Brussel, 5.6.2025

COM(2025) 278 final

Aanbeveling voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over de herziening van het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap 1 (TCT) is goedgekeurd door de Europese Unie 2 en geratificeerd door zes partners uit de Westelijke Balkan (de Republiek Albanië, Bosnië en Herzegovina, de Republiek Noord-Macedonië, Kosovo 3*, Montenegro en de Republiek Servië (hierna “de Zuidoost-Europese partijen” genoemd). Het verdrag is op 1 mei 2019 in werking getreden.

Het is van toepassing op het gebied van vervoer over de weg, per spoor, over de binnenwateren en over zee en voorziet in de geleidelijke integratie van vervoersmarkten en -netwerken, met inbegrip van luchthaveninfrastructuur, op basis van de relevante EU-wetgeving, onder meer op het gebied van technische normen, interoperabiliteit, veiligheid, beveiliging, verkeersbeheer, mededinging, sociaal beleid, overheidsopdrachten en milieu.

Sinds 2019 streeft de Vervoersgemeenschap deze doelstelling na door de regionale samenwerking te versterken en gerichte technische bijstand te bieden naast initiatieven voor capaciteitsopbouw. Dankzij deze inspanningen heeft de Vervoersgemeenschap vooruitgang geboekt bij de aanpassing van de wetgeving en de integratie van de vervoersmarkten, zowel tussen de Zuidoost-Europese partijen als tussen deze partijen en de EU. Er is echter nog meer werk nodig.

Artikel 42 van het verdrag bepaalt dat het moet worden herzien op verzoek van een overeenkomstsluitende partij en in ieder geval vijf jaar na de inwerkingtreding ervan.

Op 15 november 2022 hebben de overeenkomstsluitende partijen bij het verdrag en de ministers van vervoer van Oekraïne, Georgië en de Republiek Moldavië een gezamenlijke verklaring over samenwerking voor de ontwikkeling van de vervoerssectoren bekrachtigd. Dit politieke document vormde de basis voor de betrokkenheid van deze landen als waarnemers bij de werkzaamheden van de Vervoersgemeenschap. In de gezamenlijke verklaring werd ook gesteld dat de mogelijke wederzijdse voordelen die voortvloeien uit de eventuele toetreding van Oekraïne, de Republiek Moldavië en Georgië tot het verdrag, naar behoren moeten worden onderzocht.

In deze aanbeveling wordt voorgesteld dat de Raad de Commissie machtigt om onderhandelingen te openen over de herziening van het verdrag.

De algemene doelstelling moet zijn om met de Zuidoost-Europese partijen, Oekraïne en de Republiek Moldavië te onderhandelen over wijzigingen van het verdrag om de aanpassing van de wetgeving van alle verdragsluitende partijen aan het relevante EU-acquis te ondersteunen en te versterken, met het oog op hun respectieve Europese perspectieven.

Daarbij gaat het onder meer om nieuwe mechanismen om de bindende verbintenissen van het verdrag te versterken door te voorzien in sancties (zoals het opschorten van stemrechten) in geval van ernstige en aanhoudende inbreuken op deze verbintenissen. Om het mechanisme voor aanpassing aan het acquis te versterken, moet worden gestreefd naar een grotere rol voor het permanent secretariaat van het verdrag. Daarnaast moeten de wijzigingen de rol van het verdrag bij de ondersteuning van de ontwikkeling van de indicatieve uitbreiding van het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T) naar de Zuidoost-Europese partijen verfijnen, met name door rekening te houden met beleidsontwikkelingen in het wetgevingskader voor TEN-T. Voorts moet ook bijlage I bij het verdrag worden herzien, met name om er het EU-acquis van voor de ondertekening van het verdrag aan toe te voegen en om rekening te houden met relevante beleidsontwikkelingen op een in bijlage I genoemd vervoersgebied of daarmee samenhangend gebied. Ten slotte moeten de wijzigingen tot doel hebben bepaalde operationele aspecten te verbeteren die bij de toepassing van het verdrag aan het licht zijn gekomen en de regels over de toepassing van de rechtspraak van het Hof van Justitie over onder het verdrag vallende aangelegenheden te verfijnen.

De wijzigingen moeten het ook mogelijk maken dat Oekraïne en de Republiek Moldavië als volwaardig lid kunnen toetreden tot het verdrag. Voorts moet de Commissie, met het oog op hun volledige integratie in het verdrag, onderhandelen over bijlagen over overgangsregelingen, als bedoeld in artikel 40 van het verdrag, die op beide landen van toepassing moeten zijn bij hun toetreding. Daarnaast moet de Commissie in staat zijn tegemoet te komen aan potentiële inhoudelijke eisen van Oekraïne en de Republiek Moldavië met betrekking tot de inhoud van het verdrag.

In het licht van de achteruitgang van de democratie in Georgië, waaronder de vaststelling van de wet inzake transparantie van buitenlandse invloed, die het EU-traject van Georgië in gevaar brengt en de facto heeft geleid tot een stopzetting van het toetredingsproces, moet het besluit om concrete stappen te zetten in de richting van de toetreding van Georgië als volwaardig lid tot het verdrag worden uitgesteld. Dit uitstel is in overeenstemming met de besprekingen in de Europese Raad van 27 juni 2024 4 , 17 oktober 2024 5  en 19 december 2024 6 en weerspiegelt de bevindingen van het uitbreidingsverslag van de Commissie.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

De doelstellingen van deze aanbeveling zijn in overeenstemming met en vormen een aanvulling op de bredere inspanningen van de EU ter ondersteuning van hervormingen in de vervoerssector van de Zuidoost-Europese partijen, Oekraïne en de Republiek Moldavië, als onderdeel van hun toetredingsproces in het algemeen. Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap heeft de Europese Raad herhaaldelijk bevestigd dat de toekomst van de Zuidoost-Europese partijen binnen de EU verankerd ligt. In maart 2020 hebben de leden van de Europese Raad hun goedkeuring gehecht aan het besluit van de Raad Algemene Zaken 7 om toetredingsonderhandelingen te openen met de Republiek Noord-Macedonië en de Republiek Albanië. In maart 2024 heeft de Europese Raad besloten 8 toetredingsonderhandelingen met Bosnië en Herzegovina te openen. In december 2022 heeft Kosovo zijn verzoek om toetreding tot de EU ingediend.

De Europese Raad van 14-15 december 2023 heeft besloten toetredingsonderhandelingen met Oekraïne en de Republiek Moldavië te openen 9 . De toetredingsonderhandelingen met de twee landen zijn formeel van start gegaan tijdens twee intergouvernementele conferenties in Luxemburg op 25 juni 2024.

