkeren en het recht van de opgeroepene om niet-geïdentificeerde oproepen te weigeren. Bepaalde eindgebruikers, zoals hulplijnen en soortgelijke instanties, hebben er belang bij de anonimiteit van de oproepers te waarborgen.
(302)Een alarmcentrale die bij het reageren op noodcommunicatie een generiek nummer weergeeft, mag niet als een niet-geïdentificeerd nummer worden beschouwd.
(303)Wat de identificatie van het opgeroepen nummer betreft, moet het recht en het rechtmatige belang van de opgeroepene worden beschermd om de weergave van de identificatie van het nummer waarmee de oproeper in werkelijkheid verbonden is, te blokkeren.
(304)Het gebruik van een specifieke code of prefix mag de natuurlijke of rechtspersonen die een uitgaande oproep voor direct marketing doen, niet ontslaan van de verplichting hun nummer of het initiërende nummer te tonen.
(305)Het is gerechtvaardigd om in specifieke gevallen de uitschakeling van de identificatie van het oproepende nummer of van het initiërende nummer op te heffen. De rechten van eindgebruikers op privacy en bescherming van persoonsgegevens met betrekking tot de identificatie van het oproepende nummer/van het initiërende nummer moeten worden beperkt wanneer dit noodzakelijk is om kwaadwillige en hinderlijke oproepen te traceren naar aanleiding van een klacht over dergelijk gebruik dat is ingediend bij de bevoegde instanties of bij het initiëren van noodcommunicatie, en met betrekking tot de identificatie van het oproepende nummer of van de oorsprong, en locatiegegevens wanneer dit noodzakelijk is om noodhulpdiensten en alarmcentrales in staat te stellen doeltreffend te reageren en gevolg te geven aan noodcommunicatie.
(306)Er bestaat technologie die aanbieders van elektronischecommunicatiediensten in staat stelt de ontvangst van kwaadwillige, hinderlijke of andere frauduleuze oproepen door eindgebruikers op diverse manieren te beperken, onder meer door stille oproepen te blokkeren, en de bevoegde instanties te helpen dergelijke oproepen te traceren. Het kan hierbij gaan om oproepen die afkomstig zijn van ongeldige nummers, d.w.z. nummers die niet in het nummerplan voorkomen, of om geldige nummers die niet aan een aanbieder van een nummergebaseerde persoonlijke communicatiedienst zijn toegewezen of niet aan een eindgebruiker zijn toegewezen. Aanbieders van voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiediensten moeten eindgebruikers beschermen door hen de mogelijkheid te bieden kosteloos te verzoeken om blokkering van dergelijke oproepen, indien dat technisch haalbaar is, of om stopzetting van de automatische doorschakeling van oproepen door een derde naar de eindapparatuur van de eindgebruiker. Hiervoor moeten aanbieders geavanceerde technologie, zoals authenticatieoplossingen, aanwenden. Aanbieders moeten eindgebruikers wijzen op het bestaan van dergelijke functies door middel van bij het contract gevoegde informatie en met andere middelen, bijvoorbeeld door, indien gepast, informatie te publiceren op hun webpagina. De mogelijkheid om ongewenste oproepen te blokkeren moet worden verondersteld technisch haalbaar te zijn, tenzij de aanbieder aantoont dat er objectieve technische belemmeringen bestaan, bijvoorbeeld in PSTN-netwerken. Aanbieders van nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten moeten authenticatiemaatregelen kunnen nemen om gebruikers te verifiëren overeenkomstig Richtlijn (EU) 2022/2555.
(307)Een algemeen beschikbare telefoongids is een gids of dienst die informatie over eindgebruikers bevat zoals telefoonnummers (inclusief mobiele telefoonnummers), e-mailadressen, contactgegevens, inclusief inlichtingendiensten. De voornaamste functie van telefoongidsen is het vaststellen van de identiteit van dergelijke personen. Met het oog op de steeds grotere beschikbaarheid en het toenemende gebruik van digitale alternatieven zoals onlinezoekmachines, sociale media en onlinegidsen met actuele contactgegevens, is de handhaving van de verplichting voor aanbieders van nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten niet gerechtvaardigd. Bovendien zijn veel telefooninlichtingendiensten nu beschikbaar als apps of online, zodat gebruikers digitaal naar informatie kunnen zoeken. Voorts is het met het oog op een hoog niveau van bescherming van het recht op privacy en op bescherming van de persoonsgegevens passend dat eindgebruikers die natuurlijke personen zijn, om toestemming wordt verzocht voordat hun persoonsgegevens in een gids worden opgenomen. Niet alleen de rechten van natuurlijke personen, maar ook de legitieme belangen van rechtspersonen in verband met de opname van hun gegevens in een gids moeten worden beschermd. Uit de toepassing van Richtlijn 2002/58/EG is gebleken dat de lidstaten uiteenlopende praktijken hanteren met betrekking tot de keuzevrijheid van eindgebruikers die natuurlijke personen zijn om hun persoonsgegevens al dan niet te laten opnemen in een telefoongids. In sommige gevallen bepalen de lidstaten dat eindgebruikers op grond van hun nationale wetgeving bezwaar kunnen maken tegen de opname van hun persoonsgegevens, en het komt ook voor dat de intrekking van de toestemming van een natuurlijke persoon niet wordt medegedeeld aan derden die persoonsgegevens uit de telefoongidsen verwerken, hetgeen niet alleen afbreuk kan doen aan het beschermingsniveau in de hele Unie, maar eindgebruikers ook kan blootstellen aan frauduleuze praktijken van kwaadwillige actoren. Bij het vragen van toestemming, onder meer voor het delen van contactgegevens in elektronische of papieren vorm, moet elke aanbieder zich houden aan Verordening (EU) 2016/679.
(308)Overeenkomstig de doelstellingen van het Handvest en de verplichtingen die zijn neergelegd in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, moet het regelgevingskader ervoor zorgen dat alle eindgebruikers, met inbegrip van eindgebruikers met een handicap, ouderen en gebruikers met bijzondere sociale behoeften, op eenvoudige wijze gelijkwaardig toegang hebben tot betaalbare kwalitatief goede diensten, ongeacht hun verblijfplaats in de Unie. Verklaring 22, gehecht aan het Verdrag van Amsterdam bepaalt dat de instellingen van de Unie bij het vaststellen van maatregelen krachtens artikel 114 VWEU rekening moeten houden met de behoeften van personen met een handicap.
(309)Om ervoor te zorgen dat eindgebruikers met een handicap kunnen profiteren van de mededinging en van de keuze tussen aanbieders van diensten waarover de meerderheid van de eindgebruikers beschikt, moeten de bevoegde instanties, indien nodig en afhankelijk van de nationale omstandigheden, en na raadpleging van eindgebruikers met een handicap, bepalen aan welke voorschriften inzake consumentenbescherming voor eindgebruikers met een handicap de aanbieders van voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten moeten voldoen. Die voorschriften kunnen met name inhouden dat aanbieders ervoor moeten zorgen dat eindgebruikers met een handicap van hun diensten gebruik kunnen maken op dezelfde gelijkwaardige voorwaarden, prijzen, tarieven en kwaliteit daaronder begrepen, als die welke aan hun andere eindgebruikers worden aangeboden, ongeacht de eventuele extra kosten die daarvoor door die aanbieders gemaakt moeten worden. Wanneer zij maatregelen nemen inzake gelijkwaardige toegang en keuzemogelijkheden moeten de bevoegde instanties de naleving aanmoedigen van de relevante normen en specificaties die zijn vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van deze verordening inzake normalisatie. De vereisten inzake consumentenbescherming voor eindgebruikers met een handicap kunnen ook worden toegepast op wholesaleregelingen tussen aanbieders. Om te vermijden dat buitensporige lasten worden gecreëerd voor aanbieders van diensten, moeten de bevoegde instanties nagaan of de doelstellingen van gelijkwaardige toegang en keuze kunnen worden bereikt zonder dergelijke maatregelen.
(310)Eindgebruikers moeten de garantie hebben dat alle apparatuur die in de Unie wordt verkocht voor de ontvangst van radio in nieuwe voertuigen van categorie M en van digitale televisie, aan de vereiste interoperabiliteit voldoet. De lidstaten moeten voor dergelijke apparatuur minimale geharmoniseerde normen kunnen eisen. Die normen kunnen van tijd tot tijd worden aangepast aan technologische en marktontwikkelingen.
(311)Indien lidstaten besluiten overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/1535 maatregelen vast te stellen voor de interoperabiliteit van ontvangers voor radio voor consumenten, moet de weerslag op de markt van radio-uitzendingenontvangers met een lage waarde worden beperkt en moeten ontvangers via digitale terrestrische radio-uitzendingen of via IP-netwerken geleverde radiodiensten kunnen ontvangen en weergeven, zodat de interoperabiliteit wordt gehandhaafd. Dit kan ook de openbare veiligheid ten goede komen, doordat gebruikers gebruik kunnen maken van een breder scala van technologieën voor toegang tot en ontvangst van informatie over noodsituaties in de lidstaten.
(312)De bepalingen inzake interoperabiliteit van radio- en televisieapparatuur voor consumenten verhinderen niet dat autoradio-ontvangers in voertuigen van categorie M in staat zijn via analoge terrestrische radio-uitzendingen geleverde radiodiensten te ontvangen en weer te geven, en die bepalingen beletten de lidstaten niet verplichtingen op te leggen om ervoor te zorgen dat digitaleradio-ontvangers in staat zijn analoge terrestrische radio-uitzendingen te ontvangen en weer te geven.
(313)Onverminderd het Unierecht mag deze verordening de lidstaten niet beletten om technische voorschriften met betrekking tot digitale terrestrische televisieapparatuur vast te stellen, teneinde zich op de migratie van consumenten naar nieuwe terrestrische omroepnormen voor te bereiden, en apparatuur die niet aan de in te voeren normen voldoet, tegen te houden.
(314)Het moet voor de lidstaten mogelijk blijven, in het belang van gewettigde beleidsoverwegingen, onder hen ressorterende ondernemingen evenredige doorgifteverplichtingen (“must carry”) op te leggen. Dergelijke verplichtingen mogen echter alleen worden opgelegd indien zij noodzakelijk zijn om doelstellingen van algemeen belang te verwezenlijken die overeenkomstig het Unierecht door de lidstaten duidelijk zijn omschreven, en zij moeten evenredig en transparant zijn. Doorgifteverplichtingen moeten kunnen worden opgelegd met betrekking tot welbepaalde radio- en televisieomroepkanalen en extra faciliteiten die door een gespecificeerde aanbieder van mediadiensten worden aangeboden. Door de lidstaten opgelegde verplichtingen moeten evenredig en transparant zijn in het licht van duidelijk omschreven doelstellingen van algemeen belang. De lidstaten moeten de doorgifteverplichtingen die zij opleggen, objectief motiveren in hun nationale wetgeving zodat wordt gewaarborgd dat deze transparant, evenredig en duidelijk gedefinieerd zijn. De verplichtingen moeten zodanig ontworpen worden dat zij voldoende stimulansen bieden voor efficiënte investeringen in infrastructuur.
(315)Elektronischecommunicatienetwerken en -diensten die worden gebruikt voor de distributie van openbare radio- en televisie-uitzendingen, omvatten kabeltelevisie en IPTV, alsmede satelliet- en terrestrische omroepnetwerken. Voorts kunnen zij andere netwerken omvatten voor zover een significant aantal eindgebruikers die netwerken gebruikt als hun belangrijkste middel voor de ontvangst van radio- en televisie-uitzendingen. Doorgifteverplichtingen in verband met analoge transmissies van televisieomroepkanalen mogen uitsluitend worden overwogen wanneer het ontbreken van dergelijke verplichtingen voor een aanzienlijk deel van de eindgebruikers een ernstige verstoring zou betekenen of wanneer er geen andere transmissiemiddelen voor bepaalde televisieomroepkanalen zijn. Doorgifteverplichtingen kunnen de doorgifte inhouden van diensten die specifiek bestemd zijn voor het verschaffen van gelijkwaardige toegang aan eindgebruikers met een handicap. Dienovereenkomstig omvatten extra faciliteiten diensten voor betere toegankelijkheid voor eindgebruikers met een handicap, zoals videotekstdiensten, ondertiteling voor eindgebruikers die doof of slechthorend zijn, audiobeschrijving, gesproken ondertitels of vertaling in gebarentaal, en mogelijk tevens toegang tot de desbetreffende onbewerkte gegevens waar dat nodig is. Gezien de groei van aanbod en ontvangst van geconnecteerde televisiediensten en het aanhoudende belang van EPG’s voor de keuze van de eindgebruiker, kan de doorgifte van programmagerelateerde gegevens die nodig zijn voor de ondersteuning van geconnecteerde televisiediensten en EPG-diensten, worden opgenomen in doorgifteverplichtingen. Die programmagerelateerde gegevens moeten informatie kunnen bevatten over de inhoud van het programma en de manier waarop toegang daartoe kan worden verkregen, maar niet de inhoud van het programma zelf.
(316)De doorgifteverplichtingen moeten door de lidstaten worden herzien om ervoor te zorgen dat zij evenredig blijven met het beoogde doel, met inachtneming van de technologische en marktontwikkelingen. Die verplichtingen kunnen in voorkomend geval een bepaling betreffende een evenredige vergoeding behelzen die in het nationale recht moet worden opgenomen. Indien dat het geval is, moet het nationaal recht eveneens de toepasselijke methode voor de berekening van een passende vergoeding voorschrijven. Die methode moet inconsistentie voorkomen in corrigerende maatregelen inzake toegang die door de nationale regelgevende instanties kunnen worden opgelegd aan aanbieders van voor omroep gebruikte transmissiediensten die zijn aangewezen als aanbieders met aanmerkelijke marktmacht. Wanneer echter een overeenkomst met een vaste looptijd in een andere methode voorziet, moet die methode voor de duur van de overeenkomst kunnen blijven worden toegepast. Bij het ontbreken van een nationale bepaling inzake een vergoeding moeten aanbieders van radio- en televisieomroepkanalen en aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken die voor de transmissie van die radio- of televisieomroepkanalen worden gebruikt, een contract over een evenredige vergoeding kunnen sluiten.
(317)Het regelgevingskader en de bijbehorende governancestructuren, waar onder meer van de Commissie, nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, Berec en het Berec-Bureau deel van uitmaken, hebben goede resultaten opgeleverd wat de harmonisatie van de interne markt betreft. De nationale markten zijn echter nog steeds versnipperd en er is nog geen interne markt voor elektronische netwerken en diensten tot stand gebracht. Dit heeft gevolgen voor aanbieders van elektronische communicatie die grensoverschrijdend zaken doen of actief zijn in een aanzienlijk aantal lidstaten, zelfs wanneer er Berec-richtsnoeren bestaan. De evaluatie bracht met name drie problematische kwesties aan het licht: ten eerste de sterke nationale invloed die wordt uitgeoefend op Berec en die afbreuk kan doen aan de impact die de output van het orgaan heeft op de interne markt; ten tweede de asymmetrische uitbreiding van de bevoegdheden van de nationale regelgevende instanties, die heeft geleid tot inconsistenties in de bijdragen van de nationale regelgevende instanties aan de werkzaamheden van Berec; en ten derde de beperkte middelen en structurele tekortkomingen die afbreuk doen aan het vermogen van Berec om de aan het orgaan toegewezen taken uit te voeren. Daarom moet het governancekader worden versterkt om de voltooiing van de interne markt voor elektronische communicatie in de hele Unie te bevorderen door een consistente toepassing van regels en meer coördinatie tussen nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties op nationaal niveau, tussen organen en instanties van de Unie en tussen het nationale en het Unieniveau te waarborgen.
(318)Bepaalde taken mogen alleen worden uitgevoerd door nationale regelgevende instanties, d.w.z. instanties die onafhankelijk zijn van zowel de sector als van externe interventie of politieke druk. Om te waarborgen dat alle nationale regelgevende instanties over de nodige bevoegdheden beschikken om de vereiste taken uit te voeren en dat de outputs van Berec een goede afspiegeling vormen van het standpunt van de lidstaten, moeten die taken bijvoorbeeld worden uitgebreid tot taken in verband met de behandeling van de kennisgevingen en de procedure voor het ene paspoort in het kader van de algemene machtigingsregeling, de uitvoering van maatregelen voor de overstap naar glasvezel en ondersteuning op het gebied van paraatheid en veerkracht. Gezien hun deskundigheid op het gebied van marktregulering en mededinging moeten de nationale regelgevende instanties met name bevoegd zijn om beslissingen te nemen over de marktvormings- en mededingingsaspecten van procedures voor spectrumtoewijzing. Tenzij anders bepaald, moeten de lidstaten andere regelgevende taken waarin deze verordening voorziet, aan de nationale regelgevende instanties of aan andere bevoegde instanties kunnen toewijzen. De lidstaten moeten de continuïteit van de bevoegdheden van de nationale regelgevende instanties bevorderen ten aanzien van de toewijzing van taken die voortvloeien uit de omzetting van het regelgevingskader van de Unie voor elektronische communicatie, met name ten aanzien van de taken die verband houden met marktconcurrentie of markttoegang. Wanneer taken aan andere bevoegde instanties worden toegewezen, moeten die andere bevoegde instanties trachten de nationale regelgevende instanties te raadplegen alvorens een besluit te nemen. Op grond van het beginsel van goede samenwerking moeten de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties informatie uitwisselen met het oog op de uitoefening van hun taken.
(319)De lidstaten moeten de Commissie in kennis stellen van de contactgegevens van de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties. Voor instanties die bevoegd zijn voor de toekenning van toegangsrechten moet die kennisgevingsverplichting kunnen worden vervuld door te verwijzen naar het enkel informatiepunt dat is opgezet op grond van Verordening (EU) 2024/1309.
(320)Overeenkomstig het beginsel van scheiding van regelgevende en operationele functies moeten de lidstaten de onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instantie en andere bevoegde instanties waarborgen teneinde ervoor te zorgen dat hun besluiten onpartijdig zijn. Deze eis van onafhankelijkheid doet geen afbreuk aan de institutionele autonomie en de constitutionele verplichtingen van de lidstaten noch aan het beginsel van neutraliteit met betrekking tot de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten, dat is neergelegd in artikel 345 VWEU.
(321)Om een effectieve toepassing van het regelgevingskader te waarborgen en hun gezag en de voorspelbaarheid van hun beslissingen te vergroten, moeten nationale regelgevende instanties beschermd worden tegen externe interventie of politieke druk die hun onafhankelijke oordeel over de vraagstukken die hun worden voorgelegd, in gevaar zouden kunnen brengen. Een dergelijke externe invloed maakt een nationale instantie ongeschikt om volgens het regelgevingskader op te treden als een nationale regelgevende instantie. Met het oog hierop moeten de lidstaten van tevoren voorschriften opstellen met betrekking tot de redenen die aanleiding geven voor het ontslag van het hoofd van de nationale regelgevende instantie om ervoor te zorgen dat er volstrekt geen twijfels kunnen zijn over de neutraliteit van die instantie en dat de instantie niet gevoelig is voor externe factoren. Teneinde willekeurige ontslagen te vermijden, moeten ontslagen leden het recht krijgen de bevoegde rechtbank te laten onderzoeken of er geldige redenen tot ontslag zijn, onder de redenen waarin deze verordening voorziet. Ontslagen mogen alleen verband houden met de persoonlijke of professionele kwalificaties van het hoofd of lid. Het is van belang dat de nationale regelgevende instanties over hun eigen begroting beschikken, zodat zij met name voldoende gekwalificeerd personeel kunnen aanwerven. Met het oog op transparantie moet die begroting jaarlijks worden gepubliceerd. Binnen de grenzen van hun begroting, moeten zij hun menselijke en financiële middelen autonoom kunnen beheren. Om de onpartijdigheid te waarborgen, moeten lidstaten die eigenaar zijn van, of zeggenschap uitoefenen over, ondernemingen die administratieve bijdragen betalen ten behoeve van de nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instanties, waarborgen dat er een effectieve structurele scheiding bestaat tussen de activiteiten in verband met de uitoefening van de eigendom of zeggenschap en de uitoefening van de zeggenschap over de begroting.
(322)De onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instanties moet worden versterkt om ervoor te zorgen dat het hoofd en de leden van die instanties niet vatbaar zijn voor externe druk, door minimumkwalificaties voor hun aanstelling en een minimumtermijn voor hun mandaat vast te stellen. Om het risico op verkleving te beperken, de continuïteit te waarborgen en de onafhankelijkheid te versterken, moeten de lidstaten overwegen de mogelijkheid tot het verlengen van het mandaat van het hoofd of de leden te beperken en een passende rotatieregeling voor het bestuur en het topmanagement op te zetten. Dat kan door bijvoorbeeld de eerste leden van het collegiale orgaan voor verschillende termijnen te benoemen, zodat hun mandaten en die van hun opvolgers niet op hetzelfde ogenblik verstrijken.
(323)De nationale regelgevende instanties moeten aansprakelijk zijn voor de uitoefening van hun taken en verplicht worden verslag uit te brengen over de manier waarop zij die uitoefenen. Die verplichting moet normaal de vorm aannemen van een jaarlijkse verslagleggingsplicht in plaats van de verplichting ad-hocverslagen op te stellen, die, indien ze een buitensporige omvang aannemen, hun onafhankelijkheid zou kunnen beperken of de instanties zou kunnen belemmeren hun taken uit te oefenen.
(324)De nationale regelgevende instanties beschikken over voldoende financiële en personele middelen om de hun toegewezen taken uit te voeren. Om Berec sterker en representatiever te maken en zijn expertise, ervaring en kennis van de specifieke situatie van alle nationale markten te bewaren, moet elke lidstaat erop toezien dat zijn nationale regelgevende instantie over voldoende financiële en personele middelen beschikt om ten volle deel te nemen aan het werk van Berec.
(325)Berec werd in 2002 voor het eerst door de Commissie opgericht als een werkgroep van deskundigen van de Commissie, de Europese Groep van regelgevende instanties voor elektronische communicatienetwerken en -diensten (“ERG”), die tot doel had de Commissie te adviseren en bij te staan bij het consolideren van de interne markt voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten door de ontwikkeling van een consistente regelgevingspraktijk en de consistente toepassing van het regelgevingskader van de Unie voor elektronische communicatie te waarborgen. Bij Verordening (EG) nr. 1211/2009 van het Europees Parlement en de Raad werd Berec opgericht als orgaan van de Unie, bestaande uit nationale regelgevende instanties, dat de ERG vervangt en wordt ondersteund door het Bureau, een communautair orgaan met rechtspersoonlijkheid dat is opgericht om de in die verordening bedoelde taken uit te voeren, met name om diensten van professionele en administratieve ondersteuning te verlenen aan Berec. Om Berec doeltreffend te kunnen ondersteunen, werd aan het Bureau juridische, administratieve en financiële autonomie verleend. Bij Verordening (EU) 2018/1971 is het Bureau voor ondersteuning van Berec (“Berec-Bureau”) opgericht als agentschap van de Unie om Berec te ondersteunen. Over het algemeen is uit de evaluatie van Berec en het Berec-Bureau gebleken dat beide hun taken en doelstellingen doeltreffend hebben uitgevoerd, en dat de opzet dus goed heeft gewerkt en kan worden gehandhaafd.
(326)Om zijn taken uit te voeren, moet Berec de deskundigheid van nationale regelgevende instanties en personeel van het ODN bundelen. Berec moet ernaar streven alle nationale regelgevende instanties bij de uitvoering van zijn regulerende taken en bij zijn werking te betrekken.
(327)Berec fungeert als forum voor de samenwerking tussen de nationale regelgevende instanties onderling en tussen de nationale regelgevende instanties en de Commissie bij de uitvoering van al hun respectieve taken uit hoofde van het regelgevend kader van de Unie. Berec dient ook als orgaan voor beraad, discussie en adviesverlening aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op het gebied van elektronische communicatie.
(328)De instellingen van de Unie en de nationale regelgevende instanties moeten op bijstand en advies van Berec kunnen rekenen, onder meer omtrent de regelgevingsimpact van aangelegenheden met betrekking tot de algemene dynamiek van digitale markten of omtrent hun betrekkingen, gesprekken en uitwisselingen, en het delen van goede regelgevingspraktijken met derden. Naast het leveren van bijdragen aan de openbare raadpleging van de Commissie moet Berec op verzoek de Commissie tevens advies geven bij de voorbereiding van wetgevingsvoorstellen. Berec moet ook advies kunnen verstrekken aan het Europees Parlement en de Raad, hetzij op hun verzoek hetzij op eigen initiatief.
(329)Gelet op de toenemende convergentie tussen de sectoren die elektronische communicatiediensten leveren en gelet op de horizontale dimensie van reguleringskwesties met betrekking tot de ontwikkeling ervan, moeten Berec en het ODN samenwerken met — zonder afbreuk te doen aan hun rol — nationale regelgevende instanties, andere organen, instanties, agentschappen en adviesgroepen van de Unie, met name het RSPB, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, ingesteld bij Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad, het Europees Comité voor gegevensbescherming, ingesteld bij Verordening (EU) 2016/679, de Europese Groep van regelgevende instanties voor audiovisuele mediadiensten, opgericht bij Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad, het agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging, opgericht bij Verordening (EU) nr. 526/2013 van het Europees Parlement en de Raad, het Europese GNSS-Agentschap, opgericht bij Verordening (EU) nr. 912/2010 van het Europees Parlement en de Raad, het Netwerk voor samenwerking inzake consumentenbescherming, opgericht bij Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad, het Europees netwerk van mededingingsautoriteiten en de Europese normalisatieorganisaties, alsook met bestaande comités (zoals het Comité voor communicatie en het Radiospectrumcomité). In voorkomend geval moeten Berec en het ODN ook samenwerken met de relevante, voor mededinging, consumentenbescherming, cyberbeveiliging en gegevensbescherming bevoegde instanties van de lidstaten en met de bevoegde instanties van derde landen, met name de regelgevende instanties die bevoegd zijn op het gebied van elektronische communicatie of groepen van die instanties alsmede met internationale organisaties, indien dit nodig is voor het vervullen van hun taken. Berec moet ook belanghebbenden kunnen raadplegen door middel van een openbare raadpleging.
(330)Als technisch orgaan met expertise op het gebied van elektronische communicatie, bestaande uit vertegenwoordigers van de nationale regelgevende instanties en de Commissie, is Berec bij uitstek geschikt voor taken zoals het bevorderen van efficiënte internemarktprocedures voor ontwerpen van nationale marktreguleringsmaatregelen, het verstrekken van de nodige richtsnoeren aan nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties met het oog op gemeenschappelijke criteria en een consistente regelgevingsaanpak. Het ODN moet zijn toegerust om Berec te ondersteunen bij al zijn regelgevende taken. Hiermee wordt geen afbreuk gedaan aan de taken die zijn toegewezen aan de nationale regelgevende instanties, die het dichtst bij de markten voor elektronische communicatie en de lokale omstandigheden staan.
(331)Om bij te dragen tot de doelstellingen van deze verordening moet Berec, naast zijn huidige taken, doeltreffende samenwerking bevorderen tussen aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en ondernemingen die actief zijn in nauw verwante sectoren, door richtsnoeren uit te vaardigen voor het faciliteren van samenwerking binnen het ecosysteem met betrekking tot technische en commerciële kwesties die verband houden met het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten of diensten van de informatiemaatschappij en van innovatieve producten en diensten ten behoeve van, met name, eindgebruikers, in overeenstemming met de regels van het mededingingsrecht. Berec moet ook worden belast met nieuwe taken op het gebied van veerkracht en paraatheid, waaronder de vaststelling van een door het ODN opgesteld paraatheidsplan van de Unie voor digitale infrastructuur. Berec moet daarnaast richtsnoeren vaststellen voor technische en wettelijke maatregelen om eindgebruikers doeltreffend te beschermen tegen frauduleuze activiteiten in de Unie.
(332)De leden van de raad van regulators van Berec moeten door de nationale regelgevende instanties worden benoemd en zullen doorgaans hoofden van deze nationale regelgevende instanties of leden van hun collegiale organen zijn. Het roulerende voorzitterschap van de raad van regulators van Berec is bedoeld om te zorgen voor continuïteit van de werkzaamheden van Berec. Het instellen van roulerende vicevoorzitters wordt ook gepromoot.
(333)Berec moet in het belang van de Unie kunnen handelen, onafhankelijk van externe invloeden, zoals politieke druk of commerciële inmenging. Het is derhalve belangrijk ervoor te zorgen dat de personen die in de raad van regulators worden aangesteld, in persoonlijk en functioneel opzicht zo onafhankelijk mogelijk zijn. Het hoofd van een nationale regelgevende instantie of een lid van het collegiale orgaan ervan, of de vervanger van een van hen, genieten deze mate van persoonlijke en functionele onafhankelijkheid. Meer in het bijzonder moeten zij onafhankelijk en objectief handelen, mogen zij geen instructies vragen of aanvaarden bij de uitoefening van hun taken, en moeten zij worden beschermd tegen willekeurig ontslag. De functie van de plaatsvervanger in de raad van regulators kan ook worden verricht door het hoofd van de nationale regelgevende instantie, een lid van het collegiale orgaan daarvan, de vervanger van een van hen, of door een ander personeelslid van de nationale regelgevende instantie, die handelt namens het vervangen lid van de raad van regulators en in overeenstemming met de reikwijdte van het door dit lid verstrekte mandaat.
(334)Berec moet, met de hulp van het ODN, expertise verstrekken en vertrouwen helpen opbouwen dankzij zijn onafhankelijkheid, de kwaliteit van zijn advies en voorlichting, de transparantie van zijn procedures en werkmethoden, en de zorgvuldigheid waarmee het zijn taken verricht. De onafhankelijkheid van Berec mag niet beletten dat de raad van regulators beraadslaagt op basis van door de werkgroepen die onder zijn leiding staan opgestelde ontwerpen.
(335)De Beleidsgroep radiospectrum (RSPG) werd voor het eerst opgericht bij Besluit 2002/622/EG om bij te dragen tot de ontwikkeling van de interne markt en van een radiospectrumbeleid op Unieniveau. Beschikking 2002/622/EG werd later vervangen door het Besluit van de Commissie van 11 juni 2019. De RSPG staat de Commissie bij en adviseert haar over kwesties met betrekking tot radiospectrumbeleid. Het gaat daarbij onder meer over beschikbaarheid van radiospectrum, harmonisatie en toewijzing van radiospectrum, levering van informatie met betrekking tot toewijzing, beschikbaarheid en gebruik van radiospectrum, methoden voor het verlenen van rechten op radiospectrumgebruik, herschikking, verplaatsing, waardering en efficiënt gebruik van radiospectrum, alsmede bescherming van de volksgezondheid. De RSPG verleent op verzoek advies aan het Europees Parlement en aan de Raad over kwesties met betrekking tot radiospectrum. De RSPG is het forum geworden voor de coördinatie tussen de lidstaten bij de naleving van hun verplichtingen op het gebied van radiospectrum uit hoofde van Richtlijn (EU) 2018/1972 en speelt een centrale rol op gebieden die essentieel zijn voor de interne markt, zoals grensoverschrijdende coördinatie en normalisatie van radiospectrum.
(336)In het algemeen leverden de resultaten van de RSPG waardevolle input op die door de Commissie verder kan worden overwogen, droegen zij bij tot de ontwikkeling van de interne markt en van een radiospectrumbeleid op Unieniveau, en werden zij door de belanghebbenden verwelkomd. De RSPG heeft in zijn adviezen echter niet ten volle gebruikgemaakt van haar mandaat om de instellingen van de Unie te adviseren over bredere aspecten van het radiospectrumbeleid in het algemeen (bv. economische, politieke, culturele, strategische, veiligheids-, gezondheids- en sociale kwesties), hetgeen deels het gevolg was van het ontbreken van een passende ondersteuningsstructuur. De nauwe samenwerking tussen Berec en de RSPG in gevallen waarin radiospectrumkwesties gevolgen hebben voor de regelgeving waarin Richtlijn (EU) 2018/1972 voorziet, bleef in de praktijk beperkt tot enkele gezamenlijke adviezen of verslagen. Berec en de RSPG waren voor hun inhoudelijke werkzaamheden beide aangewezen op de middelen van hun leden, en eventuele beperkingen waarmee de nationale instanties kampten, of dit nu budgettaire of personele beperkingen waren of beperkingen in verband met de werklast, hadden gevolgen voor hun vermogen om doeltreffend bij te dragen aan de werkzaamheden van Berec en de RSPG.
(337)Met het oog op de nieuwe taken in het kader van deze verordening, bijvoorbeeld op het gebied van het gebruik van radiospectrum door satellieten en de procedure voor de eengemaakte spectrummarkt, is een sterkere RSPG nodig. In plaats van een adviesgroep van de Commissie moet het een groep worden die vergelijkbaar is met Berec, met adequate administratieve en professionele ondersteuning van het ODN. Bij deze verordening wordt daarom het RSPB ingesteld, dat de RSPG vervangt. Het RSPB moet eveneens een adviserende rol gaan spelen bij de ontwikkeling van een radiospectrumbeleid in de Unie. De Commissie, het Europees Parlement of de Raad kan het RSPB te allen tijde verzoeken een advies of verslag over een kwestie van radiospectrumbeleid aan te nemen. In zijn adviezen moet het RSPB onder meer rekening houden met technische, economische, politieke, culturele, strategische, gezondheids- en maatschappelijke aspecten, alsmede met de verschillende, potentieel tegenstrijdige behoeften van radiospectrumgebruikers, teneinde ervoor te zorgen dat een evenwichtige situatie wordt bereikt die eerlijk, niet-discriminerend en evenredig is. Voorts moet het RSPB nieuwe taken uit hoofde van deze verordening op zich nemen.
(338)Aangezien de taken in verband met het radiospectrumbeleid deskundigheid vereisen van verschillende nationale bevoegde instanties die verantwoordelijk zijn voor spectrumkwesties, met inbegrip van organen die politieke beslissingen nemen, kunnen de taken van het RSPB niet worden toevertrouwd aan Berec, dat is samengesteld uit nationale regelgevende instanties die niet noodzakelijkerwijs bevoegd zijn op het gebied van spectrumbeleid.
(339)Het RSPB moet bestaan uit de RSPB-raad en werkgroepen. De werkgroepen moeten de beraadslagingen van de RSPB-raad op soortgelijke wijze voorbereiden als de subgroepen dat deden voor de RSPG.
(340)De RSPB-raad moet bestaan uit deskundigen op hoog niveau die in de lidstaten verantwoordelijk zijn voor het strategische radiospectrumbeleid. Deze deskundigen kunnen afkomstig zijn van nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties. Tijdens vergaderingen van het RSPB moeten de nationale delegaties een geconsolideerd en gecoördineerd nationaal standpunt presenteren, ook indien verschillende nationale instanties gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het radiospectrum, niet alleen met betrekking tot de interne markt, maar ook met betrekking tot de openbare orde, de openbare veiligheid, civiele bescherming en het defensiebeleid, aangezien dergelijk beleid van invloed kan zijn op de organisatie van het radiospectrum als geheel.
(341)De huidige regeling van de RSPG, met een voorzitter die een ambtstermijn van twee jaar heeft, waarna hij of zij wordt vervangen door de plaatsvervangend voorzitter, is nuttig gebleken om de continuïteit van de werkzaamheden van de RSPG te waarborgen. Daarom moet voor het RSPB een soortgelijke structuur met een voorzitter en een vicevoorzitter van de RSPB-raad worden gehanteerd.
(342)De CEPT moet worden uitgenodigd als waarnemer bij de werkzaamheden van het RSPB, aangezien de activiteiten van het orgaan aanzienlijke gevolgen hebben voor het radiospectrum op pan-Europees niveau en de CEPT en de bij de CEPT aangesloten organen over uitgebreide technische deskundigheid op het gebied van radiospectrumbeheer beschikken. Het is ook passend gebruik te kunnen maken van de deskundigheid van de CEPT op basis van mandaten die overeenkomstig Beschikking nr. 676/2002/EG worden verleend om technische uitvoeringsmaatregelen te ontwikkelen op het gebied van radiospectrumindeling en beschikbaarheid van informatie. Gelet op het belang van de Europese normalisatie voor de ontwikkeling van apparatuur die van radiospectrum gebruikmaakt, is het eveneens belangrijk het ETSI (Europees Normalisatie-instituut voor Telecommunicatie) als waarnemer bij de werkzaamheden van de groep te betrekken.
(343)Daarnaast moeten de raad van regulators van Berec, de RSPB-raad en de raad van bestuur van het ODN, indien nodig en per geval, personen wier mening relevant kan zijn, bijvoorbeeld vanwege hun functie en deskundigheid, kunnen uitnodigen om als waarnemer deel te nemen aan hun vergaderingen. Deze waarnemersstatus mag niet permanent zijn en bijgevolg moet een uitnodiging worden verstrekt om deel te nemen aan een specifieke vergadering van de raad van regulators, de RSPB-raad of de raad van bestuur van het ODN. Gezien de gevoelige en vertrouwelijke aard van bepaalde besprekingen die leden van Berec en het RSPB voor de uitvoering van hun taken mogelijk moeten voeren, bijvoorbeeld besprekingen op het gebied van veerkracht of met een sterke Uniedimensie, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om te verzoeken dat de deelname aan vergaderingen van Berec en het RSPB wordt beperkt. De voorzitters van Berec en het RSPB moeten eveneens kunnen verzoeken om beperking van deelname en een dergelijk verzoek kunnen indienen in overleg met de directeur van het ODN.
(344)De raad van regulators van Berec, de RSPB-raad en de raad van bestuur van het ODN moeten ten minste twee reguliere vergaderingen per jaar houden. In het licht van de opgedane ervaring en de versterkte rol van Berec en van het RSPB kan het nodig zijn dat de raad van regulators van Berec, de RSPB-raad en de raad van bestuur van het ODN extra vergaderingen houden. Om de samenwerking tussen Berec en het RSPB verder te verbeteren, kunnen gezamenlijke vergaderingen van de raad van regulators en de RSPB-raad worden bijeengeroepen om aangelegenheden te bespreken die van belang zijn voor zowel Berec als het RSPB.
(345)Om de internemarktdimensie van Berec en de richtsnoeren, adviezen, verslagen en andere documenten van het RSPB verder te vergroten, moet een stemprocedure bij gewone meerderheid worden gehanteerd.
(346)De ervaring heeft geleerd dat de meeste taken van Berec en het RSPB beter binnen werkgroepen kunnen worden uitgevoerd. In de Berec-werkgroepen moet altijd worden gewaarborgd dat de standpunten en bijdragen van alle nationale regelgevende instanties in gelijke mate in aanmerking worden genomen, en in de werkgroepen van het RSPB dat de standpunten en bijdragen van alle leden van het beleidsorgaan in gelijke mate in aanmerking worden genomen. De nationale regelgevende instanties en, in voorkomend geval, de bevoegde instanties die verantwoordelijk zijn voor het radiospectrum, moeten snel reageren op verzoeken tot aanstelling, teneinde te zorgen voor de snelle oprichting van werkgroepen, met name die welke betrekking hebben op procedures waarvoor termijnen gelden. De werkgroepen moeten openstaan voor deelname door deskundigen van de Commissie. Om de impact van de output van Berec en het RSPB op de interne markt verder te vergroten, moet professioneel personeel van het ODN de activiteiten van de werkgroepen bovendien systematisch ondersteunen en er een bijdrage aan leveren. De raad van regulators van Berec en de RSPB-raad moeten daarom via het ODN werkgroepen oprichten en de voorzitters van deze werkgroepen benoemen. Waar mogelijk moeten deze voorzitters afkomstig zijn van verschillende nationale regelgevende instanties en, in voorkomend geval, bevoegde instanties die verantwoordelijk zijn voor radiospectrum, en van het ODN, rekening houdend met de deskundigheid en beschikbaarheid van personeel van het ODN.
(347)In de internemarktprocedure mag de Berec-werkgroep, wanneer deze een door een nationale regelgevende instantie voorgesteld ontwerp van nationale maatregel beoordeelt en in voorkomend geval een ontwerpadvies opstelt, zich niet laten beïnvloeden door de standpunten van de nationale regelgevende instantie die de maatregel heeft voorgesteld of door de Commissie. Evenzo mogen de werkgroepen van het RSPB en Berec die zich bezighouden met de aangemelde ontwerpen van nationale maatregelen in het kader van de procedure voor de eengemaakte spectrummarkt, zich niet laten beïnvloeden door de standpunten van de bevoegde instantie die de maatregel voorstelt of door de Commissie. Daarom mogen de deskundigen van de Commissie en de desbetreffende nationale regelgevende instantie of bevoegde instantie die verantwoordelijk is voor spectrum de vergaderingen van de desbetreffende werkgroep van Berec of het RSPB bij wijze van uitzondering niet bijwonen.
(348)De RSPG heeft een belangrijke rol gespeeld bij de voorbereiding door de Unie van de Wereldradiocommunicatieconferenties (WRC’s) door samen met de Commissie te bepalen welke WRC-agendapunten gevolgen kunnen hebben voor het recht, het beleid of de programma’s van de Unie, en door aanbevelingen te doen over het standpunt dat de Unie in de WRC’s moet innemen. Aangezien deze aanbevelingen niet door overheden van buiten de EU mogen worden beïnvloed, zijn alleen deskundigen uit de lidstaten en de Commissie lid van de desbetreffende subgroep van de RSPG. Deze werkwijze moet worden gehandhaafd nadat de taken van de RSPG zijn overgenomen door het RSPB.
(349)In voorkomend geval en afhankelijk van de toewijzing van taken aan de instanties in elke lidstaat, moeten andere bevoegde instanties worden uitgenodigd om deel te nemen aan Berec-werkgroepen waarin behoefte bestaat aan hun deskundigheid en moet in de desbetreffende werkgroep rekening worden gehouden met hun standpunten. Indien deskundigen van andere bevoegde instanties niet in staat zijn dergelijke vergaderingen bij te wonen, moeten de nationale regelgevende instanties aantonen dat rekening is gehouden met hun standpunten. In elk geval moet de onafhankelijkheid van Berec worden gehandhaafd. In de regel moeten de werkgroepen van Berec en het RSPB specifieke mandaten hebben en moeten zij worden ontbonden zodra zij dit mandaat hebben vervuld. Op die manier kunnen Berec en het RSPB flexibeler werken en deskundigen inschakelen indien en voor zolang dat nodig is. Anderzijds moet het mogelijk zijn permanente werkgroepen van Berec of het RSPB op te richten wanneer zij terugkerende activiteiten uitvoeren.
(350)De RSPG heeft tot nu toe gewerkt op basis van een tweejaarlijks werkprogramma, hetgeen goede resultaten heeft opgeleverd, aangezien gedurende twee jaar continuïteit in de activiteiten kon worden gewaarborgd zonder dat dit onnodige administratieve lasten met zich meebracht. Hierdoor kon rationeler gebruik worden gemaakt van nationale deskundigen, doordat activiteiten op de agenda van de RSPG werden gezet op basis van hun niveau van urgentie en gevoeligheid, waarbij werd gewaarborgd dat alle activiteiten ten minste binnen de periode van twee jaar werden voltooid. Deze goede praktijk moet worden voortgezet door het RSPB en ook door Berec worden overgenomen. De Commissie moet Berec of het RSPB op elk moment binnen de tweejaarlijkse cyclus om advies kunnen vragen, zelfs indien een activiteit als gevolg van een dergelijk verzoek tot in de volgende tweejaarlijkse cyclus zou moeten verderlopen.
(351)Om de administratieve lasten te verminderen, moeten Berec en het RSPB elk om de twee jaar een verslag opstellen over hun activiteiten, in overeenstemming met hun respectieve werkprogramma’s.
(352)Met het oog op een coherente en consistente toepassing van het regelgevingskader voor elektronische communicatie en het radiospectrumbeleid van de Unie moet de samenwerking tussen Berec en het RSPB worden geïntensiveerd. Gezien de toenemende onderlinge afhankelijkheid tussen regelgeving op het gebied van elektronische communicatie en radiospectrumbeheer is gestructureerde, regelmatige en systematische samenwerking, onder meer door middel van gezamenlijke vergaderingen en gezamenlijke werkgroepen, essentieel om versnippering van de regelgeving te voorkomen, de beleidscoherentie te vergroten en een doeltreffende werking van de interne markt te bevorderen.
(353)Om de samenwerking tussen Berec en het RSPB te verbeteren, moeten de voorzitter van de raad van regulators van Berec en de voorzitter van de RSPB-raad ten minste tweemaal per jaar bijeenkomen. Om kwesties aan te pakken die nauwe samenwerking tussen Berec en het RSPB vereisen, moeten de voorzitters aan hun respectieve raden voorstellen doen voor gezamenlijke activiteiten, waaronder de oprichting van gezamenlijke taskforces. De kwesties ten aanzien waarvan nauw zal worden samengewerkt, moeten ook worden beschreven in de werkprogramma’s van Berec en het RSPB. Op het gebied van regelgevingskwesties van wederzijds belang, met name marktregulering en mededinging in verband met het radiospectrum, evenals satellietcommunicatie, verticale communicatie, 5G- en 6G-netwerken en toekomstige mobiele communicatie, is meer samenwerking mogelijk wenselijk.
(354)De rol van het Berec-Bureau — dat momenteel voornamelijk administratieve ondersteuning biedt aan Berec — moet worden versterkt; het moet Berec en het RSPB ondersteuning op administratief gebied en deskundigheid op het gebied van de aan deze organen toegewezen taken bieden. Daartoe moet de structuur van het Berec-Bureau worden aangepast en moeten er meer begrotingsmiddelen aan het Bureau worden toegewezen. De nieuwe officiële naam van het Berec-Bureau moet “Bureau voor digitale netwerken” worden. De benaming “ODN” moet als de verkorte naam van het Bureau worden gebruikt.
(355)In het licht van de toenemende complexiteit en het strategische belang van elektronischecommunicatienetwerken en digitale netwerkinfrastructuur, en van hun toenemende onderlinge afhankelijkheid met het radiospectrumbeleid, moet op Unieniveau een versterkte ondersteuningsstructuur worden opgezet. Het ODN moet een centrale rol spelen door expertise en analytische capaciteit te bieden en coördinatie te waarborgen ter ondersteuning van Berec en het RSPB, met volledige inachtneming van hun respectieve mandaten en onafhankelijkheid. Intensievere, gestructureerde ondersteuning op Unieniveau is essentieel om de consistente toepassing van het Unierecht te waarborgen, de samenhang van de regelgeving en het beleid te vergroten, versnippering van de interne markt te voorkomen en een doeltreffende verwezenlijking van de digitale doelstellingen van de Unie te bevorderen.
(356)Het ODN moet alle nodige professionele en administratieve ondersteuning leveren voor de werkzaamheden van Berec en het RSPB, onder meer op financieel, organisatorisch en logistiek gebied, en moet bijdragen tot de werkzaamheden van deze organen.
(357)Om te waarborgen dat Berec voldoende ondersteuning krijgt bij zijn taken en om de impact van zijn output op de interne markt te vergroten, moeten in deze verordening de rol en taken van het ODN duidelijk worden omschreven. Het gaat hierbij onder meer om het actief deelnemen en bijdragen aan alle activiteiten van Berec-werkgroepen, het opstellen van het plan ter versterking van de veerkracht en paraatheid van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en andere digitale infrastructuur op Unieniveau in geval van natuurlijke of door de mens veroorzaakte verstoringen, crises of situaties van overmacht die aanzienlijke negatieve gevolgen kunnen hebben voor de bevolking of voor de werking van de interne markt, en het ondersteunen van de coördinatie tussen nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties om de afgifte van gemeenschappelijke machtigingen voor activiteiten binnen de Unie te faciliteren. Aangezien het ODN voor de uitvoering van zijn taken ter ondersteuning van Berec, het RSPB en de Commissie gegevens moet verzamelen en analyseren, is het passend het ODN te belasten met de taak om informatieve jaarverslagen uit te brengen over de vorderingen met de interne markt voor elektronische communicatie. In die verslagen moeten de stand van zaken op de markt, de marktstructuur en het effect van de in het kader van deze verordening uitgevoerde maatregelen op de interne markt worden beschreven, met inbegrip van de effecten ex post die fusies op de markt hebben. De Commissie kan deze verslagen in acht nemen wanneer zij verslagen voor het digitale decennium opstelt.
(358)Het ODN moet ook worden belast met taken ter ondersteuning van het RSPB, bijvoorbeeld het verlenen van analytische, administratieve en logistieke ondersteuning aan de RSPB-raad en zijn werkgroepen bij de uitvoering van de taken die bij deze verordening aan hen zijn toegewezen. Het ODN moet de Commissie en het RSPB ook bijstaan bij het verlenen van de Uniemachtiging voor het aanbieden van satellietnetwerken en -diensten en het gebruik van radiospectrum voor satellietgebruik, en de Commissie, indien zij hierom verzoekt, bijstaan bij de uitvoering van een selectieprocedure op Unieniveau. Het ODN moet ook fungeren als aanspreekpunt zodra de Commissie de éénloketprocedure heeft opgezet om de toekenning van radiospectrum onder gemeenschappelijke machtigingsvoorwaarden te faciliteren.
(359)Aangezien het ODN in de plaats komt van het Berec-Bureau, moet het een orgaan van de Unie met rechtspersoonlijkheid zijn en juridisch, administratief en financieel autonoom zijn. Als gedecentraliseerd agentschap van de Unie moet het ODN binnen zijn mandaat en het bestaande institutionele kader werken. Het mag niet worden beschouwd als een instantie die een standpunt van de Unie ten aanzien van de buitenwereld vertolkt of wettelijke verbintenissen voor de Unie aangaat. Het moet gevestigd blijven in Riga, zoals is besloten door de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten. De eerste zetelovereenkomst tussen de regering van de Republiek Letland en het Bureau trad op 5 augustus 2011 in werking. Deze werd vervangen door een nieuwe zetelovereenkomst die op 21 december 2020 overeenkomstig artikel 47 van Verordening (EU) 2018/1971 werd ondertekend.
(360)Het ODN moet bestaan uit een raad van bestuur en een directeur.
(361)De raad van bestuur van het ODN moet besluiten nemen over administratieve aangelegenheden, zoals de begroting, personeel en audits, en de raad van regulators van Berec moet zich richten op regelgevingsaangelegenheden die verband houden met de taken van Berec. De raad van bestuur moet bestaan uit vertegenwoordigers van de nationale regelgevende instanties, de Commissie en het RSPB. In beginsel zijn de vertegenwoordigers van de nationale regelgevende instanties in de raad van bestuur dezelfde personen die zijn benoemd tot lid van de raad van regulators van Berec, maar de nationale regelgevende instanties moeten andere vertegenwoordigers kunnen benoemen die aan dezelfde vereisten voldoen. Aangezien het ODN ook tot taak heeft het RSPB te ondersteunen, moet de voorzitter van het RSPB lid zijn van de raad van bestuur om te waarborgen dat op passende wijze wordt voorzien in de behoeften van het RSPB.
(362)Deze verordening bepaalt dat de raad van bestuur de betreffende bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag delegeert aan de directeur, die deze bevoegdheden op zijn beurt kan subdelegeren. Dit moet bijdragen tot een efficiënt beheer van het personeel van het centrale aanspreekpunt voor de indiening van aanvragen en kennisgevingen van het ODN.
(363)De directeur moet in juridische en bestuurlijke aangelegenheden de vertegenwoordiger van het ODN blijven. De raad van bestuur moet de directeur benoemen, onder voorbehoud van een positief advies van de vertegenwoordiger van het RSPB en na een open en transparante selectieprocedure om een strenge beoordeling van de kandidaten en een grote mate van onafhankelijkheid te waarborgen.
(364)Het ODN moet voldoende personeel krijgen om zijn taken te vervullen. Alle aan het ODN toebedeelde taken, met inbegrip van de diensten die Berec en het RSPB professionele en administratieve ondersteuning bieden bij het uitvoeren van hun taken, de naleving van onder meer de financiële regelgeving en het statuut, en het grotere gewicht dat de operationele taken van het ODN moeten krijgen ten opzichte van zijn administratieve taken, moeten terdege worden beoordeeld en tot uiting komen in de middelenprogrammering van het Berec-Bureau.
(365)Vanwege zijn juridische aard als orgaan van de Unie moet Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 van de Commissie van toepassing zijn op het ODN.
(366)Om de autonomie en onafhankelijkheid van het ODN te waarborgen en ervoor te zorgen dat het de werkzaamheden van Berec en het RSPB kan ondersteunen, moet het ODN over een eigen budget beschikken. Dit budget moet toereikend zijn en de taakuitbreiding en de zwaardere rol van Berec, het RSPB en het ODN moeten erin terug te zien zijn. Het ODN moet grotendeels worden gefinancierd uit de algemene begroting van de Unie. Om te waarborgen dat het ODN over voldoende middelen beschikt om zijn taken uit te voeren, moet het van ondernemingen vergoedingen kunnen vragen voor aanvragen en verlengingen van satellietmachtigingen van de Unie en pan-Europese nummervoorraden. De hoogte van die vergoedingen en de betalingsvoorwaarden moeten door de Commissie worden vastgesteld in uitvoeringshandelingen. Overeenkomstig punt 27 van het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie moet over de financiering van het ODN overeenstemming worden bereikt door de begrotingsautoriteit. Met het oog op een grotere consistentie in de toepassing van het regelgevend kader voor elektronische communicatie moeten de raad van regulators van Berec, de RSPB-raad, de werkgroepen, indien relevant, en de raad van bestuur van het ODN openstaan voor de deelname van op het gebied van elektronische communicatie of spectrumbeleid bevoegde instanties van derde landen, indien die derde landen daartoe overeenkomsten met de Unie hebben gesloten, zoals EVA/EER-landen en kandidaat-lidstaten.
(367)Berec en het RSPB moeten met de bevoegde organen, instanties, agentschappen en adviesgroepen van de Unie, met de bevoegde instanties van derde landen en met internationale organisaties werkafspraken mogen maken, die geen juridisch bindende verplichtingen mogen doen ontstaan. Doel van die werkafspraken kan bijvoorbeeld zijn samenwerkingsverbanden te ontwikkelen en te overleggen over reguleringsvraagstukken. De Commissie moet ervoor zorgen dat de noodzakelijke werkafspraken stroken met het beleid en de prioriteiten van de Unie, en dat Berec en het RSPB binnen hun mandaat en binnen het bestaande institutionele kader functioneren, en dus niet worden beschouwd als instanties die een standpunt van de Unie ten aanzien van de buitenwereld vertolken of voor de Unie internationale verbintenissen aangaan. Deelname zonder stemrecht aan de werkzaamheden van Berec van de instanties van derde landen met primaire verantwoordelijkheid op het gebied van elektronische communicatie of spectrum, het RSPB en het ODN, moet alleen mogelijk zijn indien er relevante werkafspraken zijn gemaakt.
(368)Met het oog op een grotere consistentie in de toepassing van het regelgevend kader voor elektronische communicatie moeten de raad van regulators van Berec, de RSPB-raad, de werkgroepen en de raad van bestuur van het ODN openstaan voor de deelname van op het gebied van elektronische communicatie of spectrumbeleid bevoegde instanties van derde landen, indien die derde landen daartoe overeenkomsten met de Unie hebben gesloten, zoals EVA/EER-landen en kandidaat-lidstaten.
(369)Om een hoge mate van vertrouwelijkheid te waarborgen en belangenconflicten te voorkomen, moeten de desbetreffende regels die voor leden van de organen van Berec, het RSPB en het ODN gelden, van toepassing zijn op hun plaatsvervangers.
(370)De NRI’s moeten met Berec en het ODN samenwerken en moeten hen met het oog op de vervulling van hun taken tijdig en accuraat van informatie voorzien. Berec en het ODN moeten ook, op grond van het beginsel van loyale samenwerking, alle noodzakelijke informatie delen met de Commissie, de NRI’s en andere bevoegde instanties. Waar nodig moet de vertrouwelijkheid van de informatie worden gewaarborgd. Bij het beoordelen van de vraag of een verzoek naar behoren is gemotiveerd, moet Berec bekijken of de gevraagde informatie verband houdt met de uitvoering van taken die exclusief aan de relevante instanties zijn toegewezen. Hetzelfde zou op overeenkomstige wijze gelden voor het RSPB en de bevoegde instanties die verantwoordelijk zijn voor radiospectrum.
(371)Het ODN moet een gemeenschappelijk informatie- en communicatiesysteem opzetten om overlapping van informatieaanvragen te voorkomen en de communicatie tussen alle betrokken instanties te vergemakkelijken.
(372)De Commissie moet de werking van Berec, het RSPB en het ODN, en de doeltreffendheid van hun institutionele structuur in de veranderende digitale omgeving regelmatig evalueren. Indien de Commissie naar aanleiding van die evaluatie oordeelt dat de bij deze verordening ingestelde institutionele structuur ondoeltreffend is voor de verwezenlijking van de doelstellingen ervan, met name het waarborgen van een consistente uitvoering van het regelgevingskader voor elektronische communicatie, moet zij de nodige wijzigingen voorstellen.
(373)Het Berec-Bureau, dat bij Verordening (EU) 2018/1971 werd opgericht als gedecentraliseerd agentschap met rechtspersoonlijkheid, wordt opgevolgd door het bij de onderhavige verordening opgerichte ODN met betrekking tot alle eigendomsrechten, overeenkomsten, met inbegrip van de bepaling van de zetel, wettelijke verplichtingen, arbeidsovereenkomsten, financiële verbintenissen en passiva. Om de continuïteit van de werkzaamheden van Berec, de RSPG en het ODN te waarborgen, moeten de huidige leden van de raad van regulators van Berec en van de RSPG en de directeur en de leden van de raad van bestuur van het Berec-Bureau tot het einde van hun ambtstermijn in functie blijven.
(374)De nationale regelgevende instanties, andere bevoegde instanties en Berec moeten informatie van de marktpartijen verzamelen om hun taken doeltreffend te kunnen uitvoeren, onder meer wat betreft de conformiteit van de algemene voorwaarden met deze verordening zonder opschorting van de toepasselijkheid van die voorwaarden tijdens de beoordeling. Bij wijze van uitzondering kan het ook noodzakelijk zijn informatie te verzamelen bij andere ondernemingen die actief zijn in sectoren welke nauw verbonden zijn met de sector van de elektronischecommunicatiediensten, zoals aanbieders van inhoud, die over gegevens beschikken die mogelijk nodig zijn voor de uitoefening van hun taken uit hoofde van het Unierecht. Het kan nodig zijn die informatie te verzamelen voor de Commissie, om haar in staat te stellen haar verplichtingen uit hoofde van het Unierecht na te komen. Verzoeken om informatie moeten proportioneel zijn en mogen geen buitensporige last meebrengen voor ondernemingen. Door nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties verzamelde informatie moet voor het publiek beschikbaar zijn, behalve wanneer die vertrouwelijk is, zulks in overeenstemming met de nationale regels inzake de toegang van het publiek tot informatie en met inachtneming van Unie- en nationale regels betreffende vertrouwelijkheid van handelsgegevens.
(375)Om hun regelgevende taken op doeltreffende wijze te kunnen uitvoeren, moeten de gegevens die de nationale regelgevende instanties bijeenbrengen onder meer gegevens bevatten over de retailmarkten die verbonden zijn aan wholesalemarkten waar een onderneming is aangewezen als een onderneming met aanmerkelijke marktmacht en die dan ook door de nationale regelgevende instantie worden gereguleerd. Het gaat hierbij ook om gegevens die de nationale regelgevende instantie in staat moeten stellen de naleving van de aan het gebruiksrecht verbonden voorwaarden en de mogelijke effecten te beoordelen van geplande verbeteringen of veranderingen aan de netwerktopologie op de ontwikkeling van mededinging of op wholesaleproducten die beschikbaar worden gesteld aan andere partijen. Informatie betreffende de naleving van de aan de gebruiksrechten van radiospectrum verbonden dekkingsverplichtingen is essentieel om de volledigheid van het geografisch onderzoek naar netwerkontwikkelingen te waarborgen. Daartoe moet de bevoegde instantie kunnen verlangen dat de vereiste informatie tot op lokaal niveau nauwkeurig is en voldoende fijnmazig is om een geografisch onderzoek van de netwerken te kunnen uitvoeren. Er moeten gemeenschappelijke modellen en benaderingen worden ontwikkeld voor de rapportage door dienstverleners van financiële en statistische gegevens, netwerken en dienstencategorieën en andere marktinformatie. Na vaststelling van de rapportagevereisten moeten wijzigingen zo veel mogelijk tot een minimum worden beperkt.
(376)Voor de verwezenlijking van de duurzaamheidsdoelstellingen van de Unie is het essentieel dat de Unie investeringen aantrekt in duurzame activiteiten op het gebied van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten. Op grond van verordeningen zoals, maar niet beperkt tot, Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn (EU) 2022/2464 van het Europees Parlement en de Raad kan voor financiële en niet-financiële ondernemingen dezelfde gemeenschappelijke definitie worden gebruikt van economische activiteiten die als duurzaam kunnen worden beschouwd. Elektronischecommunicatienetwerken vallen met name onder de EU-gedragscode voor de duurzaamheid van telecommunicatienetwerken, zoals gepland in de mededeling van de Commissie van 18 oktober 2022 getiteld “Digitalisering van het energiesysteem — EU-actieplan”. Overeenkomstig het eenmaligheidsbeginsel moeten de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties beoordelen of de informatie over duurzaamheid die ondernemingen reeds hebben verstrekt op grond van het Unierecht, voor hen en Berec toereikend is om hun regelgevende taken op grond van het Unierecht uit te voeren. In dit verband moet Berec, in het kader van zijn horizontale richtsnoeren inzake informatie en rapportage, de duurzaamheidsgerelateerde rapportageverplichtingen in kaart brengen. Berec moet in het kader van de toepassing van het Unierecht samenwerken met andere bevoegde instanties om een efficiënte verzameling en verwerking te waarborgen van gegevens uit andere duurzaamheidsverslagen die krachtens het Unierecht of het nationale recht vereist zijn, teneinde de administratieve lasten tot een minimum te beperken en bestaande relevante gegevens te hergebruiken.
(377)Het moet mogelijk zijn om met de Commissie, Berec en andere instanties informatie uit te wisselen die door een bevoegde instantie, in overeenstemming met de Unie- en nationale regels betreffende vertrouwelijkheid en bedrijfsgeheimen en betreffende de bescherming van persoonsgegevens, als vertrouwelijk wordt beschouwd, wanneer die uitwisseling noodzakelijk is. De uitgewisselde informatie moet beperkt zijn tot hetgeen relevant is voor en evenredig is met het doel van een dergelijke uitwisseling.
(378)De verplichtingen van de lidstaten om alle informatie te verstrekken voor de verdediging van belangen van de Unie op grond van internationale overeenkomsten en rapportageverplichtingen krachtens recht dat niet specifiek is voor de elektronischecommunicatiesector, zoals het mededingingsrecht, blijven onverminderd van toepassing.
(379)Om informatieverzoeken minder belastend te maken voor aanbieders van netwerken en diensten en voor de betrokken bevoegde instantie, moet Berec richtsnoeren vaststellen over de reikwijdte van informatie- en rapportageverzoeken, modellen, formaten, timing en frequentie. De Berec-richtsnoeren moeten de regelmatige en systematische verslaglegging in verband met de algemene machtiging, individuele gebruiksrechten voor schaarse middelen en specifieke verplichtingen harmoniseren. Dergelijke verslagen hoeven niet vaker dan eenmaal per jaar te worden ingediend en moeten worden gebaseerd op modellen van Berec. Informatieverzoeken en rapportageverplichtingen moeten evenredig en objectief gerechtvaardigd zijn en beperkt blijven tot wat strikt noodzakelijk is. Met name dubbele verzoeken om informatie van de bevoegde instantie en Berec waarbij systematisch en regelmatig wordt aangetoond dat is voldaan aan alle in het kader van een algemene machtiging geldende of aan de gebruiksrechten verbonden voorwaarden, moeten worden vermeden. Ondernemingen moeten op de hoogte worden gesteld van het beoogde gebruik van de gevraagde informatie. Het verstrekken van informatie mag geen voorwaarde voor markttoegang zijn. Voor statistische doeleinden en om te waarborgen dat de informatie in de databank met meldingen accuraat is, kan van de aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten kennisgeving van stopzetting van de activiteit worden verlangd.
(380)Regulering moet gebaseerd zijn op gedetailleerde informatie over de uitrol van netwerken om de effectiviteit te waarborgen en de inspanningen toe te spitsen op de gebieden waar ze nodig zijn. Die informatie is essentieel om investeringen te bevorderen, de connectiviteit in de hele Unie te doen toenemen en informatie te verstrekken aan alle desbetreffende instanties en burgers. Die informatie moet onderzoeken omvatten over zowel de uitrol van gigabitnetwerken als significante upgrades of uitbreidingen van netwerken die niet op alle vlakken de prestatiekenmerken van gigabitnetwerken bezitten, zoals de uitrol van glasvezel tot de kast in combinatie met actieve technologieën zoals vectoring. De verzamelde informatie moet ook relevante informatie omvatten voor het proces van de uitschakeling van kopernetwerken. De betrokken prognoses moeten betrekking hebben op een periode van maximaal drie jaar. De nauwkeurigheid en territoriale fijnmazigheid van de informatie die de bevoegde instanties moeten verzamelen, moet worden bepaald door de regelgevende doelstellingen en moet toereikend zijn voor die regelgevingsdoelstellingen. De omvang van de territoriale eenheid zal dan ook verschillen van lidstaat tot lidstaat, afhankelijk van de regelgevingsbehoeften in de specifieke nationale context en de beschikbaarheid van lokale gegevens. De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties moeten van Berec richtsnoeren krijgen over de beste praktijken voor de aanpak van die taak, waarbij die richtsnoeren voortbouwen op de beschikbare ervaring van de nationale regelgevende instanties en/of andere bevoegde instanties met de uitvoering van geografische onderzoeken van de netwerkontwikkeling. Onverminderd de eerbiediging van vertrouwelijke informatie en bedrijfsgeheimen moeten de bevoegde instanties, indien de informatie niet reeds op de markt beschikbaar is, de gegevens vrij beschikbaar stellen in een open formaat in overeenstemming met Richtlijn (EU) 2019/1024 van het Europees Parlement en de Raad en zonder beperkingen op hergebruik van in dergelijke onderzoeken vergaarde informatie, en moeten ze de eindgebruikers tools aanreiken met betrekking tot de kwaliteit van de dienstverlening om hen beter bewust te maken van de beschikbare connectiviteitsdiensten. Bij de vergaring van dergelijke informatie moeten alle betrokken instanties het vertrouwelijkheidsbeginsel in acht nemen en mogen zij ondernemingen geen concurrentienadeel berokkenen.
(381)Wanneer uit geografisch onderzoek, eventueel in combinatie met andere relevante gegevens, blijkt dat sprake is van problemen op het gebied van mededinging, moeten de nationale regelgevende instanties indien dat gerechtvaardigd is een marktanalyse kunnen uitvoeren.
(382)Betrouwbare informatie over de uitrol van breedbandnetwerken is essentieel om staatssteun exact te kunnen richten en voor de verificatie van universeledienstverplichtingen en een doeltreffende bevordering van mededinging. Het kan zijn dat periodieke onderzoeken het dynamische karakter van de uitrol van glasvezel niet in beeld brengen. Daarom wordt in de beste praktijken voorgesteld om voor de inventarisatie van de uitrol van netwerken geen statisch, maar constant onderzoek uit te voeren, idealiter aan de hand van een op API’s gebaseerd gegevensopnamemodel, waarbij een “realtime digitale tweeling” van connectiviteit in de Unie tot stand wordt gebracht die zowel terrestrische als niet-terrestrische (satelliet)connectiviteit omvat.
(383)Om aan de staatssteunregels te voldoen, moet het gesubsidieerde netwerk onder meer voorzien in een passende stapsgewijze verandering ten opzichte van bestaande netwerken of geplande netwerken die naar verwachting zullen worden uitgerold. Hiervoor moeten mogelijk concrete snelheidsdrempels in kaart worden gebracht.
(384)Voor de nauwkeurige berekening van de beschikbaarheid (aansluitbare panden), gereedheid (aangesloten panden) en benutting (geactiveerde panden) van het geografische bereik, connectiviteitsdekking van gigabitnetwerken, benuttingspercentages en marktaandelen is een exacte noemer vereist. Om de robuustheid van deze berekeningen te waarborgen, moeten de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties toegang hebben tot de gezaghebbende telling van huishoudens en fysieke panden per adrespunt, die worden bijgehouden door nationale bureaus voor de statistiek of kadastrale instanties. Toegang tot deze betrouwbare gegevens is essentieel om de connectiviteitsdekking en penetratiegraad nauwkeurig te berekenen voor de monitoring van de doelstellingen van het digitale decennium en om een robuuste en consistente marktanalyse in de hele Unie te waarborgen.
(385)Toegang tot gigabitnetwerken is een voorwaarde voor sociale inclusie en economische ontwikkeling, maar factoren aan de vraagzijde hebben een aanzienlijke invloed op de betwistbaarheid van de markt en de levensvatbaarheid van investeringen. Om doeltreffende marktanalyses uit te voeren, relevante markten te definiëren en overheidsinterventies doelgericht te maken, moeten de nationale regelgevende instanties onderscheid kunnen maken tussen “lacunes in de infrastructuur” (er zijn geen netwerken) en “lacunes in de benutting” (er zijn wel netwerken, maar deze worden niet gebruikt). Het kan derhalve nuttig zijn geospatiale netwerkgegevens en sociaal-economische microgegevens te vergelijken om vast te stellen welke beperkingen mogelijk van invloed zijn op de dekking, de vraag en digitale inclusie.
(386)Gegevens over de samenstelling van huishoudens, de leeftijdsstructuur en het beschikbare inkomen kunnen relevant zijn voor de beoordeling van de elasticiteit van de vraag en potentiële belemmeringen voor de invoering van breedbanddiensten. Voorts kunnen inkomens- en armoede-indicatoren, indien deze beschikbaar zijn, worden gebruikt om automatisch te verifiëren of een huishouden in aanmerking komt voor sociale vouchers. De verwerking van deze indicatoren zou de lidstaten in staat stellen overheidssubsidies te richten op de meest kwetsbare burgers en tegelijkertijd mogelijke mededingingsverstoringen te vermijden.
(387)De ervaring heeft geleerd dat er vaak nog steeds sprake is van technische belemmeringen in de fase van de eindaansluiting van de gebruiker, die geen verband houden met de nabijheid van netwerken. Daarom zijn statistische gegevens over de fysieke kenmerken van gebouwen, met inbegrip van het bouwjaar, het type woningen (meergezinswoningen versus eengezinswoningen) en de huurstatus, relevant. Met toegang tot deze gegevens zouden regulators “verticale knelpunten” in kaart kunnen brengen, zoals kosten van interne bedrading die investeringen kunnen belemmeren, en kostenmodellen voor wholesaletoegangsprijzen dienovereenkomstig aanpassen.
(388)Voor een doeltreffende uitvoering van regelgevende taken, waaronder het afbakenen van subnationale geografische markten en het richten van staatssteun, kunnen de nationale regelgevende instanties verlangen dat geospatiale netwerkgegevens worden verwerkt in combinatie met gedetailleerde sociaal-economische en fysieke microgegevens op het niveau van individuele adrespunten. Indien de verwerking van persoonsgegevens vereist is om die taken uit te voeren, wordt die verwerking uitgevoerd overeenkomstig artikel 6, lid 1, punt e), en artikel 6, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679. Om de volledige naleving van de in Verordening (EG) nr. 223/2009 neergelegde beginselen van statistische geheimhouding te waarborgen, moet deze verordening het gebruik van een beveiligde verwerkingsomgeving of gelijkwaardige beveiligde technische interfaces bevorderen. Een dergelijke omgeving waarborgt dat tijdens de analyse van microgegevens omwille van de nauwkeurigheid geen vertrouwelijke gegevens aan de regelgevende instantie worden bekendgemaakt en dat van deze analyse afgeleide openbare verslagen worden geaggregeerd tot een niveau dat heridentificatie van specifieke statistische eenheden niet mogelijk maakt, waarbij doorgaans een minimumdrempel van ten minste drie eenheden wordt gehandhaafd.
(389)Om de samenhang op de interne markt te waarborgen, moet Berec zijn richtsnoeren kunnen bijwerken om de technische normen voor de beveiligde verwerkingsomgeving en de gegevensdefinities voor de sociaal-economische indicatoren te specificeren, waarbij met behulp van gestandaardiseerde API’s wordt gewaarborgd dat de lasten voor de nationale bureaus voor de statistiek tot een minimum worden beperkt.
(390)Terwijl marktdeelnemers hun uitrolplannen kunnen wijzigen om onvoorspelbare, objectieve en gerechtvaardigde redenen, moeten de bevoegde instanties optreden, ook indien er overheidsfinanciering mee gemoeid is, en moeten zij in voorkomend geval sancties opleggen als een onderneming of overheid hun bewust of ten gevolge van grove nalatigheid misleidende, onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft. Met betrekking van sancties moet grove nalatigheid betrekking hebben op een situatie waarin een onderneming of een overheidsinstantie misleidende, onjuiste of onvolledige informatie verschaft ten gevolge van haar gedrag of interne organisatie waardoor de nodige zorgvuldigheid ten aanzien van de verstrekte informatie duidelijk niet in acht is genomen. Grove nalatigheid betekent niet per se dat de onderneming of de overheid weet dat de verstrekte informatie onvolledig, onjuist of misleidend is, maar dat zij dit zou hebben geweten als zij met de nodige zorgvuldigheid had gehandeld of was georganiseerd. Het is van belang dat de sancties voldoende afschrikkend zijn, gezien de negatieve gevolgen voor de mededinging en door de overheid gefinancierde projecten. De bepalingen inzake sancties mogen geen afbreuk doen aan rechten om een schadevergoeding te eisen overeenkomstig het nationale recht.
(391)Om alle burgers van de Unie toegang te bieden tot het internet en digitale diensten is het van essentieel belang dat de digitale kloof binnen de Unie wordt overbrugd. Met het oog daarop moeten de betrokken regelgevende instanties, in het geval van specifieke en duidelijk afgebakende gebieden, ondernemingen en overheden kunnen verzoeken te verklaren dat zij voornemens zijn in die gebieden gigabitnetwerken uit te rollen, waarbij hun genoeg tijd moet worden gegeven om een weloverwogen antwoord te geven. De informatie in de prognoses moet de economische vooruitzichten weergeven voor de sector elektronischecommunicatienetwerken en de investeringsvoornemens van ondernemingen ten tijde van het verzamelen van de gegevens, teneinde de beschikbare connectiviteit in verschillende gebieden te kunnen vaststellen. Indien een onderneming of een overheid verklaart voornemens te zijn om in een gebied over te gaan tot uitrol, moet de nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie van andere ondernemingen en overheden kunnen verlangen dat zij verklaren of zij voornemens zijn in dat gebied gigabitnetwerken uit te rollen. Die procedure, waarvoor het onontbeerlijk is dat marktdeelnemers naar waarheid en te goeder trouw antwoorden, zal transparantie scheppen voor ondernemingen en overheden die belangstelling hebben getoond voor uitrol in dit gebied, zodat zij bij het ontwerpen van hun zakelijke plannen kunnen beoordelen of zij concurrentie zullen krijgen van andere netwerken. Met het oog op een voorspelbaar investeringsklimaat moeten bevoegde instanties met ondernemingen en overheden die bereid zijn gigabitnetwerken uit te rollen informatie kunnen uitwisselen over de vraag of in het betrokken gebied andere vormen van netwerkverbeteringen aan de gang zijn of zijn gepland.
(392)Het is van belang dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties alle betrokken partijen raadplegen over voorgestelde besluiten, hen — gezien de complexiteit van de materie — voldoende tijd geven om opmerkingen te formuleren en rekening houden met hun opmerkingen voordat zij een definitief besluit nemen. Om ervoor te zorgen dat besluiten op nationaal niveau geen nadelig gevolg hebben voor de werking van de interne markt of andere doelstellingen van het VWEU, moeten de nationale regelgevende instanties bepaalde specifieke ontwerpbesluiten, met name inzake de werking van de markt en mededinging, eveneens meedelen aan de Commissie en andere nationale regelgevende instanties. Het is passend dat de bevoegde instanties in de in deze verordening omschreven gevallen de betrokken partijen raadplegen over alle ontwerpmaatregelen die van invloed zijn op de handel tussen de lidstaten.
(393)In een concurrerende omgeving moet rekening worden gehouden met de standpunten van de belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten. Teneinde op passende wijze aan de belangen van de burger te voldoen, moeten de lidstaten een geschikt raadplegingsmechanisme opzetten. Een dergelijk mechanisme kan de vorm aannemen van een orgaan dat, onafhankelijk van de nationale regelgevende instantie én van de dienstenleveranciers, onderzoek uitvoert over consumentenkwesties, zoals consumentengedrag en mechanismen voor het veranderen van dienstenleverancier, dat op een transparante wijze functioneert en de bestaande mechanismen voor raadpleging van de belanghebbenden aanvult. Bovendien kan een mechanisme worden ingesteld om adequate samenwerking mogelijk te maken inzake kwesties die verband houden met de bevordering van wettelijke inhoud. Samenwerkingsprocedures die op grond van zo’n mechanisme tot stand komen, mogen evenwel geen stelselmatig toezicht op internetgebruik toestaan.
(394)Normalisatie moet in de eerste plaats een door de markt gestuurd proces blijven. Er kunnen zich echter nog steeds situaties voordoen waarin het wenselijk is dat op Unieniveau bepaalde normen worden opgelegd om interoperabiliteit en de keuzevrijheid van de gebruikers op de interne markt te verbeteren, en interconnectiviteit op de interne markt aan te moedigen. Op nationaal niveau moeten de lidstaten Richtlijn (EU) 2015/1535 nakomen. De normalisatieprocedures uit hoofde van deze verordening moeten de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/35/EU van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2014/53/EU onverlet laten.
(395)De harmonisatie en coördinatie van het radiospectrum en de regelgeving inzake apparatuur, gesteund door normalisatie op grond van Richtlijn 2014/53/EU, vullen elkaar aan en moeten zorgvuldig worden gecoördineerd, zodat de gemeenschappelijke doelstellingen worden behaald, met ondersteuning van het RSPB. Coördinatie tussen de in het kader van Beschikking nr. 676/2002/EG aan de CEPT verstrekte mandaten betreffende inhoud en tijdschema’s en aan normalisatie-instellingen, zoals het Europees Instituut voor telecommunicatienormen, gerichte verzoeken betreffende normalisatie, onder meer wat betreft parameters voor radio-ontvangers, moet ervoor zorgen dat de invoering van toekomstige systemen wordt vergemakkelijkt, mogelijkheden voor het gedeeld gebruik van radiospectrum tot stand worden gebracht en een efficiënt beheer van radiospectrum wordt gewaarborgd.
(396)Aan normalisatie-instellingen, zoals het Europees Instituut voor telecommunicatienormen, gerichte verzoeken betreffende normalisatie, onder meer wat betreft parameters voor radio-ontvangers, moeten ervoor zorgen dat de invoering van toekomstige systemen wordt vergemakkelijkt, mogelijkheden voor het gedeeld gebruik van radiospectrum tot stand worden gebracht en een efficiënt beheer van radiospectrum wordt gewaarborgd.
(397)De Unie en de lidstaten zijn in de Wereldhandelsorganisatie verplichtingen aangegaan met betrekking tot normen en het regelgevingskader voor telecommunicatienetwerken en -diensten.
(398)Buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsprocedures kunnen voor eindgebruikers een snelle en kostenefficiënte manier zijn om hun rechten af te dwingen, met name voor consumenten en micro- en kleine ondernemingen als omschreven in de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie. De lidstaten moeten de nationale regelgevende instantie of de bevoegde instantie die verantwoordelijk is voor het behandelen van rechten van de eindgebruiker, of ten minste één onafhankelijk orgaan dat heeft bewezen op dat gebied deskundig te zijn, laten optreden als alternatievegeschillenbeslechtingsorgaan. Met betrekking tot dergelijke geschillenbeslechting moeten de autoriteiten of andere instanties die als entiteiten voor alternatieve geschillenbeslechting zijn aangemeld, volledig voldoen aan de kwaliteitseisen van Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad, en mogen zij met name niet aan instructies worden onderworpen. Aangezien talrijke lidstaten geschillenbeslechtingsprocedures hebben opgezet voor andere eindgebruikers dan consumenten, op wie Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad niet van toepassing is, is het redelijk de sectorspecifieke geschillenbeslechtingsprocedure voor zowel consumenten als, ingeval de lidstaten in die uitbreiding voorzien, voor andere eindgebruikers, met name micro- en kleine ondernemingen te handhaven. Met betrekking tot buitengerechtelijke beslechting van geschillen moeten de lidstaten regels kunnen behouden of invoeren die verder gaan dan de regels die zijn vastgelegd in Richtlijn 2013/11/EU om te zorgen voor een hoger niveau van consumentenbescherming.
(399)In geval van een geschil tussen ondernemingen in dezelfde lidstaat op een gebied dat onder deze verordening valt, bijvoorbeeld in verband met toegang en interconnectie of de wijze waarop eindgebruikerslijsten worden overgedragen, moet een benadeelde partij die te goeder trouw heeft onderhandeld maar geen akkoord heeft kunnen bereiken, een beroep kunnen doen op de nationale regelgevende instantie om het geschil te beslechten. De nationale regelgevende instanties moeten in staat zijn de partijen een oplossing op te leggen. Bij het optreden van een nationale regelgevende instantie in het beslechten van geschillen tussen aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aan het publiek of bijbehorende faciliteiten in een lidstaat, moet gezorgd worden voor overeenstemming met de verplichtingen krachtens deze verordening.
(400)Naast het recht van beroep waarin het Unierecht of het nationale recht voorziet, bestaat er behoefte aan een eenvoudige procedure die op verzoek van elke partij bij het geschil op gang kan worden gebracht, om grensoverschrijdende geschillen te beslechten tussen ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken of -diensten in verschillende lidstaten aanbieden of daartoe gemachtigd zijn.
(401)Een belangrijke taak van Berec is in voorkomend geval adviezen te verstrekken in verband met grensoverschrijdende geschillen. De nationale regelgevende instanties moeten in die gevallen bij het opleggen van verplichtingen aan een onderneming of de beslechting van geschillen dan ook rekening houden met de door Berec verstrekte adviezen.
(402)Technologische en marktontwikkelingen op het gebied van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en cloud- en op AI gebaseerde netwerken en diensten leiden tot meer interactie, samenwerking en commerciële overeenkomsten tussen een breed scala aan ondernemingen, waaronder aanbieders van elektronischecommunicatiediensten, aanbieders van inhoud en toepassingen, software- en AI-ontwikkelaars en fabrikanten van netwerkapparatuur. In het licht van deze ontwikkelingen moet Berec ondernemingen bijstaan door middel van richtsnoeren die onder meer betrekking hebben op beste praktijken om de samenwerking tussen marktspelers in het bredere connectiviteitsecosysteem te faciliteren in overeenstemming met de regels van het mededingingsrecht. Deze richtsnoeren moeten toekomstgericht zijn en toekomstige baanbrekende innovaties mogelijk maken, evenals de ontwikkeling van toepassingen die bijdragen tot de doelstellingen van de Unie in het kader van het kompas voor concurrentievermogen. Berec kan, met de steun van het ODN, nauw samenwerken met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en andere relevante belanghebbenden. Met dat doel voor ogen kan Berec een specifieke samenwerkingsgroep van belanghebbenden oprichten om de gestructureerde dialoog en de uitwisseling van beste praktijken en technische deskundigheid te faciliteren en een consistente en doeltreffende uitvoering van de richtsnoeren te bevorderen.
