Brussel, 2.7.2025

COM(2025) 524 final

2025/0524(COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1119 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit

{SWD(2025) 524 final}


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

•Motivering en doel van het voorstel

Zoals is bevestigd in het kompas voor concurrentievermogen 1 , heeft Europa een ambitieus kader vastgesteld om zijn economie uiterlijk in 2050 koolstofvrij te maken. Het zal blijven werken aan de Clean Industrial Deal, die ervoor moet zorgen dat de EU een aantrekkelijke productielocatie blijft, ook voor energie-intensieve sectoren, en die schone technologie en nieuwe circulaire bedrijfsmodellen moet bevorderen, met als doel de overeengekomen decarbonisatiedoelstellingen te halen. De uitvoering ervan zal ook de energieonafhankelijkheid van de EU van ingevoerde fossiele brandstoffen versterken. Zoals benadrukt in het rapport-Draghi over de toekomst van het Europese concurrentievermogen 2 , is decarbonisatie niet alleen cruciaal voor de planeet, maar is zij ook een belangrijke aanjager van economische groei als zij geïntegreerd is in het industrie-, mededingings- en handelsbeleid.

De EU heeft haar klimaatdoelstellingen voor 2030 en 2050 vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/1119 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit (de Europese klimaatwet).

Krachtens artikel 4, lid 3, van de Europese klimaatwet moet een tussentijdse klimaatdoelstelling voor 2040 worden vastgesteld om het tempo te bepalen voor de nettoreductie van broeikasgasemissies in de hele EU. Door de vaststelling van een doelstelling voor 2040 krijgen investeerders en EU-bedrijven voorspelbaarheid en een duidelijke aanwijzing voor het nodige transitietraject, om zakelijke beslissingen aan te sturen en particuliere investeringen aan te trekken.

Op 6 februari 2024 heeft de Commissie een mededeling over de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040 3 gepubliceerd, waarin een pad wordt uitgestippeld van de reeds overeengekomen tussentijdse doelstelling voor 2030 naar klimaatneutraliteit in 2050. Rekening houdend met het wetenschappelijk advies van de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering en op basis van een gedetailleerde effectbeoordeling en een verslag over het koolstofbudget 4 , heeft de Commissie als aanbevolen doelstelling voor 2040 een nettoreductie van broeikasgasemissies van 90 % ten opzichte van de niveaus van 1990 voorgesteld.

Een doelstelling van 90 % brengt de EU op het traject dat over het geheel genomen de grootste voordelen biedt op het gebied van concurrentievermogen, veerkracht, onafhankelijkheid, autonomie en een rechtvaardige transitie, en dat de nakoming van haar verbintenissen in het kader van de Overeenkomst van Parijs waarborgt.

De EU erkent dat klimaatverandering een existentiële bedreiging vormt die nauw samenhangt met de mondiale veiligheid, vrede en duurzame ontwikkeling. Met de doelstelling voor 2040 zet de EU haar inspanningen inzake klimaatactie voort en blijft zij de partnerlanden op diplomatieke wijze aanmoedigen om de wereldwijde emissies terug te dringen en klimaatneutraliteit te bereiken.

•Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

De EU heeft een ambitieuze agenda op het vlak van decarbonisatie. Met het “Fit for 55”-wetgevingspakket is de EU op een eerlijke, kosteneffectieve en concurrerende manier op weg om haar klimaatdoelstellingen te bereiken. De volledige uitvoering van het huidige wetgevingskader voor het halen van de klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 is een voorwaarde om de EU op koers te houden voor de doelstelling voor 2040 en de doelstelling van klimaatneutraliteit in 2050.

Uit de effectbeoordeling 5 bij de mededeling over de klimaatdoelstelling voor 2040 blijkt dat de verwezenlijking van een klimaatdoelstelling voor 2040 betekent dat alle sectoren inspanningen moeten leveren om de broeikasgasemissies terug te dringen en de verwijderingen te verbeteren. Dit moet mogelijk worden gemaakt aan de hand van verschillende beleidsmaatregelen. Alle koolstofvrije en koolstofarme energieoplossingen (zoals hernieuwbare energiebronnen, kernenergie, energie-efficiëntie, opslag, CCS, CCU, koolstofverwijdering, geothermische en hydro-energie, en alle andere huidige en toekomstige nettonulenergietechnologieën) zijn nodig om het energiesysteem tegen 2040 te decarboniseren. Naar aanleiding van de vaststelling van de doelstelling voor 2040 en in lijn met de geplande evaluaties zal de Commissie een architectuur voor het beleid voor de periode na 2030 voorbereiden, waarbij wordt gezorgd voor billijkheid, technologische neutraliteit en kostenefficiëntie en waarbij het concurrentievermogen van de EU wordt versterkt, een rechtvaardige transitie wordt gewaarborgd en de ecologische duurzaamheid wordt vergroot.

Bij het ontwerpen van een dergelijke architectuur voor de toekomst zal de Commissie onderzoeken hoe vereenvoudiging en flexibiliteit in alle sectoren de verwezenlijking van de doelstelling voor 2040 kunnen vergemakkelijken, waarbij convergentie bevorderd wordt en rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de lidstaten. Er moet ook worden gelet op nieuwe technologische ontwikkelingen, waaronder ruimtetechnologie. De toekomstige architectuur moet ook rekening houden met de nodige investeringsbehoeften en -mogelijkheden om de sociale, economische en milieueffecten van de transitie aan te pakken. Het beleid tot uitvoering van de klimaatdoelstelling voor 2040 zal gebaseerd zijn op solidariteit en billijkheid om een rechtvaardige transitie voor alle lidstaten en hun burgers te waarborgen.

Bij het ontwerpen van de beleidsarchitectuur voor de periode na 2030 overweegt de Commissie in de tweede helft van het decennium 2030-2040 het beperkte gebruik van hoogwaardige internationale credits uit hoofde van artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs op te nemen. De specifieke rol en de uitrol van deze credits moeten gebaseerd zijn op een grondige effectbeoordeling en afhankelijk zijn van de ontwikkeling van Uniewetgeving waarin robuuste en hoge integriteitscriteria en -normen en voorwaarden inzake de oorsprong, de timing en het gebruik van dergelijke credits worden vastgesteld. De Commissie moet in de effectbeoordelingen over het kader voor de periode na 2030 het mogelijke beperkte gebruik van internationale kredieten analyseren, zodat 3 % van de netto-emissies in de EU van 1990 kan worden meegerekend voor de doelstelling voor 2040. Indien het door de medewetgevers vastgestelde pakket voor de periode na 2030 voorziet in een ander percentage kredieten, kan de Commissie voorstellen de klimaatwet te wijzigen bij de in artikel 11 bedoelde evaluatie. Deze internationale credits mogen geen rol spelen bij de naleving op de koolstofmarkt van de EU. Zij moeten verrekend worden op grond van een lineair traject en afkomstig zijn van geloofwaardige en transformatieve activiteiten en derde landen ondersteunen met trajecten voor nettoreductie van broeikasgasemissies die verenigbaar zijn met de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs om de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur ruim onder 2 °C te houden en inspanningen te blijven leveren om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven de pre-industriële niveaus, en tegelijkertijd de totstandbrenging van nettonultoeleveringsketens mogelijk maken en ondersteunen. Overeenkomstig artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs moet de EU met de betrokken derde landen overeenstemming bereiken over het delen van de mitigatievoordelen.