Daarnaast is de doelstelling om de integratie van vervoersnetwerken verder te ondersteunen in overeenstemming met Verordening (EU) 2024/1679 van het Europees Parlement en de Raad 10 . Deze verordening voorziet onder meer in specifieke Europese vervoerscorridors om de connectiviteit tussen de lidstaten en de Zuidoost-Europese partijen, Oekraïne en de Republiek Moldavië verder te versterken.

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

De aanbeveling is in overeenstemming met ander EU-beleid, met name met het uitbreidings- en nabuurschapsbeleid. Op 8 november 2023 heeft de Europese Commissie het nieuwe groeiplan voor de Westelijke Balkan 11 aangenomen, met als doel om de regio voorafgaand aan de toetreding te laten kennismaken met een aantal voordelen van het lidmaatschap, de economische groei te stimuleren en de broodnodige sociaal-economische convergentie te versnellen. Het doel ervan is de partners in staat te stellen meer vaart te zetten achter de hervormingen en investeringen om aldus het tempo van het uitbreidingsproces en de groei van hun economieën aanzienlijk te verhogen.

Evenzo heeft de Commissie op 15 april 2024 haar goedkeuring gehecht aan het Oekraïneplan 12 , dat Oekraïne helpt bij het herstel, de wederopbouw en de modernisering, en met name de hervormingsinspanningen van het land op zijn weg naar EU-lidmaatschap ondersteunt. Tot slot heeft de Commissie op 10 oktober 2024 een mededeling aangenomen over het groeiplan voor Moldavië 13 , dat tot doel heeft de Moldavische economie te stimuleren en het land dichter bij het EU-lidmaatschap te brengen door de hervormingen te versnellen en financiële bijstand te verlenen.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Het doel van het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap is de oprichting van een Vervoersgemeenschap op het gebied van vervoer over de weg, per spoor, over de binnenwateren en over zee, evenals de ontwikkeling van een vervoersnetwerk tussen de Europese Unie en de Zuidoost-Europese partijen. In artikel 91 VWEU is bepaald dat maatregelen op het gebied van spoorvervoer, wegvervoer en binnenvaart binnen het kader van het gemeenschappelijk vervoersbeleid volgens de gewone wetgevingsprocedure worden aangenomen. Krachtens artikel 100, lid 2, worden ook passende bepalingen voor de zeevaart vastgesteld volgens de gewone wetgevingsprocedure Derhalve vormen artikel 91 en artikel 100, lid 2, VWEU de materiële rechtsgrondslag voor het beoogde besluit waarbij machtiging wordt verleend tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst en waarbij richtsnoeren tot de onderhandelaar worden gericht.

In artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is de procedure vastgelegd voor de onderhandelingen over en de sluiting van overeenkomsten tussen de EU en derde landen of internationale organisaties. In lid 3 van dat artikel is met name bepaald dat de Commissie aanbevelingen doet aan de Raad, die een besluit vaststelt houdende machtiging tot het openen van de onderhandelingen en waarbij, naar gelang van de inhoud van de voorgenomen overeenkomst, de onderhandelaar of het hoofd van het onderhandelingsteam van de Unie wordt aangewezen. Artikel 218, lid 4,voorziet in de mogelijkheid dat de Raad de onderhandelaar richtsnoeren geeft en een bijzonder comité aanwijst, waarmee moet worden overlegd bij het voeren van de onderhandelingen. De procedurele rechtsgrondslag voor het beoogde besluit waarbij machtiging wordt verleend tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst en waarbij richtsnoeren tot de onderhandelaar worden gericht, is artikel 218, leden 3 en 4, VWEU.

Bevoegdheid van de Unie

Artikel 216, lid 1, VWEU bepaalt:

“De Unie kan een overeenkomst met een of meer derde landen of internationale organisaties sluiten wanneer de Verdragen daarin voorzien of wanneer het sluiten van een overeenkomst ofwel nodig is om, in het kader van het beleid van de Unie, een van de in de Verdragen bepaalde doelstellingen te verwezenlijken, of wanneer daarin bij een juridisch bindende handeling van de Unie is voorzien of wanneer zulks gemeenschappelijke regels kan aantasten of de strekking daarvan kan wijzigen”.

Het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap is door de Unie gesloten krachtens Besluit (EU) 2019/392 van de Raad 14 . Aangezien het verdrag een overeenkomst tussen de EU en de Zuidoost-Europese partijen is, moet op EU-niveau worden onderhandeld over een wijziging ervan.

De Vervoersgemeenschap is gebaseerd op de geleidelijke integratie van de vervoersmarkten van de Zuidoost-Europese partijen in de vervoersmarkt van de EU op basis van het desbetreffende acquis, onder meer op het gebied van technische normen, interoperabiliteit, veiligheid, beveiliging, verkeersbeheer, sociaal beleid, overheidsopdrachten en milieu, voor alle vervoerswijzen behalve luchtvaart.

Dit voorstel betreft het openen van onderhandelingen met het oog op de wijziging van het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap teneinde: i) de aanpassing van de wetgeving van de Zuidoost-Europese partijen te ondersteunen en te versterken; ii) de rol van het permanent secretariaat van het verdrag te versterken; iii) bijlage I bij het verdrag te herzien, met name om er het EU-acquis van voor de ondertekening van het verdrag aan toe te voegen en om rekening te houden met relevante beleidsontwikkelingen op het gebied van vervoer of een daarmee samenhangend gebied dat onder die bijlage valt; iv) bepaalde operationele aspecten te verbeteren; v) de regels voor de uitlegging van het verdrag te verfijnen in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie, overeenkomstig artikel 19 van het verdrag, zodat ook de rechtspraak die na de datum van ondertekening van het verdrag is gegeven, eronder valt; en vi) de toetreding van Oekraïne en de Republiek Moldavië tot het verdrag als volwaardige leden mogelijk te maken, onder meer door te onderhandelen over bijlagen over overgangsregelingen voor elk van deze landen. Het voorstel heeft derhalve geen gevolgen voor het materiële toepassingsgebied van de overeenkomst, is in overeenstemming met de beleidsdoelstellingen die ermee worden nagestreefd en doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de EU met betrekking tot de overeenkomst.

De EU heeft daarom de exclusieve bevoegdheid om een internationale overeenkomst te sluiten tot wijziging van het verdrag en de bijlagen betreffende overgangsregelingen die van toepassing moeten zijn bij de mogelijke toetreding van Oekraïne en de Republiek Moldavië.

Evenredigheid

De wijzigingen waarover moet worden onderhandeld, wijzigen het materiële toepassingsgebied van het verdrag niet en zijn beperkt tot maatregelen die nodig zijn om de doeltreffendere uitvoering ervan te waarborgen en ervoor te zorgen dat Oekraïne en de Republiek Moldavië als volwaardig lid tot het verdrag kunnen toetreden.