(403)De samenwerkingsaspecten in het kader van die Berec-richtsnoeren moeten betrekking hebben op overeenkomsten inzake het dienstverleningsniveau tussen netwerkaanbieders en aspecten in verband met een billijk, redelijk en evenredig gebruik van de middelen van de andere partij, in het bijzonder bij de overdracht van IP-verkeer via interconnectie, “peering” en “transit” met het oog op de efficiënte, economisch duurzame en betrouwbare levering van diensten van de informatiemaatschappij of elektronischecommunicatiediensten, met name ten behoeve van de eindgebruiker. In het bijzonder mogen overeenkomsten tussen die spelers inzake de overdracht van verkeer niet leiden tot onevenredige of economisch niet-duurzame investeringsbehoeften voor netwerkaanbieders, en de voordelen die voortvloeien uit het toegenomen verkeer moeten worden gedeeld op een wijze die bevorderlijk is voor verdere investeringen, innovatie en de veerkracht van netwerken. In de richtsnoeren moet dan ook worden ingegaan op praktijken die een nuttige technische samenwerking mogelijk maken binnen het bredere ecosysteem voor connectiviteit en digitale diensten.
(404)In de Berec-richtsnoeren moet ook aandacht worden besteed aan de uitwisseling van informatie over verwachte verkeerspatronen, met inbegrip van pieken, en aan verkeersprognoses in het algemeen, zodat netwerkplanning en congestiebeheer kunnen worden geoptimaliseerd. Voorts moet in de richtsnoeren worden ingegaan op aanvullende aspecten van energie-efficiënte, een economisch duurzame en betrouwbare levering van verkeer vanuit een eind-tot-eindperspectief, met inbegrip van de bevordering van een meer geharmoniseerd gebruik van gegevenscompressietechnieken zoals codecs, teneinde het energieverbruik te verminderen en een efficiënter gebruik van netwerken mogelijk te maken. Bovendien kunnen de Berec-richtsnoeren, teneinde het aanbieden van innovatieve diensten te stimuleren, ook oriëntatie bieden ten aanzien van kaders voor gezamenlijke innovaties van elektronischecommunicatienetwerken en andere ondernemingen die actief zijn in de elektronischecommunicatiesector of in nauw verwante sectoren. Daarnaast kunnen de richtsnoeren voorzien in goede praktijken voor neutrale host- en multiclouduitrol in elektronischecommunicatienetwerken, zodat de belemmeringen voor innovatie door AI-ontwikkelaars en aanbieders van inhoud worden verminderd, in overeenstemming met Verordening (EU) 2023/2854 van het Europees Parlement en de Raad, en interoperabiliteitsnormen en andere relevante maatregelen bevorderen om de uitrol te stimuleren van innovatieve producten en diensten die samenwerking vereisen tussen aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of tussen dergelijke aanbieders en andere ondernemingen die actief zijn in de elektronischecommunicatiesector of nauw verwante sectoren. Dergelijke innovatieve producten en diensten kunnen onder meer bestaan uit de gezamenlijke uitrol van edgecomputingdiensten om cloudmiddelen die nodig zijn voor de levering van diensten met korte wachttijden dichter bij mobiele abonnees te brengen, het aanbieden van bedrijfs- of industriële IoT-platforms die samenwerking vereisen tussen aanbieders van cloud- en elektronischecommunicatienetwerken, of aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en aanbieders van inhoud en toepassingen die samen caches binnen netwerken uitrollen om streaming te optimaliseren. Kwesties die in die richtsnoeren aan de orde komen, waaronder die welke verband houden met interconnectie tussen voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatienetwerken en elektronische communicatienetwerken die eigendom zijn van ondernemingen en niet publiek beschikbaar zijn, mogen niet worden onderworpen aan een geschillenbeslechtingsmechanisme, aangezien dat mechanisme beperkt moet blijven tot de handhaving van de in deze verordening vastgestelde verplichtingen en niet van toepassing mag zijn op regelingen van coöperatieve of vrijwillige aard.
(405)Ter bevordering van een doeltreffende samenwerking tussen aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en andere ondernemingen die actief zijn in de sector elektronische communicatie of in nauw verwante sectoren, is het passend een vrijwillige bemiddelingsprocedure in te stellen om de dialoog over technische en commerciële regelingen te faciliteren. Een dergelijke procedure biedt een gestructureerd en neutraal forum, ondersteund door de nationale regelgevende instanties in samenwerking met Berec, om minnelijke oplossingen aan te moedigen, de kans op langdurige geschillen te verminderen en de consistentie van regelgeving te verbeteren. Om een coherente en geharmoniseerde toepassing van deze vrijwillige bemiddelingsprocedure in de hele Unie te waarborgen, moet gedurende de volledige procedure, ook tijdens de bemiddelingsbijeenkomst en bij het opstellen van het verslag daarvan, nauwe samenwerking met Berec worden gewaarborgd. Berec moet met name advies uitbrengen over individuele gevallen die door de partijen naar voren zijn gebracht in het kader van bemiddelingsprocedures die worden geleid door nationale regelgevende instanties. Daarnaast moeten de richtsnoeren inzake samenwerking binnen het ecosysteem de nationale regelgevende instanties oriëntatie met betrekking tot de beoordeling van de relevante commerciële en technische aangelegenheden en opties voor doeltreffende samenwerking tussen de partijen bieden. Door samenwerking en wederzijds begrip aan te moedigen, kan deze procedure bijdragen tot een efficiëntere, economisch duurzamere en betrouwbaardere levering van IP-verkeer, de interoperabiliteit en kwaliteit van diensten stimuleren en de uitrol van innovatieve diensten op basis van samenwerking faciliteren, met behoud van de contractuele vrijheid.
(406)De lidstaten moeten misschien wijzigingen aanbrengen in rechten, voorwaarden, procedures, bijdragen en vergoedingen met betrekking tot algemene machtigingen en gebruiksrechten indien dat objectief gerechtvaardigd is. Dergelijke voorgestelde wijzigingen moeten tijdig en op passende wijze ter kennis van alle belanghebbende partijen worden gebracht, zodat deze voldoende gelegenheid wordt geboden om hun standpunt ten aanzien van de wijzigingen naar voren te brengen. Onnodige procedures moeten worden vermeden bij kleine wijzigingen van bestaande rechten voor de installatie van faciliteiten of van rechten op het gebruik van radiospectrum of van nummervoorraden, indien die wijzigingen geen impact hebben op de belangen van derden. Kleine wijzigingen van rechten en plichten zijn wijzigingen die hoofdzakelijk van administratieve aard zijn, niet leiden tot verandering van de inhoud van de algemene machtigingen en de individuele gebruiksrechten en derhalve geen concurrentievoordeel voor andere ondernemingen kunnen opleveren.
(407)Gelet op het belang de rechtszekerheid te waarborgen en teneinde de voorspelbaarheid van de regelgeving te bevorderen met het oog op een veilig investeringsklimaat, met name voor nieuwe draadlozebreedbandcommunicatie, moet elke beperking of intrekking van bestaande rechten op het gebruik van radiospectrum of van nummervoorraden of voor de installatie van faciliteiten verlopen via voorspelbare en transparante verantwoordingen en procedures. Derhalve kunnen strengere eisen of een meldingssysteem worden opgelegd, met name wanneer gebruiksrechten zijn verleend op grond van concurrerende of vergelijkende procedures en in het geval van geharmoniseerde radiospectrumbanden die worden gebruikt voor draadlozebreedbanddiensten voor elektronische communicatie (“draadlozebreedbanddiensten”). Motiveringen met verwijzingen naar efficiënt en doeltreffend gebruik van radiospectrum en technologische ontwikkeling zouden kunnen berusten op uit hoofde van Beschikking nr. 676/2002/EG vastgestelde technische uitvoeringsmaatregelen. Indien algemene machtigingen tot en individuele rechten op het gebruik van radiospectrum moeten worden beperkt, ingetrokken of gewijzigd zonder de toestemming van de houder van het recht, kan dit na overleg met de belanghebbende partijen, tenzij de voorgestelde wijzigingen van ondergeschikt belang zijn. Aangezien de beperking of intrekking van algemene machtigingen of rechten aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de houders ervan moeten de bevoegde instanties bijzonder zorgvuldig te werk gaan en, alvorens maatregelen te treffen, nagaan welke potentiële nadelige gevolgen dergelijke maatregelen kunnen hebben.
(408)De bevoegde instanties moeten toezicht houden op en zorgen voor de naleving van de voorwaarden van de algemene machtiging en van het gebruiksrecht voor radiospectrum, en met name waarborgen dat het radiospectrum effectief en efficiënt wordt gebruikt en dat de verplichtingen inzake dekking en kwaliteit van de diensten worden nageleefd door administratieve sancties op te leggen, waaronder geldelijke sancties of de intrekking van gebruiksrechten, wanneer die voorwaarden niet worden nageleefd. Ondernemingen moeten de bevoegde instanties zo nauwkeurig en volledig mogelijke informatie verstrekken om hen in staat te stellen hun toezichthoudende taken te vervullen.
(409)Elke partij ten aanzien waarvan een bevoegde instantie een besluit neemt, met inbegrip van een besluit om een verzoek om de verlening van rechten voor het installeren van faciliteiten niet in behandeling te nemen, moet het recht hebben beroep aan te tekenen bij een instantie die onafhankelijk is van de betrokken partijen en van elke externe interventie of politieke druk. Die beroepsprocedure mag geen afbreuk doen aan de bevoegdheidsverdeling binnen nationale rechtsstelsels noch aan de rechten van rechtspersonen of natuurlijke personen uit hoofde van het nationale recht. De lidstaten moeten in ieder geval voorzien in daadwerkelijke beroepsmogelijkheden tegen dergelijke besluiten.
(410)Om de marktdeelnemers rechtszekerheid te bieden, moeten de beroepsinstanties hun taken effectief uitoefenen. Met name mag de beroepsprocedure niet te lang zijn. Voorlopige maatregelen die de gevolgen van het besluit van een bevoegde instantie schorsen, moeten alleen in dringende gevallen worden verleend om te voorkomen dat de partij die om dergelijke maatregelen verzoekt, ernstige en onherstelbare schade lijdt en uitsluitend indien dit nodig is om het belangenevenwicht te waarborgen.
(411)Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om besluiten vast te stellen om problemen met grensoverschrijdende schadelijke interferentie tussen lidstaten op te lossen; een geharmoniseerde of gecoördineerde aanpak vast te stellen om iets te doen aan de inconsistente uitvoering door nationale regelgevende instanties van algemene benaderingen voor de regulering van elektronischecommunicatiemarkten, alsmede van nummering, met inbegrip van nummerreeksen, portabiliteit van nummers en identificatoren, nummer- en adresvertaalsystemen en toegang tot noodhulpdiensten via het uniforme Europese alarmnummer “112”; de toepassing van normen of specificaties verplicht te stellen of normen of specificaties uit het verplichte deel van de lijst van normen te schrappen; de technische en organisatorische maatregelen vast te stellen die nodig zijn om de risico’s voor de beveiliging van netwerken en diensten op passende wijze te beheersen, alsook om de omstandigheden waarin beveiligingsincidenten moeten worden gemeld en het formaat en de procedures die in dit kader moeten worden gebruikt, vast te stellen; relevante details te specificeren met betrekking tot verhandelbare individuele rechten die openbaar beschikbaar zijn in een gestandaardiseerd elektronisch formaat wanneer de gebruiksrechten voor radiospectrum worden gecreëerd om de fysieke en technische kenmerken te specificeren van draadloze toegangspunten met klein bereik; een nationale regelgevende instantie toe te staan of te beletten aan ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht bepaalde verplichtingen op te leggen inzake toegang of interconnectie; specifieke nummers of nummerreeksen te harmoniseren om tegemoet te komen aan een onvervulde grensoverschrijdende of pan-Europese vraag naar nummervoorraden; en het model voor de samenvatting van contracten te specificeren dat aan consumenten moet worden verstrekt. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad.
(412)De publicatie van informatie door de lidstaten moet ervoor zorgen dat marktpartijen en potentiële nieuwe aanbieders hun rechten en verplichtingen kennen en weten waar zij nadere gegevens kunnen vinden. Publicatie in nationale publicatiebladen draagt ertoe bij dat de betrokken partijen en andere lidstaten de nodige informatie kunnen verkrijgen.
(413)Om te kunnen nagaan of het Unierecht correct wordt toegepast moet de Commissie weten welke ondernemingen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht zijn aangewezen en welke verplichtingen door de nationale regelgevende instanties aan marktpartijen zijn opgelegd. Het is dus noodzakelijk dat de lidstaten die informatie niet alleen publiceren op nationaal niveau, maar ook bij de Commissie indienen. Als de Commissie van de lidstaten informatie verlangt, moet die informatie met elektronische middelen kunnen worden toegezonden, mits passende verificatieprocedures worden overeengekomen.
(414)De Commissie moet de werking van deze verordening op gezette tijden evalueren, met name om te bepalen of in het licht van veranderende technologische of marktomstandigheden wijzigingen nodig zijn. Bij de evaluatie van de werking van deze verordening moet de Commissie beoordelen of er, gelet op de ontwikkelingen op de markt en zowel met betrekking tot de mededinging als tot de consumentenbescherming, nog steeds behoefte is aan de bepalingen betreffende sectorspecifieke regulering ex-ante dan wel of deze bepalingen moeten worden gewijzigd of ingetrokken.
(415)Overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 is de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming geraadpleegd, en op [dd maand 2026] heeft hij een advies uitgebracht.
(416)Er moet worden voorzien in een overgangsperiode waarin de Commissie de Unieregeling voor satellietmachtigingen kan opzetten die de nationale machtigingsregelingen moet gaan vervangen. Tijdens deze periode moet de Commissie de voorwaarden definiëren die van toepassing zijn op het aanbieden van satellietnetwerken en satellietcommunicatiediensten en het gebruik van spectrum, en de procedure vaststellen die ondernemingen moeten volgen om hun verzoeken om Uniemachtiging in te dienen, met inbegrip van tijdschema’s en praktische aspecten. Bovendien moeten houders van gebruiksrechten of gebruikers van spectrum uit hoofde van het nationale recht voldoende tijd krijgen om een Uniemachtiging aan te vragen en moet de Commissie voldoende tijd krijgen om dergelijke verzoeken te behandelen.
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
1.DEEL I — TOEPASSINGSGEBIED, DOELSTELLINGEN EN DEFINITIES
Artikel 1
Voorwerp
1.Bij deze verordening worden voorschriften vastgesteld voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken, elektronischecommunicatiediensten, bijbehorende faciliteiten en bijbehorende diensten, de strategische planning en het beheer van radiospectrum en bepaalde aspecten van eindapparatuur.
2.Bij deze verordening wordt ook een governancekader voor de elektronischecommunicatiesector vastgesteld, bestaande uit de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (“Berec”), het Beleidsorgaan radiospectrum (“RSPB”) en het Bureau voor digitale netwerken (“ODN”), waarin de taken van Berec, het RSPB en het ODN alsook die van de nationale regelgevende instanties en, in voorkomend geval, van andere bevoegde instanties worden vastgelegd, en wordt een reeks procedures vastgesteld voor de toepassing van het desbetreffende rechtskader in de hele Unie.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
(1)“elektronischecommunicatienetwerk”: de transmissiesystemen, al dan niet gebaseerd op een permanente infrastructuur of gecentraliseerde beheercapaciteit, en in voorkomend geval de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen, waaronder netwerkelementen die niet actief zijn, die het mogelijk maken signalen over te brengen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen waaronder satellietnetwerken, vaste en mobiele netwerken, elektriciteitsnetten voor zover deze voor overdracht van signalen worden gebruikt, netwerken voor radio- en televisieomroep en kabeltelevisienetwerken, ongeacht de aard van de overgebrachte informatie;
(2)“gigabitnetwerk”: hetzij een elektronischecommunicatienetwerk dat tot aan het netwerkaansluitpunt volledig uit glasvezelelementen bestaat, hetzij een elektronischecommunicatienetwerk dat, in gebruikelijke piekomstandigheden, in staat is om soortgelijke netwerkprestaties te bieden wat betreft downlink- en uplinkbandbreedte, veerkrachtigheid van het netwerk, parameters met betrekking tot fouten, wachttijden en de veranderingen daarin.
Deze definitie vervangt de definitie van “netwerk met zeer hoge capaciteit” in artikel 2, lid 2, van Richtlijn (EU) 2018/1972;
(3)“elektronischecommunicatiedienst”: een gewoonlijk tegen vergoeding via elektronischecommunicatienetwerken aangeboden dienst, die, met uitzondering van diensten waarbij met behulp van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten overgebrachte inhoud wordt geleverd of redactioneel wordt gecontroleerd, de volgende soorten diensten omvat:
(a)een internettoegangsdienst;
(b)een interpersoonlijke communicatiedienst;
(c)diensten die geheel of hoofdzakelijk bestaan in het overbrengen van signalen zoals transmissiediensten die voor het verlenen van intermachinale diensten en voor omroep worden gebruikt;
(4)“aansluitbare panden”: panden van een eindgebruiker waarvoor een exploitant zijn toegangsnetwerk heeft uitgerold tot aan het bedieningspunt (d.w.z. het eerste samenkomst- of distributiepunt dat bedoeld is om die panden te bedienen), zodat de exploitant de toegangsdienst, na ontvangst van het verzoek, binnen vier weken beschikbaar kan stellen met een redelijke lijnverlenging (d.w.z. door alleen de standaard pandspecifieke “final drop”-verbinding en -activering uit te voeren, zonder het toegangsnetwerk uit te breiden tot voorbij het bedieningspunt);
(5)“aangesloten panden”: panden van een eindgebruiker waarvoor de netwerkinfrastructuur voor toegang fysiek is uitgebreid vanaf het bedieningspunt en de installatie is voltooid in de panden van de eindgebruiker;
(6)“essentiële op koper gebaseerde dienst”: een elektronischecommunicatiedienst die wordt geleverd via verouderde toegangsinfrastructuur met kopernetwerken, voor zover deze dienst missiekritieke of essentiële functies ondersteunt, zoals noodcommunicatie, telezorgsystemen, alarm- en monitoringsystemen, die worden gebruikt door de water-, energie- of vervoerssector;
(7)“internettoegangsdienst”: een publiek beschikbare elektronischecommunicatiedienst die toegang tot het internet biedt en derhalve connectiviteit met vrijwel alle eindpunten van het internet, ongeacht de gebruikte netwerktechnologie en eindapparatuur;
(8)“interpersoonlijke communicatiedienst”: een gewoonlijk tegen vergoeding aangeboden dienst die directe persoonlijke en interactieve uitwisseling van informatie via elektronischecommunicatienetwerken tussen een eindig aantal personen mogelijk maakt, waarbij de personen die de communicatie starten of eraan deelnemen, bepalen welke de ontvangers zijn, en die geen diensten omvat die persoonlijke en interactieve communicatie mogelijk maken als een louter bijkomstig kenmerk dat onlosmakelijk verbonden is met een andere dienst;
(9)“nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiedienst”: een interpersoonlijke communicatiedienst die verbinding maakt met openbaar toegewezen nummervoorraden, namelijk een nummer of een aantal nummers in nationale of internationale nummerplannen, of die communicatie mogelijk maakt met een nummer of een aantal nummers in nationale of internationale nummerplannen;
(10)“nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst”: een interpersoonlijke communicatiedienst die geen verbinding maakt met openbaar toegewezen nummervoorraden, namelijk een nummer of een aantal nummers in nationale of internationale nummerplannen, of die geen communicatie mogelijk maakt met een nummer of een aantal nummers in nationale of internationale nummerplannen;
(11)“openbaar elektronischecommunicatienetwerk”: een elektronischecommunicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk wordt gebruikt om voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten aan te bieden ter ondersteuning van de overdracht van informatie tussen netwerkaansluitpunten;
(12)“netwerkaansluitpunt”: het fysieke punt waarop een eindgebruiker de toegang tot een openbaar elektronischecommunicatienetwerk wordt geboden, en dat, in het geval van netwerken met schakelings- of routeringsfuncties, wordt bepaald door middel van een specifiek netwerkadres dat met een nummer of naam van een eindgebruiker kan zijn verbonden;
(13)“bijbehorende faciliteiten”: de bij een elektronischecommunicatienetwerk of een elektronischecommunicatiedienst behorende diensten, fysieke infrastructuren en andere faciliteiten of elementen die het aanbieden van diensten via dat netwerk of dienst mogelijk maken of ondersteunen of het potentieel hiertoe bezitten en gebouwen of toegangen tot gebouwen, bekabeling van gebouwen, antennes, torens en andere ondersteunende constructies, kabelgoten, kabelbuizen, masten, mangaten en straatkasten omvatten;
(14)“bijbehorende dienst”: een bij een elektronischecommunicatienetwerk of een elektronischecommunicatiedienst behorende dienst die het aanbieden, het zelf verstrekken of het geautomatiseerd aanbieden van diensten via dat netwerk of dienst mogelijk maakt of ondersteunt of het potentieel hiertoe bezit en nummervertaalsystemen of systemen met soortgelijke functies, systemen voor voorwaardelijke toegang en elektronische programmagidsen (EPG’s), alsmede andere diensten zoals identiteit, locatie en presentie-informatiediensten omvat;
(15)“systeem voor voorwaardelijke toegang”: elke technische maatregel, authenticatiesysteem en/of regeling waarbij toegang tot een beschermde radio- of televisieomroepdienst in begrijpelijke vorm afhankelijk wordt gemaakt van een abonnement of een andere vorm van voorafgaande individuele machtiging;
(16)“gebruiker”: een natuurlijke of rechtspersoon die gebruik maakt van of verzoekt om een voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiedienst;
(17)“eindgebruiker”: een gebruiker die geen openbaar elektronischecommunicatienetwerk of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten aanbiedt;
(18)“consument”: een natuurlijke persoon die gebruik maakt van of verzoekt om een voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiedienst voor andere dan bedrijfs- of beroepsdoeleinden;
(19)“aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken”: het bouwen, exploiteren, leiden of beschikbaar stellen van dergelijke netwerken;
(20)“Application Programming Interface” (toepassingsprogrammaverbinding) of “API”: de software-interface tussen toepassingen, die beschikbaar is gesteld door omroepen of aanbieders van diensten, en de middelen in de settopboxen voor aansluiting op televisietoestellen of geïntegreerde digitaletelevisie- of digitaleradiotoestellen;
(21)“radiospectrumtoewijzing”: de aanwijzing van een specifieke radiospectrumband voor gebruik door een of meer soorten radiocommunicatiediensten, in voorkomend geval onder duidelijk omschreven voorwaarden;
(22)“schadelijke interferentie”: interferentie die het functioneren van een radionavigatiedienst of van andere veiligheidsvoorzieningen in gevaar brengt, of die een overeenkomstig de geldende internationale, Unie- of nationale voorschriften werkende radiocommunicatiedienst op een andere wijze ernstig verslechtert, hindert of herhaaldelijk onderbreekt;
(23)“algemene machtiging”: een rechtskader waarin rechten worden gewaarborgd en verplichtingen worden vastgelegd voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten op de interne markt, in overeenstemming met deze verordening;
(24)“draadloos toegangspunt met een klein bereik”: draadloze netwerktoegangsapparatuur met laag vermogen van kleine omvang die binnen een klein bereik werkt, gebruikmaakt van vergunningplichtig of vergunningvrij radiospectrum of van een combinatie van beide, deel kan uitmaken van een openbaar elektronischecommunicatienetwerk, uitgerust is met een of meerdere antennes met lage visuele impact, en aan de gebruikers toegang tot elektronischecommunicatienetwerken verleent, ongeacht of de onderliggende netwerktopologie mobiel dan wel vast is;
(25)“Radio Local Area Network” of “RLAN”: een draadloos toegangssysteem met laag vermogen dat binnen een klein bereik werkt, met een laag risico op interferentie met andere dergelijke systemen die in de nabijheid door andere gebruikers zijn opgesteld, dat op niet-exclusieve basis geharmoniseerd radiospectrum gebruikt;
(26)“geharmoniseerd radiospectrum”: radiospectrum waarvoor geharmoniseerde technische voorwaarden in verband met de beschikbaarheid en het doelmatig gebruik ervan zijn vastgesteld door middel van uitvoeringsmaatregelen overeenkomstig artikel 4 van Beschikking nr. 676/2002/EG;
(27)“gedeeld gebruik van radiospectrum”: toegang, in gelijke of hiërarchische volgorde van bescherming, door twee of meer technologieën of gebruikers tot dezelfde radiospectrumbanden of -kanalen om een efficiënt gebruik ervan te waarborgen, die kan zijn gebaseerd op een bepaalde regeling tussen gebruikers inzake gedeeld gebruik die is toegestaan op basis van een algemene machtiging, individuele gebruiksrechten voor radiospectrum of een combinatie daarvan; het omvat regelgevingsbenaderingen, zoals vergunningplichtige gedeelde toegang, die voor alle gebruikers voorspelbare en betrouwbare voorwaarden voor gedeeld gebruik waarborgen;
(28)“toegang”: het beschikbaar stellen van faciliteiten of diensten aan een andere onderneming, onder bepaalde voorwaarden, hetzij op exclusieve hetzij op niet-exclusieve basis, met het oog op het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten, diensten van de informatiemaatschappij of diensten inzake inhoud voor radio- en televisiediensten. Hieronder valt onder meer: toegang tot elektronischecommunicatienetwerken en netwerkelementen en verwante faciliteiten waarbij eventueel apparatuur kan worden verbonden met vaste of niet-vaste middelen (dit houdt met name toegang in tot het aansluitnet en tot faciliteiten en diensten die noodzakelijk zijn om diensten te kunnen aanbieden via het aansluitnet); toegang tot materiële infrastructuur waaronder gebouwen, kabelgoten en masten; toegang tot relevante programmatuursystemen waaronder operationele ondersteuningssystemen; toegang tot informatiesystemen of databanken voor reservering, levering, bestelling, onderhouds- en herstelverzoeken en facturering; toegang tot nummervertaling of systemen met vergelijkbare functionaliteit; toegang tot vaste en mobiele netwerken, in het bijzonder voor roaming; toegang tot systemen voor voorwaardelijke toegang voor digitaletelevisiediensten; toegang tot virtuele netwerkdiensten;
(29)“interconnectie”: een specifiek type toegang dat tussen aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken wordt gerealiseerd door het fysiek en logisch verbinden van elektronischecommunicatienetwerken die door dezelfde of een andere onderneming worden gebruikt om het de gebruikers van een onderneming mogelijk te maken te communiceren met die van dezelfde of van een andere onderneming of toegang te hebben tot diensten die door een andere onderneming worden aangeboden, wanneer die diensten worden aangeboden door de betrokken partijen of andere partijen die toegang hebben tot het netwerk;
(30)“exploitant”: onderneming die een openbaar elektronischecommunicatienetwerk of een bijbehorende faciliteit aanbiedt of gemachtigd is deze aan te bieden;
(31)“aansluitnet”: fysiek pad dat door elektronischecommunicatiesignalen wordt gebruikt en dat het netwerkaansluitpunt verbindt met een verdeler of een soortgelijke voorziening in het vaste openbare elektronischecommunicatienetwerk;
(32)“oproep”: door middel van een voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiedienst tot stand gebrachte verbinding die tweewegspraakcommunicatie mogelijk maakt;
(33)“spraakcommunicatiedienst”: een voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiedienst voor direct of indirect uitgaande en binnenkomende nationale of nationale en internationale gesprekken, met behulp van een nummer of een aantal nummers in een nationaal of internationaal nummerplan;
(34)“geografisch nummer”: een nummer van een nationaal nummerplan waarvan een deel van de cijferstructuur een geografische betekenis heeft die wordt gebruikt voor het routeren van gesprekken naar de fysieke locatie van het netwerkaansluitpunt;
(35)“niet-geografisch nummer”: een nummer van een nationaal nummerplan dat geen geografisch nummer is, zoals nummers voor mobiel bellen, kosteloze nummers en betaalnummers;
(36)“dienst voor totale conversatie”: een multimediale dienst voor realtime conversatie die bidirectionele symmetrische realtime overdracht van videofilm, realtime tekst en stem tussen gebruikers in twee of meer locaties biedt;
(37)“alarmcentrale” of “PSAP” (Public Safety Answering Point): de fysieke locatie waar noodcommunicatie eerst wordt ontvangen onder de verantwoordelijkheid van een openbare instantie of een door de overheid erkende private organisatie;
(38)“meest geschikte alarmcentrale”: een door de verantwoordelijke instanties opgerichte alarmcentrale waarnaar noodcommunicatie wordt doorgeleid en die bevoegd is om contextuele informatie vanuit het betrokken interventiegebied door te geven aan noodhulpdiensten;
(39)“noodcommunicatie”: communicatie door middel van interpersoonlijke communicatiediensten tussen een eindgebruiker en de alarmcentrale met het doel noodhulp te vragen en te ontvangen van hulpdiensten;
(40)“doeltreffende noodcommunicatie”: noodcommunicatie die tijdige communicatie tussen de eindgebruiker en de meest geschikte alarmcentrale waarborgt en in het kader waarvan tijdig contextuele informatie, met inbegrip van informatie over de locatie van de oproeper, beschikbaar wordt gesteld;
(41)“contextuele informatie”: de informatie die via noodcommunicatie door de eindgebruiker wordt overgebracht of automatisch van de eindapparatuur van de eindgebruiker of het betrokken netwerk wordt afgeleid en verzonden om een tijdige identificatie van de interventiemiddelen van noodhulpdiensten en de snelle aankomst van noodhulpdiensten op de plaats waar het incident heeft plaatsgevonden, mogelijk te maken;
(42)“noodhulpdienst”: een als zodanig door de lidstaat erkende dienst die onmiddellijk spoedhulp verleent in situaties waarin er met name sprake is van direct gevaar voor lijf en leden, de individuele of volksgezondheid of de individuele of openbare veiligheid, eigendommen van particulieren of van de overheid of het milieu, overeenkomstig het nationale recht;
(43)“informatie over de locatie van de oproeper”: in een openbaar mobiel netwerk, de verwerkte gegevens, afkomstig van netwerkinfrastructuur of van handsets, waaruit de geografische positie van de mobiele eindapparatuur van een eindgebruiker blijkt en, in een openbaar vast netwerk, de gegevens over het fysieke adres van het netwerkaansluitpunt;
(44)“eindapparatuur”: eindapparatuur in de zin van artikel 1, punt 1, van Richtlijn 2008/63/EG van de Commissie;
(45)“satellietcommunicatiediensten”: diensten voor het aanbieden waarvan geheel of gedeeltelijk gebruik wordt maakt van de totstandbrenging van radiocommunicatie vanaf satellietgrondstations of hun supplementaire grond- en boordonderdelen naar ruimtestations (“uplinks”) en/of de totstandbrenging van radiocommunicatie vanaf een ruimtestation naar satellietgrondstations of hun supplementaire grond- en boordonderdelen (“downlinks”);
(46)“aanbieden van satellietnetwerken”: de totstandbrenging en exploitatie van satellietsystemen, satellietgrondstations en, indien van toepassing, hun supplementaire grond- en boordonderdelen;
(47)“satellietgrondstation”: apparatuur op aarde die kan worden gebruikt om radiocommunicatiesignalen uitsluitend te verzenden, te verzenden en ontvangen (“verzenden/ontvangen”) of uitsluitend te ontvangen (“uitsluitend ontvangen”) door middel van satellieten of andere systemen in de ruimte. Dit omvat onder meer, maar niet uitsluitend, grondstations, terminals en terrestrische apparatuur die nodig is voor de communicatie met satellieten of andere ruimtestations;
(48)“supplementaire grond- en boordonderdelen”: grond- of boordstations van satellietnetwerken die op vaste of veranderende locaties worden gebruikt om de beschikbaarheid te verbeteren van satellietcommunicatiediensten in geografische gebieden binnen het dekkingsgebied van de satelliet(en) van het systeem waar communicatie van de vereiste kwaliteit met een of meer ruimtestations niet kan worden gewaarborgd;
(49)“persoonsgegevens”: persoonsgegevens zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 1, van Verordening (EU) 2016/679;
(50)“toestemming”: toestemming als gedefinieerd in artikel 4, punt 11), van Verordening (EU) 2016/679.
Artikel 3
Algemene doeleinden en beginselen
1.De lidstaten, de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, alsmede Berec, het RSPB, het ODN en de Commissie streven, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden, in het kader van deze verordening de volgende — in willekeurige volgorde weergegeven — algemene doelstellingen na:
(a)het concurrentievermogen van de connectiviteitssector en de industrie in het algemeen versterken door investeringen in geavanceerde digitale infrastructuur, waaronder cloud- en op AI gebaseerde oplossingen, te faciliteren, innovatieve diensten, waaronder hoogwaardige en betrouwbare diensten, mogelijk te maken en samenwerking tussen spelers in het bredere digitale ecosysteem te faciliteren;
(b)een interne markt voor elektronische communicatie ontwikkelen die de grensoverschrijdende exploitatie van netwerken en het aanbieden van diensten binnen de Unie, de ontwikkeling van trans-Europese digitale netwerken en het aanbieden van innovatieve elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, met inbegrip van pan-Europese satellietcommunicatiediensten, vergemakkelijkt;
(c)de veerkracht en paraatheid van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten op Unieniveau versterken door samenwerking tussen overheidsinstanties en aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten te bevorderen bij de opbouw van de nodige capaciteiten op het gebied van veerkracht en het vrijwaren van de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten;
(d)investeringen in connectiviteit en een ruime beschikbaarheid (wat betreft prijs, kwaliteit en keuzemogelijkheden) van, toegang tot en benutting van gigabitnetwerken, met inbegrip van vaste, mobiele en draadloze netwerken bevorderen, ten behoeve van alle burgers en bedrijven van de Unie;
(e)garanderen dat hoogwaardige, betaalbare en publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten worden aangeboden aan alle eindgebruikers door middel van daadwerkelijke mededinging op het gebied van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, met inbegrip van efficiënte, op infrastructuur gebaseerde mededinging, en op het gebied van elektronischecommunicatiediensten en bijbehorende diensten in de hele Unie;
(f)de belangen van de burgers van de Unie bevorderen en de bescherming van de rechten van eindgebruikers waarborgen, met inbegrip van de gelijke en niet-discriminerende behandeling van verkeer bij de levering van internettoegangsdiensten, zodat alle eindgebruikers kunnen blijven profiteren van een ruime keuze aan geavanceerde, betaalbare en hoogwaardige diensten; en een hoog en gemeenschappelijk niveau van bescherming waarborgen, in het bijzonder voor kwetsbare consumenten, met inbegrip van betaalbare prijzen, keuzemogelijkheden en gelijkwaardige toegang;
(g)duurzaamheid bevorderen door investeringen in energie-efficiënte en koolstofarme digitale netwerken en oplossingen te faciliteren en de efficiëntie van eind-tot-eindverkeer te stimuleren;
(h)de doelstellingen ondersteunen van ander Uniebeleid dat afhankelijk is van radiospectrum, met inbegrip van het ruimtevaartbeleid en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid.
2.Bij de uitoefening van hun bevoegdheden of de uitvoering van hun taken in het kader van de verwezenlijking van de algemene doelstellingen stellen de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, Berec, het RSPB, het ODN en de Commissie zich onpartijdig, objectief en transparant op en handelen zij op niet-discriminerende en evenredige wijze. Zij passen met name de volgende beginselen toe:
(a)zij bevorderen de voorspelbaarheid van regelgeving om een consistente regelgevingsaanpak te waarborgen door middel van wederzijdse samenwerking;
(b)zij waarborgen dat er bij gelijke omstandigheden consistente maatregelen worden toegepast en dat geen discriminatie plaatsvindt bij de behandeling van aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten;
(c)zij houden terdege rekening met de potentiële regelgevings- en administratieve lasten die regelgevingsbesluiten met zich meebrengen en streven ernaar deze zoveel mogelijk te beperken;
(d)zij passen het Unierecht toe op technologisch neutrale wijze, voor zover dat in overeenstemming is met de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel;
(e)zij houden naar behoren rekening met de uiteenlopende omstandigheden betreffende infrastructuur, mededinging, de omstandigheden van eindgebruikers en met name van consumenten die in de verschillende geografische gebieden binnen een lidstaat bestaan.
2.DEEL II — VEERKRACHT
Artikel 4
Rol van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten bij het waarborgen van veerkracht
Rekening houdend met het grote belang van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten voor de algehele veerkracht van de samenleving en de economie van de Unie, dragen aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten als bedoeld in artikel 5, lid 1, van deze verordening, Berec, het ODN, de overeenkomstig artikel 8, lid 1, van Richtlijn (EU) 2022/2555 aangewezen nationale regelgevende instanties en bevoegde instanties, nationale instanties voor crisisbeheersing en civiele bescherming, met inbegrip van overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Richtlijn (EU) 2022/2555 aangewezen instanties voor cybercrisisbeheer, binnen hun respectieve bevoegdheden bij tot de anticipatie en preventie van en de respons op natuurlijke of door de mens veroorzaakte verstoringen, crises of situaties van overmacht die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de bevolking, door middel van de coherente uitvoering van paraatheidsgerelateerde verplichtingen uit hoofde van deze verordening en in overeenstemming met de desbetreffende mechanismen voor civiele bescherming, crisisbeheersing en respons van de Unie en de lidstaten.
Artikel 5
Beschikbaarheid en vermogens van elektronische communicatienetwerken en -diensten
1.Aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken, voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten en andere aanbieders als bedoeld in artikel 9, lid 2, nationale regelgevende instanties, overeenkomstig artikel 8, lid 1, van Richtlijn (EU) 2022/2555 aangewezen nationale bevoegde instanties en andere bevoegde instanties, waaronder, in voorkomend geval, nationale instanties voor crisisbeheersing en civiele bescherming, met inbegrip van overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Richtlijn (EU) 2022/2555 aangewezen instanties voor cybercrisisbeheer, werken samen om de continue beschikbaarheid van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten te waarborgen, evenals de vermogens die zij moeten hebben om natuurlijke of door de mens veroorzaakte verstoringen, crises of situaties van overmacht die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de bevolking te anticiperen, te voorkomen, zich erop voor te bereiden en erop te reageren.
Daarbij houden de in de eerste alinea bedoelde instanties en aanbieders zoveel mogelijk rekening met het in artikel 6 bedoelde paraatheidsplan van de Unie voor digitale infrastructuur van Berec.
2.Onverminderd Richtlijn (EU) 2022/2555 nemen de in lid 1 van dit artikel bedoelde aanbieders en alarmcentrales alle nodige maatregelen, met inachtneming van het in artikel 6 van deze verordening bedoelde paraatheidsplan van de Unie voor digitale infrastructuur van Berec, om de ononderbroken beschikbaarheid van kritieke communicatie en noodcommunicatie te waarborgen, alsook een ononderbroken doorgifte van publieke waarschuwingen, in geval van natuurlijke of door de mens veroorzaakte verstoringen, crises of situaties van overmacht die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de bevolking.
3.Bij de toepassing van nieuwe technologieën in hun elektronischecommunicatienetwerken of -diensten nemen aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken en voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten en alarmcentrales alle nodige voorbereidende maatregelen, met inbegrip van het testen en valideren van oplossingen, om de beschikbaarheid van noodcommunicatie en publieke waarschuwingsdiensten in de Unie te waarborgen.
4.Wanneer de migratie naar andere netwerktechnologieën tot gevolg kan hebben dat diensten die in gebruik zijn op apparaten van eindgebruikers, niet langer worden aangeboden, stellen aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken en van voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten de nationale bevoegde instanties en eindgebruikers ten minste twee jaar van tevoren daarvan in kennis door middel van een routekaart van het migratieproces.
Artikel 6
Paraatheidsplan van de Unie voor digitale infrastructuur
1.Uiterlijk [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] stelt Berec een verslag vast met de titel “Paraatheidsplan van de Unie voor digitale infrastructuur” (“het plan”), teneinde op Unieniveau de veerkracht en paraatheid te versterken van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en andere digitale infrastructuur in geval van natuurlijke of door de mens veroorzaakte verstoringen, crises of situaties van overmacht die aanzienlijke negatieve gevolgen kunnen hebben voor de bevolking of de werking van de interne markt.
2.Dit plan omvat:
(a)een uitgebreide beoordeling van de architectuur, de vermogens en het gebruik van elektronischecommunicatienetwerken van de in artikel 5, lid 1, bedoelde aanbieders, die is opgesteld aan de hand van informatie die overeenkomstig artikel 7, lid 2, van deze verordening is verzameld en overeenkomstig artikel 7, lid 3, van deze verordening aan het ODN is verstrekt;
(b)een reeks operationele aanbevelingen inzake maatregelen om de veerkracht van netwerken te vergroten, onder meer op basis van de in punt a) bedoelde beoordeling;
(c)crisisbeheersingspraktijken.
In de in punt a) van de eerste alinea bedoelde beoordeling wordt onder meer een overzicht gegeven van de netwerktopologie op Unieniveau en worden routediversificatie en potentiële knelpunten vastgesteld, evenals zwakke punten en gebieden waarop maatregelen met betrekking tot veerkracht nodig zijn, zoals strategische investeringen ter ondersteuning van redundantie, met name voor trans-Europese digitale netwerken. In het kader van de beoordeling worden de toepasselijke Unie- en nationale voorschriften inzake de bescherming van gerubriceerde informatie toegepast. De erin vervatte informatie wordt in geaggregeerde vorm gepresenteerd om te voorkomen dat de exacte locatie van gevoelige activa kan worden bepaald.
De in punt b) van de eerste alinea bedoelde operationele aanbevelingen omvatten aanbevelingen ter waarborging van het technische vermogen van elektronischecommunicatienetwerken om te integreren met verschillende soorten terrestrische en niet-terrestrische netwerken, zoals satellietnetwerken, vermogens om de continuïteit van essentiële communicatienetwerken en -diensten te waarborgen in situaties van toegenomen vraag, netwerkcongestie of natuurlijke of door de mens veroorzaakte verstoringen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, bedreigingen voor de continuïteit van systemen, zoals opzettelijke schadelijke interferentie, of andere maatregelen die van groot belang worden geacht om de beschikbaarheid van de dienst en de noodzakelijke netwerkvermogens te waarborgen.
De in punt c) van de eerste alinea bedoelde crisisbeheersingspraktijken worden gericht tot de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties en hebben tot de doel procedures, coördinatieregelingen en operationele protocollen te harmoniseren die moeten worden toegepast in geval van natuurlijke of door de mens veroorzaakte verstoringen, crises of situaties van overmacht. De crisisbeheersingspraktijken zijn in overeenstemming met en vormen een aanvulling op de relevante mechanismen voor civiele bescherming, crisisbeheersing en crisisrespons van de Unie en de lidstaten.
Artikel 7
Samenwerking en gegevensverzameling ter ondersteuning van de opstelling van het plan
1.Om Berec te ondersteunen, stelt het ODN het ontwerpplan op in nauwe samenwerking met de Commissie en, wanneer het de paraatheid en veerkracht van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten betreft, met de bij artikel 14 van Richtlijn (EU) 2022/2555 opgerichte samenwerkingsgroep, en in overleg met Enisa en de relevante Europese instanties voor crisisrespons en coördinatie van civiele bescherming, naargelang het geval. Het plan wordt regelmatig geëvalueerd en bijgewerkt op basis van onder meer de uit hoofde van lid 2 van dit artikel verzamelde informatie.
2.Ter ondersteuning van de opstelling van het plan verzamelen de nationale regelgevende instanties om de twee jaar informatie over de architectuur, de capaciteit, de vermogens en het gebruik van openbare elektronischecommunicatienetwerken, voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten en, in voorkomend geval, netwerken die geheel of hoofdzakelijk worden gebruikt voor het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten of diensten van de informatiemaatschappij die publiek beschikbaar zijn, voor zover dergelijke informatie nog niet aan hen of aan andere nationale bevoegde instanties beschikbaar is gesteld overeenkomstig het Unierecht of het nationale recht.
3.Verzoeken om informatie uit hoofde van lid 2 worden onderbouwd, zijn evenredig en worden beperkt tot wat strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van taken in verband met veerkracht en paraatheid. De informatie wordt om de twee jaar aan het ODN doorgegeven.
4.Uiterlijk [zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] publiceert Berec, in nauwe samenwerking met de Commissie en Enisa, een gemeenschappelijk model dat door nationale regelgevende instanties moet worden gebruikt om de krachtens lid 2 vereiste informatie te verzamelen.
Artikel 8
Samenwerking met de Commissie, andere organen van de Unie of deskundigengroepen
1.Wanneer een natuurlijke of door de mens veroorzaakte verstoring, crisis of situatie van overmacht betrekking heeft op of samenvalt met een grootschalig cyberbeveiligingsincident in de zin van artikel 6, punt 7, van Richtlijn (EU) 2022/2555, verstrekt Berec het Europees Netwerk van verbindingsorganisaties voor cybercrises (EU-CyCLONe) en de Commissie relevante informatie om gedeeld situationeel bewustzijn en een samenhangende crisisrespons te waarborgen.
2.Op verzoek deelt het ODN met de Commissie bijzonderheden over de analyse die is gebruikt om het plan op te stellen overeenkomstig artikel 6. De Commissie houdt rekening met dergelijke informatie bij de ontwikkeling en uitvoering van financieringsinstrumenten, met inbegrip van strategische investeringen in trans-Europese digitale netwerken, of bij de vaststelling van beleid of maatregelen om de veerkracht en paraatheid van elektronischecommunicatienetwerken te vergroten, naargelang het geval.
3.De taken en acties uit hoofde van dit deel doen geen afbreuk aan de taken van Enisa, het netwerk van het Computer Security Incident Response Team (CSIRT), EU-CyCLONe, de bij Richtlijn (EU) 2022/2555 opgerichte samenwerkingsgroep of andere deskundigengroepen of coördinatiesystemen uit hoofde van het Unierecht inzake civiele bescherming.
3.DEEL III — MACHTIGINGEN VOOR DE EENGEMAAKTE MARKT EN PASPOORTEN
Artikel 9
Algemene machtiging
1.De vrijheid om elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan te bieden is onderhevig aan de voorwaarden en verplichtingen die in deze verordening zijn vastgelegd. De lidstaten mogen de vrijheid om elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan te bieden alleen beperken op de in artikel 52, lid 1, VWEU genoemde gronden van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Elke beperking wordt naar behoren onderbouwd en ter kennis van de Commissie gebracht.
2.De algemene machtigingsregeling is van toepassing op aanbieders van openbare elektronischecommunicatiediensten en aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken die geheel of hoofdzakelijk worden gebruikt voor het aanbieden van voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten of diensten van de informatiemaatschappij.
3.De algemene machtigingsregeling is niet van toepassing op nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten.
4.In het kader van de algemene machtigingsregeling is het recht om elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan te bieden uitsluitend onderworpen aan de volgende voorwaarden:
(a)naleving, voor zover deze van toepassing zijn op de aanbieder, van de vereisten inzake de veerkracht en paraatheid van netwerken tijdens natuurlijke of door de mens veroorzaakte verstoringen, crises of situaties van overmacht uit hoofde van deze verordening en de gebruiksvoorwaarden voor mededelingen van overheidsinstanties aan het grote publiek om te waarschuwen voor onmiddellijke dreigingen en om de gevolgen van grote rampen te beperken;
(b)naleving, voor zover deze van toepassing zijn op de aanbieder, van de gebruiksvoorwaarden voor kritieke communicatiediensten tijdens grote rampen of nationale noodsituaties om de communicatie tussen noodhulpdiensten en instanties te waarborgen;
(c)naleving, voor zover deze van toepassing zijn op de aanbieder, van de in artikel 187 bedoelde normen of specificaties;
(d)naleving, voor zover deze van toepassing zijn op de aanbieder, van cyberbeveiligingsregels, met inbegrip van vereisten inzake de beveiliging van ICT-toeleveringsketens die zijn opgelegd overeenkomstig de cyberbeveiligingsverordening, die Verordening (EU) 2019/881 van het Europees Parlement en de Raad zal vervangen;
(e)verlening van toegang tot gegevens aan rechtshandhavings- en gerechtelijke instanties, onder meer voor legale onderschepping en gegevensbewaring overeenkomstig de toepasselijke Unie- of nationale wetgeving, in de lidstaten waar de dienst wordt verleend, in overeenstemming met het Unierecht, zoals van toepassing op de aanbieder;
(f)handhaving van de integriteit van openbare elektronischecommunicatienetwerken, mede door naleving van de voorwaarden voor de preventie van elektromagnetische interferentie tussen elektronischecommunicatienetwerken of -diensten overeenkomstig Richtlijn 2014/30/EU, zoals van toepassing op de aanbieder;
(g)naleving, voor zover deze van toepassing zijn op de aanbieder, van de vereisten of maatregelen inzake interconnectie overeenkomstig artikel 66;
(h)voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, naleving, voor zover deze van toepassing zijn op de aanbieder, van relevante internationale overeenkomsten met betrekking tot het gebruik van schaarse hulpbronnen waarvoor geen individuele gebruiksrechten hoeven te worden toegekend;
(i)naleving van de vereisten inzake de interoperabiliteit van diensten overeenkomstig deze verordening, zoals van toepassing op de aanbieder;
(j)indien van toepassing, betaling van de administratieve bijdragen overeenkomstig artikel 12.
Er kunnen overeenkomstig de artikelen 20 en 21 aanvullende voorwaarden voor het gebruik van radiospectrum van toepassing zijn op de aanbieder.
Er kunnen overeenkomstig de artikelen 46 en 50 aanvullende voorwaarden voor het gebruik van nummervoorraden die zijn toegewezen uit de nationale nummerplannen en, indien van toepassing, uit het nummerplan van de Unie van toepassing zijn op de aanbieder.
Artikel 10
Procedure voor het ene paspoort
1.In het kader van de algemene machtigingsregeling dient een aanbieder die voornemens is elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aan te bieden in een of meer lidstaten, een kennisgeving in bij de nationale regelgevende instantie van een van die lidstaten volgens de procedure voor het ene paspoort.
2.Om de uit de algemene machtiging voortvloeiende rechten te kunnen uitoefenen, hoeven aanbieders geen besluit of andere administratieve handeling te verkrijgen van een regelgevende instantie van de lidstaat van kennisgeving waar de aanbieder voornemens is actief te worden.
3.De in lid 1 bedoelde kennisgeving wordt uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening gedaan door middel van een kennisgevingsmodel dat in overeenstemming is met de richtsnoeren die Berec overeenkomstig artikel 125 heeft uitgevaardigd. Berec werkt deze richtsnoeren waar nodig bij.
4.De in kennis gestelde regelgevende instantie stuurt de ontvangen kennisgeving onverwijld door naar het ODN. Indien de kennisgeving betrekking heeft op de aanvang van de levering van netwerken en diensten in meerdere lidstaten, zendt het ODN deze onverwijld ter informatie door naar de bevoegde instanties van de andere lidstaten waar de aanbieder voornemens is actief te worden.
5.Indien de kennisgeving betrekking heeft op het voornemen van een aanbieder die reeds actief is in een of meer lidstaten om zijn activiteiten uit te breiden tot andere lidstaten, zendt het ODN deze kennisgeving ter informatie door naar de bevoegde instanties van alle betrokken lidstaten, met inbegrip van de lidstaten waar de aanbieder reeds elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aanbiedt.
6.In het kader van de procedure voor het ene paspoort bevestigt de in kennis gestelde instantie binnen een week na de indiening van de in lid 1 bedoelde kennisgeving aan de aanbieder dat deze is gemachtigd om elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aan te bieden. De bevestiging bevat informatie over alle algemene machtigingsvoorwaarden die van toepassing zijn in de lidstaat of lidstaten waar de aanbieder voornemens is de netwerken of diensten aan te bieden, alsmede de verwante rechten en plichten die uit de machtiging voortvloeien. Indien de kennisgeving betrekking heeft op het voornemen van een aanbieder die reeds actief is in een of meer lidstaten om zijn activiteiten uit te breiden tot andere lidstaten, bevat de bevestiging informatie over de algemene machtigingsvoorwaarden die gelden in de aanvullende lidstaten.
7.Nadat de kennisgeving is bevestigd, kan de aanbieder de uit de algemene machtiging voortvloeiende rechten uitoefenen en de activiteit aanvangen, zo nodig met inachtneming van de bepalingen inzake de gebruiksrechten uit hoofde van deze verordening.
8.Het ODN houdt een openbaar toegankelijke Uniedatabank bij van de kennisgevingen die bij de nationale regelgevende instanties zijn ingediend. De in kennis gestelde instanties actualiseren de informatie over alle ontvangen kennisgevingen in de databank ten minste om de twee maanden.
9.Voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten waarvoor vóór [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] een kennisgeving is gedaan, is geen nieuwe kennisgeving vereist. Aanbieders kunnen een kennisgeving doen bij de in kennis gestelde nationale regelgevende instantie teneinde een nieuwe algemene machtiging te verkrijgen voor bestaande netwerken of diensten in het kader van de procedure voor het ene paspoort. Als zij nieuwe elektronischecommunicatienetwerken of -diensten uitrollen, moeten aanbieders voor deze nieuwe netwerken of diensten de procedure voor het ene paspoort doorlopen.
Artikel 11
Richtsnoeren en wederzijdse bijstand
1.Uiterlijk [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] publiceert Berec, in nauwe samenwerking met de Commissie en andere bevoegde instanties, met inbegrip van de overeenkomstig lid 2 van dit artikel aangewezen contactpunten, richtsnoeren om te waarborgen dat alle in artikel 9, lid 4, genoemde voorwaarden op coherente, niet-discriminerende en evenredige wijze worden toegepast en door aanbieders kunnen worden geraadpleegd op de webpagina van het ODN.
2.Elke lidstaat wijst een nationaal centraal contactpunt aan dat wordt belast met de communicatie met het ODN en met het bijhouden van actuele informatie over de nationale wetten en procedures die van toepassing zijn op het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, met name die welke verband houden met de algemene machtigingsvoorwaarden, met inbegrip van de voorwaarden inzake cyberbeveiliging, toegang tot gegevens en gegevensbescherming en de in deze verordening neergelegde verplichtingen.
3.De procedures met betrekking tot kennisgeving, bevestiging van de aanvang van activiteiten en wederzijdse bijstand bij handhaving, en de regelingen voor de uitwisseling van informatie tussen nationale bevoegde instanties en het ODN overeenkomstig Verordening (EU) 2024/903 kunnen door de Commissie nader worden gespecificeerd door middel van uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 199, lid 4, bedoelde procedure vastgesteld.
4.Onverminderd de handhavingsbevoegdheden van de lidstaten met betrekking tot het toepasselijke recht in hun rechtsgebied, heeft de nationale regelgevende instantie van de lidstaat van kennisgeving in het kader van de regeling voor het ene paspoort de bevoegdheid om sancties op te leggen voor inbreuken op de machtigingsvoorwaarden. In geval van een ernstige inbreuk is een van de mogelijke maatregelen, zo nodig na overleg met de regelgevende instanties van de getroffen lidstaten, de intrekking van het recht om actief te zijn in de lidstaat of lidstaten die onder het ene paspoort vallen.
5.Wanneer een nationale regelgevende instantie van de lidstaat waar de elektronischecommunicatienetwerken of -diensten worden aangeboden, concludeert dat de inbreuk op de machtigingsvoorwaarden op haar grondgebied ernstige negatieve gevolgen kan hebben voor de nationale veiligheid of het openbaar belang, heeft zij het recht om binnen haar rechtsgebied, zo nodig na overleg met de relevante instanties van de lidstaat van kennisgeving, sancties op te leggen.
Artikel 12
Administratieve bijdragen
1.Als lidstaten administratieve bijdragen opleggen aan ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aanbieden in het kader van de algemene machtiging of waaraan een gebruiksrecht is verleend:
(a)dienen deze bijdragen uitsluitend ter dekking van de administratiekosten die voortvloeien uit het beheer van, de controle van en het toezicht op de naleving van het systeem inzake algemene machtiging en van de gebruiksrechten en van de in artikel 67, artikel 68, lid 1, artikel 69 en artikel 77 bedoelde specifieke verplichtingen, die ook de kosten kunnen omvatten voor internationale samenwerking, harmonisatie en normalisatie, marktanalyse, controle op de naleving en ander markttoezicht, alsmede, in voorkomend geval, voor werkzaamheden in het kader van de opstelling en handhaving van administratieve besluiten, zoals besluiten betreffende toegang en interconnectie;
(b)worden deze bijdragen op objectieve, transparante en evenredige wijze aan de afzonderlijke ondernemingen opgelegd.
2.Ondernemingen met een omzet onder een bepaalde drempel of waarvan de activiteiten geen minimummarktaandeel bereiken of een zeer beperkte territoriale reikwijdte hebben, hoeven geen administratieve bijdragen te voldoen.
3.Indien administratieve bijdragen worden opgelegd, publiceren de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties een jaarlijks overzicht van hun administratieve kosten en het totale bedrag van de geïnde bijdragen. Indien er een verschil bestaat tussen het totale bedrag aan vergoedingen en het totale bedrag aan administratieve kosten, vinden de nodige aanpassingen plaats.
4.DEEL IV — HULPBRONNEN (RADIOSPECTRUM EN NUMMERING)
4.1.TITEL I: RADIOSPECTRUM
4.1.1.HOOFDSTUK I: Beginselen en doelstellingen
Afdeling 1: Internationale regels voor het gebruik en beheer van radiospectrum
Artikel 13
Strategische planning en beheer van radiospectrum
1.De lidstaten en de Commissie beheren radiospectrum op de interne markt op gecoördineerde wijze, rekening houdend met de waarde ervan als gemeenschappelijke Europese hulpbron, onder gedeelde bevoegdheid met het oog op het bevorderen van economische groei, het beschermen van de waarden en veiligheid van de Unie, het nastreven van de doelstellingen van artikel 3, met name de eengemaakte markt voor elektronische communicatie, alsook het nastreven van veiligheid en digitale soevereiniteit.
2.De Commissie, bijgestaan door het RSPB, en de nationale bevoegde instanties werken samen bij de strategische planning van radiospectrum en de coördinatie van de aanpak van radiospectrumbeleid.
3.De nationale bevoegde instanties beheren radiospectrum op doeltreffende en efficiënte wijze overeenkomstig deze verordening en het radioreglement van de Internationale Telecommunicatie-unie (“ITU”) en andere in het kader van de ITU gesloten overeenkomsten die van toepassing zijn op radiospectrum. Zij stellen alles in het werk om potentiële of feitelijke bronnen van grensoverschrijdende of nationale schadelijke interferentie weg te nemen en nemen radiospectrumgerelateerde maatregelen om de veiligheidsrisico’s bij het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten tot een minimum te beperken.
4.Wanneer deze verordening de Commissie de bevoegdheid verleent om radiospectrum te beheren, gelden voor haar dezelfde beginselen en verplichtingen als voor de bevoegde instanties, tenzij in deze verordening of in ander Unierecht anders is bepaald.
Artikel 14
Schadelijke interferentie
1.Houders van gebruiksrechten voor radiospectrum hebben het recht hun frequenties vrij van schadelijke interferentie te gebruiken, met inachtneming van de nationale frequentietoewijzingsplannen en internationale overeenkomsten.
2.De nationale bevoegde instanties werken met elkaar en, waar passend, via het RSPB samen inzake de grensoverschrijdende coördinatie van het gebruik van radiospectrum. Zij stellen alles in het werk om kwesties of geschillen op te lossen in verband met grensoverschrijdende coördinatie of grensoverschrijdende schadelijke interferentie die het gebruik van radiospectrum op het grondgebied van de Unie verhindert.
3.In geval van onopgeloste grensoverschrijdende coördinatie of grensoverschrijdende schadelijke interferentie tussen lidstaten kan elke nationale bevoegde instantie of elke houder van een gebruiksrecht voor radiospectrum het RSPB verzoeken gebruik te maken van zijn goede diensten om de kwestie te verhelpen. Het RSPB kan een advies uitbrengen waarin een gecoördineerde oplossing wordt voorgesteld. Op verzoek van een bevoegde instantie brengt het RSPB een dergelijk advies uit.
4.Indien de grensoverschrijdende kwestie tussen lidstaten niet binnen twaalf maanden na het in lid 3 bedoelde verzoek is opgelost, neemt de Commissie, op verzoek van een nationale bevoegde instantie van een getroffen lidstaat of houder van een gebruiksrecht voor radiospectrum, of op eigen initiatief, door middel van een uitvoeringshandeling een besluit om de grensoverschrijdende kwestie te verhelpen, rekening houdend met eventuele adviezen van het RSPB overeenkomstig lid 3.
5.Wanneer bij een grensoverschrijdende kwestie een derde land betrokken is, met inbegrip van een kandidaat-lidstaat en een toetredende staat, werken de Commissie en de nationale bevoegde instanties binnen de RSPG, op verzoek van een nationale bevoegde instantie van een getroffen lidstaat, samen om juridische, politieke en technische ondersteuning te bieden om een dergelijke kwestie te verhelpen, zodat de betrokken lidstaten hun verplichtingen kunnen nakomen en hun rechten inzake het gebruik van radiospectrum uit hoofde van het Unierecht kunnen uitoefenen.
6.Indien de grensoverschrijdende kwestie waarbij een derde land betrokken is, niet binnen twaalf maanden na het in lid 5 bedoelde verzoek is verholpen, kan de Commissie, op verzoek van een nationale bevoegde instantie van de getroffen lidstaat en na raadpleging van het RSPB, door middel van een uitvoeringshandeling een besluit vaststellen tot vaststelling van de bijstand of bijdrage die de lidstaten, met de steun van de Commissie, moeten verlenen om een dergelijke kwestie te verhelpen, ongeacht of zij al dan niet door de schadelijke interferentie worden getroffen.
7.Indien de grensoverschrijdende kwestie met een derde land niet kan worden verholpen met de in lid 6 van dit artikel bedoelde bijstand of bijdrage, kan de Raad overwegen beperkende maatregelen op grond van artikel 29 VEU vast te stellen, in overeenstemming met de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.
8.De uitvoeringshandelingen bedoeld in de leden 4 en 6 van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure bedoeld in artikel 199, lid 4, met behulp van het in artikel 199, lid 2 genoemde comité (“Radiospectrumcomité”).
Afdeling 2: Beginselen
Artikel 15
Beginsel van gedeeld gebruik van radiospectrum
1.Onverminderd de in de tweede alinea bedoelde uitzondering wordt radiospectrum in het kader van een algemene machtiging en individuele gebruiksrechten gedeeld door aanbieders van dezelfde dienst (gedeeld gebruik binnen een dienst) of verschillende diensten (gedeeld gebruik tussen diensten), met inachtneming van het mededingingsrecht.
De nationale bevoegde instanties kunnen gedeeld gebruik van radiospectrum beperken wanneer dit noodzakelijk is om redenen die verband houden met:
(a)de bescherming van de mededinging en niet-discriminerende markttoegang;
(b)de technische of economische haalbaarheid;
(c)wanneer exclusieve rechten op het gebruik van radiospectrum noodzakelijk zijn om de openbare veiligheid, de nationale veiligheid, defensie of de bescherming van essentiële diensten te waarborgen;
(d)vermijding van schadelijke interferentie;
(e)grensoverschrijdende coördinatie.
2.De nationale bevoegde instanties zorgen ervoor dat het toegewezen radiospectrum efficiënt wordt gebruikt. Daartoe kunnen zij van de houder van de radiospectrumrechten, met inbegrip van die voor defensie en veiligheid, verlangen dat deze een deel van radiospectrum dat binnen een bepaald geografisch gebied of een bepaalde periode ongebruikt blijft, deelt, op voorwaarde dat gedeeld gebruik van radiospectrum het gebruik van radiospectrum door de oorspronkelijke houder niet verstoort, verslechtert of anderszins beperkt en dat het gedeelde gebruik in overeenstemming is met het mededingingsrecht.
Artikel 16
Beginselen van technologie- en dienstenneutraliteit
1.Elke soort technologie kan worden gebruikt om elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aan te bieden binnen radiospectrum dat in het nationale frequentietoewijzingsplan beschikbaar is verklaard voor elektronischecommunicatiediensten, in overeenstemming met het Unierecht.
De nationale bevoegde instanties mogen dat recht alleen beperken wanneer dit noodzakelijk en evenredig is om:
(a)schadelijke interferentie te vermijden;
(b)de volksgezondheid te beschermen tegen mogelijk schadelijke elektromagnetische velden, rekening houdend met Aanbeveling 1999/519/EG;
(c)de technische kwaliteit van de dienst te waarborgen;
(d)te zorgen voor zoveel mogelijk gedeeld gebruik van radiospectrum;
(e)een efficiënt gebruik van radiospectrum te waarborgen;
(f)de doelstellingen overeenkomstig lid 2 te verwezenlijken.
3.Elke soort elektronische communicatie kan aangeboden binnen radiospectrum dat in het nationale frequentietoewijzingsplan beschikbaar is verklaard voor elektronischecommunicatiediensten, in overeenstemming met het Unierecht.
De nationale bevoegde instanties mogen dat recht alleen beperken om te voldoen aan een vereiste uit hoofde van het radioreglement van de ITU op basis van evenredige en niet-discriminerende criteria. Een nationale bevoegde instantie heeft alleen het recht te verzoeken dat een bepaalde dienst in een specifieke band wordt aangeboden wanneer dit gerechtvaardigd is op grond van:
(a)de bescherming van de veiligheid van mensenlevens;
(b)het bevorderen van de sociale, regionale of territoriale samenhang;
(c)het vermijden van een inefficiënt gebruik van radiospectrum;
(d)het bevorderen van culturele en taalkundige diversiteit en pluriformiteit van de media, bijvoorbeeld het aanbieden van radio- en televisieomroepdiensten;
(e)de noodzaak om de openbare veiligheid, de nationale veiligheid, defensie of de bescherming van essentiële diensten te waarborgen.
De nationale bevoegde instanties mogen het aanbieden van andere diensten in een specifieke band alleen verbieden wanneer dit gerechtvaardigd is om de veiligheid van mensenlevens te beschermen.
4.1.2.HOOFDSTUK II: Toewijzing
Afdeling 1: Radiospectrumstrategie en routekaarten voor toewijzing
Artikel 17
Radiospectrumstrategie en routekaarten van de Unie
1.Na raadpleging van de belanghebbenden en het RSPB stelt de Commissie een toekomstgerichte radiospectrumstrategie van de Unie op en actualiseert zij deze na elke Wereldradiocommunicatieconferentie, indien nodig.
2.De radiospectrumstrategie van de Unie dient als leidraad voor radiospectrumplanning op lange termijn, innovatie en het efficiënt gebruik van radiospectrum in de hele Unie. Hiermee worden de radiospectrumbehoeften vastgesteld en de beschikbaarheid gewaarborgd en wordt, in voorkomend geval, radiospectrum beschermd dat nodig is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van verschillende beleidsterreinen van de Unie, waarbij radiospectrum, met inbegrip van defensie en veiligheid, wordt gebruikt voor kritieke communicatie- en andere doeleinden, waaronder detectie. De beschikbaarheid van radiospectrum om de openbare veiligheid, de nationale veiligheid, defensie of de bescherming van essentiële diensten onder geharmoniseerde voorwaarden te waarborgen, wordt in aanmerking genomen in de radiospectrumstrategie van de Unie en op passende wijze weerspiegeld in de nationale frequentietoewijzingsplannen.
3.Op basis van de radiospectrumstrategie van de Unie kan de Commissie, in voorkomend geval, door middel van uitvoeringshandelingen routekaarten voor radiospectrum van de Unie vaststellen.
In elke routekaart voor radiospectrum van de Unie worden de radiospectrumbehoeften in verband met een specifieke radiospectrumtechnologie of -dienst in kaart gebracht en worden termijnen vastgesteld voor de technische harmonisatie van het radiospectrumgebruik overeenkomstig Beschikking nr. 676/2002/EG en, in voorkomend geval, termijnen voor de machtiging voor het gebruik van dat radiospectrum overeenkomstig deze verordening, die kunnen afwijken van de in artikel 18, lid 1, vastgestelde termijn. Dit doet geen afbreuk aan de mogelijkheid om af te wijken van de termijn van artikel 18, lid 1, op grond van artikel 18, leden 2 en 3.
De in de eerste alinea vermelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 199, lid 4, bedoelde procedure, en met de hulp van het in artikel 199, lid 2, bedoelde comité, vastgesteld. Het RSPB houdt toezicht op de technische, economische en maatschappelijke ontwikkelingen in verband met het gebruik van radiospectrum en beveelt, waar nodig, de actualisering aan van alle routekaarten voor radiospectrum van de Unie.
4.Binnen de negen maanden na de vaststelling van de routekaarten voor radiospectrum van de Unie dienen de nationale bevoegde instanties bij de Commissie en het RSPB hun nationale routekaarten voor radiospectrum in, waarin zij, in voorkomend geval, de nationale maatregelen aangeven die nodig zijn om een routekaart voor radiospectrum van de Unie uit te voeren, en de bijbehorende tijdschema’s. De nationale bevoegde instanties publiceren de nationale routekaarten voor radiospectrum en werken deze regelmatig bij.
5.De nationale bevoegde instanties brengen regelmatig verslag uit aan de Commissie en het RSPB over de uitvoering van hun nationale routekaarten voor radiospectrum. De Commissie en de nationale bevoegde instanties binnen het RSPB werken samen om eventuele tekortkomingen vast te stellen en aan te pakken op gebieden waar de Commissie of het RSPB van oordeel is dat onvoldoende vooruitgang is geboekt bij de verwezenlijking van een of meer doelstellingen van de routekaart voor radiospectrum van de Unie.
Artikel 18
Gecoördineerde tijdschema’s betreffende toewijzingen
1.Wanneer het gebruik van radiospectrum is geharmoniseerd overeenkomstig Beschikking nr. 676/2002/EG voor draadloze breedbandnetwerken en -diensten voor elektronische communicatie, verlenen de nationale bevoegde instanties daarvoor een machtiging binnen de 24 maanden na de vaststelling van die maatregel, of zo spoedig mogelijk na de opheffing van een besluit om bij wijze van uitzondering alternatief gebruik toe te staan overeenkomstig lid 5 van dit artikel.
2.De in lid 1 vastgestelde termijn kan voor een specifieke band worden verlengd voor zover dat nodig is op grond van een van de volgende omstandigheden:
(a)een beperking van het gebruik van die band op basis van de doelstelling van algemeen belang als bedoeld in artikel 16, lid 2, tweede alinea, punt a) of d);
(b)onopgeloste grensoverschrijdende coördinatiekwesties die resulteren in schadelijke interferenties met derde landen, mits de betrokken lidstaat in voorkomend geval heeft verzocht om bijstand van de Unie op grond van artikel 14, lid 5;
(c)de noodzaak om de nationale veiligheid en defensie te waarborgen;
(d)overmacht.
De betrokken nationale bevoegde instantie evalueert de in de eerste alinea bedoelde verlenging ten minste om de twee jaar en op verzoek van een potentiële gebruiker van radiospectrum of de Commissie.
3.Een lidstaat mag de in lid 1 bedoelde termijn voor een specifieke band voor zover nodig en maximaal met 24 maanden verlengen in het geval van:
(a)onopgeloste grensoverschrijdende coördinatiekwesties die resulteren in schadelijke interferentie tussen de lidstaten, mits de betrokken lidstaat tijdig alle nodige maatregelen neemt op grond van artikel 14, leden 3 en 4;
(b)de noodzaak te zorgen voor de technische migratie van bestaande gebruikers van die band, en de complexiteit daarvan.
4.In het geval van verlenging op grond van lid 2 of lid 3, stelt de betrokken nationale bevoegde instantie de andere nationale bevoegde instanties en de Commissie tijdig in kennis, met opgave van de redenen.
5.Onverminderd lid 1 kunnen de nationale bevoegde instanties een alternatief gebruik van de gehele of een deel van de geharmoniseerde radiospectrumband toestaan indien:
(a)uit een overeenkomstig artikel 184 gehouden openbare raadpleging en een toekomstgerichte beoordeling van de marktvraag overeenkomstig artikel 32 blijkt dat er in de nabije toekomst geen duidelijke vraag is naar geharmoniseerd gebruik van de radiospectrumband;
(b)een dergelijk alternatief gebruik de beschikbaarheid of het gebruik van een dergelijke band in andere lidstaten niet onmogelijk maakt of schaadt.
De nationale bevoegde instantie stelt de Commissie en de andere nationale bevoegde instanties via het ODN in kennis van haar besluit, samen met de redenen daarvoor, en evalueert het besluit regelmatig.
6.De Commissie kan door middel van een uitvoeringshandeling gemeenschappelijke datums vaststellen voor de machtiging voor het gebruik van specifiek geharmoniseerd radiospectrum overeenkomstig lid 1 en in afwijking van de leden 1 tot en met 3.
Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de procedure van artikel 199, lid 4.
Afdeling 2: Verzoek om toewijzing/harmonisatie
Artikel 19
Verzoek om harmonisatie van radiospectrum
1.Elke belanghebbende kan bij de Commissie een met redenen omkleed verzoek indienen om de harmonisatie van de voorwaarden voor de beschikbaarheid en/of het efficiënte gebruik van een specifieke frequentieband te overwegen overeenkomstig artikel 4 van Beschikking nr. 676/2002/EG.
2.Op verzoek organiseert de Commissie een openbare raadpleging en dient zij dat verzoek in bij het RSPB voor een verslag of advies, of bij het Radiospectrumcomité, of bij beide. In voorkomend geval brengt het Radiospectrumcomité advies uit overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Beschikking nr. 676/2002/EG.
Een met redenen omkleed antwoord op een dergelijk verzoek wordt binnen een redelijke termijn verstrekt.
3.De Commissie maakt het verzoek en het antwoord bekend.
4.1.3.HOOFDSTUK III: Toewijzing
Afdeling 1: Beginselen
Artikel 20
Algemene machtiging voor het gebruik van radiospectrum
1.Radiospectrum wordt gebruikt in het kader van een algemene machtiging met inachtneming van de voorwaarden van lid 2 van dit artikel, tenzij een individueel gebruiksrecht vereist is overeenkomstig artikel 21.
2.Ondernemingen die op basis van een algemene machtiging radiospectrum mogen gebruiken, zijn alleen onderworpen aan de volgende voorwaarden:
(a)zij moeten een dienst aanbieden of een soort technologie gebruiken als een beperking is opgelegd overeenkomstig artikel 16, lid 1, tweede alinea, of artikel 16, lid 2, tweede alinea, met inbegrip van, in voorkomend geval, de vereisten inzake dekking en kwaliteit van de diensten;
(b)zij moeten radiospectrum effectief en efficiënt gebruiken in overeenstemming met deze verordening;
(c)zij moeten technische en operationele voorwaarden toepassen ter voorkoming van schadelijke interferentie en voor de bescherming van de volksgezondheid tegen elektromagnetische velden, rekening houdend met Aanbeveling 1999/519/EG indien die voorwaarden afwijken van de in de algemene machtiging opgenomen voorwaarden;
(d)zij moeten voldoen aan de cyberbeveiligingsregels, met inbegrip van de vereisten voor ICT-toeleveringsketens op grond van de cyberbeveiligingsverordening, die Verordening (EU) 2019/881 moet vervangen.
Artikel 21
Individuele gebruiksrechten voor radiospectrum
1.De nationale bevoegde instanties kunnen het gebruik van radiospectrum alleen aan individuele rechten onderwerpen wanneer dat nodig is om het efficiënte gebruik van radiospectrum te maximaliseren in het licht van de vraag en rekening houdend met het volgende:
(a)de specifieke kenmerken van het betrokken radiospectrum;
(b)de noodzaak om schadelijke interferentie te voorkomen;
(c)in voorkomend geval, de ontwikkeling van duidelijke voorwaarden voor gedeeld gebruik van radiospectrum;
(d)de noodzaak om de technische kwaliteit van communicatie of de dienst te verzekeren;
(e)doelstellingen van algemeen belang die door de lidstaten overeenkomstig het Unierecht worden bepaald;
(f)de noodzaak om een efficiënt radiospectrumgebruik te waarborgen.
2.Ondernemingen die houder zijn van een individueel gebruiksrecht voor radiospectrum kunnen, naast de voorwaarden van artikel 20, lid 2, uitsluitend worden onderworpen aan voorwaarden die vóór de toekenning of verlenging van dat recht door de nationale bevoegde instantie zijn vastgesteld met betrekking tot:
(a)de periode en maximumduur overeenkomstig artikel 24, onder voorbehoud van wijzigingen van het nationale frequentietoewijzingsplan;
(b)de overdracht of verhuur van rechten overeenkomstig artikel 26;
(c)de betaling van vergoedingen voor gebruiksrechten overeenkomstig artikel 29;
(d)naleving van alle afspraken die zijn gemaakt in het kader van een proces inzake machtiging of verlenging van een machtiging voorafgaand aan de verlening van de machtiging of, indien van toepassing, voorafgaand aan de uitnodiging tot het aanvragen van gebruiksrechten;
(e)het bundelen van radiospectrum of het verlenen van toegang tot radiospectrum aan andere gebruikers in specifieke regio’s of op nationaal niveau, of het delen van radiospectrum overeenkomstig artikel 27;
(f)het gebruik van radiospectrumbanden in overeenstemming met de desbetreffende internationale overeenkomsten;
(g)specifieke voorwaarden voor experimenteel gebruik van radiospectrumbanden;
(h)gedeeld gebruik van passieve of actieve infrastructuur die van radiospectrum afhankelijk is;
(i)commerciële overeenkomsten inzake roamingtoegang;
(j)de gezamenlijke uitrol van infrastructuur voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten die afhankelijk zijn van het gebruik van radiospectrum.
De bevoegde instanties verbinden geen voorwaarden uit hoofde van de eerste alinea, punten e), h), i) of j), van dit lid, tenzij dit op grond van de in artikel 32 bedoelde procedure gerechtvaardigd is.
3.De bevoegde instanties raadplegen en informeren belanghebbende partijen tijdig en op transparante wijze over de voorwaarden die aan individuele gebruiksrechten worden verbonden voordat deze worden opgelegd. Zij stellen vooraf de criteria vast voor de beoordeling van de naleving van die voorwaarden en delen deze op transparante wijze mee aan de belanghebbende partijen.
4.De bevoegde instantie kan individuele rechten combineren met een algemene machtiging voor het gebruik van radiospectrum, rekening houdend met alle waarschijnlijke gevolgen voor de mededinging, innovatie en markttoegang.
5. Het RSPB verzamelt goede praktijken met betrekking tot de keuze tussen algemene machtigingen en individuele rechten.
Afdeling 2: Harmonisatie
Artikel 22
Gemeenschappelijke machtigingsvoorwaarden voor het gebruik van radiospectrum
1.Potentiële gebruikers van radiospectrum in twee of meer lidstaten, voor openbare en niet-openbare elektronischecommunicatienetwerken, kunnen de nationale bevoegde instanties van de betrokken lidstaten verzoeken om, met behulp van het RSPB, gezamenlijk gemeenschappelijke machtigingsvoorwaarden vast te stellen om de uitrolkosten of de milieueffecten te verminderen. De nationale bevoegde instantie stelt de Commissie in kennis van dergelijke verzoeken.
2.Onverminderd artikel 39 van deze verordening ontwikkelt het RSPB, wanneer de Commissie of ten minste twee betrokken nationale bevoegde instanties een met redenen omkleed verzoek indienen, ongeacht of het verzoek wordt ingediend door aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken of niet, na raadpleging van de belanghebbenden een voorstel voor gemeenschappelijke machtigingsvoorwaarden, onder meer met betrekking tot de beste manier om radiospectrum tussen openbare en particuliere netwerken te delen, met inachtneming van het mededingingsrecht. De Commissie kan, rekening houdend met het voorstel van het RSPB en, in voorkomend geval, de vereisten van artikel 39, lid 4, door middel van een uitvoeringshandeling gemeenschappelijke machtigingsvoorwaarden vaststellen die bindend zijn in alle lidstaten en waarin een gemeenschappelijk formaat wordt vastgesteld dat moet worden gebruikt.
3.Op verzoek van twee of meer nationale bevoegde instanties of van de Commissie onderzoekt het RSPB of en in hoeverre het mogelijk is machtigingen te verlenen voor een deel van radiospectrum op het niveau van de Unie en stelt het de passende machtigingsprocedure en de toekenningsvoorwaarden voor om het bestaan in de hele Unie van draadloze breedbanddiensten voor elektronische communicatie van hoge kwaliteit (“draadloze breedbanddiensten”), met inbegrip van satellietcommunicatiediensten voor rechtstreekse verbindingen met apparaten (direct-to-device), te waarborgen. Na raadpleging van het RSPB kan de Commissie deze verordening aanvullen door middel van een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 198, om de processen en toekenningsvoorwaarden voor de machtiging voor radiospectrumgebruik in een bepaalde geharmoniseerde radiospectrumband, of delen daarvan, op het niveau van de Unie vast te stellen.
4.Bij de uitvoering van de machtigingsprocedure kan de Commissie het RSPB, het ODN, het Comité voor communicatie of externe deskundigen om bijstand verzoeken.
5.Wanneer de gemeenschappelijke machtigingsvoorwaarden zijn vastgesteld op grond van lid 2 van dit artikel, kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen de details vaststellen van een procedure voor een centraal loket die een onderneming in staat stelt bij het ODN aanvragen voor gebruiksrechten voor radiospectrum in meer dan één lidstaat in te dienen, en de procedurele regelingen, met inbegrip van administratieve termijnen, specificeren.
6.De nationale bevoegde instanties verlenen de rechten en machtigingen binnen de in artikel 30, lid 8, vastgestelde termijnen.
7.De in de leden 2 en 4 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 199, lid 4, bedoelde procedure vastgesteld.
Artikel 23
Geharmoniseerde toewijzing van radiospectrum
De nationale bevoegde instanties leggen geen verdere voorwaarden, aanvullende criteria of procedures op wanneer houders van gebruiksrechten voor geharmoniseerd radiospectrum zijn geselecteerd in het kader van een gemeenschappelijke selectieprocedure op het niveau van de Unie of wanneer geharmoniseerde machtigingsvoorwaarden op het niveau van de Unie van toepassing zijn.
Afdeling 3: Geharmoniseerde regels die van toepassing zijn op machtigingsvoorwaarden
Artikel 24
Duur van de rechten
1.Gebruiksrechten voor radiospectrum worden in beginsel verleend voor onbepaalde tijd. Individuele gebruiksrechten die voor onbepaalde tijd worden verleend voor radiospectrum dat voor draadloze breedbandnetwerken en -diensten wordt gebruikt, worden regelmatig door de nationale bevoegde instanties geëvalueerd, met inbegrip van verplichtingen inzake dekking en kwaliteit van de dienstverlening. Dergelijke evaluaties worden niet eerder uitgevoerd dan om de twintig jaar nadat een dergelijk individueel gebruiksrecht voor radiospectrum is verleend. Van periodieke evaluaties wordt kennis gegeven volgens de procedure van artikel 31.
2.Individuele gebruiksrechten voor radiospectrum die voor onbepaalde tijd zijn verleend, kunnen te allen tijde worden ingetrokken om een van de in artikel 25, lid 2, genoemde redenen, en met een opzegtermijn van vijf jaar in alle andere gevallen. Bij wijze van uitzondering is artikel 195 van toepassing wanneer individuele gebruiksrechten voor geharmoniseerd radiospectrum voor draadloze breedbanddiensten die voor onbepaalde tijd zijn verleend, binnen de eerste veertig jaar na de afgifte ervan worden ingetrokken.
3.In afwijking van lid 1 van dit artikel kunnen individuele gebruiksrechten voor radiospectrum worden verleend voor een beperkte periode die passend wordt geacht in het licht van de overeenkomstig artikel 30, lid 4, nagestreefde doelstellingen, indien het nodig is de mededinging te bevorderen of verstoring van de mededinging te voorkomen, overeenkomstig artikel 32.