De toekomstige architectuur moet ook stimulansen omvatten, bijvoorbeeld naar aanleiding van de herziening van de ETS-richtlijn in 2026, om een businesscase te creëren voor permanente koolstofverwijderingen binnen de EU (bijvoorbeeld koolstofafvang en -opslag van biogene emissies (BioCCS) en directe afvang uit de lucht met koolstofopslag (DACCS)) ter compensatie van resterende emissies van sectoren die hun emissies moeilijk kunnen verminderen.

Als volgende stap zal de Commissie met het voorzitterschap van de Raad samenwerken om de laatste hand te leggen aan de mededeling van de nationaal bepaalde bijdrage (NDC), die ook een indicatief cijfer voor 2035 zal bevatten, aan het UNFCCC voorafgaand aan de COP 30.

De Commissie heeft in de effectbeoordeling bij de mededeling over de klimaatdoelstelling voor 2040 ook de verenigbaarheid van het initiatief met de doelstellingen van de Europese klimaatwet beoordeeld, zoals vereist op grond van artikel 6, lid 4, van de Europese klimaatwet.

•Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Het initiatief houdt verband met veel andere beleidsterreinen, aangezien alle acties en beleidsmaatregelen van de EU het concurrentievermogen van de EU en een rechtvaardige transitie naar klimaatneutraliteit en een duurzame toekomst moeten bevorderen. Met het kompas voor concurrentievermogen en de Clean Industrial Deal heeft de Commissie de koers uitgestippeld om de economische dynamiek in de EU een nieuwe impuls te geven met een groei- en welvaartsstrategie waarin klimaat en concurrentievermogen worden samengebracht. De Clean Industrial Deal voor concurrerende industrieën en hoogwaardige banen bevat het werkplan om bedrijven te ondersteunen en de juiste voorwaarden te scheppen om gemeenschappelijke decarbonisatiedoelstellingen te verwezenlijken en te profiteren van de snel groeiende wereldmarkt voor nettonultechnologieën, die tegen 2030 naar verwachting zal verdrievoudigen tot een jaarlijkse waarde van ongeveer 600 miljard EUR wereldwijd 6 . Om ervoor te zorgen dat de EU-industrie op lange termijn concurrerend blijft bij de transitie naar klimaatneutraliteit, voorziet de Clean Industrial Deal in verschillende maatregelen, waaronder een nieuw staatssteunkader voor de Clean Industrial Deal, de oprichting van een bank voor decarbonisatie van de industrie, die tot 100 miljard EUR aan financiering voor innovatieve decarbonisatieprojecten moet mobiliseren, een herzien kader voor overheidsopdrachten om de ontwikkeling van leidende markten voor schone technologieën en producten te ondersteunen. De Clean Industrial Deal voorziet ook in initiatieven om de toegang tot kritieke materialen te verbeteren, circulaire productiemethoden te bevorderen en te zorgen voor een gelijk speelveld voor de EU-industrie. Innovatie speelt bij al deze inspanningen een centrale rol door de ontwikkeling en uitrol van baanbrekende technologieën te stimuleren, de industriële transformatie te versnellen en EU-bedrijven in staat te stellen het voortouw te nemen in de mondiale klimaatneutrale economie. De Unie streeft ernaar de duurzame en veerkrachtige productie in Europa te vergroten en moet de juiste voorwaarden scheppen om particuliere en publieke investeringen in de hele waardeketen aan te trekken. Deze inspanningen zullen bijdragen tot de industriële vernieuwing van de EU en tegelijkertijd haar ecologische voetafdruk verkleinen en de veerkracht van haar toeleveringsketens versterken.

Het nieuwe, op 25 juni gepubliceerde staatssteunkader voor de Clean Industrial Deal vereenvoudigt verder de procedure voor de lidstaten om steun te verlenen aan energie-intensieve industrieën en schone-technologie-sectoren, zonder onnodige concurrentieverstoringen te veroorzaken. Bovendien ligt de Commissie op schema om al in 2025 een proefproject op te starten voor de toekomstige bank voor decarbonisatie van de industrie. Dit proefproject zal bestaan in een veiling met een budget van 1 miljard EUR voor het koolstofvrij maken van warmte uit industriële processen en zal bedrijven in verschillende industriële sectoren ten goede komen.

Voor het concurrentievermogen van onze industrie is het essentieel om te zorgen voor betaalbare energie. Zoals benadrukt in het rapport-Draghi en de Clean Industrial Deal, is de afhankelijkheid van Europa van ingevoerde fossiele brandstoffen een van de belangrijkste oorzaken van hoge en volatiele energieprijzen. Er is vooruitgang geboekt met de uitvoering van het actieplan voor betaalbare energie 7 , dat voorziet in onmiddellijke gecoördineerde actie om de energiekosten te verlagen, met name met de oprichting van de Taskforce energie-unie. Netwerken en interconnecties zijn cruciaal voor de goede werking van de elektriciteitsmarkt van de EU en voor een snellere uitrol van schone energie. De Europese Investeringsbank (EIB) heeft in samenwerking met de Commissie nieuwe producten ontwikkeld om tegengaranties te bieden om zo de productie van netwerkcomponenten op te schalen en stroomafnameovereenkomsten te stimuleren. In 2025 zal de Commissie ook een wetgevingsvoorstel indienen betreffende snellere industriële decarbonisatie, met als doel concurrerende, duurzame en veerkrachtige productie in energie-intensieve industrieën in de EU te bevorderen.

Om de klimaatdoelstelling voor 2040 te halen, moet aan een aantal randvoorwaarden worden voldaan, zoals het waarborgen van het concurrentievermogen van de Europese industrie, onder meer door vereenvoudiging; meer aandacht voor een rechtvaardige transitie waarbij niemand aan zijn lot wordt overgelaten; en een gelijk speelveld met internationale partners, zoals blijkt uit de mededeling over de klimaatdoelstelling voor 2040. Op basis van actieve samenwerking met ondernemers, sociale partners en het maatschappelijk middenveld heeft de Commissie sinds begin 2025 een aantal sectorale strategische dialogen met het bedrijfsleven opgestart. Een van de resultaten van de strategische dialoog over de toekomst van de Europese auto-industrie was dat de medewetgevers overeenstemming hebben bereikt over een gerichte wijziging van de verordening inzake CO2-normen voor nieuwe auto’s en bestelwagens, die autofabrikanten flexibiliteit moet bieden om hun emissie­doelstellingen voor 2025 te halen en hun investeringscapaciteit te vrijwaren om tot emissievrije mobiliteit te komen. De Commissie zal eind 2025 ook een voorstel indienen voor schone bedrijfswagenparken 8 . Om de decarbonisatie van het vervoer te ondersteunen en tegelijkertijd de industriële ontwikkeling in Europa te bevorderen, zal de Commissie later dit jaar ook een investeringsplan voor duurzaam vervoer voorstellen, dat met name gericht zal zijn op het verminderen van de risico’s van investeringen voor de productie en het gebruik van duurzame alternatieve brandstoffen in sectoren die hun emissies moeilijk kunnen verminderen, waaronder de lucht- en scheepvaart. Om het concurrentievermogen van de staal- en metaalindustrie in de EU te behouden, heeft de Commissie het Europees actieplan voor staal en metaal vastgesteld met maatregelen die erop gericht zijn de toegang tot schone en betaalbare energie te waarborgen, koolstoflekkage te voorkomen, de Europese industriële capaciteiten te beschermen en de circulariteit voor metalen te bevorderen.

