Brussel, 10.12.2024

COM(2024) 576 final

2024/0318(COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende samenwerking tussen de handhavingsautoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van Richtlijn (EU) 2019/633 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Krachtens Richtlijn (EU) 2019/633 1 (de richtlijn) moesten de lidstaten handhavingsautoriteiten aanwijzen om de doeltreffende handhaving van de in artikel 3 van deze richtlijn neergelegde verbodsbepalingen te waarborgen. De handhavingsautoriteiten kunnen optreden op eigen initiatief dan wel op basis van klachten van partijen die het slachtoffer zijn van oneerlijke handelspraktijken in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen.

Bij de richtlijn worden ook regels ingevoerd met betrekking tot de bevoegdheden van de handhavingsautoriteiten om ervoor te zorgen dat die autoriteiten onderzoek kunnen voeren, informatie kunnen verzamelen en de beëindiging van een verboden handelspraktijk kunnen gelasten (artikel 6 van de richtlijn).

Daarnaast zijn de handhavingsautoriteiten op grond van de richtlijn verplicht op doeltreffende wijze met elkaar en met de Commissie samen te werken en elkaar wederzijdse bijstand te verlenen bij onderzoeken met een grensoverschrijdende dimensie (artikel 8 van de richtlijn).

De ervaring van de handhavingsautoriteiten leert dat het verzamelen van informatie, het vaststellen van een inbreuk en het opleggen en afdwingen van een geldboete of een andere even doeltreffende sanctie niet eenvoudig is wanneer de afnemer in een andere lidstaat gevestigd is. De handhavingsautoriteiten moeten beter in staat worden gesteld om in dergelijke gevallen samen te werken.

Door de kloof op handhavingsgebied te dichten, wordt beoogd de positie van landbouwers in de toeleveringsketen te versterken. Om een antwoord te bieden op deze uitdaging heeft de Commissie op 15 maart 2024 een discussienota voorgelegd waarin zij een aantal maatregelen heeft aangekondigd met als doel de positie van landbouwers in de voedselvoorzieningsketen te versterken. In de door de Commissie aangekondigde reeks maatregelen was een afzonderlijke rechtshandeling opgenomen waarin nieuwe voorschriften voor grensoverschrijdende handhaving van de richtlijn werden geïntroduceerd.

De politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie 2024-2029 bevatten toezeggingen om de positie van landbouwers te versterken en hen te blijven beschermen tegen oneerlijke handelspraktijken. Bovendien werd in het eindverslag van de strategische dialoog over de toekomst van de landbouw in de EU 2 , die door de voorzitter van de Europese Commissie werd aangekondigd in haar toespraak over de Staat van de Unie op 13 september 2023 en werd gelanceerd in januari 2024, en waarin 29 belangrijke belanghebbenden uit de Europese agrovoedingssector, het maatschappelijk middenveld, plattelandsgemeenschappen en de academische wereld werden samengebracht, opgeroepen om zowel op Europees als nationaal niveau proactieve stappen te zetten, onder meer om oneerlijke handelspraktijken beter aan te pakken.

In het verslag van de strategische dialoog over de toekomst van de landbouw in de EU waren aanbevelingen opgenomen voor een doeltreffend, evenwichtig en evenredig kader om oneerlijke handelspraktijken aan te pakken, onder meer de doeltreffende handhaving van wetgeving inzake oneerlijke handelspraktijken, samenwerking tussen handhavingsautoriteiten bij grensoverschrijdende zaken, waaronder een gemeenschappelijk onlineplatform om onderzoeken en informatie over zaken te delen, evenals de noodzaak voor handhavingsautoriteiten om over passende en evenredige middelen te beschikken om de wetgeving te handhaven.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Het voorstel vormt een aanvulling op de richtlijn teneinde ervoor te zorgen dat de handhavingsautoriteiten over de nodige instrumenten beschikken om informatie te verzamelen, een inbreuk vast te stellen, en geldboeten en andere even doeltreffende sancties op te leggen aan en af te dwingen van afnemers die in een andere lidstaat gevestigd zijn.

Het voorstel staat de lopende evaluatie van de richtlijn, die de Commissie momenteel uitvoert overeenkomstig haar wettelijke verplichting op grond van de richtlijn zelf, niet in de weg en het loopt niet vooruit op de uitkomst van die evaluatie.

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Zoals uiteengezet in de toelichting van het voorstel dat heeft geleid tot de richtlijn, heeft het mededingingsrecht een ander toepassingsgebied dan de regels inzake oneerlijke handelspraktijken, aangezien oneerlijke handelspraktijken eenzijdige praktijken zijn waarbij in de meeste gevallen geen sprake is van een dominante positie op een bepaalde markt of misbruik van die positie.

Dienovereenkomstig zijn de regels in dit voorstel waarin uitsluitend maatregelen worden vastgesteld voor de op grond van de richtlijn aangewezen handhavingsautoriteiten, verenigbaar met en vormen zij een aanvulling op de mededingingsregels van de EU.

Terwijl de EU ook regels heeft vastgesteld voor de samenwerking tussen nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming 3 , verschilt het toepassingsgebied van die regels van het toepassingsgebied van de regels in dit voorstel, aangezien de regels inzake consumentenbescherming van toepassing zijn op situaties van ondernemingen jegens consumenten (B2C) en als zodanig geen betrekking hebben op situaties tussen ondernemingen (B2B), hoewel de lidstaten ervoor kunnen kiezen het toepassingsgebied uit te breiden.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Dit voorstel is gebaseerd op artikel 43, lid 2, VWEU want het vormt een aanvulling op de richtlijn die op haar beurt gebaseerd is op artikel 43, lid 2, VWEU. 

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Dit voorstel heeft betrekking op oneerlijke handelspraktijken met een grensoverschrijdende dimensie. De lidstaten zijn onvoldoende in staat om de grensoverschrijdende dimensie van het handhaven van de regels inzake oneerlijke handelspraktijken aan te pakken, vooral bij gevallen van oneerlijke handelspraktijken die betrekking hebben op meer dan twee lidstaten.