Wanneer individuele gebruiksrechten voor radiospectrum voor een beperkte periode worden verleend, stelt de bevoegde instantie vooraf de maximumduur vast, onverminderd eventuele latere wijzigingen in het nationale frequentietoewijzingsplan, en specificeert zij deze in de besluiten over de verlening van individuele rechten.
4.Wanneer bevoegde instanties individuele gebruiksrechten voor geharmoniseerd radiospectrum aan maatregelen onderwerpen om het gebruik ervan voor draadloze breedbanddiensten voor een beperkte duur mogelijk te maken, hebben houders van die gebruiksrechten het recht om radiospectrum te gebruiken voor een periode van ten minste veertig jaar.
Individuele gebruiksrechten voor radiospectrum die voor een beperkte periode worden verleend, kunnen worden verlengd overeenkomstig artikel 25.
5.In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen de nationale bevoegde instanties voor geharmoniseerd of niet-geharmoniseerd spectrum een duur van minder dan veertig jaar opleggen in elk van de volgende gevallen:
(a)in beperkte geografische gebieden, waar de toegang tot hogesnelheidsnetwerken zeer slecht is of ontbreekt;
(b)voor specifieke kortetermijnprojecten;
(c)voor experimenteel gebruik door specifieke verplichtingen op te leggen;
(d)voor gebruik van radiospectrum dat, overeenkomstig artikel 16, leden 1 en 2, naast draadlozebreedbanddiensten kan bestaan;
(e)voor een alternatief gebruik van radiospectrum overeenkomstig artikel 18, lid 5.
6.De nationale bevoegde instanties kunnen de in dit artikel vastgestelde duur van de gebruiksrechten aanpassen om ervoor te zorgen dat de duur van de rechten in een of meer banden gelijktijdig verstrijkt, of met het oog op de beoordeling van de noodzaak van een verlenging overeenkomstig artikel 25, in het laatste geval slechts voor een periode van twee jaar, die eenmaal kan worden verlengd.
Artikel 25
Verlenging van de individuele gebruiksrechten voor geharmoniseerd radiospectrum
1.Elk gebruiksrecht van geharmoniseerd radiospectrum dat aan een beperkte duur is onderworpen, wordt op verzoek van de houder ervan automatisch voor een soortgelijke duur en onder soortgelijke voorwaarden verlengd.
2.In afwijking van lid 1 kan de bevoegde instantie, nadat zij alle belanghebbende partijen in de gelegenheid heeft gesteld hun standpunt kenbaar te maken door middel van een openbare raadpleging overeenkomstig artikel 184, ten minste vijf jaar vóór het verstrijken van het recht besluiten het gebruiksrecht niet automatisch te verlengen en hetzij het recht te laten vervallen en een open, transparante en niet-discriminerende machtigingsprocedure te organiseren om nieuwe rechten te verlenen, hetzij de bestaande rechten te verlengen voor een andere duur of onder andere voorwaarden, om een of meer van de volgende redenen:
(a)de naleving van de doelstellingen van artikel 3 en artikel 30, lid 4, en van doelstellingen van het overheidsbeleid op grond van Unierecht of nationaal recht, ook rekening houdend met het belang van bestaande investeringen;
(b)de uitvoering van een overeenkomstig artikel 4 van Beschikking nr. 676/2002/EG vastgestelde nieuwe technische uitvoeringsmaatregel;
(c)ernstig verzuim van de houder van het betrokken gebruiksrecht om de aan dat recht verbonden voorwaarden na te leven;
(d)de noodzaak om overeenkomstig artikel 32 de mededinging te bevorderen of enige verstoring ervan te voorkomen;
(e)de noodzaak om het gebruik van radiospectrum efficiënter maken in het licht van ontwikkelingen op het vlak van de technologie of de markt;
(f)wanneer radiospectrum kosteloos is toegewezen.
Wanneer de nationale bevoegde instantie overweegt het gebruiksrecht voor geharmoniseerd radiospectrum om de in de eerste alinea, punt d), genoemde redenen niet te verlengen, gaat zij alleen over tot een nieuwe selectieprocedure indien er bewijs is van een geloofwaardige marktvraag van andere ondernemingen dan die welke houder zijn van gebruiksrechten voor radiospectrum in de betrokken band en indien zij heeft vastgesteld dat het aantal infrastructuren dat economisch levensvatbaar kan zijn op de markt, groter is dan het aantal gevestigde exploitanten.
3.Tenzij het in lid 2 bedoelde besluit uiterlijk vijf jaar voor het verstrijken van de betrokken rechten wordt genomen, worden de bestaande rechten automatisch verlengd overeenkomstig lid 1.
4.Het besluit tot verlenging gaat vergezeld van een herziening van de jaarlijkse en eenmalige vergoedingen voor het gebruik van het radiospectrum, die wordt uitgevoerd op basis van artikel 29. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoedingen houden de bevoegde instanties onder meer rekening met historische prijzen, internationale benchmarks, de ontwikkeling van de gemiddelde inkomsten per MHz per verbinding, rekening houdend met alle radiospectrum dat voor de respectieve dienst wordt gebruikt, en de alternatieve kosten van radiospectrum.
5.Dit artikel is ook van toepassing op gebruiksrechten voor geharmoniseerd radiospectrum die zijn verleend vóór [de datum van inwerkingtreding van deze verordening] en die verstrijken binnen een periode van ten minste zeven jaar na die datum.
Artikel 26
Overdracht of verhuur van individuele gebruiksrechten voor radiospectrum
1.Houders van gebruiksrechten voor ander radiospectrum dan radiospectrum dat is toegewezen voor uitzendingen met een daaraan verbonden algemeen belang of culturele doelstelling en dan spectrum dat kosteloos is verleend, hebben het recht hun gebruiksrechten over te dragen of te verhuren in overeenstemming met dit artikel en met inachtneming van het mededingingsrecht.
2.De houder van gebruiksrechten voor radiospectrum stelt de nationale bevoegde instantie in kennis van zijn voornemen om gebruiksrechten voor radiospectrum over te dragen of te verhuren, alsook van de effectieve datum van overdracht daarvan; de nationale bevoegde instantie zal deze informatie openbaar maken.
Vanaf de datum van overdracht of verhuur is de verkrijger of huurder gebonden aan de oorspronkelijke voorwaarden die aan de gebruiksrechten voor radiospectrum zijn verbonden, met inbegrip van bijvoorbeeld strikte voorwaarden tegen het hamsteren van spectrum en voorwaarden om een doeltreffend en efficiënt gebruik van spectrum te waarborgen, tenzij de nationale bevoegde instantie overeenkomstig lid 3 anders beslist. In geval van verhuur is de oorspronkelijke houder samen met de huurder aan de oorspronkelijke voorwaarden gebonden. In het geval van geharmoniseerd radiospectrum voldoet een dergelijke overdracht aan zulk geharmoniseerd gebruik.
3.De overdracht of verhuur van die gebruiksrechten wordt niet geweigerd, tenzij er een duidelijk gevaar bestaat voor verstoring van de mededinging door de concentratie van gebruiksrechten, met name overeenkomstig artikel 32, of er ernstige twijfel bestaat over de vraag of de nieuwe gebruiker in staat is aan de oorspronkelijke voorwaarden voor het gebruiksrecht te voldoen.
Rekening houdend met de context en de omstandigheden van de overdracht van het gebruiksrecht voor radiospectrum, en met name met de vraag of de verkrijger direct of indirect, bijvoorbeeld via aanzienlijke financiering, met inbegrip van subsidies, onder zeggenschap staat van de overheid van een derde land of door de staat geleide externe projecten of programma’s uitvoert, hebben de nationale bevoegde instanties de bevoegdheid om de overdracht van gebruiksrechten voor radiospectrum tegen te houden, hetgeen noodzakelijk en evenredig is voor:
(a)de weerbaarheid;
(b)de veiligheid, met inbegrip van de continuïteit van de levering van elektronischecommunicatiediensten;
(c)defensie;
(d)de handhaving van de openbare orde, waarvan de verstoring of het misbruik aanzienlijke gevolgen kan hebben in een lidstaat of in de Unie.
Iedere administratieve bijdrage voor ondernemingen in verband met het verwerken van een aanvraag om overdracht, delen of verhuur van gebruiksrechten voor radiospectrum is in overeenstemming met artikel 12.
4.De nationale bevoegde instanties beoordelen of is voldaan aan de voorwaarden om de huidige gebruiksrechten overeenkomstig dit artikel overdraagbaar en verhuurbaar te maken en wijzigen, waar nodig, overeenkomstig artikel 194 tijdig na [de datum van inwerkingtreding van deze verordening] de aan de bestaande gebruiksrechten verbonden voorwaarden en zorgen ervoor dat de gebruiksrechten voor radiospectrum of het relevante radiospectrum zo goed mogelijk kunnen worden opgesplitst of uitgesplitst.
Artikel 27
Gedeeld gebruik van radiospectrum
1.Overeenkomstig artikel 15 en onverminderd de dekkingsverplichtingen of andere verplichtingen die aan houders van individuele gebruiksrechten voor radiofrequenties worden opgelegd, en onverminderd de verplichtingen die in het kader van een op mededinging gebaseerde of vergelijkende procedure zijn aangegaan, nemen houders van gebruiksrechten voor radiospectrum maatregelen om het delen van hun gebruiksrechten te organiseren, toe te staan en aan te bieden, voor zover dit technisch haalbaar is en met inachtneming van het mededingingsrecht.
2.Derden die geïnteresseerd zijn in het gebruik van een deel van radiospectrum op een specifiek grondgebied of in een specifieke periode, kunnen hun belangstelling kenbaar maken aan de nationale bevoegde instantie.
Houders van gebruiksrechten voor radiospectrum hebben het recht gedeeld gebruik van radiospectrum te weigeren wanneer zij aantonen dat zij radiospectrum gebruiken, of van plan zijn om in de nabije toekomst te gebruiken, op een wijze die gedeeld gebruik technisch niet haalbaar maakt. Houders van gebruiksrechten voor radiospectrum verbinden zich tot die plannen. Indien een houder van het gebruiksrecht niet in overeenstemming met zijn plan handelt, is artikel 196 van toepassing.
Bij het beoordelen van de haalbaarheid van gedeeld gebruik van radiospectrum houden de nationale bevoegde instanties rekening met de uitrolplannen van houders van gebruiksrechten voor radiospectrum voor de gehele duur van hun recht. De nationale bevoegde instanties passen op overeenkomstige wijze de procedure van artikel 188 toe. Zij kunnen gedeeld gebruik van radiospectrum voor een beperkte periode toestaan of voorzien in periodieke evaluatie. De nationale bevoegde instanties hebben de bevoegdheid om gedeeld gebruik van radiospectrum tegen te houden op de in artikel 26, lid 3, genoemde gronden.
3.De voorwaarden voor gedeeld gebruik van radiospectrum worden vastgelegd in het gebruiksrecht voor radiospectrum overeenkomstig artikel 21.
Deze voorwaarden bepalen het volgende:
(a)de gebruiksprioriteit, de co-existentieregels en het soort bescherming tegen schadelijke interferentie tussen de primaire en secundaire houder;
(b)het soort gebruik dat voor de nieuwe gebruiker is toegestaan in vergelijking met het oorspronkelijk toegestane gebruik;
(c)of gedeeld gebruik van radiospectrum kan worden opgelegd in geval van schending van een aan het gebruiksrecht verbonden verplichting, zoals een dekkingsverplichting.
4.Aan alle verplichtingen die gepaard gaan met het gebruiksrecht voor radiospectrum kan worden voldaan door de oorspronkelijke of de nieuwe gebruiker, of door beide. Beide gebruikers zijn gebonden aan de verplichtingen die zijn vastgesteld in het gebruiksrecht dat het delen van radiospectrum regelt.
5.Uiterlijk [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] stelt het RSPB, in nauwe samenwerking met de Commissie en Berec, richtsnoeren vast om bij te dragen tot de consistente uitvoering van dit artikel en artikel 15.
Artikel 28
Databank
1.Het ODN zet een dynamische databank op voor geolocatie en monitoring van de mogelijkheden voor radiospectrumgebruik om het gedeelde gebruik van specifieke radiospectrumbanden te bevorderen en toe te staan teneinde de efficiëntie van het radiospectrumgebruik te verbeteren, ter ondersteuning van het beleid van de Unie.
De databank bevat actuele informatie die door de lidstaten en houders van gebruiksrechten voor radiospectrum is verzameld en verstrekt over de geolokalisatie van het bestaande gebruik van radiospectrum, zodat potentiële gebruikers van radiospectrum toegang hebben tot dergelijk radiospectrum.
De databank is rechtstreeks toegankelijk voor elke potentiële gebruiker van radiospectrum.
2.Om de uniforme uitvoering van lid 1 te waarborgen, kan de Commissie, na raadpleging van het RSPB, door middel van uitvoeringshandelingen de door de databank bestreken radiospectrumbanden bepalen en praktische regelingen en uniforme formaten ontwikkelen voor het verzamelen en verstrekken van gegevens door de nationale bevoegde instanties aan de Commissie.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 199, lid 4, bedoelde procedure vastgesteld.
3.De oprichting en het gebruik van de databank waarborgen de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de regels inzake de vertrouwelijkheid van bedrijfsinformatie, met name uit hoofde van artikel 8 van Beschikking nr. 676/2002/EG, en het recht van de lidstaten om informatie die relevant is voor de nationale veiligheid achter te houden. Zij beperkt zo veel mogelijk de administratieve lasten en de bestaande verplichtingen voor de lidstaten uit hoofde van ander Unierecht, met name de verplichtingen om specifieke informatie te verstrekken.
4.Het ODN beheert de databank.
Artikel 29
Bijdragen voor individuele gebruiksrechten voor radiospectrum
1.De nationale bevoegde instanties kunnen een betaling voor gebruiksrechten voor radiospectrum opleggen in de vorm van een eenmalige of jaarlijkse vergoeding, of een combinatie daarvan, die overeenkomstig dit artikel wordt bepaald.
2.Jaarlijkse vergoedingen en eenmalige vergoedingen die geen verband houden met een vergelijkende of concurrerende selectieprocedure moeten objectief gerechtvaardigd, transparant en niet-discriminerend zijn en in verhouding staan tot het beoogde doel, een optimaal gebruik van radiospectrum waarborgen en rekening houden met de algemene doelstellingen van deze verordening. De vergoedingen worden vastgesteld op een niveau dat ten minste de totale administratieve kosten dekt die de nationale bevoegde instanties maken voor het beheer, de controle en de handhaving van radiospectrumregels overeenkomstig artikel 12, lid 1, punt a).
Uiterlijk [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] stelt de Commissie, rekening houdend met de adviezen van Berec en het RSPB, een aanbeveling vast over een gemeenschappelijke methode voor de vaststelling van jaarlijkse vergoedingen als bedoeld in de eerste alinea, waarbij rekening kan worden gehouden met verschillende kenmerken van het radiospectrum, zoals de capaciteit van een radiospectrumband en de schaarste ervan, en de dienst die zal worden verleend.
3.Eenmalige vergoedingen in een eventuele vergelijkende selectieprocedure of reserveringsprijzen in een concurrerende selectieprocedure worden vastgesteld op een niveau dat een efficiënte toewijzing en een efficiënt gebruik van radiospectrum, alsook investeringen en de uitrol van netwerken en diensten waarborgt.
Elke reserveringsprijs wordt vastgesteld als een minimumbetaling voor het verkrijgen van het gebruiksrecht voor radiospectrum.
Alvorens een reserveringsprijs op te leggen of het niveau ervan te bepalen, houdt de nationale bevoegde instantie rekening met de kosten die voortvloeien uit de aan die rechten verbonden voorwaarden.
Uiterlijk [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] stelt de Commissie, na raadpleging van Berec en het RSPB, een aanbeveling vast over een gemeenschappelijke methode voor het bepalen van een reserveringsprijs, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de alternatieve kosten van radiospectrum en de kenmerken van de band.
4.De nationale bevoegde instanties houden rekening met de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde aanbevelingen. Indien een van de aanbevelingen niet wordt opgevolgd en afwijkingen blijven bestaan zonder objectieve rechtvaardiging, kan de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling een besluit vaststellen om een geharmoniseerde toepassing te waarborgen.
Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de procedure van artikel 199, lid 4.
5.Eventuele vergoedingen worden alleen betaald wanneer radiospectrum daadwerkelijk beschikbaar is voor gebruik. De mogelijkheid wordt geboden om die vergoedingen in jaarlijkse tranches te betalen.
6.Jaarlijkse of eenmalige vergoedingen worden op verzoek terugbetaald op basis van de nakoming van vooraf bepaalde afspraken door de houder van een gebruiksrecht voor radiospectrum. De mogelijkheid van en het tarief voor een dergelijke terugbetaling moeten transparant, eerlijk en niet-discriminerend zijn en worden aangekondigd voorafgaand aan elke selectieprocedure of toewijzing, of verlengings- of evaluatieprocedure.
Afdeling 4: Toekennings- en selectieprocedures
Artikel 30
Verlenen van individuele gebruiksrechten voor radiospectrum en de selectieprocedure
1.De nationale bevoegde instanties verlenen individuele gebruiksrechten voor radiospectrum uit hoofde van artikel 21 op verzoek en volgens van tevoren vastgestelde open, transparante, niet-discriminerende en evenredige procedures aan elke onderneming, mits deze in staat is te voldoen aan de voorwaarden die aan dat recht verbonden zijn. Aanvragers verstrekken alle informatie die nodig is om aan te tonen dat zij kunnen voldoen aan de voorwaarden die verbonden zijn aan het gebruiksrecht voor radiospectrum.
2.De nationale bevoegde instanties beoordelen aanvragen voor individuele gebruiksrechten voor radiospectrum op grond van objectieve, transparante, evenredige en niet-discriminerende criteria die van tevoren zijn vastgesteld en waarin de voorwaarden in verband met dergelijke rechten zijn opgenomen. Zij discrimineren exploitanten van bijbehorende faciliteiten en exploitanten van wholesalenetwerken niet wanneer zij individuele rechten aanvragen voor het gebruik van radiospectrum voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten, en specificeren hoe dergelijke exploitanten aan verplichtingen inzake dekking, kwaliteit of andere verplichtingen kunnen voldoen.
3.Onverminderd de leden 1 en 2 van dit artikel, kunnen specifieke criteria en procedures van kracht zijn, waaronder een uitzondering op het vereiste dat procedures open moeten zijn, wanneer het verlenen van individuele gebruiksrechten voor gebruik van radiospectrum aan aanbieders van diensten inzake inhoud voor radio- en televisiediensten noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan een verplichting van algemeen belang, zoals bepaald overeenkomstig het Unierecht of het nationale recht in overeenstemming met het Unierecht.
4.Indien gerechtvaardigd kan de nationale bevoegde instantie het aantal individuele gebruiksrechten voor radiospectrum beperken. In dat geval omschrijft en motiveert zij de gekozen selectieprocedure en de daarmee nagestreefde doelstellingen, met vermelding van het resultaat van elke daarmee verband houdende beoordeling van de mededingings-, technische en economische situatie op de markt.
5.De nationale bevoegde instanties bieden alle belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten, de gelegenheid om binnen een redelijke termijn van ten minste dertig dagen hun standpunt kenbaar te maken over alle aspecten van de in lid 4 van dit artikel bedoelde procedure, met name over eventuele beperkingen, selectieprocedures en selectiecriteria, en houden rekening met de standpunten van de belanghebbende partijen.
6.Wanneer de nationale bevoegde instantie voornemens is het aantal individuele gebruiksrechten voor geharmoniseerd radiospectrum voor draadloze breedbandnetwerken en -diensten te beperken, geeft zij kennis van een ontwerp van definitieve maatregel overeenkomstig artikel 31 en gaat zij niet over tot de selectie alvorens de procedure voor de eengemaakte markt van de Unie voor radiospectrum af te ronden.
7.De nationale bevoegde instanties publiceren elk besluit over de selectieprocedure en de daarmee verband houdende regels, met inbegrip van de selectiecriteria en de voorwaarden die aan de gebruiksrechten voor radiospectrum moeten worden verbonden, met duidelijke vermelding van de redenen daarvoor, en nodigen uit tot het indienen van aanvragen voor gebruiksrechten.
8.De nationale bevoegde instanties nemen, communiceren en publiceren de besluiten over het verlenen van individuele gebruiksrechten voor radiospectrum zo spoedig mogelijk na de ontvangst van de volledige aanvraag, en voor radiospectrum dat in het nationale frequentietoewijzingsplan is aangemerkt als beschikbaar voor elektronischecommunicatiediensten, binnen de zes weken, welke termijn kan worden verlengd tot acht maanden in het geval van een selectieprocedure, waarbij een specifiek tijdschema van toepassing zoals vastgesteld in artikel 17.
Deze termijn laat de toepasselijke internationale overeenkomsten betreffende het gebruik van radiospectrum of van posities in de ruimte onverlet.
9.De nationale bevoegde instantie herziet, in voorkomend geval, elke beperking met regelmatige tussenpozen of op redelijk verzoek van de betrokken ondernemingen. Wanneer een bevoegde instantie besluit dat er aanvullende gebruiksrechten voor radiospectrum of een combinatie van algemene machtiging en individuele gebruiksrechten kunnen worden verleend, maakt zij die conclusie bekend en initieert zij het proces voor het verlenen van die rechten.
10.Het RSPB verzamelt goede praktijken op het gebied van vergunningsprocedures en de daarmee verband houdende toekenningsvoorwaarden, zoals de opzet van investeringsbevorderende veilingen, en dekkingsverplichtingen. De Commissie kan met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van het beleidsprogramma voor het digitale decennium de meest geschikte investeringsbevorderende aspecten van en selectievoorwaarden voor machtigingsprocedures aanbevelen voor het verlenen van machtigingen voor het gebruik van geharmoniseerd radiospectrum in een of meer banden, met inbegrip van wijzigingen daarvan.
11.De nationale bevoegde instanties houden rekening met de in lid 10 bedoelde aanbevelingen en motiveren elke afwijking daarvan aan de Commissie. Indien een dergelijke afwijking leidt tot een inconsistente uitvoering van investeringsbevorderende vergunningsprocedures of selectievoorwaarden die ten minste twee jaar na de vaststelling van een aanbeveling blijven bestaan en belemmeringen voor de interne markt dreigen op te werpen als gevolg van inconsistente niveaus van uitrol van hoogwaardige draadloze netwerken, kan de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling een besluit vaststellen om de geharmoniseerde toepassing ervan te waarborgen.
Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de procedure van artikel 199, lid 4.
12.Dit artikel doet geen afbreuk aan de overdracht van gebruiksrechten voor radiospectrum overeenkomstig artikel 26.
Artikel 31
Procedure voor de eengemaakte markt van de Unie voor radiospectrum
1.Wanneer de nationale bevoegde instantie voornemens is een selectieprocedure overeenkomstig artikel 30, lid 6, uit te voeren of onder andere voorwaarden, onder meer wat betreft de duur, gebruiksrechten voor geharmoniseerd radiospectrum voor draadloze breedbandnetwerken en -diensten, te wijzigen of te verlengen, maakt zij haar ontwerp van definitieve maatregel bekend en deelt zij dit mee aan de Commissie, het RSPB, Berec en de bevoegde instanties van andere lidstaten, waarbij zij tegelijkertijd de redenen voor de maatregel vermeldt en uitlegt hoe de maatregel:
(a)de ontwikkeling van de interne markt, de grensoverschrijdende verlening van diensten en de mededinging bevordert en tevens de voordelen voor de consumenten maximaliseert, en in het algemeen de in de artikelen 3 en 13, alsmede in Beschikking nr. 676/2002/EG vervatte doelstellingen verwezenlijkt;
(b)een doeltreffend en doelmatig gebruik van radiospectrum waarborgt;
(c)stabiele en voorspelbare investeringsvoorwaarden voor bestaande en toekomstige radiospectrumgebruikers garandeert bij de uitrol van netwerken voor de verrichting van elektronischecommunicatiediensten die afhankelijk zijn van radiospectrum.
In voorkomend geval licht de bevoegde instantie ook de redenen toe voor het voorstellen van:
(a)elke marktvormingsmaatregel uit hoofde van artikel 32, lid 2, met inbegrip van het resultaat van de uitgevoerde analyse;
(b)een beperkte duur van het gebruiksrecht voor radiospectrum overeenkomstig artikel 24, lid 3.
2.De nationale bevoegde instanties, het RSPB, Berec en de Commissie kunnen opmerkingen indienen over de ontwerpmaatregel binnen een termijn van dertig werkdagen, welke termijn niet wordt verlengd.
3.Het in lid 1 van dit artikel bedoelde ontwerp van de definitieve maatregel wordt voor nog eens zestig werkdagen niet vastgesteld indien de Commissie de betrokken nationale bevoegde instantie ervan in kennis heeft gesteld dat zij voorbehouden maakt ten aanzien van de rechtvaardiging van de duur of de evenredigheid van de ontwerpmarktvormingsmaatregelen of de verenigbaarheid ervan met het EU-recht en met name met de in artikel 3 bedoelde doelstellingen. De Commissie stelt het RSPB, Berec en de nationale bevoegde instanties in dat geval in kennis van haar voorbehouden en maakt deze tegelijkertijd openbaar.
4.Binnen dertig werkdagen na de kennisgeving van de voorbehouden van de Commissie brengen het RSPB en Berec advies uit over de voorbehouden van de Commissie en geven zij aan of zij van mening zijn dat de ontwerpmaatregel moet worden gehandhaafd, gewijzigd of ingetrokken en doen zij, in voorkomend geval, daartoe specifieke voorstellen. Die adviezen zijn met redenen omkleed en worden openbaar gemaakt.
5.Indien de RSPG en Berec in hun adviezen de voorbehouden van de Commissie delen, werken zij nauw samen met de betrokken nationale bevoegde instantie en de Commissie om de meest geschikte en effectieve maatregel vast te stellen.
6.Binnen zestig werkdagen na de kennisgeving van de voorbehouden kan de Commissie een van de volgende besluiten nemen:
(a)een besluit waarmee zij van de betrokken nationale bevoegde instantie verlangt dat deze de ontwerpmaatregel aanpast of intrekt;
(b)een besluit waarmee zij haar in lid 3 bedoelde voorbehouden intrekt.
De Commissie houdt rekening met de adviezen van het RSPB en Berec en van andere nationale bevoegde instanties alvorens een besluit uit hoofde van dit lid te nemen.
Het in de eerste alinea, punt a), bedoelde besluit van de Commissie gaat vergezeld van een gedetailleerde en objectieve analyse van de redenen waarom de ontwerpmarktvormingsmaatregel of de beperkte duur ervan niet mag worden vastgesteld of waarom deze moet worden gewijzigd.
7.Wanneer de Commissie een besluit heeft vastgesteld op grond waarvan de aanmeldende instantie de ontwerpmaatregel moet intrekken, stelt de betrokken instantie een dergelijke maatregel niet vast. Na overeenkomstig artikel 184 een openbare raadpleging te hebben gehouden, stelt de nationale bevoegde instantie het RSPB, Berec, andere nationale bevoegde instanties en de Commissie binnen de zes maanden na de datum van het besluit van de Commissie in kennis van een nieuwe ontwerpmaatregel.
8.Behalve in de in lid 3 van dit artikel bedoelde gevallen en indien de Commissie een besluit neemt waarbij om intrekking wordt verzocht, houdt de betrokken bevoegde instantie rekening met de opmerkingen van andere bevoegde instanties, het RSPB, Berec en de Commissie en kan zij de daaruit voortvloeiende maatregel vaststellen. Wanneer de betrokken nationale bevoegde instantie de maatregel neemt, stelt zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis. De bevoegde instantie stelt de Commissie, het RSPB, Berec en andere nationale bevoegde instanties in kennis van alle vastgestelde definitieve maatregelen die onder lid 1 van dit artikel vallen.
9.Het ODN houdt een register bij van de procedures voor de eengemaakte markt van de Unie voor radiospectrum uit hoofde van dit artikel.
Artikel 32
Mededinging
1.Gebruiksrechten voor radiospectrum voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten worden op zodanige wijze verleend, gewijzigd of verlengd dat daadwerkelijke mededinging wordt bevorderd en verstoringen van de mededinging op de interne markt overeenkomstig deze verordening worden voorkomen.
2.Wanneer nationale bevoegde instanties die verantwoordelijk zijn voor radiospectrumbeheer gebruiksrechten voor radiospectrum toekennen, wijzigen of verlengen met betrekking tot geharmoniseerd radiospectrum voor draadloze breedbandnetwerken en -diensten, stellen zij de nationale regelgevende instantie in kennis van het besluit over elke maatregel die van invloed kan zijn op de mededinging, zoals:
(a)het beperken van de hoeveelheid radiospectrumbanden waarvoor gebruiksrechten aan ondernemingen worden verleend, of, in gerechtvaardigde omstandigheden, het verbinden van voorwaarden aan dergelijke gebruiksrechten, zoals het aanbieden van wholesaletoegang of nationale of regionale roaming, in bepaalde banden of in bepaalde groepen van banden met soortgelijke kenmerken;
(b)het reserveren van een bepaald deel van een radiospectrumband of een groep van banden voor toewijzing aan nieuwe marktdeelnemers, als dit passend en gerechtvaardigd is gezien een specifieke situatie op de nationale markt;
(c)het weigeren van de verlening van nieuwe gebruiksrechten voor radiospectrum of van toestemming voor nieuw radiospectrumgebruik in bepaalde banden, dan wel het verbinden van voorwaarden aan de verlening van gebruiksrechten voor radiospectrum of de machtiging voor nieuw radiospectrumgebruik, teneinde concurrentieverstoring ten gevolge van de verlening, overdracht of concentratie van gebruiksrechten te voorkomen;
(d)het opnemen van voorwaarden voor het verbieden van, of het opleggen van voorwaarden aan, de overdracht van gebruiksrechten voor radiospectrum die niet onder het toezicht inzake fusies van de Unie of de lidstaten vallen, indien het waarschijnlijk is dat door een dergelijke overdracht de mededinging aanzienlijk in het gedrang komt;
(e)het wijzigen van de bestaande rechten voor gebruik van radiospectrum in overeenstemming met deze verordening, daar waar dat noodzakelijk is om ex post een einde te maken aan de verstoring van de mededinging ten gevolge van de overdracht of concentratie van gebruiksrechten.
De nationale regelgevende instanties stellen dergelijke maatregelen alleen voor op basis van een overeenkomstig artikel 73, lid 2, uitgevoerde marktanalyse, en met name een toekomstgerichte beoordeling van de mededingingsvoorwaarden op de markt en een beoordeling van de waarschijnlijke gevolgen van dergelijke maatregelen voor het handhaven of tot stand brengen van daadwerkelijke mededinging en voor bestaande en toekomstige investeringen.
3.Bij de keuze van de passende maatregelen uit hoofde van lid 2 nemen de nationale regelgevende instanties de evenredigheid in acht en leggen zij de minst ingrijpende maatregel op waarmee de mededinging op retailniveau kan worden gewaarborgd:
(a)alvorens maatregelen op te leggen die van invloed zijn op de structuur van de markt, beoordelen de nationale regelgevende instanties het aantal infrastructuren dat op de markt economisch levensvatbaar kan zijn, onder verwijzing naar de kenmerken van het toegewezen spectrum en de daarmee samenhangende investeringsvereisten die nodig zijn om de beoogde kwaliteit van de dienst te bereiken;
(b)alvorens wholesaletoegangsverplichtingen op te leggen, evalueren de nationale regelgevende instanties de relevante markten op toekomstgerichte basis en beoordelen zij of de retailmarkten daadwerkelijk concurrerend zouden zijn zonder wholesale-interventie.
Uiterlijk [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] ontwikkelt Berec, in nauwe samenwerking met de Commissie, richtsnoeren voor de consistente toepassing van dit lid.
4.De voorgestelde maatregelen uit hoofde van lid 2 maken deel uit van een ontwerpmaatregel die door een bevoegde instantie aan de procedure uit hoofde van artikel 31 wordt onderworpen.
5.Bij de toepassing van lid 2 volgen de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties de procedures van de artikelen 184, 194 en 195.
Afdeling 7: Implementatie en gebruik van draadloze netwerkapparatuur
Artikel 33
Toegang tot lokale radionetwerken
1.De bevoegde instanties staan het aanbieden van toegang via RLAN’s tot een openbaar netwerk voor elektronische communicatie toe, evenals het gebruik van geharmoniseerd radiospectrum voor dat aanbod, waarbij uitsluitend toepasselijke voorwaarden inzake algemene machtiging voor het gebruik van radiospectrum, zoals bedoeld in artikel 20, lid 2, gelden.
Indien dat aanbod geen deel uitmaakt van een economische activiteit of een bijkomend element van een andere economische activiteit of een openbare dienst is die niet afhankelijk is van het overbrengen van signalen op die netwerken, wordt een onderneming, overheidsinstantie of eindgebruiker die dergelijke toegang aanbiedt, niet onderworpen aan een algemene machtiging voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten op grond van artikel 9 en evenmin aan verplichtingen inzake de rechten van eindgebruikers op grond van titel III van deel VI en verplichtingen tot interconnectie van hun netwerken op grond van artikel 65, lid 1.
2.Artikel 4 van Verordening (EU) 2022/2065 is van toepassing op de aansprakelijkheid van aanbieders van dergelijke toegang via RLAN’s.
3.Aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten hebben het recht andere aanbieders van dergelijke netwerken en diensten of het publiek via RLAN’s toegang tot hun netwerken te verlenen, mits de toepasselijke algemene machtigingsvoorwaarden worden nageleefd en de eindgebruiker vooraf geïnformeerde toestemming heeft gegeven wanneer het RLAN zich in de gebouwen van de eindgebruiker bevindt.
4.In overeenstemming met artikel 93 mogen aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten de volgende rechten voor eindgebruikers niet eenzijdig beperken of de uitoefening ervan verhinderen:
(a)toegang krijgen tot de RLAN’s van hun keuze, aangeboden door derden;
(b)wederzijds of meer in het algemeen andere eindgebruikers toegang verlenen tot de netwerken van dergelijke aanbieders via RLAN’s, onder meer op basis van initiatieven van derde partijen die de RLAN’s van verschillende eindgebruikers bundelen en openbaar toegankelijk maken.
5.Eindgebruikers hebben het recht om al dan niet wederzijdse toegang tot hun RLAN’s te verlenen aan andere eindgebruikers, onder meer op basis van initiatieven van derden die de RLAN’s van verschillende eindgebruikers bundelen en openbaar toegankelijk maken.
6.Er mogen geen onnodige beperkingen worden opgelegd ten aanzien van het aanbieden van toegang tot RLAN’s aan het publiek:
(a)door overheidsinstanties of in openbare ruimten in de nabijheid van gebouwen waarin dergelijke overheidsinstanties zijn gevestigd, indien dat aanbod een bijkomend element is van de openbare diensten die op die terreinen of in die gebouwen worden geleverd;
(b)door initiatieven van niet-gouvernementele organisaties of overheidsinstanties om de RLAN’s van verschillende eindgebruikers te bundelen en onderling of meer algemeen toegankelijk te maken, met inbegrip van, indien van toepassing, de RLAN’s waartoe publieke toegang wordt verleend overeenkomstig punt a).
Artikel 34
Implementatie en exploitatie van draadloze toegangspunten met klein bereik
1.De implementatie van draadloze toegangspunten met klein bereik wordt niet onnodig beperkt en is onderworpen aan nationaal consistente regels. Die regels worden vóór hun toepassing bekendgemaakt.
In het bijzonder is de implementatie van draadloze toegangspunten met klein bereik die beantwoorden aan de op grond van lid 4 geldende kenmerken uitgezonderd van een individuele stedenbouwkundige machtiging of een andere individuele voorafgaande machtiging.
In afwijking van de tweede alinea kan een machtiging nodig zijn voor de implementatie van draadloze toegangspunten met klein bereik op gebouwen of locaties met architectonische, historische of natuurwaarde die zijn beschermd overeenkomstig het nationale recht of, indien nodig, omwille van de openbare veiligheid. De artikelen 7, 8 en 9, van Verordening (EU) 2024/1309 zijn van toepassing op het verlenen van die machtigingen.
2.De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de fysieke en technische kenmerken vast, zoals maximale grootte, gewicht en, in voorkomend geval, zendvermogen van draadloze toegangspunten met klein bereik.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 199, lid 4, bedoelde procedure vastgesteld.
Die uitvoeringshandelingen worden voortdurend geëvalueerd om ze aan te passen aan de technologische vooruitgang en aan de behoeften in verband met de implementatie van die netwerken.
3.Dit artikel laat de essentiële eisen neergelegd in Richtlijn 2014/53/EU, alsmede het machtigingsstelsel dat geldt voor het gebruik van het relevante radiospectrum, onverlet.
4.Indien nodig overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1309 hebben exploitanten het recht op toegang tot alle fysieke infrastructuur onder zeggenschap van nationale, regionale of lokale overheidsinstanties die technisch geschikt is voor toegangspunten met klein bereik, of die noodzakelijk is voor de verbinding van dergelijke toegangspunten met een backbone-netwerk, waaronder straatmeubilair, zoals lichtmasten, verkeersborden, verkeerslichten, aanplakborden, bus- en tramhaltes en metrostations. Alle redelijke verzoeken om toegang worden ingewilligd op billijke, redelijke, transparante en niet-discriminerende voorwaarden, die op één enkel informatiepunt openbaar worden gemaakt.
5.Onverminderd eventuele commerciële overeenkomsten is de implementatie van draadloze toegangspunten met klein bereik niet onderworpen aan vergoedingen of bijdragen die verder gaan dan de administratieve bijdragen overeenkomstig artikel 12.
Artikel 35
Technische regelgeving inzake elektromagnetische velden
De in Richtlijn (EU) 2015/1535 vastgestelde procedures zijn van toepassing op iedere ontwerpmaatregel van bevoegde instanties die inzake de implementatie van draadloze toegangspunten met klein bereik voorschriften met betrekking tot elektromagnetische velden oplegt die afwijken van die neergelegd in Aanbeveling 1999/519/EG of daarop volgende en vervangende aanbevelingen.
4.2.TITEL II: GEBRUIK VAN RADIOSPECTRUM PER SATELLIET
Artikel 36
Internationale context en eengemaakte markt
De Commissie beheert het gebruik van radiospectrum voor de levering van satellietnetwerken of satellietcommunicatiediensten uitsluitend in overeenstemming met de internationale verplichtingen en verbintenissen van de Unie, met inbegrip van de door de Raad op grond van artikel 218 VWEU vastgestelde besluiten, op een wijze die de internationale dimensie en het strategische belang ervan voor de Unie en de lidstaten volledig weerspiegelt, en ter ondersteuning van de doelstelling om een eengemaakte markt voor satellietcommunicatiediensten te ontwikkelen.
Artikel 37
Registratie en coördinatie van satellietsystemen met de ITU
1.Op verzoek van een potentiële gebruiker van radiospectrum stelt een voor radiospectrum bevoegde instantie de Commissie en andere nationale bevoegde instanties binnen het RSPB in kennis van elk verzoek om bij de ITU een satellietsysteem in te dienen, te coördineren of te registreren dat bestemd is voor meer dan één lidstaat of satellietgrondstation en, in voorkomend geval, de supplementaire grond- en boordonderdelen daarvan. De betrokken nationale bevoegde instantie geeft aan of zij steun van andere nationale bevoegde instanties en van de Unie nodig heeft om de coördinatie met de ITU uit te voeren teneinde de belangen en het beleid van de lidstaten en van de Unie te verdedigen en te bevorderen. De lidstaten en de Commissie kunnen opmerkingen indienen over het verzoek. Zonder onnodige vertragingen in het indieningsproces te veroorzaken, zorgt de betrokken lidstaat ervoor dat dergelijke opmerkingen naar behoren in aanmerking worden genomen.
2.Na ontvangst van een verzoek om frequenties of een positie in de ruimte voor een satellietsysteem of een satellietgrondstation en, in voorkomend geval, de supplementaire grond- en boordonderdelen daarvan volgens ITU-regels te coördineren, stelt de betrokken nationale bevoegde instantie de Commissie en de andere bevoegde instanties daarvan onmiddellijk in kennis via het RSPB.
3.Wanneer twee of meer nationale bevoegde instanties verzoeken ontvangen met betrekking tot dezelfde frequentieband of positie in de ruimte, coördineert het RSPB, ondersteund door het ODN, een standpunt van de Unie met het oog op een tijdige en consistente respons van de Unie aan de ITU.
Artikel 38
Algemene machtiging op het niveau van de Unie voor het aanbieden van satellietnetwerken of satellietcommunicatiediensten
1.De machtiging van de Unie uit hoofde van artikel 39 omvat een algemene machtiging voor het aanbieden van satellietnetwerken of satellietcommunicatiediensten zoals vastgesteld uit hoofde van dit artikel.
2.In afwijking van artikel 9 mag de levering van satellietnetwerken, met inbegrip van satellietgrondstations en, in voorkomend geval, supplementaire grond- en boordonderdelen, en van satellietcommunicatiediensten in de Unie of in verscheidene lidstaten alleen worden onderworpen aan de overeenkomstig lid 3 van dit artikel gespecificeerde voorwaarden.
Aanbieders dienen een kennisgeving in bij de Commissie en hoeven geen uitdrukkelijk besluit, machtiging of andere administratieve handeling van andere bevoegde instanties te verkrijgen. Het ODN staat de Commissie bij in de behandeling van de kennisgevingen.
3.De Commissie kan, rekening houdend met een advies van het RSPB, door middel van uitvoeringshandelingen de voorwaarden specificeren die verbonden zijn aan de algemene machtiging voor het aanbieden van satellietnetwerken of satellietcommunicatiediensten, binnen de in artikel 9, lid 4, gespecificeerde grenzen. De voorwaarden omvatten, maar zijn niet beperkt tot:
(a)zij moeten in de Unie gevestigd zijn;
(b)betaling van administratieve bijdragen uit hoofde van artikel 12, op overeenkomstige wijze;
(c)handhaving van de integriteit, beveiliging en weerbaarheid van de satellietnetwerken en satellietcommunicatiediensten;
(d)handhaving van de permanente controle over de transmissie van alle radiostations, met inbegrip van satellietgrondstations en, in voorkomend geval, hun supplementaire grond- en boordonderdelen, die gebruikmaken van radiospectrum waarvoor krachtens de machtiging van de Unie een vergunning is verleend, zelfs wanneer zij eigendom zijn van, geïnstalleerd of geëxploiteerd worden door derden of zich niet in de Unie bevinden;
(e)verplichtingen inzake gegevensbewaring of legale onderschepping. In de overeenkomstig de eerste alinea vastgestelde uitvoeringshandeling worden objectieve criteria vastgesteld voor het aanwijzen van de verplichtingen inzake gegevensbewaring en legale onderschepping, die als voorwaarde voor de EU-satellietmachtiging worden gesteld.
De in de eerste alinea vermelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 199, lid 4, bedoelde procedure vastgesteld.
4.De algemene machtiging van de Unie verleent de ondernemingen in alle lidstaten de minimumrechten die voortvloeien uit de in artikel 9 bedoelde algemene machtiging.
5.De artikelen 12, 194 en 195 zijn van overeenkomstige toepassing op administratieve bijdragen, wijziging, beperkingen en intrekking van rechten en verplichtingen in het kader van de algemene machtiging.
Artikel 39
Machtiging van de Unie voor het gebruik voor satellietradiospectrum
1.Het gebruik van radiospectrum voor de levering van satellietcommunicatiediensten in de Unie of in meer dan één lidstaat is onderworpen aan een door de Commissie verleende machtiging van de Unie.
2.Rekening houdend met het advies van het RSPB stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling de Europese tabel voor de toewijzing van satellietfrequenties vast, waarin de voor satellietcommunicatiediensten in de Unie beschikbare radiospectrumbanden worden vermeld, en werkt zij deze tabel bij. De Commissie harmoniseert radiospectrum dat beschikbaar is voor satellietcommunicatiediensten overeenkomstig Beschikking nr. 676/2002/EG en verleent een machtiging voor het gebruik van geharmoniseerd radiospectrum voor satellietcommunicatiediensten. De Commissie kan besluiten dat toegang tot bepaalde satellietradiospectrumbanden mogelijk is in het kader van een algemene machtiging. In dat geval stelt zij de machtigingsvoorwaarden voor het gebruik van radiospectrum in die banden vast, met inbegrip van eventuele toepasselijke vergoedingen.
3.Wanneer de Commissie op eigen initiatief of op verzoek van een bevoegde instantie of een aanvrager overweegt het aantal machtigingen van de Unie in een bepaalde radiospectrumband te beperken wegens schaarste van radiospectrum of om redenen van algemeen belang, stelt zij belanghebbende partijen in de gelegenheid hun standpunten kenbaar te maken in een openbare raadpleging overeenkomstig artikel 184. Op basis van het resultaat van de raadpleging kan de Commissie de nodige maatregelen nemen om het aantal machtigingen te beperken.
4.Door middel van uitvoeringshandelingen, die uiterlijk op [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] moeten worden vastgesteld, rekening houdend met de kenmerken van de betrokken spectrumbanden en eventuele adviezen van het RSPB, specificeert de Commissie de voorwaarden voor de machtiging en het gebruik voor de verschillende spectrumbanden, waarbij zij ervoor zorgt dat gemachtigde exploitanten aan de volgende eisen worden onderworpen:
(a)zij moeten in de Unie gevestigd zijn;
(b)zij moeten voldoen aan het radioreglement van de ITU door ervoor te zorgen dat:
(I)de relevante coördinatie- en kennisgevingsprocedures van het radioreglement worden toegepast, met inbegrip van de inschrijving in het Master International Frequency Register (MIFR) van de ITU, met inachtneming van de status en de datums van bescherming van de ITU en te goeder trouw uitgevoerd;
(II)relevante internationale coördinatieovereenkomsten worden nageleefd;
(III)er geen schadelijke interferentie wordt veroorzaakt voor andere satellietnetwerken of -systemen of voor stations die overeenkomstig het radioreglement van de ITU worden geëxploiteerd;
(IV)er wordt geëxploiteerd op een interferentievrije en onbeschermde basis wanneer de indiening nog niet is gemeld en geregistreerd in het MIFR of er wordt geëxploiteerd krachtens radioreglement nr. 4.4 van de ITU;
(c)coördinatie met elk satellietsysteem dat in de Unie is toegestaan;
(d)gebruik van radiospectrum voor het aanbieden van satellietcommunicatiediensten in overeenstemming met het radioreglement van de ITU, met inbegrip van het vermijden van schadelijke interferentie en, in voorkomend geval, in overeenstemming met elke technische harmonisatiehandeling die is vastgesteld op grond van Beschikking nr. 626/2008/EG;
(e)in het geval van indiening bij de ITU door een derde land, moet worden aangetoond dat de jurisdictie van dat land voorziet in een doeltreffende oplossing voor schadelijke interferentie en instrumenten toepast voor onmiddellijke verantwoordingsplicht in geval van onrechtmatig gebruik;
(f)betaling van radiospectrumvergoedingen, vast te stellen op basis van een door de Commissie bij gedelegeerde handeling vastgestelde methode, in overeenstemming met de criteria van artikel 29, lid 2, eerste alinea;
(g)eventuele aanvullende objectieve, transparante en niet-discriminerende voorwaarden die nodig zijn voor de bescherming van het beleid van de Unie dat gebaseerd is op satellietnetwerken of satellietcommunicatiediensten, met inbegrip van voorwaarden die van toepassing zijn op het experimentele gebruik van spectrum.
5.Uiterlijk op [36 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] vervangt de Commissie de nationale machtigingen die geldig zijn op [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] voor het gebruik van radiospectrum door machtigingen van de Unie.
6.De in de leden 2 en 4 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 199, lid 4, bedoelde procedure vastgesteld.
Artikel 40
Procedure voor de verlening van een Uniemachtiging
1.Elke onderneming dient bij de Commissie een aanvraag in voor een machtiging van de Unie voor het gebruik van radiospectrum voor het aanbieden van satellietcommunicatiediensten en satellietnetwerken. De Commissie maakt deze aanvragen na ontvangst bekend.
Bij de toepassing van dit artikel wordt de Commissie bijgestaan door het ODN en door een permanente RSPB-werkgroep inzake satellietmachtigingen. Deze groep bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten die deskundig zijn op het gebied van satellietcommunicatie.
2.De aanvraag specificeert de radiospectrumbehoeften en bevat de informatie die nodig is voor de identificatie van de onderneming, een korte beschrijving van de satellietcommunicatiedienst en de informatie die nodig is om te controleren of aan de voorwaarden van artikel 39 is voldaan.
3.De Commissie onderzoekt het verzoek met de hulp van de RSPB-werkgroep inzake satellietmachtigingen en het ODN. Het RSPB dient binnen tien werkdagen na ontvangst van het verzoek een advies in bij de Commissie.
4.De Commissie stelt een uitvoeringshandeling vast waarbij de machtiging van de Unie wordt verleend indien de aanvrager voldoet aan de voorwaarden van artikel 39, of waarbij de machtiging van de Unie in alle andere gevallen wordt geweigerd.
Indien nodig kan het RSPB de indiening van zijn advies uitstellen en de Commissie verzoeken passende maatregelen te nemen om de technische voorwaarden voor het gebruik van radiospectrum overeenkomstig Beschikking nr. 626/2008/EG of andere voorwaarden van de machtigingen van de Unie te harmoniseren.
5.Wanneer de Commissie overeenkomstig artikel 39, lid 3, besluit rechthebbenden te selecteren in een selectieprocedure, voert zij een dergelijke procedure uit overeenkomstig bijlage VI, tenzij het Unierecht in een specifieke procedure voorziet.
6.De Commissie stelt uiterlijk [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] een uitvoeringshandeling vast met details en termijnen die van toepassing zijn op de procedure voor het verlenen van een EU-machtiging.
De in de leden 4 en 6 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 199, lid 4, bedoelde procedure vastgesteld.
Artikel 41
Gevolgen van de Uniemachtiging
1.In afwijking van artikel 9 verleent de machtiging van de Unie de houder ervan het recht om satellietnetwerken of satellietcommunicatiediensten en het gebruiksrecht voor radiospectrum in de hele Unie of aan de in de machtiging omschreven specifieke lidstaten aan te bieden. Er is geen nationale machtiging vereist voor het aanbieden van satellietnetwerken en satellietcommunicatiediensten of voor het gebruik van radiospectrum voor het aanbieden daarvan in een lidstaat.
2.De machtiging van de Unie verleent in elke lidstaat dezelfde rechten en verplichtingen op soortgelijke wijze als een door die lidstaat verleende machtiging voor het aanbieden van satellietcommunicatiediensten of satellietnetwerken of voor het gebruik van radiospectrum.
3.De machtiging van de Unie ontslaat de houder ervan niet van uit het radioreglement van de ITU voortvloeiende coördinatieverplichtingen, met inbegrip van verplichtingen inzake gedeeld gebruik van radiospectrum, met betrekking tot bestaande of toekomstige satellietnetwerken of satellietcommunicatiediensten.
4.De houder van de machtiging van de Unie:
(a)komt, voor zover van toepassing, alle in de aanvraag vermelde of tijdens de selectieprocedure gedane afspraken na, ongeacht of de gecombineerde vraag naar radiospectrum groter is dan de beschikbare hoeveelheid of niet;
(b)gebruikt zijn gebruiksrechten op een wijze die strookt met het beleid van de Unie inzake spectrumgebruik, met name door geen schadelijke interferentie te veroorzaken voor satellietsystemen die in het kader van programma’s van de Unie worden gefinancierd, en door op verzoek van bevoegde instanties in tijden van crisis toegang te verlenen tot radiospectrum waar hun rechten betrekking op hebben;
(c)dient bij de Commissie een jaarverslag in waarin de stand van zaken met betrekking tot de ontwikkeling van zijn satellietnetwerk en/of satellietcommunicatiedienst wordt beschreven.
Artikel 42
Duur en verlenging van de machtiging van de Unie
1.De duur van de machtiging van de Unie wordt bepaald door de Commissie. Artikel 24 is van overeenkomstige toepassing op de uit hoofde van de machtiging van de Unie verleende rechten.
In afwijking van artikel 24, lid 5, kan de Commissie, indien gerechtvaardigd, de duur van de machtiging van de Unie verkorten in de volgende gevallen:
(a)voor specifieke kortetermijnprojecten;
(b)voor experimenteel gebruik in een baan om de aarde;
(c)teneinde te voldoen aan de internationaalrechtelijke verplichtingen die op de lidstaten van toepassing zijn.
2.In geval van een verzoek om verlenging van het gebruiksrecht brengt het RSPB binnen tien werkdagen na ontvangst van een verzoek van de Commissie advies uit aan de Commissie. De machtiging van de Unie kan door de Commissie worden verlengd, rekening houdend met het advies van het RSPB. Artikel 25 is van overeenkomstige toepassing op de verlenging van de uit hoofde van de machtiging van de Unie verleende rechten.
3.De artikelen 194 en 195 betreffende de wijziging, beperking en intrekking van gebruiksrechten zijn van overeenkomstige toepassing op gebruiksrechten voor radiospectrum.
Artikel 43
Toezicht en maatregelen
1.De Commissie en de nationale bevoegde instanties, die samenwerken in het kader van het in artikel 199, lid 1, bedoelde comité, en het RSPB zien erop toe dat de satellietnetwerken en satellietcommunicatiediensten die in het kader van een machtiging van de Unie worden geëxploiteerd, voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 38 en 39, alsook aan het recht van de Unie en het toepasselijke radioreglement van de ITU, en nemen passende maatregelen om elke niet-naleving aan te pakken.
De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen gedetailleerde regelingen vast voor de gecoördineerde monitoring en handhaving van machtigingen van de Unie, met inbegrip van voorwaarden voor de gecoördineerde schorsing of intrekking van machtigingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 199, lid 3, bedoelde procedure vastgesteld.
2.De Commissie onderzoekt elke vermeende specifieke inbreuk op een aan een machtiging van de Unie verbonden voorwaarde of op een bepaling van deze titel. Het RSPB, ondersteund door het ODN, staat de Commissie bij het onderzoek daarvan bij.
Wanneer een nationale bevoegde instantie van oordeel is dat een houder van een machtiging van de Unie niet voldoet aan een machtigingsvoorwaarde of een bepaling van deze verordening, brengt zij de zaak onder de aandacht van de Commissie en het RSPB.
Wanneer de Commissie vaststelt dat een houder van een machtiging van de Unie niet voldoet aan een van de voorwaarden van artikel 38 of artikel 39, stelt zij die exploitant in kennis van haar bevindingen.
3.In geval van schending van een machtigingsvoorwaarde of bepaling van deze titel stelt de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen passende en evenredige corrigerende maatregelen vast, bestaande uit:
(a)het (tijdelijke of permanente) verbod op het gebruik van bepaalde radiospectrumbanden voor satellietgrondstations en, in voorkomend geval, hun supplementaire grond- en boordonderdelen in de Unie, onverminderd civielrechtelijke en strafrechtelijke sancties uit hoofde van het nationale recht;
(b)de schorsing of intrekking van de machtiging van de Unie.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 199, lid 4, bedoelde procedure vastgesteld.
De Commissie kan aan de houder van een machtiging van de Unie geldboeten of dwangsommen opleggen wegens inbreuken op de machtigingsvoorwaarden of bepalingen van deze titel, die worden vastgesteld rekening houdend met de ernst en de duur van de inbreuk en niet meer bedragen dan 5 % van zijn totale wereldwijde omzet in het voorgaande boekjaar. Het Hof van Justitie heeft terzake van beroep tegen beschikkingen van de Commissie waarbij een geldboete of dwangsom wordt vastgesteld, volledige rechtsmacht in de zin van artikel 229 VWEU; het kan de opgelegde geldboete of dwangsom intrekken, verlagen of verhogen.
De Commissie stelt de lidstaten in kennis van de handhavingsmaatregelen die uit hoofde van dit artikel zijn genomen.
4.Niettegenstaande de leden 1 en 2 van dit artikel is, wanneer geen radiospectrumvergoedingen zijn betaald en de voorwaarden van artikel 38, lid 3, niet zijn nageleefd, de procedure overeenkomstig artikel 196 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 44
Handhaving
1.Maatregelen waartoe de Commissie overeenkomstig artikel 43 heeft besloten, worden door de nationale bevoegde instanties volledig en binnen de door de Commissie vastgestelde termijn gehandhaafd. Bij wijze van uitzondering kan een nationale bevoegde instantie de Commissie verzoeken de toepassing van haar maatregel op haar nationale grondgebied voor een verlengbare periode van maximaal zes maanden uit te stellen indien die maatregel de connectiviteit op haar grondgebied waarschijnlijk ernstig zal verstoren. De Commissie beperkt de duur van deze uitzondering zoveel mogelijk, in voorkomend geval door eindgebruikers te stimuleren over te stappen op alternatieve satellietnetwerken of satellietcommunicatiediensten.
2.Elke maatregel van de Commissie blijft van kracht in afwachting van de uitkomst van een gerechtelijk of ander beroep tegen het besluit van de Commissie of tegen een nationale handhavingsmaatregel, tenzij voorlopige maatregelen worden toegekend die passend zijn om dergelijke interferentie overeenkomstig lid 3 voldoende te beperken of tegen te gaan.
3.Indien dringend optreden noodzakelijk is om schadelijke interferentie op haar grondgebied te voorkomen, kan een nationale bevoegde instantie, op eigen initiatief of op verzoek van de Commissie, passende voorlopige maatregelen nemen, waaronder de opschorting van de toepassing van de machtiging van de Unie op haar grondgebied. Wanneer de nationale bevoegde instantie dit op eigen initiatief doet, stelt zij de Commissie en het RSPB binnen vijf werkdagen in kennis van de redenen voor de maatregel. De Commissie stelt het RSPB en de andere nationale bevoegde instanties daarvan in kennis. De Commissie leidt onmiddellijk de procedure van artikel 43 in.
Artikel 45
Coördinatie tussen satelliet- en terrestrisch gebruik van het radiospectrum
1.Gedeeld gebruik van radiospectrum tussen terrestrische en satellietsystemen is alleen mogelijk met het akkoord en onder de verantwoordelijkheid van de primaire houder van het terrestrische gebruiksrecht wanneer die primaire houder aanwezig is, en ernaar streeft een efficiënt gebruik van radiospectrum te waarborgen, schadelijke interferentie met terrestrische netwerken die draadlozebreedbanddiensten voor elektronische communicatie aanbieden, te voorkomen en deze en andere relevante gevestigde draadlozebreedbanddiensten en -toepassingen adequaat te beschermen door de ongehinderde continuïteit van de huidige exploitatie en de toekomstige verdere en nieuwe ontwikkeling van alle relevante radiodiensten en -toepassingen die momenteel deze banden en aangrenzende banden gebruiken, te waarborgen.
2.Wanneer de betrokken bevoegde instantie wordt verzocht het gebruik van radiospectrum tussen terrestrische en ruimtevaarttoepassingen te coördineren in het kader van de ITU-regels met betrekking tot geharmoniseerd radiospectrum, deelt zij een dergelijk verzoek mee aan de Commissie met het oog op onmiddellijke doorgifte aan de leden van het Radiospectrumcomité.
3.Het comité brengt een advies uit met een voorstel voor het antwoord dat moet worden gegeven op het ITU-coördinatieverzoek, rekening houdend met eventuele specifieke kenmerken van het gebruik van dat radiospectrum in elke lidstaat. De Commissie kan volgens de in artikel 199, lid 4, bedoelde procedure een uitvoeringshandeling betreffende gecoördineerde co-existentievoorwaarden in de Unie vaststellen.
4.Indien dit nodig is om te zorgen voor de gecoördineerde bescherming van door de lidstaten verleende rechten voor het terrestrische gebruik van geharmoniseerd radiospectrum of de gecoördineerde verlening van rechten voor het gebruik van dergelijk radiospectrum voor het aanbieden van satellietcommunicatiediensten op gedeelde basis met draadloze breedbanddiensten, kan de Commissie aanbevelingen vaststellen voor de geharmoniseerde toepassing van deze verordening en het gecoördineerd delen van radiospectrum tussen terrestrische en satellietgebruikers.
4.3.TITEL III: NUMMERVOORRADEN
Artikel 46
Strategische planning en beheer van nummervoorraden
1.De lidstaten en de Commissie beheren onder gedeelde bevoegdheid nummervoorraden op de interne markt op gecoördineerde wijze als een gemeenschappelijke hulpbron van de Unie, met het oog op de bevordering van de economische groei door innovatie en een consistent aanbod van nummergebaseerde elektronische communicatiediensten in de Unie mogelijk te maken en de waarden en veiligheid van de Unie te beschermen, teneinde de doelstellingen van artikel 3 te verwezenlijken.
2.De Commissie, bijgestaan door het ODN, en de nationale regelgevende instanties werken samen bij de strategische planning van nummervoorraden in de Unie en de identificatie van het mogelijke gebruik van nummervoorraden voor grensoverschrijdende of pan-Europese diensten.
3.Rekening houdend met het advies van Berec en na alle belanghebbende partijen in de gelegenheid te hebben gesteld hun standpunten kenbaar te maken, stelt de Commissie een toekomstgerichte nummerstrategie van de Unie vast met betrekking tot het consistente beheer van nummervoorraden in de lidstaten en op het niveau van de Unie.
4.Op basis van de in lid 3 bedoelde nummerstrategie van de Unie stelt de Commissie, bijgestaan door het ODN, het nummerplan van de Unie vast dat voorziet in de nummervoorraden die in de Unie door de overeenkomstige grensoverschrijdende of pan-Europese diensten moeten worden gebruikt.
Het nummerplan van de Unie, de modaliteiten betreffende de toepassing van ITU-nummerreeksen voor het nummerplan van de Unie en de voorwaarden die kunnen worden verbonden aan het gebruiksrecht voor nummervoorraden van het nummerplan van de Unie, met inbegrip van de vergoedingen voor gebruiksrechten voor die voorraden, kunnen door de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen worden vastgesteld.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 199, lid 3, bedoelde procedure vastgesteld.
Artikel 47
Pan-Europese nummervoorraden
1.De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen overeenkomstig artikel 46, lid 4, maatregelen nemen om specifieke nummers of nummerreeksen te harmoniseren of om nummerreeksen op de ITU toe te passen om de beschikbaarheid van nummervoorraden voor grensoverschrijdende of pan-Europese diensten te waarborgen, in overeenstemming met het nummerplan van de Unie.
2.De lidstaten ondersteunen de harmonisatie van specifieke nummers of nummerreeksen binnen de Unie en de toepassing van pan-Europese nummervoorraden op de ITU wanneer deze een eengemaakte markt voor elektronische communicatie of de ontwikkeling van pan-Europese diensten bevordert.
3.De nationale regelgevende instanties beheren, in samenwerking met het ODN, de toewijzing van nummers of nummerreeksen uit de pan-Europese nummervoorraden en handhaven de voorwaarden die verbonden zijn aan de individuele gebruiksrechten uit de pan-Europese nummervoorraden.
4.Het ODN zet een databank op van de pan-Europese nummervoorraden en werkt deze bij op basis van de tijdig door de nationale regelgevende instanties verstrekte informatie over de toewijzing van nummers en de begunstigden van de nummers. Binnen de zes maanden na de vaststelling van het EU-nummerplan zet het ODN de procedure en het systeem op voor het verstrekken van informatie uit hoofde van dit lid en artikel 48, lid 4, vierde alinea.
Artikel 48
Nationale nummervoorraden
1.De nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties controleren de verlening van gebruiksrechten voor alle nationale nummervoorraden en het beheer van de nationale nummerplannen en zorgen voor passende nummervoorraden met het oog op het aanbieden van voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten. De nationale regelgevende instanties stellen objectieve, transparante en niet-discriminerende procedures op voor de verlening van gebruiksrechten voor de nationale nummervoorraden.
2.Desgevraagd kunnen de nationale regelgevende instanties ook voor het aanbieden van specifieke diensten aan andere ondernemingen dan aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten gebruiksrechten verlenen voor nummervoorraden uit de nationale nummerplannen mits passende nummervoorraden ter beschikking worden gesteld om tegemoet te komen aan de bestaande en te voorziene toekomstige vraag. Die ondernemingen tonen aan dat zij in staat zijn de nummervoorraden te beheren en te voldoen aan alle toepasselijke voorschriften op grond van artikel 49. Wanneer er een aantoonbaar risico op uitputting van de nummervoorraden bestaat, kunnen de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties nieuwe verleningen van gebruiksrechten voor nummervoorraden aan die ondernemingen opschorten.
Om bij te dragen tot de consistente toepassing van dit lid stelt Berec richtsnoeren op over gemeenschappelijke criteria voor de beoordeling van het vermogen om nummervoorraden te beheren en van het risico van uitputting van nummervoorraden, en werkt het deze zo nodig bij, na raadpleging van de belanghebbenden en in nauwe samenwerking met de Commissie.
3.De nationale regelgevende instanties passen de nationale nummerplannen en procedures zodanig toe dat alle aanbieders van voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten en de ondernemingen die overeenkomstig lid 2 in aanmerking komen, gelijk worden behandeld. Ondernemingen waaraan het gebruiksrecht voor nummervoorraden is verleend, discrimineren andere aanbieders van elektronischecommunicatiediensten niet voor wat betreft de nummervoorraden die worden gebruikt om toegang te geven tot hun diensten.
4.De nationale regelgevende instanties stellen een reeks niet-geografische nummers beschikbaar die kunnen worden gebruikt voor het aanbieden van andere elektronischecommunicatiediensten dan interpersoonlijke communicatiediensten op het hele grondgebied van de Unie, onverminderd Verordening (EU) nr. 2022/612 en artikel 52, lid 2, van deze verordening. Indien overeenkomstig lid 2 van dit artikel gebruiksrechten voor nummervoorraden zijn verleend aan andere ondernemingen dan aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten, geldt dit lid voor de specifieke diensten voor het aanbieden waarvan de gebruiksrechten zijn verleend.
De nationale regelgevende instanties zorgen ervoor dat de in artikel 50 opgenomen voorwaarden die kunnen worden verbonden aan de gebruiksrechten voor nummervoorraden die worden gebruikt voor het aanbieden van diensten buiten de lidstaat van de landcode, en de handhaving daarvan, even streng zijn als de voorwaarden en de handhaving die in overeenstemming met deze verordening van toepassing zijn op diensten die binnen de lidstaat van de landcode worden aangeboden. De nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties zorgen er overeenkomstig artikel 49, lid 6, ook voor dat aanbieders die nummervoorraden van hun landcode gebruiken in andere lidstaten, voldoen aan de regels inzake consumentenbescherming en andere nationale regels in verband met het gebruik van nummervoorraden die gelden in de lidstaten waar de nummervoorraden worden gebruikt. Die verplichting doet geen afbreuk aan de handhavingsbevoegdheden van de bevoegde instanties van die lidstaten.
Het ODN staat de nationale regelgevende instanties desgevraagd bij bij het coördineren van hun activiteiten met het oog op het efficiënte beheer van nummervoorraden met extraterritoriale gebruiksrechten binnen de Unie.
Teneinde de monitoring door de nationale regelgevende instanties van de naleving van de voorschriften van dit lid te faciliteren, houdt Berec, bijgestaan door het ODN, een databank bij over de nummervoorraden met extraterritoriale gebruiksrechten binnen de Unie. Daartoe zenden de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties de relevante informatie periodiek aan het ODN toe.
5.De nationale regelgevende instanties publiceren de nationale nummerplannen, alsmede alle latere toevoegingen of wijzigingen daarvan, uitsluitend met inachtneming van beperkingen die worden opgelegd om redenen van nationale veiligheid.
6.Voor het eerst uiterlijk op [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding] en vervolgens om de twee jaar brengt Berec een verslag uit over de nationale praktijken met betrekking tot het verlenen van gebruiksrechten voor nationale en pan-Europese nummervoorraden, met bijzondere aandacht voor uiteenlopende praktijken binnen de Unie.
Artikel 49
Procedure voor het verlenen van gebruiksrechten voor nummervoorraden
1.Wanneer individuele gebruiksrechten voor nummervoorraden moeten worden verleend, verlenen de nationale regelgevende instanties die rechten op verzoek aan ongeacht welke onderneming voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of –diensten die onder de algemene machtiging als bedoeld in artikel 9 en artikel 181, lid 3, punt c), en met inachtneming van alle andere regels die het efficiënt gebruik van die nummervoorraden waarborgen overeenkomstig deze verordening.
2.De gebruiksrechten voor nummervoorraden worden verleend volgens procedures die open, objectief, transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn.
Bij het verlenen van gebruiksrechten voor nummervoorraden vermelden de nationale regelgevende instanties of en onder welke voorwaarden die rechten kunnen worden overgedragen door de houder van de rechten.
Indien de nationale regelgevende instanties gebruiksrechten voor nummervoorraden verlenen voor een bepaalde duur, moet die duur passend zijn voor de betrokken dienst, gelet op het nagestreefde doel, rekening houdend met de noodzaak van een passende periode voor de afschrijving van investeringen.
3.De nationale regelgevende instanties nemen besluiten over de verlening van gebruiksrechten voor nummervoorraden, zo spoedig mogelijk na ontvangst van de volledige aanvraag, en uiterlijk binnen drie weken in het geval van nummervoorraden die binnen het nationale nummerplan voor specifieke doeleinden zijn toegewezen. Die besluiten worden openbaar gemaakt.
4.Indien de nationale regelgevende instanties na overleg met de belanghebbende partijen overeenkomstig artikel 186 hebben besloten dat gebruiksrechten voor nummervoorraden van uitzonderlijke economische waarde via op mededinging gebaseerde of vergelijkende selectieprocedures moeten worden verleend, kunnen de nationale regelgevende instanties de in lid 3 van dit artikel bedoelde periode van drie weken met ten hoogste drie weken verlengen.
5.De nationale regelgevende instanties beperken het aantal te verlenen individuele gebruiksrechten niet, tenzij dat noodzakelijk is om een efficiënt gebruik van nummervoorraden te waarborgen.
6.Indien de gebruiksrechten voor nummervoorraden extraterritoriaal gebruik binnen de Unie overeenkomstig artikel 48, lid 4, omvatten, verbinden de nationale regelgevende instanties aan die gebruiksrechten specifieke voorwaarden om te waarborgen dat alle relevante nationale regels inzake consumentenbescherming en de nationale regelgeving in verband met het gebruik van nummervoorraden die van toepassing is in de lidstaten waar de nummervoorraden worden gebruikt, worden nageleefd.
Op verzoek van een nationale regelgevende instantie van een lidstaat waar de nummervoorraden worden gebruikt, die aantoont dat inbreuk is gepleegd op de toepasselijke regelgeving inzake consumentenbescherming of nationale wetgeving inzake het gebruik van nummervoorraden van die lidstaat, handhaven de nationale regelgevende instanties van de lidstaat waar de gebruiksrechten voor de nummervoorraden zijn verleend de krachtens de eerste alinea van dit lid aan het gebruiksrecht verbonden voorwaarden overeenkomstig artikel 199, onder meer in ernstige gevallen door het intrekken van het recht op extraterritoriaal gebruik van de aan de betrokken onderneming toegekende nummervoorraden.
Het ODN faciliteert en coördineert de uitwisseling van informatie tussen de nationale regelgevende instanties van de verschillende betrokken lidstaten en zorgt voor een goede coördinatie van hun onderlinge werkzaamheden.
7.Dit artikel is ook van toepassing wanneer nationale regelgevende instanties gebruiksrechten voor nummervoorraden verlenen aan andere ondernemingen dan aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten overeenkomstig artikel 48, lid 2.
Artikel 50
Voorwaarden die aan gebruiksrechten voor nummervoorraden kunnen worden verbonden
Wanneer de nationale regelgevende instanties voorwaarden verbinden aan het gebruiksrecht voor nummervoorraden, worden die voorwaarden beperkt tot het volgende:
(a)aanwijzing van de dienst waarvoor het nummer moet worden gebruikt, met inbegrip van alle vereisten met betrekking tot het verlenen van die dienst, alsook, om twijfel te voorkomen, tariefbeginselen en maximumprijzen die voor de specifieke nummerreeks van toepassing kunnen zijn ter bescherming van de consument overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt f);
(b)daadwerkelijk en efficiënt gebruik van nummervoorraden overeenkomstig deze verordening;
(c)eisen inzake nummerportabiliteit overeenkomstig deze verordening;
(d)maximumduur overeenkomstig artikel 49, onder voorbehoud van wijzigingen van het nationale nummerplan;
(e)overdracht van rechten op initiatief van de houder ervan, en de daarvoor geldende voorwaarden overeenkomstig deze verordening, waaronder de voorwaarde dat het gebruiksrecht voor een nummer bindend is voor alle ondernemingen waaraan de rechten worden overgedragen;
(f)vergoedingen voor gebruiksrechten overeenkomstig artikel 51;
(g)alle afspraken die de onderneming die de gebruiksrechten heeft verkregen, in de loop van een op mededinging gebaseerde of een vergelijkende selectieprocedure heeft gemaakt;
(h)verplichtingen uit hoofde van de relevante internationale overeenkomsten over het gebruik van nummers;
(i)verplichtingen inzake het extraterritoriaal gebruik van nummers binnen de Unie teneinde de naleving te waarborgen van voorschriften inzake consumentenbescherming en andere nummergerelateerde voorschriften in andere lidstaten dan de lidstaat van de landcode;
(j)toegang voor eindgebruikers tot nummers van het nationale nummerplan, Universal International Freephone Numbers (UIFN), nummerplannen van andere lidstaten en nummers van de pan-Europese nummervoorraden.
Artikel 51
Vergoedingen voor gebruiksrechten voor nummervoorraden
De nationale regelgevende instanties kunnen gebruiksrechten voor nummervoorraden onderwerpen aan vergoedingen die ten doel hebben een optimaal gebruik van die middelen te waarborgen. Die vergoedingen moeten objectief gerechtvaardigd, transparant en niet-discriminerend zijn en in verhouding staan tot het beoogde doel, en houden rekening met de in artikel 3 vermelde doelstellingen.
Artikel 52
Toegang tot nummers en diensten
1.Voor zover economisch haalbaar, behalve wanneer een ontvangende partij er om commerciële redenen voor heeft gekozen de toegang voor in specifieke geografische gebieden gevestigde partijen van oorsprong te beperken, nemen aanbieders van nummergebaseerde elektronischecommunicatiediensten alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de partijen van oorsprong toegang hebben tot alle volgende elementen:
(a)niet-geografische nummers en diensten binnen de Unie die dergelijke nummers gebruiken;
(b)alle in de Unie aangeboden nummers, ongeacht de door de exploitant gebruikte technologie en apparaten, met inbegrip van de nummers in de nationale nummerplannen van de lidstaten en de Universal International Freephone Numbers (UIFN);
(c)de nummers van de pan-Europese nummervoorraden.
2.De nationale regelgevende instanties kunnen verlangen dat aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten per geval de toegang tot nummers en diensten blokkeren indien dit gerechtvaardigd is om redenen van fraude of misbruik, en dat aanbieders van diensten voor elektronische communicatie in die gevallen de overeenkomstige inkomsten uit interconnectie of andere diensten inhouden.
5.DEEL V — OVERSTAP NAAR GLASVEZEL, MARKTWERKING EN CONCURRENTIE
5.1.TITEL I: OVERSTAP NAAR GLASVEZELNETWERKEN
Artikel 53
Toepassingsgebied van deze titel
Deze titel is van toepassing in lidstaten waar kopernetwerken na 30 juni 2029 in gebruik blijven.
Artikel 54
Verplichte uitschakeling van kopernetwerken
1.Vóór 31 december 2035 verplichten de lidstaten de uitschakeling van kopernetwerken in gebieden waar deze moeten worden uitgeschakeld (CSO-zones) indien aan de voorwaarden van artikel 57, lid 1, is voldaan.
2.Uiterlijk op 31 december 2035 verplichten de lidstaten de uitschakeling van kopernetwerken in alle CSO-zones.
3.In afwijking van lid 2 kunnen lidstaten, in CSO-zones waar de uitrol van glasvezel economisch niet haalbaar is en er geen adequate connectiviteitsoplossing beschikbaar is om op koper gebaseerde diensten te vervangen, afzien van de verplichte uitschakeling van kopernetwerken.
4.Voor de toepassing van de leden 1 en 2 verplichten de lidstaten de uitschakeling van kopernetwerken door een bindende rechtshandeling vast te stellen. In elk van die rechtshandelingen wordt een begindatum voor de uitschakeling van kopernetwerken vastgesteld, die niet later mag zijn dan één jaar na de vaststelling ervan, en wordt vereist dat de uitschakeling van kopernetwerken binnen drie jaar na die begindatum wordt voltooid. Indien uitschakeling op grond van lid 1 verplicht is, wordt de rechtshandeling vastgesteld binnen de zes maanden na de bekendmaking van een lijst als bedoeld in artikel 58, lid 3. Indien uitschakeling op grond van lid 2 verplicht is, wordt de rechtshandeling uiterlijk op 31 december 2035 vastgesteld.
Artikel 55
Uitschakelgebieden
1.De uitschakeling van kopernetwerken wordt georganiseerd in CSO-zones die alle geografische gebieden bestrijken waar kopernetwerken in gebruik zijn.
2.De nationale regelgevende instanties bakenen CSO-zones af, rekening houdend met de in de richtsnoeren van de Commissie vastgestelde criteria.
3.Uiterlijk op 31 mei 2028 publiceren de nationale regelgevende instanties de lijst van CSO-zones.
4.De nationale regelgevende instanties evalueren en actualiseren in voorkomend geval de lijst van CSO-zones om een tijdige en ordelijke uitschakeling van kopernetwerken te ondersteunen. Elke bijgewerkte lijst wordt onverwijld bekendgemaakt.
Artikel 56
Nationaal plan voor de overstap naar glasvezel
1.Uiterlijk op 31 oktober 2029 bereidt elke lidstaat een plan voor de overstap naar glasvezel voor en stelt hij de Commissie daarvan in kennis.
2.In het plan voor de overstap naar glasvezel wordt de strategie van de lidstaat voor de nationale overstap naar glasvezelnetwerken uiteengezet, met name voor de migratie van koper- naar FTTH-netwerken. Dit plan moet de volgende gegevens bevatten:
(a)informatie over de dekking van koper- en glasvezelnetwerken;
(b)een beschrijving van de bestaande of geplande maatregelen ter bevordering van de uitrol van glasvezel en de overgang naar FTTH-netwerken;
(c)een lijst van CSO-zones, waarbij voor elk gebied wordt aangegeven of aan de in artikel 57, lid 1, vastgestelde duurzaamheidsvoorwaarden is voldaan, samen met de bijbehorende mijlpalen voor de migratie en, in voorkomend geval, faciliterende maatregelen.
3.Uiterlijk op 30 juni 2034 actualiseren de lidstaten hun plan voor de overstap naar glasvezel en stellen zij de Commissie in kennis van het geactualiseerde plan.
4.In het geactualiseerde plan voor de overstap naar glasvezel wordt verslag uitgebracht over de voortgang bij de uitvoering van het oorspronkelijke plan. Dit plan moet de volgende gegevens bevatten:
(a)informatie over de status van de uitschakeling van kopernetwerken in elke CSO-zone;
(b)een lijst van CSO-zones waar de uitrol van glasvezel economisch haalbaar is, maar pas na 31 december 2035 zal worden voltooid, samen met informatie over de beschikbaarheid van adequate connectiviteitsoplossingen die op koper gebaseerde diensten kunnen vervangen;
(c)een lijst van CSO-zones waar de uitrol van glasvezel economisch niet haalbaar is.
5.De Commissie kan binnen één maand na ontvangst opmerkingen indienen over het oorspronkelijke en het geactualiseerde plan voor de overstap naar glasvezel. De lidstaten houden rekening met deze opmerkingen.
Artikel 57
Duurzaamheidsvoorwaarden
1.Voor de toepassing van deze titel bestaan de duurzaamheidsvoorwaarden uit de volgende vereisten:
(a)ten minste 95 % van de terreinen en ruimten in de CSO-zone wordt bediend door een glasvezelnetwerk in de zin van artikel 2, lid 3;
(b)er zijn betaalbare retailconnectiviteitsdiensten van vergelijkbare kwaliteit beschikbaar voor eindgebruikers die gebruikmaken van op koper gebaseerde diensten.
2.De nationale regelgevende instanties specificeren, in overeenstemming met de nationale omstandigheden, objectieve en transparante parameters en criteria voor betaalbaarheid.
Artikel 58
Beoordeling van de duurzaamheidsvoorwaarden
1.De nationale regelgevende instanties beoordelen voor elke CSO-zone of aan de duurzaamheidsvoorwaarden van artikel 57, lid 1, is voldaan.
2.Voor de in lid 1 bedoelde beoordeling houden de nationale regelgevende instanties rekening met de overeenkomstig artikel 183 verzamelde gegevens.
3.Uiterlijk op 30 juni 2029 publiceren de nationale regelgevende instanties een lijst van CSO-zones waar aan de duurzaamheidsvoorwaarden is voldaan. Daarna publiceren de nationale regelgevende instanties gedurende een periode van vijf jaar ten minste om de twaalf maanden een lijst van CSO-zones die vervolgens aan die voorwaarden voldoen.
Artikel 59
Waarborgen
1.De lidstaten zorgen ervoor dat door de uitschakeling van kopernetwerken getroffen eindgebruikers duidelijk, tijdig en op toegankelijke wijze worden geïnformeerd over het volgende:
(a)het verwachte moment van de uitschakeling van het kopernetwerk;
(b)alle noodzakelijke wijzigingen van hun connectiviteitsdienst of eindapparatuur;
(c)de alternatieve connectiviteitsdiensten die voor hen beschikbaar zijn.
2.De lidstaten waarborgen de continuïteit van elektronischecommunicatiediensten die essentiële op koper gebaseerde diensten ondersteunen. Exploitanten nemen de nodige technische en commerciële maatregelen om de voortzetting van de exploitatie van dergelijke diensten of de migratie ervan naar functioneel gelijkwaardige alternatieven te waarborgen.
3.Rekening houdend met de nationale omstandigheden stellen de lidstaten overeenkomstig de artikelen 88 en 90 waarborgen vast om te blijven zorgen voor betaalbare adequate diensten voor internettoegang en spraakcommunicatie voor de in artikel 88, lid 2, bedoelde consumenten en de in artikel 90, lid 1, bedoelde eindgebruikers na de uitschakeling van het kopernetwerk.
4.De nationale regelgevende instanties beoordelen de noodzaak van waarborgen ter bescherming van eindgebruikers die gebruikmaken van op koper gebaseerde diensten, met inbegrip van maatregelen in verband met overstapprocessen en de betaalbaarheid van alternatieve connectiviteitsdiensten, en adviseren de lidstaten dienovereenkomstig.
5.Voorafgaand aan de vaststelling van een bindende rechtshandeling waarbij de uitschakeling van kopernetwerken overeenkomstig artikel 54 verplicht wordt gesteld, en in elk geval uiterlijk op 31 december 2035, nemen de lidstaten passende waarborgen aan ter bescherming van eindgebruikers die gebruikmaken van op koper gebaseerde diensten.
Artikel 60
Plannen voor de uitschakeling van kopernetwerken door exploitanten
1.Exploitanten stellen een of meer plannen voor de uitschakeling van kopernetwerken op voor de CSO-zones waar de uitschakeling van kopernetwerken verplicht is. Het plan omvat tijdschema’s, technische maatregelen, communicatieactiviteiten en regelingen voor de migratie van verzoekers om toegang en eindgebruikers.
2.Exploitanten dienen hun plannen voor de uitschakeling van kopernetwerken binnen de zes maanden na de vaststelling van de bindende rechtshandeling overeenkomstig artikel 54, lid 4, in bij de nationale regelgevende instantie.
3.De nationale regelgevende instantie beoordeelt de plannen binnen twee maanden na ontvangst en keurt ze goed of keurt ze goed onder voorbehoud van wijzigingen.