De schone transitie moet gepaard gaan met passende financieringsmogelijkheden, waarbij bestaande ondersteuningsmechanismen worden gecombineerd met nieuwe en innovatieve financieringsbronnen. Het nieuwe staatssteunkader voor de Clean Industrial Deal zal de investeringsrisico’s voor decarbonisatieprojecten verminderen en particuliere financiering aantrekken. De herstel- en veerkrachtfaciliteit, met een totale begroting van 648 miljard EUR, blijft een belangrijk instrument voor de financiering van de transitie, waarbij gemiddeld 42 % van de totale begroting voor groene maatregelen in alle lidstaten wordt uitgetrokken. Sinds 2013 heeft het emissiehandelssysteem van de EU meer dan 230 miljard EUR aan inkomsten gegenereerd die moeten worden geherinvesteerd in klimaat- en energiemaatregelen, onder meer om sociale aspecten in huishoudens met een laag en middeninkomen op te vangen. Vanaf 2026 zal het onlangs opgerichte Sociaal Klimaatfonds 86,7 miljard EUR beschikbaar stellen om kwetsbare personen en micro-ondernemingen te ondersteunen bij de energie- en de vervoertransitie. Het komende voorstel voor het meerjarig financieel kader zal verdere duidelijkheid verschaffen over de overheidsfinanciering die beschikbaar is voor de transitie, alsook over de nodige synergieën met particuliere investeringen en innovatieve financiële instrumenten.

Als andere landen ook een koolstofbeprijzing toepassen, ontstaat er een echt gelijk speelveld voor bedrijven in Europa en de rest van de wereld. Dit zou ook bijdragen tot een verhoging van de mondiale klimaatambitie. De taskforce voor internationale koolstofbeprijzing en diplomatie op het gebied van koolstofmarkten van de Commissie blijft samenwerken met en steun verlenen aan partnerlanden bij het opzetten van koolstofmarkten en het ontwikkelen van een mondiale aanpak van koolstofbeprijzing. Na de huidige overgangsfase zal vanaf 2026 de definitieve regeling van het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (CBAM) van toepassing zijn. Door te bevestigen dat een prijs is betaald voor de ingebedde koolstofemissies die worden gegenereerd bij de productie van bepaalde goederen die in de EU worden ingevoerd, zal het CBAM ervoor zorgen dat de koolstofprijs van de invoer gelijk is aan de koolstofprijs van de productie binnen de EU en dat de klimaatdoelstellingen van de EU niet worden ondermijnd. Bovendien zijn in de mededeling “Uitvoering van de Clean Industrial Deal” van 2 juli aanvullende maatregelen aangekondigd die het risico op koolstoflekkage voor Europese exporteurs van CBAM-goederen zullen verminderen.

De doelstellingen van de Clean Industrial Deal om de veerkracht en het concurrentievermogen van de EU te vergroten, worden verder versterkt door vier omnibuspakketten ter vereenvoudiging van de administratieve lasten voor bedrijven, met name kmo’s. Het akkoord tussen het Europees Parlement en de Raad over het voorstel voor een vereenvoudiging van het CBAM omvat met name een nieuwe de-minimisdrempel die 90 % van de importeurs vrijstelt van CBAM-regels, terwijl de milieuambitie behouden blijft, aangezien 99 % van de totale CO2-emissies nog steeds onder het CBAM valt.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

•Rechtsgrondslag

De rechtsgrondslag van dit voorstel is artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Overeenkomstig artikel 191 en artikel 192, lid 1, VWEU moet de Europese Unie bijdragen tot het nastreven van onder meer de volgende doelstellingen: het behoud, de bescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, de bevordering op internationaal niveau van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen, en met name de bestrijding van de klimaatverandering.

•Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Klimaatverandering is een grensoverschrijdend probleem. Voor grensoverschrijdende problemen is het onwaarschijnlijk dat individuele maatregelen van de lidstaten tot optimale resultaten leiden. In plaats daarvan kan een gecoördineerd optreden van de EU nationale en lokale maatregelen effectief aanvullen en versterken. Coördinatie op Europees niveau vergroot de doeltreffendheid van klimaatactie.

Een Uniebrede klimaatdoelstelling voor 2040 zal gevolgen hebben voor de hele economie van de EU. Deze is nodig om als leidraad te dienen voor een breed scala aan beleidsmaatregelen van de EU en vereist beleidsreacties op EU-niveau die verder gaan dan het klimaatbeleid. Gecoördineerde actie zal toelaten rekening te houden met de verschillende capaciteiten van de lidstaten en regio’s om op te treden en de macht van de eengemaakte markt van de EU te gebruiken als motor voor kostenefficiënte veranderingen. Bovendien is gecoördineerde klimaatactie op EU-niveau van belang voor internationale klimaatactie, met name met het oog op de vaststelling van de nationaal bepaalde bijdrage van de EU in het kader van de Overeenkomst van Parijs, die in het najaar van 2025 moet worden meegedeeld.

•Evenredigheid

Het voorstel heeft tot doel een richting te geven door het traject naar klimaatneutraliteit verder uit te stippelen. Het schrijft geen specifieke beleidslijnen, technologieën of maatregelen voor, maar biedt de lidstaten flexibiliteit, rekening houdend met het regelgevingskader om de broeikasgasemissiereductiedoelstellingen te halen. In het effectbeoordelingsverslag 9 bij de mededeling over de klimaatdoelstelling voor 2040 werd vastgesteld dat een reductie van 90‑95 % (optie 3) het meest evenredig was om de EU-economie tegen 2050 klimaatneutraal te maken en om bij te dragen aan wereldwijde klimaatactie in overeenstemming met de temperatuurdoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, om de temperatuurstijging te beperken tot ruim onder 2 °C ten opzichte van het pre-industriële niveau en inspanningen te blijven leveren om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau.

•Keuze van het instrument

Het doel van dit initiatief is een tussentijdse Uniebrede klimaatdoelstelling voor 2040 vast te stellen met het oog op de verwezenlijking van de doelstelling inzake klimaatneutraliteit tegen 2050, zoals vereist op grond van artikel 4, lid 3, van de Europese klimaatwet. Daarom kan de doelstelling van het voorstel het best worden nagestreefd door middel van een verordening, d.i. onder dezelfde vorm als het bestaande wetgevingsinstrument.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

•Raadpleging van belanghebbenden

Het initiatief is gebaseerd op het brede debat naar aanleiding van de mededeling over de klimaatdoelstelling voor 2040. Zowel in het Europees Parlement als in de Raad hebben besprekingen over de mededeling plaatsgevonden. Ter voorbereiding van de mededeling over de klimaatdoelstelling voor 2040 en de bijbehorende effectbeoordeling heeft de Commissie van 31 maart 2023 tot en met 23 juni 2023 een openbare raadpleging gehouden. Het initiatief is ook gebaseerd op het advies van de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering (ESABCC). In juni 2023 heeft de adviesraad een advies gepubliceerd, waarin een EU-doelstelling voor 2040 is aanbevolen om de nettobroeikasgasemissies met 90 à 95 % te verminderen ten opzichte van 1990 10 . De adviesraad heeft ook een verslag aangenomen met een beoordeling van de vooruitgang en de beleidssamenhang 11 . In juni 2025 heeft de adviesraad een verslag aangenomen waarin zijn aanbeveling van 2023 is herzien in het licht van de veranderende context en zijn eerdere aanbeveling werd bevestigd 12 .

•Effectbeoordeling

In het kader van de mededeling over de klimaatdoelstelling voor 2040 heeft de Commissie een gedetailleerde effectbeoordeling uitgevoerd, met een gedetailleerde analyse van de verschillende niveaus van nettobroeikasgasemissies in 2040 en de bijbehorende sectorale trajecten om klimaatneutraliteit te verwezenlijken in de periode van 2030 tot 2050. De Commissie heeft ook een verslag gepubliceerd over de geraamde indicatieve broeikasgasbegroting van de Unie voor de periode 2030-2050, zoals vereist op grond van de Europese klimaatwet.