De beoogde overeenkomst is het meest efficiënte instrument om de vervoersbetrekkingen tussen de EU, de Zuidoost-Europese partijen, Oekraïne en de Republiek Moldavië te verbeteren. De aanbeveling gaat overeenkomstig artikel 5, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie niet verder dan hetgeen nodig is om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken.

Keuze van het instrument

Een aanbeveling van de Commissie voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen is in overeenstemming met artikel 218, lid 3, VWEU, waarin is bepaald dat de Commissie aanbevelingen doet aan de Raad, die een besluit vaststelt houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

Op verzoek van de Commissie heeft het permanent secretariaat in januari 2024 een informele werkgroep opgericht om een voorlopige beoordeling uit te voeren van de huidige uitvoering van het verdrag en mogelijke gebieden voor inhoudelijke en operationele verbeteringen vast te stellen als onderdeel van de herziening van het verdrag.

De informele werkgroep, die onder leiding stond van het permanent secretariaat, bestond uit vertegenwoordigers van de Commissie, de lidstaten en de Zuidoost-Europese partijen, alsmede vertegenwoordigers van de waarnemers. Zij had tot taak het volgende vast te stellen:

·mogelijke materiële wijzigingen die een positieve bijdrage konden leveren aan de doelstelling van het verdrag van een nauwere integratie van de vervoersmarkt van de Zuidoost-Europese partijen, op basis van het relevante EU-acquis;

·de potentiële behoefte om de steun voor het toezicht op de ontwikkeling van het indicatieve trans-Europese vervoersnetwerk (TEN-T) in de regio te verbeteren;

·nieuwe werkterreinen/taken om de ontwikkelingen in de betrekkingen van de EU met de Zuidoost-Europese partijen aan te pakken; en

·mogelijke operationele veranderingen die de goede werking en uitvoering van het verdrag konden verbeteren.

De beschouwingen zijn afgerond en het permanent secretariaat heeft een eindverslag opgesteld met een samenvatting van de werkzaamheden en de belangrijkste conclusies daarvan, waarin de belangrijkste gebieden worden belicht die tijdens het herzieningsproces aan bod kunnen komen.

In het kader van de werkzaamheden van de informele werkgroep heeft Kosovo verzocht om zijn huidige benaming in het verdrag (Kosovo*) te wijzigen in “de Republiek Kosovo”. Kosovo wil ook de manier waarop zijn grenzen worden weergegeven op de indicatieve TEN-T-kaarten in bijlage I bij het verdrag wijzigen. De Republiek Noord-Macedonië heeft erop gewezen dat de aan het verdrag gehechte bilaterale protocollen opnieuw moeten worden bezien en moeten worden aangepast aan de specifieke situatie van niet aan zee grenzende partijen, met name wat betreft de bepalingen met betrekking tot zeevervoer. Montenegro merkte op dat bepaalde in bijlage I bij het verdrag vermelde regelgeving moet worden geactualiseerd.

Raadpleging van belanghebbenden

In de loop van 2023 hebben de diensten van de Commissie een aantal bilaterale besprekingen gevoerd met de Zuidoost-Europese partijen over de nauwere betrokkenheid van de waarnemende deelnemers uit Oekraïne en de Republiek Moldavië bij de werkzaamheden van het verdrag 15 .

Zonder afbreuk te doen aan de formalisering van hun respectieve regeringsstandpunten, is er over het algemeen sterke steun voor het initiatief om Oekraïne en de Republiek Moldavië nauwer te betrekken bij de werkzaamheden van het verdrag met het oog op een volwaardig lidmaatschap, met een opmerkelijk voorbehoud met betrekking tot de bilaterale betrekkingen tussen een specifieke partner van de Westelijke Balkan (Kosovo) en de waarnemende deelnemers.

Albanië heeft geen specifieke kwesties aan de orde gesteld in verband met de nauwere betrokkenheid van de waarnemende deelnemers bij de werkzaamheden van het verdrag en heeft verklaard dat het voorstander is van de uitbreiding van het verdrag tot Oekraïne en de Republiek Moldavië.

Bosnië en Herzegovina heeft zijn steun uitgesproken voor de uitbreiding van het verdrag tot Oekraïne en de Republiek Moldavië.

Kosovo heeft benadrukt dat het geen belangrijke problemen heeft met het volwaardige lidmaatschap van de waarnemende deelnemers aan het verdrag, maar heeft bepaalde zorgen geuit, zoals de niet-erkenning van de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo door Oekraïne en de Republiek Moldavië.

Montenegro heeft geen kwesties aan de orde gesteld in verband met de nauwere betrokkenheid van de waarnemende deelnemers bij de werkzaamheden van het verdrag en heeft zijn steun uitgesproken voor de toetreding tot het verdrag van Oekraïne en de Republiek Moldavië als volwaardige deelnemers.

Noord-Macedonië heeft geen kwesties aan de orde gesteld in verband met de nauwere betrokkenheid van de waarnemende deelnemers bij de werkzaamheden van het verdrag en heeft verklaard dat het de toetreding van Oekraïne en de Republiek Moldavië tot het verdrag steunt.

Servië heeft geen kwesties aan de orde gesteld in verband met de nauwere betrokkenheid van Oekraïne en de Republiek Moldavië bij de werkzaamheden van het verdrag; het heeft echter ook opgemerkt dat er momenteel geen officieel standpunt van de Servische regering bestaat over een toetreding van de waarnemende deelnemers tot het verdrag als volwaardig lid. Dat standpunt zou worden bepaald naar aanleiding van een meer formele aanpak door de EU van de eventuele toetreding van Oekraïne en de Republiek Moldavië tot het verdrag.

Tijdens bilaterale uitwisselingen in 2023 hebben de diensten van de Commissie aan Oekraïne en de Republiek Moldavië de voorlopige standpunten van de Zuidoost-Europese partijen gepresenteerd over de vooruitzichten op toetreding van de waarnemende deelnemers als volwaardige leden. De diensten van de Commissie hebben ook gewezen op de mogelijke financiële gevolgen (d.w.z. bijdragen aan de TCT-begroting). Tijdens deze uitwisselingen hebben Oekraïne en de Republiek Moldavië hun grote belangstelling getoond om als volwaardige leden toe te treden tot het verdrag.

Daarnaast heeft de Commissie een verzoek om input gepubliceerd dat liep van 6 november tot en met 4 december 2024. De Commissie heeft één anonieme bijdrage aan het verzoek om input ontvangen, waarin algemene steun werd uitgesproken voor het initiatief om de vervoersnetwerken in de buurlanden verder te integreren, maar werd ook benadrukt dat alleen moet worden gestreefd naar nauwere samenwerking met partners die reeds nauw samenwerken met de Europese partners.