4.Exploitanten voeren de door de nationale regelgevende instantie goedgekeurde plannen voor de uitschakeling van kopernetwerken uit, met inbegrip van de gevraagde wijzigingen. De exploitanten brengen op gezette tijden verslag uit aan de nationale regelgevende instantie over de geboekte vooruitgang.
Artikel 61
Toezicht en handhaving
De nationale regelgevende instanties houden toezicht op de uitvoering van de uitschakeling van kopernetwerken overeenkomstig de goedgekeurde plannen voor de uitschakeling van kopernetwerken en beschikken over de in artikel 196 bedoelde bevoegdheden.
5.2.TITEL II: TOEGANG TOT GROND
Artikel 62
Vergoedingen voor rechten om faciliteiten te installeren
De bevoegde instanties kunnen vergoedingen opleggen voor de rechten om faciliteiten die worden gebruikt voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten en bijbehorende faciliteiten te installeren op, boven of onder openbare of particuliere eigendom, mits die vergoedingen objectief gerechtvaardigd, transparant en niet-discriminerend zijn en in verhouding staan tot het beoogde doel en rekening houden met de algemene doelstellingen van deze verordening.
Artikel 63
Toegangsrechten
1.Wanneer een bevoegde instantie een aanvraag voor het verlenen van een van de volgende rechten in overweging neemt, past zij lid 2 toe:
(a)het recht om faciliteiten te installeren op, over of onder openbare of particuliere eigendom, aan een onderneming die gemachtigd is om openbare elektronischecommunicatienetwerken aan te bieden;
(b)het recht om faciliteiten te installeren op, over of onder openbare eigendom aan een onderneming die gemachtigd is om niet-openbare elektronischecommunicatienetwerken aan te bieden.
2.Voor de toepassing van lid 1 moet de bevoegde instantie:
(a)handelen op basis van eenvoudige, efficiënte, transparante en voor het publiek beschikbare procedures die zonder discriminatie en onverwijld worden toegepast, en in ieder geval een besluit nemen binnen de zes maanden na de indiening van de aanvraag, behalve in geval van onteigening;
(b)de beginselen van transparantie en non-discriminatie volgen bij het verbinden van voorwaarden aan die rechten.
De in de eerste alinea, punt a) genoemde procedures kunnen variëren naargelang de aanvrager al dan niet openbare elektronischecommunicatienetwerken aanbiedt.
3.Indien lokale of andere overheden de eigendom behouden van of de zeggenschap behouden over ondernemingen die openbare elektronischecommunicatienetwerken of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten aanbieden, moet er een daadwerkelijke structurele scheiding zijn tussen de verantwoordelijkheid voor het verlenen van de in lid 1 bedoelde rechten en de activiteiten die verband houden met de eigendom of zeggenschap.
Artikel 64
Colocatie en gedeeld gebruik van netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten voor aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken
1.Indien een exploitant krachtens het nationale recht gebruik heeft gemaakt van het recht om faciliteiten op, over of onder openbare of particuliere eigendom te installeren, of een procedure voor de onteigening of het gebruik van eigendom heeft toegepast, kunnen de bevoegde instanties colocatie en gedeeld gebruik van op die basis geïnstalleerde netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten opleggen om ecologische duurzaamheid van de elektronischecommunicatienetwerken te bevorderen, de volksgezondheid of de openbare veiligheid te beschermen, of om bij te dragen tot stedenbouwkundige of planologische doelstellingen.
2.Colocatie of gedeeld gebruik van geïnstalleerde netwerkelementen en faciliteiten en gedeeld gebruik van eigendom kan uitsluitend worden opgelegd als gedurende een passende periode een openbare raadpleging heeft plaatsgevonden, waarbij alle belangstellende partijen de mogelijkheid krijgen hun standpunten tot uitdrukking te brengen, en uitsluitend in de specifieke gebieden waarin dergelijk gedeeld gebruik nodig wordt geacht met het oog op de verwezenlijking van de in de eerste alinea genoemde doelstellingen. De bevoegde instanties kunnen gedeeld gebruik opleggen met betrekking tot dergelijke faciliteiten of eigendom, met inbegrip van terreinen, gebouwen, toegangen tot gebouwen, bekabeling van gebouwen, masten, antennes, torens en andere ondersteuningsgebouwen, kabelgoten, leidingen, mangaten, straatkasten of maatregelen om de coördinatie van publieke werken te vergemakkelijken. Indien nodig kan een lidstaat een nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instantie aanwijzen voor één of meer van de volgende taken:
(a)optreden als enig informatiepunt;
(b)regels vaststellen voor de verdeling van de kosten van het delen van faciliteiten of eigendom en van de coördinatie van civiele werken, rekening houdend met onder meer de relevante richtsnoeren van Berec of de Commissie overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1309.
3.Maatregelen die door een bevoegde instantie zijn genomen in overeenstemming met dit artikel moeten objectief, transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn. In voorkomend geval worden die maatregelen in overleg met de nationale regelgevende instanties uitgevoerd.
5.3.TITEL III: INTERCONNECTIE
5.3.1.HOOFDSTUK I: Algemene bepalingen en beginselen
Artikel 65
Algemeen kader inzake toegang en interconnectie
1.Ondernemingen in dezelfde lidstaat of in verschillende lidstaten hebben het recht onderling te onderhandelen over overeenkomsten inzake technische en commerciële regelingen voor toegang of interconnectie, overeenkomstig het recht van de Unie. De onderneming die om toegang of interconnectie verzoekt, hoeft niet gemachtigd te zijn om te opereren in de lidstaat waar om toegang of interconnectie wordt verzocht, indien zij in die lidstaat geen diensten aanbiedt en geen netwerk exploiteert.
2.Onverminderd artikel 115 zijn ondernemingen er niet toe verplicht om, ingeval zij toegang of interconnectie mogelijk maken, voor gelijkwaardige diensten ten aanzien van verschillende ondernemingen verschillende eisen en voorwaarden te hanteren, of verplichtingen op te leggen die geen verband houden met de daadwerkelijk geleverde toegangs- en interconnectiediensten, onverminderd de voorwaarden van artikel 9.
Artikel 66
Rechten en verplichtingen van ondernemingen
1.Exploitanten van openbare elektronischecommunicatienetwerken zijn gerechtigd en, wanneer hun daarom wordt verzocht door daartoe overeenkomstig artikel 9 gemachtigde ondernemingen, verplicht met elkaar te onderhandelen over interconnectie met het doel voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten aan te bieden, teneinde de verlening en de interoperabiliteit van de diensten in de gehele Unie te waarborgen. Exploitanten verlenen andere ondernemingen toegang en interconnectie onder voorwaarden die verenigbaar zijn met de verplichtingen die door de nationale regelgevende instantie worden opgelegd op grond van de artikelen 67, 68 en 77.
2.Onverminderd artikel 183 mogen ondernemingen die voor, tijdens of na onderhandelingen over toegangs- of interconnectieovereenkomsten informatie van een andere onderneming verkrijgen, die informatie uitsluitend gebruiken voor het doel waarvoor zij werd verstrekt en te allen tijde de vertrouwelijkheid van verstrekte of opgeslagen informatie in acht nemen. Die ondernemingen geven de verkregen informatie niet door aan enige andere partij, met inbegrip van andere afdelingen, dochterondernemingen of partners, die door die informatie concurrentievoordeel zouden kunnen behalen.
3.Er worden onderhandelingen gevoerd via neutrale tussenpersonen indien de concurrentievoorwaarden dit vereisen.
Artikel 67
Systemen voor voorwaardelijke toegang en andere faciliteiten
1.De lidstaten zorgen ervoor dat de voorwaarden in deel I van bijlage I van toepassing zijn met betrekking tot de voorwaardelijke toegang tot digitaletelevisie- en digitaleradio-omroepdiensten voor kijkers en luisteraars in de Unie, ongeacht de wijze van doorgifte. Op basis van een marktanalyse als bedoeld in lid 3 van dit artikel kunnen de lidstaten die voorwaarden toepassen op andere faciliteiten als bedoeld in deel II van bijlage I.
2.Voorwaarden die in overeenstemming met dit artikel worden opgelegd, doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten verplichtingen op te leggen in verband met de presentatie van EPG’s en soortgelijke overzichts- en navigatiefaciliteiten.
3.Niettegenstaande lid 1 van dit artikel hebben de nationale regelgevende instanties het recht een evaluatie uit te voeren van de uit hoofde van dit artikel toegepaste voorwaarden, door overeenkomstig artikel 73, lid 1, een marktanalyse uit te voeren om te bepalen of de toegepaste voorwaarden moeten worden gehandhaafd, gewijzigd of ingetrokken.
5.3.2. HOOFDSTUK II: Symmetrische toegangsregels
Artikel 68
Bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties met betrekking tot toegang en interconnectie
1.De nationale regelgevende instanties of, in het geval van lid 2, eerste alinea, punten b) en c), van dit artikel, de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties, zullen, met het oog op de doelstellingen van artikel 3, adequate toegang en interconnectie alsook interoperabiliteit van diensten bevorderen, en waar passend overeenkomstig deze verordening, waarborgen, en oefenen daarbij hun bevoegdheid uit op een wijze die bevorderlijk is voor efficiëntie en duurzame concurrentie, de implementatie van gigabitnetwerken, innovatieve facetten die diensten mogelijk maken, efficiënte investeringen en innovatie, en de duurzame levering van elektronischecommunicatiediensten, diensten voor de informatiemaatschappij en inhoud, en die de eindgebruikers het grootste voordeel biedt.
Zij bieden richtsnoeren en stellen de procedures inzake het verkrijgen van toegang en interconnectie voor het publiek beschikbaar teneinde te waarborgen dat ondernemingen, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, en aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken met een beperkt geografisch bereik kunnen profiteren van de opgelegde verplichtingen.
2.De nationale regelgevende instanties of, in het geval van de punten b) en c) van dit lid, de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties moeten met name, onverminderd maatregelen overeenkomstig artikel 77, ten aanzien van ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht:
(a)verplichtingen kunnen opleggen, voor zover noodzakelijk om eind-tot-eindverbindingen te waarborgen, aan ondernemingen die aan algemene machtiging zijn onderworpen en die de toegang tot de eindgebruikers controleren; hetgeen in gevallen waarin zulks gerechtvaardigd is ook de verplichting inhoudt om te zorgen voor interconnectie van hun netwerken waar dat niet reeds gebeurd is;
(b)in gevallen waarin zulks gerechtvaardigd is en voor zover noodzakelijk, verplichtingen kunnen opleggen aan ondernemingen die aan algemene machtiging zijn onderworpen en die de toegang tot de eindgebruikers controleren om hun diensten interoperabel te maken;
(c)in gerechtvaardigde gevallen wanneer eind-tot-eindverbindingen tussen eindgebruikers in gevaar komen door een gebrek aan interoperabiliteit tussen interpersoonlijke communicatiediensten, en voor zover noodzakelijk om eind-tot-eindverbindingen tussen eindgebruikers te waarborgen, verplichtingen kunnen opleggen aan relevante aanbieders van nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten met een aanzienlijke mate van dekking en benutting door gebruikers, om hun diensten interoperabel te maken;
(d)exploitanten kunnen verplichten, voor zover noodzakelijk om de toegang van eindgebruikers tot door de lidstaat gespecificeerde digitale radio- en televisieomroepdiensten en daarmee samenhangende complementaire diensten te waarborgen, toegang tot de andere in deel II van bijlage I bedoelde faciliteiten aan te bieden op billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden.
De in de eerste alinea, punt c), bedoelde verplichtingen worden alleen opgelegd:
(I)voor zover noodzakelijk om de interoperabiliteit van interpersoonlijke communicatiediensten te waarborgen, en kunnen ten aanzien van de aanbieders van die diensten proportionele verplichtingen omvatten tot publicatie en toelating van het gebruik, de wijziging en de doorgifte van relevante informatie door de instanties en andere aanbieders, of tot gebruik of implementatie van de in artikel 187, lid 1, bedoelde normen of specificaties, of van andere relevante Europese of internationale normen;
(II)wanneer de Commissie, na raadpleging van Berec en met volledige inachtneming van zijn advies, heeft geconstateerd dat er een noemenswaardig gevaar bestaat voor eind-tot-eindverbindingen tussen eindgebruikers in de gehele Unie of in ten minste drie lidstaten, en zij uitvoeringsmaatregelen heeft vastgesteld waarin de aard en het toepassingsgebied van eventueel op te leggen verplichtingen worden gespecificeerd.
De in de tweede alinea, punt b), van dit lid bedoelde uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld volgens de in artikel 199, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 69
Symmetrische maatregelen
1.De nationale regelgevende instanties kunnen, onverminderd artikel 68, leden 1 en 2, op redelijk verzoek verplichtingen opleggen om toegang te verlenen tot bedrading en kabels en bijbehorende faciliteiten binnen gebouwen of tot aan het eerste punt van samenkomst of distributie als bepaald door de nationale regelgevende instantie, ingeval dat punt zich buiten het gebouw bevindt. Indien zulks gerechtvaardigd is omdat de replicatie van die netwerkelementen in economisch opzicht inefficiënt zou zijn of fysiek onuitvoerbaar zou zijn, kunnen dergelijke verplichtingen worden opgelegd aan aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of aan de eigenaars van die bedrading en kabels en bijbehorende faciliteiten indien die eigenaars geen aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken zijn. De voorwaarden inzake toegang die worden opgelegd, kunnen specifieke voorschriften omvatten betreffende toegang tot die netwerkelementen en tot bijbehorende faciliteiten en aanverwante diensten, betreffende transparantie en niet-discriminatie, en betreffende billijke en redelijke voorwaarden.
2.Wanneer een nationale regelgevende instantie concludeert dat de overeenkomstig lid 1 opgelegde verplichtingen de hoge en niet-tijdelijke economische of fysieke belemmeringen voor replicatie die ten grondslag liggen aan een bestaande of opkomende marktsituatie die de concurrentieresultaten voor eindgebruikers aanzienlijk beperkt, mogelijk onvoldoende aanpakken, kan zij de toegangsverplichtingen, voorbij het eerste punt van samenkomst of distributie, onder billijke en redelijke voorwaarden opleggen, tenzij specifieke en gerechtvaardigde omstandigheden een kostenoriëntatie vereisen. Bij het bepalen hoe ver voorbij het eerste punt van samenkomst of distributie die verplichting moet gaan, houdt de nationale regelgevende instantie zoveel mogelijk rekening met de betrokken Berec-richtsnoeren.
3.De nationale regelgevende instanties leggen geen verplichtingen overeenkomstig lid 2 op aan aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken indien zij het volgende constateren:
(a)de aanbieder heeft de in artikel 84, lid 1, genoemde kenmerken en stelt een levensvatbaar en soortgelijk alternatief middel ter beschikking om eindgebruikers te bereiken door alle ondernemingen onder billijke, niet-discriminerende en redelijke voorwaarden toegang te verlenen tot een gigabitnetwerk; de nationale regelgevende instanties kunnen die vrijstelling uitbreiden tot andere aanbieders die onder billijke, niet-discriminerende en redelijke voorwaarden toegang tot een gigabitnetwerk aanbieden;
(b)het opleggen van verplichtingen zou de economische of financiële levensvatbaarheid van de uitrol van een nieuw netwerk, met name door kleine lokale projecten, in het gedrang brengen.
3.Overeenkomstig dit artikel opgelegde verplichtingen en voorwaarden zijn objectief, transparant, evenredig en niet-discriminerend. Zij worden uitgevoerd overeenkomstig de in de artikelen 85 en 184 bedoelde procedures. De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties welke die verplichtingen en voorwaarden hebben opgelegd, beoordelen uiterlijk vijf jaar na de vaststelling van de vorige maatregel die jegens dezelfde ondernemingen is vastgesteld de resultaten van die verplichtingen en voorwaarden; verder beoordelen zij of het passend is die verplichtingen en voorwaarden in te trekken of te wijzigen naar aanleiding van de veranderende voorwaarden. Die instanties delen het resultaat van hun beoordeling volgens de in de artikelen 85 en 184 bedoelde procedures mee.
4.Voor de toepassing van de leden 1 en 2 van dit artikel kan de nationale regelgevende instantie, indien gerechtvaardigd, op eigen initiatief ingrijpen ter waarborging van de beleidsdoelstellingen van artikel 3, zulks overeenkomstig deze verordening.
5.Uiterlijk op 31 oktober 2029 beoordeelt Berec de doeltreffendheid van de richtsnoeren inzake gemeenschappelijke benaderingen voor de identificatie van het netwerkaansluitpunt in verschillende netwerktopologieën om bij te dragen tot een consistente definitie van de locatie van netwerkaansluitpunten door de nationale regelgevende instanties.
Artikel 70
Gelokaliseerde roaming
1.Onverminderd artikel 68, leden 1 en 2, hebben de nationale regelgevende instanties de bevoegdheid om in overeenstemming met het Unierecht aan ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken aanbieden of gemachtigd zijn die aan te bieden, verplichtingen op te leggen in verband met het gedeeld gebruik van passieve infrastructuur, of verplichtingen om gelokaliseerde overeenkomsten inzake roamingtoegang te sluiten, in beide gevallen indien deze rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de lokale verlening van diensten die afhankelijk zijn van het gebruik van radiospectrum en voor zover geen haalbaar en soortgelijk alternatief middel voor toegang tot eindgebruikers onder billijke en redelijke voorwaarden ter beschikking van elke onderneming wordt gesteld. De nationale regelgevende instanties kunnen dergelijke verplichtingen alleen opleggen mits duidelijk in die mogelijkheid wordt voorzien bij het verlenen van de gebruiksrechten voor radiospectrum, en uitsluitend op grond van het feit dat in het gebied waar die verplichtingen gelden, de marktgestuurde aanleg van infrastructuur voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten die afhankelijk zijn van het gebruik van radiospectrum, op onoverkomelijke economische of fysieke obstakels stuit, waardoor er daar nauwelijks of geen toegang tot netwerken of diensten bestaat. Onder die omstandigheden waar toegang tot en gedeeld gebruik van passieve infrastructuur alleen niet voldoende zijn om de situatie te verhelpen, kunnen nationale regelgevende instanties verplichtingen opleggen ten aanzien van het gedeeld gebruik van actieve infrastructuur.
2.De nationale regelgevende instanties houden rekening met:
(a)de noodzaak om de connectiviteit in de hele Unie, langs belangrijke transportroutes en in bepaalde gebieden, te optimaliseren, en met de mogelijkheid om aanzienlijk meer keuze en hogere kwaliteit van de dienstverlening voor eindgebruikers tot stand te brengen;
(b)een efficiënt gebruik van radiospectrum;
(c)de technische haalbaarheid van voorwaarden inzake gedeeld gebruik en aanverwante voorwaarden;
(d)de toestand van op infrastructuur gebaseerde en op diensten gebaseerde concurrentie;
(e)technologische innovatie;
(f)de dwingende noodzaak prikkels te ondersteunen op basis waarvan de aanbiedende partij de infrastructuur in eerste instantie uitrolt.
3.In het geval van geschillenbeslechting kunnen de nationale regelgevende instanties aan de begunstigde van de verplichting inzake gedeeld gebruik of toegang onder meer de verplichting opleggen om radiospectrum te combineren of delen met de aanbieder van de infrastructuur in het betreffende gebied of toegang toe te staan tot radiospectrum voor andere gebruikers in specifieke regio’s of op een nationaal niveau.
Artikel 71
Symmetrische maatregelen voor de overstap naar glasvezel
1.De nationale regelgevende instantie legt een aanbieder die een “fibre-to-the-home”-netwerk (FTTH) uitrolt in het gebied waar de uitschakeling van kopernetwerken verplicht is, de verplichting op om op verzoek van de gebruiker huishoudens aan te sluiten die door zijn glasvezelnetwerk worden bediend. Wanneer in het gebied meer dan één aanbieder aanwezig is, kan de nationale regelgevende instantie dergelijke verplichtingen opleggen aan slechts één van de aanbieders, op basis van transparante, evenredige en niet-discriminerende criteria.
2.In de overeenkomstig artikel 73, lid 1, uitgevoerde marktanalyse in de context van de uitschakeling van kopernetwerken stelt de nationale regelgevende instantie de voorwaarden voor de toegangsverplichtingen vast, met inbegrip van de berekening van de kostendekking, voor zover nodig.
3.Wanneer de nationale regelgevende instantie concludeert dat de kosten hoger zijn dan een normale aansluitvergoeding en dat een aanvullende aansluitvergoeding gerechtvaardigd kan zijn, zorgt zij ervoor dat die aanvullende vergoeding, wanneer zij door de eindgebruikers wordt gedragen, billijk en redelijk is. De nationale regelgevende instantie kan besluiten een maximumniveau voor de door de eindgebruikers te betalen aansluitvergoedingen vast te stellen.
4.In de gebieden waar de uitschakeling van kopernetwerken verplicht is gesteld en waar de aansluiting van huishoudens vereist dat aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken nieuwe glasvezelbedrading en -kabels en bijbehorende faciliteiten uitrollen binnen een meergezinswoning, staat de eigenaar of de beheerder van die meergezinswoning een dergelijke uitrol toe op verzoek van een van de bewoners van de meergezinswoning.
5.Aan de verplichting om de uitrol van glasvezelbekabeling en -kabels en bijbehorende faciliteiten binnen een meergezinswoning mogelijk te maken, wordt geacht te zijn voldaan zodra één aanbieder van elektronischecommunicatienetwerken het netwerk heeft uitgerold. De nationale regelgevende instantie legt de in artikel 68, lid 1, en artikel 69 bedoelde maatregelen op wanneer dat nodig is om ervoor te zorgen dat andere aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken daadwerkelijk toegang hebben tot de nieuwe glasvezelbedrading en -kabels en bijbehorende faciliteiten.
6.De nationale regelgevende instantie kan elke andere aanbieder van elektronischecommunicatienetwerken verzoeken over te gaan tot een dergelijke uitrol wanneer de aanbieder van elektronischecommunicatienetwerken die de meergezinswoning bedient, een onderbouwde motivering verstrekt waaruit blijkt dat het onmogelijk is aan deze verplichting te voldoen.
5.4.TITEL IV: MARKTEN EN CONCURRENTIE
5.4.1.HOOFDSTUK 1: Marktanalyse en aanmerkelijke marktmacht
Artikel 72
Bepaling van de markt
1.Wanneer de nationale regelgevende instanties voornemens zijn relevante markten af te bakenen die passen bij de nationale omstandigheden, doen zij dit in overeenstemming met de beginselen van het mededingingsrecht. Bij het afbakenen van relevante geografische markten op hun grondgebied houden de nationale regelgevende instanties rekening met de mate van concurrentie op het gebied van infrastructuur.
De Commissie analyseert regelmatig de algemene trends in de Unie, op basis van de resultaten van de raadpleging van belanghebbenden, en beoordeelt, onder verwijzing naar artikel 73, lid 1, punten a), b) en c), of een aanbeveling over relevante producten- en dienstenmarkten (“de marktaanbeveling”) moet worden aangenomen. De Commissie kan de marktenaanbeveling goedkeuren na openbare raadpleging, onder meer van de nationale regelgevende instanties, en rekening houdend met het advies van Berec.
In de aanbeveling worden de markten voor producten en diensten in de elektronischecommunicatiesector vermeld waarvan de kenmerken zodanig kunnen zijn dat het opleggen van regulerende verplichtingen als beschreven in deze verordening gerechtvaardigd kan zijn, onverminderd markten die in bepaalde gevallen uit hoofde van het mededingingsrecht kunnen worden gedefinieerd. Deze markten voor producten en diensten worden gedefinieerd overeenkomstig de beginselen van het mededingingsrecht. Wanneer de Commissie besluit de marktaanbeveling aan te nemen, evalueert zij deze regelmatig.
Wanneer een markt in de marktaanbeveling is opgenomen, evalueren de nationale regelgevende instanties de markt. De markten waarop regelgeving ex ante wordt opgelegd, worden om de vijf jaar geëvalueerd om te bepalen of aan de in artikel 73, lid 1, bedoelde criteria is voldaan.
2.De nationale regelgevende instanties houden in voorkomend geval ook rekening met de resultaten van het overeenkomstig artikel 183, lid 12, uitgevoerde geografische onderzoek.
Artikel 73
Marktanalyseprocedure
1.De nationale regelgevende instanties bepalen of de kenmerken van een overeenkomstig artikel 72 gedefinieerde relevante markt zodanig zijn dat het gerechtvaardigd is om de in deze verordening vastgestelde regelgevingsverplichtingen op te leggen. De nationale regelgevende instanties voeren een analyse uit, in voorkomend geval in samenwerking met de nationale mededingingsautoriteiten.
Voorafgaand aan de uitschakeling van kopernetwerken voeren de nationale regelgevende instanties beoordelingen uit van relevante markten die ten minste de gebieden bestrijken die gevolgen ondervinden van de uitschakeling van kopernetwerken.
De nationale regelgevende instanties volgen bij het uitvoeren van marktanalyses de procedures van de artikelen 85 en 184 en gaan tijdig te werk, waarbij zij het proces binnen een termijn van één jaar afronden.
De kenmerken van een markt kunnen zodanig zijn dat het gerechtvaardigd is om de in deze verordening vastgestelde regelgevingsverplichtingen op te leggen indien aan alle volgende criteria wordt voldaan:
(a)er zijn hoge en niet-tijdelijke toegangsbelemmeringen van structurele, wettelijke of regelgevende aard aanwezig;
(b)er is een marktstructuur die niet neigt naar daadwerkelijke mededinging binnen de relevante periode, gezien de toestand van de op infrastructuur gebaseerde en andere mededinging die aan de toegangsbelemmeringen ten grondslag ligt;
(c)het mededingingsrecht alleen is niet voldoende om het vastgestelde marktfalen op adequate wijze aan te pakken.
Wanneer een nationale regelgevende instantie een analyse uitvoert van een markt die in de aanbeveling is opgenomen, gaat zij ervan uit dat aan de punten a), b) en c), is voldaan, tenzij de nationale regelgevende instantie constateert dat onder de specifieke nationale omstandigheden aan één of meer van dergelijke criteria niet is voldaan.
2.Wanneer een nationale regelgevende instantie de krachtens lid 1 vereiste analyse uitvoert, gaat zij in een toekomstgericht perspectief na hoe de markten zich zouden ontwikkelen als er geen regelgeving op grond van dit artikel wordt opgelegd. De nationale regelgevende instantie houdt bij haar analyse rekening met al het volgende:
(a)marktontwikkelingen die van invloed zijn op de waarschijnlijkheid dat de relevante markt naar daadwerkelijke mededinging neigt;
(b)elke vorm van concurrentiedruk, op wholesale- en op retailniveau, ongeacht de vraag of de bronnen van die druk worden beschouwd als elektronischecommunicatienetwerken, elektronischecommunicatiediensten of andere types diensten of toepassingen die vanuit het oogpunt van de eindgebruiker vergelijkbaar zijn, en ongeacht de vraag of die druk deel uitmaakt van de relevante markt;
(c)andere soorten opgelegde regelgeving of maatregelen waardoor de relevante markt dan wel verwante retailmarkt of -markten gedurende de desbetreffende periode wordt of worden beïnvloed, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, overeenkomstig de artikelen 64, 68 en 69 opgelegde verplichtingen;
(d)regelgeving die op andere relevante markten krachtens dit artikel is opgelegd.
3.Indien een nationale regelgevende instantie concludeert dat een relevante markt niet het opleggen van regelgevingsverplichtingen overeenkomstig de procedure van de leden 1 en 2 van dit artikel niet rechtvaardigt, of indien niet aan de voorwaarden van lid 4 van dit artikel is voldaan, mag zij geen wettelijke verplichtingen opleggen of handhaven overeenkomstig artikel 77 en worden eerdere verplichtingen die zijn opgelegd overeenkomstig artikel 77 ingetrokken.
4.De nationale regelgevende instanties overwegen een passende opzeggingstermijn vast te stellen voor de opheffing van de maatregelen, rekening houdend met de noodzaak om een duurzame overgang voor de begunstigden van die verplichtingen en eindgebruikers te waarborgen, de keuze van eindgebruikers te behouden en ervoor te zorgen dat de regelgeving niet langer van kracht blijft dan noodzakelijk is. Bij het bepalen van een dergelijke opzeggingstermijn kunnen de nationale regelgevende instanties in verband met bestaande overeenkomsten inzake toegang specifieke voorwaarden en opzeggingstermijnen vaststellen.
5.Indien een nationale regelgevende instantie vaststelt dat op een relevante markt het opleggen van regelgevingsverplichtingen overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel gerechtvaardigd is, gaat zij na welke ondernemingen op die relevante markt afzonderlijk of gezamenlijk aanmerkelijke macht op de markt in de zin van artikel 76 hebben. De nationale regelgevende instantie legt de onderneming in kwestie passende specifieke wettelijke verplichtingen op in overeenstemming met artikel 77 of handhaaft die verplichtingen wanneer zij reeds bestaan indien zij van mening is dat het resultaat voor eindgebruikers niet daadwerkelijk concurrerend zou zijn bij afwezigheid van die verplichtingen.
6.Voor de overeenkomstig de leden 3 en 4 van dit artikel genomen maatregelen gelden de procedures van de artikelen 85 en 184. Wanneer de nationale regelgevende instantie de relevante markt heeft afgebakend en heeft bepaald welke ondernemingen aanmerkelijke marktmacht hebben, voeren de nationale regelgevende instanties binnen vijf jaar na de vaststelling van een eerdere maatregel een analyse van de relevante markt uit en geven zij kennis van de overeenkomstige ontwerpmaatregel overeenkomstig artikel 85.
Artikel 74
Procedure voor het bepalen van transnationale markten
1.Indien de Commissie of ten minste twee betrokken nationale regelgevende instanties een met redenen omkleed verzoek indienen, met inbegrip van relevante bewijsstukken, analyseert Berec of er sprake is van een potentiële transnationale markt. Na raadpleging van de belanghebbenden en rekening houdend met de analyse van Berec, kan de Commissie in overeenstemming met de beginselen van het mededingingsrecht bij besluiten transnationale markten omschrijven.
2.In het geval van transnationale markten die worden omschreven overeenkomstig lid 1 van dit artikel, dragen de betrokken nationale regelgevende instanties samen zorg voor de uitvoering van de marktanalyse, waarbij de AMM-richtsnoeren in acht worden genomen, en spreken zij zich op gecoördineerde wijze uit over het opleggen, handhaven, wijzigen of opheffen van wettelijke verplichtingen als bedoeld in artikel 73, lid 4. De betrokken nationale regelgevende instanties stellen de Commissie gezamenlijk in kennis van hun ontwerpmaatregelen betreffende de marktanalyse en van eventuele wettelijke verplichtingen op grond van artikel 85.
3.Twee of meer nationale regelgevende instanties kunnen eveneens gezamenlijk kennisgeven van hun ontwerpmaatregelen betreffende de marktanalyse en van eventuele wettelijke verplichtingen bij gebreke van transnationale markten, indien zij van mening zijn dat de marktvoorwaarden in hun respectieve rechtsgebieden voldoende homogeen zijn.
Artikel 75
Procedure voor het bepalen van transnationale vraag
Berec voert een analyse uit van transnationale vraag door eindgebruikers naar producten en diensten die binnen de Unie worden aangeboden, indien het van de Commissie of van ten minste twee betrokken nationale regelgevende instanties een met redenen omkleed verzoek inclusief bewijsstukken ter staving daarvan ontvangt, waarin is vermeld dat er een ernstig probleem is dat moet worden aangepakt. Berec kan een dergelijke analyse ook uitvoeren indien het een met redenen omkleed verzoek inclusief voldoende bewijsstukken van marktdeelnemers ontvangt en het van mening is dat er een ernstig probleem is dat moet worden aangepakt. De analyse van Berec doet geen afbreuk aan bevindingen inzake transnationale markten overeenkomstig artikel 74, lid 1, noch aan bevindingen inzake nationale of subnationale geografische markten door nationale regelgevende instanties overeenkomstig artikel 72.
Artikel 76
Ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht
1.Wanneer een nationale regelgevende instantie overeenkomstig de procedure van artikel 73 bepaalt dat een onderneming aanmerkelijke marktmacht heeft, is lid 2 van dit artikel van toepassing.
2.Een onderneming wordt geacht aanmerkelijke marktmacht te hebben wanneer zij, alleen of samen met andere, een aan een machtspositie gelijkwaardige positie, namelijk een economische kracht bezit die haar in staat stelt zich in belangrijke mate onafhankelijk van haar concurrenten, klanten en uiteindelijk consumenten te gedragen.
3.De nationale regelgevende instanties zullen met name, als zij beoordelen of twee of meer ondernemingen gezamenlijk een machtspositie op de markt innemen, het Unierecht in acht te nemen en zich zeer zorgvuldig houden aan de richtsnoeren voor de marktanalyse en de beoordeling van aanmerkelijke marktmacht die de Commissie bekend heeft gemaakt op grond van lid 5 van dit artikel.
4.Ingeval een onderneming aanmerkelijke marktmacht op een specifieke markt bezit, kan zij ook worden aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht op een nauw verwante markt als de koppelingen tussen beide markten van dien aard zijn dat de marktmacht op de specifieke markt op de nauw verwante markt zo kan worden gebruikt dat de marktmacht van de onderneming wordt vergroot. Bijgevolg kunnen op grond van de artikelen 77 tot en met 84 maatregelen worden toegepast om een dergelijk macht op de nauw verwante markt te voorkomen.
5.Na raadpleging van Berec publiceert de Commissie richtsnoeren voor marktanalyse en de beoordeling van aanmerkelijke marktmacht (“de AMM-richtsnoeren”), in overeenstemming met de relevante beginselen van het mededingingsrecht. De AMM-richtsnoeren geven sturing aan de nationale regelgevende instanties voor de toepassing van het begrip aanmerkelijke marktmacht in de specifieke context van de regulering ex ante van elektronischecommunicatiemarkten, rekening houdend met de drie in artikel 73, lid 1, genoemde criteria.
5.4.2.HOOFDSTUK II: Corrigerende maatregelen jegens ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht
Artikel 77
Opleggen, wijzigen of intrekken van verplichtingen van ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht
1.Bij de beoordeling van de mededingingsvoorwaarden van een specifieke markt en de noodzaak van regelgevend optreden houden de nationale regelgevende instanties overeenkomstig artikel 73, lid 2, in de eerste plaats rekening met de invloed op de mededingingsdynamiek van bestaande regelgeving, mogelijke aangeboden afspraken of opgelegde maatregelen in het kader van procedures op grond van het nationale mededingingsrecht of het mededingingsrecht van de Unie of commerciële overeenkomsten.
2.Wanneer een overeenkomstig artikel 73 uitgevoerde marktanalyse uitwijst dat een onderneming aanmerkelijke marktmacht op een specifieke markt bezit, kiest de nationale regelgevende instantie overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel de minst ingrijpende manier om de in de marktanalyse vastgestelde mogelijke problemen aan te pakken. Bij deze beoordeling houden de nationale regelgevende instanties rekening met de door de exploitanten die overeenkomstig artikel 83 zijn aangewezen als exploitanten met aanmerkelijke marktmacht aangeboden afspraken.
3.De overeenkomstig dit artikel opgelegde verplichtingen:
(a)worden gebaseerd op de aard van het door een nationale regelgevende instantie in haar marktanalyse geconstateerde probleem, in voorkomend geval rekening houdend met de vaststelling van transnationale vraag op grond van artikel 75;
(b)zijn proportioneel, rekening houdend met de kosten en baten;
(c)zijn gerechtvaardigd in het licht van de doelstellingen vervat in artikel 3;
(d)worden opgelegd na raadpleging overeenkomstig de artikelen 85 en 184.
4.Wanneer een onderneming wordt aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht, kunnen de nationale regelgevende instanties in voorkomend geval in de eerste fase van de beoordeling verplichtingen opleggen, zoals verplichtingen inzake transparantie en non-discriminatie.
Wanneer een nationale regelgevende instantie de hierboven bedoelde verplichtingen niet toereikend of passend acht, onderzoekt zij of het opleggen van dergelijke verplichtingen in combinatie met overeenkomstig artikel 80 opgelegde verplichtingen alleen een evenredig en toereikend middel zou zijn om de doelstellingen van artikel 3 na te streven.
Onverminderd artikel 80 leggen de nationale regelgevende instanties, wanneer zij van oordeel zijn dat aanvullende toegangsverplichtingen nodig zijn, de in artikel 81 bedoelde verplichtingen op waarbij geharmoniseerde toegang wordt verleend.
Alleen wanneer de nationale regelgevende instanties een onderbouwde motivering verstrekken waaruit blijkt dat dergelijke overeenkomstig de artikelen 80 en 81 opgelegde verplichtingen de op de betrokken markt geconstateerde mededingingsproblemen niet verhelpen, kunnen zij andere verplichtingen opleggen voor toegang tot specifieke actieve of virtuele netwerkelementen en -diensten en het gebruik van specifieke netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten overeenkomstig artikel 78.
Naast de in de vierde alinea van dit lid bedoelde verplichtingen kunnen de nationale regelgevende instanties, wanneer de in de artikelen 77 tot en met 84 vastgestelde verplichtingen niet passend zijn, verplichtingen inzake de scheiding van boekhoudingen, prijscontrole en kostentoerekening opleggen.
De opgelegde verplichtingen hebben geen terugwerkende kracht. In naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke omstandigheden kunnen de verplichtingen worden opgelegd met een andere aanvangsdatum dan de normale aanvangsdatum.
5.De nationale regelgevende instanties stellen de Commissie volgens de procedure van artikel 85 in kennis van besluiten om voor ondernemingen geldende verplichtingen op te leggen, te wijzigen of in te trekken.
6.In het geval van ontwikkelingen op de markt, met inbegrip van commerciële overeenkomsten, of afspraken, die geen wijziging van de marktdefinitie of de beoordeling van de aanmerkelijke marktmacht vereisen, en geen nieuwe marktanalyse overeenkomstig artikel 73 noodzakelijk maken, beoordeelt de nationale regelgevende instantie onverwijld of het nodig is de verplichtingen die zijn opgelegd aan ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, te evalueren en eerdere besluiten te wijzigen, onder meer door verplichtingen in te trekken of nieuwe op te leggen, teneinde te waarborgen dat dergelijke verplichtingen aan de voorwaarden in lid 4 van dit artikel blijven voldoen. Dergelijke wijzigingen worden alleen opgelegd na overleg overeenkomstig de artikelen 85 en 184.
7.De nationale regelgevende instanties leggen de verplichtingen op onverminderd:
(a)de artikelen 67, 68 en 69;
(b)de artikelen 50, 52, 64 en 100 en de relevante bepalingen van Richtlijn 2002/58/EG met verplichtingen voor andere ondernemingen dan die welke zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht;
(c)de noodzaak aan internationale afspraken te voldoen.
8.Om bij te dragen tot de consistente toepassing van corrigerende maatregelen kan de Commissie, in nauwe samenwerking met Berec, richtsnoeren uitvaardigen om de nationale regelgevende instanties bij te staan bij de consistente uitvoering van hun verplichtingen uit hoofde van dit artikel.
Artikel 78
Verplichtingen inzake toegang tot en gebruik van specifieke netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten
1.Nationale regelgevende instanties kunnen ondernemingen overeenkomstig artikel 77 de verplichting opleggen in te gaan op redelijke verzoeken om toegang tot en gebruik van specifieke netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten, anders dan die welke zijn vermeld in de artikelen 80 en 81, in gevallen wanneer de nationale regelgevende instanties van mening zijn dat het weigeren van toegang of het opleggen van onredelijke voorwaarden met eenzelfde effect de ontwikkeling van een door duurzame concurrentie gekenmerkte retailmarkt zou belemmeren of niet in het belang van de eindgebruiker zou zijn. Nationale regelgevende instanties kunnen van ondernemingen onder meer verlangen dat zij:
(a)derden toegang verlenen tot, en hun het gebruik toestaan van specifieke fysieke netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten, in voorkomend geval met inbegrip van ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk en subnetwerk;
(b)derden toegang verlenen tot specifieke actieve of virtuele netwerkelementen en -diensten;
(c)te goeder trouw onderhandelen met ondernemingen die verzoeken om toegang;
(d)reeds verleende toegang tot faciliteiten niet intrekken;
(e)op wholesalebasis specifieke diensten aanbieden voor doorverkoop door derden;
(f)open toegang verlenen tot technische interfaces, protocollen of andere kerntechnologieën die onmisbaar zijn voor de interoperabiliteit van diensten of virtuele netwerkdiensten;
(g)colocatie of andere vormen van gedeeld gebruik van bijbehorende faciliteiten aanbieden;
(h)specifieke diensten aanbieden die nodig zijn voor de interoperabiliteit van de aan gebruikers geleverde eind-tot-eind-diensten, of roaming binnen mobiele netwerken;
(i)toegang verlenen tot operationele ondersteuningssystemen of vergelijkbare softwaresystemen die nodig zijn om billijke concurrentie bij het aanbieden van diensten te waarborgen;
(j)zorgen voor interconnectie van netwerken of netwerkfaciliteiten;
(k)toegang verschaffen aan verwante diensten zoals identiteit, locatie en presentie-informatiediensten.
De nationale regelgevende instanties zijn bevoegd die verplichtingen aan voorwaarden inzake billijkheid, redelijkheid en opportuniteit te onderwerpen.
2.Indien de nationale regelgevende instanties overwegen of het passend is één of meer van de in lid 1 genoemde, eventueel specifieke, verplichtingen op te leggen, en in het bijzonder indien zij onderzoeken, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, of en hoe dergelijke verplichtingen moeten worden opgelegd, analyseren zij of andere vormen van toegang tot wholesale-inputs op dezelfde of een verwante wholesalemarkt afdoende zouden zijn om het geconstateerde probleem in het belang van de eindgebruikers aan te pakken. Die beoordeling omvat commerciële aanbiedingen inzake toegang, gereguleerde toegang op grond van de artikelen 68 en 69 of bestaande dan wel geplande gereguleerde toegang tot andere wholesale-inputs op grond van dit artikel. De nationale regelgevende instanties betrekken met name de volgende factoren in hun overwegingen:
(a)de technische en economische levensvatbaarheid van het gebruik of de installatie van concurrerende faciliteiten, in het licht van het tempo van de marktontwikkeling, en rekening houdend met de aard van en het soort interconnectie of toegang, inclusief de levensvatbaarheid van andere toeleveringsproducten zoals toegang tot kabelgoten;
(b)de verwachte technologische ontwikkeling die van invloed is op het ontwerp en beheer van netwerken;
(c)de noodzaak om technologieneutraliteit te waarborgen teneinde de partijen in staat te stellen hun eigen netwerken te ontwerpen en te beheren;
(d)de haalbaarheid van de aangeboden toegangverlening, rekening houdend met de beschikbare capaciteit;
(e)de door de eigenaar van de faciliteit verrichte initiële investering, rekening houdend met de verrichte overheidsinvesteringen en de aan de investering verbonden risico’s, in het bijzonder rekening houdend met investeringen in en risiconiveaus betreffende gigabitnetwerken;
(f)de noodzaak om op de lange termijn de concurrentie in stand te houden, met speciale aandacht voor economisch doeltreffende concurrentie op basis van de infrastructuur en innovatieve bedrijfsmodellen die bevorderlijk zijn voor duurzame concurrentie, zoals de modellen op basis van mede-investeringen in netwerken;
(g)in voorkomend geval, ter zake geldende intellectuele-eigendomsrechten;
(h)het verlenen van pan-Europese diensten.
3.Als een onderneming in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel de verplichting wordt opgelegd toegang te verlenen, hebben de nationale regelgevende instanties de bevoegdheid om technische of operationele voorwaarden op te leggen aan de aanbieder of de gebruikers van die toegang, wanneer dat nodig is om de normale werking van het netwerk te garanderen. Verplichtingen om specifieke technische normen of specificaties te volgen, zijn in overeenstemming met de overeenkomstig artikel 189 vastgestelde normen en specificaties.
Artikel 79
Verplichtingen inzake prijscontrole en kostentoerekening
1.Een nationale regelgevende instantie kan overeenkomstig artikel 77 verplichtingen inzake het terugverdienen van kosten en prijscontrole opleggen, inclusief verplichtingen inzake kostenoriëntering van prijzen en kostentoerekeningssystemen, voor het verlenen van specifieke interconnectie- of toegangtypes, wanneer uit een marktanalyse blijkt dat de betrokken onderneming de prijzen door het ontbreken van werkelijke concurrentie op een buitensporig hoog peil kan handhaven of de marges kan uithollen, ten nadele van de eindgebruikers.
Wanneer zij bepalen of verplichtingen inzake prijscontrole passend zouden zijn, houden de nationale regelgevende instanties rekening met de noodzaak om de mededinging te bevorderen en met de belangen van de eindgebruikers op de lange termijn op het gebied van de uitrol en benutting van gigabitnetwerken. In het bijzonder om investeringen door de onderneming, ook in gigabitnetwerken, aan te moedigen, houden de nationale regelgevende instanties rekening met de door de onderneming gedane investeringen, met name nieuwe investeringen. Indien de nationale regelgevende instanties van mening zijn dat verplichtingen inzake prijscontrole passend zijn, laten zij toe dat de onderneming een redelijke opbrengst krijgt uit haar kapitaalinbreng, waarbij zij de specifieke risico’s van een bepaald nieuw netwerkproject waarin wordt geïnvesteerd in aanmerking nemen.
De nationale regelgevende instanties nemen in overweging om geen verplichtingen op grond van dit artikel op te leggen of in stand te houden wanneer zij vaststellen dat er sprake is van een aantoonbare retailprijsbeperking en dat een overeenkomstig de artikel 77 opgelegde verplichting, inclusief met name een economische-repliceerbaarheidstoets, voor effectieve en niet-discriminerende toegang zorgt.
Indien de nationale regelgevende instanties het passend achten verplichtingen inzake prijscontrole op te leggen betreffende toegang tot bestaande netwerkelementen, houden zij ook rekening met de voordelen van voorspelbare en stabiele wholesaleprijzen ten aanzien van het waarborgen van efficiënte markttoegang en afdoende stimulansen die erop gericht zijn dat alle ondernemingen nieuwe en verbeterde netwerken uitrollen.
2.De nationale regelgevende instanties zien erop toe dat regelingen voor het terugverdienen van kosten en tariferingsmethoden die worden opgelegd, erop gericht zijn de uitrol van nieuwe en verbeterde netwerken alsmede de efficiëntie en duurzame concurrentie te bevorderen en de eindgebruiker maximaal en op duurzame wijze voordeel te bieden. In dat verband kunnen de nationale regelgevende instanties ook rekening houden met beschikbare prijzen van vergelijkbare concurrerende markten.
3.Indien voor een onderneming een verplichting inzake kostenoriëntering van haar tarieven geldt, is het aan haar om aan te tonen dat de tarieven worden bepaald op basis van de kosten, verhoogd met een redelijk investeringsrendement. Voor de berekening van de kosten verbonden aan efficiënte dienstverlening, kunnen de nationale regelgevende instanties boekhoudkundige kostentoerekeningsmethoden gebruiken die los staan van de door de onderneming gebruikte methoden. De nationale regelgevende instanties kunnen van een onderneming verlangen dat zij volledige verantwoording aflegt over haar tarieven en indien nodig dat deze worden aangepast.
4.De nationale regelgevende instanties zorgen ervoor dat, wanneer de invoering van een kostentoerekeningssysteem verplicht wordt gesteld met het oog op prijscontrole, een beschrijving van dit systeem voor het publiek beschikbaar wordt gesteld waarin ten minste de hoofdcategorieën waarin de kosten worden ingedeeld en de voor de toerekening van de kosten toegepaste regels worden vermeld. Een gekwalificeerde onafhankelijke instantie ziet toe op de inachtneming van het kostentoerekeningssysteem en publiceert ieder jaar een verklaring betreffende de inachtneming van het systeem.
Artikel 80
Toegang tot passieve netwerken
1.Een nationale regelgevende instantie kan overeenkomstig artikel 77 aan ondernemingen verplichtingen opleggen om in te gaan op redelijke verzoeken om toegang tot en gebruik van dark fibre en civieltechnische voorzieningen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, gebouwen of toegangen tot gebouwen, kabels in gebouwen inclusief bedrading, antennes, torens en andere ondersteuningsgebouwen, palen, masten, kabelgaten, leidingen, inspectieputten, mangaten en straatkasten, wanneer de nationale regelgevende instantie op basis van de marktanalyse concludeert dat het weigeren van toegang of verlening van toegang onder onredelijke voorwaarden met eenzelfde effect de ontwikkeling van een door duurzame concurrentie gekenmerkte markt zou belemmeren en niet in het belang van de eindgebruiker zou zijn.
2.De nationale regelgevende instanties mogen aan een onderneming verplichtingen opleggen om toegang te verlenen overeenkomstig dit artikel, ongeacht of de activa die door de verplichtingen worden beïnvloed deel uitmaken van de betrokken markt in overeenstemming met de marktanalyse, mits de verplichting noodzakelijk en evenredig is met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3.
Artikel 81
Geharmoniseerde toegangsproducten
1.Onverminderd artikel 80 beoordeelt een nationale regelgevende instantie of het gerechtvaardigd en evenredig is om aan een exploitant die op basis van een overeenkomstig artikel 73 uitgevoerde marktanalyse is aangewezen als een exploitant met aanmerkelijke marktmacht op een specifieke markt, de verplichting op te leggen geharmoniseerde toegangsproducten van de Unie aan te bieden alvorens andere toegangsproducten op te leggen.
2.Wanneer de nationale regelgevende instantie besluit andere toegangsproducten op te leggen, licht zij toe waarom deze geschikter zijn dan de geharmoniseerde toegangsproducten om de vastgestelde problemen aan te pakken.
3.De geharmoniseerde producten van de Unie kunnen producten voor lokale toegang omvatten.
4.De Commissie kan binnen [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] uitvoeringshandelingen vaststellen ter bepaling van de technische specificaties, standaardkostenelementen, kostenmethodologieën voor geharmoniseerde producten en het referentieaanbod met betrekking tot de geharmoniseerde toegangsproducten, rekening houdend met het advies van Berec. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 199, lid 4, bedoelde procedure vastgesteld.
5.De geharmoniseerde toegangsproducten voldoen aan de volgende inhoudelijke eisen:
(a)de mogelijkheid om als toegangsproduct te worden aangeboden aan elke aanbieder van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten die actief is in de Unie;
(b)maximale mate van netwerk- en dienstinteroperabiliteit en non-discriminerend netwerkbeheer tussen aanbieders, consistent met netwerktopologie;
(c)capaciteit om eindgebruikers te dienen tegen concurrerende voorwaarden;
(d)kostenefficiëntie, rekening houdend met de capaciteit om op bestaande en nieuwe netwerken te worden uitgevoerd en samen te gaan met andere toegangsproducten die op dezelfde netwerkinfrastructuur worden verstrekt;
(e)operationele doeltreffendheid, met name met betrekking tot het zoveel mogelijk beperken van belemmeringen voor de uitvoering en uitrolkosten voor aanbieders van toegang en toegangvragende partijen;
(f)ten aanzien van de regels voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, persoonsgegevens, beveiliging en integriteit en transparantie van netwerken in overeenstemming met het Unierecht.
6.Wanneer een nationale regelgevende instantie heeft vastgesteld dat de verplichting om dergelijke geharmoniseerde toegangsproducten aan te bieden in de plaats moet komen van de eerder opgelegde verplichtingen inzake wholesaletoegang, stelt zij een passende overgangsperiode van ten minste zes maanden vast alvorens laatstgenoemde maatregelen in te trekken.
Artikel 82
Afgiftetarieven
1.Rekening houdend met het advies van Berec, stelt de Commissie een gedelegeerde handeling vast tot aanvulling van deze verordening, waarbij een enkel maximumtarief voor mobiele gespreksafgifte voor de hele Unie en een enkel maximumtarief voor vaste gespreksafgifte voor de hele Unie wordt vastgesteld (samen “Uniebrede tarieven voor gespreksafgifte”), die worden opgelegd aan aanbieders van diensten met betrekking tot respectievelijk mobiele of vaste gespreksafgifte, in een lidstaat. De Commissie evalueert die gedelegeerde handeling om de vijf jaar na [de datum van inwerkingtreding van deze verordening] en overweegt bij elke gelegenheid, door toepassing van de in artikel 73, lid 1, bedoelde criteria, of het nog steeds noodzakelijk is Uniebrede tarieven voor gespreksafgifte vast te stellen. Indien de Commissie, na die beoordeling, in overeenstemming met dit lid besluit geen maximumtarief op te leggen voor mobiele of vaste gespreksafgifte, of voor geen van beide, kunnen de nationale regelgevende instanties overeenkomstig artikel 73 analyses van markten voor gespreksafgifte uitvoeren om te beoordelen of het opleggen van regelgevende verplichtingen noodzakelijk is. Indien een nationale regelgevende instantie op grond van een dergelijke analyse kostengeoriënteerde afgiftetarieven op een relevante markt oplegt, volgt zij de beginselen, criteria en parameters van bijlage II, en legt zij de ontwerpmaatregel ten uitvoer met inachtneming van de in de artikelen 85 en 184 bedoelde procedures.
2.De nationale regelgevende instanties houden nauwlettend toezicht op en zorgen voor de naleving van de toepassing van de Uniebrede tarieven voor gespreksafgifte door aanbieders van gespreksafgiftediensten. De nationale regelgevende instanties kunnen te allen tijde verlangen dat een aanbieder van diensten voor gespreksafgifte het tarief wijzigt dat hij aan andere ondernemingen aanrekent indien hij de gedelegeerde handeling bedoeld in lid 1 niet naleeft.
Artikel 83
Afspraakprocedure
1.De nationale regelgevende instanties stellen de exploitanten in kennis van de mogelijkheid om afspraken aan te bieden om de vastgestelde mededingingsproblemen aan te pakken.
2.Ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, kunnen aan de nationale regelgevende instantie afspraken aanbieden in verband met de voor hun netwerken geldende voorwaarden voor toegang of mede-investeringen, of beide, met betrekking tot onder meer:
(a)samenwerkingsregelingen inzake de beoordeling van passende en evenredige verplichtingen op grond van artikel 77;
(b)mede-investeringen in gigabitnetwerken;
(c)effectieve en niet-discriminerende toegang voor derden gedurende een uitvoeringsperiode van vrijwillige scheiding, met inbegrip van de overdracht van hun netwerkactiva voor lokale toegang of een aanzienlijk deel daarvan aan een afzonderlijke rechtspersoon met een andere eigenaar, of de oprichting van een afzonderlijke bedrijfseenheid, door een verticaal geïntegreerde onderneming, en nadat de voorgestelde vorm van scheiding is geïmplementeerd.
Het aanbod voor afspraken is voldoende gedetailleerd, onder meer wat betreft het toepassingsgebied, de duur, het moment van en de soort implementatie ervan, teneinde de nationale regelgevende instantie in staat te stellen haar beoordeling op grond van lid 3 van dit artikel uit te voeren. Die afspraken kunnen een langere periode bestrijken dan de in artikel 73, lid 6, bepaalde maximumperiode voor marktanalyse.
3.De nationale regelgevende instanties gaan na of de afspraken alleen een evenredig en toereikend middel zouden zijn om de vastgestelde mededingingsproblemen aan te pakken. Teneinde op grond van lid 2 van dit artikel door een onderneming aangeboden afspraken te beoordelen, verricht de nationale regelgevende instantie, tenzij die afspraken duidelijk niet aan een of meerdere desbetreffende voorwaarden of criteria voldoen, een markttoets, met name betreffende de aangeboden voorwaarden, door het organiseren van een raadpleging van belanghebbende partijen, met name derden die de rechtstreekse gevolgen ervan ondervinden. Mogelijke mede-investeerders of toegangvragende partijen kunnen aangeven of de aangeboden afspraken volgens hen in overeenstemming zijn met de voorwaarden, naargelang van toepassing, van artikel 77 en kunnen veranderingen voorstellen.
4.Wat betreft de krachtens dit artikel aangeboden afspraken houdt de nationale regelgevende instantie bij het beoordelen van verplichtingen op grond van artikel 77, lid 3, in het bijzonder rekening met:
(a)bewijsmateriaal inzake de billijke en redelijke aard van de aangeboden afspraken;
(b)het openstaan van de afspraken voor alle marktdeelnemers;
(c)de tijdige beschikbaarheid van toegang onder billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden, voordat aanverwante retaildiensten worden aangeboden;
(d)de algemene mate waarin de aangeboden afspraken duurzame mededinging op downstreammarkten mogelijk maken en de uitrol en ingebruikneming van gigabitnetwerken in samenwerkingsverband faciliteren ten behoeve van eindgebruikers.
De nationale regelgevende instantie deelt, rekening houdend met alle tijdens de raadpleging geuite standpunten en met de mate waarin die standpunten representatief zijn voor de verschillende belanghebbenden, aan de onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht haar voorlopige conclusies mee over de vraag of de aangeboden afspraken voldoen aan de doelstellingen, criteria en procedures in dit artikel en artikel 77, naargelang toepasselijk, alsmede onder welke voorwaarden zij in overweging zou kunnen nemen de afspraken bindend te maken. De onderneming kan haar initiële aanbod herzien om rekening te houden met de conclusies van de nationale regelgevende instantie en met het oog op het voldoen aan de criteria in dit artikel en, naargelang toepasselijk, in artikel 77.
5.De nationale regelgevende instantie kan een besluit nemen om de afspraken geheel of gedeeltelijk bindend te maken.
6.In afwijking van artikel 73, lid 6, kan de nationale regelgevende instantie bepaalde of alle afspraken bindend maken voor een specifieke periode, die de hele periode waarvoor het aanbod geldt kan zijn, en in het geval van afspraken tot mede-investering die bindend zijn gemaakt, maakt zij deze bindend voor een periode van minimaal zeven jaar. Indien de nationale regelgevende instantie afspraken op grond van dit artikel bindend maakt, onderzoekt zij krachtens artikel 77 de gevolgen van dat besluit voor de marktontwikkeling, alsmede het al dan niet passend zijn van verplichtingen die zij heeft opgelegd of die zij, bij gebrek aan afspraken, overwoog op te leggen op grond van de artikelen 77 tot en met 81. Wanneer de nationale regelgevende instantie overeenkomstig artikel 85 kennisgeeft van een ontwerpmaatregel krachtens artikel 77, doet zij de ontwerpmaatregel waarvan zij kennisgeeft vergezeld gaan van het besluit tot vaststelling van de afspraak.
7.De nationale regelgevende instantie monitort, controleert en waarborgt de naleving van de afspraken die zij overeenkomstig lid 5 van dit artikel bindend heeft gemaakt op dezelfde manier als waarop zij de naleving van krachtens artikel 77 opgelegde verplichtingen monitort, controleert en waarborgt, en neemt de verlenging van de periode waarvoor zij bindend zijn gemaakt in overweging wanneer de initiële periode verstrijkt. Wanneer de nationale regelgevende instantie concludeert dat een onderneming niet heeft voldaan aan de overeenkomstig lid 5 van dit artikel bindend gemaakte afspraken, kan zij die onderneming overeenkomstig artikel 196 sancties opleggen. Onverminderd de procedure van artikel 196 ter naleving van specifieke verplichtingen, kan de nationale regelgevende instantie de overeenkomstig artikel 77 opgelegde verplichtingen opnieuw evalueren.
8.De leden 1 tot en met 3 van dit artikel zijn van toepassing op ondernemingen die afspraken kunnen aanbieden om de regelgevingsmaatregelen uit hoofde van artikel 69 te ontwijken.
Artikel 84
Uitsluitend op wholesalemarkten actieve ondernemingen
1.Een nationale regelgevende instantie die een onderneming die niet actief is op een retailmarkt voor elektronischecommunicatiediensten in de betreffende geografische markt overeenkomstig artikel 73 aanwijst als een onderneming met aanmerkelijke marktmacht op één of meerdere wholesalemarkten, gaat na of die onderneming over de volgende kenmerken beschikt:
(a)alle bedrijven en bedrijfsonderdelen binnen de onderneming, alle bedrijven waarover dezelfde uiteindelijke eigenaar zeggenschap heeft, maar die niet per se volledig in zijn of hun bezit zijn, en eventuele aandeelhouders die zeggenschap kunnen uitoefenen over de onderneming, ontplooien slechts activiteiten op wholesalemarkten voor elektronischecommunicatiediensten en beogen dat ook in de toekomst te doen, en ontplooien dus geen activiteiten op een retailmarkt voor elektronischecommunicatiediensten die aan eindgebruikers in de betreffende geografische markt worden verstrekt of in een andere markt die het gedrag van de onderneming op de betreffende wholesalemarkt kan beïnvloeden;
(b)de onderneming is niet gebonden aan een enkele en afzonderlijke downstream actieve onderneming die activiteiten ontplooit op een retailmarkt voor elektronischecommunicatiediensten die aan eindgebruikers in de betreffende geografische markt worden verstrekt of in een andere markt die het gedrag van de onderneming op de betreffende wholesalemarkt kan beïnvloeden, op grond van een exclusieve overeenkomst of een overeenkomst die feitelijk neerkomt op een exclusieve overeenkomst.
2.Indien de nationale regelgevende instantie concludeert dat aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde voorwaarden is voldaan, kan zij aan die onderneming alleen verplichtingen op grond van artikel 78 en niet-discriminerende verplichtingen of verplichtingen met betrekking tot eerlijke en redelijke prijzen opleggen indien dit gerechtvaardigd is op basis van een marktanalyse, inclusief een prospectieve beoordeling van het waarschijnlijke gedrag van de onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht.
3.De nationale regelgevende instantie kan de overeenkomstig dit artikel aan de onderneming opgelegde verplichtingen te allen tijde heroverwegen indien zij concludeert dat niet meer aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde voorwaarden wordt voldaan, en zij past voor zover passend de artikelen 73 en 77 tot en met 83 toe. De ondernemingen stellen de nationale regelgevende instantie zonder onnodige vertraging in kennis van elke wijziging in de omstandigheden die relevant zijn voor lid 1, punten a) en b), van dit artikel.
4.De nationale regelgevende instantie heroverweegt de overeenkomstig dit artikel aan de onderneming opgelegde verplichtingen ook als de instantie op basis van bewijsstukken betreffende de door de onderneming aan haar downstreamklanten aangeboden voorwaarden concludeert dat er concurrentieproblemen zijn ontstaan of dreigen te ontstaan waardoor de eindgebruikers worden benadeeld en het noodzakelijk is één of meer van de in artikel 77 tot en met 81 bedoelde verplichtingen op te leggen of de overeenkomstig lid 2 van dit artikel opgelegde verplichtingen aan te passen. Het opleggen van verplichtingen en de heroverweging daarvan overeenkomstig dit artikel wordt uitgevoerd in overeenstemming met de in de artikelen 85 en 184 bedoelde procedures.
5.4.3.HOOFDSTUK III: Internemarktprocedures voor marktregulering
Artikel 85
Consolidatie van de interne markt voor elektronische communicatie
1.De nationale regelgevende instanties houden bij de uitvoering van de in deze verordening omschreven taken zoveel mogelijk rekening met de doelstellingen van artikel 3.
2.Tenzij anders bepaald in aanbevelingen of richtsnoeren die zijn vastgesteld op grond van artikel 186 na afronding van de eventueel noodzakelijke openbare raadpleging, maakt een nationale regelgevende instantie, indien zij voornemens is een maatregel te nemen die:
(a)valt binnen het toepassingsgebied van de artikelen 68, 69 en 71 tot en met 84;
(b)van invloed is op de handel tussen de lidstaten,
de ontwerpmaatregel bekend en deelt zij deze mee aan de Commissie, aan Berec en aan de nationale regelgevende instanties in andere lidstaten, vergezeld van een motivering overeenkomstig artikel 184, lid 4. De nationale regelgevende instanties, Berec en de Commissie krijgen dertig werkdagen de tijd om opmerkingen over die ontwerpmaatregel in te dienen. De periode van dertig werkdagen wordt niet verlengd.
3.De vaststelling van de ontwerpmaatregel als bedoeld in lid 3 van dit artikel wordt met nog eens negentig werkdagen uitgesteld indien die maatregel betrekking heeft op:
(a)het definiëren van een relevante markt en de beoordeling van de vatbaarheid ervan voor regelgeving ex ante overeenkomstig artikel 72;
(b)de beslissing om al dan niet een onderneming aan te merken als een onderneming met aanmerkelijke marktmacht overeenkomstig artikel 73, hetzij individueel, hetzij gezamenlijk met anderen;
(c)het opleggen, wijzigen of intrekken van een verplichting voor een onderneming overeenkomstig artikel 69, lid 2, of artikel 77, met uitzondering van verplichtingen die overeenkomstig de artikelen 80 en 81 zijn opgelegd,
en de Commissie de nationale regelgevende instantie heeft meegedeeld dat zij van mening is dat de ontwerpmaatregel een belemmering voor de interne markt opwerpt of ernstige twijfels heeft omtrent de verenigbaarheid van de ontwerpmaatregel met het Unierecht en met name met de in artikel 3 genoemde doelstellingen. Die periode van negentig werkdagen wordt niet verlengd. De Commissie stelt Berec en de nationale regelgevende instanties in dat geval in kennis van haar voorbehouden en maakt deze tegelijkertijd openbaar.
4.Binnen dertig werkdagen vanaf het begin van de in lid 3 genoemde periode van negentig werkdagen brengt Berec advies uit over de in dat lid bedoelde voorbehouden van de Commissie, waarin wordt aangegeven of het van mening is dat de ontwerpmaatregel moet worden gehandhaafd, gewijzigd of ingetrokken, en hiertoe zo nodig specifieke voorstellen doet. Dat advies is met redenen omkleed en wordt openbaar gemaakt.
5.Indien Berec in zijn advies de ernstige twijfels van de Commissie deelt, werkt het nauw samen met de betrokken nationale regelgevende instantie en de Commissie om de meest geschikte en effectieve maatregel vast te stellen.
6.De Commissie kan binnen de in lid 3 genoemde periode van negentig werkdagen:
(a)een besluit nemen waarbij de betrokken nationale regelgevende instantie wordt gelast de ontwerpmaatregel niet vast te stellen indien de voorbehouden van de Commissie gebaseerd waren op lid 3, punten a), b) of c);
(b)besluiten haar in lid 3 bedoelde voorbehouden in te trekken;
(c)voor ontwerpmaatregelen die onder artikel 69, lid 2, vallen, een besluit nemen op grond waarvan de betrokken nationale regelgevende instantie de ontwerpmaatregel moet intrekken.
De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het advies van Berec alvorens een besluit te nemen.
Besluiten zoals bedoeld in de eerste alinea, punten a) en c), gaan vergezeld van een gedetailleerde en objectieve analyse van de redenen waarom de Commissie van mening is dat de ontwerpmaatregel niet hoeft te worden genomen, samen met specifieke voorstellen tot wijziging ervan.
7.Wanneer de Commissie overeenkomstig lid 6, punt c), van dit artikel een besluit heeft vastgesteld op grond waarvan de nationale regelgevende instantie een ontwerpmaatregel moet intrekken, stelt de nationale regelgevende instantie een dergelijke maatregel niet vast. Na overeenkomstig artikel 186 een openbare raadpleging te hebben gehouden, stelt de nationale regelgevende instantie de Commissie binnen achttien maanden na de datum van het besluit van de Commissie in kennis van een nieuwe ontwerpmaatregel.
8.Behalve in de gevallen die onder lid 3 en lid 6, punten a) en c), vallen, houdt de betrokken nationale regelgevende instantie zoveel mogelijk rekening met opmerkingen van andere nationale regelgevende instanties, Berec en de Commissie en kan zij de uiteindelijke ontwerpmaatregel vaststellen en, in voorkomend geval, aan de Commissie meedelen. De nationale regelgevende instantie deelt de Commissie en Berec alle aangenomen definitieve maatregelen mee die onder lid 2 vallen.
Artikel 86
Voorlopige maatregelen
1.Een nationale regelgevende instantie die oordeelt dat er een dringende noodzaak is om te handelen teneinde de mededinging te waarborgen en de belangen van de gebruikers te beschermen, kan in afwijking van de procedure van artikel 85, onmiddellijk evenredige en voorlopige maatregelen vaststellen, die een geldigheid hebben van niet meer dan achttien maanden. Zij deelt die maatregelen onverwijld volledig met redenen omkleed mede aan de Commissie, aan de andere nationale regelgevende instanties en aan Berec.
2.Na het verstrijken van de periode van achttien maanden wordt de voorlopige maatregel ingetrokken of vervangen door een permanente maatregel, na voorafgaand overleg op nationaal en Unieniveau overeenkomstig de artikelen 85 en 184.
3.De nationale regelgevende instantie neemt geen voorlopige maatregel om hetzelfde mededingingsprobleem aan te pakken waarvoor reeds een voorlopige maatregel is genomen.
6.DEEL VI — DIENSTEN
6.1.TITEL I: UNIVERSELEDIENSTVERPLICHTINGEN
Artikel 87
Universele dienstverlening
1.Alle consumenten in de Unie hebben recht op toegang tot een betaalbare en adequate internettoegangsdienst en spraakcommunicatiediensten van de op hun grondgebied gespecificeerde kwaliteit, op een vaste locatie.
2.Elke lidstaat bepaalt in het licht van de minimumbandbreedte waarover de meerderheid van de consumenten op zijn grondgebied beschikt, en rekening houdend met de Berec-richtsnoeren zoals voorzien in de tweede alinea van dit lid, de adequate breedbandinternettoegangsdienst als bedoeld in lid 1, teneinde de bandbreedte te garanderen die nodig is voor sociale en economische participatie in de samenleving.
Uiterlijk [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] vaardigt Berec, na raadpleging van de belanghebbenden en in nauwe samenwerking met de Commissie, rekening houdend met de beschikbare gegevens van de Commissie (Eurostat), richtsnoeren uit ter ondersteuning van de definitie van adequate internettoegangsdienst als bedoeld in lid 1 en de specificatie van de bandbreedte die nodig is voor sociale en economische participatie in de samenleving. Die richtsnoeren wordt op gezette tijden geactualiseerd om rekening te houden met technologische vooruitgang en veranderingen in gebruikspatronen van consumenten.
Artikel 88
Aanbieden van een betaalbare universele dienst
1.De nationale regelgevende instanties monitoren jaarlijks in overleg met andere bevoegde instanties de ontwikkeling en het niveau van de retailprijzen van de in artikel 87, lid 1, genoemde diensten die op de markt beschikbaar zijn, met name rekening houdend met de binnenlandse prijzen en het nationaal inkomen van de consument.
2.Indien de lidstaten vaststellen dat, in het licht van de nationale omstandigheden, de retailtarieven voor de in artikel 87, lid 1, genoemde diensten niet betaalbaar zijn, omdat consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften geen toegang tot die diensten hebben, nemen zij maatregelen opdat adequate internettoegangs- en spraakcommunicatiediensten, ten minste op een vaste locatie, voor die consumenten betaalbaar zijn.
3.Wanneer de lidstaten besluiten tariefopties of -pakketten verplicht te stellen, worden deze door alle aanbieders aangeboden. Deze aanbiedingen zijn gemakkelijk toegankelijk voor consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften. De nationale regelgevende instanties zorgen er in overleg met andere bevoegde instanties voor dat, in voorkomend geval, de voorwaarden die aan de aangeboden tariefopties of -pakketten zijn verbonden, volledig transparant zijn, worden bekendgemaakt en toegepast overeenkomstig het non-discriminatiebeginsel en het efficiëntiebeginsel.
Consumenten die recht hebben op de in de eerste alinea van dit lid bedoelde tariefopties of -pakketten, hebben het recht een contract te sluiten met een aanbieder van adequate internettoegangsdiensten en spraakcommunicatiediensten.
Op verzoek van een consument wordt het contract beperkt tot spraakcommunicatiediensten.
4.De lidstaten zien erop toe dat, waar passend, ofwel steun wordt verleend aan consumenten met een handicap ofwel, waar passend, andere specifieke maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de relevante eindapparatuur en specifieke apparatuur en diensten die hun een gelijkwaardige toegang bieden, inclusief waar nodig diensten voor totale conversatie en bemiddelingsdiensten, beschikbaar en betaalbaar zijn.
5.De lidstaten hanteren voor de in dit artikel bedoelde maatregelen de meest efficiënte en passende aanpak, met inachtneming van de beginselen van objectiviteit, transparantie, non-discriminatie en evenredigheid, en met waarborging van de verenigbaarheid met de interne markt, met inbegrip van de mededingingsregels.
Artikel 89
Definitie van adequate internettoegangsdienst, noodzakelijke bandbreedte, criteria en methode voor betaalbaarheid
De Commissie kan, rekening houdend met de technologische vooruitgang en veranderingen in de gebruikspatronen van consumenten, uitvoeringshandelingen vaststellen ter bepaling van de methode voor het definiëren van de adequate internettoegangsdienst, met inbegrip van de bandbreedte die nodig is voor sociale en economische participatie in de samenleving als bedoeld in artikel 87, in het licht van de nationale omstandigheden. De uitvoeringshandelingen bevatten ook criteria en methoden waarmee de nationale regelgevende instanties in overleg met andere bevoegde instanties moeten nagaan of de detailhandelsprijzen van de in artikel 87, lid 1, bedoelde diensten betaalbaar zijn voor consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften als bedoeld in artikel 88.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 199, lid 4, bedoelde procedure vastgesteld.
Artikel 90
Beschikbaarheid van universele dienst
1.Wanneer een lidstaat, rekening houdend met de resultaten van het overeenkomstig artikel 183 gevoerde geografisch onderzoek, en zo nodig met aanvullende bewijzen, heeft vastgesteld dat de beschikbaarheid van een adequate breedbandinternettoegangsdienst in de zin van artikel 87, lid 2, en spraakcommunicatiediensten op een vaste locatie niet in normale commerciële omstandigheden kan worden gewaarborgd op zijn nationale grondgebied of verschillende delen ervan, past hij beleidsinstrumenten toe en kan hij, indien andere beleidsinstrumenten niet het gewenste resultaat hebben gehad, passende universeledienstverplichtingen opleggen om ervoor te zorgen dat tegemoet wordt gekomen aan alle redelijke verzoeken van consumenten, micro-ondernemingen, kleine ondernemingen en organisaties zonder winstoogmerk om toegang tot die diensten op de betrokken delen van zijn grondgebied.
2.Indien andere maatregelen of beleidsinstrumenten niet het gewenste effect hebben gehad en de lidstaten besluiten de in lid 1 bedoelde universeledienstverplichtingen op te leggen, kunnen zij een of meer ondernemingen belasten met het aanbieden van dergelijke verplichtingen op het gehele nationale grondgebied of voor specifieke delen van het nationale grondgebied.
De lidstaten hanteren de meest efficiënte en passende aanpak voor de in dit lid bedoelde maatregelen, met inachtneming van de beginselen van objectiviteit, transparantie, niet-discriminatie en evenredigheid, waarbij wordt gezorgd voor verenigbaarheid met de interne markt, met inbegrip van de mededingingsregels.
Artikel 91
Beheersing van de uitgaven en aanvullende faciliteiten en diensten
1.Aanbieders van adequate breedbandinternettoegangsdiensten en spraakcommunicatiediensten overeenkomstig de artikelen 87, 88 en 90 stellen bij het aanbieden van extra faciliteiten en diensten naast de in artikel 87 vermelde faciliteiten en diensten, voorwaarden vast op basis waarvan de eindgebruiker niet verplicht is voor faciliteiten of diensten te betalen die niet noodzakelijk of niet vereist zijn voor de gewenste dienst.
2.Aanbieders van een adequate breedbandinternettoegangsdienst en van in artikel 87 genoemde spraakcommunicatiediensten die op grond van artikel 88 diensten leveren, bieden consumenten die profiteren van de maatregelen van artikel 88 in voorkomend geval de volgende specifieke faciliteiten en diensten aan, zodat consumenten uitgaven kunnen monitoren en controleren:
(a)selectieve nummerblokkering bij uitgaand telefoonverkeer of Premium-SMS- of MMS-berichten of, waar technisch mogelijk, andere soorten van soortgelijke toepassingen;
(b)vooruitbetalingssystemen;
(c)termijnbetaling van aansluitingskosten;
(d)evenredige, niet-discriminerende en bekendgemaakte maatregelen om niet-betaling van facturen van aanbieders te dekken, waarbij naar behoren wordt gewaarschuwd voor elke onderbreking of afsluiting van de dienst als gevolg daarvan, en maatregelen om ongegronde afsluiting van diensten te voorkomen, met inbegrip van een passend mechanisme om na te gaan of er nog steeds belangstelling is voor het gebruik van de dienst;
(e)tariefadvies;
(f)kostenbeheersing, met inbegrip van gratis waarschuwingen aan consumenten in geval van atypische of buitensporige verbruikspatronen;
(g)een faciliteit om factureringsdiensten van derden te deactiveren.
Artikel 92
Overgangsbepalingen met betrekking tot de aanwijzing van ondernemingen uit hoofde van Richtlijn (EU) 2018/1972 en de herziening van de universele dienst
1.Ondernemingen die vóór [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] zijn aangewezen voor het aanbieden van specifieke tariefopties of -pakketten of voor het waarborgen van de beschikbaarheid op een vaste locatie van een adequate breedbandinternettoegangsdienst en spraakcommunicatiediensten uit hoofde van Richtlijn (EU) 2018/1972, behouden hun status tot die aanwijzingen vervallen.
2.Berec monitort de beschikbaarheid en betaalbaarheid met betrekking tot adequate internettoegang en spraakcommunicatie in het licht van de markt- en technologische ontwikkelingen en publiceert uiterlijk op 30 juni 2033 een advies over dergelijke ontwikkelingen en over de gevolgen ervan voor de toepassing van de beschikbaarheid en betaalbaarheid.
3.Uiterlijk op 30 juni 2034 evalueert de Commissie, rekening houdend met het advies van Berec, het toepassingsgebied van de betaalbare universele dienst van artikel 88 en de beschikbaarheid van de universele dienst van artikel 90, met name om het Europees Parlement en de Raad voor te stellen het toepassingsgebied te wijzigen of opnieuw te definiëren.
De evaluatie wordt uitgevoerd in het licht van de sociale, economische en technologische ontwikkelingen, met inbegrip van de overstap naar glasvezel, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de gangbare technologieën die door de meerderheid van de consumenten worden gebruikt. De Commissie brengt aan het Europees Parlement en aan de Raad verslag uit over het resultaat van de evaluatie.
6.2.TITEL II: OPEN-INTERNETTOEGANG
Artikel 93
Waarborgen van open-internettoegang
1.Eindgebruikers hebben het recht om toegang te krijgen tot informatie en inhoud en deze te delen, toepassingen en diensten te gebruiken en aan te bieden, en gebruik te maken van de eindapparatuur van hun keuze, ongeacht de locatie van de eindgebruiker of de aanbieder, en ongeacht de locatie, herkomst of bestemming van de informatie, inhoud, toepassing of dienst, via hun internettoegangsdienst. Dit lid laat onverlet het Unierecht of het nationale recht dat in overeenstemming is met het Unierecht, met betrekking tot de rechtmatigheid van de inhoud, toepassingen of diensten.
2.Overeenkomsten tussen aanbieders van internettoegangsdiensten en eindgebruikers over commerciële en technische voorwaarden en de kenmerken van internettoegangsdiensten zoals prijs, datavolumes of snelheid, en alle commerciële praktijken van aanbieders van internettoegangsdiensten, mogen de uitoefening van de in lid 1 bedoelde rechten van eindgebruikers niet beperken.
3.Aanbieders van internettoegangsdiensten behandelen bij het aanbieden van internettoegangsdiensten alle verkeer op gelijke wijze, zonder discriminatie, beperking of interferentie, en ongeacht de verzender en de ontvanger, de inhoud waartoe toegang wordt verleend of die wordt verspreid, de gebruikte of aangeboden toepassingen of diensten, of de gebruikte eindapparatuur.
De eerste alinea belet aanbieders van internettoegangsdiensten niet redelijke verkeersbeheersmaatregelen te treffen. Om als redelijk te worden beschouwd, moeten die maatregelen transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn, en mogen zij niet berusten op commerciële overwegingen, maar op objectief verschillende technische kwaliteitsvereisten van specifieke categorieën verkeer berusten. Zulke maatregelen mogen niet inhouden de specifieke inhoud gevolgd, en zij worden niet langer dan nodig aangehouden.
Aanbieders van internettoegangsdiensten treffen geen verkeersbeheersmaatregelen die verder gaan dan de in de tweede alinea bedoelde maatregelen, en gaan met name niet over tot het blokkeren, vertragen, wijzigen, beperken of degraderen van, interfereren met of discrimineren tussen specifieke inhoud, toepassingen of diensten, of specifieke categorieën daarvan, behalve indien — en slechts zolang — dit nodig is om:
(a)te voldoen aan de wetgevingshandelingen van de Unie of de nationale wetgeving die in overeenstemming is met het Unierecht, waar de aanbieder van de internettoegangsdiensten onder valt, of aan de met het Unierecht in overeenstemming zijnde maatregelen ter uitvoering van dergelijke wetgevingshandelingen van de Unie of dergelijke nationale wetgeving, met inbegrip van beslissingen van rechters of overheidsinstanties die ter zake bevoegd zijn;
(b)de integriteit en de veiligheid van het netwerk, van de diensten die via dit netwerk worden aangeboden en van de eindapparatuur van de eindgebruikers te beschermen;
(c)nakende netwerkcongestie te voorkomen en de effecten van uitzonderlijke of tijdelijke netwerkcongestie te beperken, op voorwaarde dat gelijkwaardige soorten verkeer gelijk worden behandeld.
4.Verkeersbeheersmaatregelen mogen slechts verwerking van persoonsgegevens met zich brengen indien dergelijke verwerking noodzakelijk en evenredig is om de doelstellingen van lid 3 te verwezenlijken. Deze verwerking geschiedt overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad. Verkeersbeheersmaatregelen voldoen tevens aan Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad.
5.Het staat aanbieders van elektronische communicatie aan het publiek, met inbegrip van aanbieders van internettoegangsdiensten, en aanbieders van inhoud, toepassingen en diensten vrij om naast internettoegangsdiensten andere diensten aan te bieden die geoptimaliseerd zijn voor specifieke inhoud, toepassingen of diensten of een combinatie daarvan, indien de optimalisatie nodig is om te voldoen aan kwaliteitsvereisten voor inhoud, toepassingen of diensten voor een specifiek kwaliteitsniveau. Aanbieders van elektronische communicatie aan het publiek, met inbegrip van aanbieders van internettoegangsdiensten, mogen deze diensten uitsluitend aanbieden of faciliteren indien de netwerkcapaciteit groot genoeg is om de diensten aan te bieden ter aanvulling op verleende internettoegangsdiensten. Deze diensten mogen niet worden gebruikt of aangeboden ter vervanging van internettoegangsdiensten, en mogen geen nadelige invloed hebben op de beschikbaarheid of de algemene kwaliteit van internettoegangsdiensten voor eindgebruikers.
6.De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de in dit artikel bedoelde voorwaarden worden gespecificeerd voor het aanbieden van andere diensten dan internettoegangsdiensten die geoptimaliseerd zijn voor specifieke inhoud, toepassingen of diensten, of een combinatie daarvan.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 199, lid 4, bedoelde procedure vastgesteld.
Artikel 94
Toezicht op en handhaving van open-internettoegang
1.De nationale regelgevende instanties houden nauwlettend toezicht op en zorgen voor de naleving van artikel 93, en zij bevorderen de voortdurende beschikbaarheid van niet-discriminerende internettoegangsdiensten op kwaliteitsniveaus die stroken met de stand van de techniek. Daartoe kunnen de nationale regelgevende instanties voorschriften inzake technische kenmerken, minimale vereisten inzake de kwaliteit van de dienstverlening en andere passende en noodzakelijke maatregelen opleggen aan een of meer aanbieders van elektronische communicatie aan het publiek, met inbegrip van aanbieders van internettoegangsdiensten.
