EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 30.9.2025
COM(2025) 625 final
2025/0316(NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het namens de Europese Unie op de achtste zitting van de vergadering van de partijen bij het Verdrag van Aarhus in te nemen standpunt over mededeling ACCC/C/2015/128 betreffende toegang tot de rechter inzake staatssteunbesluiten, mededeling ACCC/C/2013/96 betreffende projecten van gemeenschappelijk belang, mededeling ACCC/C/2014/121 betreffende de richtlijn inzake industriële emissies en mededeling ACCC/C/2010/54 betreffende nationale energieactieplannen
TOELICHTING
1.Onderwerp van het voorstel
Dit voorstel betreft het besluit tot vaststelling van het standpunt dat namens de EU moet worden ingenomen op de achtste vergadering van de partijen bij het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (het “Verdrag van Aarhus” of het “Verdrag”). Het voorstel heeft betrekking op de voorgenomen vaststelling van Ontwerpbesluit VIII/8e betreffende de naleving door de EU van haar verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Aarhus.
2.Achtergrond van het voorstel
2.1.Het Verdrag van Aarhus
Het Verdrag van Aarhus is een multilaterale milieuovereenkomst die is gesloten onder auspiciën van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE).
Het Verdrag van Aarhus is op 17 februari 2005 goedgekeurd door de Europese Gemeenschap, die bij de ondertekening ook een verklaring aflegde, met name betreffende haar verplichtingen met betrekking tot de toegang tot milieu-informatie. Alle lidstaten zijn uit eigen hoofde partij bij het Verdrag. Verordening (EG) nr. 1367/2006 (“de Aarhusverordening”), zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2021/1767, vormt de belangrijkste handeling tot uitvoering van het Verdrag met betrekking tot handelingen van de instellingen en organen van de EU.
2.2.De vergadering van de partijen bij het Verdrag van Aarhus
De partijen bij het Verdrag komen om de vier jaar bijeen en een van de vaste agendapunten betreft de naleving van het Verdrag door de partijen. De naleving wordt beoordeeld door het op grond van artikel 15 van het Verdrag ingestelde Comité van toezicht op de naleving van het Verdrag van Aarhus (het “Comité van toezicht” of het “Comité”). Tegen de bevindingen van het Comité van toezicht kan geen beroep worden ingesteld.
De bevindingen van het Comité van toezicht worden overeenkomstig regel 37 van Besluit I/7 inzake de toetsing van de naleving ter bevestiging voorgelegd aan de vergadering van de partijen bij het Verdrag van Aarhus. Indien de bevindingen van het Comité van toezicht worden bevestigd, krijgen zij het statuut van officiële uitlegging van het Verdrag van Aarhus, waardoor zij bindend worden voor de partijen bij en de organen van het Verdrag.
De vergadering van de partijen besluit over het algemeen bij consensus. Indien alle pogingen om consensus te bereiken zijn uitgeput, worden besluiten over substantiële aangelegenheden aangenomen met een meerderheid van drie vierde van de stemmen van de op de vergadering aanwezige partijen die hun stem uitbrengen. Als alle partijen aanwezig zijn, heeft de EU 27 van de in totaal 48 stemmen.
Voorafgaand aan de vergadering van de partijen wordt het standpunt van de EU over aangelegenheden waarvoor op grond van artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een besluit van de Raad nodig is, besproken in de Groep internationale milieuvraagstukken van de Raad en uiterlijk op de laatste zitting van de Raad voorafgaand aan de vergadering van de partijen waarop dit mogelijk is, vastgesteld. In 2025 zou dat de Raad Milieu van 21 oktober 2025 zijn.
2.3.De beoogde handeling van de vergadering van de partijen bij het Verdrag van Aarhus
Op 17 tot en met 19 november 2025 zal de vergadering van de partijen bij het Verdrag van Aarhus op haar achtste zitting Besluit VIII/8e betreffende de naleving van het Verdrag door de EU vaststellen.