De analyse in de effectbeoordeling heeft betrekking op alle sectoren waarin maatregelen nodig zijn om de EU in staat te stellen haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit in 2050 te verwezenlijken. Zij is gebaseerd op de wetgeving inzake de Green Deal en de REPowerEU-maatregelen om de energiecrisis aan te pakken.

In de effectbeoordeling is in detail gekeken naar de gevolgen van drie opties inzake de doelstellingen voor 2040.

Het belangrijkste verschil tussen de opties is het tempo van de transitie. Uit de effectbeoordeling is gebleken dat optie 3 het meest doeltreffend is om de EU tegen 2050 klimaatneutraal te maken, met een grotere nettoreductie van broeikasgasemissies in de aanloop naar 2040. Bijgevolg zullen er na 2040 minder aanvullende inspanningen nodig zijn om tegen 2050 klimaatneutraliteit te verwezenlijken. Optie 3 leidt ook tot de laagste cumulatieve broeikasgasemissies (hierna “broeikasgasbegroting” genoemd) voor de EU, waardoor het de beste optie is wat betreft de bijdrage van de EU aan het beperken van de klimaatverandering en het verstrekken van de meest geloofwaardige stimulans voor de mondiale partners van de EU om hun klimaatactie op te voeren. De door de Commissie aanbevolen doelstelling van 90 % is de ondergrens van optie 3 en de bovengrens van optie 2.

De Raad voor regelgevingstoetsing heeft op 22 december 2023 een positief advies met voorbehoud uitgebracht 13 , met aanbevelingen voor verbetering. De effectbeoordeling werd dienovereenkomstig gewijzigd.

Daarnaast heeft de Commissie in mei 2024 een verslag over de werking van de Europese klimaatwet 14 gepubliceerd. Dit verslag beschrijft de maatregelen die sinds de inwerkingtreding van de Europese klimaatwet zijn genomen om de transitie naar klimaatneutraliteit te versnellen.

•Grondrechten

Het voorstel eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend. Het draagt met name bij tot de verwezenlijking van de doelstelling van een hoog niveau van milieubescherming in overeenstemming met het beginsel van duurzame ontwikkeling, zoals neergelegd in artikel 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie 15 .

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

De indirecte gevolgen voor de begrotingen van de lidstaten zullen afhangen van hun keuze van nationale beleidslijnen en maatregelen voor broeikasgasemissiereductie en andere mitigatiemaatregelen, en zullen voornamelijk voortvloeien uit de mogelijke aanvullende voorstellen om gerelateerde instrumenten te herzien of nieuwe instrumenten voor te stellen om de noodzakelijke bijkomende broeikasgasemissiereducties te verwezenlijken.

De uitvoering van dit voorstel vereist geen capaciteitsverhoging van de diensten van de Commissie, zoals uiteengezet in het bijgevoegde financieel en digitaal memorandum.

5.OVERIGE ELEMENTEN

•Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

Transparante en regelmatige verslaglegging door de lidstaten, in combinatie met robuuste beoordelingen door de Commissie en mechanismen om ervoor te zorgen dat de vooruitgang wordt beoordeeld, zijn van essentieel belang om te waarborgen dat de EU op koers blijft om de doelstelling inzake klimaatneutraliteit in de EU tegen 2050 te halen. Het initiatief wijzigt de regelingen voor het volgen van de vooruitgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese klimaatwet niet.

•Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 bevat alle voorgestelde wijzigingen van de Europese klimaatwet, namelijk:

Artikel 1 over het onderwerp en het toepassingsgebied: om een verwijzing op te nemen naar de klimaatdoelstelling voor 2040 met betrekking tot het toepassingsgebied van de Europese klimaatwet.

Artikel 4 over tussentijdse klimaatdoelstellingen van de Unie: om de Uniebrede doelstelling voor 2040 vast te stellen, op basis van de gedetailleerde effectbeoordeling bij de mededeling over de klimaatdoelen voor 2040, en rekening houdend met het wetenschappelijk advies van de ESABCC. Uit de EU-brede beoordeling van de Commissie van de definitieve, geactualiseerde nationale energie-en klimaatplannen 16 blijkt dat de EU momenteel op koers ligt om de nettobroeikasgasemissies uiterlijk in 2030 met ongeveer 54 % te verminderen ten opzichte van de niveaus van 1990, als de lidstaten de bestaande en geplande nationale maatregelen en het EU-beleid volledig uitvoeren. De EU ligt dus goed op schema voor de verwezenlijking van de EU-doelstelling voor 2030 om de nettobroeikasgasemissies met ten minste 55 % te verminderen ten opzichte van 1990. De Commissie heeft ook rekening gehouden met de conclusies van de voortgangsbeoordelingen in het voortgangsverslag 2023 inzake klimaatactie, de resultaten van de “global stocktake”, en heeft de elementen van artikel 4, lid 5, en het verslag over de geraamde indicatieve broeikasgasbegroting van de Unie voor de periode 2030-2050 in overweging genomen. De nettobroeikasgasemissies die onder de doelstelling vallen, komen overeen met de in het Unierecht gereguleerde 17 broeikasgasemissies en -verwijderingen in de hele Unie. De gewijzigde bepaling vervangt artikel 4, leden 3 tot en met 5, waarin de procedure wordt beschreven die tot deze wijziging heeft geleid. In overeenstemming met de EU-klimaatdoelstelling voor 2030 van een nettoreductie van broeikasgasemissies met ten minste 55 % en het bijbehorende beleidskader, met klimaatneutraliteit in 2050 en met de voorgestelde doelstelling voor 2040 van een reductie van 90 %, wordt de daaruit voortvloeiende indicatieve “broeikasgasbegroting” voor de EU voor de periode 2030-2050 geraamd op 16 GtCO2-eq, zoals uiteengezet in bijlage 14 bij de effectbeoordeling die bij de mededeling over de klimaatdoelstelling voor 2040 gevoegd is. Deze broeikasgasbegroting valt binnen de door de ESABCC geanalyseerde haalbare scenario’s die verenigbaar zijn met een opwarming van de aarde met 1,5 °C.

2025/0524 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1119 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 18 ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s 19 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Uit het resultaat van de eind 2023 op de klimaatconferentie van de Verenigde Naties afgeronde eerste “global stocktake” 20 in het kader van de Overeenkomst van Parijs 21 is gebleken dat de partijen steeds doeltreffender klimaatbeleid voeren, maar dat dringend bijkomende maatregelen nodig zijn om de wereld volledig op koers te zetten om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken.

(2)Met de vaststelling van Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad 22 heeft de Unie een bindende doelstelling de hele economie tegen 2050 klimaatneutraal te maken en zo de netto-emissies tegen die datum tot nul terug te brengen, en de doelstelling om daarna tot negatieve emissies te komen, een bindende tussentijdse klimaatdoelstelling van de Unie voor 2030 en een Uniebrede tussentijdse klimaatdoelstelling voor 2040 in wetgeving vastgelegd.

(3)Rekening houdend met het wetenschappelijk advies van de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering en op basis van een gedetailleerde effectbeoordeling heeft de Commissie in haar mededeling van 6 februari 2024 getiteld “Onze toekomst veiligstellen. De klimaatdoelstelling van Europa voor 2040 en de weg naar klimaatneutraliteit tegen 2050 met het oog op de totstandbrenging van een duurzame, rechtvaardige en welvarende samenleving” 23 , een nettoreductie van broeikasgasemissies van 90 % ten opzichte van de niveaus van 1990 voorgesteld voor 2040.