2.Aanbieders van elektronischecommunicatiediensten aan het publiek, met inbegrip van aanbieders van internettoegangsdiensten, stellen elke twee jaar aan de nationale regelgevende instantie informatie ter beschikking die van belang is in verband met de verplichtingen in artikel 93, met name informatie over het beheer van hun netwerkcapaciteit en netwerkverkeer alsmede over de redenen waarom ze eventueel verkeersbeheersmaatregelen hebben getroffen.
3.De nationale regelgevende instanties delen met Berec updates over hun belangrijkste praktijken en nationale bevindingen met betrekking tot open-internettoegang op basis van de overeenkomstig lid 2 ontvangen informatie. Op basis van de informatie van de nationale regelgevende instanties publiceert Berec uiterlijk 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens om de twee jaar een verslag over de belangrijkste praktijken en bevindingen met betrekking tot open-internettoegang in de Unie.
4.Uiterlijk [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] publiceert Berec, in nauwe samenwerking met de Commissie, een gemeenschappelijk model dat moet worden gebruikt om de krachtens lid 2 vereiste informatie te verzamelen.
5.Berec stelt na raadpleging van de belanghebbenden en in nauwe samenwerking met de Commissie, richtsnoeren vast voor de uitvoering van de verplichtingen van de nationale regelgevende instanties uit hoofde van dit artikel. In de richtsnoeren worden ook de relevante parameters voor de kwaliteit van de dienstverlening voor internettoegangsdiensten gespecificeerd, met inbegrip van parameters voor het in artikel 97, lid 4, tweede alinea, bedoelde monitoringmechanisme, parameters die relevant zijn voor eindgebruikers met een handicap, de toepasselijke meetmethoden, de inhoud en het formaat van de informatie, zoals bepaald in bijlage III en van de publicatie zoals bepaald in bijlage IV, en kwaliteitscertificeringsmechanismen. De relevante parameters voor eindgebruikers met een handicap moeten ook parameters voor voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiediensten omvatten.
De nationale regelgevende instanties houden rekening met de richtsnoeren van Berec bij de handhaving van de verplichtingen inzake de kwaliteit van de diensten.
6.3.TITEL III: RECHTEN VAN DE EINDGEBRUIKER
6.3.1.Hoofdstuk I: Rechten van de consument
Artikel 95
Informatievereisten voor contracten
1.Voordat een consument door een overeenkomst of een daarmee overeenstemmend aanbod is gebonden, verstrekken aanbieders van internettoegangsdiensten of van voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiediensten, in aanvulling op de vereisten uit hoofde van Richtlijn 2011/83/EU, de in bijlage III bij deze verordening vermelde informatie voor zover die informatie betrekking heeft op een dienst die zij verlenen.
De informatie wordt op een duidelijke en begrijpelijke manier verstrekt op een duurzame gegevensdrager zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 10), van Richtlijn 2011/83/EU of, indien zulks op een duurzame drager niet haalbaar is, in een door de aanbieder beschikbaar gesteld document dat gemakkelijk kan worden gedownload. De aanbieder brengt de beschikbaarheid van dat document en het belang van het downloaden ervan met het oog op documentatie, raadpleging achteraf en ongewijzigde reproductie uitdrukkelijk onder de aandacht van de consument.
De informatie wordt desgevraagd verstrekt in een formaat dat toegankelijk is voor eindgebruikers met een handicap, overeenkomstig de toegankelijkheidseisen van bijlage I bij Richtlijn (EU) 2019/882.
2.Aanbieders van internettoegangsdiensten of voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiediensten verstrekken consumenten een beknopte en gemakkelijk leesbare samenvatting van het contract. Die samenvatting vermeldt de belangrijkste elementen van de overeenkomstig lid 1 vereiste informatie. Die belangrijkste elementen omvatten ten minste:
(a)de naam, het adres en de contactgegevens van de aanbieder en, indien verschillend, de contactgegevens voor het indienen van een klacht;
(b)de belangrijkste kenmerken van elke dienst die wordt verleend;
(c)de respectieve prijzen voor het activeren van de elektronischecommunicatiedienst en voor terugkerende of verbruiksgerelateerde kosten, ingeval de dienst wordt verleend tegen rechtstreekse betaling;
(d)de looptijd van het contract en de voorwaarden voor verlenging en opzegging;
(e)de mate waarin producten en diensten afgestemd zijn op eindgebruikers met een handicap;
(f)in verband met internettoegangsdiensten, een samenvatting van de op grond van punten d) en e), van afdeling 5 van bijlage III, vereiste informatie.
De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin een model van een samenvatting van het contract wordt gespecificeerd dat door de aanbieders moet worden gebruikt om te voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van dit lid.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 199, lid 4, bedoelde procedure vastgesteld.
Aanbieders waarop de verplichtingen uit hoofde van lid 1 van toepassing zijn, vullen de vereiste informatie in dit model van een samenvatting van het contract in en verstrekken de samenvatting van het contract, voordat de consument door het contract of enig aanbod wordt gebonden, kosteloos aan de consumenten; dit geldt ook voor contracten op afstand. Indien het op dat moment om objectieve technische redenen niet mogelijk is de samenvatting van het contract te verstrekken, wordt deze onverwijld daarna verstrekt, en voordat de consument door het contract of enig aanbod wordt gebonden.
3.De in de leden 1 en 2 bedoelde informatie vormt een integraal onderdeel van het contract en wordt niet gewijzigd, tenzij de partijen uitdrukkelijk anders overeenkomen.
4.Wanneer de aanbieder heeft voldaan aan de informatievereisten overeenkomstig de leden 1 en 2, wordt hij geacht te hebben voldaan aan de informatievereisten in artikel 5, lid 1, punt a) of artikel 6, lid 1, punt a), artikel 5, lid 1, punt b) of artikel 6, lid 1, punt b en artikel 6, lid 1, punt c), artikel 5, lid 1, punt c) of artikel 6, lid 1, punt e), artikel 5, lid 1, punt f), artikel 6, lid 1, punt o) en artikel 6, lid 1, punt p), en de eerste alinea van artikel 8, lid 2, van Richtlijn 2011/83/EU.
5.Indien internettoegangsdiensten of voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiediensten op basis van tijd of verbruikt volume gefactureerd worden, bieden de aanbieders daarvan consumenten een faciliteit om het gebruik en de kosten van elke dienst te bewaken en te beheersen. Die faciliteit omvat toegang tot tijdige informatie over het verbruiksniveau van de diensten die tot het tariefplan behoren. Met name stellen de aanbieders de consumenten in kennis voordat er in hun tariefplan verbruikslimieten zijn bereikt en wanneer een daarin opgenomen dienst volledig is verbruikt.
6.Aanbieders bieden consumenten in voorkomend geval kosteloos het basisniveau van een gespecificeerde factuur aan, zodat de consumenten:
(a)de kosten van het gebruik van internettoegangsdiensten of nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten kunnen verifiëren en controleren;
(b)adequaat toezicht kunnen houden op hun gebruik en uitgaven, en zodoende een redelijke mate van controle over hun facturen behouden.
Dergelijke gespecificeerde facturen vermelden uitdrukkelijk de naam van de aanbieder en de duur van de diensten waarvoor kosten in rekening worden gebracht wegens het gebruik van betaalnummers, tenzij de consument gevraagd heeft die informatie niet te vermelden.
Gesprekken die kosteloos zijn voor de oproepende eindgebruiker, met inbegrip van gesprekken met hulplijnen, hoeven niet op de gespecificeerde factuur van de oproepende consument te worden vermeld.
Consumenten hebben het recht niet-gespecificeerde facturen te ontvangen. De rechten van consumenten die gespecificeerde facturen ontvangen, worden in overeenstemming gebracht met het recht op privacy van oproepende consumenten en opgeroepen consumenten, onder meer door ervoor te zorgen dat deze consumenten over voldoende alternatieve methoden voor communicatie of betaling beschikken die de privacy verbeteren.
7.Lidstaten mogen in hun nationale wetgeving inzake consumentenbescherming geen bepalingen handhaven of invoeren die afwijken van dit artikel, met inbegrip van meer of minder strikte bepalingen die een ander niveau van bescherming moeten waarborgen. Dit doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om bepalingen inzake aanvullende faciliteiten uit hoofde van Richtlijn (EU) 2018/1972 te handhaven.
Artikel 96
Transparantie
1.Wanneer aanbieders van internettoegangsdiensten of voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiediensten het aanbieden van die diensten aan consumenten aan voorwaarden onderwerpen, publiceren zij de in bijlage IV bij deze verordening bedoelde informatie op een duidelijke, volledige, machineleesbare wijze en in een formaat dat toegankelijk is voor eindgebruikers met een handicap, overeenkomstig de toegankelijkheidsvoorschriften van bijlage I bij Richtlijn (EU) 2019/882. Die informatie wordt regelmatig bijgewerkt.
2.Lidstaten mogen in hun nationale wetgeving inzake de bescherming van eindgebruikers geen bepalingen handhaven of invoeren die afwijken van dit artikel, met inbegrip van meer of minder strikte bepalingen die een ander niveau van bescherming moeten waarborgen.
Artikel 97
Looptijd en opzegging van contracten
1.De voorwaarden en procedures voor de beëindiging van het contract mogen het overstappen naar een andere dienstverlener niet ontmoedigen. In contracten tussen consumenten en aanbieders van andere voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten dan nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten en dan transmissiediensten voor het verlenen van intermachinale diensten, mag geen verbintenisperiode van meer dan 24 maanden worden vastgelegd. Dit doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om bepalingen te handhaven die kortere maximale contractuele verbintenisperioden voorschrijven.
Dit lid is niet van toepassing op de looptijd van een contract op afbetaling, waarbij de consument uitsluitend voor een fysieke aansluiting, in het bijzonder op een gigabitnetwerk, een afzonderlijk contract heeft gesloten waarbij in termijnen wordt betaald. Een contract op afbetaling voor een fysieke aansluiting omvat geen eindapparatuur zoals een router of modem en belet de consument niet zijn rechten uit hoofde van de leden 2 tot en met 6 uit te oefenen.
2.Indien een contract of het nationaal recht voorziet in automatische verlenging van een vaste looptijd voor andere elektronischecommunicatiediensten dan nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten en dan transmissiediensten voor het verlenen van intermachinale diensten, hebben eindgebruikers na een dergelijke verlenging het recht het contract op elk willekeurig moment op te zeggen met een opzeggingstermijn van maximaal één maand, zonder andere kosten dan de vergoeding voor de ontvangst van de dienstverlening tijdens de opzeggingstermijn. Voordat het contract automatisch wordt verlengd, informeren de aanbieders de consumenten tijdig, op een in het oog springende wijze en op een duurzame drager over het einde van de contractuele verbintenis en over de middelen om het contract te beëindigen. Tegelijk geeft de aanbieder de consumenten ook advies over de voordeligste tarieven met betrekking tot zijn diensten.
3.Consumenten hebben het recht hun contract zonder extra kosten op te zeggen wanneer zij op de hoogte worden gesteld van wijzigingen in de voorwaarden die worden voorgesteld door de aanbieder van andere voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten dan nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten, tenzij de voorgestelde wijzigingen uitsluitend in het voordeel zijn van de consument, van strikt administratieve aard zijn en geen negatieve gevolgen hebben voor de consument, of rechtstreeks worden opgelegd door het Unierecht of het nationale recht.
Aanbieders brengen de consumenten ten minste één maand vooraf op de hoogte van wijzigingen aan de contractvoorwaarden en informeren hen tegelijkertijd over hun recht om hun contract zonder extra kosten op te zeggen indien zij de nieuwe voorwaarden niet aanvaarden. Het recht om het contract te beëindigen mag worden uitgeoefend binnen één maand na de kennisgeving. De kennisgeving gebeurt op duidelijke en begrijpelijke wijze via een duurzame drager.
4.Elke significante voortdurende of regelmatig voorkomende discrepantie tussen de werkelijke prestaties van een elektronischecommunicatiedienst niet zijnde een internettoegangsdienst noch een nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst enerzijds en de in het contract vermelde prestaties anderzijds, wordt beschouwd als een reden voor de uitoefening van de rechtsmiddelen waarover de consument beschikt in overeenstemming met het nationaal recht, waaronder het recht om het contract kosteloos op te zeggen.
Voor een internettoegangsdienst wordt elke voortdurende of regelmatig voorkomende significante discrepantie tussen de werkelijke prestaties van de internettoegangsdienst ten aanzien van snelheid of andere parameters voor de kwaliteit van de dienstverlening en de prestaties die de aanbieder van internettoegangsdiensten overeenkomstig de punten a) tot en met d), van afdeling 5 van bijlage III heeft aangegeven, indien de betreffende feiten zijn vastgesteld door een in de in artikel 94, lid 5 genoemde Berec-richtsnoeren gespecificeerde en door de nationale regelgevende instantie gecertificeerd monitoringmechanisme, als tekortkoming in de nakoming beschouwd met het oog op het activeren van de rechtsmiddelen waarover de consument overeenkomstig het nationale recht beschikt.
5.Ingeval deze verordening, dan wel andere bepalingen van het Unierecht of het nationale recht, de consument toestaan een contract voor andere voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten dan nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten vóór afloop van de overeengekomen contracttermijn op te zeggen, is de consument geen andere vergoeding verschuldigd dan die voor het in bezit houden van de gesubsidieerde eindapparatuur.
Ingeval de consument de eindapparatuur wenst te behouden die bij de sluiting van het contract aan dat contract werd gekoppeld, bedraagt de verschuldigde vergoeding niet meer dan de waarde pro rata temporis daarvan zoals overeengekomen op het ogenblik dat het contract werd gesloten of het resterende gedeelte van de servicevergoeding tot het aflopen van het contract, al naargelang welk bedrag het laagst is.
De aanbieder heft eventuele voorwaarden voor het gebruik van die eindapparatuur op andere netwerken kosteloos op, ten laatste bij de betaling van die vergoeding.
6.Lidstaten mogen in hun nationale wetgeving inzake de bescherming van eindgebruikers geen bepalingen handhaven of invoeren die afwijken van dit artikel, met inbegrip van meer of minder strikte bepalingen die een ander niveau van bescherming moeten waarborgen. Dit doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om de in lid 1 bedoelde bepalingen te handhaven.
Artikel 98
Gebundelde aanbiedingen
1.Indien een aan een consument aangeboden bundel van diensten of bundel van diensten en eindapparatuur ten minste een internettoegangsdienst of een voor het publiek beschikbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiedienst omvat, zijn artikel 95, lid 2, artikel 96, lid 1, artikel 97 en artikel 100, lid 1, van overeenkomstige toepassing op alle elementen van de bundel, ook op de elementen die anders niet onder die bepalingen vallen.
2.Indien de consument op grond van het Unierecht of van het nationaal recht overeenkomstig het Unierecht, het recht heeft enig onderdeel van de bundel zoals bedoeld in lid 1, vóór het einde van de overeengekomen contracttermijn op te zeggen vanwege non-conformiteit met de overeenkomst of leveringsverzuim, heeft de consument het recht om het contract ten aanzien van alle elementen van de bundel te beëindigen.
3.Een abonnement op aanvullende diensten of eindapparatuur die door dezelfde aanbieder van internettoegangsdiensten of voor het publiek beschikbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten worden verstrekt of verspreid, leidt niet tot de verlenging van de oorspronkelijke geldigheidsduur van het bestaande contract waaraan die diensten of eindapparatuur worden toegevoegd, tenzij de consument uitdrukkelijk iets anders overeenkomt wanneer hij een abonnement neemt op de aanvullende diensten of eindapparatuur.
4.Lidstaten mogen in hun nationale wetgeving inzake de bescherming van eindgebruikers geen bepalingen handhaven of invoeren die afwijken van dit artikel, met inbegrip van meer of minder strikte bepalingen die een ander niveau van bescherming moeten waarborgen.
Artikel 99
Rechten voor micro-ondernemingen, kleine en middelgrote ondernemingen of organisaties zonder winstoogmerk
Artikel 95, artikel 97, lid 1, artikel 98, lid 1, en artikel 98, lid 3, gelden ook voor eindgebruikers die micro-ondernemingen of organisaties zonder winstoogmerk zijn, tenzij zij er expliciet mee hebben ingestemd dat de in die bepalingen vastgelegde rechten niet of slechts gedeeltelijk van toepassing zijn. Artikel 97, lid 2, artikel 97, lid 3, en artikel 97, lid 5, gelden ook voor eindgebruikers die micro-ondernemingen, kleine en middelgrote ondernemingen of organisaties zonder winstoogmerk zijn, tenzij zij er expliciet mee hebben ingestemd dat de in die bepalingen vastgelegde rechten niet of slechts gedeeltelijk van toepassing zijn.
6.3.2.HOOFDSTUK II: Rechten van eindgebruikers
Artikel 100
Overstap naar een andere aanbieder en nummerportabiliteit
1.In geval van overstap naar een andere aanbieder van internettoegangsdiensten verstrekken de betrokken aanbieders de eindgebruiker vóόr en tijdens het overstapproces toereikende informatie en waarborgen zij de continuïteit van de internettoegangsdienst, tenzij dit technisch niet haalbaar is. De ontvangende aanbieder zorgt ervoor dat de internettoegangsdienst zo snel mogelijk wordt geactiveerd op de datum en binnen het tijdsbestek die uitdrukkelijk met de eindgebruiker zijn overeengekomen. De overdragende aanbieder blijft zijn internettoegangsdienst onder dezelfde voorwaarden aanbieden tot de ontvangende aanbieder zijn internettoegangsdienst activeert. Tijdens het overstapproces mag de dienst niet langer dan één werkdag worden onderbroken.
De nationale regelgevende instanties zorgen ervoor dat het overstapproces efficiënt en eenvoudig is voor de eindgebruiker.
2.Eindgebruikers met nummers van het nationale nummerplan hebben het recht om, op verzoek, hun nummers te behouden, ongeacht de onderneming die de dienst levert. Dit recht is van toepassing:
(a)in het geval van geografische nummers, op een specifieke locatie;
(b)in het geval van niet-geografische nummers, voor elke locatie.
Het recht dat in de eerste alinea is vastgelegd, is niet van toepassing op de overdraagbaarheid van nummers tussen netwerken die diensten leveren op een vaste locatie en mobiele netwerken.
3.Wanneer een eindgebruiker een contract opzegt, heeft hij het recht om een nummer uit het nationale nummerplan over te dragen naar dezelfde of een andere aanbieder gedurende minimaal één maand na de datum van opzegging, tenzij de eindgebruiker afstand doet van dit recht.
4.De nationale regelgevende instanties zorgen ervoor dat de prijsstelling onder aanbieders met betrekking tot het aanbieden van nummerportabiliteit op de kosten gebaseerd is en dat de eindgebruiker geen directe kosten moet betalen.
5.Nummers worden binnen een zo kort mogelijk tijdsbestek overgedragen en geactiveerd op de datum die uitdrukkelijk met de eindgebruiker is overeengekomen. De activering van het nummer van eindgebruikers die een overeenkomst hebben gesloten om een nummer over te dragen naar een nieuwe aanbieder, vindt hoe dan ook plaats binnen één werkdag na de met de eindgebruiker overeengekomen datum. Indien het overdrachtsproces mislukt, reactiveert de overdragende aanbieder het nummer en de daarmee verbonden diensten van de eindgebruiker tot de overdracht is gelukt. De overdragende aanbieder blijft zijn diensten onder dezelfde voorwaarden aanbieden tot de diensten van de ontvangende aanbieder geactiveerd zijn. Hoe dan ook mag de dienst tijdens het proces van overstappen van aanbieder en overdragen van nummers niet langer dan één werkdag worden onderbroken. Exploitanten van wie de toegangsnetwerken of -faciliteiten door de overdragende of de ontvangende aanbieder, of beiden, worden gebruikt, zorgen ervoor dat er geen dienstonderbreking plaatsvindt waardoor het overstap- en overdrachtsproces vertraging oplopen.
6.De ontvangende aanbieder leidt het overstap- en overdrachtsproces, beschreven in de leden 1 en 5, en de ontvangende en de overdragende aanbieder werken te goeder trouw samen. Zij veroorzaken geen vertraging of misbruik van de overstap- en overdrachtsprocessen en evenmin dragen zij nummers over of zetten zij eindgebruikers over zonder uitdrukkelijke toestemming van die eindgebruikers. De contracten tussen de eindgebruikers en de overdragende aanbieder worden automatisch opgezegd wanneer het overstapproces is afgerond.
Uiterlijk [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] stelt Berec, na raadpleging van de belanghebbenden en in nauwe samenwerking met de Commissie, richtsnoeren vast waarin de details van de overstap- en overdrachtsprocessen worden gespecificeerd, rekening houdend met de technische haalbaarheid en de noodzaak om de continuïteit van de dienstverlening aan de eindgebruikers te handhaven. In de richtsnoeren wordt ook de vergoedingsprocedure van eindgebruikers door hun aanbieders beschreven in geval van vertragingen bij of misbruik van overdrachts- en overstapprocessen, gemiste onderhouds- en installatieafspraken of niet-naleving door de aanbieder van de in dit artikel vastgestelde verplichtingen. De nationale regelgevende instanties stellen de details van het overstap- en overdrachtsproces vast met inachtneming van de Berec-richtsnoeren. Dit houdt, waar dat technisch haalbaar is, een vereiste in dat stelt dat het proces voor het overdragen van nummers moet verlopen via etherdistributie, tenzij anders gevraagd door een eindgebruiker.
De nationale regelgevende instanties nemen ook passende maatregelen om ervoor te zorgen dat eindgebruikers gedurende het gehele overstap- en overdrachtsproces goed worden geïnformeerd en worden beschermd, en er geen verandering van aanbieder plaatsvindt tegen hun wil.
Bij vooruitbetaalde diensten betaalt de overdragende aanbieder op verzoek eventueel resterende tegoeden terug aan de consument. Voor restitutie kan slechts een vergoeding worden gevraagd indien dit in het contract is vermeld. Een dergelijke vergoeding is evenredig en staat in verhouding tot de werkelijke kosten die de overdragende aanbieder heeft gemaakt om de restitutie aan te bieden.
7.Lidstaten mogen in hun nationale wetgeving inzake de bescherming van eindgebruikers geen bepalingen handhaven of invoeren die afwijken van dit artikel, met inbegrip van meer of minder strikte bepalingen die een ander niveau van bescherming moeten waarborgen. Dit laat het recht van de lidstaten om voorschriften vast te stellen of te handhaven ten aanzien van de compensatie van eindgebruikers door hun aanbieders onverlet voor het geval een aanbieder niet aan de verplichtingen van dit artikel voldoet, alsook in geval van vertragingen bij of misbruik met betrekking tot de overstap- en overdrachtsprocessen, en gemiste onderhouds- en installatieafspraken.
Artikel 101
Vrijstelling met betrekking tot bepaalde micro-ondernemingen
Met uitzondering van artikel 102 is deze titel niet van toepassing op micro-ondernemingen die nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten verstrekken, tenzij zij tevens andere elektronischecommunicatiediensten verstrekken.
Alvorens een contract te sluiten, informeert een micro-onderneming die een dergelijke vrijstelling geniet de eindgebruikers over de vrijstelling uit hoofde van de eerste alinea.
Artikel 102
Non-discriminatie
Aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten passen voor eindgebruikers geen andere eisen of algemene voorwaarden voor toegang tot of gebruik van netwerken of diensten toe, tenzij dit binnen de grenzen van het Unierecht gerechtvaardigd is.
6.3.3.HOOFDSTUK III: Faciliteiten en functionaliteiten voor eindgebruikers
Artikel 103
Eindgebruikers beschermen tegen frauduleuze activiteiten
1.Aanbieders van internettoegangsdiensten en van voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiediensten werken samen met de nationale bevoegde instanties om doeltreffende maatregelen vast te stellen ter voorkoming van frauduleuze activiteiten waarbij gebruik wordt gemaakt van die diensten, die gevolgen hebben voor eindgebruikers, waarbij de volledige naleving van de Uniewetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens wordt gewaarborgd.
2.Het ODN verzamelt bij nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties, relevante Europese en mondiale organisaties en belanghebbenden, waaronder Europol en Enisa, informatie over frauduleuze activiteiten die worden gepleegd door gebruik te maken van de in lid 1 bedoelde diensten, met name over activiteiten van grensoverschrijdende aard.
3.Berec vaardigt, na raadpleging van het Europees Comité voor gegevensbescherming en Enisa, richtsnoeren uit over technische en wettelijke maatregelen die eindgebruikers doeltreffend kunnen beschermen tegen frauduleuze activiteiten in de Unie, met name maatregelen die berusten op de bevoegdheid van nationale regelgevende instanties of bevoegde instanties om nummers en diensten te blokkeren overeenkomstig artikel 52, lid 2. De eerste van deze Berec-richtsnoeren worden [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] vastgesteld. Berec actualiseert de richtsnoeren wanneer dat nodig is, maar ten minste om de twee jaar na de vaststelling ervan.
4.De nationale bevoegde instanties nemen maatregelen om frauduleuze activiteiten te voorkomen door gebruik te maken van de in lid 1 bedoelde diensten, rekening houdend met de krachtens lid 3 uitgevaardigde richtsnoeren.
5.De Commissie kan overeenkomstig artikel 198 gedelegeerde handelingen vaststellen ter aanvulling van lid 3 van dit artikel met betrekking tot de maatregelen die nodig zijn om de doeltreffendheid, coördinatie en complementariteit van fraudepreventiemaatregelen binnen de Unie te waarborgen.
Artikel 104
Meldpunten voor vermiste kinderen en kinderhulplijnen
1.Aanbieders van nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten zorgen ervoor dat eindgebruikers, met inbegrip van eindgebruikers met een handicap, kosteloos toegang hebben tot de dienst die een telefonisch meldpunt beheert om gevallen van vermiste kinderen te melden. Eindgebruikers die binnen de Unie reizen, hebben gratis toegang tot de dienst van het bezochte land. Het meldpunt is bereikbaar op het nummer 116000.
2.De lidstaten nemen passende maatregelen opdat de instantie of de onderneming waaraan het nummer 116000 is toegekend, voldoende middelen toewijst voor het functioneren van het meldpunt.
3.De lidstaten en de Commissie zorgen ervoor dat eindgebruikers naar behoren worden geïnformeerd over het bestaan en het gebruik van de diensten die in het kader van de nummers 116000 en, waar passend, 116111 worden verleend.
Artikel 105
Verspreiding van informatie van algemeen belang
Aanbieders van internettoegangsdiensten of voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiediensten verstrekken indien nodig kosteloos informatie van algemeen belang aan bestaande en nieuwe eindgebruikers met de middelen waarmee zij doorgaans met eindgebruikers communiceren. Die informatie van algemeen belang wordt door de bevoegde openbare instanties in een gestandaardiseerde vorm aangeleverd en heeft, onder meer, betrekking op de volgende punten:
(a)vormen van gebruik van internettoegangsdiensten en voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiediensten voor onwettige activiteiten of de verspreiding van schadelijke inhoud, met name waar dit de eerbiediging van de rechten en vrijheden van derden kan aantasten, inclusief schendingen van gegevensbeschermingsrechten, het auteursrecht en hiermee samenhangende rechten;
(b)de middelen ter bescherming tegen risico’s voor de persoonlijke veiligheid, de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens bij het gebruik van internettoegangsdiensten en voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiediensten, met inbegrip van bescherming tegen frauduleuze activiteiten waarbij gebruik wordt gemaakt van die diensten.
Artikel 106
Noodcommunicatie en het uniforme Europese alarmnummer
1.Aanbieders van voor het publiek beschikbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten bieden eindgebruikers toegang tot noodhulpdiensten via noodcommunicatie in opdracht van de lidstaat. Deze noodcommunicatie wordt kosteloos en zonder gebruik te hoeven maken van enig betaalmiddel verstrekt, onder meer door gebruik te maken van het uniforme Europese alarmnummer “112” en eventuele nationale alarmnummers zoals bepaald door de lidstaten.
Aanbieders van noodcommunicatie zorgen ervoor dat alarmcentrales eindgebruikers die de noodcommunicatie hebben geïnitieerd, kosteloos kunnen terugbellen of een interpersoonlijke communicatie tot stand kunnen brengen door gebruik te maken van dezelfde interpersoonlijke communicatiedienst als die waarmee contact met hen is opgenomen, en wanneer dit economisch niet haalbaar is, tegen een retailprijs die niet hoger is dan de binnenlandse retailprijs van de aanbieder die de alarmcentrale bedient.
De lidstaten kunnen toegang tot noodhulpdiensten via noodcommunicatie met gebruik van nummeronafhankelijke persoonlijke communicatiediensten opleggen zolang het nationale alarmsysteem het mogelijk maakt deze communicatie naar de meest geschikte alarmcentrale door te schakelen en informatie over de locatie van de oproeper te ontvangen.
Aanbieders van elektronischecommunicatiediensten die niet voor het publiek beschikbaar zijn, maar die oproepen naar openbare elektronischecommunicatienetwerken mogelijk maken, zorgen voor toegang tot noodhulpdiensten door het uniforme Europese alarmnummer “112” te gebruiken wanneer er geen alternatieve en gemakkelijke toegang tot noodhulpdiensten beschikbaar is.
2.Uiterlijk 24 maanden na de vaststelling van de in lid 8 bedoelde gedelegeerde handeling zorgen de lidstaten ervoor dat eindgebruikers noodcommunicatie kunnen initiëren door middel van een mobiele applicatie in combinatie met de Europese portemonnees voor digitale identiteit die zijn afgegeven op grond van Verordening (EU) nr. 910/2014.
3.De in lid 1 bedoelde aanbieders van persoonlijke elektronischecommunicatiediensten voeren de technische en organisatorische maatregelen uit om te zorgen voor doeltreffende noodcommunicatie voor hun eindgebruikers die binnen de Unie reizen.
4.Aanbieders van interpersoonlijke communicatiediensten en nationale alarmsystemen zorgen ervoor dat noodcommunicatie en informatie over de locatie van de oproeper onverwijld worden doorgestuurd naar de meest geschikte alarmcentrale. De nationale alarmorganisaties zorgen ervoor dat alle noodcommunicatie, ook wanneer het uniforme Europese alarmnummer “112” wordt gebruikt, naar behoren wordt beantwoord en afgehandeld.
5.De in lid 1 bedoelde aanbieders zorgen ervoor dat de toegang voor eindgebruikers met een handicap tot noodhulpdiensten via noodcommunicatie beschikbaar en gelijkwaardig is aan die van andere eindgebruikers, overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/882.
Bij het verplicht stellen van middelen voor toegang tot noodhulpdiensten via noodcommunicatie voor eindgebruikers met een handicap zorgen de lidstaten ervoor dat, voor zover technisch haalbaar, aan de volgende eisen inzake functionele gelijkwaardigheid wordt voldaan:
(a)de noodcommunicatie maakt interactieve tweerichtingscommunicatie mogelijk tussen de eindgebruiker met een handicap en de alarmcentrale;
(b)de noodcommunicatie is op naadloze wijze beschikbaar, zonder voorafgaande registratie, voor eindgebruikers met een handicap die binnen de Unie reizen;
(c)de noodcommunicatie wordt kosteloos verstrekt aan eindgebruikers met een handicap;
(d)de noodcommunicatie wordt onverwijld doorgeschakeld naar de meest geschikte alarmcentrale die gekwalificeerd en uitgerust is om de noodcommunicatie van eindgebruikers met een handicap adequaat te beantwoorden en te verwerken;
(e)voor eindgebruikers met een handicap wordt een gelijkwaardig niveau van nauwkeurigheid en betrouwbaarheid van de informatie over de locatie van de beller gewaarborgd als bij noodoproepen door andere eindgebruikers;
(f)eindgebruikers met een handicap worden in staat gesteld om ten minste in dezelfde mate bekend te raken met de middelen voor toegang tot noodhulpdiensten via noodcommunicatie als andere eindgebruikers bekend kunnen raken met noodoproepen naar “112”, hetzij door het ontwerp van de toegangsmiddelen, hetzij door middel van bewustmakingsmaatregelen.
6.Aanbieders van noodcommunicatie zorgen ervoor dat informatie over de locatie van de oproeper na het tot stand brengen van de noodcommunicatie onverwijld beschikbaar wordt gesteld aan de meest geschikte alarmcentrale. Die informatie omvat zowel netwerkgebaseerde locatiegegevens als, waar de radioapparatuur deze beschikbaar maken voor overdracht, handsetgebaseerde informatie over de locatie van de oproeper. Aanbieders van noodcommunicatie zorgen ervoor dat de vaststelling en de overdracht van de informatie over de locatie van de oproeper kosteloos is voor de eindgebruiker en de alarmcentrale met betrekking tot alle noodoproepen naar het uniforme Europese alarmnummer “112”. Alarmorganisaties zorgen ervoor dat de technische en organisatorische maatregelen worden genomen om de locatiegegevens over de beller te ontvangen en te verwerken. De lidstaten kunnen deze verplichtingen uitbreiden tot noodcommunicatie met nationale alarmnummers.
7.De lidstaten zorgen ervoor dat eindgebruikers, met inbegrip van roamende eindgebruikers, en eindgebruikers met een handicap adequaat worden geïnformeerd over de middelen voor toegang tot noodhulpdiensten via noodcommunicatie, onder meer door gebruik te maken van het uniforme Europese alarmnummer “112”, alsook over de middelen voor toegang voor eindgebruikers met een handicap. Die informatie wordt verstrekt in toegankelijke formaten, waarbij rekening wordt gehouden met verschillende soorten handicaps, overeenkomstig de toegankelijkheidsvoorschriften van bijlage I bij Richtlijn (EU) 2019/882. De Commissie ondersteunt maatregelen van de lidstaten en vult deze aan.
8.De Commissie kan overeenkomstig artikel 198 gedelegeerde handelingen vaststellen tot aanvulling van de leden 1 tot en met 3, 5 en 6 van dit artikel door de nodige maatregelen vast te stellen om doeltreffende noodcommunicatie in de Unie te waarborgen met betrekking tot technische specificaties, om het initiëren van noodcommunicatie door middel van een mobiele applicatie in combinatie met de Europese portemonnee voor digitale identiteit, oplossingen voor informatie over de locatie van de oproeper, geharmoniseerde Europese criteria voor de locatie van de oproeper, gelijkwaardige toegang voor eindgebruikers met een handicap en doorschakeling naar de meest geschikte alarmcentrale mogelijk te maken.
9.De lidstaten melden de E.164-nummers om contact op te nemen met de alarmsystemen van de lidstaat aan het ODN. Berec, bijgestaan door het ODN, zorgt voor het opzetten en bijhouden van een databank met de nummers die de alarmsystemen van de lidstaten gebruiken om van lidstaat tot lidstaat contact met elkaar op te nemen.
Artikel 107
Doorgifte van publieke waarschuwingen
1.Aanbieders van mobiele nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten geven publieke waarschuwingen door aan de betrokken eindgebruikers, via de technologie die is voorgeschreven door de lidstaten waar zij de dienst aanbieden, in de geografische gebieden die mogelijk worden getroffen door dreigende of zich ontwikkelende ernstige noodsituaties en rampen tijdens de waarschuwingsperiode, zoals bepaald door de bevoegde instanties.
2.De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met technische bepalingen betreffende de doorgifte van publieke waarschuwingen door middel van een mobiele applicatie in combinatie met de Europese portemonnees voor digitale identiteit die zijn afgegeven op grond van Verordening (EU) nr. 910/2014 aan alle betrokken eindgebruikers, met inbegrip van roamende eindgebruikers. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 199, lid 3, bedoelde procedure vastgesteld.
3.De lidstaten zorgen ervoor dat één jaar na de eerste krachtens lid 3 van dit artikel vastgestelde uitvoeringshandeling ook publieke waarschuwingen aan alle betrokken eindgebruikers worden doorgegeven door middel van een mobiele applicatie in combinatie met de overeenkomstig Verordening (EU) nr. 910/2014 afgegeven Europese portemonnees voor digitale identiteit.
Artikel 108
Weergave en beperking van het oproepende nummer, identificatie van het opgeroepen nummer en identificatie van het initiërende nummer
1.Aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken, voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatie- of internettoegangsdiensten verstrekken de identificatie van het oproepende nummer of van het initiërende nummer.
Zij zorgen ervoor dat de partij die de communicatie initieert met behulp van eenvoudige middelen en kosteloos per oproep kan voorkomen dat het oproepende nummer of de identificatie van het initiërende nummer wordt weergegeven op het punt waar hun spraakcommunicatie eindigt.
2.De aanbieder van het netwerk of de dienst zorgt ervoor dat de ontvangende partij met behulp van eenvoudige middelen en kosteloos — voor een redelijk gebruik van deze functie — in staat is de weergave van de identificatie van het oproepende nummer of het initiërende nummer van inkomende oproepen te voorkomen.
3.Voordat de spraakcommunicatie tot stand wordt gebracht en de identificatie van het oproepende nummer of het initiërende nummer wordt weergegeven, zorgt de dienstverlener ervoor dat de ontvangende partij met behulp van eenvoudige middelen en kosteloos inkomende spraakcommunicatie kan afwijzen wanneer de initiërende partij gebruik heeft gemaakt van haar recht als bedoeld in lid 1.
4.Wanneer de weergave van de identificatie van het opgeroepen nummer als dienst wordt aangeboden, moet de aanbieder van de dienst ervoor zorgen dat de opgeroepen partij met behulp van eenvoudige middelen en kosteloos de weergave van de identificatie van het opgeroepen nummer met wie de oproepende eindgebruiker verbonden wordt, kan verhinderen.
5.De eerste alinea van lid 1 geldt ook voor spraakoproepen vanuit de Unie naar derde landen. De tweede alinea van lid 1, leden 2 tot en met 4 geldt eveneens voor inkomende spraakoproepen vanuit derde landen.
6.Wanneer de weergave van de identificatie van het oproepende of het opgeroepen nummer of van het initiërende nummer wordt weergegeven, informeren de aanbieders van voor het publiek beschikbare internettoegangsdiensten of interpersoonlijke communicatiediensten het publiek hierover en over de in de tweede alinea van lid 1, en de leden 2 tot en met 4 van dit artikel vermelde rechten en de uitzonderingen uit hoofde van artikel 109.
Artikel 109
Uitzonderingen voor het traceren van kwaadwillige of hinderlijke communicatie en noodcommunicatie
1.Het recht van de oproeper of de initiërende partij om de identificatie van het oproepende nummer of het initiërende nummer als bedoeld in artikel 108, lid 2, niet weer te geven, kan tijdelijk door de aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten worden opgeheven om de bevoegde instanties of een eindgebruiker in staat te stellen kwaadwillige of hinderlijke communicatie te traceren na een klacht bij de autoriteiten.
2.De in artikel 108, lid 1, bedoelde aanbieders heffen het voorkomen van de identificatie van het oproepende nummer of het initiërende nummer en de verwerkingslocatiegegevens van de initiërende partij op met het oog op het verstrekken van dergelijke informatie aan de meest geschikte alarmcentrale overeenkomstig artikel 106, lid 6.
Artikel 110
Automatische doorschakeling van oproepen en automatische oproepsystemen
1.Aanbieders van voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiediensten ontwikkelen geavanceerde maatregelen om, op verzoek van de eindgebruiker, de ontvangst van kwaadwillige of hinderlijke oproepen te beperken door kosteloos de volgende mogelijkheden aan te bieden:
(a)het blokkeren, voor zover technisch haalbaar, van inkomende oproepen van specifieke nummers of van anonieme bronnen;
(b)het beëindigen van de automatische doorschakeling van oproepen door een derde naar de eindapparatuur van de eindgebruiker.
2.Aanbieders van interpersoonlijke communicatiediensten die automatische oproepsystemen aanbieden, mogen niet verhinderen dat het oproepende nummer of identificatie van het initiërende nummer op het toestel van de opgeroepen persoon of aan de ontvangende partij wordt weergegeven, en moeten de identiteit of het nummer waarop zij bereikbaar zijn, vermelden.
Artikel 111
Gelijkwaardige toegang en keuzemogelijkheden voor eindgebruikers met een handicap
1.Aanbieders van voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten zorgen ervoor dat eindgebruikers met een handicap:
(a)toegang hebben tot elektronischecommunicatiediensten, met inbegrip van de op grond van artikel 95 verstrekte bijbehorende contractuele gegevens, die gelijkwaardig is aan die van de meerderheid van de eindgebruikers;
(b)wat betreft ondernemingen en diensten, dezelfde keuzemogelijkheden hebben als de meerderheid van de eindgebruikers.
De bevoegde instanties stellen daartoe eisen vast waaraan de aanbieders moeten voldoen.
2.Door middel van de in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen bevorderen de bevoegde instanties de naleving van de relevante overeenkomstig artikel 187 vastgelegde normen en specificaties.
Artikel 112
Interoperabiliteit van autoradio-ontvangers, ontvangers voor radio voor consumenten en digitaletelevisieapparatuur voor consumenten
1.Autoradio-ontvangers en digitale televisieapparatuur voor consumenten zijn interoperabel overeenkomstig bijlage V.
2.Wanneer de lidstaten besluiten maatregelen te nemen om de interoperabiliteit van andere radio-ontvangers voor consumenten te waarborgen, worden dergelijke maatregelen niet toegepast op producten waarbij een radio-ontvanger louter ondersteunend is, zoals smartphones, en op apparatuur die door radioamateurs wordt gebruikt.
3.Aanbieders van digitaletelevisiediensten zorgen ervoor dat, waar nodig, de digitaletelevisieapparatuur die zij aan hun eindgebruikers verstrekken, interoperabel is, zodat die, waar technisch haalbaar, verder kan worden gebruikt voor diensten van andere aanbieders van digitaletelevisiediensten.
Onverminderd artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad hebben eindgebruikers bij de beëindiging van hun contract de mogelijkheid om de digitaletelevisieapparatuur via een kosteloze en gemakkelijke procedure terug te geven, tenzij de aanbieder aantoont dat de digitaletelevisieapparatuur volledig interoperabel is met de digitaletelevisiediensten van andere aanbieders, onder wie ook de aanbieder naar wie de eindgebruiker is overgestapt.
Digitaletelevisieapparatuur die voldoet aan de geharmoniseerde normen waarvan de kenmerken zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, of aan delen daarvan, wordt geacht overeen te komen met de in de tweede alinea bedoelde vereiste van interoperabiliteit, waarop die normen of delen daarvan betrekking hebben.
4.Lidstaten mogen in hun nationale wetgeving inzake de bescherming van eindgebruikers geen bepalingen handhaven of invoeren die afwijken van dit artikel, met inbegrip van meer of minder strikte bepalingen die een ander niveau van bescherming moeten waarborgen.
Artikel 113
Doorgifteverplichtingen
1.De lidstaten kunnen ten aanzien van nader bepaalde radio- en televisieomroepkanalen en daaraan gerelateerde complementaire diensten, met name toegankelijkheidsdiensten om een passende toegang voor eindgebruikers met een handicap en dataondersteunende geconnecteerde televisiediensten en EPG’s mogelijk te maken, aan de onder hun bevoegdheid ressorterende ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aanbieden welke voor de distributie van radio- en televisieomroepkanalen aan het publiek worden gebruikt, redelijke doorgifteverplichtingen opleggen indien die netwerken en diensten voor een significant aantal eindgebruikers ervan het belangrijkste middel zijn om radio- en televisieomroepkanalen te ontvangen. Dergelijke verplichtingen worden alleen opgelegd indien zij noodzakelijk zijn om doelstellingen van algemeen belang als duidelijk omschreven door elke lidstaat te verwezenlijken, en zijn evenredig en transparant.
2.De lidstaten herzien de in lid 1 bedoelde verplichtingen wanneer zich een relevante verandering in de nationale marktomstandigheden voordoet of wanneer de in lid 1 bedoelde doelstellingen van algemeen belang veranderen.
3.Noch lid 1 van dit artikel, noch artikel 65, lid 2, doet afbreuk aan de mogelijkheid voor lidstaten om al dan niet een passende vergoeding vast te stellen voor de overeenkomstig dit artikel genomen maatregelen en er tevens voor te zorgen dat er in vergelijkbare omstandigheden geen sprake is van discriminatie in de behandeling van aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten. Ingeval vergoeding wordt aangeboden zorgen de lidstaten ervoor dat de vergoedingsverplichting en, indien van toepassing, de criteria om die te berekenen, duidelijk in het nationaal recht zijn opgenomen. De lidstaten zorgen ervoor dat dit op evenredige en transparante wijze gebeurt.
Artikel 114
Wijziging van bijlagen IV, V en VI
De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 198 met betrekking tot de wijziging van de bijlagen IV, V en VI, teneinde rekening te houden met technologische en maatschappelijke ontwikkelingen of veranderingen in de marktvraag.
7.DEEL VII — GOVERNANCE
7.1.TITEL I: NATIONALE REGELGEVENDE INSTANTIES EN ANDERE BEVOEGDE INSTANTIES
Artikel 115
Nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties
1.Binnen het toepassingsgebied van deze verordening zijn de nationale regelgevende instanties ten minste verantwoordelijk voor de volgende taken:
(a)de behandeling van de kennisgevingsprocedure en de procedure voor het ene paspoort in het kader van het systeem inzake algemene machtiging;
(b)de uitvoering van marktregulering, met inbegrip van het opleggen van verplichtingen op het gebied van toegang en interconnectie;
(c)het verzamelen van gegevens, onder meer over weerbaarheid en duurzaamheid, die de nationale regelgevende instanties mogelijk nodig hebben om hun taken uit te voeren;
(d)de uitvoering van de maatregelen voor de overstap naar glasvezel, met inbegrip van de vaststelling van de gebieden voor de uitschakeling van kopernetwerken, de beoordeling van en het toezicht op de door de netwerkexploitanten ingediende plannen voor de uitschakeling van kopernetwerken;
(e)ervoor zorgen dat geschillen tussen ondernemingen worden opgelost;
(f)het aanbieden van vrijwillige bemiddeling over samenwerking op het gebied van ecosystemen;
(g)de uitvoering van radiospectrumbeheer en -besluiten, dan wel, indien die taken aan andere bevoegde instanties zijn toegewezen, het nemen van besluiten over de marktvormings- en mededingingselementen van nationale procedures in verband met gebruiksrechten voor radiospectrum ten behoeve van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten;
(h)bijdragen aan de bescherming van de rechten van de eindgebruiker in de elektronischecommunicatiesector, in voorkomend geval in coördinatie met andere bevoegde instanties;
(i)toezicht op en handhaving van open-internettoegang;
(j)toezicht op de ontwikkeling en het niveau van de retailprijzen van de diensten;
(k)zorgen voor nummerportabiliteit;
(l)toewijzing van nummervoorraden en beheer van nummerplannen;
(m)bijstand verlenen op het gebied van paraatheid en weerbaarheid;
(n)het uitvoeren van alle andere taken die door deze verordening of andere wetgeving van de Unie aan nationale regelgevende instanties worden voorbehouden.
2.De nationale regelgevende instanties ondersteunen actief de doelstellingen van Berec om een betere coördinatie en consistentie van de regelgeving te bevorderen.
3.De lidstaten publiceren de namen van de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties en hun respectieve taken uit hoofde van deze verordening in een gemakkelijk toegankelijke vorm.
De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties waaraan krachtens deze verordening taken zijn opgedragen, en van hun onderscheiden verantwoordelijkheden, alsook van eventuele wijzigingen daarvan.
Artikel 116
Onafhankelijkheid van nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties
1.De in artikel 115 bedoelde nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties zijn juridisch gescheiden en functioneel onafhankelijk van natuurlijke of rechtspersonen die netwerken, apparatuur of diensten voor elektronische communicatie aanbieden. Lidstaten die de eigendom van of de zeggenschap over ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aanbieden, behouden, zorgen voor een daadwerkelijke structurele scheiding tussen de regelgevende taken en de met eigendom of zeggenschap verband houdende activiteiten.
2.De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties oefenen hun bevoegdheden op onpartijdige en transparante wijze en tijdig uit. De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties beschikken over voldoende technische, financiële en personele middelen om de hun toegewezen taken uit te voeren.
Artikel 117
Benoeming en ontslag van leden van nationale regelgevende instanties
1.Het hoofd van een nationale regelgevende instantie of, in voorkomend geval, de leden van het collegiale orgaan dat die functie vervult binnen een nationale regelgevende instantie, of hun plaatsvervangers, worden benoemd voor een ambtstermijn van ten minste drie jaar uit personen met een erkende reputatie en beroepservaring, op basis van verdienste, vaardigheden, kennis en ervaring, en na een open en transparante selectieprocedure.
2.Het hoofd van een nationale regelgevende instantie of, in voorkomend geval, de leden van het collegiale orgaan dat die functie vervult binnen een nationale regelgevende instantie, of hun plaatsvervangers, kunnen tijdens hun ambtstermijn alleen worden ontslagen indien zij niet meer aan de vóór hun benoeming in de nationale wetgeving vastgestelde eisen voor de uitoefening van dat ambt voldoen.
3.Het besluit om het hoofd, of, in voorkomend geval, de leden van het collegiale orgaan dat die functie vervult, van de betrokken nationale regelgevende instantie te ontslaan, wordt openbaar gemaakt op het moment van ontslag. Het ontslagen hoofd of, in voorkomend geval, de ontslagen leden van het collegiale orgaan dat die functie vervult, van de nationale regelgevende instantie ontvangen een motivering en hebben het recht de openbaarmaking daarvan te verlangen. Indien die motivering niet openbaar gemaakt is, dan wordt zij op aanvraag van die persoon openbaar gemaakt. Dat besluit kan aan rechterlijke toetsing worden onderworpen, zowel wat feitenkwesties betreft, als wat rechtsvragen betreft.
Artikel 118
Politieke onafhankelijkheid en verantwoordingsplicht van de nationale regelgevende instanties
1.Onverminderd artikel 122, lid 9, treden de nationale regelgevende instanties onafhankelijk en objectief op, ook bij het ontwikkelen van interne procedures en de organisatie van het personeel, functioneren zij op transparante wijze en leggen zij daarvoor overeenkomstig het Unierecht verantwoording af, en vragen of aanvaarden zij geen instructies van andere instanties in verband met de uitoefening van de taken die hun op grond van de nationale wetgeving tot omzetting van het Unierecht zijn toegewezen. Dit vormt geen beletsel voor toezicht overeenkomstig het nationale grondwettelijke recht. Alleen beroepsinstanties die zijn opgezet in overeenstemming met artikel 197, zijn bevoegd besluiten van de nationale regelgevende instanties te schorsen of ongedaan te maken.
De nationale regelgevende instanties brengen jaarlijks verslag uit, ten minste over de toestand van de markt voor elektronische communicatie, over de besluiten die zij nemen, over hun personele en financiële middelen en hoe die middelen worden toegewezen, en over toekomstige plannen. Die verslagen worden openbaar gemaakt.
Artikel 119
Regelgevingscapaciteit van nationale regelgevende instanties
1.De nationale regelgevende instanties hebben een afzonderlijke jaarlijkse begroting en hebben autonomie bij de uitvoering van de toegewezen begroting. Die begrotingen worden openbaar gemaakt.
2.De nationale regelgevende instanties beschikken over voldoende financiële en personele middelen om de hun toegewezen taken uit te voeren en actief deel te nemen en bij te dragen aan de werkzaamheden van Berec. De financiële autonomie vormt geen beletsel voor toezicht of controle overeenkomstig het nationale grondwettelijke recht. Elke controle op de begroting van de nationale regelgevende instanties wordt op een transparante manier uitgevoerd en openbaar gemaakt.
Artikel 120
Samenwerking met nationale instanties en Berec
1.In lidstaten waar er meer dan één verantwoordelijke nationale regelgevende instantie of bevoegde instantie is, werken de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties zo nodig samen en coördineren zij hun werkzaamheden onderling.
Deze instanties verstrekken elkaar de nodige informatie voor de toepassing van deze verordening.
Wat de uitgewisselde informatie betreft, waarborgt de ontvangende instantie dezelfde graad van vertrouwelijkheid als van de verzendende instantie wordt verlangd.
2.Nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties van dezelfde lidstaat of van verschillende lidstaten maken, waar nodig, samenwerkingsafspraken met elkaar ter bevordering van samenwerking op het gebied van regelgeving.
3.Wanneer bevoegdheden uit hoofde van deze verordening of ander Unierecht door de lidstaten aan andere bevoegde instanties worden toegewezen, treden de nationale regelgevende instanties op als nationale coördinatoren en zorgen zij ervoor dat bij alle besprekingen en outputs van Berec ten volle rekening wordt gehouden met de standpunten van de bevoegde instanties.
De nationale regelgevende instanties voorzien met name het ODN van relevante contactpersonen binnen de nationale bevoegde instanties om het in staat te stellen zijn taken uit hoofde van de artikelen 146 en 147 uit te voeren.
7.2.TITEL II: TAKEN EN ORGANISATIE VAN BEREC
Artikel 121
Doelstellingen van Berec
1.Bij deze verordening wordt het Orgaan van Europese regulerende instanties voor elektronische communicatie (“Berec”) opgericht met de in deze verordening neergelegde bevoegdheden. Berec heeft geen rechtspersoonlijkheid en handelt binnen het toepassingsgebied van deze verordening en de Verordeningen (EU) 2022/612 en (EU) 2015/2120.
Berec is de vervanger en opvolger van het bij Verordening (EU) 2018/1971 opgerichte Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (“Berec”).
2.Berec streeft de in artikel 3 vastgestelde doelstellingen na. Berec streeft er met name naar te zorgen voor een consistente toepassing van het regelgevend kader van de Unie voor elektronische communicatie binnen het in lid 1 omschreven toepassingsgebied.
3.Berec voert zijn taken onafhankelijk, onpartijdig, op transparante wijze en tijdig uit.
4.Berec maakt gebruik van de deskundigheid die in de nationale regelgevende instanties en het ODN beschikbaar is.
Artikel 122
Algemene taken van Berec
1.Berec kan de volgende algemene regelgevende en adviserende taken verrichten:
(a)assisteren en adviseren van de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, en samenwerken met de nationale regelgevende instanties en de Commissie, hetzij op verzoek, hetzij op eigen initiatief, met betrekking tot alle technische aangelegenheden inzake elektronische communicatie die tot zijn mandaat behoren;
(b)uitbrengen van adviezen, richtsnoeren en verslagen als bedoeld in de artikelen 124, 125 en 126, alsmede aanbevelingen en gemeenschappelijke standpunten, en verspreiden van beste praktijken op het gebied van regelgeving die gericht zijn aan de nationale regelgevende instanties om de consistente en correcte uitvoering van het regelgevingskader voor elektronische communicatie aan te moedigen.
In voorkomend geval kan de Commissie Berec verzoeken adviezen, richtsnoeren en verslagen uit te brengen, ook al worden deze niet uitdrukkelijk vermeld in de artikelen 124, 125 en 126.
2.Berec evalueert de behoefte aan innovatie op regelgevingsgebied en coördineert het optreden van nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties om de ontwikkeling van nieuwe innovatieve elektronische communicatie mogelijk te maken
3.Wat kwesties met betrekking tot radiospectrum betreft, neemt Berec deel aan de procedure voor de eengemaakte markt van de Unie voor radiospectrum.
4.Berec kan door de Commissie worden geraadpleegd bij de beoordeling van fusies binnen de Uniedimensie in de elektronischecommunicatiesector.
5.Berec bevordert doeltreffende samenwerking tussen aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en ondernemingen die actief zijn in de elektronischecommunicatiesector of nauw verwante sectoren, overeenkomstig artikel 191, lid 2.
6.Berec voert andere taken uit die hem zijn toegewezen bij deze verordening of andere rechtshandelingen van de Unie, met name bij de Verordeningen (EU) 2022/612 en (EU) 2015/2120.
7.Berec maakt zijn taken openbaar en werkt die informatie bij telkens wanneer het nieuwe taken toegewezen krijgt.
8.Berec maakt al zijn definitieve adviezen, richtsnoeren, verslagen, aanbevelingen, gemeenschappelijke standpunten, beste praktijken en in opdracht uitgevoerde studies openbaar, evenals de betreffende ontwerpdocumenten voor het houden van de openbare raadplegingen als bedoeld in lid 10.
9.Onverminderd de naleving van het desbetreffende Unierecht en andere door de Commissie vastgestelde handelingen houden de nationale regelgevende instanties en de Commissie zo veel mogelijk rekening met de richtsnoeren, adviezen, aanbevelingen, gemeenschappelijke standpunten en beste praktijken die door Berec zijn vastgesteld in overeenstemming met deze verordening, met het oog op de consistente toepassing van het regelgevend kader voor elektronische communicatie binnen het in artikel 121 bedoelde toepassingsgebied.
Een nationale regelgevende instantie die afwijkt van de in artikel 125 bedoelde richtsnoeren, geeft hiervoor haar redenen.
10.Zo nodig raadpleegt Berec belanghebbende partijen en geeft het hun de gelegenheid opmerkingen te maken binnen een naar de complexiteit van de materie te bepalen redelijke termijn. Die raadplegingen vinden zo vroeg mogelijk in het besluitvormingsproces plaats. Die termijn mag, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, niet korter zijn dan dertig dagen. Onverminderd artikel 169 stelt Berec de resultaten van dergelijke openbare raadplegingen ter beschikking van het publiek.
11.Berec houdt indien nodig raadplegingen en vraagt advies aan en werkt samen met de betreffende nationale instanties, waaronder de voor mededinging, consumentenbescherming, cyberbeveiliging en gegevensbescherming bevoegde instanties.
12.Berec kan indien nodig samenwerken met bevoegde organen, instanties, agentschappen, en adviesgroepen van de Unie, alsook met de bevoegde instanties van derde landen en internationale organisaties, in overeenstemming met artikel 166, lid 1.
Artikel 123
Analyse, monitoring en verzameling van informatie
1.Berec analyseert potentiële transnationale markten als bedoeld in artikel 74 en de transnationale vraag van eindgebruikers als bedoeld in artikel 75.
2.Berec bevordert de modernisering, coördinatie en normalisatie van de gegevensverzameling door de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties. Berec stelt deze gegevens in een open, herbruikbaar en machineleesbaar formaat ter beschikking van het publiek op zijn website en op de digitale toegangspoort van de EU.
3.Berec zorgt voor het opzetten en onderhouden van databanken van:
(a)de kennisgevingen die overeenkomstig artikel 10, lid 8, van deze verordening door aan een algemene machtiging onderworpen aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan de bevoegde instanties zijn toegezonden;
(b)de nummervoorraden met recht op extraterritoriaal gebruik binnen de Unie, in overeenstemming met artikel 48, lid 4, vierde alinea;
(c)de E.164-nummers van de alarmcentrales van de lidstaten, overeenkomstig artikel 106, lid 9;
(d)de databanken overeenkomstig Verordening (EU) 2022/618.
Artikel 124
Adviezen van Berec
1.Berec brengt niet-bindende adviezen uit als bedoeld in deze verordening en in Verordening (EU) 2022/612, en met name over:
(a)de toekomstgerichte nummerstrategie van de Unie met betrekking tot het consistente beheer van nummervoorraden in de lidstaten en op het niveau van de Unie, in overeenstemming met artikel 46, lid 3;
(b)eind-tot-eindverbindingen tussen eindgebruikers, in overeenstemming met artikel 68, lid 2, tweede alinea, punt ii);
(c)markten die vatbaar zijn voor ex-anteregelgeving, in overeenstemming met artikel 72, lid 1;
(d)de technische specificaties, standaardkostenelementen, kostenmethoden en het referentieaanbod met betrekking tot de toegangsproducten van de Unie, in overeenstemming met artikel 81;
(e)de vaststelling van een enkel Uniebreed maximumtarief voor mobiele gespreksafgifte en een enkel Uniebreed maximumtarief voor vaste gespreksafgifte, in overeenstemming met artikel 82;
(f)nationale ontwerpmaatregelen met betrekking tot internemarktprocedures voor marktregulering, in overeenstemming met artikel 85;
(g)markt- en technologische ontwikkelingen en de gevolgen daarvan voor de toepassing van de beschikbaarheid en betaalbaarheid van adequate internettoegang en spraakcommunicatie, in overeenstemming met artikel 92, lid 2;
(h)ontwerpbesluiten en aanbevelingen inzake harmonisatie, in overeenstemming met artikel 186;
(i)de beslechting van grensoverschrijdende geschillen, in overeenstemming met artikel 190;
(j)de elementen van de zaak die wordt voorgelegd voor een vrijwillige bemiddelingsprocedure, overeenkomstig artikel 192, lid 2.
2.Over aangelegenheden in verband met radiospectrum brengt Berec de volgende adviezen uit:
(a)gemeenschappelijke methoden voor de vaststelling van jaarlijkse radiospectrumvergoedingen en reserveringsprijzen in overeenstemming met artikel 29;
(b)in voorkomend geval, in overeenstemming met de in artikel 31 bedoelde procedure voor de eengemaakte markt van de Unie voor radiospectrum.
Artikel 125
Berec-richtsnoeren
Berec vaardigt richtsnoeren uit over de uitvoering van het regelgevingskader van de Unie voor elektronische communicatie, met name als bedoeld in deze verordening, over:
(a)een gemeenschappelijk model voor het verzamelen van informatie over architectuur, capaciteit, vermogens en gebruik van elektronischecommunicatienetwerken, in overeenstemming met artikel 7, lid 4;
(b)de algemene machtigingsvoorwaarden in het kader van de procedure voor het ene paspoort, om ervoor te zorgen dat alle in artikel 9, lid 4, van deze verordening genoemde voorwaarden op coherente, niet-discriminerende en evenredige wijze worden toegepast, in overeenstemming met artikel 11, lid 1;
(c)het model van kennisgeving, in overeenstemming met artikel 10, lid 3;
(d)de consistente toepassing van marktvormingsmaatregelen, in overeenstemming met artikel 32, lid 3;
(e)gemeenschappelijke criteria voor de beoordeling van de bekwaamheid om nummervoorraden te beheren en van het risico van uitputting van nummervoorraden, in overeenstemming met artikel 48, lid 2;
(f)de definitie van adequate internettoegangsdienst en de specificatie van de bandbreedte die nodig is voor sociale en economische participatie in de samenleving, in overeenstemming met artikel 87, lid 2;
(g)de relevante criteria ter bevordering van de consistente toepassing van artikel 69, lid 2;
(h)de gemeenschappelijke aanpak voor de identificatie van het netwerkaansluitpunt in verschillende netwerktopologieën, in overeenstemming met artikel 69, lid 6;
(i)een gemeenschappelijk model voor het verzamelen van de krachtens artikel 94, lid 4, vereiste informatie;
(j)de uitvoering van de verplichtingen van de nationale regelgevende instanties bij het waarborgen van open-internettoegang in overeenstemming met artikel 94, lid 5, waarin ook de relevante parameters voor de kwaliteit van de dienstverlening voor internettoegangsdiensten worden gespecificeerd, met inbegrip van parameters voor het in artikel 97, lid 4, tweede alinea, bedoelde monitoringmechanisme, parameters die relevant zijn voor eindgebruikers met een handicap, de toepasselijke meetmethoden, de inhoud en het formaat van de informatie, zoals bepaald in bijlage III bij deze verordening, en van de publicatie, zoals bepaald in bijlage IV bij deze verordening, en kwaliteitscertificeringsmechanismen;
(k)het specificeren van de details van de overstap- en overdrachtsprocessen, in overeenstemming met artikel 100, lid 6, van deze verordening;
(l)technische en wettelijke maatregelen die eindgebruikers doeltreffend kunnen beschermen tegen frauduleuze activiteiten, in overeenstemming met artikel 103, lid 3;
(m)het harmoniseren van de in artikel 181, de leden 1, 3 en 7, beschreven verzoeken om informatie en rapportage over relevante onderwerpen, met inbegrip van het toepassingsgebied, het tijdschema, de frequentie, het formaat en de procedures voor het verzamelen van informatie, in overeenstemming met artikel 182, lid 1;
(n)de coherente uitvoering van verplichtingen wat betreft geografische onderzoeken en prognoses, in overeenstemming met artikel 183;
(o)het faciliteren van samenwerking tussen ecosystemen op technisch en commercieel gebied in verband met het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten of diensten van de informatiemaatschappij en van innovatieve producten en diensten, in overeenstemming met artikel 191, lid 1;
(p)het verstrekken van overige richtsnoeren voor de consistente toepassing van het regelgevend kader voor elektronische communicatie en consistente regelgevingsbesluiten van de nationale regelgevende instanties, op verzoek van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, met name voor regelgevingskwesties met gevolgen voor een aanzienlijk aantal lidstaten of met grensoverschrijdende aspecten;
(q)eventuele richtsnoeren overeenkomstig de Verordeningen (EU) 2022/612 en (EU) 2015/2120, naargelang het geval.
Artikel 126
Berec-verslagen
Berec brengt verslag uit over technische aangelegenheden die binnen zijn bevoegdheid vallen, met name over:
(a)het plan, met inbegrip van een uitgebreide beoordeling van de architectuur, de capaciteiten, de vermogens en het gebruik van elektronischecommunicatienetwerken van de in artikel 5, lid 1, bedoelde aanbieders, een reeks operationele aanbevelingen en crisisbeheersingspraktijken, in overeenstemming met artikel 6;
(b)de nationale praktijken met betrekking tot het verlenen van gebruiksrechten voor nationale en pan-Europese nummers, met bijzondere aandacht voor uiteenlopende praktijken binnen de Unie, in overeenstemming met artikel 48, lid 6;
(c)de belangrijkste praktijken en bevindingen met betrekking tot open-internettoegang in de Unie, in overeenstemming met artikel 94, lid 3;
(d)de effecten van de toepassing van de richtsnoeren op doeltreffende samenwerking tussen ecosystemen en op de werking van de faciliteit voor vrijwillige bemiddeling, in overeenstemming met artikel 193, lid 1;
(e)de nationale uitvoering en werking van de algemene machtiging, en de gevolgen daarvan voor de werking van de interne markt, in overeenstemming met artikel 204, lid 4;
en overige verslagen in overeenstemming met Verordening (EU) 2022/612.
Artikel 127
Samenstelling van de raad van regulators van Berec
1.De raad van regulators bestaat uit één lid per lidstaat. Elk lid heeft stemrecht.
Elk lid wordt benoemd door de nationale regelgevende instantie, die in hoofdzaak is belast met het toezicht op de dagelijkse werking van de markten voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten die onder deze verordening vallen. Het lid wordt benoemd onder het hoofd van de nationale regelgevende instantie, een lid van het collegiale orgaan ervan of de vervanger van een van hen.
2.Elk lid van de raad van regulators heeft een plaatsvervanger, die door de nationale regelgevende instantie wordt benoemd. De plaatsvervanger vertegenwoordigt het lid in geval van afwezigheid. De plaatsvervanger wordt benoemd onder het hoofd van de nationale regelgevende instantie, een lid van het collegiale orgaan ervan, of de vervanger van een van hen, of andere personeelsleden van de nationale regelgevende instantie.
3.Leden van de raad van regulators en hun plaatsvervangers worden benoemd op grond van hun kennis op het gebied van elektronische communicatie, met inachtneming van hun relevante bestuurs-, administratieve en budgettaire vaardigheden. Om de continuïteit van de werkzaamheden van de raad van regulators te waarborgen, streven alle tot benoeming bevoegde nationale regelgevende instanties ernaar het verloop van hun leden en, voor zover mogelijk, van hun plaatsvervangers, te beperken, en streven zij naar een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen.
4.De Commissie neemt zonder stemrecht deel aan de vergaderingen van de raad van regulators en is op een voldoende hoog niveau vertegenwoordigd.
5.Een actuele lijst van de leden van de raad van regulators en hun plaatsvervangers wordt samen met hun belangenverklaring openbaar gemaakt.
Artikel 128
Onafhankelijkheid van de raad van regulators van Berec
1.De raad van regulators handelt onafhankelijk en objectief in het belang van de Unie, ongeacht specifieke nationale of persoonlijke belangen.
2.Onverminderd de in artikel 120, lid 1, bedoelde coördinatie, vragen noch aanvaarden de leden van de raad van regulators en hun plaatsvervangers instructies van een regering, instelling, persoon of orgaan.
Artikel 129
Taken van de raad van regulators van Berec
1.De raad van regulators heeft de volgende taken:
(a)het uitvoeren van de in artikelen 122 tot en met 126 vastgelegde taken van Berec, namelijk het vaststellen van de adviezen, richtsnoeren, verslagen, aanbevelingen en gemeenschappelijke standpunten en het verspreiden van de beste praktijken die in deze artikelen worden genoemd, daarbij steunend op het voorbereidende werk van de werkgroepen;
(b) het nemen van administratieve besluiten met betrekking tot de interne organisatie van de werkzaamheden van Berec, onverminderd de administratieve besluiten met betrekking tot de organisatie van het ODN;
(c)het vaststellen van het in artikel 141 bedoelde tweejaarlijkse werkprogramma van Berec;
(d)het vaststellen van het in artikel 142 bedoelde tweejaarlijkse activiteitenverslag van Berec;
(e)het vaststellen van voorschriften voor de voorkoming en het beheer van belangenconflicten als bedoeld in artikel 173, lid 5, en met betrekking tot de leden van de werkgroepen;
(f)het vaststellen van nadere voorschriften met betrekking tot het recht op toegang tot documenten die in het bezit zijn van Berec, in overeenstemming met artikel 167;
(g)het vaststellen en regelmatig bijwerken van de in artikel 168, lid 1, bedoelde communicatie- en verspreidingsplannen, op basis van een behoeftenanalyse;
(h)het vaststellen, bij tweederdemeerderheid van zijn leden, en het openbaar maken van zijn reglement van orde;
(i)het verlenen, samen met de directeur van het ODN, van de machtiging tot het sluiten van werkafspraken met bevoegde organen, instanties, agentschappen en adviesgroepen van de Unie, alsook met bevoegde instanties van derde landen en internationale organisaties, in overeenstemming met artikel 166, lid 1;
(j)het oprichten van werkgroepen, in overleg met het ODN, en het benoemen van hun voorzitters, in overeenstemming met artikel 140;
(k)het verstrekken van sturing aan de directeur van het ODN met betrekking tot het vervullen van de taken van het ODN ten aanzien van de taken van Berec.
2.De raad van regulators van Berec herziet zijn reglement van orde uiterlijk [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening].
Artikel 130
Voorzitter en vicevoorzitters van de raad van regulators van Berec
1.De raad van regulators benoemt, bij tweederdemeerderheid van zijn leden, uit zijn midden een voorzitter en ten minste één vicevoorzitter.
2.De vicevoorzitter vervangt automatisch de voorzitter als deze zijn taken niet kan uitoefenen.
3.De voorzitter wordt gekozen voor een termijn van één jaar, die één keer verlengd kan worden. Het reglement van orde voorziet in een zo groot mogelijke continuïteit aan het hoofd van de raad.
4.De voorzitter van de raad van regulators van Berec vraagt noch aanvaardt instructies van een regering, instelling, persoon of orgaan.
5.De voorzitter brengt desgevraagd verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van de taken van Berec.
7.3.TITEL III: TAKEN EN ORGANISATIE VAN HET RSPB
Artikel 131
Oprichting en doelstellingen van het RSPB
1.Het Beleidsorgaan radiospectrum (Radio Spectrum Policy Body — “RSPB”) wordt hierbij opgericht zonder rechtspersoonlijkheid en met de in deze verordening vastgestelde verantwoordelijkheden.
2.Het RSPB vervangt en neemt de taken over van de Beleidsgroep radiospectrum (“RSPG”), die is opgericht bij besluit van de Commissie van 11 juni 2019.
3.Het RSPB streeft de in artikel 3 van deze verordening vastgestelde doelstellingen na. Het RSPB streeft met name naar een consistente uitvoering van het regelgevingskader inzake spectrum en ondersteunt de ontwikkeling van een radiospectrumbeleid op het niveau van de Unie.
4.Het RSPB voert zijn taken onpartijdig, op transparante wijze en tijdig uit.
5.Het RSPB maakt gebruik van de deskundigheid die in de nationale bevoegde instanties en in het ODN beschikbaar is.
Artikel 132
Taken van het RSPB ter ondersteuning van de Commissie en andere instellingen van de Unie
1.Het RSPB staat de Commissie bij en adviseert haar:
(a)over strategische radiospectrumbeleidskwesties in de Unie;
(b)over de coördinatie van radiospectrumbeleidsbenaderingen in de Unie;
(c)door adviezen uit te brengen met betrekking tot aanbevelingen van de Commissie betreffende de geharmoniseerde toepassing van de bepalingen van het regelgevingskader voor elektronische communicatie op het gebied van het radiospectrum, zonder afbreuk te doen aan de rol van Berec;
(d)over coördinatie en samenwerking tussen de Commissie, de lidstaten en de betrokken bevoegde instanties met betrekking tot de uitvoering van de bestaande wetgeving, programma’s en beleidsmaatregelen van de Unie op het gebied van radiospectrum;
(e)indien van toepassing, over geharmoniseerde voorwaarden met betrekking tot de beschikbaarheid en het efficiënte gebruik van radiospectrum, zoals vereist voor het tot stand brengen en functioneren van de interne markt.
2.Het RSPB ondersteunt de Commissie:
(a)bij de ontwikkeling van de radiospectrumstrategie van de Unie overeenkomstig artikel 17 en bij de monitoring van technische, economische en maatschappelijke ontwikkelingen om actualiseringen van een routekaart voor radiospectrum van de Unie voor te stellen overeenkomstig artikel 17, lid 3;
(b)in geval van een verzoek om radiospectrumtoewijzing door een belanghebbende partij, indien de aangelegenheid van invloed is op het radiospectrumbeleid, in overeenstemming met artikel 19;
(c)bij het vaststellen van de relevante gemeenschappelijke machtigingsvoorwaarden en, in voorkomend geval, bij het voorstellen van de passende machtigingsprocedure en de toekenningsvoorwaarden, in overeenstemming met artikel 22;
(d)bij het aanbevelen van gemeenschappelijke methoden voor het vaststellen van jaarlijkse vergoedingen en reserveringsprijzen uit hoofde van artikel 29;
(e)bij de ontwikkeling van gemeenschappelijke investeringsbevorderende machtigingsprocedures, aspecten en selectievoorwaarden voor de machtiging voor het gebruik van geharmoniseerd radiospectrum, in overeenstemming met artikel 30, lid 10;
(f)in voorkomend geval, bij het specificeren van de aan de algemene machtiging verbonden voorwaarden in overeenstemming met artikel 38, lid 3;
(g)bij het opstellen van het Europees overzicht van de toewijzing van satellietfrequenties, in overeenstemming met artikel 39, lid 2;
(h)bij het vaststellen van de voorwaarden voor de machtiging en het gebruik voor verschillende spectrumbanden, in overeenstemming met artikel 39, lid 4;
(i)bij de beoordeling van aanvragen voor machtigingen van de Unie, in overeenstemming met artikel 40;
(j)bij het aanbevelen van een gecoördineerd gedeeld gebruik van radiospectrum tussen terrestrische en satellietgebruikers, in overeenstemming met artikel 45, lid 4.
3.Het RSPB staat de Commissie ook bij in haar voorbereidende werkzaamheden met betrekking tot voorstellen aan de Raad voor de vaststelling van besluiten overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU tot bepaling van de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in internationale organisaties die bevoegd zijn voor kwesties met betrekking tot radiospectrum.
4.In voorkomend geval kan de Commissie het RSPB verzoeken adviezen of verslagen uit te brengen, ook al worden die niet uitdrukkelijk in dit artikel vermeld.
5.Zo nodig raadpleegt het RSPB belanghebbende partijen en geeft het hun de gelegenheid opmerkingen te maken binnen een naar de complexiteit van de materie te bepalen redelijke termijn. Die raadplegingen vinden zo vroeg mogelijk in het besluitvormingsproces plaats. Die raadplegingstermijn mag, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, niet korter zijn dan 45 dagen. Onverminderd artikel 169 stelt het RSPB de resultaten van dergelijke openbare raadplegingen ter beschikking van het publiek.
6.Het RSPB staat de Raad en het Europees Parlement op hun verzoek bij en adviseert hen over de strategische planning en coördinatie van de aanpak van het radiospectrumbeleid in de Unie.
Artikel 133
Taken van het RSPB ter ondersteuning van nationale bevoegde instanties
1.Het RSPB staat de nationale bevoegde instanties bij in de samenwerking met elkaar en met de Commissie ter ondersteuning van de strategische planning en coördinatie van radiospectrumbeleidsbenaderingen in de Unie, door:
(a)met het oog op de uitvoering van het recht van de Unie, beste praktijken te ontwikkelen voor zaken die verband houden met het radiospectrum, met inbegrip van het verzamelen van goede praktijken ten aanzien van;
(I)de meest geschikte machtigingsregeling, in overeenstemming met artikel 21, lid 5;
(II)machtigingsprocedures en selectievoorwaarden met betrekking tot radiospectrum, in overeenstemming met artikel 30, lid 10;
(b)het faciliteren van de coördinatie tussen de lidstaten met het oog op de uitvoering van het recht van de Unie en het bijdragen aan de ontwikkeling van een eengemaakte markt voor elektronische communicatie, onder meer door de informatie-uitwisseling, samenwerking en intercollegiaal leren tussen de lidstaten te verbeteren;
(c)de coördinatie van de aanpak van de lidstaten met betrekking tot het uitoefenen van gebruikersrechten voor radiospectrum en het publiceren van verslagen en adviezen over zaken die verband houden met radiospectrum;
(d)in voorkomend geval, het beleggen van vergaderingen om de nationale bevoegde instanties op hun verzoek de mogelijkheid te geven te discussiëren, van gedachten te wisselen en ervaringen uit te wisselen over de machtigingsprocedures en de voorwaarden voor gebruik van radiospectrum;
(e)het organiseren van regelmatige besprekingen met de Commissie over verschillende strategische kwesties in verband met het radiospectrum;
(f)het organiseren van workshops en hoorzittingen met vertegenwoordigers van belanghebbenden en de academische wereld over technische, economische en maatschappelijke ontwikkelingen in verband met het radiospectrum.
2.Het RSPB helpt de bevoegde instanties en de Commissie bij:
(a)het verlenen van goede diensten om grensoverschrijdende coördinatie of grensoverschrijdende schadelijke interferentie of geschillen tussen lidstaten of met derde landen op te lossen, en het uitbrengen van relevante adviezen, in overeenstemming met artikel 14;
(b)het monitoren van de uitvoering van nationale routekaarten voor radiospectrum, in overeenstemming met artikel 17, lid 5;
(c)de uitvoering van spectrumdeling door richtsnoeren vast te stellen, in overeenstemming met artikel 27, lid 5;
(d)de identificatie van de radiospectrumbanden die onder de databanken moeten vallen, en de praktische regeling van die databanken, in overeenstemming met artikel 28, lid 2;
(e)met betrekking tot aanvragen en coördinatie van satellietsystemen met de ITU, in overeenstemming met artikel 37;
(f)het toezicht houden op de conformiteit van de satellietsystemen die in het kader van een machtiging van de Unie worden geëxploiteerd, en inbreuken daarop onderzoeken en op passende wijze aanpakken, in overeenstemming met artikel 43, onder meer door relevante adviezen uit te brengen;
(g)het delen van informatie over urgente maatregelen, in overeenstemming met artikel 44, lid 3.
3.Het RSPB neemt deel aan de procedure voor de eengemaakte markt van de Unie voor radiospectrum uit hoofde van artikel 31 en brengt opmerkingen en adviezen uit, indien deze verordening daarin voorziet.
Artikel 134
Samenstelling van de RSPB-raad
1.De RSPB-raad bestaat uit één lid per lidstaat van de instanties die verantwoordelijk zijn voor het radiospectrumbeleid. Elk lid heeft stemrecht.
2.Het door elke lidstaat benoemde lid van de raad van bestuur is een vertegenwoordiger op hoog niveau met algemene verantwoordelijkheid voor het strategische radiospectrumbeleid.
3.De Commissie neemt zonder stemrecht deel aan de vergaderingen van de RSPB-raad en is op een voldoende hoog niveau vertegenwoordigd.
4.Elk lid van de RSPB-raad en de Commissie benoemt een plaatsvervangend vertegenwoordiger die het lid in geval van afwezigheid vervangt.
5.Een lijst met de namen en banden van de vertegenwoordigers van de leden van de RSPB-raad en van hun plaatsvervangers wordt openbaar gemaakt op de website van het RSPB.
Artikel 135
Taken van de RSPB-raad
1.De RSPB-raad heeft de volgende functies:
(a)het verrichten van de in de artikelen 132 en 133 vastgelegde taken van het RSPB, namelijk het vaststellen van de adviezen en verslagen, en het verspreiden van beste praktijken, daarbij steunend op het voorbereidende werk van de werkgroepen;
(b)het nemen van administratieve besluiten met betrekking tot de interne organisatie van de werkzaamheden van het RSPB, onverminderd de administratieve besluiten met betrekking tot de organisatie van het ODN;
(c)het vaststellen van het in artikel 141 bedoelde tweejaarlijkse werkprogramma van het RSPB;
(d)het vaststellen van het in artikel 142 bedoelde tweejaarlijkse activiteitenverslag van het RSPB;
(e)het vaststellen van voorschriften voor de voorkoming en het beheer van belangenconflicten als bedoeld in artikel 173, lid 5, en met betrekking tot de leden van de werkgroepen;
(f)het vaststellen van nadere voorschriften met betrekking tot het recht op toegang tot documenten die in het bezit zijn van het RSPB, in overeenstemming met artikel 167;
(g)het vaststellen en regelmatig bijwerken van de in artikel 168, lid 1, bedoelde communicatie- en verspreidingsplannen, op basis van een behoeftenanalyse;
(h)het vaststellen, bij tweederdemeerderheid van zijn leden, en het openbaar maken van zijn reglement van orde;
(i)het verlenen, samen met de directeur van het ODN, van de machtiging tot het sluiten van werkafspraken met bevoegde organen, instanties, agentschappen en adviesgroepen van de Unie, alsook met bevoegde instanties van derde landen en internationale organisaties, in overeenstemming met artikel 166, lid 1;
(j)het oprichten van werkgroepen, in overleg met het ODN, en het benoemen van hun voorzitters, in overeenstemming met artikel 140;
(k)het verstrekken van sturing aan de directeur van het ODN met betrekking tot het vervullen van de taken van het ODN ten aanzien van de taken van het RSPB.
2.De RSPB-raad herziet zijn reglement van orde uiterlijk [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening].
Artikel 136
Voorzitter en vicevoorzitters van de RSPB-raad
1.De RSPB-raad benoemt, bij tweederdemeerderheid van zijn leden, uit zijn midden een voorzitter en ten minste één vicevoorzitter.
2.De vicevoorzitter vervangt automatisch de voorzitter als deze zijn taken niet kan uitoefenen.
3.De ambtstermijn van de voorzitter bedraagt twee jaar en kan één keer worden verlengd. Het reglement van orde voorziet in een zo groot mogelijke continuïteit aan het hoofd van de raad.
4.De voorzitter brengt desgevraagd verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van de taken van het RSPB.
7.4.TITEL IV: GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN EN SAMENWERKING TUSSEN BEREC EN HET RSPB
Artikel 137
Organisatiestructuur van Berec en het RSPB
Berec en het RSPB bestaan elk uit:
(a)een raad van bestuur;
(b)werkgroepen.
Artikel 138
Vergaderingen van de raad van regulators van Berec en de RSPB-raad
1.De voorzitters van de raad van regulators van Berec en van de RSPB-raad roepen de vergaderingen van respectievelijk de raad van regulators van Berec en de RSPB-raad bijeen en stellen de agenda’s van die vergaderingen vast, die openbaar worden gemaakt.
2.De raad van regulators van Berec en de RSPB-raad moeten ten minste twee gewone vergaderingen per jaar houden.
Buitengewone vergaderingen worden bijeengeroepen op initiatief van de voorzitter, op verzoek van ten minste drie leden van de raad van regulators of op verzoek van de Commissie.