Besluit VIII/8e heeft tot doel vast te stellen of de EU het Verdrag van Aarhus naleeft in opvolging van de bevindingen in mededeling ACCC/C/2015/128 en aanbevelingen in Besluit VII/8f van de vergadering van de partijen met betrekking tot de mededelingen ACCC/C/2013/96, ACCC/C/2014/121 en ACCC/C/2010/54; de voorwaarden vast te stellen die nodig zijn om naleving te waarborgen; de betrokken partij te verzoeken dringend maatregelen te nemen om naleving te waarborgen, en de EU te verzoeken regelmatig verslag uit te brengen over de maatregelen die zijn genomen om ervoor te zorgen dat zij het Verdrag naleeft.
3.Namens de EU in te nemen standpunt
3.1.Mededeling ACCC/C/2015/128
Op 17 maart 2021 heeft het Comité bevindingen uitgebracht betreffende mededeling ACCC/C/2015/128 van de niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) Oekobuero en GLOBAL 2000, met betrekking tot de mogelijkheid voor leden van het publiek om besluiten van de Europese Commissie inzake staatssteun uit hoofde van artikel 108, lid 2, VWEU aan te vechten.
Het Comité van toezicht heeft in zijn bevindingen ook de volgende aanbeveling gedaan.
“(131) De betrokken partij moet de nodige wetgevende, regelgevende en andere maatregelen nemen om te waarborgen dat de Aarhus-verordening wordt gewijzigd of dat nieuwe wetgeving van de Europese Unie wordt vastgesteld, teneinde het publiek duidelijk toegang tot administratieve of gerechtelijke procedures te verschaffen om besluiten van de Europese Commissie inzake staatssteun uit hoofde van artikel 108, lid 2, VWEU aan te vechten die in strijd zijn met het Unierecht inzake het milieu, overeenkomstig artikel 9, leden 3 en 4, van het Verdrag.”
Tijdens haar gewone zitting in oktober 2021 heeft de vergadering van de partijen bij consensus besloten om bij wijze van uitzondering de vaststelling van een besluit over de bevindingen en aanbevelingen van het Comité van toezicht in mededeling ACCC/C/2015/128 uit te stellen tot de volgende gewone zitting van de vergadering van de partijen. De EU bevestigde op de vergadering van de partijen in 2021 dat zij vastbesloten is haar verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Aarhus na te komen.
Naar aanleiding van een verzoek om input en meerdere raadplegingsronden sinds 2022 heeft de Commissie de uitvoeringsverordening inzake staatssteun en de gedragscode op 12 mei 2025 gewijzigd, waarbij zij een mechanisme voor interne herziening heeft ingevoerd dat vergelijkbaar is met het mechanisme dat van toepassing is op grond van de Aarhusverordening, maar dat aangepast is aan de specifieke kenmerken van staatssteun.
In zijn ontwerpverslag over verzoek ACCC/M/2021/4 van de vergadering van de partijen betreffende de naleving door de Europese Unie concludeert het Comité van toezicht dat de EU de aanbevelingen in ACCC/C/2015/128 heeft uitgevoerd.
Gezien het bovenstaande moet de EU op de komende achtste zitting van de vergadering van de partijen Besluit VIII/8e wat mededeling ACCC/C/2015/128 betreft, bevestigen en het ontwerpverslag van het Comité van toezicht verwelkomen.
3.2.Besluit VII/8f
Tijdens zijn zevende zitting in 2021 heeft de vergadering van de partijen Besluit VII/8f vastgesteld, waarbij met name Besluit V/9g werd bevestigd. Het besluit bevatte aanbevelingen met betrekking tot bevindingen van het Comité van toezicht betreffende de mededelingen ACCC/C/2010/54, ACCC/C/2013/96 en ACCC/C/2014/121.