(4)Bij het voorstel van de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040 heeft de Commissie rekening gehouden met de beste beschikbare en meest recente wetenschappelijke gegevens, waaronder de meest recente verslagen van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) en de adviesraad; de sociale, economische en milieueffecten, met inbegrip van de kosten van het uitblijven van maatregelen; de noodzaak van een billijke en sociaal rechtvaardige transitie voor iedereen; kosteneffectiviteit en economische efficiëntie; concurrentievermogen van de economie van de Unie, in het bijzonder dat van kleine en middelgrote bedrijven en sectoren die het sterkst zijn blootgesteld aan koolstoflekkage; beste beschikbare kosteneffectieve, veilige en schaalbare technologieën; energie-efficiëntie en het beginsel “energie-efficiëntie eerst”, betaalbaarheid van energie en voorzieningszekerheid; rechtvaardigheid en solidariteit tussen en binnen de lidstaten; de noodzaak om de ecologische doeltreffendheid voor het milieu en de vooruitgang in de loop van de tijd te waarborgen; de noodzaak om natuurlijke putten op lange termijn in stand te houden, te beheren en te verbeteren en de biodiversiteit te beschermen en te herstellen, ook in het mariene milieu; investeringsbehoeften en -kansen; de internationale ontwikkelingen en inspanningen ter verwezenlijking van de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de uiteindelijke doelstelling van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC); bestaande informatie over de geraamde indicatieve broeikasgasbegroting van de Unie voor de periode 2030-2050.

(5)Om de klimaatdoelstelling voor 2040 te halen is het essentieel om onder meer het overeengekomen kader voor 2030 volledig uit te voeren, het concurrentievermogen en de veerkracht van de Europese industrie te waarborgen en te ondersteunen en te voorzien in transitietrajecten op basis van de beste beschikbare kosteneffectieve, veilige en schaalbare technologieën, meer aandacht te hebben voor een rechtvaardige transitie waarbij niemand aan zijn lot wordt overgelaten, te zorgen voor eerlijke concurrentie met internationale partners, het energiesysteem koolstofvrij te maken met alle koolstofvrije en koolstofarme energieoplossingen (waaronder hernieuwbare energiebronnen, kernenergie, energie-efficiëntie, opslag, CCS, CCU, koolstofverwijdering, geothermische en hydro-energie en alle andere huidige en toekomstige nettonulenergietechnologieën), en een strategische dialoog met alle betrokken sectoren te organiseren over het kader voor de periode na 2030. Met de Clean Industrial Deal schept de EU de voorwaarden voor een succesvolle transitie, waarbij de nadruk ligt op zowel decarbonisatie als industriële vernieuwing, en voorziet in steunmechanismen voor de Europese industrie, betere toegang tot publieke en particuliere financiering, een wereldwijd gelijk speelveld en duidelijke randvoorwaarden voor de invoering en schaalvergroting van schone technologieën, teneinde het industriële concurrentievermogen en de innovatie in de EU te versterken.

(6)In het licht van de doelstelling van klimaatneutraliteit voor 2050 moeten de broeikasgasemissies uiterlijk in 2040 worden verminderd en de broeikasgasverwijderingen worden verbeterd, zodat de nettobroeikasgasemissies, dat wil zeggen emissies na aftrek van verwijderingen, in de hele economie, tegen 2040 90 % minder zijn dan de niveaus van 1990.

(7)Er moet prioriteit worden gegeven aan broeikasgasemissiereducties binnen de EU, die worden aangevuld met meer verwijderingen, onder meer via zowel natuurlijke als technologische oplossingen. Bij de ontwikkeling van het beleidspakket voor de periode na 2030 moet de nodige aandacht worden besteed aan de bijdrage van bruto-emissiereducties ten opzichte van natuurlijke en technologische verwijderingen. Natuurlijke en industriële verwijderingen spelen in de komende decennia een steeds grotere rol in de economie van de Unie, gezien de noodzaak om uiterlijk in 2050 broeikasgasemissies en -verwijderingen met elkaar in evenwicht te brengen en daarna negatieve emissies te verwezenlijken. Er zullen stimulansen worden ontwikkeld naar aanleiding van de herziening van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad 24 in 2026, waarbij de Commissie zich voorneemt te voorzien in permanente koolstofverwijderingen in de Unie in het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie (“EU-ETS”) ter compensatie van resterende emissies van sectoren die hun emissies moeilijk kunnen verminderen.

(8)De Unie beschikt over een regelgevingskader om de klimaatdoelstelling voor 2030 te halen. Dat kader bestaat onder meer uit Richtlijn 2003/87/EG, waarbij het EU-ETS is ingesteld, Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad 25 , waarbij nationale broeikasgasemissiereductiedoelen voor 2030 zijn ingevoerd, en Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad 26 , waarbij streefcijfers voor nettokoolstofverwijdering voor de sector van het landgebruik zijn vastgesteld. De Commissie moet beoordelen hoe de desbetreffende Uniewetgeving moet worden gewijzigd om de klimaatdoelstelling voor 2040 te halen. Bij het ontwerpen van de toekomstige architectuur moet de Commissie gedetailleerde effectbeoordelingen opstellen, met name over de gevolgen voor het concurrentievermogen en voor kleine en middelgrote ondernemingen, en overwegen de nodige maatregelen, in voorkomend geval met inbegrip van wetgevingsvoorstellen, te nemen. Daarbij moet zij op passende wijze rekening houden met een aantal elementen om de verwezenlijking van de doelstelling voor 2040 te vergemakkelijken, waaronder een mogelijk beperkte bijdrage aan de doelstelling voor 2040 van hoogwaardige internationale credits uit hoofde van artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs, in het tweede deel van het decennium 2030-2040, overeenkomstig de boekhoudregels van de Overeenkomst van Parijs; de rol van binnenlandse permanente verwijderingen (koolstofafvang en -opslag van biogene emissies (BioCCS) en directe afvang uit de lucht met koolstofopslag (DACCS)) in het EU-ETS; meer flexibiliteit tussen sectoren. Om de sociale, economische en milieueffecten te beoordelen, moet de toekomstige architectuur gebaseerd zijn op robuuste effectbeoordelingen. De toekomstige architectuur moet ook convergentie bevorderen, rekening houdend met billijkheid en de specifieke kenmerken van de lidstaten, met inbegrip van die van eilanden en ultraperifere gebieden.

(9)Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk het vaststellen van een Uniebrede klimaatdoelstelling voor 2040, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar, vanwege de omvang en de gevolgen ervan, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(10)Verordening (EU) 2021/1119 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EU) 2021/1119

Verordening (EU) 2021/1119 wordt als volgt gewijzigd:

1) aan artikel 1, tweede alinea, wordt de volgende zin toegevoegd:

“Deze verordening bevat ook een bindende klimaatdoelstelling op Unieniveau voor 2040.”;

2) in artikel 4 worden de leden 3, 4 en 5 vervangen door:

“3. Om de in artikel 2, lid 1, vastgestelde doelstelling inzake klimaatneutraliteit te bewerkstelligen, is de bindende klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040 een reductie van nettobroeikasgasemissies (emissies na aftrek van verwijderingen) van 90 % in 2040 ten opzichte van de niveaus van 1990.

4. Met het oog op de periode na 2030 evalueert de Commissie relevante Uniewetgeving om de verwezenlijking van de in lid 3 van dit artikel vastgestelde doelstelling en de in artikel 2, lid 1, genoemde doelstelling inzake klimaatneutraliteit mogelijk te maken en neemt zij, indien passend, de nodige maatregelen op basis van een gedetailleerde effectbeoordeling, overeenkomstig de Verdragen.