Effectbeoordeling

De aanbeveling verbindt de Commissie in dit stadium niet tot een specifiek standpunt, aangezien zij louter een aanbeveling bevat tot machtiging om onderhandelingen te openen met de Zuidoost-Europese partijen, Oekraïne en de Republiek Moldavië. Deze onderhandelingen hebben betrekking op gerichte wijzigingen van technische aard van een reeds bestaande internationale overeenkomst en de uitbreiding ervan tot Oekraïne en de Republiek Moldavië. Het resultaat van het herzieningsproces zal worden vastgesteld op basis van internationale onderhandelingen met derde landen. De voorgestelde toetreding van Oekraïne en de Republiek Moldavië tot het verdrag is gebaseerd op een duidelijk politiek signaal van de Europese Raad, die deze landen de status van kandidaat-lidstaat van de EU heeft verleend en met hen formeel toetredingsonderhandelingen heeft geopend. Bovendien bepaalt artikel 42 van het verdrag dat de overeenkomst wordt herzien vijf jaar na de inwerkingtreding ervan. De Commissie zal daartoe een aanbeveling voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen aannemen. Daarom is een formeel effectbeoordelingsproces niet gerechtvaardigd.

Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

Niet van toepassing.

Grondrechten

Dit initiatief eerbiedigt volledig het Handvest van grondrechten van de Europese Unie.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Hoewel het effect op de EU-begroting beperkt is, zou dit kunnen neerkomen op een verhoging met maximaal 34 % (0,8 miljoen EUR) van de jaarlijkse EU-bijdrage aan het verdrag, afhankelijk van het resultaat van de onderhandelingen over de berekening van de respectieve bijdragen van de regionale partners, en een eenmalige initiële investering van 0,2 miljoen EUR.

Overeenkomstig artikel 35 van het verdrag dekt de begroting van de Vervoersgemeenschap alleen de operationele uitgaven van de Vervoersgemeenschap die nodig zijn voor de werking van haar instanties.

De gevolgen voor de periode van het meerjarig financieel kader met betrekking tot de geraamde vereiste begroting en personele middelen zijn nader uitgewerkt in het bij deze aanbeveling gevoegde financieel memorandum.

5.    OVERIGE ELEMENTEN

   Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

Het onderhandelingsproces zal naar verwachting in 2025 van start gaan.

   Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 bevat de machtiging om namens de Unie onderhandelingen te voeren over een internationale overeenkomst tot herziening van het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap (TCT).

In artikel 2 wordt bepaald dat de onderhandelingen moeten worden gevoerd op basis van de in de bijlage bij het besluit opgenomen onderhandelingsrichtsnoeren van de Raad.

Artikel 3 bepaalt dat de onderhandelingen worden gevoerd in overleg met een speciaal comité.

Artikel 4 bepaalt dat het besluit tot de Commissie is gericht.

   Keuze van de onderhandelaar

Aangezien de onderhandelingen uitsluitend onder het beleidsgebied buiten het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallen, moet de Commissie overeenkomstig artikel 218, lid 3, VWEU worden aangewezen als onderhandelaar.

Aanbeveling voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over de herziening van het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91 en artikel 100, lid 2, VWEU, in samenhang met artikel 218, leden 3 en 4,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap is door de Unie ondertekend krachtens Besluit (EU) 2017/1937 van de Raad 16 . Het is namens de Unie op 4 maart 2019 bij Besluit (EU) 2019/392 van de Raad goedgekeurd 17 . Het verdrag is op 1 mei 2019 in werking getreden.

(2)Het verdrag bevordert de ontwikkeling van het vervoersnetwerk tussen de Unie en de Republiek Albanië, Bosnië en Herzegovina, de Republiek Noord-Macedonië, Kosovo 18 *, Montenegro en de Republiek Servië (hierna “Zuidoost-Europese partijen” genoemd) op het gebied van vervoer over de weg, per spoor, over de binnenwateren en over zee, en is gebaseerd op de geleidelijke integratie van de vervoersmarkten van de Zuidoost-Europese partijen in de vervoersmarkt van de Unie op basis van de desbetreffende bepalingen van het acquis van de Unie.

(3)Artikel 42 van het verdrag bepaalt dat het moet worden herzien op verzoek van een overeenkomstsluitende partij en in ieder geval vijf jaar na de inwerkingtreding ervan.

(4)In januari 2024 is een werkgroep opgericht om verkennende gesprekken te houden over de herziening van het verdrag. De werkgroep bestond uit vertegenwoordigers van de Commissie, de lidstaten, de Zuidoost-Europese partijen en de huidige waarnemers. Zij heeft haar besprekingen over de noodzaak van een actualisering van het verdrag afgerond.

(5)Er is aanzienlijke vooruitgang geboekt met de nauwere samenwerking tussen de Vervoersgemeenschap en de waarnemende deelnemers uit Oekraïne en de Republiek Moldavië.

(6)De Unie moet deelnemen aan de onderhandelingen over de wijziging van het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Commissie wordt gemachtigd om namens de Unie onderhandelingen te voeren over een internationale overeenkomst tot herziening van het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap (TCT).

Artikel 2

De onderhandelingsrichtsnoeren zijn opgenomen in de bijlage.

Artikel 3

De onderhandelingen worden gevoerd in overleg met het [door de Raad in te voegen naam van het speciale comité].

Artikel 4

Dit besluit is gericht tot de Commissie.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    PB L 278 van 27.10.2017, blz. 3, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_internation/2017/1937/oj .
(2)    Besluit (EU) 2019/392 van de Raad van 4 maart 2019 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap (PB L 71 van 13.3.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2019/392/oj ).
(3) *    Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet en is in overeenstemming met Resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.
(4)     https://www.consilium.europa.eu/media/pinfmj1i/euco-conclusions-27062024-nl.pdf .
(5)     https://www.consilium.europa.eu/media/l05jo3bj/st00025nl24.pdf .
(6)     https://www.consilium.europa.eu/media/43efsq3b/euco-conclusions-19122024-nl.pdf .
(7)     https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-7002-2020-INIT/nl/pdf .
(8)     https://www.consilium.europa.eu/media/70902/euco-conclusions-2122032024-nl.pdf .
(9)     https://www.consilium.europa.eu/media/68979/europeancouncilconclusions-14-15-12-2023-nl.pdf .
(10)    Verordening (EU) 2024/1679 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk, tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1153 en Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1315/2013 (PB L, 2024/1679, 28.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1679/oj ).
(11)     https://neighbourhood-enlargement.ec.europa.eu/enlargement-policy/new-growth-plan-western-balkans_en .
(12)     https://neighbourhood-enlargement.ec.europa.eu/proposal-council-implementing-decision-approval-assessment-ukraine-plan_en .
(13)     https://neighbourhood-enlargement.ec.europa.eu/growth-plan-moldova-commission-proposal_en .
(14)    Besluit (EU) 2019/392 van de Raad van 4 maart 2019 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap (PB L 71 van 13.3.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2019/392/oj ).
(15)    Deze bilaterale besprekingen hadden ook betrekking op de mogelijke nauwere betrokkenheid van Georgië, als huidige waarnemer bij de Vervoersgemeenschap.
(16)    Besluit (EU) 2017/1937 van de Raad van 11 juli 2017 betreffende de ondertekening namens de Europese Unie en de voorlopige toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap (PB L 278 van 27.10.2017, blz. 1).
(17)    Besluit (EU) 2019/392 van de Raad van 4 maart 2019 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap (PB L 71 van 13.3.2019, blz. 1).
(18) *    Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet en is in overeenstemming met Resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.