3.2.1.Mededeling ACCC/C/2010/54
Op zijn vijfde zitting in 2014 heeft de vergadering van de partijen de bevindingen van het Comité van toezicht bevestigd en verklaard dat de EU het Verdrag niet heeft nageleefd wat betreft mededeling ACCC/C/2010/54 met betrekking tot het nationale actieplan van Ierland op het gebied van hernieuwbare energie. De vergadering van de partijen heeft aanbevolen dat de EU “een passend regelgevingskader en/of duidelijke instructies voor de uitvoering van artikel 7 van het Verdrag met betrekking tot de goedkeuring van nationale actieplannen op het gebied van hernieuwbare energie vaststelt”.
In latere verslagen van het Comité van toezicht is vastgesteld dat de EU nog niet heeft voldaan aan de vereisten van punt 3 van Besluit V/9g. Naar aanleiding van het verzoek van de vergadering van de partijen betreffende de naleving door de EU (ACCC/M/2017/3) heeft de EU in oktober 2018, 2019 en 2020 verslag uitgebracht over de maatregelen die zijn genomen om gevolg te geven aan de aanbevelingen in Besluit V/9g met betrekking tot mededeling ACCC/C/2010/54. De Commissie heeft het Comité met name geïnformeerd over de inwerkingtreding van artikel 10 van de governanceverordening betreffende de betrokkenheid van het publiek bij de opstelling door de lidstaten van nationale energie- en klimaatplannen, die onder meer in de plaats zijn gekomen van de nationale actieplannen op het gebied van hernieuwbare energie, en over haar werkzaamheden om de lidstaten te helpen hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Aarhus na te komen in het kader van dat artikel 10, te lezen in samenhang met overweging 28 van de governanceverordening.
In zijn verslag over Besluit VII/8f erkent het Comité van toezicht, na evaluatie van het definitieve voortgangsverslag dat de EU op 1 oktober 2024 bij het Comité van toezicht heeft ingediend, dat de richtsnoeren voor de lidstaten voor de actualisering van de nationale energie- en klimaatplannen voor 2021-2030 instructies zijn in de zin van punt 2, a), van Besluit VII/8f. Bijgevolg heeft het Comité van toezicht geconcludeerd dat de EU erin geslaagd is te voldoen aan de bevindingen met betrekking tot het waarborgen van de transparantie en billijkheid van de regelingen voor inspraak van het publiek bij de opstelling van de nationale energie- en klimaatplannen van de lidstaten, aan de eis om vroegtijdige inspraak van het publiek toe te staan “wanneer alle opties open zijn” en aan de verplichting om ervoor te zorgen dat naar behoren rekening wordt gehouden met het resultaat van de inspraak. Volgens hetzelfde verslag heeft het Comité van toezicht echter geconcludeerd dat de EU niet volledig heeft voldaan aan de vereisten om het publiek de informatie te verstrekken die nodig is om doeltreffend deel te nemen aan de procedures, met name de opstelling van het ontwerp van het geactualiseerde nationaal energie- en klimaatplan zelf. Wat betreft de naleving van de vereisten van punt 2, b), van Besluit VII/8f betreffende de wijze waarop de Commissie de nationale energie- en klimaatplannen dienovereenkomstig evalueert, heeft het Comité van toezicht erkend dat aanzienlijke vooruitgang is geboekt. Het is echter van mening dat de Commissie in haar beoordelingscriteria uitdrukkelijk het vereiste van inspraak van het publiek moet opnemen “wanneer alle opties open zijn”. De komende herziening van de governanceverordening biedt de gelegenheid om verder te werken aan de resterende elementen van de bevindingen van het Comité van toezicht.
Gezien het bovenstaande moet de EU op de aanstaande achtste zitting van de vergadering van de partijen het ontwerpbesluit VIII/8e bevestigen in zoverre het een opvolging van ACCC/C/2010/54 is, met inachtneming van de bepalingen van dit besluit van de Raad. De EU moet ervoor zorgen dat de vergadering van de partijen in zijn besluit vaststelt dat er “aanzienlijke vooruitgang bij het waarborgen van de naleving van de bevindingen in artikel 6, lid 4, en artikel 7 van het Verdrag” is geboekt.