Hoewel sommige faciliterende beleidsmaatregelen al zijn uitgevoerd en de impact ervan al zichtbaar is, is dit nog niet voor al die maatregelen het geval. De Commissie streeft ernaar het faciliterend kader te versnellen en te versterken om ervoor te zorgen dat de voorwaarden vervuld zijn om de Europese industrie en burgers gedurende de gehele transitie te ondersteunen, met volledige inachtneming van het EU-recht.

In het kader van de in de eerste alinea bedoelde evaluatie zorgt de Commissie, om de verwezenlijking van de in lid 3 van dit artikel vastgestelde doelstelling te vergemakkelijken, ervoor dat de volgende elementen op passende wijze in de wetgevingsvoorstellen worden weerspiegeld:

a)vanaf 2036 een mogelijke beperkte bijdrage aan de doelstelling voor 2040 van hoogwaardige internationale credits uit hoofde van artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs van 3 % van de netto-emissies in de EU van 1990 ter ondersteuning van de EU en derde landen bij het verwezenlijken van trajecten voor nettobroeikasgasreductie die verenigbaar zijn met de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs om inspanningen te leveren om de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur ruim onder 2 °C te houden en inspanningen te blijven leveren om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven de pre-industriële niveaus — de oorsprong, kwaliteitscriteria en andere voorwaarden voor de verwerving en het gebruik van dergelijke credits worden gereguleerd in het Unierecht;

b)de rol van permanente verwijderingen in de Unie in het kader van het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie (“EU-ETS”) ter compensatie van resterende emissies van sectoren die hun emissies moeilijk kunnen verminderen;

c)meer flexibiliteit tussen sectoren om de verwezenlijking van de doelstellingen op kosteneffectieve wijze te ondersteunen;

d)de doelstellingen en inspanningen van de lidstaten voor de periode na 2030 moeten kostenefficiëntie en solidariteit weerspiegelen, rekening houdend met de nationale situatie;

e)het beste beschikbare en meest recente wetenschappelijke bewijs, met inbegrip van de meest recente rapporten van de IPCC en de adviesraad;

f)de sociale, economische en milieueffecten;

g)de kosten van het uitblijven van maatregelen en de voordelen van maatregelen op middellange tot lange termijn;

h)de noodzaak van een billijke en sociaal rechtvaardige transitie voor iedereen;

i)vereenvoudiging, technologieneutraliteit, kosteneffectiviteit, economische efficiëntie en economische veiligheid;

j)klimaatactie als aanjager van investeringen en innovatie;

k)de noodzaak om het mondiale concurrentievermogen van de economie van de Unie te versterken, met name van kleine en middelgrote ondernemingen en industriële sectoren die het meest aan het risico op koolstoflekkage zijn blootgesteld, teneinde eerlijke concurrentie te waarborgen;

l)beste beschikbare kosteneffectieve, veilige en schaalbare technologieën;

m)betaalbaarheid van energie, voorzieningszekerheid, energie-efficiëntie en het “energie-efficiëntie-eerstbeginsel”;

n)rechtvaardigheid en solidariteit tussen en binnen de lidstaten;

o)de noodzaak om de ecologische doeltreffendheid voor het milieu en de vooruitgang in de loop van de tijd te waarborgen;

p)de noodzaak om natuurlijke putten op lange termijn in stand te houden, te beheren en te verbeteren, de biodiversiteit te beschermen en te herstellen, en rekening te houden met onzekerheden, met name in verband met de gevolgen van de klimaatverandering in de sector van het landgebruik;

q)investeringsbehoeften en -kansen, met inbegrip van toegang tot publieke en particuliere financiering;

r)internationale ontwikkelingen en inspanningen om de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de uiteindelijke doelstelling van het UNFCCC te verwezenlijken, alsook de steun van de Unie aan haar partners bij het aanpakken van klimaatverandering en de gevolgen ervan.”.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

FINANCIEEL EN DIGITAAL MEMORANDUM

1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF3

1.1.Benaming van het voorstel/initiatief3

1.2.Betrokken beleidsterreinen3

1.3.Doelstellingen3

1.3.1.Algemene doelstellingen3

1.3.2.Specifieke doelstellingen3

1.3.3.Verwachte resultaten en gevolgen3

1.3.4.Prestatie-indicatoren3

1.4.Het voorstel/initiatief betreft:3

1.5.Motivering van het voorstel/initiatief4

1.5.1.Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief4

1.5.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.4

1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan4

1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten4

1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking4

1.6.Duur van het voorstel/initiatief en van de financiële gevolgen ervan5

1.7.Wijzen van uitvoering van de begroting5

2.BEHEERSMAATREGELEN7

2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen7

2.2.Beheers- en controlesystemen7

2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie7

2.2.2.Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken7

2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting).7

2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden7

3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF8

3.1.Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven8

3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten9

3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten9

3.2.1.1.Kredieten uit goedgekeurde begroting9

3.2.1.2.Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten9

3.2.2.Geraamde output, gefinancierd uit beleidskredieten9

3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten15

3.2.3.1. Kredieten uit goedgekeurde begroting15

3.2.3.2.Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten15

3.2.3.3.Totaal kredieten15

3.2.4.Geraamde personeelsbehoeften15

3.2.4.1.Gefinancierd uit goedgekeurde begroting15

3.2.4.2.Gefinancierd uit externe bestemmingsontvangsten16

3.2.4.3.Totale personeelsbehoeften16

3.2.5.Overzicht van het geschatte effect op met digitale technologie samenhangende investeringen16

3.2.6.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader16

3.2.7.Bijdragen van derden16

3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten17

4.Digitale dimensies17

4.1.Voorschriften met digitale relevantie17

4.2.Gegevens17

4.3.Digitale oplossingen18

4.4.Interoperabiliteitsbeoordeling18

4.5.Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering18

1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

1.1.Benaming van het voorstel/initiatief

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1119 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit

1.2.Betrokken beleidsterreinen

Klimaatactie

Rubriek 3 Natuurlijke hulpbronnen en milieu

Titel 9 — Milieu- en klimaatactie

1.3.Doelstellingen

1.3.1.Algemene doelstellingen

Met het voorstel wordt voldaan aan de verplichting van de Commissie uit hoofde van artikel 4, lid 3, van de Europese klimaatwet om een wetgevingsvoorstel in te dienen tot wijziging van de Europese klimaatwet om daarin de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040 op te nemen.

1.3.2.Specifieke doelstellingen

De klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040 vaststellen

1.3.3.Verwachte resultaten en gevolgen

Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen.

In het voorstel wordt een klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040 op weg naar klimaatneutraliteit tegen 2050 vastgesteld. Dit voorstel zal als basis dienen voor de voorbereiding van het kader voor de periode na 2030. Er worden geen nieuwe beleidsmaatregelen voorgesteld of nieuwe sectorspecifieke doelstellingen vastgesteld. Het kader voor de periode na 2030 zal bepalen welke belanghebbenden worden getroffen.

1.3.4.Prestatie-indicatoren

Vermeld de indicatoren voor de monitoring van de voortgang en de beoordeling van de resultaten

Mate van de vermindering van broeikasgasemissies in de EU (zoals gerapporteerd in het kader van Verordening (EU) 2018/1999)

1.4.Het voorstel/initiatief betreft:

 een nieuwe actie

 een nieuwe actie na een proefproject/voorbereidende actie 27

✓ de verlenging van een bestaande actie

 de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie

1.5.Motivering van het voorstel/initiatief

1.5.1.Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief

Na de vaststelling van de klimaatdoelstelling voor 2040 en in overeenstemming met de evaluaties waarin de wetgeving voorziet, zal een architectuur voor het klimaatbeleid voor de periode na 2030 worden opgesteld.