Evenredigheid

Het voorstel is erop gericht de samenwerking tussen handhavingsautoriteiten te verbeteren en te intensiveren, en tegelijkertijd zo weinig mogelijk in te grijpen in de rechtsorden van de lidstaten. De voorgestelde regels voor het verzamelen van informatie en de voorgestelde regels voor handhaving wijzigen de nationale voorschriften voor het verzamelen van informatie en het vaststellen van handhavingsmaatregelen niet. De voorgestelde regels beogen veeleer te waarborgen dat een rechtsgrondslag wordt geboden om uitwisseling van informatie en verzoeken om handhavingsmaatregelen mogelijk te maken, waarvoor de aangezochte autoriteit haar nationale voorschriften zal volgen.

Het voorstel is evenmin van invloed op het administratieve systeem of het procesrecht van de lidstaten, die de vrijheid behouden om hun systemen voor de handhaving van de regels inzake oneerlijke handelspraktijken te ontwikkelen.

Keuze van het instrument

Er werd gekozen voor een verordening (net als voor andere dergelijke EU-instrumenten voor samenwerking, met name inzake douanesamenwerking 4 , samenwerking op het gebied van btw 5 , controles van levensmiddelen en diervoeder 6 en consumentenbescherming 7 ), aangezien de voorgestelde regels in wezen voorzien in rechtstreeks toepasselijke samenwerkingsregelingen tussen overheidsinstanties. 

Zonder een passend EU-rechtskader dat rechtstreeks van toepassing is in alle lidstaten, kan elke lidstaat een andere benadering hanteren bij het vaststellen van regels met betrekking tot verzoeken om informatie en verzoeken om handhavingsmaatregelen, en kunnen de lidstaten de acties van de handhavingsautoriteiten afhankelijk stellen van verschillende factoren. Dit kan leiden tot rechtsonzekerheid en kan de handhaving in verband met oneerlijke handelspraktijken bij grensoverschrijdende zaken die door de richtlijn wordt beoogd uiteindelijk in de weg staan.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

Dit is een voorstel voor een nieuwe verordening van het Europees Parlement en de Raad en vloeit niet voort uit een ex-postevaluatie of een geschiktheidscontrole van bestaande wetgeving.

Raadpleging van belanghebbenden

Wegens de urgentie werd geen formeel verzoek om input gelanceerd. Er vonden echter tal van workshops, evenementen en bijeenkomsten met belanghebbenden plaats, waarbij belanghebbenden opmerkingen formuleerden, feitenmateriaal aandroegen en suggesties deden over de wijze waarop de handhaving van oneerlijke handelspraktijken kon worden verbeterd.

De handhavingsautoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van de richtlijn komen minstens eenmaal per jaar samen om beste praktijken, nieuwe zaken en nieuwe ontwikkelingen op het gebied van oneerlijke handelspraktijken in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen te bespreken en informatie uit te wisselen. De Commissie faciliteert al deze bijeenkomsten en heeft in dit verband de standpunten van de handhavingsautoriteiten inzake grensoverschrijdende handhaving verzameld.

Bijeenbrengen en gebruik van expertise

Hoewel er geen verzoek om input werd gelanceerd en geen openbare raadpleging werd gehouden wegens de urgentie om op te treden, heeft de Commissie de voorgestelde maatregelen meermaals aan belanghebbenden en aan de handhavingsautoriteiten voorgelegd in bilaterale bijeenkomsten waarbij alle relevante, in de EU gevestigde verenigingen binnen de landbouw- en voedselvoorzieningsketen, inclusief consumenten, betrokken waren.

De handhavingsautoriteiten hebben de uitdagingen die gepaard gaan met grensoverschrijdende handhaving in verband met oneerlijke handelspraktijken erkend, en zij hebben gemeenschappelijke richtsnoeren, modellen en procedures ontwikkeld om doeltreffendere onderlinge samenwerking te waarborgen.

Effectbeoordeling

Er werd voor dit voorstel geen effectbeoordeling uitgevoerd gezien het beperkt aantal mogelijke beleidsopties die de Commissie ter beschikking had. Het voorstel moet worden beschouwd als een handhavingsinstrument waarbij verplichtingen die reeds bestaan in het kader van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken (unfair trading practice, UTP) (waarvoor nog geen procedureregels voorhanden zijn over de wijze waarop dit moet worden bereikt) worden uiteengezet, om de samenwerking tussen de handhavingsautoriteiten te versterken.

Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

Dit voorstel is een van de maatregelen die in de discussienota van de Commissie van 15 maart 2024 werden aangekondigd in het kader van het vereenvoudigingspakket.

Door een EU-rechtskader uit te werken dat van toepassing is in alle lidstaten, wordt ervoor gezorgd dat er geen sprake is van uiteenlopende benaderingen die de rechtszekerheid kunnen ondermijnen, tot lange procedures kunnen leiden, en voor verwarring kunnen zorgen bij de samenwerking tussen de handhavingsautoriteiten.

Bovendien werd in het advies van het “Fit for Future”-platform opgemerkt dat, hoewel meer harmonisatie kan leiden tot minder flexibiliteit om de regels op nationaal niveau aan te passen, de talrijke uitdagingen die zich bij het omgaan met oneerlijke handelspraktijken met een grensoverschrijdende dimensie aandienen, het noodzakelijk maken om rechtsregels in te voeren die in alle lidstaten van toepassing zijn bij het omgaan met oneerlijke handelspraktijken met een grensoverschrijdende dimensie.

Grondrechten

De EU hecht aan hoge normen op het gebied van bescherming van de grondrechten.