3.2.2.Mededeling ACCC/C/2013/96
Op 28 oktober 2013 heeft het European Platform against Windfarms mededeling ACCC/C/2013/96 ingediend bij het Comité van toezicht, waarin het aanvoerde dat de EU haar verplichtingen uit hoofde van artikel 3, lid 2, en de artikelen 4 en 7 van het Verdrag niet is nagekomen wat betreft de vaststelling van een lijst van 248 projecten van gemeenschappelijk belang (PGB’s) door de Europese Commissie op 14 oktober 2013.
In zijn bevindingen van 9 november 2020 heeft het Comité van toezicht aanbevolen dat de EU “de nodige wetgevende, regelgevende of andere maatregelen en praktische regelingen treft om ervoor te zorgen dat in procedures betreffende inspraak van het publiek die binnen het toepassingsgebied van artikel 7 van het Verdrag vallen en die worden uitgevoerd in het kader van de TEN-E-verordening of eventuele latere wetgeving ter vervanging hiervan: a) de belangrijkste raadplegingsdocumenten, met inbegrip van de kennisgeving aan het publiek, in alle officiële talen van de betrokken partij aan het publiek worden verstrekt; b) bij de besluitvorming op transparante en traceerbare wijze naar behoren wordt rekening gehouden met de resultaten van de inspraak van het publiek.”
Op zijn zevende vergadering in 2021 heeft de vergadering van de partijen Besluit VII/8f vastgesteld, waarbij de bevindingen van het Comité met betrekking tot mededeling ACCC/C/2013/96 betreffende de naleving door de EU van haar verplichtingen uit hoofde van het Verdrag worden bevestigd en de EU wordt verzocht een actieplan en daaropvolgende voortgangsverslagen over de uitvoering van de aanbevelingen in te dienen.
Sindsdien heeft de Commissie een aantal stappen gezet om te voorzien in bijkomende mogelijkheden tot inspraak, zoals:
1)openbare raadpleging over de methode die moet worden gebruikt voor de beoordeling van projecten van gemeenschappelijk en projecten van wederzijds belang;
2)hybride vergaderingen, die tijdens de selectieprocedure toegankelijk zijn voor het publiek;
3)presentatie van de resultaten van de openbare raadpleging over de projectvoorstellen aan de regionale groepen;
4)terbeschikkingstelling aan het publiek van de vergaderingen waarin de resultaten van de openbare raadpleging over de projectvoorstellen aan de regionale groepen worden gepresenteerd, en van de opnamen daarvan.
De EU heeft in haar laatste voortgangsverslag van 1 oktober 2024 verslag uitgebracht over de uitvoering van de aanbevelingen van de vergadering van de partijen met betrekking tot mededeling ACCC/C/2013/96. Niettemin concludeerde het Comité van toezicht in zijn ontwerpverslag over de vooruitgang die de EU heeft geboekt, dat de EU nog niet volledig heeft voldaan aan de vereisten van Besluit VII/8f.