3.De directeur van het ODN neemt deel aan alle beraadslagingen, maar heeft geen stemrecht.
4.De voorzitters van de raad van regulators van Berec en de RSPB-raad kunnen, respectievelijk, eenieder van wie het advies dienstig kan zijn, uitnodigen om de vergaderingen als waarnemer bij te wonen.
5.De leden en de plaatsvervangers van de raad van regulators van Berec en de RSPB-raad kunnen, met inachtneming van het reglement van orde, in de vergaderingen worden bijgestaan door hun adviseurs of andere deskundigen.
6.Wanneer respectievelijk de raad van regulators van Berec en de RSPB-raad dit passend achten, kunnen zij relevante vertegenwoordigers van de sector uitnodigen om hun respectieve vergaderingen bij te wonen, uitsluitend om standpunten uiteen te zetten.
7.De Commissie kan verzoeken dat de deelname aan besprekingen over gevoelige en vertrouwelijke aangelegenheden die naar het oordeel van de Commissie een sterke Uniedimensie hebben, wordt beperkt. De voorzitter kan, in overleg met de directeur van het ODN, verzoeken dat de deelname aan besprekingen over weerbaarheid of beveiliging die nodig kunnen zijn om taken uit hoofde van deze verordening uit te voeren, wordt beperkt.
8.Het ODN verzorgt het secretariaat van de raad van regulators van Berec en de RSPB-raad.
Artikel 139
Stemregeling
1.De raad van regulators van Berec en de RSPB-raad besluiten bij een gewone meerderheid van hun leden, tenzij anders bepaald in deze verordening.
De besluiten van de raad van regulators van Berec en de RSPB-raad worden openbaar gemaakt, met vermelding van eventuele door de leden gemaakte voorbehouden indien zij daarom verzoeken.
2.Elk lid van de raad van regulators van Berec en de RSPB-raad heeft één stem. Bij afwezigheid van een stemgerechtigd lid kan zijn plaatsvervanger diens stemrecht uitoefenen.
Bij afwezigheid van een lid en van zijn plaatsvervanger kan het stemrecht aan een ander lid worden gedelegeerd, volgens de voorwaarden die in het respectieve reglement van orde zijn vastgelegd.
De voorzitter kan in ieder geval zijn stemrecht delegeren. De voorzitter neemt deel aan de stemming, tenzij hij zijn stemrecht heeft gedelegeerd.
3.In het reglement van orde van de raad van regulators van Berec en de RSPB-raad worden de regeling voor de stemmingen, met inbegrip van de voorwaarden waaronder een lid namens een ander lid kan handelen, de quorumvoorschriften en de kennisgevingstermijnen voor de vergaderingen in detail omschreven. Bovendien waarborgt het reglement van orde dat de leden van de raad van regulators van Berec en de RSPB-raad bij elke vergadering van tevoren de volledige agenda en de ontwerpvoorstellen ontvangen zodat zij vóór de stemming amendementen kunnen voorstellen. In het reglement van orde kunnen onder meer een procedure voor stemming bij hoogdringendheid en andere praktische regelingen voor het werk van de raad van regulators van Berec en de RSPB-raad worden opgenomen.
Artikel 140
Werkgroepen
1.Indien gerechtvaardigd kunnen de raad van regulators van Berec en de RSPB-raad, na raadpleging van het ODN, werkgroepen oprichten om hun werkprogramma’s uit te voeren.
2.De raad van regulators van Berec en de RSPB-raad benoemen de voorzitters van hun respectieve werkgroepen, die voor zover mogelijk verschillende nationale regelgevende instanties, leden van het RSPB en het ODN vertegenwoordigen.
3.De werkgroepen van Berec staan open voor deelname door deskundigen van alle nationale regelgevende instanties. De werkgroepen van het RSPB staan open voor deelname door alle leden van het RSPB. Deskundigen van het ODN en de Commissie hebben het recht deel te nemen aan alle werkgroepen. Het personeel van het ODN draagt ook bij aan de regelgevende werkzaamheden van de werkgroepen en verleent administratieve ondersteuning aan de werkgroepen.
4.In afwijking van lid 3 geldt het volgende:
(a)de deskundigen van de Commissie en de betrokken nationale regelgevende instantie nemen niet deel aan Berec-werkgroepen die zijn opgericht om de in artikel 124, lid 1, punt f), bedoelde taken uit te voeren;
(b)de deskundigen van de Commissie en de betrokken nationale bevoegde instantie nemen niet deel aan RSPB- en Berec-werkgroepen die zijn opgericht om de in respectievelijk artikel 133, lid 3, en artikel 124, lid 2, punt b), bedoelde taken uit te voeren;
(c)alleen deskundigen van de instanties van de lidstaten, de Commissie en het ODN nemen deel aan de RSPB-werkgroep die is opgericht om de in artikel 132, lid 3, bedoelde taken uit te voeren.
5.In Berec-werkgroepen die zijn opgericht om taken uit te voeren in verband met bevoegdheden die op nationaal niveau aan andere bevoegde instanties zijn toegekend, worden de deskundigen van andere bevoegde instanties die overeenkomstig artikel 115, lid 3, in kennis zijn gesteld, uitgenodigd om deel te nemen en wordt rekening gehouden met hun standpunten. Indien deskundigen van andere bevoegde instanties niet in staat zijn dergelijke vergaderingen bij te wonen, zorgen de nationale regelgevende instanties ervoor dat rekening is gehouden met de standpunten van die andere bevoegde instanties.
De respectieve voorzitters van de raad van regulators van Berec en de RSPB-raad of de voorzitters van de werkgroepen kunnen individuele deskundigen die erkend zijn op het betreffende gebied, uitnodigen om deel te nemen aan vergaderingen van de werkgroepen, zo nodig op ad-hocbasis.
6.De werkgroepen worden gewoonlijk ontbonden zodra zij hun mandaat hebben uitgevoerd.
7.De raad van regulators van Berec en de RSPB-raad stellen een respectief reglement van orde vast met de praktische regelingen voor het functioneren van de werkgroepen.
Artikel 141
Werkprogramma
1.Na raadpleging van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, alsmede andere belanghebbende partijen overeenkomstig respectievelijk artikel 122, lid 10, en artikel 132, lid 5, stellen de raad van regulators van Berec en de RSPB-raad uiterlijk op 31 december van het jaar voorafgaand aan de tweejaarlijkse cyclus hun respectieve tweejaarlijkse werkprogramma vast.
2.De raad van regulators van Berec en de RSPB-raad zenden hun respectieve jaarlijkse werkprogramma’s, zodra deze zijn vastgesteld, toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.
Artikel 142
Tweejaarlijkse activiteitenverslagen
De raad van regulators van Berec en de RSPB-raad stellen hun respectieve tweejaarlijkse verslagen over hun respectieve activiteiten vast. De raad van regulators van Berec zendt zijn tweejaarlijkse activiteitenverslag uiterlijk 15 juni van elk tweede jaar toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en het Europees Economisch en Sociaal Comité.
Artikel 143
Samenwerking tussen Berec en het RSPB
1.Berec en het RSPB werken voortdurend en systematisch samen in aangelegenheden van wederzijds belang, met name wanneer de regelgeving inzake elektronische communicatie en het radiospectrumbeleid elkaar overlappen. Daartoe richten Berec en het RSPB in voorkomend geval gezamenlijke werkgroepen op, zorgen zij voor regelmatige uitwisseling van informatie en deskundigheid, en coördineren zij hun respectieve werkprogramma’s om de consistentie van de regelgeving en een doeltreffende beleidsuitvoering te bevorderen.
2.De voorzitter van de raad van regulators van Berec en de voorzitter van de RSPB-raad komen ten minste tweemaal per jaar bijeen om kwesties van gemeenschappelijk belang vast te stellen die nauwe en systematische samenwerking tussen Berec en het RSPB vereisen. De voorzitters dienen bij hun respectieve raden voorstellen in voor de vaststelling van gezamenlijke activiteiten, met inbegrip van, in voorkomend geval, gestructureerde samenwerkingsmechanismen. Met dergelijke kwesties wordt rekening gehouden bij de voorbereiding van de tweejaarlijkse werkprogramma’s van Berec en het RSPB.
3.Indien nodig worden gezamenlijke vergaderingen van de raad van regulators van Berec en de RSPB-raad bijeengeroepen om aangelegenheden te bespreken die voor beide organen van belang zijn en om een consistente en coherente regelgevings- en beleidsaanpak te waarborgen.
7.5.TITEL V: BUREAU VOOR DIGITALE NETWERKEN
7.5.1.HOOFDSTUK I: Taken en organisatie van het ODN
Artikel 144
Vestiging
Het ODN vervangt en is de opvolger van het Bureau voor ondersteuning van Berec (“Berec-Bureau”), dat is opgericht bij Verordening (EU) 2018/1971.
Artikel 145
Algemeen mandaat van het ODN
1.Het ODN handelt binnen het toepassingsgebied van deze verordening om de ontwikkeling van de eengemaakte markt voor elektronische communicatie te ondersteunen.
2.Bij het vervullen van zijn mandaat ondersteunt en assisteert het ODN Berec bij de uitvoering van zijn taken uit hoofde van deze verordening, onder meer door het verstrekken van technische deskundigheid, analytische capaciteit, coördinatieondersteuning en operationele bijstand, zonder afbreuk te doen aan de onafhankelijkheid van Berec en zijn besluitvormingsbevoegdheden. Het ODN ondersteunt en assisteert het RSPB ook actief bij de uitvoering van zijn taken, met name door te zorgen voor nauwe coördinatie tussen het beleid en de regelgeving inzake elektronische communicatie en radiospectrum, en door gestructureerde samenwerking te vergemakkelijken wanneer zich kwesties van gemeenschappelijk belang voordoen.
3.Het ODN voert alle andere taken uit die het bij deze verordening of bij andere handelingen van de Unie zijn opgedragen, op voorwaarde dat die taken verenigbaar zijn met zijn mandaat en bijdragen tot de in artikel 3 bedoelde doelstellingen.
Artikel 146
Taken van het ODN
1.Het ODN heeft de volgende taken:
(a)het verlenen van deskundige, professionele, administratieve en logistieke ondersteunende diensten aan Berec bij het vervullen van zijn taken, onder meer door deel te nemen en bij te dragen aan alle activiteiten van de werkgroepen, in overeenstemming met artikel 140;
(b)het verzamelen van gegevens en informatie bij de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, en het uitwisselen en doorgeven van informatie met betrekking tot de taken die aan Berec zijn toegewezen, in overeenstemming met artikel 103, lid 2, en de artikelen 122 tot en met 126;
(c)het opstellen, op basis van de in punt b) bedoelde informatie, van regelmatige ontwerpverslagen over specifieke aspecten van ontwikkelingen op de Europese markt voor elektronische communicatie, zoals roaming- en benchmarkingverslagen, die bij Berec moeten worden ingediend;
(d)het verspreiden van beste praktijken op het gebied van regelgeving onder nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, in overeenstemming met artikel 122, lid 1, punt b);
(e)het ondersteunen van Berec bij het opzetten en beheren van registers en databanken, in overeenstemming met artikel 123, lid 3, en een informatie- en communicatiesysteem, in overeenstemming met artikel 172;
(f)het opzetten en beheren van een databank over pan-Europese nummervoorraden, in overeenstemming met artikel 47, lid 4;
(g)het ondersteunen van Berec bij het houden van openbare raadplegingen, in overeenstemming met artikel 122, lid 10;
(h)het verlenen van bijstand bij de werkvoorbereidingen en andere administratieve en inhoudelijke ondersteuning om de soepele werking van de raad van regulators van Berec te waarborgen;
(i)op verzoek van de raad van regulators van Berec, het verlenen van bijstand bij het opzetten van werkgroepen, bijdragen aan regelgevende werkzaamheden en het bieden van administratieve ondersteuning om een soepele werking van deze groepen te waarborgen;
(j)het voorbereiden van het plan, in overeenstemming met de artikelen 6 en 7;
(k)het doorsturen van de in artikel 10, lid 1, bedoelde kennisgevingen naar de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties om de procedure voor het ene paspoort te vergemakkelijken, in overeenstemming met artikel 10, lid 4;
(l)het bijhouden van een openbaar toegankelijke Uniedatabank van de kennisgevingen die bij de nationale regelgevende instanties zijn ingediend, in overeenstemming met artikel 10, lid 8;
(m)het verlenen van bijstand aan de Commissie bij de strategische planning van nummervoorraden in de Unie en de identificatie van het mogelijke gebruik van nummervoorraden voor grensoverschrijdende of pan-Europese diensten, en bij de opstelling van een nummerplan van de Unie, in overeenstemming met artikel 46, leden 2 en 4;
(n)het samenwerken met de nationale regelgevende instanties inzake de toewijzing van nummers en het beheer van de pan-Europese nummervoorraden, in overeenstemming met artikel 47, lid 3;
(o)het opzetten van de procedure en het systeem voor het verstrekken van informatie, in overeenstemming met artikel 47, lid 4;
(p)het verlenen van bijstand aan de nationale regelgevende instanties bij het coördineren van activiteiten met betrekking tot nummervoorraden met een recht op extraterritoriaal gebruik, in overeenstemming met artikel 48, lid 4;
(q)het verlenen van bijstand aan Berec bij het opstellen van geharmoniseerde modellen, in overeenstemming met artikel 182;
(r)het uitvoeren van andere taken die bij deze verordening of bij andere rechtshandelingen van de Unie zijn toegewezen.
2.Uiterlijk [twee jaar na de inwerkingtreding] en vervolgens elk jaar publiceert het ODN een verslag over de voortgang op weg naar de eengemaakte markt voor elektronische communicatie, waarin met name de toestand van de markt, de marktstructuur en het effect van de in het kader van deze verordening uitgevoerde maatregelen op de interne markt worden beschreven, met inbegrip van de ex-posteffecten van fusies op de markt. Vóór publicatie wordt een ontwerpverslag ter goedkeuring voorgelegd aan Berec en het RSPB. Deze verslagen worden gepubliceerd.
Artikel 147
Taken van het ODN ter ondersteuning van het RSPB
Het ODN heeft de volgende taken:
(a)het verlenen van deskundige, professionele, administratieve en logistieke ondersteunende diensten aan het RSPB bij het vervullen van zijn taken, onder meer door deel te nemen en bij te dragen aan alle activiteiten van de werkgroepen, in overeenstemming met artikel 140;
(b)het verzamelen van gegevens en informatie bij de nationale bevoegde instanties, en het uitwisselen en doorgeven van informatie met betrekking tot de taken die aan het RSPB zijn toegewezen, in overeenstemming met de artikelen 132 en 133;
(c)het ondersteunen van het RSPB bij het houden van openbare raadplegingen in overeenstemming met artikel 132, lid 5;
(d)het verlenen van bijstand bij de werkvoorbereidingen en andere administratieve en inhoudelijke ondersteuning om de soepele werking van de RSPB-raad te waarborgen;
(e)op verzoek van de RSPB-raad, het verlenen van bijstand bij het opzetten van werkgroepen, het bijdragen aan regelgevende werkzaamheden en het bieden van administratieve ondersteuning om een soepele werking van deze groepen te waarborgen;
(f)het verlenen van bijstand aan de Commissie, op verzoek, bij de uitvoering van het machtigingsproces op het niveau van de Unie, in overeenstemming met artikel 22, lid 4;
(g)het fungeren als centraal contactpunt voor de indiening van aanvragen en kennisgevingen, in overeenstemming met artikel 22, lid 5;
(h)het opzetten en beheren van dynamische databanken voor geolocatie en monitoring van mogelijkheden voor radiospectrumgebruik, in overstemming met artikel 28;
(i)het bijhouden van een register van de procedures voor de eengemaakte markt van de Unie voor radiospectrum, in overeenstemming met artikel 31, lid 9;
(j)het verlenen van bijstand aan het RSPB bij de coördinatie van een standpunt van de Unie, in overeenstemming met artikel 37, lid 3;
(k)het verlenen van bijstand aan de Commissie bij de behandeling van de kennisgevingen, in overeenstemming met artikel 38, lid 2, tweede alinea;
(l)het verlenen van bijstand aan de Commissie en het RSPB bij het verlenen van de machtiging van de Unie, in overeenstemming met artikel 40 en, op verzoek van de Commissie, het verlenen van bijstand aan de Commissie bij het uitvoeren van een selectieprocedure, in overeenstemming met bijlage VI;
(m)het ondersteunen van het RSPB bij het bijstaan van de Commissie bij het onderzoeken van vermeende inbreuken op de voorwaarden, in overeenstemming met artikel 43, lid 2.
Artikel 148
Rechtspersoonlijkheid van het ODN
1.Het ODN is een orgaan van de Unie. Het heeft rechtspersoonlijkheid.
2.Het ODN geniet in elk van de lidstaten de meest uitgebreide handelingsbevoegdheid die er krachtens het nationale recht aan rechtspersonen wordt verleend. Het kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen en vervreemden en in rechte optreden.
3.Het ODN wordt vertegenwoordigd door zijn directeur.
4.Het ODN draagt als enige verantwoordelijkheid voor de hem toebedeelde taken en bevoegdheden.
5.Het ODN heeft zijn zetel in Riga.
Artikel 149
Organisatiestructuur van het ODN
Het ODN bestaat uit:
(a)een raad van bestuur;
(b)een directeur.
Artikel 150
Samenstelling van de raad van bestuur
1.De raad van bestuur bestaat uit de personen die benoemd zijn tot lid van de raad van regulators van Berec, de voorzitter van de RSPB-raad, en een vertegenwoordiger van de Commissie. Elk lid van de raad van bestuur heeft stemrecht.
Elke tot benoeming bevoegde nationale regelgevende instantie, als bedoeld in artikel 127, lid 1, tweede alinea, kan een andere persoon dan het lid van de raad van regulators van Berec benoemen tot lid van de raad van bestuur. Die persoon is het hoofd van de nationale regelgevende instantie, een lid van het collegiale orgaan ervan, of de vervanger van een van hen.
2.Ieder lid van de raad van bestuur heeft een plaatsvervanger. De plaatsvervangers vertegenwoordigen het lid in geval van afwezigheid.
De plaatsvervangers van elk lid zijn de personen die zijn benoemd tot plaatsvervanger van de leden van de raad van regulators van Berec. De vertegenwoordiger van de Commissie heeft ook een plaatsvervanger. De plaatsvervanger van de voorzitter van de RSPB-raad is de vicevoorzitter van de RSPB-raad.
Elke tot benoeming bevoegde nationale regelgevende instantie, als bedoeld in artikel 127, lid 1, tweede alinea, kan een andere persoon dan de plaatsvervanger van het lid van de raad van regulators van Berec benoemen tot de plaatsvervanger van het lid van de raad van bestuur. De persoon is het hoofd van de nationale regelgevende instantie, een lid van het collegiale orgaan ervan, of de plaatsvervanger van een van hen, of andere personeelsleden van de nationale regelgevende instantie.
3.De leden van de raad van bestuur en hun plaatsvervangers vragen noch aanvaarden instructies van een regering, instelling, persoon of orgaan.
4.Een actuele lijst van leden van de raad van bestuur en hun plaatsvervangers wordt samen met hun belangenverklaringen openbaar gemaakt.
Artikel 151
Administratieve taken van de raad van bestuur
1.De raad van bestuur heeft de volgende administratieve taken:
(a)ervoor zorgen dat het ODN alle taken uitvoert die hem overeenkomstig deze verordening zijn toegewezen, door rekening te houden met de noodzaak om te zorgen voor passende ondersteuning van het RSPB en om zijn taken uit te voeren in overeenstemming met de artikelen 146 en 147;
(b)het verstrekken van algemene richtsnoeren voor de activiteiten van het ODN en het jaarlijks vaststellen, met een tweederdemeerderheid van zijn leden, van het enkelvoudig programmeringsdocument van het ODN, rekening houdend met het advies van Berec en het RSPB en na ontvangst van het advies van de Commissie, en in overeenstemming met artikel 157;
(c)het vaststellen, met een tweederdemeerderheid van de stemgerechtigde leden, van de jaarlijkse begroting van het ODN, en het uitvoeren van andere taken met betrekking tot de begroting van het ODN, in overeenstemming met hoofdstuk II van deze titel;
(d)het vaststellen, openbaar maken en beoordelen van de in artikel 161 bedoelde geconsolideerde jaarlijkse activiteitenverslag van het ODN, en het jaarlijks vóór 1 juli indienen bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer van zowel het verslag als de beoordeling ervan;
(e)het vaststellen van de op het ODN toepasselijke financiële voorschriften, in overeenstemming met artikel 163;
(f)het vaststellen van een fraudebestrijdingsstrategie die evenredig is met de frauderisico’s, rekening houdend met de kosten en baten van de uit te voeren maatregelen;
(g)het waarborgen van een passende opvolging van de bevindingen en aanbevelingen naar aanleiding van interne of externe auditverslagen en evaluaties, alsook naar aanleiding van onderzoeken van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) of het Europees Openbaar Ministerie (EOM);
(h)het vaststellen van voorschriften voor het voorkomen en beheersen van belangenconflicten als bedoeld in artikel 173, lid 5;
(i)het vaststellen en regelmatig bijwerken van de in artikel 168, lid 2, bedoelde communicatie- en verspreidingsplannen, op basis van een behoeftenanalyse;
(j)het vaststellen van de praktische maatregelen inzake het recht van toegang tot de documenten van ODN, in overeenstemming met artikel 167;
(k)het vaststellen van zijn reglement van orde;
(l)het goedkeuren van het sluiten van werkovereenkomsten, in overeenstemming met artikel 166;
(m)het vaststellen van uitvoeringsbepalingen ter uitvoering van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, in overeenstemming van artikel 110 van het Statuut;
(n)onverminderd het in lid 2, eerste alinea, bedoelde besluit, met betrekking tot het personeel van het ODN, het uitoefenen van de bevoegdheden die krachtens het Statuut toekent aan het tot aanstelling bevoegde gezag, en die de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden toekent aan het tot het sluiten van contracten bevoegde gezag (de “bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag”);
(o)het benoemen van de directeur en, indien van toepassing, het verlengen van zijn ambtstermijn of het ontheffen van de directeur uit zijn functie, in overeenstemming met artikel 156;
(p)het benoemen van een rekenplichtige, overeenkomstig het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, die volledig onafhankelijk is bij de uitvoering van zijn taken;
(q)het nemen van alle besluiten inzake de oprichting van de interne structuren van het ODN en het wijzigen daarvan indien nodig, rekening houdend met de werkingsbehoeften van het ODN en met het oog op een gezond beheer van de begroting.
Met betrekking tot punt p) van de eerste alinea kan het ODN dezelfde rekenplichtige benoemen als een ander orgaan of een andere instelling van de Unie. Met name kunnen het ODN en de Commissie overeenkomen dat de rekenplichtige van de Commissie ook optreedt als rekenplichtige van het ODN.
2.De raad van bestuur neemt overeenkomstig artikel 110 van het Statuut een besluit krachtens artikel 2, lid 1, van het Statuut en artikel 6 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, waarin hij de nodige bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag aan de directeur delegeert en nader bepaalt onder welke voorwaarden die gedelegeerde bevoegdheden kunnen worden geschorst. De directeur kan deze bevoegdheid op zijn beurt subdelegeren.
Wanneer uitzonderlijke omstandigheden dat vereisen, kan de raad van bestuur besluiten de delegatie van de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag aan de directeur en de bevoegdheden die deze laatste op zijn beurt heeft gedelegeerd, tijdelijk te schorsen en deze bevoegdheden zelf uit te oefenen of te delegeren aan een van zijn leden of aan een ander personeelslid dan de directeur.
3.De raad van bestuur herziet zijn reglement van orde uiterlijk [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening].
Artikel 152
Voorzitter en vicevoorzitters van de raad van bestuur
1.De voorzitter en de vicevoorzitters van de raad van bestuur zijn de personen die zijn benoemd tot voorzitter en vicevoorzitters van de raad van regulators van Berec. Dezelfde ambtstermijn is van toepassing.
In afwijking van de eerste alinea kan de raad van bestuur, bij tweederdemeerderheid van zijn leden, andere leden van de raad van bestuur tot voorzitter of vicevoorzitter(s) verkiezen, namelijk uit zijn leden die de lidstaten vertegenwoordigen. Hun ambtstermijn is dezelfde als die van de voorzitter en de vicevoorzitters van de raad van regulators van Berec.
2.Een van de vicevoorzitters neemt, in overeenstemming met het reglement van orde, de taken van de voorzitter op zich indien deze niet in staat is zijn taken uit te oefenen.
3.De voorzitter van de raad van bestuur brengt desgevraagd verslag over de uitvoering van de taken van het ODN uit aan het Europees Parlement en de Raad.
Artikel 153
Vergaderingen van de raad van bestuur
1.De voorzitter roept de vergaderingen van de raad van bestuur bijeen.
2.De directeur van het ODN neemt deel aan de beraadslagingen, met uitzondering van de beraadslagingen met betrekking tot artikel 156, maar heeft geen stemrecht.
3.De raad van bestuur houdt ten minste twee gewone vergaderingen per jaar. Daarnaast roept de voorzitter buitengewone vergaderingen bijeen op eigen initiatief, op verzoek van de Commissie of van ten minste drie leden van de raad van bestuur.
4.De raad van bestuur kan eenieder van wie het advies dienstig kan zijn, uitnodigen om de vergaderingen als waarnemer bij te wonen.
5.De leden van de raad van bestuur en hun plaatsvervangers kunnen, met inachtneming van het reglement van orde, in de vergaderingen worden bijgestaan door adviseurs of deskundigen.
6.Het ODN vervult de secretariaatstaken voor de raad van bestuur.
Artikel 154
Stemregels in de raad van bestuur
1.De raad van bestuur besluit bij een volstrekte meerderheid van zijn leden, tenzij anders bepaald in deze verordening.
2.Wanneer de raad van bestuur stemt over aangelegenheden die verband houden met Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 en het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, is een positieve stem van de vertegenwoordiger van de Commissie in de raad van bestuur over het besluit noodzakelijk.
3.Elk lid heeft één stem. Bij afwezigheid van een stemgerechtigd lid heeft zijn plaatsvervanger stemrecht.
4.De voorzitter kan in ieder geval zijn stemrecht delegeren. De voorzitter neemt deel aan de stemming, tenzij hij zijn stemrecht heeft gedelegeerd.
5.In het reglement van orde van de raad van bestuur wordt de stemprocedure nader uitgewerkt, met name betreffende de gevallen waarin een lid mag handelen namens een ander lid.
Artikel 155
Taken en verantwoordelijkheden van de directeur
1.De directeur is de wettelijke vertegenwoordiger van het ODN en is belast met het administratieve beheer van het ODN. De directeur legt verantwoording af aan de raad van bestuur.
2.De directeur bereidt de vergaderingen van de raad van bestuur voor en ondersteunt de voorzitter van de raad van regulators van Berec en de voorzitter van de RSPB-raad bij de voorbereiding van de vergaderingen van hun respectieve organen.
3.De directeur voert zijn taken onafhankelijk uit en vraagt noch ontvangt instructies van regeringen, instellingen, personen of andere organen.
4.De directeur brengt desgevraagd verslag over de uitvoering van zijn taken uit aan het Europees Parlement en de Raad.
5.De directeur is verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken van het ODN volgens de richtsnoeren van de raad van regulators van Berec, de RSPB-raad en de eigen raad van bestuur. De directeur is in het bijzonder belast met:
(a)het dagelijks bestuur van het ODN;
(b)het voorbereiden van de werkzaamheden van de raad van bestuur en het deelnemen, zonder stemrecht, aan de werkzaamheden van de raad van bestuur;
(c)het uitvoeren van de bestuurlijke beslissingen die de raad van regulators van Berec, de RSPB-raad en de eigen raad van bestuur hebben genomen;
(d)het in artikel 157 bedoelde enkelvoudig programmeringsdocument opstellen en ter goedkeuring voorleggen aan de raad van bestuur na raadpleging van de Commissie, ten minste vier weken vóór de desbetreffende vergadering van de raad van bestuur;
(e)het bijstaan van de raad van regulators van Berec en de RSPB-raad bij het opstellen van hun in artikel 142 bedoelde jaarlijkse activiteitenverslagen;
(f)het bijstaan van de raad van regulators van Berec en de RSPB-raad bij de voorbereiding van hun in artikel 141 bedoelde respectieve werkprogramma’s;
(g)het uitvoeren van het enkelvoudig programmeringsdocument en het rapporteren over de uitvoering ervan aan de raad van bestuur;
(h)het opstellen van het ontwerpjaarverslag over de in artikel 161 bedoelde activiteiten van het ODN en het ter beoordeling en goedkeuring voorleggen ervan aan de raad van bestuur;
(i)het opstellen van een actieplan voor de follow-up van de conclusies van interne of externe auditverslagen en beoordelingen, alsmede van onderzoeken van OLAF, en het ten minste eenmaal per jaar rapporteren over de geboekte vooruitgang aan de raad van bestuur;
(j)het beschermen van de financiële belangen van de Unie door toepassing van maatregelen ter voorkoming van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten, door het verrichten van effectieve controles en, indien onregelmatigheden worden vastgesteld, door terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen en, waar nodig, het opleggen van doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve maatregelen, met inbegrip van financiële sancties;
(k)het opstellen van een fraudebestrijdingsstrategie voor het ODN en het ter goedkeuring voorleggen daarvan aan de raad van bestuur;
(l)het opstellen van een financiële regeling die van toepassing is op het ODN;
(m)het opstellen van de ontwerpraming van ontvangsten en uitgaven van het ODN en het uitvoeren van diens begroting, in overeenstemming met artikel 158;
(n)het verlenen van machtiging, samen met de raad van regulators van Berec en de RSPB-raad, tot het sluiten van werkafspraken met bevoegde organen, instanties, agentschappen en adviesgroepen van de Unie, en met bevoegde instanties van derde landen en internationale organisaties, in overeenstemming met artikel 166.
6.De directeur neemt, onder het toezicht van de raad van bestuur, de nodige maatregelen, met name met betrekking tot de vaststelling van interne administratieve instructies en de publicatie van berichten, om ervoor te zorgen dat het ODN in overeenstemming met deze verordening functioneert.
7.De directeur besluit, onder voorbehoud van de voorafgaande toestemming van de Commissie, de raad van bestuur en de betrokken lidstaat of lidstaten, of het voor de efficiënte en effectieve uitvoering van de taken van het ODN noodzakelijk is een of meer personeelsleden te vestigen in een of meer lidstaten. In het besluit wordt de reikwijdte van de te verrichten activiteiten op zodanige wijze omschreven dat onnodige kosten en verdubbeling van administratieve functies van het ODN worden vermeden. Alvorens een dergelijk besluit wordt genomen, worden de gevolgen ervan voor de toewijzing van personeel en middelen in het in artikel 157 bedoelde meerjarige programmeringsdocument beschreven.
Artikel 156
Benoeming van de directeur
1.De uitvoerend directeur wordt in dienst genomen als tijdelijk functionaris van het ODN overeenkomstig artikel 2, punt a), van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden.
2.De directeur wordt door de raad van bestuur benoemd na een open en transparante procedure op basis van verdienste, beheers-, bestuurs- en budgettaire vaardigheden en de inzake elektronischecommunicatienetwerken en -diensten relevante vaardigheden. De benoeming geschiedt na een positief advies van de vertegenwoordiger van het RSPB in de raad van bestuur.
3.De lijst van kandidaten wordt niet uitsluitend door de enige voorzitter of een vicevoorzitter voorgesteld. Het reglement van orde van de raad van bestuur geeft een gedetailleerde beschrijving van de regelingen voor een procedure voor het opstellen van een beperkte lijst van in aanmerking komende kandidaten en voor een stemprocedure.
4.Vóór de benoeming wordt de door de raad van bestuur geselecteerde kandidaat verzocht een verklaring voor de bevoegde commissie van het Europees Parlement af te leggen.
5.Voor het sluiten van het contract met de directeur wordt het ODN vertegenwoordigd door de voorzitter van de raad van bestuur.
6.De ambtstermijn van de directeur bedraagt vijf jaar. Tijdig, vóór het einde van die termijn voert de raad van bestuur een beoordeling uit waarbij rekening wordt gehouden met een evaluatie van de prestaties van de directeur en met de taken en uitdagingen van het ODN. De beoordeling wordt bij de Commissie ingediend.
7.Rekening houdend met de in lid 6 bedoelde beoordeling, en na een positief advies van de RSPB-raad, kan de raad van bestuur de ambtstermijn van de directeur eenmaal verlengen met ten hoogste vijf jaar. Een directeur wiens ambtstermijn is verlengd, mag niet deelnemen aan een andere selectieprocedure voor hetzelfde ambt.
8.De directeur kan uitsluitend uit zijn functie worden ontheven bij besluit van de raad van bestuur op voorstel van de Commissie of ten minste twee derde van de leden van de raad van bestuur en na een positief advies van de RSPB-raad. De raad van bestuur besluit bij tweederdemeerderheid van zijn leden over de benoeming, de verlenging van de ambtstermijn of de ontheffing uit de functie van de directeur.
7.5.2.HOOFDSTUK II: Begroting en programmering van het ODN
Artikel 157
Jaarlijkse en meerjarige programmering
1.Elk jaar stelt de directeur een ontwerp van programmeringsdocument op dat de jaarlijkse en meerjarige programmering bevat (“enkelvoudig programmeringsdocument”), in overeenstemming met artikel 32 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715, rekening houdend met de richtsnoeren van de Commissie.
Uiterlijk 31 januari van elk jaar keurt de raad van bestuur het ontwerp van enkelvoudig programmeringsdocument goed en dient hij het voor advies in bij de Commissie. Het ontwerp van enkelvoudig programmeringsdocument wordt ook ingediend bij het Europees Parlement en de Raad.
De raad van bestuur stelt het enkelvoudig programmeringsdocument vervolgens vast, rekening houdend met het advies van de Commissie. Hij dient het enkelvoudig programmeringsdocument, en alle latere actualiseringen ervan, in bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.
Het enkelvoudig programmeringsdocument wordt definitief na de vaststelling van de algemene begroting van de Unie en wordt, indien nodig, dienovereenkomstig aangepast.
2.Het jaarlijkse programmeringsdocument bevat gedetailleerde doelstellingen en verwachte resultaten, met inbegrip van prestatie-indicatoren. Het bevat voorts een beschrijving van de te financieren acties en een indicatie van de financiële en personele middelen die aan iedere actie worden toegewezen overeenkomstig de beginselen betreffende activiteitsgestuurd begroten en beheer, zoals vermeld in artikel 164. Het jaarlijkse programmeringsdocument is consistent met de werkprogramma’s van Berec en het RSPB als bedoeld in artikel 141 en met het in lid 4 van dit artikel bedoelde meerjarige programmeringsdocument van het ODN. Het vermeldt duidelijk de taken die zijn toegevoegd, gewijzigd of geschrapt ten opzichte van het vorige begrotingsjaar.
3.De raad van bestuur wijzigt het jaarlijkse programmeringsdocument na de vaststelling van de in artikel 141 bedoelde werkprogramma’s van Berec en het RSPB indien nodig en telkens wanneer Berec, het RSPB of het ODN met een nieuwe taak wordt belast.
Elke wezenlijke wijziging in het jaarlijkse programmeringsdocument wordt vastgesteld volgens dezelfde procedure als die op basis waarvan het oorspronkelijke jaarlijkse programmeringsdocument is vastgesteld. De raad van bestuur kan aan de directeur de bevoegdheid delegeren om niet-materiële wijzigingen door te voeren in het jaarlijkse programmeringsdocument.
4.Het meerjarige programmeringsdocument bevat een omschrijving van de algemene strategische programmering, met inbegrip van de doelstellingen, verwachte resultaten en prestatie-indicatoren. Het behelst ook de programmering van de middelen, met inbegrip van de meerjarige begroting en de personele middelen.
Deze programmering van de middelen wordt jaarlijks bijgewerkt. De strategische programmering wordt in voorkomend geval bijgewerkt, met name om rekening te houden met de resultaten van de in artikel 179 bedoelde evaluatie.
5.Het enkelvoudig programmeringsdocument van het ODN omvat de uitvoering van de strategieën van Berec en het RSPB voor betrekkingen met bevoegde organen, instanties, agentschappen en adviesgroepen van de Unie, met bevoegde instanties van derde landen en met internationale organisaties als bedoeld in artikel 166, lid 3, de maatregelen die verband houden met die strategie en de vermelding van de bijbehorende middelen.
Artikel 158
Vaststelling van de begroting
1.Elk jaar stelt de directeur een voorlopige ontwerpraming op van de ontvangsten en uitgaven van het ODN (“de ontwerpraming”) voor het volgende begrotingsjaar, met inbegrip van de personeelsformatie, en dient deze in bij de raad van bestuur.
De informatie in de ontwerpraming is consistent met het ontwerp van enkelvoudig programmeringsdocument als bedoeld in artikel 157, lid 1.
2.De raad van bestuur stelt op basis van de voorlopige ontwerpraming een ontwerpraming vast van de inkomsten van het ODN voor het volgende begrotingsjaar en zendt deze jaarlijks uiterlijk op 31 januari toe aan de Commissie.
3.De Commissie dient de ontwerpraming samen met het ontwerp van de algemene begroting van de Unie in bij het Europees Parlement en de Raad (“de begrotingsautoriteit”).
4.Op basis van de ontwerpraming neemt de Commissie de geraamde bedragen die zij voor de personeelsformatie nodig acht, en het bedrag van de bijdrage ten laste van de algemene begroting, op in het ontwerp van de algemene begroting van de Unie, dat zij overeenkomstig de artikelen 313 en 314 VWEU aan de begrotingsautoriteit voorlegt.
5.De begrotingsautoriteit keurt de kredieten voor de bijdrage aan het ODN goed.
6.De begrotingsautoriteit stelt het personeelsformatieplan van het ODN vast.
7.De raad van bestuur stelt de begroting van het ODN vast. De begroting wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Unie. Indien nodig wordt de begroting dienovereenkomstig aangepast.
8.Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 is van toepassing op alle bouwprojecten die significante gevolgen kunnen hebben voor de begroting van het ODN.
Artikel 159
Structuur van de begroting
1.Alle ontvangsten en uitgaven van het ODN worden elk begrotingsjaar, dat overeenkomt met het kalenderjaar, geraamd en de ramingen worden in de begroting van het ODN opgenomen.
2.De ontvangsten en uitgaven in de begroting van het ODN moeten in evenwicht zijn.
3.Onverminderd andere middelen bestaan de ontvangsten van het ODN uit een combinatie van:
(a)een bijdrage van de Unie;
(b)alle door ondernemingen betaalde vergoedingen voor het verkrijgen en onderhouden van satellietmachtigingen van de Unie die moeten worden vastgesteld door middel van de in artikel 39, lid 4, bedoelde uitvoeringshandeling van de Commissie, vergoedingen voor gebruiksrechten voor pan-Europese nummervoorraden die moeten worden vastgesteld door middel van de in artikel 46, lid 4, bedoelde uitvoeringshandeling van de Commissie, vergoedingen voor publicaties en andere door het ODN verleende diensten;
(c)eventuele bijdragen in natura of vrijwillige financiële bijdragen van de lidstaten en van derde landen of van de regelgevende instanties die bevoegd zijn op het gebied van elektronische communicatie van derde landen die deelnemen aan de werkzaamheden van het ODN, als bedoeld in artikel 166.
4.De inkomsten van ODN mogen zijn neutraliteit, onafhankelijkheid en objectiviteit niet in het gedrang brengen.
5.De Commissie onderzoekt regelmatig de hoogte van de in lid 3, punt b), bedoelde vergoedingen op basis van een evaluatie en past zo nodig de methode of de hoogte van die vergoedingen en de wijze waarop zij moeten worden betaald, aan.
6.De begrotingsautoriteit heroverweegt zo nodig de hoogte van de bijdrage van de Unie op basis van een evaluatie van de behoeften en rekening houdend met de hoogte van de vergoedingen.
7.De uitgaven van het ODN omvatten de bezoldiging van het personeel, de uitgaven voor administratie en infrastructuur en de werkingskosten.
Artikel 160
Uitvoering van de begroting
1.De directeur voert de begroting van het ODN uit.
2.De directeur dient jaarlijks alle relevante informatie over de resultaten van de evaluatieprocedures in bij het Europees Parlement en de Raad.
Artikel 161
Geconsolideerd jaarlijks activiteitenverslag
De raad van bestuur stelt de geconsolideerde jaarlijkse activiteitenverslagen vast overeenkomstig artikel 48 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715, rekening houdend met de richtsnoeren van de Commissie.
Artikel 162
Indiening van de rekeningen en kwijting
1.De rekenplichtige van het ODN dient de voorlopige rekeningen voor het begrotingsjaar uiterlijk 1 maart van het volgende begrotingsjaar in bij de rekenplichtige van de Commissie en bij de Rekenkamer.
2.Het ODN dient het verslag over het budgettaire en financiële beheer uiterlijk 31 maart van het volgende begrotingsjaar in bij het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer.
3.Na ontvangst van de opmerkingen van de Rekenkamer over de voorlopige rekeningen van het ODN stelt de rekenplichtige van het ODN de definitieve rekeningen van het ODN op onder hun eigen verantwoordelijkheid. De directeur dient de definitieve rekeningen voor advies in bij de raad van bestuur.
4.De raad van beheer brengt advies uit over de definitieve rekeningen van het ODN.
5.De directeur dient de definitieve rekeningen, samen met het advies van de raad van bestuur, uiterlijk 1 juli van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar in bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.
6.Het ODN maakt de definitieve rekeningen uiterlijk 15 november van het volgende jaar bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
7.De directeur dient uiterlijk 30 september van het volgende begrotingsjaar een antwoord in bij de Rekenkamer op de door haar geformuleerde opmerkingen. De directeur dient dit antwoord eveneens in bij de raad van bestuur.
8.De directeur dient bij het Europees Parlement, op diens verzoek, overeenkomstig artikel 267, lid 3, van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad, alle inlichtingen in die nodig zijn voor het goede verloop van de kwijtingsprocedure voor het betrokken begrotingsjaar.
9.Vóór 15 mei van het jaar N+2 verleent het Europees Parlement op aanbeveling van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, de directeur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het begrotingsjaar N.
Artikel 163
Financiële regels
De financiële regels die van toepassing zijn op het ODN worden vastgesteld door de raad van bestuur, na raadpleging van de Commissie. Deze financiële regels mogen slechts afwijken van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 indien een dergelijke afwijking voor de werking van het ODN vereist is en de Commissie vooraf toestemming heeft verleend.
Artikel 164
Personeel van het ODN
1.Het Statuut van de ambtenaren en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden en de voorschriften die in onderling overleg zijn vastgesteld door de instellingen van de Unie ter uitvoering van dat Statuut en die Regeling, zijn van toepassing op het personeel van het ODN.
2.Overeenkomstig het beginsel van activiteitsgestuurd beheer van personele middelen beschikt het ODN over de voor het uitoefenen van zijn taken noodzakelijke personeelsleden.
3.Het aantal personeelsleden en de overeenkomstige financiële middelen worden voorgesteld overeenkomstig artikel 157, leden 2 en 4, en artikel 158, lid 1, rekening houdend met de artikelen 146 en 147, en alle andere bij deze verordening en andere rechtshandelingen van de Unie aan het ODN toegewezen taken, alsmede met de noodzaak te voldoen aan de op alle gedecentraliseerde agentschappen van de Unie toepasselijke verordeningen.
4.Het ODN mag ook gebruikmaken van gedetacheerde nationale deskundigen of ander personeel dat niet in dienst is van het . Het Statuut en de Regeling zijn niet van toepassing op deze personeelsleden.
5.Bij besluit van de raad van bestuur worden de voorschriften vastgesteld voor de detachering van nationale deskundigen bij het ODN.
7.5.3.HOOFDSTUK III: Algemene bepalingen
Artikel 165
Voorrechten en immuniteiten
Op het ODN en zijn personeelsleden is het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie van toepassing.
Artikel 166
Samenwerking met organen van de Unie, derde landen en internationale organisaties
1.Voor zover noodzakelijk om de doelstellingen van deze verordening te bereiken en om hun taken te vervullen, en onverminderd de bevoegdheden van de lidstaten en de instellingen van de Unie, kunnen Berec, het RSPB en het ODN samenwerken met bevoegde organen, instanties, agentschappen en adviesgroepen van de Unie, bevoegde instanties van derde landen en internationale organisaties.
Daartoe kunnen Berec, het RSPB en het ODN, onder voorbehoud van de voorafgaande goedkeuring door de Commissie, werkafspraken maken. Die afspraken doen geen juridische verplichtingen ontstaan.
2.De raad van regulators van Berec, de RSPB-raad, de werkgroepen en de raad van bestuur staan open voor deelname van instanties van derde landen met primaire bevoegdheid op het gebied van elektronische communicatie of radiospectrum, indien relevant, indien die derde landen met de Unie overeenkomsten in die zin hebben gesloten.
Krachtens de betreffende bepalingen van die overeenkomsten worden werkafspraken gemaakt met een omschrijving van met name de aard, de omvang en de manier waarop de instanties van de betrokken derde landen zonder stemrecht zullen deelnemen aan de werkzaamheden van Berec, het RSPB en het ODN, met inbegrip van bepalingen betreffende de deelname aan initiatieven van Berec en het RSPB, financiële bijdragen en personeel van het ODN. Wat personeelszaken betreft, voldoen deze regelingen in elk geval aan het Statuut.
3.In het kader van het in artikel 141 bedoelde jaarlijkse werkprogramma stellen de raad van regulators van Berec en de RSPB-raad de strategieën van respectievelijk Berec en het RSPB vast voor betrekkingen met bevoegde organen, instanties, agentschappen en adviesgroepen van de Unie, met bevoegde instanties van derde landen en met internationale organisaties inzake aangelegenheden die onder de bevoegdheden van respectievelijk Berec en het RSPB vallen. De Commissie, Berec, het RSPB en het ODN maken passende werkafspraken om ervoor te zorgen dat Berec, het RSPB en het ODN binnen hun mandaat en het bestaande institutionele kader handelen.
Artikel 167
Toegang tot documenten en gegevensbescherming
1.Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad is van toepassing op de documenten die in het bezit zijn van Berec, het RSPB en het ODN.
2.De raad van bestuur van het ODN actualiseert waar nodig de gedetailleerde voorschriften die zijn vastgesteld voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1049/2001 op de documenten die in het bezit zijn van Berec, het RSPB en het ODN. Het ODN is verantwoordelijk voor de behandeling van verzoeken om toegang tot die documenten.
3.Verordening (EU) 2018/1725 is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door het ODN.
Artikel 168
Transparantie en communicatie
1.Berec en het RSPB kunnen, met ondersteuning van het ODN, op eigen initiatief communicatieactiviteiten verrichten die binnen zijn bevoegdheidsgebied vallen, zulks overeenkomstig de door de raad van regulators van Berec en RSPB-raad vastgestelde toepasselijke communicatie- en verspreidingsplannen. De toewijzing van middelen binnen de begroting van het ODN voor een dergelijke ondersteuning van communicatieactiviteiten doet geen afbreuk aan de doeltreffende uitoefening van de in artikelen 122 tot en met 126 genoemde taken van Berec of de in artikelen 132 en 133 genoemde taken van het RSPB of de in artikelen 146 en 147 genoemde taken van het ODN.
2.De communicatieactiviteiten van het ODN worden uitgevoerd in overeenstemming met de desbetreffende door de raad van bestuur vastgestelde communicatie- en verspreidingsplannen.
Artikel 169
Vertrouwelijkheid
1.Onverminderd artikel 167, lid 1, en artikel 171, lid 2, maken Berec, het RSPB en het ODN aan derden geen door hen verwerkte of ontvangen informatie openbaar waarvoor een gemotiveerd verzoek om gehele of gedeeltelijke vertrouwelijke behandeling is ingediend.
2.Leden en andere deelnemers aan de vergaderingen van de raad van regulators van Berec, de RSPB-raad, de raad van bestuur en de werkgroepen, de directeur, gedetacheerde nationale deskundigen en andere personeelsleden die niet in dienst van het ODN zijn, leven de vertrouwelijkheidsverplichtingen na.
3.De raad van regulators van Berec, de RSPB-raad en de raad van bestuur stellen de praktische regelingen vast voor de toepassing van de in de leden 1 en 2 bedoelde vertrouwelijkheidsbepalingen.
Artikel 170
Veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde informatie en gevoelige niet-gerubriceerde informatie
Berec, het RSPB en het ODN stellen hun eigen veiligheidsvoorschriften vast die gelijkwaardig zijn aan de veiligheidsvoorschriften van de Commissie voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie en gevoelige niet-gerubriceerde informatie, waaronder voorschriften betreffende de uitwisseling, verwerking en opslag van dergelijke informatie, zoals vastgesteld in de Besluiten (EU, Euratom) 2015/443 en (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie. Berec, het RSPB of het ODN kan tevens een besluit nemen tot overeenkomstige toepassing van de voorschriften van de Commissie.
Artikel 171
Uitwisseling van informatie
1.Op gemotiveerd verzoek van Berec, het RSPB of het ODN verstrekken de Commissie en de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties Berec, het RSPB of het ODN tijdig en accuraat alle informatie die nodig is om hun taken uit te voeren, op voorwaarde dat zij rechtens inzage in de betreffende informatie kunnen verkrijgen en het verzoek om informatie noodzakelijk is gezien de aard van de betrokken taak.
Berec, het RSPB of het ODN kan ook verlangen dat deze informatie regelmatig en in een nader omschreven formaat wordt verstrekt. Voor deze verzoeken wordt, waar mogelijk, gebruikgemaakt van gemeenschappelijke rapportageformulieren.
2.Op gemotiveerd verzoek van de Commissie, een lidstaat of van een nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instantie, verstrekt Berec, het RSPB of het ODN, op grond van het beginsel van loyale samenwerking, tijdig en accuraat alle informatie die nodig is om de Commissie, de lidstaat, de nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie in staat te stellen haar taken uit te voeren. De Commissie, een lidstaat, de nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie waarborgt overeenkomstig het Unierecht en het nationale recht, met inbegrip van Verordening (EG) nr. 1049/2001, de vertrouwelijkheid van informatie die door Berec, het RSPB of het ODN als vertrouwelijk wordt beschouwd. De vertrouwelijkheid van bedrijfsgegevens vormt geen belemmering om tijdig informatie uit te wisselen.
3.Alvorens overeenkomstig dit artikel informatie op te vragen en om dubbele rapportageverplichtingen te vermijden, houdt Berec, het RSPB of het ODN rekening met alle relevante bestaande informatie die voor het publiek beschikbaar is.
4.Wanneer informatie niet tijdig beschikbaar wordt gesteld door de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties of de lidstaat, kan Berec, het RSPB of het ODN een gemotiveerd verzoek richten tot andere nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties van de betrokken lidstaat, of rechtstreeks tot de betrokken aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken, -diensten en bijbehorende faciliteiten. Berec, het RSPB of het ODN brengt de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties die geen informatie hebben verstrekt, op de hoogte van de verzoeken overeenkomstig de eerste alinea.
Op verzoek van Berec, het RSPB of het ODN verlenen de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties Berec of het RSPB bijstand bij het verzamelen van de informatie.
5.De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties hebben de bevoegdheid om van andere verantwoordelijke nationale instanties of van aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, bijbehorende faciliteiten of bijbehorende diensten te verlangen dat zij alle informatie verstrekken die nodig is voor het uitvoeren van hun taken als bedoeld in dit artikel.
De in de eerste alinea bedoelde andere verantwoordelijke nationale autoriteiten of aanbieders verstrekken die informatie op verzoek terstond en overeenkomstig de vereiste termijnen en mate van gedetailleerdheid.
De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties die verzoeken om informatie kunnen afdwingen door het opleggen van passende, doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties.
Artikel 172
Informatie- en communicatiesysteem
1.Het ODN creëert en beheert een informatie- en communicatiesysteem met ten minste de volgende functies:
(a)een gemeenschappelijk platform voor de uitwisseling van informatie dat Berec, het RSPB, de Commissie en de nationale regelgevende instanties en bevoegde instanties die verantwoordelijk zijn voor radiospectrum de noodzakelijke informatie verschaft voor een consistente uitvoering van het regelgevingskader van de Unie voor elektronische communicatie;
(b)een specifieke interface voor verzoeken om informatie en kennisgeving betreffende die verzoeken bedoeld in artikel 171, toegankelijk voor Berec, het RSPB, het ODN, de Commissie en de nationale regelgevende instanties en bevoegde instanties die verantwoordelijk zijn voor het radiospectrum;
(c)een platform om in een vroeg stadium vast te stellen of er behoefte is aan coördinatie tussen de nationale regelgevende instanties en de bevoegde instanties die verantwoordelijk zijn voor het radiospectrum.
2.De raad van bestuur stelt de technische en functionele specificaties vast teneinde het in lid 1 bedoelde informatie- en communicatiesysteem op te zetten. De raad van bestuur ziet erop toe dat het systeem voldoet aan de wetgeving inzake intellectuele-eigendomsrechten en aan het vereiste vertrouwelijkheidsniveau.
Artikel 173
Belangenverklaringen
1.De leden van de raad van regulators van Berec, de RSPB-raad, de raad van bestuur van het ODN, de directeur, de gedetacheerde nationale deskundigen en andere personeelsleden die niet in dienst van het ODN zijn, leggen elk een schriftelijke verbintenissenverklaring af over het bestaan van directe of indirecte belangen die hun onafhankelijkheid zouden kunnen aantasten.
2.Dergelijke verklaringen worden afgelegd wanneer verantwoordelijkheden worden opgenomen, zijn accuraat en volledig, en worden geactualiseerd telkens er een risico is dat er een direct of indirect belang bestaat dat de onafhankelijkheid van de persoon die de verklaring aflegt, zou kunnen aantasten.
3.De verklaringen van de leden van de raad van regulators van Berec, de leden van de RSPB-raad, de leden van de raad van bestuur van het ODN, en de directeur worden openbaar gemaakt.
4.De leden van de raad van regulators van Berec, de RSPB-raad, de raad van bestuur van het ODN, en van de werkgroepen, en andere deelnemers aan de vergaderingen van die organen, de directeur, de gedetacheerde nationale deskundigen en andere personeelsleden die niet in dienst van het ODN zijn, leggen elk uiterlijk bij de aanvang van elke vergadering een nauwkeurige en volledige verklaring af over belangen met betrekking tot agendapunten die hun onafhankelijkheid zouden kunnen aantasten, en nemen niet deel aan de bespreking van en de stemming over die punten.
5.De raad van regulators van Berec, de RSPB-raad en de raad van bestuur van het ODN stellen de voorschriften vast voor de preventie en het beheer van belangenconflicten en, in het bijzonder, voor de praktische regelingen voor de toepassing van de leden 1 en 2.
Artikel 174
Fraudebestrijding
1.Uiterlijk [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] treedt het ODN toe tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en stelt het op basis van het model in de bijlage bij dat akkoord passende voorschriften op voor alle personeelsleden van het ODN.
2.De Rekenkamer is bevoegd om bij alle begunstigden van subsidies, contractanten en subcontractanten die van het ODN EU-middelen hebben ontvangen, controles op basis van stukken en verificaties ter plaatse te verrichten.
3.OLAF kan, overeenkomstig de bepalingen en procedures die zijn vastgesteld in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad, onderzoeken instellen, met inbegrip van controles en verificaties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is geweest van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten in verband met een subsidieovereenkomst of -besluit of een door het ODN gefinancierd contract, waardoor de financiële belangen van de Unie zijn geschaad.
4.Onverminderd de leden 1 tot en met 3 worden in werkovereenkomsten met derde landen en internationale organisaties, contracten, subsidieovereenkomsten en subsidiebesluiten bepalingen opgenomen die de Rekenkamer en OLAF uitdrukkelijk de bevoegdheid verlenen dergelijke controles en onderzoeken te verrichten overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden.
Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het EOM overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371
Artikel 175
Aansprakelijkheid
1.De contractuele aansprakelijkheid van het ODN wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op het betrokken contract.
2.Het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) is bevoegd uitspraak te doen krachtens arbitrageclausules in door het ODN gesloten overeenkomsten.
3.In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt het ODN in overeenstemming met de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, alle door zijn afdelingen of door zijn personeel bij de uitoefening van hun werkzaamheden veroorzaakte schade.
4.Het Hof van Justitie heeft rechtsmacht voor geschillen over de vergoeding van de in lid 3 bedoelde schade.
5.De persoonlijke aansprakelijkheid van de personeelsleden jegens het ODN wordt beheerst door de op hen van toepassing zijnde bepalingen van het Statuut of de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden.
Artikel 176
Administratieve onderzoeken
Overeenkomstig artikel 228 VWEU zijn de activiteiten van Berec, het RSPB en het ODN onderworpen aan onderzoeken door de Europese Ombudsman.
Artikel 177
Talenregeling
1.Verordening nr. 1 is van toepassing op het ODN.
2.Vertaling en alle andere taalkundige diensten die door het ODN worden verlangd, behalve vertolking, worden verricht door het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie, opgericht bij Verordening (EG) nr. 2965/94 van de Raad.
Artikel 178
Zetelovereenkomst en voorwaarden voor de werking
1.De zetelovereenkomst tussen het Bureau voor ondersteuning van het orgaan van Europese regulerende instanties voor elektronische communicatie en de regering van de Republiek Letland van 21 december 2020 kan worden herzien na goedkeuring door de raad van bestuur.
2.De gastlidstaat biedt de noodzakelijke voorwaarden voor de vlotte en efficiënte werking van het ODN, waaronder meertalig, Europees gericht onderwijs en passende vervoersverbindingen.
Artikel 179
Evaluatie
1.Uiterlijk op [zestig maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] en vervolgens om de vijf jaar verricht de Commissie een evaluatie in overeenstemming met de richtsnoeren van de Commissie om de prestaties van Berec, het RSPB en het ODN te toetsen aan hun doelstellingen, mandaat, taken en locatie. De evaluatie richt zich in het bijzonder op de vraag of de structuur of het mandaat van Berec, het RSPB en het ODN moet worden gewijzigd en op de financiële gevolgen van een dergelijke wijziging.
2.Indien de Commissie van oordeel is dat het voortbestaan van Berec, het RSPB of het ODN niet langer gerechtvaardigd is in het licht van de doelstellingen, het mandaat en de taken die hun zijn toegewezen, kan zij voorstellen deze verordening dienovereenkomstig te wijzigen of in te trekken.
3.De Commissie brengt bij het Europees Parlement, de Raad en de raad van bestuur verslag uit van de bevindingen van haar evaluatie en maakt deze openbaar.
Artikel 180
Overgangsbepalingen met betrekking tot Berec, de opvolging van de RSPG door het RSPB en de opvolging van het Berec-Bureau door het ODN
1.Het ODN volgt het Berec-Bureau op dat werd opgericht bij Verordening (EU) 2018/1971, met betrekking tot alle eigendomsrechten, overeenkomsten, wettelijke verplichtingen, arbeidsovereenkomsten, financiële verbintenissen en passiva.
2.Deze verordening heeft met name geen gevolgen voor de rechten en verplichtingen van het personeel van het Berec-Bureau.
3.Met ingang van [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] treedt de op grond van Verordening (EU) 2018/1971 benoemde directeur op als directeur met de in deze verordening vastgestelde functies. De overige voorwaarden van het contract van de directeur blijven ongewijzigd.
4.De raad van bestuur kan besluiten de ambtstermijn van de in lid 3 van dit artikel bedoelde directeur met een termijn te verlengen. Artikel 156, leden 6 en 7, is van overeenkomstige toepassing. De totale ambtstermijn van de directeur bedraagt maximaal tien jaar.
5.De raad van regulators van Berec en de raad van bestuur als bedoeld in de artikelen 127 en 150 van deze verordening bestaan uit de leden van de raad van regulators van Berec en de raad van bestuur als bedoeld in de artikelen 7 en 15 van Verordening (EU) 2018/1971, totdat nieuwe vertegenwoordigers zijn benoemd, met uitzondering van de voorzitter van de Beleidsgroep radiospectrum (RSPG) als bedoeld in lid 8 van dit artikel, die met ingang van [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] lid wordt van de raad van bestuur van het ODN.
6.De voorzitters en de vicevoorzitters van de raad van regulators van Berec en van raad van bestuur van het ODN die zijn benoemd op basis van Verordening (EU) 2018/1971, blijven voor de resterende tijd van hun eenjarige termijn in functie als voorzitter en vicevoorzitters van de raad van regulators van Berec zoals bedoeld in artikel 130 van de onderhavige verordening, en als voorzitter en vicevoorzitters van de raad van bestuur zoals bedoeld in artikel 152 van de onderhavige verordening.
7.De in artikel 134 van deze verordening bedoelde RSPB-raad bestaat uit de in artikel 3 van het besluit van de Commissie van 11 juni 2019 bedoelde leden van de RSPG, totdat nieuwe vertegenwoordigers zijn benoemd.
8.De voorzitter en de vicevoorzitters van de RSPG, die in functie zijn op [de datum van toepassing], blijven in functie als voorzitter en vicevoorzitter van de RSPB-raad tot het einde van hun ambtstermijn.
9.Werkafspraken die zijn ontwikkeld op grond van artikel 35, lid 2, van Verordening (EU) 2018/1971 blijven geldig voor Berec en het ODN. Leden van de RSPG zonder stemrecht worden deelnemer aan het RSPB zonder stemrecht, mits werkafspraken worden ontwikkeld overeenkomstig artikel 166, lid 2, tweede alinea, van deze verordening.
8.DEEL VIII — ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN
8.1.TITEL I: VERSTREKKING VAN INFORMATIE, ONDERZOEKEN EN RAADPLEGINGSMECHANISME
Artikel 181
Informatieverstrekking
1.Ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, bijbehorende faciliteiten of bijbehorende diensten aanbieden, verstrekken alle informatie, met inbegrip van financiële informatie, die de nationale regelgevende instanties, andere bevoegde instanties, Berec en het RSPB nodig hebben om hun taken uit te voeren en te zorgen voor overeenstemming met de bepalingen van deze verordening of de overeenkomstig deze verordening vastgestelde besluiten of adviezen. Wanneer de verstrekte informatie ontoereikend is om hun regelgevende taken uit hoofde van het Unierecht uit te voeren, hebben de nationale regelgevende instanties, andere bevoegde instanties en Berec en het RSPB het recht dergelijke informatie op te vragen bij andere relevante ondernemingen die actief zijn in de elektronischecommunicatiesector of nauw verwante sectoren, alsook bij de overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1309 opgerichte centrale informatiepunten.
2.Ieder verzoek om informatie moet in evenredigheid zijn met de uitvoering van de in deze verordening vastgelegde taken en moet met redenen worden omkleed. Wanneer de nationale regelgevende instanties ondernemingen verplichten informatie te verstrekken als bedoeld in lid 1, delen zij hen mee voor welk specifiek doel de informatie zal worden gebruikt. Ondernemingen verstrekken de gevraagde informatie onverwijld en in elk geval binnen de vastgestelde termijnen.
3.De nationale regelgevende instanties kunnen van ondernemingen verlangen dat zij informatie verstrekken met betrekking tot de algemene machtiging en de machtiging van de Unie voor het gebruik van spectrum door middel van satellietcommunicatie, de gebruiksrechten of de specifieke verplichtingen, die evenredig en objectief gerechtvaardigd is, met name met het oog op:
(a)het systematisch of per geval verifiëren van de naleving van de voorwaarden of verplichtingen van artikel 9, lid 4, en de artikelen 20, 21, 29, 38, 39, 49, 50, 51 en 67, artikel 68, lid 1, en de artikelen 69 en 77;
(b)het verifiëren, per geval, van de naleving van de voorwaarden van de algemene machtiging of verplichtingen en voorwaarden voor gebruik van radiospectrum of nummervoorraden indien een klacht is ontvangen of de bevoegde instantie andere redenen heeft om aan te nemen dat aan een voorwaarde niet wordt voldaan of de bevoegde instantie op eigen initiatief een onderzoek heeft verricht;
(c)het uitvoeren van procedures voor en de evaluatie van aanvragen om verlening van gebruiksrechten;
(d)het publiceren van vergelijkende overzichten van kwaliteit en prijs van diensten ten behoeve van de consumenten;
(e)het verzamelen van duidelijk omschreven statistieken, verslagen of onderzoeken;
(f)het verrichten van marktanalyses voor de toepassing van deze verordening, met inbegrip van gegevens over de downstream- of retailmarkten die verband houden met of verbonden zijn aan de markten waarop de marktanalyse betrekking heeft, en boekhoudkundige gegevens over de retailmarkten van de ondernemingen die zijn aangemerkt als ondernemingen met een aanmerkelijke marktmacht;
(g)het waarborgen van efficiënt gebruik en efficiënt beheer van radiospectrum en van nummervoorraden;
(h)het evalueren van toekomstige ontwikkelingen van netwerken of diensten die gevolgen kunnen hebben voor de wholesalediensten die beschikbaar worden gesteld aan concurrenten, alsook van informatie over elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, die is uitgesplitst op lokaal niveau en voldoende gedetailleerd is wat betreft territoriale dekking, over connectiviteit die beschikbaar is voor eindgebruikers of voor het uitvoeren van geografisch onderzoek overeenkomstig artikel 183;
(i)het beantwoorden van met redenen omklede verzoeken om informatie van Berec of het RSPB.
(j)De in de punten a) en b) en de punten d) tot en met i) van de eerste alinea bedoelde informatie mag niet worden vereist voorafgaand aan of als voorwaarde voor de toegang tot de markt.
4.De nationale regelgevende instantie waar netwerken en diensten worden aangeboden, kan de overeenkomstig de cyberbeveiligingsverordening die Verordening (EU) 2019/881 moet vervangen, aangewezen bevoegde instantie, verzoeken de naleving van de voorschriften inzake de beveiliging van de ICT-toeleveringsketen te verifiëren en de bevindingen te delen wanneer die verificatie noodzakelijk is om de naleving van de algemene machtigingsvoorwaarden overeenkomstig artikel 9, lid 4, punt d), en artikel 20 te beoordelen.
5.Wat de gebruiksrechten voor radiospectrum betreft, heeft de in lid 3 bedoelde informatie met name betrekking op het doeltreffend en efficiënt gebruik van radiospectrum alsmede op de naleving van dekking en kwaliteit van de dienstverplichtingen die zijn verbonden aan de gebruiksrechten voor radiospectrum en de verificatie ervan.
6.Nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties verzoeken niet nogmaals om informatie waar Berec of het RSPB reeds op grond van lid 1 of lid 3 van dit artikel om heeft verzocht, indien Berec of het RSPB de ontvangen informatie ter beschikking van die instanties heeft gesteld.
7.De nationale regelgevende instanties verlangen van de aanbieders dat zij niet meer dan eenmaal per jaar verslag uitbrengen over de algemene machtiging, de gebruiksrechten en de specifieke verplichtingen.
Artikel 182
Geharmoniseerde informatieverzoeken en rapportage
1.Met het oog op de harmonisatie van informatie- en rapportageverzoeken aan ondernemingen uit hoofde van artikel 181, leden 1, 3 en 7, en overeenkomstig artikel 3, lid 2, punt c), en artikel 202, vaardigt Berec uiterlijk [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening], in nauwe samenwerking met de Commissie, richtsnoeren uit over relevante onderwerpen, onder meer over het toepassingsgebied, het tijdschema, de frequentie en het formaat van de informatie- en rapportageverzoeken en de procedures voor het verzamelen van informatie. De richtsnoeren bevatten ook modellen voor verzoeken om informatie en rapportage.
2.In voorkomend geval ontwikkelt het RSPB modellen voor verzoeken om informatie. De informatie wordt opgevraagd en ingediend overeenkomstig de ontwikkelde modellen.
3.De Commissie kan door middel van een uitvoeringshandeling de methoden voor het verzamelen van informatie door de nationale regelgevende instanties harmoniseren.
De in de eerste alinea vermelde uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 199, lid 4, bedoelde procedure vastgesteld.
4.Wanneer de in artikel 3, lid 1, punt g), bedoelde informatie over duurzaamheid wordt verzameld, hebben de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties eerst toegang tot de informatie die ondernemingen op grond van andere relevante wetgeving van de Unie hebben verstrekt. Indien de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties concluderen dat deze informatie ontoereikend is voor de uitvoering van de in deze verordening vastgestelde taken, kan Berec de in lid 1 van dit artikel bedoelde richtsnoeren actualiseren door te voorzien in het verzamelen van de benodigde aanvullende gegevens.
5.De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties verstrekken aan de Commissie, op met redenen omkleed verzoek, de informatie die zij nodig heeft om haar taken uit hoofde van het VWEU te vervullen. De door de Commissie gevraagde informatie moet in evenredigheid zijn met de uitvoering van die taken. Indien de verstrekte informatie betrekking heeft op informatie die voordien door ondernemingen op verzoek van de instantie is verstrekt, worden die ondernemingen daarvan in kennis gesteld. Tenzij de instantie die de informatie verschaft een uitdrukkelijk en met redenen omkleed andersluidend verzoek indient, stelt de Commissie de verstrekte informatie voor zover nodig aan een andere dergelijke instantie in een andere lidstaat beschikbaar.
6.Met inachtneming van de vereisten van lid 7 wordt de aan een instantie verstrekte informatie beschikbaar gesteld aan een andere regelgevende instantie in dezelfde of in een andere lidstaat en aan Berec en het RSPB na een met redenen omkleed verzoek daartoe, indien zulks nodig is om de respectieve instanties, Berec of het RSPB in staat te stellen hun taken uit hoofde van het Unierecht te vervullen.
7.Wanneer informatie die op grond van artikel 181, leden 1 en 3, is verzameld, met inbegrip van op grond van artikel 183 in het kader van een geografisch onderzoek verzamelde informatie, door een nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie in overeenstemming met de nationale en Unievoorschriften betreffende de vertrouwelijkheid van handelsgegevens als vertrouwelijk wordt beschouwd, garanderen de Commissie, Berec en elke andere bevoegde instantie het vertrouwelijke karakter van de verstrekte informatie. De Commissie, Berec en andere betrokken bevoegde instanties worden er niet van weerhouden tijdig onderling informatie uit te wisselen met het oog op de evaluatie en monitoring van en het toezicht op de toepassing van deze verordening.
8.De nationale regelgevende instanties, handelend in overeenstemming met de nationale regels inzake de toegang van het publiek tot informatie en met inachtneming van de nationale en Unievoorschriften betreffende de vertrouwelijkheid van handelsgegevens en de bescherming van persoonsgegevens, publiceren informatie die bijdraagt tot een open en concurrerende markt.
9.De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties publiceren de voorwaarden voor de toegang van het publiek tot informatie als bedoeld in lid 7, met inbegrip van de procedures voor het verkrijgen van die toegang.
Artikel 183
Geografisch onderzoek van de uitrol van netwerken
1.De nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties voeren uiterlijk op [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] een geografisch onderzoek uit naar het bereik van elektronischecommunicatienetwerken die breedbanddiensten kunnen leveren (“breedbandnetwerken”) en actualiseren dat onderzoek minstens om de drie jaar.
2.Het geografische onderzoek omvat een onderzoek naar het huidige geografische bereik van de beschikbaarheid (aansluitbare panden), gereedheid (aangesloten panden) en benutting (geactiveerde panden, wanneer de dienst actief en functioneel is) van elk elektronischecommunicatienetwerk waarbij, in voorkomend geval, een onderscheid wordt gemaakt tussen residentiële, zakelijke en openbare segmenten op hun grondgebied, zoals vereist voor de taken van de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties uit hoofde van deze verordening. Het geografische onderzoek draagt ook bij tot de toepassing van de staatssteunregels, indien aan de desbetreffende vereisten is voldaan.
3.Het geografische onderzoek omvat een prognose voor een door de relevante autoriteit bepaalde periode van het bereik van breedbandnetwerken op haar grondgebied, met inbegrip van ten minste de aansluitbare panden en, in voorkomend geval, de panden die verbonden zijn met gigabitnetwerken. Het geografische onderzoek draagt bij tot het in kaart brengen dat vereist is voor de toepassing van de staatssteunregels, indien aan de desbetreffende vereisten is voldaan.
4.De in lid 3 bedoelde prognose bevat alle relevante informatie, met inbegrip van informatie over de geplande uitrol door een onderneming of overheidsinstantie, van ten minste gigabitnetwerken. Daartoe verzoeken de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties ondernemingen en overheden om dergelijke informatie te verstrekken voor zover die informatie beschikbaar is en middels redelijke inspanningen kan worden verstrekt.
5.De nationale regelgevende instantie bepaalt, met betrekking tot de krachtens deze verordening specifiek aan haar toegekende taken, in hoeverre het passend is te vertrouwen op alle of een deel van de in het kader van een dergelijke prognose verzamelde informatie.
6.Indien een geografisch onderzoek niet door de nationale regelgevende instantie wordt verricht, geschiedt dit in samenwerking met die instantie voor zover dit voor haar taken relevant kan zijn. De in het kader van het geografische onderzoek verzamelde informatie heeft een passend niveau van lokale gedetailleerdheid, bereikt zo nodig het adresniveau, bevat voldoende informatie over de kwaliteit van de dienst, met inbegrip van ten minste download- en uploadsnelheden, het transmissiemedium (draadloos of bedraad) en de gebruikte technologie, en wordt behandeld overeenkomstig artikel 182, lid 6.
7.De nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties kunnen een territoriaal duidelijk afgebakend gebied aanwijzen waarvoor op basis van de op grond van lid 1 verzamelde informatie en eventueel opgestelde prognose is vastgesteld dat voor de duur van de betrokken prognoseperiode geen onderneming of overheid een gigabitnetwerk heeft uitgerold en dat ook niet van plan is, of van plan is het bestaande netwerk voor elektronische communicatie aanzienlijk te moderniseren tot een gigabitnetwerk. De nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties maken de aangewezen gebieden bekend.
8.In een aangewezen gebied kunnen de relevante instanties ondernemingen en overheden verzoeken te verklaren dat zij voornemens zijn gigabitnetwerken uit te rollen voor de duur van de betrokken prognoseperiode. Indien dit verzoek uitmondt in een verklaring door een onderneming of overheid dat zij inderdaad dit voornemen heeft, kan de relevante instantie andere ondernemingen en overheden vragen om te verklaren of zij eventueel voornemens zijn om in dit gebied gigabitnetwerken uit te rollen. De relevante instantie specificeert de informatie die in dergelijke indieningen moet worden opgenomen, om ten minste een soortgelijke mate van detail te garanderen als die waarmee rekening is gehouden in een eventuele prognose op grond van lid 1.
9.Nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties verzamelen gegevens in overeenstemming met een efficiënte, waar mogelijk automatische, objectieve, transparante en niet-discriminerende procedure, waarbij geen enkele onderneming a priori wordt uitgesloten.
10.De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, en de lokale, regionale en nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor de toewijzing van openbare middelen voor de uitrol van elektronischecommunicatienetwerken, voor het ontwerp van nationale breedbandplannen, voor het vaststellen van aan gebruiksrechten voor radiospectrum verbonden dekkingsverplichtingen en voor de controle van de beschikbaarheid van diensten die onder de universeledienstverplichting op hun grondgebied vallen, houden rekening met de resultaten van het geografisch onderzoek en van op grond van de leden 1 tot en met 3 aangewezen gebieden. Bij de toewijzing van overheidsmiddelen voor de uitrol van elektronischecommunicatienetwerken wordt rekening gehouden met de resultaten van de geografische onderzoeken en elk van de op grond van de leden 1 tot en met 3 aangewezen gebieden, voor zover deze relevant en passend zijn om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de toepassing van de staatssteunregels. De instanties die het geografisch onderzoek uitvoeren, verstrekken die resultaten, op voorwaarde dat de ontvangende instantie hetzelfde niveau van vertrouwelijkheid en bescherming van bedrijfsgeheimen als de informatieverstrekkende instantie waarborgt, en de partijen die de informatie hebben verstrekt, daarvan in kennis stellen. Die resultaten worden ook ter beschikking gesteld van Berec en de Commissie, op hun verzoek en onder dezelfde voorwaarden.
11.Indien de desbetreffende informatie niet beschikbaar is op de markt, maken de bevoegde instanties gegevens uit de geografische onderzoeken waarop geen vertrouwelijkheid van handelsgegevens van toepassing is, rechtstreeks toegankelijk in overeenstemming met Richtlijn (EU) 2019/1024, zodat deze opnieuw kunnen worden gebruikt. Indien dergelijke instrumenten niet op de markt beschikbaar zijn, stellen zij tevens informatie-instrumenten beschikbaar die eindgebruikers in staat stellen de beschikbaarheid van connectiviteit in verschillende gebieden te bepalen met een mate van gedetailleerdheid die nuttig is ter staving van hun keuze van exploitant of dienstenaanbieder.
12.De nationale regelgevende instantie analyseert de resultaten van de informatie die is verzameld in het kader van een geografisch onderzoek uit hoofde van dit artikel en beslist of het nodig is een marktanalyse uit te voeren in de zin van de artikelen 72 en 73. De nationale regelgevende instantie maakt de resultaten van die analyse openbaar in de vorm van een verslag.
13.In de periode van de overstap naar glasvezel bevat het in lid 12 van dit artikel bedoelde verslag de analyse van de informatie over geografische onderzoeken en de analyse van de overeenkomstig artikel 181 of andere beschikbare bronnen verzamelde informatie over de prijzen en de kwaliteit van de diensten die beschikbaar zijn via koper- en glasvezelnetwerken. Het verslag wordt gebruikt om de in artikel 57 vastgestelde duurzaamheidsvoorwaarden te beoordelen. Het eerste verslag moet uiterlijk [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] worden bekendgemaakt.
Artikel 184
Raadplegings- en transparantiemechanisme
1.Behalve in gevallen die vallen onder artikel 86, 188 of 189, wanneer de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties voornemens zijn krachtens deze verordening maatregelen te nemen, dan wel wanneer zij voornemens zijn krachtens artikel 16, leden 1 en 2, beperkingen vast te stellen die een belangrijke impact op de betrokken markt hebben, bieden zij de belanghebbende partijen de mogelijkheid binnen een redelijke periode opmerkingen over de ontwerpmaatregel in te dienen, rekening houdend met de complexiteit van de materie, en in elk geval gedurende een periode van niet minder dan dertig dagen.
2.Voor de toepassing van artikel 31 van deze verordening stellen de bevoegde instanties de Commissie, het RSPB, Berec en de bevoegde instanties van andere lidstaten op het moment van publicatie in kennis van elke ontwerpmaatregel die binnen het toepassingsgebied van de vergelijkende of op concurrentie gebaseerde selectieprocedure overeenkomstig artikel 30, lid 4, van deze verordening valt en betrekking heeft op het gebruik van geharmoniseerd radiospectrum om het gebruik ervan voor draadloze breedbandnetwerken en -diensten mogelijk te maken.
3.De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties maken hun nationale raadplegingsprocedures bekend via een centraal informatiepunt waar alle lopende raadplegingen toegankelijk zijn.
4.De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties maken de resultaten van de raadpleging voor het publiek beschikbaar, behalve in geval van vertrouwelijke informatie overeenkomstig de nationale en Unievoorschriften betreffende de vertrouwelijkheid van handelsgegevens.
Artikel 185
Overleg met belanghebbenden
1.De bevoegde instanties, in voorkomend geval in coördinatie met de nationale regelgevende instanties, houden in passende mate rekening met de standpunten van eindgebruikers, in het bijzonder consumenten en eindgebruikers met een handicap), fabrikanten en ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aanbieden over aangelegenheden die verband houden met alle eindgebruikers- en consumentenrechten, waaronder een gelijkwaardige toegang en keuze voor eindgebruikers met een handicap, met betrekking tot voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten, met name wanneer zij een belangrijke invloed hebben op de markt.
2.De bevoegde instanties, in voorkomend geval in coördinatie met de nationale regelgevende instanties, zetten een raadplegingsmechanisme op dat toegankelijk is voor eindgebruikers met een handicap en dat waarborgt dat bij hun besluitvorming inzake vraagstukken die verband houden met alle rechten van eindgebruikers en consumenten wat voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten betreft op passende wijze rekening wordt gehouden met de belangen van de consument op het gebied van elektronische communicatie.
3.Belanghebbende partijen kunnen, met advies van de bevoegde instanties, in voorkomend geval in coördinatie met de nationale regelgevende instanties, mechanismen ontwikkelen, waarbij consumenten, gebruikersgroepen en aanbieders van diensten worden betrokken, teneinde de algehele kwaliteit van de dienstverlening te verbeteren door onder meer gedragscodes en functioneringsnormen te ontwikkelen en bij te houden.
4.Onverminderd de met het Unierecht strokende nationale voorschriften ter bevordering van doelstellingen op het gebied van cultuur- en mediabeleid, zoals culturele en taaldiversiteit en mediapluriformiteit, kunnen de bevoegde instanties, in voorkomend geval in coördinatie met de nationale regelgevende instanties, de samenwerking bevorderen tussen de ondernemers die elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aanbieden en de sectoren die geïnteresseerd zijn in de bevordering van wettelijke inhoud in elektronischecommunicatienetwerken en -diensten. Die samenwerking kan ook de coördinatie omvatten van de informatie van algemeen belang die op grond van artikel 105 ter beschikking moet worden gesteld.
8.2.TITEL II: HARMONISATIEPROCEDURES
Artikel 186
Harmonisatieprocedures
1.De Commissie kan, wanneer zij vaststelt dat verschillen bij de uitvoering door de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties van de in deze verordening gespecificeerde reguleringstaken, belemmeringen zouden kunnen opwerpen voor de interne markt, rekening houdend met het advies van Berec of, in voorkomend geval, van het RSPB, aanbevelingen vaststellen of met inachtneming van lid 3 van dit artikel besluiten vaststellen door middel van uitvoeringshandelingen om de geharmoniseerde toepassing van deze verordening bij de verwezenlijking van de in artikel 3 vermelde algemene doelstellingen te garanderen.
2.De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties houden bij de uitvoering van hun taken rekening met de in lid 1 bedoelde aanbevelingen. Indien een nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instantie besluit om een aanbeveling niet op te volgen, brengt zij de Commissie daarvan op de hoogte met vermelding van de motivering van haar standpunt.
3.Op grond van lid 1 genomen besluiten schrijven enkel voor de volgende aangelegenheden een geharmoniseerde of gecoördineerde aanpak voor:
(a)de inconsequente uitvoering van algemene benaderingen bij de regelgeving door de nationale regelgevende instanties met betrekking tot de regulering van de elektronischecommunicatiemarkten ter toepassing van de artikelen 72 en 73, indien dit een belemmering opwerpt voor de interne markt; dergelijke besluiten hebben geen betrekking op de specifieke kennisgevingen die overeenkomstig artikel 85 door de nationale regelgevende instanties worden gedaan; in een dergelijk geval stelt de Commissie alleen een ontwerpbesluit voor:
(I)na ten minste twee jaar volgend op de goedkeuring van een aanbeveling van de Commissie over hetzelfde onderwerp;
(II)rekening houdend met het advies van Berec over de vaststelling van een dergelijk besluit, dat binnen drie maanden na het verzoek van de Commissie door Berec wordt ingediend;
(b)de nummering, met inbegrip van nummerreeksen, de portabiliteit van nummers en identificatienummers, nummer- en adresvertaalsystemen en toegang tot de hulpdiensten via noodcommunicatie.
4.De in lid 1 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 199, lid 4, bedoelde procedure.
5.Berec kan de Commissie op eigen initiatief advies verstrekken over de vraag of maatregelen moeten worden genomen op grond van lid 1.