Brussel, 5.6.2025

COM(2025) 278 final

BIJLAGEN

bij

Aanbeveling voor een BESLUIT VAN DE RAAD

houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over de herziening van het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap


BIJLAGE 1

RICHTSNOEREN VOOR DE ONDERHANDELINGEN OVER EEN INTERNATIONALE OVEREENKOMST

OVER DE HERZIENING VAN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE VERVOERSGEMEENSCHAP

1.TOEPASSINGSGEBIED VAN DE BEOOGDE OVEREENKOMST

Het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap bevordert de ontwikkeling van het vervoersnetwerk tussen de EU en de Republiek Albanië, Bosnië en Herzegovina, de Republiek Noord-Macedonië, Kosovo 1*, Montenegro en de Republiek Servië (hierna “de Zuidoost-Europese partijen” genoemd) op het gebied van vervoer over de weg, per spoor, over de binnenwateren en over zee, en is gebaseerd op de geleidelijke integratie van de vervoersmarkten van de Zuidoost-Europese partijen in de vervoersmarkt van de EU op basis van de desbetreffende bepalingen van het acquis van de EU. De algemene doelstelling van de beoogde wijzigingen is het ondersteunen en versterken van de aanpassing van de wetgeving van de Zuidoost-Europese partijen, maar ook het verbeteren en verduidelijken van bepaalde operationele aspecten die bij de toepassing aan het licht zijn gekomen.

De wijzigingen moeten het ook mogelijk maken dat Oekraïne en de Republiek Moldavië als volwaardig lid kunnen toetreden tot het verdrag. Voorts moet de Commissie, met het oog op hun volledige integratie in het verdrag, onderhandelen over bijlagen over overgangsregelingen, als bedoeld in artikel 40 van het verdrag, die op beide landen van toepassing moeten zijn bij hun toetreding.

2.ONDERHANDELINGSDOELSTELLINGEN

Tijdens de onderhandelingen dient de Commissie de hieronder in detail omschreven doelstellingen voor ogen te houden:

(1)De algemene doelstelling van de wijzigingen moet zijn de aanpassing van de wetgeving van alle overeenkomstsluitende partijen aan het relevante EU-acquis te ondersteunen en te versterken, met het oog op hun respectieve Europese perspectieven, en tevens de geleidelijke integratie van hun vervoersmarkten in de vervoersmarkt van de EU te stimuleren.

(2)De wijzigingen moeten het ook mogelijk maken dat de waarnemende deelnemers uit Oekraïne en de Republiek Moldavië als volwaardige leden kunnen deelnemen aan het verdrag. Voorts moet de Commissie, met het oog op hun volledige integratie in het verdrag, onderhandelen over bijlagen over overgangsregelingen, als bedoeld in artikel 40 van het verdrag, die op beide landen van toepassing moeten zijn bij hun toetreding. Daarnaast moet de Commissie in staat zijn tegemoet te komen aan potentiële inhoudelijke eisen van Oekraïne en de Republiek Moldavië met betrekking tot de inhoud van het verdrag.

(3)In dit verband kunnen de wijzigingen ook een herziening omvatten van de bepalingen die specifiek betrekking hebben op de Westelijke Balkan, zodat deze bepalingen in voorkomend geval ook betrekking hebben op de bovengenoemde landen, alsook een herziening van de formule voor de berekening van de bijdragen aan de begroting in bijlage V bij het verdrag om rekening te houden met het toegenomen aantal overeenkomstsluitende partijen en een billijke verdeling van de bijdragen te blijven garanderen.

(4)De wijzigingen ter bevordering van de aanpassing van de wetgeving moeten de volgende aanvullende aspecten omvatten:

(a)versterking van de bindende verbintenissen inzake de aanpassing aan het acquis in het verdrag door te voorzien in sancties (zoals het opschorten van stemrecht) in geval van ernstige of aanhoudende inbreuken;

(b)erkenning en institutionalisering van de huidige en toekomstige TCT-actieplannen ter ondersteuning van de aanpassing van de wetgeving;

(c)versterking en betere toespitsing van de rol van het permanent secretariaat uit hoofde van artikel 28 teneinde de Europese perspectieven van de Zuidoost-Europese partijen beter te ondersteunen; en

(d)verduidelijking en ontwikkeling van de regels inzake termijnen om de relevante bepalingen van de in bijlage I bij het verdrag genoemde wetgeving bindend te maken voor de Zuidoost-Europese partijen, met name wat betreft artikel 3, lid 2, punt b).

(5)De wijzigingen moeten ervoor zorgen dat bijlage I bij het verdrag wordt geactualiseerd, met name om EU-acquis toe te voegen dat dateert van voor de ondertekening van het verdrag en om rekening te houden met relevante beleidsontwikkelingen. In voorkomend geval kan dit nieuwe wetgeving inhouden op het gebied van vervoer of een in bijlage I genoemd daarmee samenhangend gebied.

(6)De wijzigingen moeten waar nodig de bepalingen van de artikelen 8 en 9 betreffende de ontwikkeling van de indicatieve uitbreiding van het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T) tot de Zuidoost-Europese partijen en het bijbehorende vijfjarig voortschrijdend werkplan actualiseren om rekening te houden met beleidsontwikkelingen in het TEN-T-wetgevingskader.

(7)De wijzigingen moeten zorgen voor een minder omslachtige manier om deskundigen van de Zuidoost-Europese partijen te raadplegen over de verplichtingen die momenteel zijn vastgesteld in punt 4 van bijlage II bij het verdrag.

(8)De wijzigingen moeten de reeds bereikte overeenkomsten over de officiële benaming van de Republiek Noord-Macedonië weerspiegelen.

(9)De Commissie moet ook nagaan of de huidige bilaterale protocollen waar nodig moeten worden aangepast, bijvoorbeeld met betrekking tot de specifieke situatie van niet aan zee grenzende partijen en de huidige bepalingen inzake zeevervoer.

(10)Bij de wijziging moeten de regels over de toepassing van de rechtspraak van het Hof van Justitie worden herzien, met name om ervoor te zorgen dat ook de rechtspraak die na de datum van ondertekening van het verdrag is gegeven, eronder valt.