In het licht van het bovenstaande moet de EU op de komende achtste zitting van de vergadering van de partijen herhalen dat de bijkomende mogelijkheden tot inspraak die in de TEN-E-procedure zijn ingevoerd, neerkomen op praktische regelingen die waarborgen dat bij de besluitvorming in het kader van de herziene TEN-E-verordening op transparante en traceerbare wijze naar behoren rekening wordt gehouden met de resultaten van de inspraak van het publiek in overeenstemming met Besluit VII/8f. Voorts moet de EU herhalen dat de belangrijkste raadplegingsdocumenten, met inbegrip van de kennisgeving aan het publiek, in alle officiële talen van de betrokken partijen aan het publiek worden verstrekt, aangezien de TEN-E-verordening vereist dat alle documenten voor openbare raadpleging, handleidingen betreffende de procedures en aanvraag- en technische documenten die op de websites van de promotoren beschikbaar worden gesteld, in alle talen van de betrokken lidstaten worden vertaald. De EU moet niettemin, wat de overige aspecten betreft, zijn goedkeuring hechten aan ontwerpbesluit VIII/8e in zoverre het een opvolging van ACCC/C/2013/96 is, onder voorbehoud van het ontwerpbesluit van de Raad, op voorwaarde dat de vergadering van de partijen de verbeteringen erkent die de EU heeft aangebracht om te voldoen aan de vereisten van punt 8, a) en b), van Besluit VII/8f en om te voldoen aan artikel 3, lid 2, en de artikelen 4 en 7 van het Verdrag. Het gaat hierbij met name om:
–de organisatie van openbare vergaderingen die de inspraak van belanghebbenden aan het PGB-selectieproces mogelijk maken, in overeenstemming met punt 8, a);
–de centralisatie van de projectwebsites op het transparantieplatform en de hyperlink naar de projectwebsites waar de vertaalde versie van de documenten te vinden is, overeenkomstig punt 8, b).
3.2.3.Mededeling ACCC/C/2014/121
Op 12 december 2014 heeft de ngo Instituto Internacional de Derecho y Medio Ambiente (International Institute for Law and the Environment) mededeling ACCC/C/2014/121 ingediend, waarin zij stelde dat de EU de bepalingen van het Verdrag inzake inspraak bij besluitvorming niet in acht heeft genomen. Zij voerde met name aan dat de richtlijn inzake industriële emissies niet voldeed aan de vereisten voor inspraak van het publiek in de besluitvorming zoals vereist uit hoofde van artikel 6, lid 1, punt a), en lid 10, van het Verdrag in gevallen waarin een uit hoofde van de richtlijn afgegeven vergunning wordt heroverwogen of aangepast.
In zijn bevindingen van 14 september 2020 heeft het Comité van toezicht aanbevolen dat de EU “een juridisch bindend kader [instelt] om ervoor te zorgen dat wanneer een overheidsinstantie in een lidstaat van de betrokken partij vergunningsvoorwaarden heroverweegt of aanpast overeenkomstig nationale wetgeving tot uitvoering van artikel 21, leden 3 en 4, en lid 5), punten b) en c), van de richtlijn inzake industriële emissies, of de overeenkomstige bepalingen van wetgeving die die richtlijn vervangt, de bepalingen van artikel 6, leden 2 en 9, dienovereenkomstig worden toegepast, waar dit van toepassing is, rekening houdend met de doelstellingen van het Verdrag”.
Op zijn zevende zitting in 2021 heeft de vergadering van de partijen Besluit VII/8f vastgesteld, waarbij de bevindingen van het Comité betreffende mededeling ACCC/C/2014/121 met betrekking tot de naleving door de EU van haar verplichtingen uit hoofde van het Verdrag worden bevestigd en de EU wordt verzocht een actieplan en daaropvolgende voortgangsverslagen over de uitvoering van de aanbevelingen in te dienen.
De EU heeft in haar laatste voortgangsverslag van 1 oktober 2024 verslag uitgebracht over de uitvoering van de aanbevelingen van de vergadering van de partijen met betrekking tot mededeling ACCC/C/2014/121. In zijn ontwerpverslag over Besluit VII/8f van de vergadering van de partijen met betrekking tot de naleving door de EU concludeerde het Comité van toezicht dat de EU nu heeft voldaan aan de vereisten die voortvloeien uit mededeling ACCC/C/2014/121 door de richtlijn inzake industriële emissies te wijzigen.
Gezien het bovenstaande moet de EU op de aanstaande achtste zitting van de vergadering van de partijen het ontwerpbesluit VIII/8e in zoverre het een opvolging van ACCC/C/2014/121 is, bevestigen en het ontwerpverslag van het Comité van toezicht verwelkomen, met inachtneming van de bepalingen van dit besluit van de Raad.