6.Indien de Commissie geen aanbeveling of besluit heeft vastgesteld binnen één jaar na de datum van vaststelling van een Berec-advies waarin wordt aangegeven dat er bij de uitvoering door de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties van de in deze verordening gespecificeerde regelgevingstaken verschillen bestaan die belemmeringen voor de interne markt zouden kunnen opwerpen, stelt zij het Europees Parlement en de Raad in kennis van de redenen waarom zij dit niet heeft gedaan, en maakt zij die redenen openbaar.
Indien de Commissie overeenkomstig lid 1 van dit artikel een aanbeveling heeft vastgesteld, maar de inconsistente uitvoering die belemmeringen voor de interne markt opwerpt, twee jaar daarna nog steeds aanhoudt, stelt de Commissie, met inachtneming van lid 3 van dit artikel, een besluit vast om de in lid 3 van dit artikel genoemde kwesties aan te pakken door middel van uitvoeringshandelingen overeenkomstig de in artikel 199, lid 4, genoemde procedure.
Indien de Commissie één jaar na een op grond van het tweede deel van de zin in lid 1 vastgestelde aanbeveling geen besluit heeft vastgesteld, stelt zij het Europees Parlement en de Raad in kennis van de redenen waarom zij dit niet gedaan, en maakt zij die redenen openbaar.
Artikel 187
Normalisatie
1.De Commissie stelt een lijst van niet-verplichte normen of technische specificaties op die moet dienen als basis voor het aanmoedigen van het geharmoniseerde aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken, elektronischecommunicatiediensten en bijbehorende faciliteiten en diensten, en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. Indien nodig kan de Commissie, na raadpleging van het bij Richtlijn (EU) 2015/1535 ingestelde comité, overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EU) nr. 1025/2012 een of meer Europese normalisatieorganisaties verzoeken normen op te stellen.
2.De lidstaten moedigen het gebruik aan van de in lid 1 bedoelde normen of technische specificaties voor het aanbieden van diensten, technische interfaces of netwerkfuncties, voor zover dat strikt nodig is om interoperabiliteit van diensten, eind-tot-eindverbindingen, facilitering van de overstap naar een andere aanbieder en de portabiliteit van nummers en identificatienummers te waarborgen en de keuzevrijheid van de gebruikers te verbeteren.
3.Indien de normen of technische specificaties niet zijn gepubliceerd overeenkomstig lid 1, moedigen de lidstaten de toepassing aan van normen of technische specificaties die zijn vastgesteld door Europese normalisatieorganisaties. Indien dergelijke normen of specificaties ontbreken, moedigen de lidstaten de toepassing aan van internationale normen of aanbevelingen die door de ITU, de Europese Conferentie van de administraties van posterijen en van telecommunicatie (CEPT), de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) of de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) zijn aangenomen.
4.Indien er internationale normen bestaan, moedigen de lidstaten de Europese normalisatieorganisaties aan om die normen of de relevante onderdelen daarvan te gebruiken als basis voor de normen die zij ontwikkelen, tenzij dergelijke internationale normen of relevante onderdelen daarvan ondoeltreffend zouden zijn. Geen van de normen en technische specificaties bedoeld in lid 1 of in het onderhavige lid belet toegang als krachtens deze verordening vereist kan zijn, waar dat uitvoerbaar is.
5.Indien de in lid 1 bedoelde normen of specificaties niet in toereikende mate zijn toegepast, zodat de interoperabiliteit van diensten in één of meer lidstaten niet kan worden gewaarborgd, kan de toepassing van die normen of specificaties verplicht worden gesteld overeenkomstig lid 6, voor zover dat strikt noodzakelijk is om de interoperabiliteit te waarborgen en de keuzevrijheid van de gebruikers te verbeteren.
6.Indien de Commissie voornemens is de toepassing van bepaalde normen of technische specificaties verplicht te stellen, maakt zij een mededeling bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie en nodigt zij alle betrokken partijen uit om hun opmerkingen openbaar mee te delen. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de toepassing van de relevante normen of technische specificaties verplicht door deze te vermelden als verplichte normen of verplichte technische specificaties in de lijst van normen of technische specificaties die wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
7.Indien de Commissie van mening is dat de in lid 1 bedoelde normen of technische specificaties niet langer bijdragen tot de levering van geharmoniseerde elektronischecommunicatiediensten, niet langer beantwoorden aan de behoeften van de consument of de technologische ontwikkeling in de weg staan, schrapt zij die normen of specificaties van de in lid 1 bedoelde lijst van normen of technische specificaties.
8.Indien de Commissie van mening is dat de in lid 6 bedoelde normen of specificaties niet langer bijdragen tot de levering van geharmoniseerde elektronischecommunicatiediensten, niet langer beantwoorden aan de behoeften van de consument of de technologische ontwikkeling in de weg staan, kan zij door middel van uitvoeringshandelingen die normen of specificaties schrappen van de in lid 1 bedoelde lijst van normen of specificaties.
9.De uitvoeringshandelingen bedoeld in de leden 6 en 8 van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure bedoeld in artikel 199, lid 4.
10.Dit artikel geldt niet voor de essentiële vereisten, interfacespecificaties of geharmoniseerde normen waarop Richtlijn 2014/53/EU van toepassing is.
8.3.TITEL III: BESLECHTING VAN GESCHILLEN
Artikel 188
Buitengerechtelijke beslechting van geschillen
1.De nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie die verantwoordelijk is voor, of ten minste één onafhankelijk orgaan met bewezen deskundigheid in, de toepassing van de artikelen 95 tot en met 98 en artikel 100 van deze verordening, wordt opgenomen in de lijst van entiteiten voor alternatieve geschillenbeslechting overeenkomstig artikel 20, lid 2, van Richtlijn 2013/11/EU, teneinde geschillen tussen aanbieders en consumenten en, in voorkomend geval en binnen hun mandaat, micro-ondernemingen en kleine ondernemingen, die in het kader van deze verordening ontstaan en die betrekking hebben op de uitvoering van contracten, te beslechten.
2.Indien partijen uit verschillende lidstaten bij het geschil betrokken zijn, coördineren de bevoegde instanties die in lid 1 worden genoemd, hun inspanningen om het geschil te beslechten, onverminderd Richtlijn 2013/11/EU.
3.Aanbieders van internettoegangsdiensten voeren transparante, eenvoudige en efficiënte procedures in om klachten van eindgebruikers in verband met de rechten en verplichtingen neergelegd in artikel 93 en klachten van consumenten, micro-ondernemingen en organisaties zonder winstoogmerk in verband met de rechten neergelegd in afdeling 5 van bijlage III te behandelen.
Artikel 189
Beslechting van geschillen tussen ondernemingen
1.Wanneer op een onder deze verordeningen vallend gebied een geschil in verband met de bestaande verplichtingen ontstaat tussen aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken of -diensten in een lidstaat, of tussen dergelijke ondernemingen en andere ondernemingen in de lidstaat die profiteert van de verplichtingen op het gebied van toegang of interconnectie, of tussen aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten in een lidstaat en aanbieders van bijbehorende faciliteiten, neemt de betrokken nationale regelgevende instantie op verzoek van een van beide partijen, op basis van duidelijke en efficiënte procedures, een bindend besluit om het geschil te beslechten, en wel zo spoedig mogelijk of in ieder geval binnen vier maanden, behalve in uitzonderlijke omstandigheden. Alle partijen werken volledig samen met de nationale regelgevende instantie.
2.Bij het beslechten van een geschil laat de nationale regelgevende instantie zich leiden door het nastreven van de algemene doelstellingen van artikel 3. De verplichtingen die de nationale regelgevende instantie aan een onderneming oplegt in het kader van het oplossen van een geschil voldoen aan deze verordening.
3.Het besluit van de nationale regelgevende instantie wordt openbaar gemaakt, met inachtneming van de voorschriften betreffende vertrouwelijkheid van handelsgegevens. De nationale regelgevende instantie verstrekt aan de betrokken partijen een volledig verslag van de redenen waarop het besluit is gebaseerd.
4.De procedure van de leden 1 tot en met 3 laat het recht van elk der partijen onverlet om een zaak bij de rechtbank aanhangig te maken.
Artikel 190
Beslechting van grensoverschrijdende geschillen
1.Wanneer op een onder deze verordening vallend gebied een geschil ontstaat tussen ondernemingen in verschillende lidstaten, zijn de leden 2 tot en met 4 van dit artikel van toepassing. Die bepalingen zijn niet van toepassing op geschillen betreffende radiospectrumcoördinatie die onder artikel 14 vallen.
2.Elke partij kan het geschil voorleggen aan de betrokken nationale regelgevende instantie of instanties. Indien het geschil gevolgen heeft voor de handel tussen lidstaten, wordt het door de bevoegde nationale regelgevende instantie of instanties ter kennis van Berec gebracht om er een consistente beslechting van het geschil voor te vinden, overeenkomstig de doelstellingen van artikel 3.
3.Indien een dergelijke kennisgeving is gedaan, brengt Berec een advies uit waarin de nationale regelgevende instantie of instanties wordt verzocht specifieke maatregelen te nemen om het geschil te beslechten of om geen maatregelen te nemen, zulks op zo kort mogelijke termijn en in elk geval binnen vier maanden behalve in uitzonderlijke omstandigheden.
4.De betrokken nationale regelgevende instanties wachten het advies van Berec af alvorens maatregelen te nemen om het geschil te beslechten. In uitzonderlijke omstandigheden kan een bevoegde nationale regelgevende instantie, indien er een dringende noodzaak is om te handelen teneinde de mededinging of de belangen van eindgebruikers te beschermen, hetzij op verzoek van de partijen, hetzij op eigen initiatief, voorlopige maatregelen vaststellen.
5.Alle door een nationale regelgevende instantie aan een onderneming opgelegde verplichtingen als onderdeel van de oplossing van een geschil moeten in overeenstemming zijn met deze verordening, rekening houden met het door Berec vastgestelde advies en binnen een maand na dat advies worden vastgesteld.
6.De procedure van lid 2 laat het recht van elk van beide partijen onverlet om een zaak bij de rechtbank aanhangig te maken.
8.4.TITEL IV: SAMENWERKING TUSSEN ECOSYSTEMEN
Artikel 191
Richtsnoeren om de samenwerking tussen ecosystemen te vergemakkelijken
1.Uiterlijk [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] publiceert Berec, na raadpleging van de belanghebbenden en in nauwe samenwerking met de Commissie, richtsnoeren om aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en andere ondernemingen die actief zijn in de elektronischecommunicatiesector of in nauw verwante sectoren, bij te staan bij de toepassing van praktijken in de sector en bij het faciliteren van samenwerking op technisch en commercieel gebied in verband met het op efficiënte, economisch duurzame en betrouwbare wijze aanbieden van elektronischecommunicatiediensten of diensten van de informatiemaatschappij, alsook in verband met het aanbieden van innovatieve producten en diensten, ten behoeve van de eindgebruikers. Dergelijke richtsnoeren hebben betrekking op kwesties die buiten het toepassingsgebied van de verplichtingen uit hoofde van deze verordening vallen en die gevolgen hebben voor het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten of diensten van de informatiemaatschappij.
2.Met de steun van het ODN bevordert Berec doeltreffende samenwerking tussen aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en ondernemingen die actief zijn in de elektronischecommunicatiesector of in nauw verwante sectoren, waarbij ervoor wordt gezorgd dat die samenwerking in overeenstemming is met de in lid 1 bedoelde richtsnoeren. Berec bevordert de coherente toepassing van deze richtsnoeren, moedigt de ontwikkeling van gezamenlijke technische en commerciële praktijken aan en monitort de gevolgen ervan voor het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten en diensten van de informatiemaatschappij op een efficiënte, economisch duurzame en betrouwbare wijze.
Artikel 192
Faciliteit voor vrijwillige bemiddeling
1.Op verzoek van aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of andere ondernemingen die actief zijn in de elektronischecommunicatiesector of in nauw verwante sectoren, bieden de nationale regelgevende instanties een verzoeningsbijeenkomst aan tussen twee aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of tussen een dergelijke aanbieder en een andere onderneming die actief is in de elektronischecommunicatiesector of in nauw verwante sectoren, over technische en commerciële regelingen die onder de in artikel 191, lid 1, bedoelde richtsnoeren vallen. De verzoeningsbijeenkomst wordt bijeengeroepen door de nationale regelgevende instantie van de partij die het bemiddelingsverzoek indient, tenzij de partijen anders overeenkomen.
2.Binnen één week na het verzoek om vrijwillige bemiddeling stelt de nationale regelgevende instantie Berec in kennis van de elementen van de zaak. Binnen twee maanden na het verzoek brengt Berec advies uit over de elementen van de zaak en de opties voor doeltreffende samenwerking overeenkomstig de in artikel 191 bedoelde richtsnoeren.
3.In samenwerking met Berec roept de in lid 1 van dit artikel bedoelde nationale regelgevende instantie de partijen uiterlijk drie maanden na de indiening van het verzoek om de faciliteit voor vrijwillige bemiddeling bijeen. Uiterlijk één maand na de vergadering verstrekt de nationale regelgevende instantie, rekening houdend met het advies van Berec, een schriftelijk verslag van de vergadering, met inbegrip van de volgende informatie:
(a)de standpunten van de betrokken partijen;
(b) mogelijke vervolgstappen;
(c)elementen van overeenstemming, indien van toepassing en indien beide partijen aanwezig waren op de vergadering;
(d)door de nationale regelgevende instantie voorgestelde opties voor doeltreffende samenwerking, indien beide partijen aanwezig waren op de vergadering en er geen overeenstemming werd bereikt.
Artikel 193
Verslaglegging over en evaluatie van de werking van de samenwerking tussen ecosystemen
Uiterlijk [24 maanden na de datum van toepassing van deze verordening en daarna om de twee jaar] publiceert Berec een verslag over de gevolgen van de toepassing van de in artikel 191, lid 1, bedoelde richtsnoeren voor doeltreffende samenwerking op het gebied van ecosystemen en voor de werking van de in artikel 192 bedoelde faciliteit voor vrijwillige bemiddeling.
Uiterlijk [36 maanden na de datum van toepassing van deze verordening] evalueert de Commissie, rekening houdend met het in lid 1 bedoelde Berec-verslag, de werking van de samenwerking tussen ecosystemen.
8.5.TITEL V: NALEVING EN RECHT VAN BEROEP
Artikel 194
Wijziging van rechten en verplichtingen in het kader van algemene machtigingen en individuele machtigingen voor schaarse middelen
1.De rechten, voorwaarden en procedures inzake algemene machtigingen en gebruiksrechten voor radiospectrum of voor nummervoorraden of rechten om faciliteiten te installeren kunnen alleen worden gewijzigd in objectief met redenen omklede gevallen en op evenredige wijze, in voorkomend geval rekening houdend met de specifieke voorwaarden die van toepassing zijn op de overdraagbare gebruiksrechten voor radiospectrum of voor nummervoorraden.
2.Tenzij de voorgestelde wijzigingen minimaal zijn en daarover overeenstemming is bereikt met de houder van de rechten of van de algemene machtiging, zal het voornemen om dergelijke wijzigingen aan te brengen, ruim van tevoren worden bekendgemaakt. Houders van de rechten of de algemene machtiging en andere belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten, krijgen voldoende tijd om hun standpunt over de voorgestelde wijzigingen kenbaar te maken. Die termijn bedraagt behalve in uitzonderlijke gevallen ten minste vier weken. De nationale bevoegde instanties maken de wijzigingen bekend, samen met de redenen daarvoor.
Artikel 195
Beperking of intrekking van rechten
1.Onverminderd artikel 196, leden 10 en 11, mogen de bevoegde instanties de gebruiksrechten voor radiospectrum of voor nummervoorraden die voor een bepaalde periode zijn verleend, niet vóór het verstrijken van de periode waarvoor zij verleend zijn, beperken of intrekken, behalve in met redenen omklede gevallen op grond van lid 2 van dit artikel, en, waar nodig, in overeenstemming met artikel 20, 21 of 50, en op grond van de relevante nationale bepalingen inzake compensatie voor de intrekking van rechten.
2.De bevoegde instanties kunnen andere gebruiksrechten voor radiospectrum dan die welke voor onbepaalde tijd zijn verleend, beperken of intrekken wanneer dat nodig is om een efficiënt en doeltreffend gebruik van radiospectrum of de uitvoering van de uit hoofde van artikel 4 van Beschikking nr. 676/2002/EG vastgestelde technische harmonisatiemaatregelen te waarborgen. Een dergelijk besluit is gebaseerd op vooraf vastgestelde en duidelijk omschreven procedures uit hoofde van het nationale recht, in overeenstemming met de beginselen van evenredigheid en non-discriminatie. Wanneer gebruiksrechten voor een bepaalde duur zijn toegewezen, hebben de houders van de rechten, tenzij op het tijdstip van de verlening van het recht anders is bepaald, het recht op een passende vergoeding voor de directe kosten van migratie of hertoewijzing van radiospectrum overeenkomstig het nationale recht.
3.Een wijziging in het gebruik van radiospectrum als gevolg van de toepassing van artikel 16, lid 1 of 2, rechtvaardigt op zichzelf niet de intrekking van een recht om radiospectrum te gebruiken.
4.Elk voornemen om rechten in het kader van de algemene machtiging of individuele gebruiksrechten voor radiospectrum of voor nummervoorraden te beperken of in te trekken zonder toestemming van de houder van de rechten, wordt aan overleg met de belanghebbenden onderworpen overeenkomstig artikel 185.
Artikel 196
Naleving van de voorwaarden van de algemene machtiging en verplichtingen en voorwaarden voor gebruiksrechten voor radiospectrum, voor nummervoorraden, specifieke verplichtingen en maatregelen in geval van niet-naleving
1.De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties houden toezicht op de naleving van de voorwaarden van de in artikel 9, lid 4, bedoelde algemene machtiging, de verplichtingen en voorwaarden voor gebruiksrechten voor radiospectrum als bedoeld in de artikelen 20, 21, 22, 24,25, 26, 27, 29, 33 en 34, voor nummervoorraden als bedoeld in de artikelen 46, 49 en 50, en de specifieke verplichtingen van deel V.
2.De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties kunnen eisen dat ondernemingen die onderworpen zijn aan de algemene machtiging of gebruiksrechten hebben voor radiospectrum of voor nummervoorraden, de nodige informatie verstrekken om na te gaan of wordt voldaan aan de voorwaarden voor de algemene machtiging of de verplichtingen en voorwaarden voor de gebruiksrechten voor radiospectrum en voor nummervoorraden of aan de specifieke verplichtingen van deel V, overeenkomstig artikel 181.
3.Indien een bevoegde instantie van oordeel is dat een onderneming niet voldoet aan een of meer voorwaarden voor de algemene machtiging of de verplichtingen en voorwaarden voor gebruiksrechten voor radiospectrum en voor nummervoorraden of aan de specifieke verplichtingen van deel V, deelt zij dit aan de onderneming mee en geeft zij de onderneming de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn haar standpunt kenbaar te maken.
4.De bevoegde instantie kan eisen dat de in lid 3 bedoelde inbreuk wordt gestopt, hetzij onmiddellijk hetzij binnen een redelijke termijn en neemt passende en evenredige maatregelen met het oog op naleving.
In dit opzicht moeten de bevoegde instanties in staat zijn om:
(a)waar zulks passend is, ontmoedigende geldelijke sancties op te leggen, waaronder eventueel periodieke sancties met terugwerkende kracht;
(b)de instructie te geven om de levering van een dienst of dienstenbundel die bij voortzetting zou leiden tot een aanzienlijke verstoring van de mededinging, te staken zolang de toegangsverplichtingen die na een marktanalyse uitgevoerd overeenkomstig artikel 73 zijn opgelegd, niet worden nageleefd.
De bevoegde instanties stellen de onderneming onverwijld in kennis van de maatregelen en de daaraan ten grondslag liggende redenen met opgave van een redelijke termijn binnen welke de onderneming aan de maatregel moet voldoen.
5.De lidstaten stellen de regels inzake de sancties vast, zo nodig met inbegrip van boetes en niet-strafrechtelijke vooraf vastgestelde of periodieke sancties, die van toepassing zijn op inbreuken op de bepalingen van deze verordening of krachtens een bindend besluit van de Commissie, de nationale regelgevende instantie of een andere op grond van deze verordening bevoegde instantie, en treffen alle maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
6.Niettegenstaande de leden 3 en 4 van dit artikel geven de lidstaten de bevoegde instantie de bevoegdheid om, waar zulks passend is, geldelijke sancties op te leggen aan ondernemingen indien zij binnen een door de bevoegde instantie bepaalde redelijke termijn geen informatie verstrekken overeenkomstig de verplichtingen uit hoofde van artikel 181, lid 3, eerste alinea, punt a) of b), en de verplichtingen tot transparantie.
7.De lidstaten voorzien, in het kader van de in artikel 183, lid 8, bedoelde procedure, enkel in sancties indien een onderneming of overheid bewust of uit grove nalatigheid misleidende, foutieve of onvolledige informatie heeft verstrekt.
8.Bij het bepalen van de hoogte van de aan een onderneming of overheid opgelegde boetes of periodieke sancties voor het bewust of uit grove nalatigheid verstrekken van misleidende, foutieve of onvolledige informatie in het kader van de procedure bedoeld in artikel 183, lid 8, wordt onder meer beoordeeld of het gedrag van de onderneming of overheid een negatief effect op de mededinging heeft gehad, en met name of de onderneming of overheid, in tegenspraak met de oorspronkelijk verstrekte informatie of met geactualiseerde versies daarvan, een netwerk heeft uitgerold, uitgebreid of gemoderniseerd, of een netwerk niet heeft uitgerold, en geen objectieve motivering voor die verandering van de plannen heeft verstrekt.
9.De lidstaten geven de bevoegde instanties de bevoegdheid om bij ernstige niet-nakoming of herhaaldelijke niet-nakoming van de voorwaarden voor de algemene machtiging of de verplichtingen en voorwaarden voor gebruiksrechten voor radiospectrum en voor nummervoorraden, of van de specifieke verplichtingen van deel V, wanneer de in de leden 3 en 4 van dit artikel bedoelde maatregelen om naleving van de voorwaarden te verzekeren hebben gefaald, een onderneming te kunnen beletten verder elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aan te bieden, of die gebruiksrechten te kunnen schorsen of intrekken. Die sancties kunnen worden toegepast om de periode van een inbreuk te bestrijken, zelfs indien de inbreuk vervolgens is rechtgezet.
10.Op verzoek van de overeenkomstig de cyberbeveiligingsverordening aangewezen bevoegde instantie, die Verordening (EU) 2019/881 van het Europees Parlement en de Raad moet vervangen nadat de corrigerende maatregelen in verband met niet-naleving uit hoofde van de cyberbeveiligingsverordening zijn uitgeput, trekt de nationale regelgevende instantie waar netwerken en diensten worden aangeboden, het recht in om netwerken en diensten aan te bieden in het kader van een algemene machtiging of individuele gebruiksrechten voor radiospectrum overeenkomstig artikel 9, lid 4, punt d), en artikel 20 in gevallen waarin de aanbieder niet voldoet aan de vereisten inzake de beveiliging van de ICT-toeleveringsketen van de cyberbeveiligingsverordening.
11.Niettegenstaande de leden 3, 4 en 9 van dit artikel, en onverminderd artikel 39 over een machtiging van de Unie voor het gebruik van satellietradiospectrum, kan de bevoegde instantie, indien zij over bewijzen beschikt dat een inbreuk op de voorwaarden voor de algemene machtiging, op de verplichtingen en voorwaarden voor de gebruiksrechten voor radiospectrum en voor nummervoorraden of op de specifieke verplichtingen van deel V, een directe en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid, of ernstige economische of bedrijfstechnische problemen voor andere aanbieders of gebruikers van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten tot gevolg zal hebben, in afwachting van een definitief besluit tussentijdse spoedmaatregelen nemen om een eind te maken aan de situatie. De bevoegde instanties bieden de betrokken onderneming de gelegenheid om haar standpunt kenbaar te maken en oplossingen voor te stellen. In voorkomend geval kan de bevoegde instantie de voorlopige maatregelen bevestigen; deze zijn maximaal drie maanden geldig, maar kunnen in omstandigheden waarin de handhavingsprocedures niet zijn afgerond, met nog een periode van maximaal drie maanden worden verlengd.
Artikel 197
Recht van beroep
1.Iedere gebruiker of onderneming die elektronischecommunicatienetwerken of -diensten of bijbehorende faciliteiten aanbiedt, die door een beslissing van een bevoegde instantie is getroffen, heeft het recht om tegen die beslissing beroep in te stellen bij een beroepsinstantie die onafhankelijk is van de betrokken partijen en van elke externe interventie of politieke druk die afbreuk zou kunnen doen aan haar onafhankelijke oordeel over de vraagstukken die haar worden voorgelegd. Die instantie, bijvoorbeeld een rechtbank, bezit de nodige deskundigheid om haar taken effectief te kunnen uitoefenen.
2.In afwachting van de uitkomst van het beroep wordt de beslissing van de bevoegde instantie gehandhaafd, tenzij overeenkomstig het nationaal recht voorlopige maatregelen worden verleend.
3.Indien de in lid 1 van dit artikel genoemde beroepsinstantie geen rechtscollege is, moeten haar beslissingen altijd schriftelijk met redenen worden omkleed. Voorts moet het in dat geval mogelijk zijn tegen die beslissingen beroep in te stellen bij een rechterlijke instantie in de zin van artikel 267 VWEU.
4.De lidstaten zien erop toe dat het beroepsmechanisme doeltreffend is.
8.6.TITEL VI: SLOTBEPALINGEN
Artikel 198
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1.De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.De in artikel 22, lid 3, artikel 39, lid 4, punt f), artikel 82, lid 1, artikel 103, lid 5, artikel 106, lid 8, en artikel 114, bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van [de datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
3.Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 22, lid 3, artikel 82, lid 1, artikel 103, lid 5, artikel 106, lid 8, en artikel 114, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over betere wetgeving.
5.Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6.Een overeenkomstig artikel 22, lid 3, artikel 82, lid 1, artikel 103, lid 5, artikel 106, lid 8, en artikel 114 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt slechts in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement of de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 199
Comitéprocedure
1.De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor communicatie dat is ingesteld bij Richtlijn (EU) 2018/1972. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2.Voor de uitvoeringshandelingen als bedoeld in artikel 14, lid 8, artikel 17, lid 3, en artikel 45, lid 3, van deze verordening, wordt de Commissie bijgestaan door het op grond van artikel 3, lid 1, van Beschikking nr. 676/2002/EG opgerichte Radiospectrumcomité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
3.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
4.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Artikel 200
Uitwisseling van informatie
1.De Commissie verstrekt het Comité voor communicatie alle relevante informatie over het resultaat van regelmatig overleg met de vertegenwoordigers van de netwerkexploitanten, aanbieders van diensten, gebruikers, consumenten, fabrikanten en vakbonden, evenals met derde landen en internationale organisaties.
2.Het Comité voor communicatie bevordert de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en tussen de lidstaten en de Commissie over de situatie en de ontplooiing van regelgevende activiteiten in verband met elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en houdt daarbij rekening met het beleid van de Unie inzake elektronische communicatie.
Artikel 201
Publicatie van informatie
1.De lidstaten zorgen ervoor dat bijgewerkte informatie betreffende de uitvoering van deze verordening voor het publiek beschikbaar wordt gemaakt op een wijze die alle belanghebbende partijen gemakkelijke toegang tot die informatie waarborgt. Zij maken een mededeling in hun nationale publicatieblad bekend waarin wordt beschreven hoe en waar de informatie wordt gepubliceerd. De eerste mededeling van die aard wordt bekendgemaakt vóór [24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] en vervolgens wordt een mededeling bekendgemaakt telkens wanneer de betrokken informatie wordt gewijzigd.
2.De lidstaten dienen bij de Commissie een kopie van elke mededeling in wanneer deze wordt bekendgemaakt. De Commissie deelt de informatie afhankelijk van het geval mee aan het Comité voor communicatie.
3.De lidstaten zorgen ervoor dat alle relevante informatie over rechten, voorwaarden, procedures, bijdragen, heffingen en besluiten betreffende algemene machtigingen en gebruiksrechten en rechten om faciliteiten te installeren op passende wijze wordt gepubliceerd en geactualiseerd, zodat alle belanghebbende partijen gemakkelijk toegang hebben tot die informatie.
4.Ingeval de in lid 3 bedoelde informatie, vooral die met betrekking tot de procedures en voorwaarden voor de rechten voor het installeren van faciliteiten, wordt bijgehouden op verschillende bestuursniveaus, levert de bevoegde instantie alle redelijke inspanningen om een gebruikersvriendelijk overzicht van dergelijke informatie, waaronder begrepen informatie over de desbetreffende bestuursniveaus en hun instanties, te verstrekken, op voorwaarde dat de bevoegde instantie zulks mogelijk acht tegen redelijke kosten, teneinde aanvragen voor rechten voor het installeren van faciliteiten te vergemakkelijken.
5.De lidstaten zorgen ervoor dat de krachtens deze verordening aan ondernemingen opgelegde specifieke verplichtingen openbaar worden gemaakt, met vermelding van het specifieke product en de specifieke dienst, alsook van de betrokken geografische markten. Met inachtneming van de noodzaak om de vertrouwelijkheid van handelsgegevens te beschermen, zorgen zij ervoor dat actuele informatie voor het publiek beschikbaar wordt gemaakt op een wijze die waarborgt dat alle belanghebbende partijen gemakkelijke toegang tot die informatie hebben.
6.De lidstaten verstrekken de Commissie informatie die zij op grond van lid 5 voor het publiek beschikbaar maken. De Commissie stelt die informatie in een gemakkelijk toegankelijke vorm beschikbaar en verstrekt haar zo nodig aan het Comité voor communicatie.
Artikel 202
Gebruik van Europese portemonnees voor ondernemingen
Bij de toepassing van deze verordening maken de lidstaten, de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, alsook Berec, het RSPB, het ODN en de Commissie, de bij Verordening [XXX] van het Europees Parlement en de Raad ingestelde Europese portemonnees voor ondernemingen mogelijk en gebruiken zij deze.
Artikel 203
Kennisgeving en monitoring
De nationale regelgevende instanties stellen de Commissie in kennis van de namen van de ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht in de zin van deze verordening, en van de verplichtingen die hun krachtens deze verordening worden opgelegd. Alle wijzigingen met betrekking tot de aan ondernemingen opgelegde verplichtingen of de onder de toepassing van deze verordening vallende ondernemingen worden onverwijld ter kennis van de Commissie gebracht.
Artikel 204
Evaluatieprocedures
1.Uiterlijk op [zestig maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] en daarna om de vijf jaar, evalueert de Commissie de werking van deze verordening en dient zij bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in.
2.Bij die evaluaties wordt in het bijzonder gekeken naar de markteffecten van de artikelen 69 en 83, alsmede naar de vraag of de interventiebevoegdheden ex ante en de andere interventiebevoegdheden op grond van deze verordening volstaan om de nationale regelgevende instanties in staat te stellen ervoor te zorgen dat de mededinging op elektronischecommunicatiemarkten blijft gedijen ten behoeve van de eindgebruikers.
3.De Commissie kan voor de toepassing van dit artikel de lidstaten om inlichtingen vragen, welke inlichtingen zonder onnodige vertraging worden verstrekt.
4.Berec publiceert uiterlijk op [36 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] en vervolgens om de drie jaar een verslag over de nationale uitvoering en werking van de algemene machtiging, en over de effecten ervan voor de werking van de interne markt.
5.Rekening houdend met het advies van Berec, kan de Commissie een wetgevingsvoorstel indienen tot wijziging van die bepalingen indien zij dit noodzakelijk acht om belemmeringen voor de goede werking van de interne markt op te heffen.
Artikel 205
Overgangsbepalingen met betrekking tot het model voor de samenvatting van het contract
Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2243 van de Commissie blijft van overeenkomstige toepassing voor de vaststelling van een model voor de samenvatting van het contract dat de aanbieders van internettoegangsdiensten of publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiediensten moeten gebruiken om hun verplichtingen uit hoofde van artikel 95, lid 2, van deze verordening na te komen, tot de dag van toepassing van de in dat artikel bedoelde uitvoeringshandeling.
Artikel 206
Wijzigingen van Verordening (EU) 2015/2120
Verordening (EU) 2015/2120 wordt als volgt gewijzigd:
(a)de titel wordt vervangen door:
“Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van maatregelen betreffende retailtarieven voor gereguleerde communicaties binnen de EU”;
(b)in artikel 1 worden de leden 1 en 2 geschrapt;
(c)in artikel 2 worden de punten 1 en 2 geschrapt;
(d)de artikelen 3, 4, 5 en 9 worden geschrapt;
(e)in artikel 6 wordt de eerste alinea geschrapt;
(f)artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:
(a)in lid 2 worden de punten a), b), c) en d) geschrapt;
(b)de leden 3 en 4 worden geschrapt.
Artikel 207
Wijzigingen van Richtlijn 2002/58/EG
De artikelen 7, 8, 10, 11 en 12 van Richtlijn 2002/58/EG worden geschrapt.
Verwijzingen naar artikel 8 van Richtlijn 2002/58/EG gelden als verwijzingen naar artikel 109 van deze verordening.
Artikel 208
Wijziging van Beschikking nr. 676/2002/EG
In artikel 4 van Beschikking nr. 676/2002/EG wordt het volgende lid ingevoegd:
“2 bis. Voor de ontwikkeling van de in lid 1 bedoelde technische uitvoeringsmaatregelen die gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid of de technologische soevereiniteit van de Unie of haar lidstaten, kan de Commissie van de lidstaten verlangen dat zij gemeenschappelijke standpunten vaststellen met het oog op hun deelname aan de activiteiten van de CEPT.
De Commissie handelt volgens de procedure van artikel 3, lid 3.”.
Artikel 209
Intrekking
Verordening (EU) 2018/1971, Richtlijn (EU) 2018/1972 en Besluit nr. 243/2012/EU worden ingetrokken met ingang van [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening].
Verwijzingen naar Verordening (EU) 2018/1971, Richtlijn (EU) 2018/1972 en Besluit nr. 243/2012/EU gelden als verwijzingen naar deze verordening.
Artikel 210
Inwerkingtreding en toepassing
1.Deze verordening treedt in werking op de [twintigste dag] na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
2.Zij is van toepassing met ingang van [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening].
3.In afwijking van lid 2 geldt het volgende:
(a)de artikelen 38, 39 en 40 zijn van toepassing vanaf [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening].
Nationale bevoegde instanties waaraan uit hoofde van Richtlijn (EU) 2018/1972 algemene machtigingsbevoegdheden zijn toegewezen, blijven hun taken uiterlijk tot [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] uitoefenen.
Ondernemingen waaraan overeenkomstig Richtlijn (EU) 2018/1972 vergunning is verleend om satellietcommunicatie aan te bieden, blijven tot [36 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] houder van de rechten en onderworpen aan de respectieve voorwaarden en verplichtingen;
(b)Artikel 115, lid 1, punt a), is van toepassing vanaf [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening].
Andere bevoegde instanties dan de nationale regelgevende instanties waaraan op grond van Richtlijn (EU) 2018/1972 algemene machtigingsbevoegdheden zijn toegewezen, mogen hun taken blijven uitoefenen tot uiterlijk [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening].
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel,
Voor het Europees Parlement
Voor de Raad
De voorzitter
De voorzitter
FINANCIEEL EN DIGITAAL MEMORANDUM
1.
KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
3
1.1.
Benaming van het voorstel/initiatief
3
1.2.
Betrokken beleidsterreinen
3
1.3.
Doelstellingen
3
1.3.1.
Algemene doelstellingen
3
1.3.2.
Specifieke doelstellingen
3
1.3.3.
Verwachte resultaten en gevolgen
3
1.3.4.
Prestatie-indicatoren
3
1.4.
Het voorstel/initiatief betreft:
4
1.5.
Motivering van het voorstel/initiatief
4
1.5.1.
Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief
4
1.5.2.
Toegevoegde waarde van de deelname van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.
4
1.5.3.
Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan
4
1.5.4.
Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten
5
1.5.5.
Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking
5
1.6.
Duur en financiële gevolgen van het voorstel/initiatief
6
1.7.
Wijze(n) van uitvoering van de begroting
6
2.
BEHEERSMAATREGELEN
8
2.1.
Regels inzake het toezicht en de verslagen
8
2.2.
Beheers- en controlesystemen
8
2.2.1.
Rechtvaardiging van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie
8
2.2.2.
Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken
8
2.2.3.
Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting)
8
2.3.
Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden
9
3.
GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
10
3.1.
Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven
10
3.2.
Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten
12
3.2.1.
Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten
12
3.2.1.1.
Kredieten uit goedgekeurde begroting
12
3.2.1.2.
Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten
17
3.2.2.
Geraamde output, gefinancierd uit beleidskredieten
22
3.2.3.
Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten
24
3.2.3.1. Kredieten uit goedgekeurde begroting
24
3.2.3.2.Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten
24
3.2.3.3.
Totaal kredieten
24
3.2.4.
Geraamde personeelsbehoeften
25
3.2.4.1.
Gefinancierd uit goedgekeurde begroting
25
3.2.4.2.
Gefinancierd uit externe bestemmingsontvangsten
26
3.2.4.3.
Totale personeelsbehoeften
26
3.2.5.
Overzicht van het geschatte effect op met digitale technologie samenhangende investeringen
28
3.2.6.
Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader
28
3.2.7.
Bijdragen van derden
28
3.3.
Geraamde gevolgen voor de ontvangsten
29
4.
Digitale dimensies
29
4.1.
Voorschriften met digitale relevantie
30
4.2.
Gegevens
30
4.3.
Digitale oplossingen
31
4.4.
Interoperabiliteitsbeoordeling
31
4.5.
Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering
32
1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
1.1.Benaming van het voorstel/initiatief
Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een digitalenetwerkenverordening
1.2.Betrokken beleidsterreinen
Het voorstel heeft betrekking op beleidsterreinen die verband houden met de ontwikkeling van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, waarbij de nadruk ligt op het waarborgen van een soepele en tijdige overgang naar hoogwaardige, veerkrachtige en toekomstgerichte digitale netwerken. Het heeft tot doel de regelgevingsvoorwaarden te scheppen voor een eengemaakte markt voor connectiviteit door investeringen in vaste, mobiele en satellietnetwerken (waaronder glasvezelnetwerken, 5G-netwerken van hoge kwaliteit, toekomstige 6G-netwerken en geavanceerde mobiele satellietcommunicatiesystemen) te stimuleren en de connectiviteitsvereisten te ondersteunen die voortvloeien uit opkomende technologieën zoals AI, het internet der dingen (IoT), kwantumcommunicatie en geavanceerde clouddiensten. Door het huidige kader te moderniseren, heeft het initiatief tot doel efficiënte investeringen te vergemakkelijken, duurzame concurrentie te bevorderen en technologische afhankelijkheden te verminderen, en zo het concurrentievermogen en de weerbaarheid van de Europese Unie op lange termijn te ondersteunen.
Het voorstel heeft tot doel hardnekkige belemmeringen voor het grensoverschrijdend aanbieden van elektronischecommunicatiediensten weg te nemen en de samenhang en voorspelbaarheid van de regelgeving in de lidstaten te verbeteren. Daartoe voorziet het in aanpassingen van de regelgevende bevoegdheden en governancestructuren, met inbegrip van een betere harmonisatie van de voorwaarden voor spectrummachtigingen en een consistentere toepassing van de EU-voorschriften. Deze maatregelen zijn bedoeld om de werking van de eengemaakte markt te versterken, het behalen van schaalvoordelen voor aanbieders te vergemakkelijken en ervoor te zorgen dat consumenten en bedrijven in de hele Unie kunnen profiteren van hoogwaardige connectiviteitsdiensten.
Voorts draagt het initiatief bij tot het beleid van de Unie op het gebied van veiligheid, weerbaarheid en paraatheid. Elektronischecommunicatienetwerken, met inbegrip van satellietsystemen, vormen kritieke infrastructuur die van essentieel belang is voor de werking van de economie, de openbare diensten en de samenleving in het algemeen. Het voorstel bevat daarom maatregelen om de ontwikkeling en integratie van geavanceerde niet-terrestrische netwerken te ondersteunen, interferentieproblemen aan te pakken en de betrouwbaarheid en veiligheid van connectiviteit in alle regio’s te verbeteren. Door de digitale weerbaarheid van Europa te versterken, robuuste communicatievermogens te waarborgen en strategische autonomie op belangrijke technologische gebieden te ondersteunen, beantwoordt het initiatief aan de prioriteiten die in recente verslagen op hoog niveau zijn uiteengezet en draagt het bij tot de bredere paraatheids- en veiligheidsdoelstellingen van de Unie.
1.3.Doelstellingen
1.3.1.Algemene doelstellingen
De algemene doelstelling van het initiatief is de EU voor te bereiden op de overgang naar hoogwaardige, betrouwbare en robuuste toekomstige digitale netwerken, in overeenstemming met de prioriteiten op het gebied van concurrentievermogen, de eengemaakte markt en paraatheid die zijn vastgesteld in de rapporten-Draghi, -Letta en -Niinistö. Het waarborgen van geavanceerde connectiviteit voor alle regio’s, met inbegrip van landelijke en afgelegen gebieden, is van essentieel belang voor het behoud van de economische kracht, de sociale normen en het technologisch leiderschap van Europa.
Daartoe beoogt het voorstel voorschriften in te voeren die het gemakkelijker maken om te investeren in moderne digitale netwerken en deze te ontwikkelen. Dit betekent dat de overstap van oude kopernetwerken naar glasvezel moet worden ondersteund, dat de uitrol van hoogwaardige 5G- en toekomstige 6G-netwerken moet worden versneld en dat de groei van andere draadloze en cloudgebaseerde infrastructuur mogelijk moet worden gemaakt. Deze geavanceerde netwerken zijn essentieel voor technologieën die afhankelijk zijn van snelle realtimegegevens en AI, zoals verbonden apparaten, autonome auto’s, slimme energiesystemen en de geautomatiseerde industrie. De versterking van deze basisfactoren zal de EU helpen concurrerend te blijven in de wereldeconomie.
De doelstelling houdt ook in dat de eengemaakte markt voor connectiviteit wordt verdiept door de samenhang, voorspelbaarheid en grensoverschrijdende dienstverlening van de regelgeving te verbeteren. Tot slot wordt in het voorstel, net als in het rapport-Niinistö, de nadruk gelegd op de rol van elektronische communicatie, met inbegrip van satellietsystemen, bij het verbeteren van de veiligheid, weerbaarheid en paraatheid van de EU.
1.3.2.Specifieke doelstellingen
Specifieke doelstelling nr. 1
Snelle uitrol en gebruik van glasvezel
Deze doelstelling is gericht op het versnellen van de uitrol van glasvezelnetwerken en het bevorderen van de invoering van op glasvezel gebaseerde diensten in de hele EU. Het heeft tot doel snelle en hoogwaardige connectiviteit voor de samenleving en de economie te bieden en tegelijkertijd duurzame concurrentie en efficiënte investeringen te ondersteunen. Het initiatief heeft ook tot doel grensoverschrijdende dienstverlening te vergemakkelijken en het regelgevingskader te stroomlijnen om de markt efficiënter te maken voor alle belanghebbenden.
Specifieke doelstelling nr. 2
De kloof op het gebied van de kwaliteit van mobiele netwerken dichten
Deze doelstelling is gericht op de verbetering van de prestaties van mobiele netwerken om gelijke tred te houden met wereldleiders. De nadruk ligt op investeringen in hoogwaardige 5G-netwerken, netwerkverdichting en de toekomstige uitrol van 6G om de download- en uploadsnelheden te verbeteren, de wachttijden te verminderen en consumenten en bedrijven betere algemene connectiviteit te bieden. Dit zal het volledige innovatiepotentieel van mobiele netwerken in meerdere sectoren van de eengemaakte markt ontsluiten.
Specifieke doelstelling nr. 3
Pan-Europese netwerkexploitatie en dienstverlening uitbreiden
Deze doelstelling heeft tot doel de exploitatie van netwerken en de verlening van diensten in de hele eengemaakte markt en de uitrol van geavanceerde infrastructuur, waaronder LEO-satellietconstellaties, naast terrestrische netwerken, te vergemakkelijken. Ze heeft tot doel belemmeringen op het gebied van regelgeving weg te nemen, de integratie van satelliet- en terrestrische technologieën te bevorderen en transformatieve technologieën te ondersteunen, zoals cloudgebaseerde netwerken die AI gebruiken en mogelijk maken, en tegelijkertijd de industriële capaciteit en strategische autonomie van Europa in de ruimtevaartsector en de digitale sector te versterken.
Dit houdt nauw verband met doelstelling 4 om de eengemaakte markt voor connectiviteit te verdiepen, onder meer door middel van een verbeterd governancesysteem.
1.3.3.Verwachte resultaten en gevolgen
Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen.
1. Overstap naar glasvezel
De voorgestelde maatregelen inzake de uitrol van glasvezel zijn gericht op het versnellen van de uitrol en invoering van FTTH-netwerken en het verfijnen van de toegangsregulering. De maatregelen handhaven doeltreffende elementen van het bestaande kader, maar leggen waar nodig de nadruk op marktgebaseerde, minder ingrijpende regelgevingsmaatregelen. De verwachte effecten van de voorgestelde maatregelen zijn onder meer een grotere glasvezeldekking (tot 98 % tegen 2035) en hogere benuttingsgraad (tot 78 %), hogere internetsnelheden, positieve effecten op het bbp en lagere CO2-emissies. Tot de begunstigden behoren consumenten en bedrijven die toegang krijgen tot snellere, betrouwbaardere connectiviteit, terwijl netwerkexploitanten profiteren van duidelijkere regels en voorspelbare investeringsvoorwaarden.
2. Spectrumbeheer
Wat spectrum betreft, zorgen de voorgestelde maatregelen voor een evenwicht tussen noodzakelijke harmonisatie en flexibiliteit voor de lidstaten, waarbij in eerste instantie een zachte harmonisatie wordt gewaarborgd en alleen strengere maatregelen worden genomen als de verschillen blijven bestaan. Deze aanpak biedt rechtszekerheid, vermindert investeringsrisico’s en ondersteunt de grootschalige en grensoverschrijdende uitrol van spectrum voor 5G- en toekomstige 6G-netwerken. Tot de doelgroepen behoren mobiele exploitanten, investeerders en eindgebruikers die profiteren van een snellere uitrol van netwerken, een betere dekking en innovatieve diensten, en tegelijkertijd wordt kosteneffectieve connectiviteit mogelijk gemaakt in gebieden waar glasvezel niet levensvatbaar is, onder meer via oplossingen voor vaste netwerken voor draadloze toegang of satellietoplossingen.
3. Machtiging
Het voorstel voorziet in één machtiging voor terrestrische netwerken en een machtiging op EU-niveau voor satellietspectrum, waardoor de administratieve lasten en de nalevingslasten worden verminderd. Dit zorgt voor consistentie, transparantie en voorspelbaarheid van de regelgeving, wat met name kmo’s en nieuwkomers op de markt ten goede komt door de toegangsbelemmeringen te verlagen en een snellere uitrol van diensten mogelijk te maken. Satellietexploitanten profiteren van geharmoniseerde procedures, minder versnippering van de regelgeving en strategisch spectrumgebruik, waarbij pan-Europese of mondiale connectiviteitsprojecten worden ondersteund en de weerbaarheid, veiligheid en continuïteit van de dienstverlening voor eindgebruikers worden verbeterd.
4. Governance
Het voorgestelde governancesysteem zorgt voor continuïteit en versterkt tegelijkertijd de coördinatie op EU-niveau. Het bouwt voort op de bestaande structuur van Berec en het Berec-Bureau, waarbij de Beleidsgroep radiospectrum (RSPG) wordt opgewaardeerd van een deskundigengroep van de Commissie tot een orgaan, vergelijkbaar met Berec, ondersteund door een secretariaat dat wordt verzorgd door het Bureau voor digitale netwerken (ODN), dat het Berec-Bureau zal vervangen. Dit vergroot de doeltreffendheid van het spectrumbeheer en verbetert de samenhang tussen Berec en de RSPG. De beslissingsbevoegdheid blijft bij de Commissie, met behoud van een sterke eengemaaktemarktdimensie, terwijl het Bureau voor digitale netwerken (voortbouwend op het versterkte Berec-Bureau) administratieve en ondersteunende diensten verleent aan beide organen. Deze aanpak zorgt voor de gewenste voordelen, waaronder betere coördinatie, monitoring en adviesondersteuning, tegen bescheiden kosten, en vormt een aanvulling op de andere maatregelen voor glasvezel, spectrum en machtigingen.
1.3.4.Prestatie-indicatoren
Vermeld de indicatoren voor de monitoring van de voortgang en de beoordeling van de resultaten
1. Snelle uitrol en gebruik van glasvezel
De vooruitgang bij de uitrol en invoering van glasvezelnetwerken zal worden gemonitord aan de hand van indicatoren die zowel de dekking als het gebruik meten. Belangrijke maatstaven zijn onder meer het aantal aansluitbare FTTH-woningen en het percentage huishoudens dat is bereikt, het aantal FTTH-woningen dat is aangesloten, en de benuttingsgraad van FTTH-diensten. Aan de hand van deze indicatoren kan worden beoordeeld hoe snel glasvezelnetwerken in de hele EU worden uitgerold en ingevoerd en of het initiatief met succes snelle, hoogwaardige digitale connectiviteit voor consumenten en bedrijven mogelijk maakt.
2. De kloof op het gebied van de kwaliteit van mobiele netwerken dichten
Om verbeteringen in de kwaliteit van mobiele netwerken te volgen, zal het initiatief gebruikmaken van een combinatie van indicatoren voor dekking, spectrum en kwaliteit van de dienstverlening. Het gaat onder meer om de dekking en beschikbaarheid van autonome 5G, de dekking van de bevolking door middenband-5G en de spectrumparaatheid, gemeten in MHz per bevolking in 5G- en toekomstige 6G-pioniersbanden. Aanvullende indicatoren hebben betrekking op de kwaliteit van de dienstverlening en de gebruikerservaring, de tijd die nodig is om spectrummachtigingen te verkrijgen, het aantal vergunningen met voorwaarden voor gedeeld gebruik en de hoeveelheid spectrum die door meerdere gebruikers of categorieën wordt gebruikt. Samen zullen deze maatstaven laten zien of de EU haar achterstand op wereldleiders op het gebied van mobiele connectiviteit inloopt en innovatieve toepassingen mogelijk maakt.
3. Uitbreiding van de pan-Europese netwerkexploitatie en dienstverlening
De doeltreffendheid van de inspanningen om pan-Europese netwerken en diensten uit te breiden, zal worden geëvalueerd aan de hand van indicatoren met betrekking tot machtigingen van aanbieders en satellietactiviteiten. Deze omvatten het aantal aanbieders dat gebruikmaakt van de grensoverschrijdende algemene machtigingsregeling, het aantal nieuwe EU-vergunninghouders voor satellietmachtigingen en het aantal exploitanten dat is geselecteerd via gecentraliseerde procedures voor geharmoniseerde satellietbanden. Aanvullende maatstaven omvatten de tijd die nodig is om satellietmachtigingsprocessen af te ronden en het aantal interferentieproblemen dat tijdig en doeltreffend wordt aangepakt, wat de betrouwbaarheid en integratie van pan-Europese digitale infrastructuur weerspiegelt.
4. De eengemaakte markt voor connectiviteit verdiepen
De verwezenlijking van de doelstellingen van de eengemaakte markt zal worden gemonitord aan de hand van indicatoren die de resultaten op regelgevingsgebied en de harmonisatie-inspanningen volgen. Dit omvat het aantal hoogwaardige outputs die rechtstreeks verband houden met de doelstellingen van de eengemaakte markt, gemeten aan de hand van het percentage van de geplande outputs dat volgens schema is geleverd, alsook de kwaliteit (effecten, toepassing, relevantie voor de regelgeving) en kwantiteit (volume van outputs zoals Berec-richtsnoeren of -adviezen) ervan. De voortgang zal worden gevolgd door het Bureau voor digitale netwerken, dat voortdurend zal evalueren hoe doeltreffend governancestructuren en regelgevingsbevoegdheden een volledig geïntegreerde EU-markt voor digitale communicatie ondersteunen.
1.4.Het voorstel/initiatief betreft:
een nieuwe actie
een nieuwe actie na een proefproject/voorbereidende actie;
de verlenging van een bestaande actie
de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie
1.5.Motivering van het voorstel/initiatief
1.5.1.Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief
De inwerkingtreding van de verordening digitale netwerken wordt verwacht binnen twintig dagen na de bekendmaking in het Publicatieblad. De inwerkingtreding moet binnen de zes maanden plaatsvinden, met belangrijke uitzonderingen voor voorschriften die een aanvullende overgangsperiode vereisen. Deze hebben bijvoorbeeld betrekking op de Berec-richtsnoeren en de in de verordening digitale netwerken beoogde uitvoeringshandelingen/gedelegeerde handelingen van de Commissie, waardoor Berec, het RSPB en de Commissie, ondersteund door het ODN, voldoende tijd hebben om deze op te stellen en vast te stellen.
1.5.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.
Redenen voor optreden op EU-niveau (ex ante)
De versterking van het Europese concurrentievermogen vereist snelle, veilige en veerkrachtige digitale infrastructuur. Het landschap van digitale connectiviteit ontwikkelt zich snel, als gevolg van de integratie van telecommunicatie-, satelliet-, cloud- en edgetechnologieën, alsook van virtualisering en AI. In dit verband bestaat het risico dat versnipperde nationale benaderingen leiden tot inconsistente regelgevingskaders en belastende administratieve praktijken, die investeringen, innovatie en de goede werking van de eengemaakte markt kunnen belemmeren. De ervaring met het Europees wetboek voor elektronische communicatie heeft geleid tot een trage uitvoering en overregulering als gevolg van de uiteenlopende omzetting van EU-richtlijnen door de lidstaten. Gezien het grensoverschrijdende karakter van de uitdagingen is optreden op EU-niveau noodzakelijk om een geharmoniseerd rechtskader te waarborgen, een gecoördineerde planning te vergemakkelijken en sectorale uitdagingen efficiënt en doeltreffend aan te pakken.
Verwachte toegevoegde waarde EU (ex-post)
De betrokkenheid van de EU zal naar verwachting een duidelijke meerwaarde opleveren die verder gaat dan wat de lidstaten afzonderlijk zouden kunnen bereiken. Door op te treden op EU-niveau, kan het initiatief:
zorgen voor rechtszekerheid en harmonisatie in de hele Unie, waarbij versnipperde nationale regels die de kansen binnen de eengemaakte markt kunnen beperken, worden vermeden;
de uitrol van digitale infrastructuur versnellen door middel van een gecoördineerde uitvoering en het verminderen van administratieve belemmeringen;
zorgen voor een grotere algehele doeltreffendheid en efficiëntie door uitdagingen op EU-niveau aan te pakken in plaats van fragmentarisch op nationaal niveau;
zorgen voor complementariteit tussen nationale initiatieven, waardoor de kosten worden verlaagd en de voordelen van investeringen in alle lidstaten worden gemaximaliseerd.
Over het algemeen zullen maatregelen op EU-niveau naar verwachting snellere, coherentere en kostenefficiëntere resultaten opleveren, wat voordelen oplevert die niet haalbaar zouden zijn als de lidstaten onafhankelijk zouden handelen.
1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan
Het voorstel voor de respectieve verordening is gebaseerd op de praktische ervaring met de uitvoering van de voorschriften voor de elektronischecommunicatiesector, zoals uiteengezet in het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie (bijlage 11 — Evaluatie van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (EECC), de Berec-verordening, het programma voor het radiospectrumbeleid (RSPP), de verordening inzake open internet (OIR) en bepaalde aspecten van de e-privacyrichtlijn. In het evaluatieverslag van het huidige rechtskader wordt gewezen op een reeks specifieke tekortkomingen op het gebied van het bestaan van oude kopernetwerken en toegangsregulering, spectrumbeleid, algemene machtigingsregeling, bepalingen voor eindgebruikers, universeledienstverplichtingen en governance. Het voorstel bouwt ook voort op een uitgebreide raadpleging van belanghebbenden overeenkomstig de strategie voor raadpleging van belanghebbenden, zoals samengevat in bijlage 2 bij het werkdocument van de diensten van de Commissie.
1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten
Het voorstel is verenigbaar met het meerjarig financieel kader, aangezien de geactualiseerde voorschriften de voortzetting van het regelgevingskader voor de elektronischecommunicatiemarkt waarborgen.
Er zijn kleine extra uitgaven gepland om de uitvoering van de nieuwe elementen van de verordening door de Commissie te waarborgen en er zijn extra inkomsten uit externe bronnen voorzien om de goede werking van het gemoderniseerde gedecentraliseerde agentschap (het ODN) te ondersteunen.
Tegelijkertijd bouwt deze verordening voort op bepaalde basiselementen van de richtlijn betreffende het Europees wetboek voor elektronische communicatie (EECC), zoals een regelgevings- en governancemodel dat is aangepast aan de behoeften van het dynamisch veranderende connectiviteitsdomein, rekening houdend met een geleidelijke aanpak van de regelgeving op dit gebied.
Het voorstel zou voortbouwen op en de coördinatie verzekeren met de structuren en mechanismen die zijn ontwikkeld in het kader van andere wetgeving inzake weerbaarheid en cyberbeveiliging, zoals Richtlijn 2022/2555 (NIS 2-richtlijn) en Richtlijn 2022/2557 (CER-richtlijn).
Het voorstel is ook verenigbaar met het voorstel voor een verordening betreffende de veiligheid, weerbaarheid en duurzaamheid van ruimtevaartactiviteiten in de Unie (SEC (2025) 335 final) en het voorstel voor een digitale omnibus (voorstel tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2016/679, (EU) 2018/1724, (EU) 2018/1725, (EU) 2023/2854 en de Richtlijnen 2002/58/EG, (EU) 2022/2555 en (EU) 2022/2557 wat betreft de vereenvoudiging van het digitale wetgevingskader, en tot intrekking van de Verordeningen (EU) 2018/1807, (EU) 2019/1150, (EU) 2022/868 en Richtlijn (EU) 2019/1024), waarover momenteel wordt onderhandeld.
1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking
Het beheer van de aan het ODN toegewezen actiegebieden past bij het bestaande mandaat en de algemene taken van het Berec-Bureau. De nieuwe werkterreinen, zoals die welke verband houden met spectrumkwesties en het RSPB, machtigingsprocessen, internemarktaspecten en weerbaarheid, zullen echter gespecialiseerde profielen of nieuwe opdrachten vereisen die niet kunnen worden geabsorbeerd door de huidige personeelsbezetting of alleen kunnen worden aangepakt door middel van interne herplaatsing.
Evenzo blijft het beheer van de aan de Commissie toegewezen actiegebieden in overeenstemming met haar mandaat, maar de toenemende reikwijdte van spectrumgerelateerde maatregelen zal extra deskundigheid vereisen. De toenemende technische en operationele complexiteit van satellietgerelateerde selectie- en machtigingsprocedures, met inbegrip van toezicht op en gecoördineerde handhaving van de ITU-beginselen, vereist specialisten met geavanceerde kennis van spectrumbeheer, monitoringtechnologieën, satellieten en internationale coördinatiemechanismen. Nieuwe verantwoordelijkheden ten aanzien van het onderzoeken van nationale maatregelen, het analyseren van verzoeken, het beoordelen van nalevingskaders en het bijdragen aan toekomstige regelgevingsinstrumenten vereisen ook versterkte economische, technische en regelgevingscapaciteiten. Bovendien vereisen opkomende technologische ontwikkelingen en dynamische spectrumgebruiksscenario’s deskundigen op het gebied van het ontwerpen van en toezicht houden op innovatieve gegevensgestuurde instrumenten en methodologieën. Daarnaast zal deskundigheid op het gebied van machtigingsstelsels en daarmee verband houdende procedures en voorschriften, onder meer op het gebied van nationale veiligheid, vereist zijn. Wat weerbaarheid en paraatheid betreft, zullen vaardigheden nodig zijn op het gebied van het in kaart brengen van netwerken, de beoordeling van netwerkvermogens en crisisbeheersing. In het algemeen vereisen de omvang, gevoeligheid en grensoverschrijdende aard van deze nieuwe taken de werving van specifieke deskundigen om een doeltreffende uitvoering en samenhang in de hele Unie te waarborgen.
Voor bepaalde horizontale taken (bv. administratieve ondersteuning, juridisch advies, contractbeheer) zou het agentschap gebruik kunnen maken van bestaande middelen, wat de efficiëntie ten goede zou komen. Er zullen ook synergieën worden ontwikkeld met interne technische structuren, zoals die welke de informatie-uitwisseling met de centra voor veiligheidsmonitoring van de lidstaten ondersteunen.
1.6.Duur en financiële gevolgen van het voorstel/initiatief
beperkte geldigheidsduur:
van kracht vanaf [DD/MM/]JJJJ tot en met [DD/MM/]JJJJ;
financiële gevolgen vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor vastleggingskredieten en vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor betalingskredieten;
onbeperkte geldigheidsduur:
uitvoering met een opstartperiode vanaf 2028 tot en met 2030,
gevolgd door een volledige uitvoering.
1.7.Wijze(n) van uitvoering van de begroting
Direct beheer door de Commissie:
door haar diensten, waaronder het personeel in de delegaties van de Unie;
door de uitvoerende agentschappen;
Gedeeld beheer met de lidstaten;
Indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken te delegeren aan:
derde landen of de door hen aangewezen organen;
internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke);
de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds;
de in de artikelen 70 en 71 van het Financieel Reglement bedoelde organen;
overheidsinstanties;
organen met een openbare dienstverleningstaak, voor zover zij zijn voorzien van voldoende financiële garanties;
privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die voldoende financiële garanties bieden;
organen waaraan of personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling;
in een lidstaat gevestigde organen die onder het privaatrecht van een lidstaat of onder het Unierecht vallen en die in aanmerking komen om overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving te worden belast met de uitvoering van middelen van de Unie of begrotingsgaranties, voor zover dergelijke organen onder zeggenschap staan van overheidsinstanties of privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, en beschikken over voldoende financiële garanties in de vorm van hoofdelijke aansprakelijkheid van de controlerende organen of gelijkwaardige financiële garanties, die voor elke actie beperkt kunnen blijven tot het maximumbedrag van de steun van de Unie.
Opmerkingen
Voor de Commissie is direct beheer voorzien, en in het geval van het nieuwe Bureau voor digitale netwerken is de methode voor de uitvoering van de begroting indirect beheer overeenkomstig artikel 70 van het Financieel Reglement.
2.BEHEERSMAATREGELEN
2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen
Deze verordening moet binnen vijf jaar na inwerkingtreding worden geëvalueerd en herzien. De Commissie moet aan het Europees Parlement en de Raad verslag uitbrengen over de bevindingen van de evaluatie.
Voorts moet Berec het toezicht op de nationale uitvoering ondersteunen en bijdragen tot de samenhang van de interne markt. Berec publiceert om de drie jaar een verslag over de nationale uitvoering en werking van de algemene machtiging, en over de effecten ervan voor de werking van de interne markt.
Om een consistente uitvoering en een doeltreffende monitoring van de verordening te ondersteunen, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de relevante informatie over de aanwijzing van ondernemingen en de aan hen opgelegde verplichtingen tijdig beschikbaar is voor de Commissie.
2.2.Beheers- en controlesystemen
2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie
De verordening stelt een nieuw beleidskader vast voor geharmoniseerde regels voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten op de interne markt en ondersteunt tegelijkertijd de beleidsdoelstellingen van de Unie op het gebied van consumentenwelzijn, industrieel concurrentievermogen, veiligheid en weerbaarheid, en duurzaamheid. De verordening digitale netwerken heeft tot doel de coördinatie van het regelgevingskader te vereenvoudigen en te verbeteren, zodat aanbieders doeltreffender kunnen opereren en innoveren op de eengemaakte markt. Deze doelstellingen vereisen een versterkte coördinatie en operationele capaciteit op EU-niveau, die op hun beurt gerichte en evenredige begrotingsmiddelen vereisen.
De verordening voert evenredige wijzigingen in het governancemodel in, waarbij een governancesysteem voor zowel marktregulering (Berec) als spectrumbeheer (RSPB) wordt opgezet dat is aangepast aan nieuwe taken op EU-niveau met een duidelijke eengemaaktemarktdimensie, waarbij wordt gezorgd voor een zo efficiënt mogelijke besluitvorming. Het gekozen governancemodel bouwt voort op bestaande structuren en mandaten, waardoor de behoefte aan nieuwe entiteiten wordt beperkt en de begroting kan worden uitgevoerd door middel van bestaande administratieve en financiële regelingen, wat de kosteneffectiviteit en voorspelbaarheid van de uitgaven waarborgt.
De nieuwe voorschriften vereisen een versterkt coherentiemechanisme voor de grensoverschrijdende toepassing van verplichtingen uit hoofde van deze verordening. Dit vereist een versterkt Berec-Bureau dat administratieve, technische en analytische ondersteuning biedt aan nationale regelgevende instanties en EU-instellingen, met als doel te zorgen voor een uniforme toepassing van het Unierecht en afstemming op de beleidsdoelstellingen op EU-niveau. Het Berec-Bureau (dat zal worden vervangen door het Bureau voor digitale netwerken) is het best gepositioneerd om deze taken uit te voeren, vanwege de deskundigheid die het al heeft, de governancestructuur en de operationele capaciteit. Bijgevolg zal de begroting worden uitgevoerd onder direct beheer voor de Commissie en indirect beheer voor het gedecentraliseerde agentschap (Bureau voor digitale netwerken) als bedoeld in de artikelen 70 en 71 van het Financieel Reglement, voornamelijk door middel van personeelsuitgaven en beleidskredieten voor het Berec-Bureau/ODN en de Commissie. De financiering dekt personeelskosten, coördinatieactiviteiten, analytische ondersteuning, IT-instrumenten en vergaderingen, met jaarlijkse kredieten in overeenstemming met de meerjarige programmering.
Om deze nieuwe taken uit te voeren, zijn extra personele middelen nodig. Voor de uitvoering en handhaving van de verordening zijn naar schatting 25 extra voltijdequivalenten (vte’s) nodig voor het ODN en 5 extra vte’s voor de Commissie, met name voor grensoverschrijdende taken in verband met spectrumbeheer, het algemene machtigingsstelsel, satellietmachtiging en nummering. De voorgestelde personeelsbezetting houdt rechtstreeks verband met de omvang en complexiteit van de nieuwe verantwoordelijkheden en weerspiegelt de meest kostenefficiënte optie, waarbij dubbel werk op nationaal niveau wordt vermeden en de administratieve lasten voor marktdeelnemers worden verminderd.
Voor de betalingen zullen de standaardbegrotingsprocedures van de EU worden gevolgd, met inbegrip van vastleggingen en betalingen op jaarbasis, in overeenstemming met het Financieel Reglement en binnen de maxima van het toepasselijke meerjarig financieel kader, ondersteund door de jaarlijkse bijdragen uit de vergoedingen ter dekking van de kosten van de aanvullende taken, met inbegrip van langetermijnkosten. De uitgaven zullen worden onderworpen aan het internecontrolekader van de Commissie, met inbegrip van controles vooraf, audits achteraf, prestatiemonitoring en verslaglegging. Deze controlestrategie waarborgt een gedegen financieel beheer, de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven en een doeltreffend gebruik van de middelen van de Unie, en maakt tegelijkertijd een tijdige uitvoering van de verordening mogelijk.
2.2.2.Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken
Om ervoor te zorgen dat de leden van Berec en het RSPB met kennis van zaken analyses kunnen maken op basis van feitelijk bewijsmateriaal, is bepaald dat zij moeten worden ondersteund door het Bureau voor digitale netwerken (ODN), dat het Berec-Bureau vervangt, en dat het ODN-personeel indien nodig aanvullende deskundigheid moet verstrekken.
De bepalingen over governance in de verordening digitale netwerken verschaffen een uitgebreid organisatorisch, financieel en verantwoordingskader voor het ODN als Unie-orgaan dat zowel Berec als het RSPB ondersteunt. De verordening digitale netwerken zet de taken, de governancestructuur, de programmering en de begrotings- en personeelsregels van het ODN uiteen en waarborgt de transparantie, gedegen financieel beheer en doeltreffend toezicht, met inbegrip van fraudebestrijdings-, audit- en evaluatiemechanismen.
2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting)
Voor de vergaderkosten van twee comités, het Comité voor communicatie en het Radiospectrumcomité, lijken gezien de lage waarde per transactie (bv. terugbetaling van reiskosten voor een afgevaardigde voor een vergadering) de standaardcontroleprocedures afdoende.
De kosten van het RSPB, dat de huidige RSPG (en zijn subgroepen) zal vervangen, zullen worden overgenomen door het ODN, dat het RPSB administratieve ondersteuning zal bieden. Wat de operationele kosten van het ODN betreft, bestaat er een intern controlesysteem overeenkomstig het organisatorische, financiële en verantwoordingskader van de verordening digitale netwerken (deel VII, Governance).
2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden
De bestaande maatregelen ter bestrijding van fraude die op de Commissie van toepassing zijn, zullen de aanvullende kredieten dekken die voor deze verordening nodig zijn.
3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
3.1.Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven
Bestaande begrotingsonderdelen
In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
Begrotingsonderdeel
|
Soort uitgave
|
Bijdrage
|
|
|
Nummer
|
GK/NGK
|
van EVA-landen
|
van kandidaat-lidstaten en aspirant-kandidaten
|
van andere derde landen
|
andere bestemmings-ontvangsten
|
|
|
Berec/ODN
|
GK/NGK
|
JA
|
NEE
|
NEE
|
NEE
|
|
|
Inkomsten uit vergoedingen (niet besloten of COM of ODN de vergoeding zal innen) [XX.YY.YY.YY]
|
GK/NGK
|
JA
|
NEE
|
NEE
|
NEE
|
|
|
[XX.YY.YY.YY]
|
GK/NGK
|
JA
|
NEE
|
NEE
|
NEE
|
3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten
3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten
Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig.
Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:
3.2.1.1.Kredieten uit goedgekeurde begroting
in miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
|
|
|
DG: CNECT
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
Beleidskredieten <eCOMM>
|
|
Begrotingsonderdeel
|
Vastleggingen
|
(1a)
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
4,200
|
|
|
Betalingen
|
(2a)
|
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
3,600
|
|
Begrotingsonderdeel
|
Vastleggingen
|
(1b)
|
|
|
|
|
|
|
|
0
|
|
|
Betalingen
|
(2b)
|
|
|
|
|
|
|
|
0
|
|
Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten
|
|
Begrotingsonderdeel
|
|
(3)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL kredieten
|
Vastleggingen
|
=1a+1b+3
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
4,200
|
|
voor DG CNECT
|
Betalingen
|
=2a+2b+3
|
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
3,600
|
in miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
[Agentschap]: <Berec-Bureau/Bureau voor digitale netwerken>
|
Jaar 2028
|
Jaar 2029
|
Jaar 2030
|
Jaar 2031
|
Jaar 2032
|
Jaar 2033
|
Jaar 2034
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
Begrotingsonderdeel: Bijdrage uit de EU-begroting aan Berec/ODN
|
|
|
|
|
|
|
|
|
<.......>.. Verplichte tabel
|
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
TOTAAL beleidskredieten(inclusief bijdrage aan gedecentraliseerd agentschap)
|
Vastleggingen
|
(4)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Betalingen
|
(5)
|
0
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
3,600
|
|
TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten
|
(6)
|
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK <7>
|
Vastleggingen
|
=4+6
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
van het meerjarig financieel kader
|
Betalingen
|
=5+6
|
0
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
3,600
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
4
|
“Administratieve uitgaven”
|
|
DG: <CNECT >
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
Personele middelen
|
7,293
|
7,592
|
7,786
|
7,786
|
7,786
|
7,786
|
7,786
|
53,815
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
0,429
|
0,429
|
0,429
|
0,429
|
0,429
|
0,429
|
0,429
|
3,003
|
|
TOTAAL DG <CNECT>
|
Kredieten
|
7,722
|
8,021
|
8,215
|
8,215
|
8,215
|
8,215
|
8,215
|
56,818
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 4 van het meerjarig financieel kader
|
(totaal vastleggingen = totaal betalingen)
|
7,722
|
8,021
|
8,215
|
8,215
|
8,215
|
8,215
|
8,215
|
56,818
|
in miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 4
|
Vastleggingen
|
8,322
|
8,621
|
8,815
|
8,815
|
8,815
|
8,815
|
8,815
|
61,018
|
|
van het meerjarig financieel kader
|
Betalingen
|
0,000
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
0,600
|
3,600
|
3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten
Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig.
Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven.
3.2.3.1. Kredieten uit goedgekeurde begroting
|
GOEDGEKEURDE KREDIETEN
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL 2028-2034
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
RUBRIEK 4
|
|
Personele middelen
|
7,293
|
7,592
|
7,786
|
7,786
|
7,786
|
7,786
|
7,786
|
53,815
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
0,429
|
0,429
|
0,429
|
0,429
|
0,429
|
0,429
|
0,429
|
3,003
|
|
Subtotaal RUBRIEK 4
|
7,722
|
8,021
|
8,215
|
8,215
|
8,215
|
8,215
|
8,215
|
56,818
|
|
|
|
Personele middelen
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Subtotaal buiten RUBRIEK 4
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
|
|
TOTAAL
|
7. 722
|
8,021
|
8,215
|
8,215
|
8,215
|
8,215
|
8,215
|
56,818
|
De benodigde kredieten voor personeel en andere administratieve uitgaven zullen worden gefinancierd uit de kredieten van het DG die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.
De gevraagde personeelsaantallen en kredieten moeten als indicatief worden beschouwd en er kan niet vooruit worden gelopen op het resultaat van de lopende onderhandelingen over het toekomstige meerjarig financieel kader.
3.2.4.Geraamde personeelsbehoeften
Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig.
Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven.
3.2.4.1.Gefinancierd uit goedgekeurde begroting
Raming in voltijdequivalenten (vte’s)
|
GOEDGEKEURDE KREDIETEN
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)
|
|
20 01 02 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie)
|
30 (netto)
|
31 (netto)
|
32
|
32
|
32
|
32
|
32
|
|
20 01 02 03 (EU-delegaties)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
(Onderzoek onder contract)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
(Eigen onderzoek)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
• Extern personeel (in vte’s)
|
|
20 02 01 (AC, END van de “totale financiële middelen”)
|
14 (netto)
|
15 (netto)
|
15
|
15
|
15
|
15
|
15
|
|
20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Admin. ondersteuning
|
— centrale diensten
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
[XX.01.YY.YY]
|
— EU-delegaties
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
(AC, END — onderzoek onder contract)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
(AC, END — eigen onderzoek)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) — rubriek 4
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) — buiten rubriek 4
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
TOTAAL
|
44
|
46
|
47
|
47
|
47
|
47
|
47
|
Aantal personeelsleden dat nodig is voor de uitvoering van het voorstel (in vte’s):
|
|
Uit te voeren door bestaand personeel van de diensten van de Commissie
|
Uitzonderlijk aanvullend personeel*
|
|
|
|
Te financieren uit rubriek 4 of onderzoek
|
Te financieren uit BA-onderdeel
|
Te financieren uit vergoedingen
|
|
Personeelsformatieposten
|
29
|
3
|
n.v.t.
|
|
|
Extern personeel (AC, GND, INT)
|
13
|
2
|
|
|
In totaal zijn er binnen DG CNECT al 42 vte’s aangevraagd voor het initiatief, die zullen worden herplaatst, bestaande uit 29 personeelsformatieposten en 13 externe personeelsleden (AC’s en GND’s). Naast deze bestaande middelen vereist het initiatief 5 vte’s aan uitzonderlijk extra personeel (3 ambtenaren en 2 externe personeelsleden — AC’s of GND’s), waarom wordt gevraagd boven op de huidige personeelsbezetting om de volledige en doeltreffende uitvoering van het initiatief te waarborgen.
De nieuwe taken die met het voorstel worden ingevoerd — met name die in verband met spectrumgovernance, satellietmachtiging, voorafgaande controle van spectrumgunningen en nauwere coördinatie met Berec en de RSPG, naast de ondersteuning van de harmonisatie van de algemene machtigingsvoorwaarden en de procedure voor het ene paspoort — kunnen niet worden opgevangen door de bestaande personele middelen van DG CNECT.
De leidende eenheid voor spectrum- en satellietaangelegenheden die met deze gebieden is belast, is zeer klein en beheert reeds een brede portefeuille van technisch complexe en tijdgevoelige dossiers die verband houden met alle aspecten van het spectrumbeleid van de EU. Naast zijn bestaande taken is dit team momenteel verantwoordelijk voor de volledige secretariaatsfunctie van de RSPG, die wordt verzorgd door 1,5 vte, ondanks de gestaag toenemende werklast en het toenemende aantal spectrumkwesties die coördinatie op EU-niveau vereisen. Uit interne beoordelingen blijkt dat de eenheid niet in staat is aanvullende verantwoordelijkheden op zich te nemen zonder dat de lopende kernwerkzaamheden in het gedrang komen of de kwaliteit en tijdigheid van de coördinatie van het spectrum- en satellietbeleid op EU-niveau vermindert.
Herplaatsing binnen DG CNECT is geen haalbare optie. Andere eenheden hebben geen overtollig personeel en beschikken evenmin over de gespecialiseerde technische deskundigheid die nodig is om doeltreffend te werken op het gebied van satellietcommunicatie, geavanceerde spectrumengineering, interferentiebeheer of het opkomende ecosysteem van satelliet-tot-apparaat. Dit zijn zeer innovatieve en technisch veeleisende gebieden waar generalistische profielen of personeel dat wordt herplaatst vanuit niet-verwante beleidsterreinen, specifieke deskundigen niet kunnen vervangen. De taken waarin het voorstel voorziet, vereisen diepgaande, domeinspecifieke kennis en voortdurende samenwerking met nationale autoriteiten, het bedrijfsleven en internationale organen. Gezien de combinatie van een zeer klein bestaand team, de reeds hoge werklast — met inbegrip van het éénmanssecretariaat van de RSPG en het gespecialiseerde karakter van satelliet- en spectrumwerk — zijn extra specifieke personeelsleden onontbeerlijk voor de Commissie om de nieuwe verantwoordelijkheden uit hoofde van het voorstel te kunnen vervullen.
Het soort personeel wordt in bovenstaande tabel gespecificeerd.
De gevraagde personeelsaantallen en kredieten moeten als indicatief worden beschouwd en er kan niet vooruit worden gelopen op het resultaat van de lopende onderhandelingen over het toekomstige meerjarig financieel kader.
Beschrijving van de door de Commissie uit te voeren taken:
|
Ambtenaren en tijdelijk personeel
|
Nieuwe taken:
1.EU-satellietmachtiging, met inbegrip van eventuele toekomstige selectieprocedures, en het toezicht op en de handhaving van de naleving van de voorwaarden die van toepassing zijn op de satellietspectrummachtiging;
2.gecoördineerde handhaving met betrekking tot EU-satellieten in verband met schadelijke interferenties en coördinatie van ITU-aanvragen;
3.voorafgaande controle van veilingen — verzending van brieven met opmerkingen/besluiten (vergelijkbaar met de procedure voor vaste markten en corrigerende maatregelen);
4.verzoeken om regelgeving;
5.werkzaamheden met betrekking tot geplande gedelegeerde/uitvoeringshandelingen (bv. geharmoniseerde voorwaarden, kostenmethoden, satellieten);
6.werkzaamheden met betrekking tot een grotere harmonisatie van het algemene machtigingsstelsel en de daarmee verband houdende procedure voor het ene paspoort, met inbegrip van voorschriften op het gebied van nationale veiligheid.
|
|
Extern personeel
|
Nieuwe taken:
7.EU-satellietmachtiging, met inbegrip van eventuele toekomstige selectieprocedures, en het toezicht op en de handhaving van de naleving van de voorwaarden die van toepassing zijn op de satellietspectrummachtiging;
8.gecoördineerde handhaving met betrekking tot EU-satellieten in verband met schadelijke interferenties en coördinatie van ITU-aanvragen;
9.voorafgaande controle van veilingen — verzending van brieven met opmerkingen/besluiten (vergelijkbaar met de procedure voor vaste markten en corrigerende maatregelen);
10.verzoeken om regelgeving;
11.[mogelijke start van het project inzake dynamische databanken voor geolocatie en monitoring van mogelijkheden voor spectrumgebruik];
12.werkzaamheden met betrekking tot geplande gedelegeerde/uitvoeringshandelingen (bv. geharmoniseerde voorwaarden, kostenmethoden, satellieten);
13.werkzaamheden met betrekking tot een grotere harmonisatie van het algemene machtigingsstelsel en de daarmee verband houdende procedure voor het ene paspoort, met inbegrip van voorschriften op het gebied van nationale veiligheid.
|
3.2.5.Overzicht van het geschatte effect op met digitale technologie samenhangende investeringen
|
TOTAAL Digitale en IT-kredieten
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
RUBRIEK 4
|
|
IT-uitgaven (algemeen)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Subtotaal RUBRIEK 4
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Buiten RUBRIEK 4
|
|
IT-beleidsuitgaven inzake operationele programma’s
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Subtotaal buiten RUBRIEK 4
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
|
|
TOTAAL
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
3.2.6.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader
Het voorstel/initiatief:
kan volledig worden gefinancierd door middel van herschikking binnen de relevante rubriek van het meerjarig financieel kader (MFK);
vereist een beroep op de niet-toegewezen marge in de desbetreffende rubriek van het MFK en/of op de speciale instrumenten zoals vastgesteld in de MFK-verordening;
Naast deze bestaande middelen in de Commissie/DG CNECT zijn voor het initiatief 5 vte’s aan uitzonderlijk extra personeel nodig (3 ambtenaren en 2 externe personeelsleden — AC’s en GND’s), om de volledige en doeltreffende uitvoering van het initiatief te waarborgen.
vereist een herziening van het MFK.