(11)De wijzigingen kunnen ook kleine technische kwesties omvatten die niet in de vorige onderhandelingsrichtsnoeren zijn opgenomen (bv. bestaande typo’s, bepaalde onjuiste of achterhaalde verwijzingen).

3.VERLOOP VAN DE ONDERHANDELINGEN

De Commissie zal de onderhandelingen voeren overeenkomstig deze richtlijnen en zorgen voor een goede coördinatie met lopende en toekomstige onderhandelingen op andere relevante gebieden.

BIJLAGE 2

FINANCIEEL EN DIGITAAL MEMORANDUM

1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF3

1.1.Benaming van het voorstel/initiatief3

1.2.Betrokken beleidsterreinen3

1.3.Doelstellingen3

1.3.1.Algemene doelstellingen3

1.3.2.Specifieke doelstellingen3

1.3.3.Verwachte resultaten en gevolgen3

1.3.4.Prestatie-indicatoren3

1.4.Het voorstel/initiatief betreft:4

1.5.Motivering van het voorstel/initiatief4

1.5.1.Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief4

1.5.2.Meerwaarde van de deelname van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “meerwaarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.4

1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan4

1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten5

1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking5

1.6.Duur en financiële gevolgen van het voorstel/initiatief5

1.7.Wijzen van uitvoering van de begroting5

2.BEHEERSMAATREGELEN7

2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen7

2.2.Beheers- en controlesystemen7

2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie7

2.2.2.Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken7

2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting).7

2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden8

3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF9

3.1.Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven9

3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten10

3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten10

3.2.1.1.Kredieten uit goedgekeurde begroting10

3.2.2.Geraamde output, gefinancierd uit beleidskredieten11

3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten13

3.2.3.1. Kredieten uit goedgekeurde begroting13

3.2.4.Geraamde personeelsbehoeften13

3.2.4.1.Gefinancierd uit goedgekeurde begroting13

3.2.5.Overzicht van het geschatte effect op met digitale technologie samenhangende investeringen13

3.2.6.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader13

3.2.7.Bijdragen van derden13

3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten13

4.Digitale dimensies14

4.1.Voorschriften met digitale relevantie14

1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF 

1.1.Benaming van het voorstel/initiatief

Aanbeveling van de Commissie voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over de herziening van het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap

1.2.Betrokken beleidsterreinen 

Vervoer

1.3.Doelstellingen

1.3.1.Algemene doelstellingen

Het voorgestelde initiatief heeft tot doel het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap (TCT) te herzien, zoals bepaald in artikel 42 van het Verdrag. Dit artikel bepaalt dat het verdrag moet worden herzien op verzoek van een overeenkomstsluitende partij en in ieder geval vijf jaar na de inwerkingtreding ervan. Daarnaast moet de herziening het mogelijk maken dat Oekraïne en de Republiek Moldavië als volwaardig lid kunnen toetreden tot het verdrag.

1.3.2.Specifieke doelstellingen

Specifieke doelstelling nr. 1

De reeds lopende aanpassing van de wetgeving van de zes partners van de Westelijke Balkan (de Republiek Albanië, Bosnië en Herzegovina, de Republiek Noord-Macedonië, Kosovo 2*, Montenegro en de Republiek Servië — hierna “de Zuidoost-Europese partijen” genoemd) aan het relevante EU-acquis ondersteunen en versterken, met het oog op hun respectieve Europese perspectieven, en bepaalde andere aspecten van de werking van het verdrag verbeteren.

Specifieke doelstelling nr. 2

Afhankelijk van de instemming van de betrokken partijen, moet de herziening het mogelijk maken dat Oekraïne en de Republiek Moldavië als volwaardig lid kunnen toetreden tot het verdrag.

1.3.3.Verwachte resultaten en gevolgen

Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen.

De herziening van het Verdrag heeft tot doel de aanpassing van de wetgeving van de Zuidoost-Europese partijen te ondersteunen en te versterken, maar de beoogde wijzigingen van technische aard en wijzigen het oorspronkelijke toepassingsgebied of de oorspronkelijke doelstelling van het verdrag niet. De verwezenlijking van deze oorspronkelijke doelstelling en het waarborgen van de aanpassing van de wetgeving in de vervoerssector, ook voor Oekraïne en de Republiek Moldavië, zullen naar verwachting positieve economische, sociale en milieueffecten hebben voor burgers en bedrijven in de EU en in de betrokken landen.

1.3.4.Prestatie-indicatoren

Vermeld de indicatoren voor de monitoring van de voortgang en de beoordeling van de resultaten

De doeltreffendheid van het voorgestelde besluit zal worden geëvalueerd door rekening te houden met het bedrag van de gerichte steun die het permanent secretariaat van de Vervoersgemeenschap aan de Zuidoost-Europese partijen heeft verleend voor specifieke doelstelling nr. 1, en aan Oekraïne en de Republiek Moldavië voor specifieke doelstelling nr. 2. Deze steun moet de geleidelijke integratie van vervoersmarkten en -netwerken van de Zuidoost-Europese partijen bevorderen op basis van de relevante EU-wetgeving, onder meer op het gebied van technische normen, interoperabiliteit, veiligheid, beveiliging, verkeersbeheer, mededinging, sociaal beleid, overheidsopdrachten en milieu. De verleende steun wordt beschreven in jaarlijkse operationele verslagen die worden opgesteld door het permanent secretariaat van de Vervoersgemeenschap. Deze verslagen moeten worden goedgekeurd door het regionale stuurcomité, dat bestaat uit een vertegenwoordiger van elk van de overeenkomstsluitende partijen bij het verdrag.

1.4.Het voorstel/initiatief betreft: 

 een nieuwe actie 

 een nieuwe actie na een proefproject/voorbereidende actie 3  

 de verlenging van een bestaande actie 

 de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie

1.5.Motivering van het voorstel/initiatief 

1.5.1.Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief

Over de in deze aanbeveling vervatte doelstellingen voor de onderhandelingen over het verdrag wordt met derde landen onderhandeld. De doelstelling op korte termijn is derhalve overeenstemming te bereiken over wijzigingen ter ondersteuning van specifieke doelstelling nr. 1, met als doel de reeds lopende aanpassing van de wetgeving te ondersteunen en te versterken, en over specifieke doelstelling nr. 2, met als doel de toetreding van Oekraïne en de Republiek Moldavië tot het verdrag als volwaardige leden.

Op langere termijn moeten deze wijzigingen van het verdrag de doeltreffendheid van de door het verdrag verleende steun vergroten en de aanpassing van de wetgeving van de Zuidoost-Europese partijen, waaronder Oekraïne en de Republiek Moldavië, aan het relevante EU-acquis bevorderen.

1.5.2.Meerwaarde van de deelname van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “meerwaarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.