In dit voorstel worden de rechten die zijn verankerd in het Handvest van de grondrechten van de EU geëerbiedigd. Met het voorstel worden leveranciers beter in staat gesteld om een bedrijf uit te oefenen. Het voorstel beoogt er ook voor te zorgen dat de uitoefening van de in deze verordening bedoelde bevoegdheden onderworpen is aan passende waarborgen met betrekking tot de rechten van verdediging van afnemers, waaronder het recht om te worden gehoord en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Voorts is het krachtens het voorstel vereist dat de handhavingsprocedures van de handhavingsautoriteiten binnen een redelijke termijn worden afgehandeld.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de EU. Voor de informatie-uitwisseling zou een bestaande website moeten worden gebruikt door de handhavingsautoriteiten en de Commissie.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

Dit voorstel is een voorstel voor een nieuwe EU-verordening als aanvullend instrument bij de richtlijn. Derhalve blijven het uitvoeringsplan en de regelingen betreffende monitoring, evaluatie en rapportage hetzelfde als bij het huidige kader.

Toelichtende stukken (bij richtlijnen)

Het voorstel betreft een EU-verordening.

Artikelsgewijze toelichting

Ten eerste moeten procedureregels voor de uitwisseling van informatie tussen de handhavingsautoriteiten worden vastgesteld. Verzoeken om informatie moeten schriftelijk worden ingediend, met vermelding van de overeenkomstige bepaling van de richtlijn, evenals van de nationale wet. Het verzamelen van de gevraagde informatie moet gebeuren door de aangezochte handhavingsautoriteit en deze moet door de verzoekende handhavingsautoriteit worden gebruikt overeenkomstig haar nationale recht.

Ten tweede wordt het voor de aangezochte autoriteiten mogelijk gemaakt om de bevoegdheden die hun krachtens de richtlijn zijn toegekend, uit te oefenen in overeenstemming met de nationale voorschriften van hun lidstaat.

Ten derde moet een handhavingsautoriteit de definitieve besluiten waarbij geldboeten of andere even doeltreffende sancties en voorlopige maatregelen die overeenkomstig de richtlijn zijn vastgesteld op verzoek van een andere handhavingsautoriteit kunnen handhaven in overeenstemming met de nationale voorschriften van haar lidstaat.

Ten vierde moeten de handhavingsautoriteiten, met het oog op meer transparantie, de andere handhavingsautoriteiten in kennis kunnen stellen van hun besluiten.

Ten vijfde moeten, om ervoor te zorgen dat het op grond van de verordening opgezette mechanisme voor wederzijdse bijstand wordt verwezenlijkt, exhaustieve voorschriften worden vastgesteld op basis waarvan de handhavingsautoriteiten kunnen weigeren gevolg te geven aan een verzoek om wederzijdse bijstand.

Ten zesde moeten, om belemmeringen te voorkomen voor een soepele samenwerking die gepaard gaan met het ontbreken van een overeengekomen taalregeling, regels worden vastgesteld zodat de handhavingsautoriteiten kunnen afspreken welke taal moet worden gebruikt in alle kennisgevingen, verzoeken en mededelingen tussen hen beide, evenals regels voor het geval zij van mening verschillen.

Ten zevende moet een oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie waarbij ten minste drie lidstaten betrokken zijn overeenkomstig deze verordening worden beschouwd als een wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk.

Ten achtste moeten de handhavingsautoriteiten van de betrokken lidstaat in geval van wijdverbreide oneerlijke handelspraktijken waarschuwingen kunnen afgeven, kunnen deelnemen aan gecoördineerde acties, en een coördinator kunnen aanwijzen om de samenwerking tussen de betrokken autoriteiten op wier grondgebied de praktijk mogelijk plaatsvindt, te coördineren.

Ten negende moeten procedures worden vastgesteld om onderzoeks- en handhavingsmaatregelen met betrekking tot wijdverbreide oneerlijke handelspraktijken met een grensoverschrijdende dimensie te coördineren.

Ten tiende is het noodzakelijk een lijst op te stellen van de gevallen waarin een betrokken handhavingsautoriteit kan beslissen om te weigeren aan een gecoördineerde actie deel te nemen.

Ten elfde moeten in deze verordening regels voor talenregelingen worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de handhavingsautoriteiten waarop de gecoördineerde actie betrekking heeft, over alle nodige instrumenten voor communicatie, samenwerking en coördinatie beschikken.



2024/0318 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende samenwerking tussen de handhavingsautoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van Richtlijn (EU) 2019/633 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 8 ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s 9 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Bij Richtlijn (EU) 2019/633 van het Europees Parlement en de Raad 10 is met het oog op het terugdringen van praktijken die waarschijnlijk een negatieve invloed op de levensstandaard van de landbouwbevolking hebben, op Unieniveau een minimumnorm ter bescherming tegen oneerlijke handelspraktijken vastgesteld.

(2)Krachtens Richtlijn (EU) 2019/633 moeten de lidstaten handhavingsautoriteiten aanwijzen die de doeltreffende handhaving van de in die richtlijn neergelegde verbodsbepalingen waarborgen. Op grond van de richtlijn zijn de Commissie en die handhavingsautoriteiten ook verplicht om nauw samen te werken om te zorgen voor een gemeenschappelijke aanpak met betrekking tot de toepassing van de in deze richtlijn vastgestelde regels. De handhavingsautoriteiten moeten elkaar met name wederzijdse bijstand verlenen, onder meer door informatie uit te wisselen en te assisteren bij onderzoeken met een grensoverschrijdende dimensie.

(3)Wegens het territorialiteitsbeginsel kunnen de handhavingsautoriteiten moeilijkheden ervaren bij het verzamelen van informatie, het vaststellen van een inbreuk en het opleggen en afdwingen van een geldboete of een andere even doeltreffende sanctie wanneer een afnemer in een andere lidstaat gevestigd is. Die moeilijkheden zijn van invloed op het bij Richtlijn (EU) 2019/633 opgezette handhavingssysteem, dat afhankelijk is van de samenwerking tussen de handhavingsautoriteiten, en kan tot ongelijke handhaving met betrekking tot oneerlijke handelspraktijken leiden, wat de door de richtlijn beoogde bescherming voor leveranciers van landbouw- en voedingsproducten kan ondermijnen. Derhalve is het passend regels vast te stellen om de samenwerking tussen handhavingsautoriteiten in grensoverschrijdende zaken te versterken.