3.2.7.Bijdragen van derden
Het voorstel/initiatief:
voorziet niet in medefinanciering door derden
voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:
Kredieten in miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Totaal
|
|
|
2028
|
2029
|
2030
|
2031
|
2032
|
2033
|
2034
|
|
|
Vrijwillige bijdragen van derde landen
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
TOTAAL medegefinancierde kredieten
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
3.2.8.Geraamde personeelsbehoeften en vereiste administratieve kredieten in een gedecentraliseerd agentschap
Personeelsbehoeften (voltijdequivalenten — volledig gefinancierde vergoeding, zoals toegelicht in punt 3.3)
|
Agentschap: Bureau voor digitale netwerken
|
Jaar 2028
|
Jaar 2029
|
Jaar 2030
|
Jaar 2031
|
Jaar 2032
|
Jaar 2033
|
Jaar 2034
|
|
Tijdelijke functionarissen
(AD-ambtenaren)
|
1
|
4
|
8
|
10
|
10
|
10
|
10
|
|
Tijdelijke functionarissen
(AST-ambtenaren)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal tijdelijke functionarissen (AD + AST)
|
1
|
4
|
8
|
10
|
10
|
10
|
10
|
|
Arbeidscontractanten
|
1
|
3
|
5
|
5
|
5
|
5
|
5
|
|
Gedetacheerde nationale deskundigen
|
2
|
6
|
8
|
10
|
10
|
10
|
10
|
|
Subtotaal arbeidscontractanten en gedetacheerde nationale deskundigen
|
3
|
9
|
13
|
15
|
15
|
15
|
15
|
|
TOTAAL personeel
|
4
|
13
|
21
|
25
|
25
|
25
|
25
|
Kredieten gedekt door vergoedingen, in miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
Agentschap: <Bureau voor digitale netwerken>.>
|
Jaar 2028
|
Jaar 2029
|
Jaar 2030
|
Jaar 2031
|
Jaar 2032
|
Jaar 2033
|
Jaar 2034
|
TOTAAL 2028-2034
|
|
Titel 1: Personeelskosten
|
0,495
|
1,673
|
2,833
|
3,415
|
3,415
|
3,415
|
3,415
|
18,661
|
|
Titel 2: Infrastructuuruitgaven en huishoudelijke uitgaven
|
0,348
|
0,348
|
0,348
|
0,348
|
0,348
|
0,348
|
0,348
|
2,348
|
|
Titel 3: Operationele uitgaven
|
0,264
|
0,264
|
0,264
|
0,264
|
0,264
|
0,264
|
0,264
|
1,848
|
|
TOTAAL kredieten gedekt door vergoedingen
|
1,107
|
2,285
|
3,445
|
4,027
|
4,027
|
4,027
|
4,027
|
22,857
|
Overzicht/samenvatting van personeel en kredieten (inkomsten uit vergoedingen) (in miljoenen euro’s) die voor het voorstel/initiatief nodig zijn in een gedecentraliseerd agentschap
|
Agentschap: Berec-Bureau/ODN
|
Jaar 2028
|
Jaar 2029
|
Jaar 2030
|
Jaar 2031
|
Jaar 2032
|
Jaar 2033
|
Jaar 2034
|
TOTAAL 2028-2034
|
|
Tijdelijke functionarissen (AD + AST)
|
1
|
4
|
8
|
10
|
10
|
10
|
10
|
10
|
|
Arbeidscontractanten
|
1
|
3
|
5
|
5
|
5
|
5
|
5
|
5
|
|
Gedetacheerde nationale deskundigen
|
2
|
6
|
8
|
10
|
10
|
10
|
10
|
10
|
|
Totaal personeel
|
4
|
13
|
21
|
25
|
25
|
25
|
25
|
25
|
|
Kredieten gedekt door EU-begroting
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Kredieten gedekt door vergoedingen
(indien van toepassing)
|
0,495
|
1,673
|
2,833
|
3,415
|
3,415
|
3,415
|
3,415
|
18,661
|
|
Medegefinancierde kredieten
(indien van toepassing)
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
TOTAAL kredieten
|
0,495
|
1,673
|
2,833
|
3,415
|
3,415
|
3,415
|
3,415
|
18,661
|
De gevraagde personeelsaantallen en kredieten moeten als indicatief worden beschouwd en er kan niet vooruit worden gelopen op het resultaat van de lopende onderhandelingen over het toekomstige meerjarig financieel kader.
Beschrijving van de door het Bureau voor digitale netwerken uit te voeren taken:
|
Ambtenaren en tijdelijk personeel
|
1. Met de deelname van het ODN aan de Berec-werkgroepen zullen de werknemers van het agentschap worden betrokken bij de onderwerpgerelateerde activiteiten van alle regelgevingsgerichte werkstromen van Berec. Dit betekent dat het personeel van het Berec-Bureau ook zal worden betrokken bij taken die reeds aan Berec zijn toevertrouwd in het kader van het Europees wetboek voor elektronische communicatie en waarvoor het momenteel alleen administratieve en logistieke ondersteuning biedt.
2. Het ODN zal worden belast met de publicatie van een uitgebreid verslag over de interne markt voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, waarin de stand van zaken, trends, de gevolgen van fusies op de markt en uitdagingen voor de elektronischecommunicatiesector worden beschreven. Het ODN moet met name verslag uitbrengen over de effecten van de in het kader van de verordening digitale netwerken uitgevoerde maatregelen op de interne markt. Het eerste verslag zou twee jaar na de inwerkingtreding kunnen worden gepubliceerd, zodat er voldoende tijd is om gegevens over de effecten van de maatregelen van de verordening digitale netwerken te verzamelen, en moet vervolgens jaarlijks worden gepubliceerd.
3. In het kader van de verordening digitale netwerken zal de Beleidsgroep Radiospectrum (RSPG) evolueren van een deskundigengroep van de Commissie naar een opzichzelfstaand orgaan dat vergelijkbaar is met Berec (Beleidsorgaan Radiospectrum of RSPB). Het ODN zal het secretariaat van de RSPG, dat momenteel door de Commissie wordt verzorgd, overnemen; naast de administratieve en organisatorische bijstand zal het ODN het RSPB echter ook inhoudelijk ondersteunen.
Met name:
4. analytische, administratieve en logistieke ondersteuning bieden aan het RSPB en zijn werkgroepen;
5. beste praktijken verzamelen over de keuze tussen algemene machtigingen en individuele rechten, over machtigingsprocedures en de daarmee verband houdende toekenningsvoorwaarden, zoals over de opzet van investeringsbevorderende veilingen, de methode voor de berekening van reserveringsprijzen, jaarlijkse vergoedingen en dekkingsverplichtingen;
6. optreden als centraal contactpunt voor het indienen van aanvragen en kennisgevingen om de verlening van spectrumgebruiksrechten en -machtigingen te vergemakkelijken wanneer de één-loketprocedure door de Commissie wordt opgezet;
7. dynamische databanken voor geolocatie en monitoring van mogelijkheden voor spectrumgebruik opzetten en beheren;
8. het RSPB bijstaan bij het organiseren en voorzitten van de fora van de procedure voor de eengemaakte markt voor radiospectrum en het bijhouden van de notulen;
9. fungeren als contactpunt voor informatie over verzoeken tot coördinatie volgens de ITU-regels inzake frequenties of een positie in de ruimte voor een satellietsysteem of grondstation;
10. op verzoek van de Commissie, de Commissie bijstaan bij de afgifte/verlening van de EU-machtiging voor satellieten. Evenzo, op verzoek van de Commissie, de Commissie bijstaan bij het uitvoeren van selectieprocedures in gevallen van schaarste van satellietspectrum;
11. de Commissie en het RSPB bijstaan bij het toezicht op en de handhaving van de EU-satellietmachtigingen; optreden als een contactpunt om te melden dat een houder van een EU-toelating niet voldoet aan de toepasselijke voorwaarden in het kader van de EU-machtiging;
12. het factureringsproces van de vergoedingen van satellietveilingen en machtigingsprocedures op EU-niveau beheren.
|
|
Extern personeel
|
Daarnaast heeft het externe personeel van het Berec-Bureau de volgende taken ter ondersteuning van de werkzaamheden van Berec:
1. Berec deskundige ondersteuning bieden bij de uitvoering van zijn regelgevende taken, onder meer door met de deskundigheid van de deskundigen van het nieuwe Berec-Bureau bij te dragen aan alle activiteiten van de werkgroepen;
2. de coördinatie tussen nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties in het kader van het nieuwe mechanisme voor het ene paspoort ondersteunen en de afgifte van paspoortverklaringen vergemakkelijken;
3. Berec ondersteunen bij het toezicht op de beschikbaarheid van diensten, de capaciteit en het gebruik van elektronischecommunicatienetwerken om de weerbaarheid en paraatheid van het netwerk te helpen verbeteren; informatie over de beschikbaarheid van diensten, de capaciteit en het gebruik van elektronischecommunicatienetwerken (en andere relevante digitale infrastructuren) analyseren; en Berec ondersteunen bij het opstellen van richtsnoeren inzake weerbaarheid;
4. gegevens en informatie verzamelen bij de nationale regelgevende instanties en bevoegde instanties, en informatie met betrekking tot de nieuwe regelgevingsgerichte taken die aan Berec zijn toegewezen uitwisselen en doorgeven, zoals weerbaarheid en paraatheid van het netwerk, en het nieuwe mechanisme voor het ene paspoort;
5. regelmatig ontwerpverslagen opstellen over specifieke aspecten van ontwikkelingen op de Europese markt voor elektronische communicatie, zoals benchmarkingverslagen over bovengenoemde nieuwe onderwerpen, die aan Berec moeten worden voorgelegd;
6. onder toezicht van Berec, Berec bijstaan bij het opzetten en ontwikkelen van registers en databanken (van kennisgevingen van ondernemingen die aan een algemene machtiging zijn onderworpen en die nodig zijn voor een nieuwe paspoortprocedure onder de verordening digitale netwerken, nummervoorraden en E.164-nummers van noodhulpdiensten van de lidstaten);
7. Berec ondersteunen bij het houden van openbare raadplegingen over nieuwe onderwerpen in het kader van de verordening digitale netwerken.
|
3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten
Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten;
Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:
voor de eigen middelen;
voor de overige inkomsten;
geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven.
in miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
Begrotingsonderdeel voor ontvangsten:
|
Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten
|
Gevolgen van het voorstel/initiatief
|
|
|
|
Jaar 2028
|
Jaar 2029
|
Jaar 2030
|
Jaar 2031
|
Jaar 2032
|
Jaar 2033
|
Jaar 2034
|
|
Berec-Bureau/ODN
|
|
2,337
|
3,515
|
4,675
|
5,257
|
5,257
|
5,257
|
5,257
|
Het huidige begrotingsonderdeel voor uitgaven van het Berec-Bureau, dat zal worden vervangen door het Bureau voor digitale netwerken (ODN), zal het ongewijzigde deel van het ODN blijven financieren (de EU-bijdrage aan het Berec-Bureau zal niet veranderen). Tegelijkertijd zullen de hierboven beschreven extra uitgaven voor het Bureau voor digitale netwerken worden gefinancierd uit vergoedingen voor satellietspectrummachtigingen en, indien beschikbaar, vergoedingen voor de gebruiksrechten van pan-Europese nummervoorraden en vrijwillige bijdragen en bijdragen in natura van de lidstaten.
Andere opmerkingen (bv. over de methode/formule voor de berekening van de gevolgen voor de ontvangsten of andere informatie).
De extra uitgaven zullen worden gedekt door twee belangrijke bronnen:
— een deel van de spectrumvergoedingen uit selectieprocedures die op EU-niveau worden uitgevoerd voor satellietmachtigingen (waarvan de eerste in 2027 zal worden uitgevoerd voor de 2 GHz-MSS-band). Indien de selectieprocedure niet in 2027 plaatsvindt, moeten de huidige gebruiksrechten, die in mei 2027 aflopen, worden verlengd. In een dergelijk geval worden de vergoedingen aan de gevestigde exploitanten opgelegd in ruil voor de verlenging, zodat de kosten volledig worden gedekt;
— de administratieve heffingen/spectrumvergoedingen voor de machtiging op EU-niveau.
De methode voor de berekening ervan zal per geval voor elke selectieprocedure worden vastgesteld en zal ten minste de gevraagde extra uitgaven dekken. Voor de eerste jaren tot het einde van de overgangsperiode zullen de nodige inkomsten worden geïnd uit het resultaat van de eerste reeds geplande selectieprocedure. Het bedrag van de vergoedingen (die de kosten grotendeels zullen dekken) zal vóór de procedure worden aangegeven en zal, gezien de schaarste van dit spectrum, naar verwachting daadwerkelijk worden geheven.
Met dit bedrag gespreid over een lange periode van meer dan tien jaar zullen we de extra uitgaven vanaf 2028 kunnen financieren. Het deel van de inkomsten uit de vergoedingen dat hoger is dan de te dekken uitgaven zal worden overgeheveld, bijvoorbeeld naar de algemene EU-begroting.
Eventuele aanvullende inkomsten uit andere EU-vergoedingen voor satellietmachtigingen, EU-nummermachtigingen en vrijwillige bijdragen en bijdragen in natura van lidstaten, EER/EVA-landen en derde landen die deelnemen aan de werkzaamheden van Berec en het ODN, alsook van het RSPB en het ODN, zullen worden gebruikt om de bijkomende uitgaven vanaf 2028 te dekken, naast de inkomsten uit de geplande selectie, of worden overgeheveld, bijvoorbeeld naar de algemene EU-begroting.
4.Digitale dimensies
4.1.Voorschriften met digitale relevantie
Korte beschrijving van de voorschriften met digitale relevantie en de categorieën ervan (data, procesdigitalisering en ‑automatisering, digitale oplossingen en/of digitale overheidsdiensten)
|
Verwijzing naar voorschrift
|
Beschrijving van voorschrift
|
Betrokken actoren
|
Processen op hoog niveau
|
Categorieën
|
|
Deel II — Paraatheid en weerbaarheid
|
Gegevensstromen met betrekking tot het paraatheidsplan van de Unie voor digitale infrastructuur; of in de context van crisisrespons.
|
Berec
ODN
Europese Commissie
Nationale regelgevende instanties
Enisa
EU-CyCLONe
|
Opstelling en verspreiding van verslagen
Institutionele samenwerking (incl. crisisrespons)
|
Gegevens
|
|
Deel III — Machtigingen voor de eengemaakte markt en paspoorten
|
Gegevensstromen in verband met algemene machtiging, de procedure voor het ene paspoort, wederzijdse bijstand en administratieve kosten.
Digitale oplossing: openbaar toegankelijke Uniedatabank van de bij de nationale regelgevende instanties ingediende kennisgevingen (gecentraliseerde databank voor de uitvoering van de regeling voor het ene paspoort).
|
Europese Commissie
Lidstaten (nationale regelgevende instanties)
Aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken of -diensten
Berec
ODN
|
Marktmachtiging
|
Gegevens
Digitale oplossing
Digitale overheidsdienst
|
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel I, Spectrum — Hoofdstuk I, Beginselen en doelstellingen
|
Gegevensstromen in verband met de strategische planning en het beheer van het radiospectrum.
Impliciete gegevensstromen met betrekking tot samenwerking in het kader van de grensoverschrijdende coördinatie van het gebruik van radiospectrum (onder meer om schadelijke interferentie aan te pakken).
|
Bevoegde instanties van de lidstaten
Europese Commissie
RSPB
Houders van een recht op spectrumgebruik
Derde landen
|
Strategische planning en beheer
Grensoverschrijdende samenwerking tussen nationale autoriteiten
|
Gegevens
|
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel I, Spectrum — Hoofdstuk II, Toewijzing
|
Gegevensstromen met betrekking tot de spectrumstrategie en routekaarten van de Unie, de gecoördineerde timing van toewijzingen en verzoeken om harmonisatie van het radiospectrum.
|
Europese Commissie
Bevoegde instanties van de lidstaten
RSPB
Initiators van verzoeken om harmonisatie
Radiospectrumcomité
|
Strategische planning
Institutionele samenwerking
Beheer van verzoeken
|
Gegevens
|
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel I, Spectrum — Hoofdstuk III, Toewijzing
|
Gegevensstromen met betrekking tot individuele rechten op het gebruik van radiospectrum, gemeenschappelijke machtigingsvoorwaarden voor het gebruik van radiospectrum, gedeeld spectrumgebruik en selectieprocedures voor de eengemaakte markt voor spectrum.
Digitale oplossing: dynamische databank voor geolocatie en monitoring van de mogelijkheden voor spectrumgebruik om gedeeld gebruik van specifieke spectrumbanden te bevorderen en mogelijk te maken
|
Bevoegde instanties van de lidstaten
Belanghebbenden (met betrekking tot individuele gebruiksrechten)
RSPB en RSPG
Europese Commissie
ODN
Comité voor communicatie of externe deskundigen
Berec
|
Machtiging en gebruiksrechten
Databank
|
Gegevens
Digitale oplossing
Digitale overheidsdienst
|
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel II, Gebruik van spectrum per satelliet
|
Gegevensstromen met betrekking tot:
-de registratie van satellietsystemen bij en de coördinatie ervan met de Internationale Telecommunicatie-unie (ITU);
-algemene machtigingen voor het aanbieden van satellietnetwerken en/of satellietcommunicatiediensten;
-Unie-machtiging voor het gebruik van satellieten/radiospectrum;
-toezicht en corrigerende maatregelen in het kader van de conformiteit van de satellietnetwerken en satellietcommunicatiediensten die in het kader van een machtiging van de Unie worden geëxploiteerd;
-het oplossen van satellietinterferenties; en
-verzoeken om coördinatie van het spectrumgebruik tussen terrestrische en ruimtevaarttoepassingen.
|
Potentiële gebruikers van het radiospectrum
Bevoegde instanties voor spectrum
Europese Commissie
ITU
RSPB
Aanbieders van satellietnetwerken en/of satellietcommunicatiediensten
Houders van een machtiging van de Unie (die de voorwaarden niet blijken te hebben nageleefd)
Radiospectrumcomité
|
Beheer van verzoeken
Machtiging
Toezicht en maatregelen
|
Gegevens
|
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel III, Nummeringsbronnen
|
Gegevensstromen met betrekking tot: pan-Europese nummervoorraden; nationale nummervoorraden; en het verlenen van gebruiksrechten voor nummervoorraden.
Digitale oplossing: databank van de pan-Europese nummervoorraden
|
Nationale regelgevende instanties
ODN
Berec
Ondernemingen voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten
|
Databank
Informatie-uitwisseling (incl. publicatie)
Verspreiding van verslagen
Procedure voor de verlening van rechten
|
Gegevens
Digitale oplossing
Digitale overheidsdienst
|
|
Deel V — Overstap naar glasvezel, marktwerking en concurrentie;
Titel I, Overstap naar glasvezelnetwerken
|
Gegevens en gegevensstromen:
-CSO-zones bijwerken en publiceren, van kopernetwerken publiceren waar aan de duurzaamheidsvoorwaarden is voldaan
-Kennisgeving van het nationale plan voor de overstap naar glasvezel
-Impliciete informatiestromen voor eindgebruikers in gebieden die getroffen zijn door de uitschakeling van kopernetwerken
-Indiening van de plannen voor de uitschakeling van kopernetwerken door de exploitanten bij de nationale regelgevende instanties
|
Nationale regelgevende instanties
Lidstaten
Exploitanten
|
Informatie delen
Informatie indienen
Informatie openbaar maken
|
Gegevens
|
|
Deel V — Overstap naar glasvezel, marktwerking en concurrentie;
Titel III, Interconnecties
Hoofdstuk II: Symmetrische toegangsregels
|
Gegevens en gegevensstromen:
-richtsnoeren opstellen en de procedures voor toegang en interconnectie openbaar maken
-Kennisgeving van het resultaat van de beoordeling van het regelgevingskader overeenkomstig artikel 69
|
Nationale regelgevende instanties
|
Ontwikkeling van richtsnoeren en publicatie van informatie
Informatieverstrekking
|
Gegevens
|
|
Deel V — Overstap naar glasvezel, marktwerking en concurrentie;
Titel IV: Markten en concurrentie
Hoofdstuk I — Marktanalyse en aanmerkelijke marktmacht
|
Gegevens en gegevensstromen:
-De aanbeveling tot vaststelling van de producten- en dienstenmarkten die het opleggen van wettelijke verplichtingen rechtvaardigen
-Analyse van de markt en kennisgeving van de overeenkomstige ontwerpen van regelgevingsmaatregelen
-Impliciete informatiestromen met betrekking tot de identificatie van transnationale markten en behoeften
-Richtsnoeren voor marktanalyse en beoordeling van een aanmerkelijke marktmacht
|
Europese Commissie
Nationale regelgevende instanties
Berec
|
Aanbevelingen opstellen
Informatieverstrekking
Opstellen van richtsnoeren
|
Gegevens
|
|
Deel V — Overstap naar glasvezel, marktwerking en concurrentie;
Titel IV: Markten en concurrentie
Hoofdstuk II: Corrigerende maatregelen jegens ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht
|
Gegevens en gegevensstromen:
-beschrijving van het openbaar beschikbare kostentoerekeningssysteem
-Informatie over de afsprakenprocedure
|
Nationale regelgevende instanties
Exploitanten
|
Openbaar beschikbaar stellen
Informatie indienen
|
Gegevens
|
|
Deel V — Overstap naar glasvezel, marktwerking en concurrentie;
Titel IV: Markten en concurrentie
Hoofdstuk III: Internemarktprocedures voor marktregulering
|
Gegevensstromen met betrekking tot de consolidatie van de interne markt voor elektronische communicatie
|
Nationale regelgevende instanties
Berec
Europese Commissie
|
Adviezen uitbrengen
Informatie indienen
|
Gegevens
|
|
Deel VI — Diensten
Titel II: Open-internettoegang
|
Gegevens en gegevensstromen:
-Indiening van informatie over open-internettoegang
-Informatie-uitwisseling met Berec
-Verslag van Berec over de belangrijkste praktijken en bevindingen van de nationale regelgevende instanties
-Gemeenschappelijk model van Berec voor het verzamelen van informatie van aanbieders
-Richtsnoeren van Berec voor de uitvoering van de verplichtingen van de nationale regelgevende instanties
|
Aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken aan het publiek
Nationale regelgevende instanties
Berec
|
Informatie delen
Richtsnoeren ontwikkelen
Modellen ontwikkelen
Rapportage
|
Gegevens
|
|
Deel VI — Diensten
Titel III: Rechten van de eindgebruiker
Hoofdstuk I: Rechten van consumenten
|
Gegevens en gegevensstromen:
-informatievereisten voor contracten
-transparantiegegevens
-informatievereisten voor contractduur en beëindiging van het contract
|
Aanbieders van internettoegangsdiensten
Consumenten
|
Informatie delen
|
Gegevens
|
|
Deel VI — Diensten
Titel III: Rechten van de eindgebruiker
Hoofdstuk II: Rechten van eindgebruikers
|
Gegevens en gegevensstromen:
-informatievereisten met betrekking tot overstappen en nummerportabiliteit
|
Aanbieders van internettoegangsdiensten
Consumenten
ODN
Berec
Micro-ondernemingen
|
Informatie delen
Richtsnoeren ontwikkelen
Informeren
|
Gegevens
|
|
Deel VI — Diensten
Titel III: Rechten van de eindgebruiker
Hoofdstuk III: Faciliteiten en functionaliteiten voor eindgebruikers
Digitale oplossing overeenkomstig artikel 107, lid 13. De oorspronkelijke rechtsgrondslag is artikel 109, lid 8, van Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (herschikking)
|
Gegevens- en gegevensstromen in verband met de eisen inzake de bescherming van eindgebruikers en communicatiediensten (fraudepreventie, noodhulpdiensten, oproepfuncties, interoperabiliteit van apparatuur)
Digitale oplossing:
-de lidstaten melden de E.164-nummers aan het ODN, met het oog op het bijhouden van een databank door het ODN onder toezicht van Berec, waarmee contact kan worden gelegd met de alarmsystemen van de lidstaten om ervoor te zorgen dat zij van de ene lidstaat tot de andere contact met elkaar kunnen leggen.
|
Eindgebruikers
Dienstverleners
Lidstaten
Enisa
ODN
|
Informatie verzamelen
Informatie delen
Rapportage
|
Gegevens
Digitale oplossing
|
|
Deel VII — Governance
Titel I: Nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties
|
Gegevens en gegevensstromen:
-kennisgeving van nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties
-begrotingsrapportage door de nationale regelgevende instanties
-impliciet verslag naar aanleiding van de begrotingscontrole
|
Lidstaten
Europese Commissie
Nationale regelgevende instanties
|
Informatie openbaar maken
Kennisgeving
Rapportage
|
Gegevens
|
|
Deel VII — Governance
Titel II: Taken en organisatie van Berec
|
Gegevens- en gegevensstromen in verband met de taken en organisatie van Berec
|
Berec, ODN, nationale regelgevende instanties, Commissie, Europees Parlement, Raad en andere belanghebbenden
|
Informatie openbaar maken
Toezicht houden
|
Gegevens
|
|
Deel VII — Governance
Titel IV: Gemeenschappelijke bepalingen en samenwerking tussen Berec en het RSPB
|
Gegevens en gegevensstromen
-Informatiestromen in verband met gemeenschappelijke bepalingen en samenwerking tussen Berec en het RSPB, met inbegrip van tweejaarlijkse werkprogramma’s en kennisgevingen, en activiteitenverslagen.
|
Berec
RSPB-raad
Europees Parlement
Raad
Commissie
Europees Economisch en Sociaal Comité
|
Verslag indienen
|
Gegevens
|
|
Deel VII — Governance
Titel V: Bureau voor digitale netwerken
Hoofdstuk I: Taken en organisatie van het ODN
|
Gegevens en gegevensstromen:
-Informatiestromen in verband met de taken en organisatie van het ODN
|
ODN
Enisa
Berec
RSPB
Commissie
Europees Parlement
Raad
Rekenkamer
|
Verslagen indienen
Documenten en verslagen opstellen
|
Gegevens
|
|
Deel VII — Governance
Titel V: Bureau voor digitale netwerken
Hoofdstuk II: Begroting en programmering van het ODN
|
Gegevens en gegevensstromen:
-Informatiestromen in verband met de begroting en programmering van het ODN
|
ODN, Europees Parlement, Raad, Europese Rekenkamer
|
Informatie indienen
Informatie openbaar maken
|
Gegevens
|
|
Deel VII — Governance
Titel V: Bureau voor digitale netwerken
Hoofdstuk III: Algemene bepalingen
|
Gegevens en gegevensstromen:
-informatiestromen in verband met de algemene bepalingen van het ODN, met inbegrip van samenwerking met Berec en het RSPB
Digitale oplossingen:
-digitale oplossingen voor het opzetten van een informatie- en communicatiesysteem overeenkomstig artikel 174
|
ODN, Berec, RSPB, Commissie, nationale regelgevende instanties, bevoegde instanties, lidstaten, Europees Parlement, Raad
|
Informatie-uitwisseling
Verklaringen indienen
Rapportage
|
Gegevens
Digitale oplossingen
|
|
Deel VIII: Algemene en slotbepalingen
Titel I: Verstrekking van informatie, onderzoeken en raadplegingsmechanisme
|
Gegevens en gegevensstromen:
-informatiestromen in verband met de verstrekking van informatie, onderzoeken en raadplegingsmechanisme
|
Ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aanbieden, nationale regelgevende instanties, andere bevoegde instanties, Berec, het RSPB, de Commissie, instanties van de lidstaten, overheidsinstanties, centrale informatiepunten, eindgebruikers, consumenten, fabrikanten
|
Informatie indienen
Informatie-uitwisseling
|
Gegevens
|
|
Deel VIII: Algemene en slotbepalingen
Titel II: Harmonisatieprocedures
|
Gegevens en gegevensstromen:
-informatiestromen in verband met normalisatieactiviteiten
|
Europese Commissie, nationale regelgevende instanties, andere bevoegde instanties, Berec, RSPB, Europees Parlement, Raad, Europese normalisatieorganisaties, publiek
|
Normen publiceren
Informatie indienen
|
Gegevens
|
|
Deel VIII: Algemene en slotbepalingen
Titel III: Beslechting van geschillen
|
Gegevens en gegevensstromen:
-informatiestromen in verband met geschillenbeslechting
|
Nationale regelgevende instanties
Berec
|
Openbaar beschikbaar stellen
Kennisgevingen verzenden
|
Gegevens
|
|
Deel VIII: Algemene en slotbepalingen
Titel IV: Samenwerking tussen ecosystemen
|
Gegevens en gegevensstromen:
-informatiestromen in verband met de samenwerking tussen ecosystemen
|
Berec, ODN, Commissie, nationale regelgevende instanties, aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken, ondernemingen die actief zijn in elektronische communicatie of nauw verwante sectoren, belanghebbenden
|
Informatie openbaar maken
Informatie indienen
|
Gegevens
|
|
Deel VIII: Algemene en slotbepalingen
Titel VI: Slotbepalingen
|
Gegevens en gegevensstromen:
-algemene informatiestromen
|
Commissie, Europees Parlement, Raad, lidstaten, nationale regelgevende instanties, Comité voor communicatie, Radiospectrumcomité, Berec, RSPB, ODN, ondernemingen, deskundigen, belanghebbenden
|
Kennisgevingen verzenden
Informatie openbaar maken
|
Gegevens
|
4.2.Gegevens
Korte beschrijving van de betrokken data
|
Soort data
|
Verwijzing naar voorschrift(en)
|
Standaard en/of specificatie (indien van toepassing)
|
Beschrijving van de gegevensstroom
|
|
Het “plan van de Unie voor paraatheid van digitale infrastructuur” en informatie die bij de opstelling van dat plan is gebruikt
|
Deel II — Paraatheid en weerbaarheid
|
De juridische tekst bevat een beschrijving van wat het plan moet bevatten.
Berec publiceert een gemeenschappelijk model dat door de nationale regelgevende instanties moet worden gebruikt voor het verzamelen van de informatie die als input voor het plan zal dienen.
|
De nationale regelgevende instanties verstrekken het ODN om de twee jaar de nodige informatie over de architectuur, de capaciteit, de vermogens en het gebruik van elektronischecommunicatienetwerken.
Gegevensstromen die voortvloeien uit de samenwerking van het ODN, de Europese Commissie en de bij artikel 14 van Richtlijn (EU) 2022/2555 opgerichte samenwerkingsgroep, het Agentschap van de Europese Unie voor cyberbeveiliging (Enisa) en de relevante Europese autoriteiten voor crisisrespons en coördinatie van civiele bescherming bij de voorbereiding van het plan.
Gegevensstromen die voortvloeien uit het beschikbaar stellen van het plan.
Op verzoek deelt het ODN met de Commissie bijzonderheden over de analyse die is gebruikt om het plan op te stellen.
Zodra het beschikbaar is, publiceert Berec het gemeenschappelijke model voor het verzamelen van informatie van de nationale regelgevende instanties.
|
|
Informatie om te zorgen voor gedeeld situationeel bewustzijn en samenhang bij crisisrespons
|
Deel II — Paraatheid en weerbaarheid
|
//
|
Wanneer een natuurlijke of door de mens veroorzaakte verstoring, crisis of overmacht betrekking heeft op of samenvalt met grootschalige cyberbeveiliging, verstrekt Berec de relevante informatie aan het Europees Netwerk van verbindingsorganisaties voor cybercrises (EU-CyCLONe) en aan de Commissie.
|
|
Gegevens in het kader van de marktmachtiging en de procedure voor het ene paspoort
|
Deel III — Machtigingen voor de eengemaakte markt en paspoorten
|
//
De kennisgeving van het voornemen om netwerken of diensten aan te bieden, wordt gedaan overeenkomstig een door Berec beschikbaar te stellen kennisgevingsmodel.
Er wordt een beschrijving verstrekt van de informatie die in de bevestiging van de machtiging moet worden opgenomen.
|
De lidstaten stellen de Commissie in kennis van het opleggen van beperkingen van de vrijheid om elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan te bieden.
Een aanbieder die voornemens is netwerken of diensten aan te bieden in een of meer lidstaten dient een kennisgeving in bij de nationale regelgevende instantie van een van die lidstaten in het kader van de procedure voor het ene paspoort.
De in kennis gestelde bevoegde instanties sturen de ontvangen kennisgeving door naar het ODN.
Indien de kennisgeving betrekking heeft op meerdere lidstaten, zendt het ODN deze ter informatie door naar de bevoegde instanties van de andere lidstaten waar de aanbieder voornemens is actief te zijn.
Indien de kennisgeving betrekking heeft op het voornemen van een aanbieder die reeds actief is in een of meer lidstaten om zijn activiteiten uit te breiden tot andere lidstaten, zendt het ODN deze kennisgeving ter informatie door naar de bevoegde instanties van alle betrokken lidstaten.
De in kennis gestelde instantie bevestigt de machtiging om elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aan te bieden aan de aanbieder.
De in kennis gestelde instanties actualiseren de informatie over alle ontvangen kennisgevingen in de openbaar toegankelijke Uniedatabank ten minste om de twee maanden.
|
|
Richtsnoeren inzake de algemene machtigingsregeling en gegevens in het kader van de wederzijdse bijstand
|
Deel III — Machtigingen voor de eengemaakte markt en paspoorten
|
//
|
Berec publiceert richtsnoeren over de algemene machtigingsregeling en zorgt ervoor dat de relevante informatie toegankelijk is voor aanbieders via de ODN-webpagina.
Elke lidstaat wijst een nationaal centraal contactpunt aan.
Het nationale centrale contactpunt houdt actuele informatie bij over de nationale wetgeving en procedures die van toepassing zijn op het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten.
Impliciete gegevensstromen met betrekking tot wederzijdse bijstand tussen de bevoegde instanties van de verschillende lidstaten.
|
|
Informatie over administratieve kosten en heffingen
|
Deel III — Machtigingen voor de eengemaakte markt en paspoorten
|
//
|
Indien administratieve bijdragen worden opgelegd, publiceren de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties een jaarlijks overzicht van hun administratieve kosten en het totale bedrag van de geïnde bijdragen.
|
|
Informatie over strategische planning en beheer van radiospectrum (onder meer met het oog op het aanpakken van schadelijke interferentie)
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel I, Spectrum — Hoofdstuk I, Beginselen en doelstellingen
|
//
|
De bevoegde instanties moeten de Commissie en andere relevante bevoegde instanties in kennis stellen van een besluit om een alternatief gebruik van de overeenkomstig Beschikking nr. 676/2002/EG geharmoniseerde radiospectrumband toe te staan.
Houders van spectrumgebruiksrechten kunnen het RSPB verzoeken problemen in verband met grensoverschrijdende coördinatie of grensoverschrijdende schadelijke interferentie op te lossen.
Het RSPB kan een advies uitbrengen waarin een gecoördineerde oplossing wordt voorgesteld (en moet een dergelijk advies uitbrengen indien de bovengenoemde houder van spectrumgebruiksrechten daarom verzoekt).
Wanneer grensoverschrijdende kwesties niet binnen een bepaalde termijn worden opgelost, kunnen de bevoegde instanties van een getroffen lidstaat of de houders van een spectrumgebruiksrecht de Commissie verzoeken in te grijpen.
|
|
Spectrumstrategie en routekaarten van de Unie
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel I, Spectrum — Hoofdstuk II, Toewijzing
|
//
Beknopte inhoudelijke vereisten voor de nationale spectrumroutekaarten.
|
De Commissie stelt een spectrumstrategie van de Unie vast.
Binnen negen maanden na de vaststelling van de spectrumroutekaarten van de Unie dienen de bevoegde instanties hun nationale spectrumroutekaarten in bij de Commissie en het RSPB.
De bevoegde instanties publiceren de nationale spectrumroutekaarten en werken deze regelmatig bij.
De bevoegde instanties brengen regelmatig verslag uit aan de Commissie en het RSPB over de uitvoering van hun nationale spectrumroutekaarten.
|
|
Verzoeken om herziening van verlengingen van de termijn voor het toestaan van alternatief gebruik bij wijze van uitzondering (wanneer het gebruik van radiospectrum is geharmoniseerd door middel van technische uitvoeringsmaatregelen overeenkomstig Beschikking nr. 676/2002/EG)
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel I, Spectrum — Hoofdstuk II, Toewijzing
|
//
|
Een potentiële spectrumgebruiker of de Commissie kan dergelijke verzoeken om herziening indienen bij de betrokken bevoegde instantie.
|
|
Verzoek om harmonisatie van radiospectrum
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel I, Spectrum — Hoofdstuk II, Toewijzing
|
//
|
Elke belanghebbende kan bij de Commissie een met redenen omkleed verzoek indienen om de harmonisatie van de voorwaarden voor de beschikbaarheid en/of het efficiënte gebruik van een specifieke frequentieband te overwegen.
Op verzoek organiseert de Commissie een openbare raadpleging en dient zij dat verzoek in bij het RSPB voor een verslag of advies, of bij het Radiospectrumcomité (die ook een advies kan geven).
De Commissie stuurt een redelijk antwoord naar de verzoeker (binnen een redelijke termijn, bij voorkeur zes maanden na ontvangst).
De Commissie maakt het verzoek en het antwoord bekend.
|
|
Informatie over individuele gebruiksrechten
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel I, Spectrum — Hoofdstuk III, Toewijzing
|
//
|
De bevoegde instanties informeren belanghebbende partijen over de voorwaarden die aan individuele gebruiksrechten worden verbonden voordat deze worden opgelegd. Hetzelfde geldt voor de criteria voor de beoordeling van de naleving.
Het RSPB verzamelt goede praktijken met betrekking tot de keuze tussen algemene machtigingen en individuele rechten.
|
|
Gegevens in verband met gemeenschappelijke machtigingsvoorwaarden voor het gebruik van radiospectrum
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel I, Spectrum — Hoofdstuk III, Toewijzing
|
//
|
Potentiële gebruikers van radiospectrum in twee of meer lidstaten (of de Commissie) kunnen de bevoegde instanties van de betrokken lidstaat verzoeken om in het kader van het RSPB gezamenlijk gemeenschappelijke machtigingsvoorwaarden vast te stellen.
De bevoegde instanties stellen de Commissie in kennis van dergelijke verzoeken.
Impliciete gegevensstromen indien de Commissie het RSPB, het ODN, het Comité voor communicatie of externe deskundigen om bijstand zou verzoeken bij de uitvoering van de machtigingsprocedure.
|
|
Andere gegevens over individuele rechten
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel I, Spectrum — Hoofdstuk III, Toewijzing
|
//
|
Verzoeken van houders van individuele rechten om verlenging ervan.
De houder van de gebruiksrechten stelt de bevoegde instantie in kennis van zijn voornemen om gebruiksrechten over te dragen of te verhuren. De betrokken bevoegde instantie maakt deze informatie openbaar.
Derden die geïnteresseerd zijn in het gebruik van een deel van het radiospectrum op een specifiek grondgebied of in een specifieke periode, kunnen hun belangstelling kenbaar maken aan de nationale bevoegde instantie.
|
|
Gegevens voor de dynamische databanken voor geolocatie en monitoring van mogelijkheden voor spectrumgebruik
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel I, Spectrum — Hoofdstuk III, Toewijzing
|
De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om de door de databank bestreken spectrumbanden te definiëren en praktische regelingen en uniforme formaten te ontwikkelen voor het verzamelen en verstrekken van gegevens door de bevoegde instanties aan de Commissie.
|
De databank bevat actuele informatie die door de lidstaten is verzameld en verstrekt.
|
|
Gegevens die worden gebruikt in het kader van de procedure voor de eengemaakte markt voor spectrum
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel I, Spectrum — Hoofdstuk III, Toewijzing
|
Minimale inhoudsvoorschriften.
|
Wanneer de bevoegde instanties voornemens zijn een selectieprocedure uit te voeren (of bepaalde rechten te wijzigen of te verlengen), maken zij hun ontwerp van de definitieve maatregel bekend en delen zij dit mee aan de Commissie, het RSPB, Berec en de bevoegde instanties van andere lidstaten.
De bevoegde instanties, het RSPB, Berec en de Commissie kunnen opmerkingen indienen over de ontwerpmaatregel binnen een termijn van dertig werkdagen.
De Commissie stelt Berec en de nationale regelgevende instanties in dat geval in kennis van haar voorbehouden en maakt deze tegelijkertijd openbaar.
Binnen dertig werkdagen na de kennisgeving van de voorbehouden van de Commissie brengen het RSPB en Berec advies uit over de kennisgeving van de Commissie.
Binnen zestig werkdagen na de kennisgeving van de voorbehouden kan de Commissie een besluit nemen.
De bevoegde instantie stelt het RSPB, Berec en de Commissie binnen de zes maanden na de datum van het besluit van de Commissie in kennis van een nieuwe ontwerpmaatregel.
Het ODN houdt een register bij van de procedures voor de eengemaakte markt van de Unie voor spectrum.
|
|
Gegevens in de context van registratie en coördinatie van satellietsystemen bij de Internationale Telecommunicatie-unie (ITU).
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel II, Gebruik van spectrum per satelliet
|
//
|
Een voor spectrum bevoegde instantie stelt de Commissie en andere bevoegde instanties binnen het RSPB in kennis van elk verzoek om bij de ITU een satellietsysteem in te dienen, te coördineren of te registreren dat bestemd is voor meer dan één lidstaat of satellietgrondstation.
-De lidstaten en de Commissie kunnen opmerkingen indienen over het verzoek.
Na ontvangst van een verzoek om frequenties of een positie in de ruimte voor een satellietsysteem of een satellietgrondstation volgens ITU-regels te coördineren, stelt de betrokken bevoegde instantie de Commissie en de andere bevoegde instanties daarvan onmiddellijk in kennis via het RSPB.
-Impliciete gegevensstromen in de coördinerende rol van het RSPB wanneer twee of meer bevoegde instanties verzoeken ontvangen met betrekking tot dezelfde frequentieband of positie in de ruimte.
Wanneer de betrokken bevoegde instantie wordt verzocht het gebruik van spectrum tussen terrestrische en ruimtevaarttoepassingen te coördineren in het kader van de ITU-regels met betrekking tot in overeenstemming met Beschikking nr. 676/2002/EG geharmoniseerd radiospectrum, deelt zij een dergelijk verzoek mee aan de Commissie met het oog op onmiddellijke doorgifte aan de leden van het Radiospectrumcomité.
|
|
Gegevens met betrekking tot machtigingen op het niveau van de Unie voor het gebruik van satellietspectrum
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel II, Gebruik van spectrum per satelliet
|
//
|
Aanbieders dienen een kennisgeving in bij de Commissie.
Impliciete gegevensstromen in de lidstaten zijn onderworpen aan een door de Commissie verleende machtiging van de Unie.
De bevoegde instanties of aanvragers kunnen de Commissie verzoeken te overwegen het aantal machtigingen van de Unie in een bepaalde radiospectrumband te beperken. In dat geval stelt de Commissie de belanghebbende partijen in de gelegenheid hun standpunt kenbaar te maken in een openbare raadpleging.
Elke onderneming dient bij de Commissie een aanvraag in voor een machtiging van de Unie voor het gebruik van radiospectrum voor het aanbieden van satellietcommunicatiediensten en satellietnetwerken.
-De Commissie maakt deze aanvragen na ontvangst bekend.
-Het RSPB dient binnen tien werkdagen na ontvangst van het verzoek een advies in bij de Commissie.
|
|
Gegevens in het kader van toezicht en corrigerende maatregelen (met inbegrip van de oplossing van satellietinterferenties)
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel II, Gebruik van spectrum per satelliet
|
//
|
Impliciete gegevensstromen in het kader van het onderzoek van de Commissie (met de hulp van het RSPB) naar vermeende inbreuken op aan de machtiging van de Unie verbonden voorwaarden of op wettelijke bepalingen.
-Wanneer een bevoegde instantie van oordeel is dat een houder van een machtiging van de Unie niet voldoet aan een voorwaarde, brengt zij de zaak onder de aandacht van de Commissie en het RSPB.
-Wanneer de Commissie vaststelt dat een houder van een machtiging van de Unie niet voldoet aan een van de voorwaarden, stelt zij die exploitant in kennis van haar bevindingen.
-De Commissie stelt de lidstaten in kennis van haar handhavingsmaatregelen.
Wanneer een bevoegde instantie besluit de toepassing van een door de Commissie vastgestelde maatregel uit te stellen, stelt zij de Commissie daarvan vooraf in kennis.
Wanneer een bevoegde instantie op eigen initiatief voorlopige maatregelen neemt om schadelijke interferenties op haar grondgebied te voorkomen, stelt zij de Commissie en de andere bevoegde instanties daarvan in kennis.
-Omgekeerd kan de Commissie ook om de vaststelling van dergelijke voorlopige maatregelen verzoeken.
|
|
Gegevensstromen in de context van de strategische planning en het beheer van het nummervoorraden.
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel III, Nummeringsbronnen
|
//
|
Impliciete gegevensstromen als onderdeel van de samenwerking tussen de Commissie, het ODN en de nationale regelgevende instanties bij de strategische planning van nummervoorraden in de Unie en de identificatie van het mogelijke gebruik van nummervoorraden voor grensoverschrijdende of pan-Europese diensten.
|
|
Gegevens over pan-Europese nummervoorraden
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel III, Nummeringsbronnen
|
//
Binnen de zes maanden na de vaststelling van het EU-nummerplan zet het ODN de procedure en het systeem op voor het verstrekken van informatie.
|
Impliciete gegevensstroom als gevolg van de samenwerking van de nationale regelgevende instanties met het ODN bij de toewijzing van nummers of nummerbereiken voor pan-Europese nummervoorraden.
Door de nationale regelgevende instanties tijdig te verstrekken informatie over de toewijzing van nummers en de begunstigden van de nummers (gegevens die nodig zijn om de door het ODN opgezette databank van de pan-Europese nummervoorraden te voeden).
|
|
Gegevens over nationale nummervoorraden
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel III, Nummeringsbronnen
|
//
|
Andere ondernemingen dan aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten kunnen de nationale regelgevende instanties verzoeken gebruiksrechten voor nummervoorraden uit de nationale nummerplannen te verlenen voor het aanbieden van specifieke diensten aan hen.
De nationale regelgevende instanties kunnen het ODN om bijstand verzoeken bij de coördinatie van hun activiteiten om een efficiënt beheer van nummervoorraden te waarborgen.
De nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties zenden het ODN periodiek de gegevens toe die nodig zijn voor de databank met nummervoorraden met een recht op extraterritoriaal gebruik binnen de Unie.
De nationale regelgevende instanties publiceren de nationale nummerplannen, alsmede alle latere toevoegingen of wijzigingen daarvan.
Om de twee jaar brengt Berec verslag uit over de nationale praktijken met betrekking tot het verlenen van gebruiksrechten voor nationale en pan-Europese nummervoorraden.
|
|
Gegevens in de context van het verlenen van gebruiksrechten voor nummervoorraden.
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel III, Nummeringsbronnen
|
//
|
Ondernemingen kunnen de nationale regelgevende instanties verzoeken individuele gebruiksrechten voor nummervoorraden te verlenen.
De nationale regelgevende instanties nemen een besluit over de bovengenoemde aanvraag en maken dat besluit openbaar.
De nationale regelgevende instantie van een lidstaat kan bij de nationale regelgevende instanties van de lidstaat waar de gebruiksrechten voor de nummervoorraden zijn verleend, een verzoek indienen om aan te tonen dat er sprake is van een inbreuk op de relevante regels inzake consumentenbescherming of nationale wetgeving.
Impliciete gegevensstromen bij de taak van het ODN om de uitwisseling van informatie te faciliteren en coördineren tussen de nationale regelgevende instanties van de verschillende betrokken lidstaten en te zorgen voor een goede coördinatie van hun onderlinge werkzaamheden.
|
|
Informatie over uitschakeling van kopernetwerken en gegevens over overstapplanning
|
Deel V — Overstap naar glasvezel, marktwerking en concurrentie;
Titel I, Overstap naar glasvezelnetwerken
|
CSO-zones worden afgebakend met inachtneming van de uiterlijk op 29 februari 2028 door de Commissie vast te stellen richtsnoeren.
De duurzaamheidsvoorwaarden vereisen dat glasvezelnetwerken dicht bij ten minste 95 % van de woningen in de CSO-zone lopen.
De nationale regelgevende instanties specificeren objectieve en transparante parameters en criteria voor de beoordeling van de nabijheid, redelijke inspanningen, redelijke kosten en betaalbaarheid.
|
De nationale regelgevende instanties publiceren de lijst van CSO-zones en eventuele actualiseringen daarvan, samen met lijsten van CSO-zones waar aan de duurzaamheidsvoorwaarden is voldaan (gepubliceerd uiterlijk op 30 juni 2029 en vervolgens gedurende vijf jaar ten minste om de twaalf maanden).
De lidstaten stellen een plan voor de overstap naar glasvezelnetwerken op en stellen de Commissie daarvan uiterlijk op 31 oktober 2029 in kennis, met informatie over de dekking van koper- en glasvezelnetwerken, uitrolmaatregelen, de status van de CSO-zones en mijlpalen voor de migratie, met een geactualiseerd plan dat uiterlijk op 30 juni 2034 moet worden meegedeeld en waarin verslag wordt uitgebracht over de voortgang van de uitvoering.
Exploitanten moeten hun plannen voor de uitschakeling van kopernetwerken binnen de zes maanden na de vaststelling van de bindende rechtshandeling bij de nationale regelgevende instanties indienen en met door de instantie vastgestelde tussenpozen verslag uitbrengen over de voortgang van de uitvoering.
Eindgebruikers in getroffen gebieden worden geïnformeerd over de timing voor de uitschakeling van de kopernetwerken, de noodzakelijke wijzigingen van de dienst of apparatuur en de beschikbare alternatieve diensten.
|
|
Toegangs- en interconnectieprocedures en resultaten van regelgevingsbeoordelingen
|
Deel V — Overstap naar glasvezel, marktwerking en concurrentie;
Titel III, Interconnecties
Hoofdstuk II: Symmetrische toegangsregels
|
De procedures moeten ervoor zorgen dat ondernemingen, met inbegrip van kmo’s en aanbieders met een beperkt geografisch bereik, kunnen profiteren van de opgelegde verplichtingen.
De verplichtingen en voorwaarden moeten objectief, transparant, evenredig en niet-discriminerend zijn en worden uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 186 en 85.
|
De nationale regelgevende instanties stellen richtsnoeren op en maken de procedures voor toegang en interconnectie openbaar.
De nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties die verplichtingen en voorwaarden uit hoofde van artikel 69 hebben opgelegd, beoordelen de resultaten daarvan uiterlijk vijf jaar na de vaststelling van de vorige maatregel en delen het resultaat van hun beoordeling mee overeenkomstig de in de artikelen 186 en 85 bedoelde procedures.
|
|
Marktdefinities, marktanalyseresultaten, regelgevingsmaatregelen en richtsnoeren
|
Deel V — Overstap naar glasvezel, marktwerking en concurrentie;
Titel IV: Markten en concurrentie
Hoofdstuk I — Marktanalyse en aanmerkelijke marktmacht
|
In de aanbeveling worden de producten- en dienstenmarkten omschreven overeenkomstig de beginselen van het mededingingsrecht.
De marktanalyse moet volgens de procedures van de artikelen 186 en 85 worden uitgevoerd, tijdig worden uitgevoerd en binnen een jaar worden afgerond. De markten waar ex-anteregulering wordt opgelegd, worden om de vijf jaar geëvalueerd om te bepalen of aan de drie in artikel 72, lid 1, bedoelde criteria is voldaan.
De AMM-richtsnoeren zijn in overeenstemming met de relevante beginselen van het mededingingsrecht en omvatten richtsnoeren voor de toepassing van het begrip aanmerkelijke marktmacht op ex-anteregulering van elektronischecommunicatiemarkten.
|
De Commissie neemt na openbare raadpleging en rekening houdend met het advies van Berec een aanbeveling aan waarin de relevante producten- en dienstenmarkten worden aangewezen, en evalueert deze regelmatig om de vijf jaar.
De nationale regelgevende instanties voeren binnen vijf jaar na de vaststelling van een eerdere maatregel een marktanalyse uit en geven kennis van de overeenkomstige ontwerpregelgevingsmaatregelen overeenkomstig artikel 85.
Berec verricht een analyse van potentiële transnationale markten op een met redenen omkleed verzoek van de Commissie of ten minste twee nationale regelgevende instanties, of een analyse van de transnationale vraag van eindgebruikers op een met redenen omkleed verzoek van de Commissie, ten minste twee nationale regelgevende instanties of marktdeelnemers.
De Commissie publiceert AMM-richtsnoeren na raadpleging van Berec.
|
|
Informatie over het kostentoerekeningssysteem en gegevens over de nalevingscontrole
|
Deel V — Overstap naar glasvezel, marktwerking en concurrentie;
Titel IV: Markten en concurrentie
Hoofdstuk II: Corrigerende maatregelen jegens ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht
|
Een beschrijving van het kostentoerekeningssysteem met ten minste de belangrijkste kostencategorieën en de regels voor de toerekening van de kosten moet openbaar worden gemaakt. Het systeem moet worden gecontroleerd door een gekwalificeerde onafhankelijke instantie
|
Ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht en die onderworpen zijn aan kostentoerekeningsverplichtingen, maken een beschrijving van hun kostentoerekeningssysteem openbaar.
Een gekwalificeerde onafhankelijke instantie ziet toe op de inachtneming van het kostentoerekeningssysteem en publiceert ieder jaar een verklaring betreffende de inachtneming van het systeem. Wanneer een onderneming een verplichting heeft met betrekking tot kostenoriëntering van prijzen, verstrekt zij de nationale regelgevende instantie een volledige motivering van haar prijzen, met inbegrip van bewijs dat de tarieven zijn afgeleid van de kosten en een redelijk rendement op investeringen omvatten.
De nationale regelgevende instanties kunnen van ondernemingen verlangen dat zij hun prijzen op basis van deze informatie aanpassen.
|
|
Informatie over door exploitanten met aanmerkelijke marktmacht aangeboden afspraken
|
Deel V — Overstap naar glasvezel, marktwerking en concurrentie;
Titel IV: Markten en concurrentie
Hoofdstuk II: Corrigerende maatregelen jegens ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht
|
De afspraken moeten voldoende gedetailleerd zijn met betrekking tot de omvang, de duur, het tijdschema en de wijze van uitvoering om beoordeling door de nationale regelgevende instantie mogelijk te maken.
|
Ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, kunnen aan de nationale regelgevende instantie afspraken aanbieden in verband met de voorwaarden voor toegang, mede-investeringen, of beide.
De nationale regelgevende instanties houden een openbare raadpleging (markttoetsing) over de aangeboden afspraken met belanghebbende partijen, met name rechtstreeks getroffen derden. Potentiële mede-investeerders of toegangvragende partijen kunnen hun mening geven over de naleving en wijzigingen voorstellen. De nationale regelgevende instantie deelt voorlopige conclusies mee aan de onderneming, die haar oorspronkelijke aanbod kan herzien.
Zodra afspraken bindend zijn gemaakt, stelt de onderneming de nationale regelgevende instantie onverwijld in kennis van elke wijziging in de omstandigheden die relevant zijn voor de afspraken. De nationale regelgevende instanties zien toe op, houden toezicht op en zorgen voor de naleving van bindende afspraken.
|
|
Ontwerpen van regelgevingsmaatregelen, opmerkingen, adviezen, besluiten en definitief vastgestelde maatregelen
|
Deel V — Overstap naar glasvezel, marktwerking en concurrentie;
Titel IV: Markten en concurrentie
Hoofdstuk III: Internemarktprocedures voor marktregulering
|
Ontwerpmaatregelen moeten gelijktijdig worden gepubliceerd en meegedeeld aan de Commissie, Berec en de nationale regelgevende instanties in andere lidstaten, met opgave van de redenen overeenkomstig artikel 20, lid 3.
Berec brengt binnen dertig werkdagen na het begin van de periode van negentig dagen advies uit. Voorlopige maatregelen uit hoofde van artikel 86 zijn maximaal twaalf maanden geldig.
|
De nationale regelgevende instanties delen ontwerpmaatregelen die binnen het toepassingsgebied van artikel 69, artikel 72 en de artikelen 73 tot en met 84 vallen en die van invloed zouden zijn op de handel tussen de lidstaten, mee aan de Commissie, Berec en andere nationale regelgevende instanties. Deze entiteiten kunnen binnen dertig werkdagen opmerkingen indienen.
Indien de Commissie ernstige twijfels of belemmeringen voor de interne markt aangeeft, brengt Berec binnen dertig werkdagen advies uit.
De nationale regelgevende instanties delen alle vastgestelde definitieve maatregelen mee aan de Commissie en Berec. In het geval van voorlopige maatregelen delen de nationale regelgevende instanties deze onverwijld mee aan de Commissie, andere nationale regelgevende instanties en Berec.
De Commissie kan aanbevelingen of richtsnoeren vaststellen na een openbare raadpleging, na raadpleging van de nationale regelgevende instanties en zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van Berec.
|
|
Informatie over netwerkcapaciteitsbeheer, verkeersbeheersmaatregelen, parameters voor de kwaliteit van de dienstverlening, nalevingsgegevens en handhavingsbevindingen
|
Deel VI — Diensten
Titel II: Open-internettoegang
|
Tweejaarlijkse rapportage door aanbieders over netwerk-/verkeersbeheer en motiveringen.
Berec-model uiterlijk op [datum van vaststelling + 1 jaar]. In de richtsnoeren van Berec worden de parameters voor de kwaliteit van de kwaliteit van diensten, de meetmethoden, het informatieformaat (bijlage III), het publicatieformaat (bijlage IV) en de kwaliteitscertificeringsmechanismen, met inbegrip van parameters voor eindgebruikers met een handicap, gedetailleerd beschreven.
|
Aanbieders dienen tweejaarlijkse informatie over netwerkcapaciteit en verkeersbeheer in bij de nationale regelgevende instanties. De nationale regelgevende instanties delen informatie met Berec. Berec publiceert tweejaarlijkse verslagen over de praktijken en bevindingen van de nationale regelgevende instanties, een gemeenschappelijk model voor gegevensverzameling en uitvoeringsrichtsnoeren, na raadpleging van belanghebbenden en in samenwerking met de Commissie. De nationale regelgevende instanties houden zoveel mogelijk rekening met de handhavingsrichtsnoeren van Berec.
|
|
Contractinformatie, transparantie-informatie, prestatiegegevens, kennisgevingen van contractuele wijzigingen, verbruiksmonitoringgegevens
|
Deel VI — Diensten
Titel III: Rechten van de eindgebruiker
Hoofdstuk I: Rechten van consumenten
|
Informatie die op duidelijke en begrijpelijke wijze wordt verstrekt op een duurzame drager of in een gemakkelijk te downloaden document (artikel 96, lid 2).
Het model voor de samenvatting van het contract kan door de Commissie worden vastgesteld na raadpleging van Berec.
Transparantie-informatie die op duidelijke, volledige en machineleesbare wijze wordt gepubliceerd overeenkomstig bijlage IV.
Toegankelijk formaat overeenkomstig bijlage 1 bij Richtlijn (EU) 2019/882 voor eindgebruikers met een handicap. Prestatiemonitoring overeenkomstig de Berec-richtsnoeren (artikel 95, lid 3).
|
Aanbieders van internettoegangsdiensten of voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiediensten verstrekken consumenten vóór de sluiting van het contract informatie over het contract (bijlage III) en een samenvatting van het contract.
Aanbieders publiceren transparantie-informatie (bijlage IV) in een machineleesbaar formaat.
Aanbieders bieden faciliteiten voor verbruiksmonitoring aan met tijdige informatie over gebruiksniveaus en meldingen voordat de limieten worden bereikt.
Aanbieders brengen consumenten ten minste één maand van tevoren op de hoogte van contractuele wijzigingen op een duurzame drager.
Prestatiegegevens voor internettoegangsdiensten worden gemonitord aan de hand van Berec-richtsnoeren en gecertificeerd door de nationale regelgevende instanties.
|
|
Informatie over het overstapproces, gegevens over nummerportabiliteit, termijnen voor overdracht, gegevens over de continuïteit van de dienstverlening, informatie over compensatie, vastlegging van toestemming
|
Deel VI — Diensten
Titel III: Rechten van de eindgebruiker
Hoofdstuk II: Rechten van eindgebruikers
|
//
|
Ontvangende en overdragende aanbieders van internettoegangsdiensten verstrekken eindgebruikers informatie tijdens het overstapproces.
Beide aanbieders wisselen gegevens uit om de continuïteit en activering binnen overeengekomen termijnen te waarborgen.
De nationale regelgevende instanties ontvangen informatie om toezicht te houden op de naleving en ervoor te zorgen dat eindgebruikers worden geïnformeerd en beschermd.
Berec stelt na raadpleging van de belanghebbenden en in samenwerking met de Commissie richtsnoeren op over de details van de procedure en de compensatie.
Micro-ondernemingen informeren eindgebruikers over uitzonderingen voordat het contract wordt gesloten.
|
|
Informatie over frauduleuze activiteiten, gegevens over noodcommunicatie, gegevens over publieke waarschuwingen, identificatiegegevens van het oproepende nummer, informatie van algemeen belang, informatie over de toegankelijkheid voor eindgebruikers met een handicap
|
Deel VI — Diensten
Titel III: Rechten van de eindgebruiker
Hoofdstuk III: Faciliteiten en functionaliteiten voor eindgebruikers
|
Informatie over de locatie van de oproeper volgens geharmoniseerde Europese criteria (gedelegeerde handeling uiterlijk op [datum van vaststelling + twee jaar]). Informatie van algemeen belang in een gestandaardiseerd formaat. Identificatie van het oproepende nummer met behulp van eenvoudige middelen en kosteloos. Toegankelijkheid overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/882.
|
Het ODN verzamelt fraude-informatie van nationale autoriteiten, Europol en belanghebbenden. Berec vaardigt richtsnoeren voor fraudepreventie uit na raadpleging van Enisa.
De lidstaten melden de E.164-nummers van alarmcentrales voor het bijhouden van databanken onder toezicht van Berec, aan het ODN.
Aanbieders verspreiden informatie van algemeen belang van overheidsinstanties naar eindgebruikers. Aanbieders zorgen ervoor dat de informatie over de locatie van de oproeper tijdens noodcommunicatie onverwijld aan de alarmcentrales wordt doorgegeven.
Aanbieders geven publieke waarschuwingen door aan eindgebruikers in getroffen geografische gebieden. Aanbieders voeren op verzoek van de eindgebruiker weergave- en beperkingsmechanismen voor de identificatie van het oproepende nummer in.
|
|
Namen van nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties en hun respectieve taken, kennisgeving van nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties en hun verantwoordelijkheden, jaarverslagen van nationale regelgevende instanties, jaarlijkse begrotingen van nationale regelgevende instanties
|
Deel VII — Governance
Titel I: Nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties
|
Publicatie in een gemakkelijk toegankelijke vorm. Jaarlijkse verslaglegging De begrotingscontrole wordt op transparante wijze uitgeoefend en openbaar gemaakt.
|
De lidstaten publiceren de namen van de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties en hun taken. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle autoriteiten waaraan uit hoofde van deze verordening taken zijn toegewezen en van hun verantwoordelijkheden, met inbegrip van eventuele wijzigingen. De nationale regelgevende instanties brengen jaarlijks verslag uit over de marktsituatie, besluiten, toewijzing van middelen en toekomstige plannen. De jaarlijkse begrotingen van de nationale regelgevende instanties worden gepubliceerd. De begrotingscontrole wordt op transparante wijze uitgeoefend en openbaar gemaakt.
|
|
Regelgevende taken van Berec (openbare lijst), adviezen, richtsnoeren, verslagen, aanbevelingen, gemeenschappelijke standpunten, beste praktijken, in opdracht gegeven studies, resultaten van openbare raadplegingen, door nationale regelgevende instanties verzamelde gegevens, tweejaarlijks werkprogramma, tweejaarlijks activiteitenverslag, leden van de raad van regulators en plaatsvervangers, reglement van orde, werkafspraken met bevoegde organen/instanties
|
Deel VII — Governance
Titel II: Taken en organisatie van Berec
|
Open, herbruikbaar, machineleesbaar formaat. Publicaties op de website van Berec en de digitale toegangspoort van de EU.
|
Berec publiceert een lijst van regelgevende taken en actualiseert deze wanneer er nieuwe taken worden toegewezen. Berec publiceert definitieve adviezen, richtsnoeren, verslagen, aanbevelingen, gemeenschappelijke standpunten, beste praktijken, in opdracht gegeven studies en ontwerpdocumenten voor openbare raadpleging. De resultaten van de openbare raadpleging worden openbaar gemaakt. Berec houdt toezicht op het ODN bij het opzetten en bijhouden van databanken van kennisgevingen, nummervoorraden, alarmcentrales, diensten met toegevoegde waarde en toegang tot noodhulpdiensten. Door de nationale regelgevende instanties verzamelde gegevens worden in een open, machineleesbaar formaat op de website van Berec/de digitale toegangspoort van de EU gepubliceerd. Lijst van leden en plaatsvervangers van de raad van bestuur met belangenverklaringen die openbaar zijn gemaakt. Berec stelt een tweejaarlijks werkprogramma, een tweejaarlijks activiteitenverslag en een reglement van orde vast en publiceert deze.
|
|
Tweejaarlijks werkprogramma en tweejaarlijks activiteitenverslag van het RSPB, en informatie-uitwisseling tussen Berec en het RSPB
|
Deel VII — Governance
Titel IV: Gemeenschappelijke bepalingen en samenwerking tussen Berec en het RSPB
|
//
|
De RSPB-raad zendt zijn tweejaarlijkse werkprogramma toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, en zijn tweejaarlijkse activiteitenverslag aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en het Europees Economisch en Sociaal Comité.
Berec en het RSPB zorgen voor regelmatige uitwisseling van informatie en deskundigheid over aangelegenheden van wederzijds belang.
|
|
Jaarlijkse begroting van het ODN en geconsolideerd jaarlijks activiteitenverslag
Jaarverslag over de voortgang op weg naar de interne markt voor elektronische communicatie
|
Deel VII — Governance
Titel V: Bureau voor digitale netwerken
Hoofdstuk I: Taken en organisatie van het ODN
|
//
|
De directeur stelt het ontwerpjaarverslag over de activiteiten van het ODN op met het oog op de beoordeling en goedkeuring ervan door de raad van bestuur. De raad van bestuur dient het geconsolideerde jaarlijkse activiteitenverslag en zijn beoordeling elk jaar uiterlijk op 1 juli in bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.
Het ODN publiceert, in coördinatie met Enisa, een jaarverslag over de voortgang op weg naar de interne markt voor elektronische communicatie. Vóór publicatie wordt een ontwerpverslag ter goedkeuring voorgelegd aan Berec en het RSPB.
|
|
Enkelvoudig programmeringsdocument van het ODN, jaarlijkse begroting, geconsolideerd jaarlijks activiteitenverslag en financiële jaarrekeningen
|
Deel VII — Governance
Titel V: Bureau voor digitale netwerken
Hoofdstuk II: Begroting en programmering van het ODN
|
//
|
Het ODN stuurt het ontwerp door naar de Commissie, het Europees Parlement en de Raad. Na ontvangst van het advies van de Commissie stelt het ODN het definitieve enkelvoudig programmeringsdocument en de definitieve begroting vast.
Het ODN dient de voorlopige jaarrekeningen uiterlijk op 1 maart in bij de rekenplichtige van de Commissie en de Rekenkamer. De directeur dient de definitieve jaarrekeningen, samen met het advies van de raad van bestuur en het geconsolideerde jaarlijkse activiteitenverslag, uiterlijk op 1 juli in bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.
|
|
Uitwisseling van informatie, toegang tot documenten, belangenverklaringen, communicatieactiviteiten en evaluaties
|
Deel VII — Governance
Titel V: Bureau voor digitale netwerken
Hoofdstuk III: Algemene bepalingen
|
Gemeenschappelijke modellen
|
De Commissie en de nationale autoriteiten wisselen op met redenen omkleed verzoek informatie uit met Berec, het RSPB en het ODN, waar mogelijk met gebruikmaking van gemeenschappelijke rapportageformaten. Het ODN beheert een informatie- en communicatiesysteem dat deze uitwisseling mogelijk maakt.
De leden van de raad van bestuur, de directeur en het personeel dienen belangenverklaringen in, die voor de leden van de raad van bestuur en de directeur worden gepubliceerd. Berec, het RSPB en het ODN verstrekken het publiek informatie over hun activiteiten en resultaten.
De Commissie verricht vijfjaarlijkse evaluaties van Berec, het RSPB en het ODN en brengt verslag uit over de bevindingen aan het Europees Parlement, de Raad, de raad van bestuur en het publiek. Burgers en rechtspersonen kunnen verzoeken om toegang tot documenten die in het bezit zijn van Berec, het RSPB en het ODN.
|
|
Informatieverstrekking, geografische onderzoeken en raadplegingsmechanismen, onderzoeksresultaten
|
Deel VIII: Algemene en slotbepalingen
Titel I: Verstrekking van informatie, onderzoeken en raadplegingsmechanisme
|
Berec-richtsnoeren, gemeenschappelijke rapportageformaten en -modellen
|
Ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aanbieden, verstrekken op verzoek informatie aan nationale regelgevende instanties, andere bevoegde instanties, Berec en het RSPB. De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties wisselen deze informatie op met redenen omkleed verzoek uit met de Commissie, Berec, het RSPB en instanties in andere lidstaten.
Nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties voeren geografisch onderzoek uit naar de uitrol van breedbandnetwerken, waarbij zij gegevens verzamelen over het huidige bereik en toekomstige prognoses van ondernemingen en overheidsinstanties. Deze onderzoeksresultaten worden gedeeld met lokale, regionale en nationale autoriteiten, Berec en de Commissie.
De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties publiceren ontwerpmaatregelen voor openbare raadpleging en maken de resultaten daarvan openbaar. De instanties raadplegen eindgebruikers, consumenten, fabrikanten en ondernemingen over kwesties die verband houden met elektronischecommunicatiediensten.
|
|
Normalisatieactiviteiten en harmonisatiemaatregelen
|
Deel VIII: Algemene en slotbepalingen
Titel II: Harmonisatieprocedures
|
Europese normen; internationale normen (ITU, CEPT, ISO, IEC)
|
De Commissie maakt lijsten van niet-verplichte normen en technische specificaties in het Publicatieblad bekend. Wanneer de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties ervoor kiezen de aanbevelingen van de Commissie niet op te volgen, stellen zij de Commissie daarvan in kennis, met opgave van de redenen voor hun standpunt.
Berec verstrekt de Commissie adviezen over harmonisatieaangelegenheden en kan advies geven over voorgestelde maatregelen. De Commissie brengt het Europees Parlement en de Raad op de hoogte wanneer zij geen aanbevelingen of besluiten vaststelt, en maakt de redenen daarvoor openbaar.
|
|
Geschillenbeslechtingsprocedures en besluiten
|
Deel VIII: Algemene en slotbepalingen
Titel III: Beslechting van geschillen
|
//
|
De nationale regelgevende instanties nemen binnen vier maanden bindende besluiten om geschillen tussen ondernemingen te beslechten en maken die besluiten openbaar. Bij grensoverschrijdende geschillen stellen de nationale regelgevende instanties Berec in kennis, dat adviezen uitbrengt waarin om specifieke maatregelen wordt verzocht.
|
|
Richtsnoeren voor samenwerking en bemiddeling tussen ecosystemen
|
Deel VIII: Algemene en slotbepalingen
Titel IV: Samenwerking tussen ecosystemen
|
Berec-richtsnoeren inzake samenwerking tussen ecosystemen
|
Berec publiceert richtsnoeren om de samenwerking tussen aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en ondernemingen in nauw verwante sectoren te vergemakkelijken. De nationale regelgevende instanties stellen Berec binnen een week in kennis van vrijwillige bemiddelingsverzoeken en beleggen verzoeningsbijeenkomsten. Berec brengt binnen twee maanden advies uit over de elementen van de zaak en samenwerkingsopties.
De nationale regelgevende instanties leggen binnen een maand schriftelijke verslagen van de vergaderingen voor, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de adviezen van Berec. Berec publiceert een verslag over de effecten van samenwerking tussen ecosystemen. De Commissie evalueert de werking van de samenwerking tussen ecosystemen op basis van het verslag van Berec.
|
|
Administratieve procedures, kennisgevingen en verslaglegging
|
Deel VIII: Algemene en slotbepalingen
Titel VI: Slotbepalingen
|
//
|
De Commissie stelt het Europees Parlement en Raad in kennis van gedelegeerde handelingen. De lidstaten maken kennisgevingen over de uitvoering in nationale publicatiebladen bekend en zenden kopieën toe aan de Commissie, die de informatie doorgeeft aan het Comité voor communicatie. De lidstaten publiceren informatie over rechten, machtigingen en verplichtingen en verstrekken deze informatie aan de Commissie met het oog op openbare toegankelijkheid. De nationale regelgevende instanties stellen de Commissie in kennis van ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht en opgelegde verplichtingen. De lidstaten verstrekken de Commissie de gevraagde informatie met het oog op een evaluatie. Berec publiceert om de drie jaar verslagen over de uitvoering van de algemene machtiging. De Commissie evalueert de werking van de verordening om de vijf jaar en brengt verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad.
|
Afstemming op de Europese datastrategie
Dit wetgevingsinitiatief is in overeenstemming met het gebruik van gegevens uit de private sector door overheidsinstanties (business-to-government — B2G) om te zorgen voor empirisch onderbouwde beleidsvorming en beleidsbeslissingen.
Afstemming op het eenmaligheidsbeginsel
Het eenmaligheidsbeginsel wordt in dit geval nageleefd om de administratieve lasten voor ondernemingen die actief zijn op de eengemaakte markt tot een minimum te beperken. De lidstaten en de Commissie waarborgen de bescherming van vertrouwelijke bedrijfsinformatie.
4.3.Digitale oplossingen
Korte beschrijving van de digitale oplossingen
|
Digitale oplossing
|
Verwijzing naar voorschriften
|
Belangrijkste vereiste functies
|
Bevoegde instantie
|
Hoe wordt gezorgd voor toegankelijkheid?
|
Hoe wordt herbruikbaarheid in aanmerking genomen?
|
Gebruik van AI-technologie (indien van toepassing)
|
|
Uniedatabank van kennisgevingen
|
Deel III — Machtigingen voor de eengemaakte markt en paspoorten
|
Openbaar toegankelijke Uniedatabank van de bij de nationale regelgevende instanties ingediende kennisgevingen voor de uitvoering van het systeem voor het ene paspoort.
|
ODN
|
Niet gespecificeerd
|
Niet gespecificeerd
|
Niet gespecificeerd
|
|
Databank voor dynamisch spectrum
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel I, Spectrum — Hoofdstuk III, Toewijzing
|
Dynamische databank voor geolocatie en monitoring van mogelijkheden voor spectrumgebruik.
De databank bevat actuele informatie die door de lidstaten is verzameld en verstrekt over de geolocatie van bestaand spectrumgebruik.
De databank is rechtstreeks toegankelijk voor elke potentiële gebruiker van radiospectrum.
|
ODN
|
Niet gespecificeerd
|
Niet gespecificeerd
|
Niet gespecificeerd
|
|
Databank van pan-Europese nummervoorraden
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel III, Nummeringsbronnen
|
Databank van de pan-Europese nummervoorraden op basis van de door de nationale regelgevende instanties verstrekte informatie over de toewijzing van nummers en de begunstigden van de nummers.
(*) Het ODN is belast met het opzetten van de procedure en het systeem voor het verstrekken van informatie. Dit kan een nieuwe digitale oplossing zijn of worden geïntegreerd in de databank die hierbij wordt geanalyseerd.
|
ODN
|
Niet gespecificeerd
|
Niet gespecificeerd
|
Niet gespecificeerd
|
|
Informatie- en communicatiesysteem van het ODN
|
Deel VII — Governance
Titel V: Bureau voor digitale netwerken
Hoofdstuk III: Algemene bepalingen
Artikel 41 van de Berec-verordening
|
Gemeenschappelijk platform voor informatie-uitwisseling tussen Berec, het RSPB, de Commissie, nationale regelgevende instanties en bevoegde instanties die verantwoordelijk zijn voor spectrum
Speciale interface voor informatieverzoeken en kennisgevingen (artikel 173)
Platform om in een vroeg stadium vast te stellen of er behoefte is aan coördinatie tussen de nationale regelgevende instanties en de bevoegde instanties die verantwoordelijk zijn voor spectrum.
|
ODN (door de raad van bestuur vastgestelde technische en functionele specificaties)
|
Niet gespecificeerd
|
Niet gespecificeerd
|
Niet gespecificeerd
|
4.4.Interoperabiliteitsbeoordeling
Korte beschrijving van de digitale overheidsdienst(en) waarop de voorschriften betrekking hebben
|
Digitale overheidsdienst of categorie digitale overheidsdiensten
|
Beschrijving
|
Verwijzing naar voorschriften
|
Interoperabel Europa-oplossing(en)
[Niet van toepassing]
|
Andere interoperabiliteitsoplossing(en)
|
|
Machtiging voor de eengemaakte markt en paspoorten
|
Stelt het kader voor het ene paspoort vast voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten in het kader van een algemene machtigingsregeling.
Omvat het bijhouden van een openbaar toegankelijke Uniedatabank van de kennisgevingen die bij de nationale regelgevende instanties zijn ingediend, en diverse gegevensstromen.
|
Deel III — Machtigingen voor de eengemaakte markt en paspoorten
|
//
|
Niet gespecificeerd.
|
|
Kader voor het beheer, de toewijzing en het gebruik van essentiële elektronischecommunicatie-middelen (spectrum en nummering)
|
Met name:
-een databank van pan-Europese nummervoorraden; en
-een dynamische databank voor geolocatie en monitoring van mogelijkheden voor spectrumgebruik;
een dynamische databank voor specifieke frequentiebanden moet helpen om onderbenut radiospectrum op te sporen en efficiëntere praktijken voor het gebruik en het delen van radiospectrum te bevorderen.
|
Deel IV — Middelen (radiospectrum en nummering);
Titel I, Spectrum — Hoofdstuk III, Toewijzing; Titel III, Nummeringsbronnen
|
//
|
Niet gespecificeerd.
|
Effect van het voorschrift/de voorschriften op grensoverschrijdende interoperabiliteit per digitale overheidsdienst
Digitale overheidsdienst #1 — Machtiging voor de eengemaakte markt en paspoorten
|
Beoordeling
|
Maatregel(en)
|
Mogelijke resterende belemmeringen (indien van toepassing)
|
|
Afstemming op bestaand digitaal en sectoraal beleid
Vermeld het toepasselijke digitale en sectorale beleid dat is vastgesteld.
|
Voorziet in een gestroomlijnd, op meldingen gebaseerd systeem dat aanbieders in staat stelt in één of meerdere lidstaten actief te zijn op basis van één machtiging, wat de juridische interoperabiliteit verbetert.
|
|
|
Organisatorische maatregelen voor een vlotte grensoverschrijdende verlening van digitale overheidsdiensten
Vermeld de geplande governancemaatregelen.
|
In het kader van de procedure voor het ene paspoort is vastgesteld dat een aanbieder een kennisgeving moet indienen bij de nationale regelgevende instantie van een van de lidstaten waar hij voornemens is netwerken of diensten aan te bieden. Er zijn aanvullende gegevensstromen om te bepalen hoe de coördinatie tussen de lidstaten en het ODN eruit moet zien.
Elke lidstaat wijst een nationaal centraal contactpunt aan.
Het ODN is belast met het bijhouden van een centrale databank van alle kennisgevingen die in het kader van de procedure voor het ene paspoort worden gedaan. De bevoegde instanties dienen uitsluitend volledige kennisgevingen aan het ODN toe te zenden.
|
|
|
Maatregelen om te zorgen voor een gedeeld begrip van de data
Geef een lijst met dergelijke maatregelen.
|
De kennisgeving van het voornemen om netwerken of diensten aan te bieden, wordt gedaan overeenkomstig een door Berec beschikbaar te stellen kennisgevingsmodel.
|
|
|
Gebruik van gezamenlijk overeengekomen open technische specificaties en normen
Geef een lijst met dergelijke maatregelen.
|
In dit stadium is er niets gespecificeerd.
|
|
Digitale overheidsdienst #2 — Kader voor het beheer, de toewijzing en het gebruik van essentiële elektronischecommunicatiemiddelen (spectrum en nummering)
|
Beoordeling
|
Maatregel(en)
|
Mogelijke resterende belemmeringen (indien van toepassing)
|
|
Afstemming op bestaand digitaal en sectoraal beleid
Vermeld het toepasselijke digitale en sectorale beleid dat is vastgesteld.
|
//
|
|
|
Organisatorische maatregelen voor een vlotte grensoverschrijdende verlening van digitale overheidsdiensten
Vermeld de geplande governancemaatregelen.
|
Het ODN zet dynamische databanken op voor geolocatie en monitoring van mogelijkheden voor spectrumgebruik en houdt deze bij.
Het ODN zet, in samenwerking met de nationale regelgevende instanties en onder toezicht van Berec, een databank van de pan-Europese nummervoorraden op en houdt deze actueel.
|
|
|
Maatregelen om te zorgen voor een gedeeld begrip van de data
Geef een lijst met dergelijke maatregelen.
|
De Commissie kan, zoveel mogelijk rekening houdend met de standpunten van het RSPB, uitvoeringshandelingen vaststellen om te bepalen welke spectrumbanden onder de dynamische databank vallen en om uniforme formaten te ontwikkelen voor het verzamelen en verstrekken van gegevens door de bevoegde instanties.
Binnen de zes maanden na de vaststelling van het EU-nummerplan zet het ODN de procedure voor het verstrekken van informatie op om de databank met pan-Europese nummervoorraden te voeden.
|
|
|
Gebruik van gezamenlijk overeengekomen open technische specificaties en normen
|
Het ODN stelt op een later tijdstip technische specificaties vast voor de dynamische databank voor geolocatie en monitoring van mogelijkheden voor spectrumgebruik, en de pan-Europese databank voor nummervoorraden.
|
|
4.5.Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering
Korte beschrijving van maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering
|
Beschrijving van de maatregel
|
Verwijzing naar voorschriften
|
De rol van de Commissie
(indien van toepassing)
|
Te betrekken actoren
(indien van toepassing)
|
Verwacht tijdschema
(indien van toepassing)
|
|
De regelingen voor de uitwisseling van informatie tussen nationale bevoegde instanties en het ODN overeenkomstig Verordening (EU) 2024/903 kunnen door de Commissie nader worden gespecificeerd door middel van uitvoeringshandelingen.
|
Artikel 11
|
Uitvoeringshandelingen vaststellen
|
//
|
Na vaststelling van de verordening digitale netwerken
|
|
In uitvoeringshandelingen kunnen de door de databank bestreken spectrumbanden worden gedefinieerd en praktische regelingen en uniforme formaten worden ontwikkeld voor het verzamelen en verstrekken van gegevens door de bevoegde instanties aan de Commissie.
|
Artikel 28
|
Uitvoeringshandelingen vaststellen
|
RSPB (standpunten worden in aanmerking genomen)
|
Na vaststelling van de verordening digitale netwerken
|
|
Het ODN zet de procedure en het systeem op voor het verstrekken van informatie uit hoofde van artikel 47, lid 4, en artikel 48, lid 4, vierde alinea.
|
Artikel 47
|
//
|
ODN
|
Zes maanden na de vaststelling van het nummerplan van de Unie
|
|
De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen ter bepaling van de technische specificaties, standaardkostenelementen, kostenmethoden voor geharmoniseerde producten en het referentieaanbod met betrekking tot de geharmoniseerde toegangsproducten, gebaseerd op het advies van Berec.
|
Artikel 81
|
Uitvoeringshandelingen vaststellen
|
Berec
|
zes maanden na de vaststelling van deze verordening.
|
|
De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met technische bepalingen betreffende de doorgifte van publieke waarschuwingen door middel van de digitale portemonnee afgegeven op grond van Verordening (EU) nr. 910/2014 aan alle betrokken eindgebruikers, met inbegrip van roamende eindgebruikers.
|
Artikel 108
|
Uitvoeringshandelingen vaststellen
|
Europese Commissie
Eindgebruikers
|
//
|
|
De Commissie kan door middel van een uitvoeringshandeling de methoden voor het verzamelen van informatie door de nationale regelgevende instanties harmoniseren.
|
Artikel 184
|
Uitvoeringshandelingen vaststellen
|
Europese Commissie
|
//
|
|
De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de toepassing van de relevante normen of technische specificaties verplicht door deze te vermelden als verplichte normen of verplichte technische specificaties in de lijst van normen of technische specificaties die wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
|
Artikel 189
|
Uitvoeringsbesluiten en normen vaststellen
|
Europese Commissie
|
//
|
|
De Commissie is bevoegd om, na raadpleging van Berec, gedelegeerde handelingen vast te stellen door de nodige maatregelen vast te stellen om doeltreffende noodcommunicatie in de Unie te waarborgen met betrekking tot technische specificaties om het initiëren van noodcommunicatie mogelijk te maken door gebruik te maken van de digitale portemonnee, oplossingen voor informatie over de locatie van de oproeper, geharmoniseerde Europese criteria voor de locatie van de oproeper, gelijkwaardige
toegang voor eindgebruikers met een handicap en doorschakeling naar de meest geschikte alarmcentrale.
|
Artikel 107
|
Gedelegeerde handelingen vaststellen
|
Europese Commissie
Berec
|
Datum van vaststelling + twee jaar voor de eerste gedelegeerde handeling
|
|
De raad van bestuur stelt de technische en functionele specificaties vast teneinde het in lid 1 bedoelde informatie- en communicatiesysteem op te zetten. Dat systeem neemt intellectuele-eigendomsrechten en het vereiste vertrouwelijkheidsniveau in acht.
|
Artikel 174
|
//
|
Raad van bestuur van het ODN
|
//
|