Het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap is een overeenkomst tussen de EU en de Zuidoost-Europese partijen. Daarom moeten de EU en die partijen bij een wijziging van de overeenkomst worden betrokken.

1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan

Het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap is sinds 2019 van kracht. In deze periode is gewerkt aan de verwezenlijking van de bovengenoemde doelstellingen van geleidelijke integratie van vervoersmarkten en -netwerken binnen de Westelijke Balkan en tussen de Westelijke Balkan en de EU. Hoewel enige vooruitgang is geboekt op het gebied van de aanpassing van de wetgeving en de ontwikkeling van vervoersnetwerken, kunnen enkele lessen worden getrokken om de doeltreffendheid van het verdrag te vergroten. Voorbeelden hiervan zijn de noodzaak van bindende bepalingen met betrekking tot de toezeggingen in het verdrag en duidelijke tijdschema’s voor de uitvoering ervan. Met deze lessen is rekening gehouden bij de ontwikkeling van de onderhandelingsrichtsnoeren voor deze aanbeveling.

1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten

Het verdrag draagt bij tot de geleidelijke integratie van de vervoersmarkten en -netwerken van de Zuidoost-Europese partijen met die van de EU, waardoor een grotere sociaal-economische convergentie op weg naar lidmaatschap van de Unie wordt ondersteund. Het verdrag vormt daarmee een aanvulling op andere (voorgestelde) vormen van bijstand die deze doelstelling in bredere zin nastreven, zoals het nieuwe groeiplan voor de Westelijke Balkan 4 , het Oekraïneplan 5 en het voorstel van de Commissie voor het groeiplan voor Moldavië 6 .

De onderhandelingen over de uitbreiding van het verdrag tot Oekraïne en de Republiek Moldavië kunnen leiden tot een verhoging van de lidmaatschapsbijdrage van de EU die hoger kan zijn dan de bedragen die in de huidige financiële programmering voor het verdrag zijn bestemd. Terwijl de EU-bijdrage aan het verdrag naar schatting met ongeveer 34 % zal toenemen, voorziet de financiële programmering slechts in een jaarlijkse stijging van 2 %. Bovendien zullen tijdens het eerste jaar van de uitvoering van het uitgebreide verdrag kosten voor het opzetten van de toepasselijke databanken nodig zijn. Een gedetailleerde raming is te vinden in punt 3.

1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking

Het precieze tijdstip waarop extra middelen nodig zullen zijn, blijft onzeker vanwege de onvoorspelbare duur en het onvoorspelbare resultaat van de onderhandelingen. Indien het herziene verdrag begin 2027 in werking treedt, moet de bijdrage voor een uitgebreid verdrag, boven op het in de financiële programmering voorziene bedrag, in de eerste plaats worden gefinancierd door gebruik te maken van niet-bestede middelen uit de EU-bijdrage aan de huidige begroting van het verdrag (2026).

1.6.Duur en financiële gevolgen van het voorstel/initiatief

 beperkte geldigheidsduur

onbeperkte geldigheidsduur

Uitvoering met een opstartperiode na de ondertekening van de herziening van het verdrag, gepland voor begin 2027,

gevolgd door een volledige uitvoering.

1.7.Wijzen van uitvoering van de begroting 7   

 Direct beheer door de Commissie

 Gedeeld beheer met de lidstaten

 Indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken toe te vertrouwen aan:

internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke)

Opmerkingen

Uitgevoerd door het permanent secretariaat van de Vervoersgemeenschap

2.BEHEERSMAATREGELEN 

2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen 

De ministerraad van het verdrag, die jaarlijks bijeenkomt, wordt belast met de evaluatie van de voortgang bij de uitvoering van het verdrag. Daarnaast is het regionale stuurcomité, dat ten minste tweemaal per jaar bijeenkomt met vertegenwoordigers van elke overeenkomstsluitende partij, belast met de evaluatie van de algemene werking van het verdrag. Tot slot stelt het permanent secretariaat van de Vervoersgemeenschap jaarlijkse operationele verslagen op, alsmede verslagen over de aanpassing aan het acquis, de uitvoering van het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T) in de Zuidoost-Europese partijen en de uitvoering van de begroting. Deze verslagen worden bekrachtigd door de ministerraad of door het regionale stuurcomité. Deze bij het verdrag ingestelde structuren zullen behouden blijven met het oog op toekomstig toezicht.

2.2.Beheers- en controlesystemen 

2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie

Het permanent secretariaat van de Vervoersgemeenschap voert de begroting van het verdrag uit sinds de inwerkingtreding van het verdrag in 2019. Het permanent secretariaat van de Vervoersgemeenschap is het best in staat om de activiteiten van het verdrag te blijven uitvoeren, aangezien het beschikt over lokale kennis, een lokaal netwerk, en kan profiteren van meerdere jaren ervaring die met het bestaande verdrag is opgedaan.

2.2.2.Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken

Het voornaamste risico dat is vastgesteld in verband met de uitvoering van de voorgestelde begroting voor het verdrag, houdt verband met het mogelijke ondoeltreffende gebruik van deze begroting voor de financiering van de ondersteunende activiteiten voor de Zuidoost-Europese partijen ter bevordering van de geleidelijke integratie van vervoersmarkten en -netwerken. Er zijn reeds maatregelen om de risico’s te beperken in het kader van het bestaande verdrag en deze hebben betrekking op het opstellen van de jaarlijkse operationele verslagen, en van de verslagen over de aanpassing aan het acquis, de uitvoering van het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T) in de Zuidoost-Europese partijen en de uitvoering van de begroting. Deze verslagen moeten worden goedgekeurd door het regionale stuurcomité van het verdrag.

2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting). 

Het permanent secretariaat is volledig verantwoordelijk voor de uitvoering van de begroting, terwijl DG MOVE verantwoordelijk is voor de regelmatige betaling van de door de begrotingsautoriteit vastgestelde bijdragen. Het verwachte foutenrisico bij betaling en bij afsluiting is vergelijkbaar met het risico dat verbonden is aan de aan andere internationale organisaties verstrekte begrotingssubsidies.

De extra taken die uit de voorgestelde herziening voortvloeien, zullen waarschijnlijk niet leiden tot specifieke aanvullende controles. Daarom zullen de controlekosten voor DG MOVE (gemeten aan de hand van de waarde van de beheerde middelen) waarschijnlijk stabiel blijven.