(4)Gezien Richtlijn (EU) 2019/633 de lidstaten toestaat om striktere nationale voorschriften te behouden of in te voeren met betrekking tot oneerlijke handelspraktijken, moet worden verduidelijkt dat die voorschriften niet onder deze verordening vallen. De verordening moet de lidstaten echter in staat stellen te beslissen dat hun handhavingsautoriteiten gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om informatie met betrekking tot die voorschriften uit te wisselen, die wordt geboden op grond van het bij deze verordening vastgestelde mechanisme voor wederzijdse bijstand. In die gevallen moeten de lidstaten nog steeds het recht hebben te weigeren om gevolg te geven aan een verzoek.

(5)Om de doeltreffende toepassing van hun verplichtingen in het kader van deze verordening te waarborgen, moeten de handhavingsautoriteiten kunnen beschikken over de nodige middelen en deskundigheid. 

(6)Handhavingsautoriteiten moeten de bevoegdheid hebben om alle gegevens rechtens of feitelijk, met inbegrip van vertrouwelijke informatie, aan elkaar te bezorgen of als bewijsmiddel te gebruiken overeenkomstig hun nationaal recht. De uitgewisselde informatie wordt alleen als bewijsmiddel gebruikt voor de toepassing van de bij Richtlijn (EU) 2019/633 vastgestelde regels en met betrekking tot het onderwerp waarvoor ze door de toezendende autoriteit is verzameld.

(7)Handhavingsautoriteiten moeten op hun eigen grondgebied de bevoegdheid hebben om de in artikel 6, lid 1, punten b) en c), van Richtlijn (EU) 2019/633 genoemde bevoegdheden uit te oefenen, overeenkomstig hun nationaal recht, namens en voor rekening van andere handhavingsautoriteiten.

(8)Handhavingsautoriteiten moeten elkaar in kennis stellen van een oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie die op hun grondgebied plaatsvindt of heeft plaatsgevonden.

(9)Handhavingsautoriteiten moeten op hun eigen grondgebied en overeenkomstig hun nationaal recht de bevoegdheid hebben om definitieve besluiten waarbij geldboeten of andere even doeltreffende sancties worden opgelegd namens en voor rekening van andere handhavingsautoriteiten te handhaven of procedures voor de handhaving ervan in te leiden, mits die andere handhavingsautoriteiten redelijke inspanningen hebben geleverd om na te gaan of de afnemers jegens wie de geldboeten of andere even doeltreffende sancties moeten worden gehandhaafd, niet over voldoende activa beschikken in de lidstaten van die andere handhavingsautoriteiten.

(10)Handhavingsautoriteiten moeten informatie kunnen uitwisselen met en opvragen bij andere handhavingsautoriteiten door informatieverzoeken te versturen. In deze verzoeken moet worden toegelicht welke informatie in elke zaak noodzakelijk wordt geacht om onderzoek te voeren naar oneerlijke handelspraktijken.

(11)Handhavingsautoriteiten mogen niet het recht hebben te weigeren gevolg te geven aan een informatieverzoek of te weigeren deel te nemen aan handhavingsmaatregelen, tenzij kan worden aangenomen dat handhavingsmaatregelen en administratieve besluiten die op nationaal niveau buiten het mechanisme voor wederzijdse bijstand zijn genomen, zouden waarborgen dat een einde wordt gemaakt aan de oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie. Bovendien moeten de handhavingsautoriteiten redenen opgeven voor een dergelijke weigering.

(12)Het ontbreken van procedurevoorschriften voor de talenregeling kan een belemmering vormen voor soepele samenwerking tussen de handhavingsautoriteiten. Om die reden moeten regels worden vastgesteld zodat de handhavingsautoriteiten overeenstemming kunnen bereiken over de in alle kennisgevingen, verzoeken en mededelingen tussen hen te gebruiken taal, evenals regels voor het geval zij van mening verschillen.

(13)Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van de in deze verordening vastgestelde maatregelen te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend, zodat standaardformulieren voor informatieverzoeken of verzoeken om handhavingsmaatregelen kunnen worden opgesteld. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad 11 . Bij gebrek aan door de Commissie opgestelde standaardformulieren moeten de handhavingsautoriteiten het recht hebben dergelijke formulieren op te stellen om het mechanisme voor wederzijdse bijstand te faciliteren.

(14)Wanneer mogelijk een wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie plaatsvindt waarbij ten minste drie lidstaten betrokken zijn, moeten de handhavingsautoriteiten die bij die praktijk betrokken zijn, waarschuwingen kunnen afgeven, kunnen deelnemen aan gecoördineerde acties, en een coördinator kunnen aanwijzen om de samenwerking tussen de betrokken autoriteiten op wier grondgebied de praktijk mogelijk plaatsvindt, te coördineren. Om vast te stellen welke handhavingsautoriteiten betrokken zijn bij een wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie, moeten alle relevante aspecten in aanmerking worden genomen, met name de plaats waar de afnemer gevestigd is en de locatie van de leveranciers die mogelijk getroffen worden door de oneerlijke handelspraktijk. Het opsporen van oneerlijke handelspraktijken met een grensoverschrijdende dimensie moet worden ondersteund door het uitwisselen van informatie tussen handhavingsautoriteiten wanneer er een redelijk vermoeden bestaat van dergelijke oneerlijke handelspraktijken met een grensoverschrijdende dimensie. De coördinator moet zijn bevoegdheid uitoefenen in een kader van nauwe samenwerking met de andere betrokken handhavingsautoriteiten. Evenzo moeten alle betrokken handhavingsautoriteiten zich in een vroeg stadium van het onderzoek actief inzetten, en waarschuwingen afgeven aan de Commissie en aan de handhavingsautoriteiten die betrokken zijn bij een wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie en de nodige informatie delen die zij over dergelijke praktijken ter beschikking hebben.