1.5.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.

Klimaatverandering is een grensoverschrijdende uitdaging die niet enkel met acties op nationaal of lokaal niveau kan worden opgelost. Een gecoördineerd optreden van de EU kan nationale en lokale maatregelen effectief aanvullen en versterken en klimaatactie bevorderen.

1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan

De EU heeft een alomvattend beleidskader voor broeikasgasemissiereducties opgezet. Zij is al begonnen met het moderniseren en transformeren van de economie om klimaatneutraliteit te bereiken. In 2023 lagen de totale nettobroeikasgasemissies 37 % onder het niveau van 1990, terwijl het bbp in dezelfde periode met 68 % gegroeid is, zoals blijkt uit het Voortgangsverslag 2024 over klimaatactie in de EU (COM(2024) 498).

1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten

Het voorstel heeft tot doel het bestaande beleidskader aan te vullen met de vaststelling van een klimaatdoelstelling voor 2040.

Het is verenigbaar met het meerjarig financieel kader 2021-2027.

1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking

-

1.6.Duur van het voorstel/initiatief en van de financiële gevolgen ervan

 beperkte geldigheidsduur

–    van kracht vanaf [DD/MM]JJJJ tot en met [DD/MM]JJJJ

–    financiële gevolgen vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor vastleggingskredieten en vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor betalingskredieten.

✓ onbeperkte geldigheidsduur

–uitvoering met een opstartperiode vanaf 2025 tot en met 2026,

–gevolgd door een volledige uitvoering.

1.7.Wijzen van uitvoering van de begroting 28

✓ Direct beheer door de Commissie

–✓ door haar diensten, waaronder het personeel in de delegaties van de Unie;

–    door de uitvoerende agentschappen

 Gedeeld beheer met de lidstaten

 Indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken toe te vertrouwen aan:

– derde landen of de door hen aangewezen organen

– internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke)

– de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds

– de in de artikelen 70 en 71 van het Financieel Reglement bedoelde organen

– publiekrechtelijke organen

– privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, voor zover zij zijn voorzien van voldoende financiële garanties

– privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die zijn voorzien van voldoende financiële garanties

– organen waaraan of personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling

–in een lidstaat gevestigde organen die onder het privaatrecht van een lidstaat of onder het Unierecht vallen en die in aanmerking komen om overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving te worden belast met de uitvoering van middelen van de Unie of begrotingsgaranties, voor zover dergelijke organen onder zeggenschap staan van publiekrechtelijke organen of privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, en beschikken over voldoende financiële garanties in de vorm van hoofdelijke aansprakelijkheid van de controlerende organen of gelijkwaardige financiële garanties, die voor elke actie beperkt kunnen blijven tot het maximumbedrag van de steun van de Unie.

Opmerkingen

Het huidige team zal het initiatief verder beheren. Geen extra personeel nodig.

2.BEHEERSMAATREGELEN

2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen

Met het voorstel wordt de Europese klimaatwet voortgezet met dezelfde beoordelingen die reeds door de Commissie moeten worden uitgevoerd. De Europese klimaatwet bouwt voort op het robuuste transparantiekader voor broeikasgasemissies en andere gegevens over het klimaat van de verordening inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, in plaats van aanvullende rapporteringsstromen door de lidstaten vast te stellen.

2.2.Beheers- en controlesystemen

2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie

Niet van toepassing. Met het voorstel wordt geen financieel programma uitgevoerd, maar wordt beleid voor de lange termijn opgesteld. De beheersvorm, de uitvoeringsmechanismen voor financiering, de betalingsvoorwaarden en de controlestrategie met betrekking tot foutenpercentages zijn niet van toepassing.

2.2.2.Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken

In het kader van de klimaatwet beoordeelt de Commissie regelmatig de vooruitgang en stelt zij mogelijke aanbevelingen en aanvullende maatregelen vast.

De lidstaten kunnen vertraging oplopen bij de plannings‑ en rapporteringsvereisten krachtens de verordening inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie. Dankzij de reeds bestaande en beproefde rapportagesystemen inzake klimaatinformatie (in het kader van de verordening betreffende een bewakings- en rapportagesysteem en de governanceverordening) zijn er procedures van kracht die waarborgen dat de verslagen over broeikasgasemissies tijdig binnenkomen, dat de kwaliteit van die verslagen wordt gecontroleerd, dat lacunes kunnen worden aangepakt en dat de lidstaten die hun rapportageverplichtingen niet nakomen, kunnen worden bijgestaan.

2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting).

Dit initiatief brengt geen significante nieuwe controles/risico’s mee die niet onder een bestaand internecontrolekader vallen. Naast de toepassing van het Financieel Reglement zijn er geen specifieke maatregelen voorzien.

2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden

Er zijn geen specifieke maatregelen overwogen, behalve de toepassing van het Financieel Reglement.

3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

3.1.Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven

·Bestaande begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarige financiële kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Begrotingsonderdeel

Soort uitgave

Bijdrage

Nummer  

GK/NGK 29

van EVA-landen 30

van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten 31

van andere derde landen

andere bestemmings-ontvangsten

3

09 02 03 00

GK

JA

JA

NEE

JA

·Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarige financiële kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Begrotingsonderdeel

Soort uitgave

Bijdrage

Nummer  

GK/NGK

van EVA-landen

van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten

van andere derde landen

andere bestemmings-ontvangsten

[XX.YY.YY.YY]

GK/NGK

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

[XX.YY.YY.YY]

GK/NGK

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

[XX.YY.YY.YY]

GK/NGK

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten

3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten

–    Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig

–    Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven

3.2.1.1.Kredieten uit goedgekeurde begroting

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Nummer

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

 

 

 

 

0,000

Betalingen

(2a)

 

 

 

 

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

 

 

 

 

0,000

Betalingen

(2b)

 

 

 

 

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 32

Begrotingsonderdeel

 

(3)

 

 

 

 

0,000

TOTAAL kredieten

voor DG <…….>

Vastleggingen

=1a+1b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=2a+2b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

TOTAAL beleidskredieten  

Vastleggingen

(4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

(5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK <….>

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

• TOTAAL beleidskredieten (alle beleidsrubrieken)

Vastleggingen

(4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

(5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

• TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten (alle beleidsrubrieken)

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder de rubrieken 1 tot en met 6

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader 
(referentiebedrag)

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Rubriek van het meerjarig financieel kader

7

“Administratieve uitgaven” 33

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

 Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL DG <…….>

Kredieten

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

 Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL DG <…….>

Kredieten

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader

(totaal vastleggingen = totaal betalingen)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

 

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 7

Vastleggingen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader 

Betalingen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

TOTAAL beleidskredieten  

Vastleggingen

(4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

(5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK <….>

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

TOTAAL beleidskredieten  

Vastleggingen

(4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

(5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK <….>

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

• TOTAAL beleidskredieten (alle beleidsrubrieken)

Vastleggingen

(4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

(5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

• TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten (alle beleidsrubrieken)

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder de rubrieken 1 tot en met 6

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader (referentiebedrag)

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Rubriek van het meerjarig financieel kader

7

“Administratieve uitgaven” 34

miljoen EUR (tot op drie decimalen)

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

 Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL DG <…….>

Kredieten

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

 Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL DG <…….>

Kredieten

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader

(totaal vastleggingen = totaal betalingen)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

 