3.3.Conclusies van het Comité van toezicht
In zijn ontwerpverslagen over de vooruitgang die de EU heeft geboekt bij de uitvoering van verzoek ACCC/M/2021/4 van de vergadering van de partijen betreffende de naleving door de Europese Unie en Besluit VII/8f:
1)heeft het Comité van toezicht geconcludeerd dat de EU heeft voldaan aan de vereisten die voortvloeien uit mededeling ACCC/C/2014/121 door de richtlijn inzake industriële emissies te wijzigen;
2)heeft het Comité van toezicht geconcludeerd dat de EU heeft voldaan aan de vereisten die voortvloeien uit mededeling ACCC/C/2015/128 door de invoering van een mechanisme voor verzoeken om interne herziening dat vergelijkbaar is met het mechanisme dat van toepassing is op grond van de Aarhus-verordening, maar dat aangepast is aan de specifieke kenmerken van het staatssteunkader;
3)is het Comité van toezicht ingenomen met de aanzienlijke vooruitgang die tot dusver is geboekt, maar is het van mening dat de EU nog niet heeft voldaan aan bepaalde vereisten die voortvloeien uit de oorspronkelijke mededeling ACCC/C/2010/54, en beveelt het de vergadering van de partijen aan haar besluit VII/8f te bevestigen;
4)is het Comité van toezicht ingenomen met de aanzienlijke vooruitgang die tot dusver is geboekt, maar is het van mening dat de EU nog niet heeft voldaan aan bepaalde vereisten die voortvloeien uit de oorspronkelijke mededeling ACCC/C/2013/96, en beveelt het de vergadering van de partijen aan besluit VII/8f te bevestigen.
In het licht van het bovenstaande beveelt de Commissie, in navolging van de vaste praktijk met betrekking tot deze mededelingen, de EU aan:
–ontwerpbesluit VIII/8e goed te keuren;
–de ontwerpverslagen van het Comité van toezicht wat betreft de bevindingen dat de EU heeft voldaan aan de vereisten die voortvloeien uit de mededelingen ACCC/C/2015/128 en ACCC/C/2014/121, te verwelkomen;
–de erkenning van de vooruitgang van de EU met betrekking tot de mededelingen ACCC/C/2010/54 en ACCC/C/2013/96, te verwelkomen en zich ertoe te verbinden de openstaande vragen in die zaken te behandelen;
–een verklaring af te leggen waarin de geboekte vooruitgang en de complexiteit bij het behandelen van de openstaande vragen in verband met mededeling ACCC/C/2013/96 worden benadrukt.
4.Rechtsgrondslag
4.1.Procedurele rechtsgrondslag
4.1.1.Beginselen
Artikel 218, lid 9, VWEU voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.
Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt”.
4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval
De vergadering van de partijen is een lichaam dat is opgericht krachtens een overeenkomst, te weten de VN/ECE.
De door de vergadering van de partijen vast te stellen handeling is een handeling met rechtsgevolgen. De beoogde handeling zal volkenrechtelijk bindend zijn overeenkomstig artikel 15 van het Verdrag van Aarhus en de bepalingen van Besluit I/7 betreffende de toetsing van de naleving, met name regel 37 daarvan.
De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het Verdrag.
De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.
4.2.Materiële rechtsgrondslag
4.2.1.Beginselen
De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de EU een standpunt moet worden ingenomen.
4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval
De doelstelling en inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats betrekking op het milieubeleid.
De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 192, lid 1, VWEU.
4.3.Conclusie
De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 192, lid 1, VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.
2025/0316 (NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het namens de Europese Unie op de achtste zitting van de vergadering van de partijen bij het Verdrag van Aarhus in te nemen standpunt over mededeling ACCC/C/2015/128 betreffende toegang tot de rechter inzake staatssteunbesluiten, mededeling ACCC/C/2013/96 betreffende projecten van gemeenschappelijk belang, mededeling ACCC/C/2014/121 betreffende de richtlijn inzake industriële emissies en mededeling ACCC/C/2010/54 betreffende nationale energieactieplannen
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Op 17 februari 2005 is het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (“het Verdrag van Aarhus”) namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij Besluit 2005/370/EG van de Raad.