(15)Er moeten procedures worden vastgesteld om onderzoeks- en handhavingsmaatregelen met betrekking tot wijdverbreide oneerlijke handelspraktijken met een grensoverschrijdende dimensie te coördineren. Gecoördineerde acties met betrekking tot wijdverbreide oneerlijke handelspraktijken met een grensoverschrijdende dimensie moeten ervoor zorgen dat de handhavingsautoriteiten de meest passende en doeltreffende instrumenten kunnen kiezen om een einde te stellen aan deze praktijken.

(16)Het is noodzakelijk een lijst op te stellen van de gevallen waarin een betrokken handhavingsautoriteit kan beslissen om te weigeren aan een gecoördineerde actie deel te nemen. Met name mag een tekort aan beschikbare middelen vanwege een handhavingsautoriteit die bij die oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie betrokken is, niet als een rechtvaardiging worden beschouwd om deelname aan een gecoördineerde actie te weigeren.

(17)Er moeten in deze verordening regels voor talenregelingen worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de handhavingsautoriteiten waarop de gecoördineerde actie betrekking heeft, over alle nodige instrumenten voor communicatie, samenwerking en coördinatie beschikken.

(18)Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in de constitutionele tradities van de lidstaten zijn erkend. Derhalve moet deze verordening in het licht van deze rechten en beginselen worden uitgelegd en toegepast.

(19)Strafrechtelijke onderzoeken of gerechtelijke procedures in de lidstaten mogen geen invloed ondervinden van de toepassing van deze verordening.

(20)Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk samenwerking tussen de handhavingsautoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van het verbod op oneerlijke handelspraktijken overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/633, onvoldoende kan worden verwezenlijkt door de lidstaten omdat zij niet voor samenwerking en coördinatie kunnen zorgen door alleen te handelen, maar vanwege de territoriale en personele reikwijdte ervan beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(21)Teneinde de handhavingsautoriteiten de tijd te geven die nodig is om de in deze verordening vastgestelde regels te kunnen uitvoeren, moet de toepassing ervan vanaf de inwerkingtreding ervan met één jaar worden uitgesteld,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

In deze verordening worden bepaalde regels vastgesteld op grond waarvan de handhavingsautoriteiten die door hun lidstaten zijn aangewezen als verantwoordelijk voor de handhaving van het verbod op oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen op grond van Richtlijn (EU) 2019/633 samenwerken en acties met elkaar coördineren.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1. Deze verordening is van toepassing op de handhaving van het in artikel 3, leden 1 en 2, van Richtlijn (EU) 2019/633 neergelegde verbod op oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen met een grensoverschrijdende dimensie.

Artikel 5 van deze verordening is echter ook van toepassing op nationale voorschriften in de zin van artikel 9 van Richtlijn (EU) 2019/633, indien de lidstaat daartoe besluit in overeenstemming met lid 4 van dat artikel.

2. Deze verordening doet geen afbreuk aan de regels van de Unie en de nationale voorschriften met betrekking tot het internationale privaatrecht, in het bijzonder de regels met betrekking tot de rechterlijke bevoegdheid en het toepasselijke recht.

3. Deze verordening doet geen afbreuk aan de toepassing in de lidstaten van maatregelen inzake justitiële samenwerking in burgerlijke en strafzaken, met name de werking van het Europees justitieel netwerk zoals vastgesteld bij Besluit 2008/976/JBZ van de Raad 12 .

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 2 van Richtlijn (EU) 2019/633. Daarnaast wordt verstaan onder:

a) “handhavingsautoriteit”: de nationale autoriteit of autoriteiten die door een lidstaat zijn aangewezen overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/633;

b) “verzoekende handhavingsautoriteit”: de handhavingsautoriteit die om wederzijdse bijstand verzoekt;

c) “aangezochte handhavingsautoriteit”: de handhavingsautoriteit die een verzoek om wederzijdse bijstand ontvangt;

d) “oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie”: elke oneerlijke handelspraktijk in de zin van Richtlijn (EU) 2019/633 waarbij een leverancier en een afnemer betrokken zijn die gevestigd zijn in verschillende lidstaten;

e) “wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie”: elke oneerlijke handelspraktijk in de zin van Richtlijn (EU) 2019/633 waarbij ten minste drie lidstaten betrokken zijn;

f) “definitief besluit”: een besluit waartegen op grond van gangbare rechtsmiddelen geen of niet langer beroep openstaat.

HOOFDSTUK II

MIDDELEN EN DESKUNDIGHEID

Artikel 4

Middelen en deskundigheid

De lidstaten zorgen ervoor dat de handhavingsautoriteiten over de nodige middelen en deskundigheid beschikken voor de toepassing van deze verordening.

HOOFDSTUK III

MECHANISME VOOR WEDERZIJDSE BIJSTAND

Artikel 5

Verzoeken om informatie

1. Op verzoek van een verzoekende handhavingsautoriteit bezorgt een aangezochte handhavingsautoriteit de verzoekende handhavingsautoriteit onverwijld en binnen zestig dagen tenzij anders overeengekomen de gevraagde informatie om vast te stellen of in de lidstaat van de verzoekende handhavingsautoriteit een oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie plaatsvindt of heeft plaatsgevonden.

2. De verzoekende handhavingsautoriteit vermeldt bij het verzenden van een informatieverzoek aan de aangezochte handhavingsautoriteit deze verordening, de nationale wet tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/633 en de overeenkomstige bepalingen van Richtlijn (EU) 2019/633 als rechtsgrondslag, evenals het doel van het verzoek, en licht nader toe welke informatie vereist is.

3. De verstrekte informatie wordt alleen door de aangezochte handhavingsautoriteit verzameld en door de verzoekende handhavingsautoriteit gebruikt overeenkomstig hun nationale recht.

4. De lidstaten kunnen beslissen dat de handhavingsautoriteiten gebruik kunnen maken van de in dit artikel genoemde mogelijkheden met betrekking tot de nationale voorschriften in de zin van artikel 9 van Richtlijn (EU) 2019/633.