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 7

Vastleggingen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader 

Betalingen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 

3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten

–    Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig

–    Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven

3.2.3.1. Kredieten uit goedgekeurde begroting

GOEDGEKEURDE KREDIETEN

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL 2021-2027

2024

2025

2026

2027

RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Buiten RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal buiten RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 

TOTAAL

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

3.2.4.Geraamde personeelsbehoeften

–    Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig

–    Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven

3.2.4.1.Gefinancierd uit goedgekeurde begroting

Raming in voltijdequivalenten (vte’s) 35

GOEDGEKEURDE KREDIETEN

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

2024

2025

2026

2027

 Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)

20 01 02 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie)

0

0

0

0

20 01 02 03 (EU-delegaties)

0

0

0

0

01 01 01 01 (onderzoek onder contract)

0

0

0

0

01 01 01 11 (eigen onderzoek)

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden)

0

0

0

0

• Extern personeel (in vte’s)

20 02 01 (AC, END van de “totale financiële middelen”)

0

0

0

0

20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties)

0

0

0

0

Admin. ondersteuning 
[XX.01.YY.YY]

- centrale diensten

0

0

0

0

- EU-delegaties

0

0

0

0

01 01 01 02 (AC, END – onderzoek onder contract)

0

0

0

0

01 01 01 12 (AC, END – eigen onderzoek)

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – rubriek 7

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – buiten rubriek 7

0

0

0

0

TOTAAL

0

0

0

0

Geen extra middelen nodig. Het huidige team zal het initiatief verder beheren. Geen extra personeel nodig.

3.2.5.Overzicht van het geschatte effect op met digitale technologie samenhangende investeringen

TOTAAL Digitale en IT-kredieten

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

RUBRIEK 7

IT-uitgaven (algemeen) 

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Buiten RUBRIEK 7

IT-beleidsuitgaven inzake operationele programma’s

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal buiten RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 

TOTAAL

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

3.2.6.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader 

Het voorstel/initiatief:

–    kan volledig worden gefinancierd door middel van herschikking binnen de relevante rubriek van het meerjarig financieel kader (MFK)

Geen extra middelen nodig. Het huidige team zal het initiatief verder beheren.

–    vereist een beroep op de niet-toegewezen marge in de desbetreffende rubriek van het MFK en/of op de speciale instrumenten zoals gedefinieerd in de MFK-verordening

–    vereist een herziening van het MFK

3.2.7.Bijdragen van derden 

Het voorstel/initiatief:

–    voorziet niet in medefinanciering door derden

–    voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:

Kredieten in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

Totaal

Medefinancieringsbron 

TOTAAL medegefinancierde kredieten

 
3.3.    Geraamde gevolgen voor de ontvangsten 

–    Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten

–    Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:

–    voor de eigen middelen

–    voor overige ontvangsten

–    geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten:

Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten

Gevolgen van het voorstel/initiatief 36

Jaar 2024

Jaar 2025

Jaar 2026

Jaar 2027

Artikel ….

Vermeld voor de toegewezen ontvangsten de betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven.

Andere opmerkingen (bv. over de methode/formule voor de berekening van de gevolgen voor de ontvangsten of andere informatie).

4.Digitale dimensies

4.1.Voorschriften met digitale relevantie

Geen voorschriften met digitale relevantie Het voorstel legt de klimaatdoelstelling voor 2040 in wetgeving vast en biedt voorspelbaarheid en een duidelijke aanwijzing voor het nodige transitietraject. Het schrijft geen specifieke beleidslijnen of maatregelen voor, noch bevat het rapportagevereisten of andere vereisten. Er kunnen geen digitale middelen worden gebruikt om de klimaatdoelstelling voor 2040 vast te stellen. De mogelijke aanvullende voorstellen voor de herziening van gerelateerde instrumenten of mogelijke nieuwe instrumenten om de noodzakelijke bijkomende broeikasgasemissiereducties te verwezenlijken, kunnen voorschriften met digitale relevantie bevatten, die vervolgens, indien relevant, in het kader van die voorstellen zullen worden beoordeeld.

4.2.Gegevens

Er worden geen voorschriften met digitale relevantie vastgesteld.

4.3.Digitale oplossingen

Er worden geen voorschriften met digitale relevantie vastgesteld.

4.4.Interoperabiliteitsbeoordeling

Er worden geen voorschriften met digitale relevantie vastgesteld.

4.5.Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering

Er worden geen voorschriften met digitale relevantie vastgesteld.

(1)    COM(2025) 30 final.
(2)     Rapport-Draghi over het Europese concurrentievermogen .
(3)    COM(2024) 63 final.
(4)    SWD(2024) 63 final.
(5)    SWD(2024) 63 final.
(6)    COM(2024) 163 final.
(7)     COM(2025) 79 final .
(8)    COM(2025) 96 final.
(9)    SWD(2024) 63 final.
(10)    Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering, “Scientific advice for the determination of an EU-wide 2040 climate target and a greenhouse gas budget for 2030-2050”, DOI: 10.2800/609405.
(11)    Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering, “Towards EU climate neutrality: progress, policy gaps and opportunities, Assessment Report 2024”, DOI: 10.2800/216446.
(12)    Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering, “Scientific advice for amending the European Climate Law – Setting climate goals to strengthen EU strategic priorities”, DOI: 10.2800/1978453.
(13)    SEC(2024) 64 final.
(14)    COM(2024) 196 final.
(15)    PB C 326 van 26.10.2012, blz. 391.
(16)    COM(2025) 274 final.
(17)    Zoals uitgelegd in de technische informatie bij het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad “Voortgangsverslag 2024 over klimaatactie in de EU”, SWD(2024) 249 final, COM(2024) 498 final.
(18)    PB C van , blz. .
(19)    PB C van , blz. .
(20)    Besluit 1/CMA.5.
(21)    PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4.
(22)    Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1119/oj).
(23)    COM(2024) 63 final.
(24)    Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2003/87/oj).
(25)    Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 teneinde bij te dragen aan klimaatmaatregelen om aan de toezeggingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 26, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/842/oj).
(26)    Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 en Besluit nr. 529/2013/EU (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/841/oj).
(27)    In de zin van artikel 58, lid 2, punt a) of b), van het Financieel Reglement.
(28)    Nadere gegevens over de wijzen van uitvoering van de begroting en verwijzingen naar het Financieel Reglement zijn beschikbaar op BUDGpedia: https://myintracomm.ec.europa.eu/corp/budget/financial-rules/budget-implementation/Pages/implementation-methods.aspx .
(29)    GK = gesplitste kredieten/NGK = niet-gesplitste kredieten.
(30)    EVA: Europese Vrijhandelsassociatie.
(31)    Kandidaat-lidstaten en, in voorkomend geval, potentiële kandidaten van de Westelijke Balkan.
(32)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek onder contract, eigen onderzoek.
(33)    De benodigde kredieten moeten worden bepaald aan de hand van de gemiddelde jaarlijkse kostencijfers die beschikbaar zijn op de desbetreffende BUDGpedia-webpagina.
(34)    De benodigde kredieten moeten worden bepaald aan de hand van de gemiddelde jaarlijkse kostencijfers die beschikbaar zijn op de desbetreffende BUDGpedia-webpagina.
(35)    Geef onder de tabel aan hoeveel vte’s binnen het aangegeven aantal reeds zijn toegewezen aan het beheer van de actie en/of binnen uw DG kunnen worden heringezet en wat uw nettobehoeften zijn.
(36)    Voor traditionele eigen middelen (douanerechten en suikerheffingen) moeten nettobedragen worden vermeld, d.w.z. na aftrek van 20 % aan inningskosten.