2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden 

In de door het regionale stuurcomité vastgestelde financiële regels en controleprocedures die van toepassing zijn op de Vervoersgemeenschap, wordt de procedure vastgesteld voor de tenuitvoerlegging van de begroting van het verdrag en voor het voorleggen en nazien van de rekeningen overeenkomstig artikel 35 van het verdrag. Overeenkomstig deze financiële regels en controleprocedures, met name artikel 61 en 62, stelt de rekenplichtige elk jaar de rekeningen van het voorgaande jaar op. Deze rekeningen worden gevalideerd door de directeur van het permanent secretariaat van de Vervoersgemeenschap. Onafhankelijke externe accountants, die door het regionale stuurcomité worden aangewezen, voeren de jaarlijkse audit van de Vervoersgemeenschap uit. De opdracht van de externe accountants kan jaarlijks worden verlengd, tenzij het regionale stuurcomité anders bepaalt. De externe accountants dienen bij het regionale stuurcomité een verslag in, samen met de staat van de activa en passiva en de gecertificeerde rekeningen, uiterlijk acht maanden na het einde van het begrotingsjaar waarop zij betrekking hebben.

3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF 

3.1.Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven 

·Bestaande begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Begrotingsonderdeel

Soort uitgave

Bijdrage

Nummer  

GK/NGK 8 .

van EVA-landen 9

van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten 10

van andere derde landen

andere bestemmingsontvangsten

06

14.20.03.06 – Internationale organisaties en overeenkomsten

GK/NGK

NEE

JA

NEE

NEE

3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten 

3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten 

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig

   Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven

3.2.1.1.Kredieten uit goedgekeurde begroting

miljoen EUR (tot op drie decimalen)

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Nummer

06 - Nabuurschap en internationaal beleid

DG: MOVE 11

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

 

 

 

1,008

1,008

Betalingen

(2a)

 

 

 

1,008

1,008

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

 

 

 

 

0,000

Betalingen

(2b)

 

 

 

 

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 12

Begrotingsonderdeel

 

(3)

 

 

 

 

0,000

TOTAAL kredieten

voor DG MOVE

Vastleggingen

=1a+1b+3

0,000

0,000

0,000

1,008

1,008

Betalingen

=2a+2b+3

0,000

0,000

0,000

1,008

1,008

 

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

TOTAAL beleidskredieten  

Vastleggingen

(4)

0,000

0,000

0,000

1,008

1,008

Betalingen

(5)

0,000

0,000

0,000

1,008

1,008

TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 6

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

1,008

1,008

van het meerjarig financieel kader

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

1,008

1,008

miljoen EUR (tot op drie decimalen)

 

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 7

Vastleggingen

0,000

0,000

0,000

1,008

1,008

van het meerjarig financieel kader 

Betalingen

0,000

0,000

0,000

1,008

1,008

3.2.2.    Geraamde output, gefinancierd uit beleidskredieten (niet invullen voor gedecentraliseerde agentschappen)

Vastleggingskredieten, in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Vermeld doelstellingen en outputs

Jaar  
2024

Jaar  
2025

Jaar  
2026

Jaar  
2027

Vul zoveel jaren in als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)

TOTAAL

OUTPUTS

Soort 13

Gem. kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Totaal aantal

Totale kosten

SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 1 14

- Output

- Output

- Output

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1

SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 2…

- Output

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 2

TOTAAL

3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten 

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig

   Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven

3.2.4.Geraamde personeelsbehoeften 

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig

   Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven

3.2.5.Overzicht van het geschatte effect op met digitale technologie samenhangende investeringen

TOTAAL Digitale en IT-kredieten

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

RUBRIEK 7

IT-uitgaven (algemeen) 

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Buiten RUBRIEK 7

IT-beleidsuitgaven inzake operationele programma’s

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal buiten RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 

TOTAAL

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

3.2.6.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader 

Het voorstel/initiatief:

   kan volledig worden gefinancierd door middel van herschikking binnen de relevante rubriek van het meerjarig financieel kader (MFK)

Het precieze tijdstip waarop extra middelen nodig zullen zijn, blijft onzeker vanwege de onvoorspelbare duur en het onvoorspelbare resultaat van de onderhandelingen. Indien het herziene verdrag begin 2027 in werking treedt, moet de versterking van begrotingsonderdeel 14 20 03 06, boven op het in de financiële programmering voorziene bedrag, in de eerste plaats worden gefinancierd door gebruik te maken van niet-bestede middelen uit de EU-bijdrage aan de huidige begroting van het verdrag (2026). Eventuele aanvullende financiering is afhankelijk van de beschikbaarheid die is vastgesteld in het kader van de procedure voor de ontwerpbegroting 2027.

   vereist een beroep op de niet-toegewezen marge in de desbetreffende rubriek van het MFK en/of op de speciale instrumenten zoals gedefinieerd in de MFK-verordening

   vereist een herziening van het MFK

3.2.7.Bijdragen van derden 

Het voorstel/initiatief:

   voorziet niet in medefinanciering door derden

   voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:

3.3.    Geraamde gevolgen voor de ontvangsten 

   Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten.

   Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:

   voor de eigen middelen

   voor overige ontvangsten

   geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven

4.Digitale dimensies

4.1.Voorschriften met digitale relevantie

Het beleidsinitiatief betreft de herziening van het bestaande Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap. De uitvoering van dit verdrag, samen met alle digitale middelen om de uitvoering ervan te verbeteren, is de verantwoordelijkheid van het permanent secretariaat van de Vervoersgemeenschap. Daarom wordt geoordeeld dat voor het initiatief geen digitale relevantie voor de Commissie vereist is.

(1) *    Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet en is in overeenstemming met Resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.
(2) *    Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet en is in overeenstemming met Resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.
(3)    In de zin van artikel 58, lid 2, punt a) of b), van het Financieel Reglement.
(4)     https://neighbourhood-enlargement.ec.europa.eu/enlargement-policy/new-growth-plan-western-balkans_en
(5)     https://neighbourhood-enlargement.ec.europa.eu/proposal-council-implementing-decision-approval-assessment-ukraine-plan_en
(6)     https://neighbourhood-enlargement.ec.europa.eu/growth-plan-moldova-commission-proposal_en  
(7)    Nadere gegevens over de wijzen van uitvoering van de begroting en verwijzingen naar het Financieel Reglement zijn beschikbaar op BUDGpedia: https://myintracomm.ec.europa.eu/corp/budget/financial-rules/budget-implementation/Pages/implementation-methods.aspx .
(8)    GK = gesplitste kredieten/NGK = niet-gesplitste kredieten.
(9)    EVA: Europese Vrijhandelsassociatie.
(10)    Kandidaat-lidstaten en, in voorkomend geval, potentiële kandidaten van de Westelijke Balkan.
(11)    Kruisdelegatie van de begroting door DG INTPA
(12)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek onder contract, eigen onderzoek.
(13)    Outputs zijn de te verstrekken producten en diensten (bv. aantal gefinancierde studentenuitwisselingen, aantal km aangelegde wegen enz.).
(14)    Zoals beschreven in punt 1.3.2. “Specifieke doelstellingen”