Wanneer een verzoekende handhavingsautoriteit gebruik maakt van de in de eerste alinea geboden mogelijkheid mag de aangezochte handhavingsautoriteit weigeren om informatie te verstrekken, met vermelding van de redenen voor de weigering.

Artikel 6

Verzoeken om handhavingsmaatregelen

1. Op verzoek en in naam van een verzoekende handhavingsautoriteit oefent de aangezochte handhavingsautoriteit de in artikel 6, lid 1, eerste alinea, punten a), b) en c), van Richtlijn (EU) 2019/633 beschreven bevoegdheden uit, overeenkomstig de nationale voorschriften van haar lidstaat.

2. Wanneer een aangezochte handhavingsautoriteit de in artikel 6, lid 1, eerste alinea, punten a), b) en c), van Richtlijn (EU) 2019/633 beschreven bevoegdheden uitoefent op verzoek van en in naam van een verzoekende handhavingsautoriteit, mogen door de verzoekende handhavingsautoriteit gemachtigde of aangewezen ambtenaren en andere begeleidende personen de verzoekende handhavingsautoriteit vergezellen en bijstaan, onder toezicht van de ambtenaren van de aangezochte handhavingsautoriteit.

3. De aangezochte handhavingsautoriteit informeert de verzoekende handhavingsautoriteit over de genomen stappen en maatregelen, alsook over de stappen en maatregelen die zij voornemens is te nemen.

Artikel 7

Verzoeken om handhaving van besluiten waarbij geldboeten of andere even doeltreffende sancties en voorlopige maatregelen worden opgelegd

1. Op verzoek van een verzoekende handhavingsautoriteit handhaaft de aangezochte autoriteit overeenkomstig haar nationaal recht definitieve besluiten waarbij overeenkomstig artikel 6, lid 1, eerste alinea, punt e), van Richtlijn (EU) 2019/633 vastgestelde geldboeten of andere even doeltreffende sancties en voorlopige maatregelen worden opgelegd.

2. Lid 1 is slechts van toepassing voor zover de verzoekende handhavingsautoriteit, nadat zij redelijke inspanningen heeft geleverd op haar eigen grondgebied, is nagegaan dat de afnemer jegens wie de geldboete en de andere sancties en voorlopige maatregelen uitvoerbaar zijn, niet over voldoende activa beschikt op het grondgebied van haar lidstaat.

3. De verzoekende handhavingsautoriteit kan uitsluitend verzoeken om de uitvoering van een definitief besluit.

4. Vragen in verband met de verjaringstermijnen voor de uitvoering van geldboeten, andere even doeltreffende sancties en voorlopige maatregelen worden geregeld door het nationaal recht van de lidstaat van de aangezochte autoriteit.

Artikel 8

Kennisgevingsmechanisme

Een handhavingsautoriteit stelt alle andere handhavingsautoriteiten in kennis van een besluit tot vaststelling van het optreden van een oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie, binnen één maand na de vaststelling ervan.

Artikel 9

Procedure voor verzoeken om wederzijdse bijstand

1. De verzoekende autoriteit verstrekt bij het verzoek om wederzijdse bijstand alle noodzakelijke informatie om de aangezochte handhavingsautoriteit in staat te stellen aan dat verzoek te voldoen, waaronder alle informatie die alleen in de lidstaat van de verzoekende handhavingsautoriteit kan worden verkregen.

2. Verzoeken om wederzijdse bijstand en alle daarmee verband houdende communicatie worden schriftelijk ingediend met behulp van standaardformulieren.

Artikel 10

Weigering gevolg te geven aan een verzoek om wederzijdse bijstand

1. Een aangezochte handhavingsautoriteit kan alleen weigeren gevolg te geven aan een verzoek om informatie overeenkomstig artikel 5 indien een of beide van de onderstaande gevallen van toepassing zijn:

a) na overleg met de verzoekende handhavingsautoriteit blijkt deze de gevraagde informatie niet nodig te hebben om vast te stellen of een oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie plaatsvindt of heeft plaatsgevonden;

b) met betrekking tot dezelfde oneerlijke handelspraktijk is tegen dezelfde afnemer al een strafrechtelijk onderzoek ingesteld of een gerechtelijke procedure ingeleid voor de autoriteiten in de lidstaat van de aangezochte of van de verzoekende handhavingsautoriteit.

2. Een aangezochte handhavingsautoriteit kan, na overleg met de verzoekende handhavingsautoriteit, alleen weigeren gevolg te geven aan een verzoek om handhavingsmaatregelen overeenkomstig de artikelen 6 en 7, wanneer een of beide van de onderstaande gevallen van toepassing zijn:

a) met betrekking tot dezelfde oneerlijke handelspraktijk is al een strafrechtelijk onderzoek ingesteld of een gerechtelijke procedure ingeleid, een rechterlijke beslissing genomen of een gerechtelijke schikking getroffen voor de gerechtelijke autoriteiten in de lidstaat van de aangezochte handhavingsautoriteit;

b) met betrekking tot dezelfde inbreuk binnen de Unie en tegen dezelfde handelaar zijn al de nodige handhavingsbevoegdheden uitgeoefend, of is er met betrekking tot dezelfde inbreuk binnen de Unie en tegen dezelfde handelaar in de lidstaat van de aangezochte autoriteit reeds een administratief besluit vastgesteld, om dezelfde oneerlijke handelspraktijk spoedig en doeltreffend te doen beëindigen;

c) met betrekking tot dezelfde oneerlijke handelspraktijk is ten aanzien van dezelfde afnemer al een strafrechtelijk onderzoek ingesteld of een gerechtelijke procedure ingeleid voor de gerechtelijke autoriteiten van de verzoeker;

d) de verzoekende handhavingsautoriteit heeft niet de krachtens artikel 5 vereiste informatie verstrekt.

3. De aangezochte handhavingsautoriteit stelt de verzoekende handhavingsautoriteit in kennis van de weigering gevolg te geven aan een verzoek om wederzijdse bijstand en motiveert deze weigering.