(2)Op grond van artikel 15 van het Verdrag van Aarhus is het Comité van toezicht op de naleving van het Verdrag van Aarhus (“het Comité van toezicht”) opgericht. Het Comité van toezicht is bevoegd voor het toezicht op de naleving door de partijen bij het Verdrag van Aarhus van hun verplichtingen uit hoofde van dat Verdrag.
(3)De vergadering van de partijen zal op haar achtste zitting van 17 tot en met 19 november 2025 Besluit VIII/8e betreffende de naleving door de EU van haar verplichtingen uit hoofde van het Verdrag vaststellen, met inbegrip van de bevindingen betreffende mededeling ACCC/C/2015/128 met betrekking tot toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden in verband met definitieve staatssteunbesluiten en aanbevelingen in Besluit VII/8f betreffende nationale energie- en klimaatplannen, projecten van gemeenschappelijk belang en de richtlijn inzake industriële emissies. Indien de bevindingen door de vergadering van de partijen worden aangenomen, verwerven zij de status van officiële uitlegging van het Verdrag van Aarhus en worden zij bindend voor de partijen bij en de organen van het Verdrag van Aarhus.
(4)Het beoogde besluit van de vergadering van de partijen heeft derhalve rechtsgevolgen.
(5)Het is noodzakelijk het standpunt te bepalen dat namens de EU op de achtste zitting van de vergadering van de partijen moet worden ingenomen,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het standpunt dat namens de EU moet worden ingenomen op de achtste zitting van de vergadering van de partijen betreffende de naleving door de EU van haar verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Aarhus met betrekking tot toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden in verband met definitieve staatssteunbesluiten, zoals vastgesteld in mededeling ACCC/C/2015/128, houdt in dat ontwerpbesluit VIII/8e wordt goedgekeurd en dat het door het Comité van toezicht ingediende verslag over verzoek ACCC/M/2021/4 van de vergadering van de partijen over de naleving door de Europese Unie wordt verwelkomd.
Artikel 2
Het standpunt dat namens de EU moet worden ingenomen op de achtste zitting van de vergadering van de partijen met betreffende de naleving door de EU van haar verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Aarhus met betrekking tot nationale energie- en klimaatplannen, projecten van gemeenschappelijk belang (PGB’s) en de richtlijn inzake industriële emissies, zoals vastgesteld in de mededelingen ACCC/C/2010/54, ACCC/C/2013/96 en ACCC/C/2014/121 en in Besluit VII/8f, houdt in dat ontwerpbesluit VIII/8e wordt goedgekeurd, indien de volgende punten in dat besluit worden weerspiegeld:
–met betrekking tot de nationale energie- en klimaatplannen erkent en verwelkomt het besluit het feit dat de EU aanzienlijke vooruitgang heeft geboekt om de naleving te waarborgen van de bevindingen en aanbevelingen van het Comité van toezicht met betrekking tot mededeling ACCC/C/2010/54 in verband met artikel 6, lid 4, en artikel 7 van het Verdrag, en dat de EU een deel van die bevindingen met betrekking tot de vaststelling van instructies in de zin van punt 2, a), van Besluit VII/8f heeft uitgevoerd;
–met betrekking tot de PGB’s erkent het besluit de verbeteringen die de EU door middel van praktische regelingen heeft aangebracht om te voldoen aan de vereisten van punt 8, a) en b), van Besluit VII/8f en aan artikel 3, lid 2, en de artikelen 4 en 7 van het Verdrag.
Artikel 3
De vertegenwoordigers van de EU kunnen, in overleg met de lidstaten, ter plaatse geringe technische wijzigingen van de in de artikelen 1 en 2 bedoelde standpunten overeenkomen zonder verder besluit van de Raad.
Artikel 4
Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De voorzitter