Artikel 11

Talenregeling

1. Met de betrokken handhavingsautoriteiten wordt in onderling overleg vastgesteld welke talen zij gebruiken voor verzoeken, kennisgevingen en voor alle onder dit hoofdstuk vallende communicatie in verband met het mechanisme voor wederzijdse bijstand.

2. Indien er tussen de betrokken handhavingsautoriteiten geen overeenstemming kan worden bereikt, worden de verzoeken om wederzijdse bijstand toegezonden in de officiële taal, of een van de officiële talen, van de lidstaat van de verzoekende handhavingsautoriteit, en de antwoorden in de officiële taal, of een van de officiële talen, van de lidstaat van de aangezochte handhavingsautoriteit.

Artikel 12

Uitvoeringsbevoegdheden

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen ter bepaling van de standaardformulieren voor de verzoeken om wederzijdse bijstand op grond van artikel 9, lid 2.

De in de eerste alinea bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 21 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK IV

ONDERZOEKS- EN HANDHAVINGSMECHANISME VOOR WIJDVERBREIDE ONEERLIJKE HANDELSPRAKTIJKEN MET EEN GRENSOVERSCHRIJDENDE DIMENSIE

Artikel 13

Inleiden van een gecoördineerde actie en aanwijzen van de coördinator

1. Indien er een redelijk vermoeden bestaat dat er mogelijk sprake is van een wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie, leiden de handhavingsautoriteiten die bij die praktijk betrokken zijn in onderling overleg een gecoördineerde actie in. Van de inleiding van een gecoördineerde actie wordt onverwijld kennisgegeven aan de Commissie.

2. De handhavingsautoriteiten die betrokken zijn bij een wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie wijzen een handhavingsautoriteit als coördinator aan.

3. De handhavingsautoriteiten die betrokken zijn bij de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie voeren onderzoeken op basis van de informatie waarover zij beschikken. Zij stellen de andere handhavingsautoriteiten overeenkomstig artikel 19 in kennis van de resultaten van die onderzoeken.

4. Een handhavingsautoriteit voegt zich bij de gecoördineerde actie indien tijdens de gecoördineerde actie blijkt dat zij betrokken is bij de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie.

5. Om vast te stellen of een handhavingsautoriteit betrokken is bij een wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie, moeten alle aspecten in aanmerking worden genomen, en met name:

a) de lidstaten waar de afnemers gevestigd zijn;

b) de lidstaten waar de leveranciers die mogelijk getroffen worden door de oneerlijke handelspraktijk gevestigd zijn.

Artikel 14

Redenen tot weigering van deelname aan een gecoördineerde actie

1. Een handhavingsautoriteit kan alleen weigeren aan een gecoördineerde actie deel te nemen als een van de volgende redenen van toepassing is:

a) met betrekking tot dezelfde inbreuk is tegen dezelfde afnemer in de lidstaat van die bevoegde autoriteit al een strafrechtelijk onderzoek ingesteld of een gerechtelijke procedure ingeleid, een rechterlijke beslissing genomen of een gerechtelijke schikking getroffen;

b) met betrekking tot dezelfde oneerlijke handelspraktijk zijn tegen dezelfde afnemer in de lidstaat van die handhavingsautoriteit al vóór de afgifte van een waarschuwing als bedoeld in artikel 19 onderzoeken ingeleid, of is een administratief besluit vastgesteld, om de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie te doen beëindigen;

c) de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie heeft zich in de lidstaat van die handhavingsautoriteit niet voorgedaan en die handhavingsautoriteit hoeft derhalve geen handhavingsmaatregelen te nemen.

2. Indien een handhavingsautoriteit weigert aan de gecoördineerde actie deel te nemen, brengt zij de Commissie en de andere handhavingsautoriteiten die bij de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie betrokken zijn, onverwijld op de hoogte van haar besluit, dat zij met redenen omkleedt en staaft met de nodige ondersteunende documenten.

Artikel 15

Onderzoeksmaatregelen bij gecoördineerde acties

1. De bij de gecoördineerde actie betrokken handhavingsautoriteiten waarborgen dat de onderzoeken en inspecties gecoördineerd worden gevoerd. Zij streven ernaar onderzoeken en inspecties te verrichten, en, voor zover het nationale recht dat toelaat, voorlopige maatregelen onderling gelijktijdig toe te passen.

2. De bij de gecoördineerde actie betrokken handhavingsautoriteiten leggen de resultaten van het onderzoek en de beoordeling van de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie vast in een gemeenschappelijk standpunt, waarin de vastgestelde nationale besluiten worden samengevat.

3. Zonder afbreuk te doen aan de voorschriften betreffende geheimhouding en op het gebied van het beroeps- en handelsgeheim die zijn neergelegd in Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad 13 , maken de bij de gecoördineerde actie betrokken handhavingsautoriteiten het gemeenschappelijke standpunt of delen daarvan bekend op hun websites, en brengen zij de Commissie op de hoogte van de bekendmaking ervan.

Artikel 16

Handhavingsmaatregelen bij gecoördineerde acties

1. De bij de gecoördineerde actie betrokken handhavingsautoriteiten nemen binnen hun bevoegdheidsgebied overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn (EU) 2019/633 alle noodzakelijke handhavingsmaatregelen tegen de afnemer die verantwoordelijk is voor de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie, teneinde die oneerlijke handelspraktijk te doen beëindigen.

2. Er worden handhavingsmaatregelen overeenkomstig lid 1 genomen door de handhavingsautoriteiten in overeenstemming met de nationale voorschriften van hun lidstaat en op een gecoördineerde wijze om de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie te doen beëindigen. De betrokken handhavingsautoriteiten streven ernaar gelijktijdig handhavingsmaatregelen te nemen in de lidstaten die bij die wijdverbreide grensoverschrijdende inbreuk betrokken zijn.

Artikel 17

Beëindigen van een gecoördineerde actie

1. Er komt een einde aan een gecoördineerde actie als de bij de gecoördineerde actie betrokken handhavingsautoriteiten concluderen dat de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie in alle betrokken lidstaten is beëindigd, of dat er geen wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie is bedreven.

2. De in artikel 13, lid 2, bedoelde coördinator informeert de handhavingsautoriteiten van de bij de gecoördineerde actie betrokken lidstaten in voorkomend geval onverwijld over de beëindiging van de gecoördineerde actie.

Artikel 18

Rol van de coördinator

1. De overeenkomstig artikel 13 aangewezen coördinator doet met name het volgende:

a) ervoor zorgen dat de betrokken handhavingsautoriteiten naar behoren en tijdig worden geïnformeerd over de voortgang van het onderzoek of van de handhavingsactie, de verwachte volgende stappen en de vast te stellen maatregelen;

b) coördineren van en toezien op de overeenkomstig deze verordening door de betrokken handhavingsautoriteiten genomen onderzoeksmaatregelen;

c) coördineren van de opstelling en verspreiding van alle benodigde documenten onder de betrokken handhavingsautoriteiten;

d) onderhouden van contact met de afnemer en andere partijen die betrokken zijn bij de onderzoeks- of handhavingsmaatregelen, naargelang het geval, tenzij anders is overeengekomen door de betrokken handhavingsautoriteiten en de coördinator;

e) indien van toepassing, coördineren van de beoordeling, de raadplegingen en het toezicht door de betrokken handhavingsautoriteiten, evenals van de andere stappen die nodig zijn om de door de betrokken afnemer voorgestelde toezeggingen uit te voeren;

f) in voorkomend geval, coördineren van handhavingsmaatregelen die zijn vastgesteld door de betrokken handhavingsautoriteiten;

g) coördineren van verzoeken om wederzijdse bijstand die zijn ingediend door de betrokken handhavingsautoriteiten uit hoofde van hoofdstuk III.

2. De coördinator wordt niet verantwoordelijk gehouden voor de handelingen of omissies van de andere betrokken handhavingsautoriteiten wanneer zij gebruikmaken van de in artikel 6 van Richtlijn (EU) 2019/633 en de in de voorschriften van deze verordening vermelde bevoegdheden.

Artikel 19

Waarschuwingen

1. Een handhavingsautoriteit waarschuwt de Commissie en de andere handhavingsautoriteiten onverwijld wanneer mogelijk een wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie plaatsvindt.

2. De handhavingsautoriteit verstrekt bij het afgeven van de in lid 1 bedoelde waarschuwing informatie over de vermoede wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie, zoals gedefinieerd in deze verordening, onder meer:

a) een beschrijving van de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie;

b) nadere gegevens over het onderwerp van de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie;

c) de lidstaten die betrokken zijn bij of die mogelijk betrokken zijn bij de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie;

d) de identiteit van de afnemer of afnemers van wie wordt vermoed dat hij of zij de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie heeft of hebben bedreven;

e) de betrokken oneerlijke handelspraktijk overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/633 en met verwijzing naar het nationale recht;

f) een beschrijving van alle gerechtelijke procedures, handhavingsmaatregelen of andere maatregelen die met betrekking tot de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie zijn genomen evenals de data en duur alsmede de status daarvan;

g) de identiteit van de handhavingsautoriteiten die de procedure voeren en andere maatregelen nemen.

3. Bij het afgeven van een waarschuwing kan de handhavingsautoriteit handhavingsautoriteiten in andere lidstaten verzoeken na te gaan of er, uitgaande van informatie waarover de desbetreffende handhavingsautoriteiten beschikken of die voor hen gemakkelijk toegankelijk is, mogelijk soortgelijke wijdverbreide oneerlijke handelspraktijken met een grensoverschrijdende dimensie plaatsvinden op het grondgebied van die andere lidstaten, dan wel of er in die andere lidstaten al procedures aanhangig zijn of handhavingsmaatregelen tegen dergelijke oneerlijke handelspraktijken zijn genomen. De handhavingsautoriteiten in die lidstaten antwoorden onverwijld op het verzoek.

Artikel 20

Talenregeling

1. Door de betrokken handhavingsautoriteiten wordt in onderling overleg vastgesteld welke talen zij gebruiken voor kennisgevingen en voor alle onder dit hoofdstuk vallende communicatie in verband met gecoördineerde acties.

2. Indien er tussen de betrokken handhavingsautoriteiten geen overeenstemming kan worden bereikt, worden kennisgevingen en andere mededelingen toegezonden in de officiële taal of een van de officiële talen van de lidstaat die de kennisgeving of de andere communicatie doet uitgaan.

HOOFDSTUK V

PROCEDURELE BEPALINGEN

Artikel 21

Comitéprocedure 

1. De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten dat is ingesteld bij artikel 229 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad 14 . Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 22

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van [+ één jaar na de vaststelling ervan].

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

(1)    Richtlijn (EU) 2019/633 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen (PB L 111 van 25.4.2019, blz. 59, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2019/633/oj ).
(2)     Strategische dialoog over de toekomst van de landbouw in de EU .
(3)    Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende samenwerking tussen de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (PB L 345 van 27.12.2017, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/2394/oj ).
(4)    Verordening (EU) 2021/444 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2021 tot vaststelling van een programma voor douanesamenwerking en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1294/2013 (PB L 87 van 15.3.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/444/oj ).
(5)    Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 268 van 12.10.2010, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2010/904/2024-01-01 ).
(6)    Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/625/2022-01-28 ).
(7)    Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende samenwerking tussen de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (PB L 345 van 27.12.2017, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/2394/2022-01-01 ).
(8)    PB C […] van […], blz. […].
(9)    PB C  van , blz. .
(10)    Richtlijn (EU) 2019/633 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen (PB L 111 van 25.4.2019, blz. 59, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2019/633/oj ).
(11)    Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/182/oj ).
(12)    Besluit 2008/976/JBZ van de Raad van 16 december 2008 betreffende het Europees justitieel netwerk (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 130, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2008/976/oj).
(13)    Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (PB L 157 van 15.6.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2016/943/oj ).
(14)    Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1308/oj).