Brussel, 28.10.2024

COM(2024) 497 final

2024/0276(CNS)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN DE RAAD

tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie 1 (de pijler 2-richtlijn) heeft binnen de EU uitvoering gegeven aan het akkoord dat op 8 december 2021 is bereikt binnen het inclusief kader van de OESO/G20 (OESO/G20 IF) inzake grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS). De richtlijn sluit ook nauw aan bij de door het OESO/G20 IF overeengekomen modelvoorschriften ter bestrijding van mondiale grondslaguitholling (Global Anti-Base Erosion of GloBE) die op 20 december 2021 zijn gepubliceerd.

De pijler 2-richtlijn moet ervoor zorgen dat grote multinationale ondernemingengroepen (MNO-groepen) een minimumniveau van belasting betalen over hun inkomsten in elk rechtsgebied waar zij actief zijn. Entiteiten die binnen het toepassingsgebied van de regels vallen, moeten hun effectieve belastingtarief berekenen voor elk rechtsgebied waar zij actief zijn en een bijheffing betalen voor het verschil tussen hun effectieve belastingtarief per rechtsgebied en het minimumbelastingtarief van 15 %. Daaruit voortvloeiende bijheffingen worden over het algemeen geïnd in het rechtsgebied van de uiteindelijkemoederentiteit van de MNO. De voorschriften houden ook rekening met de mogelijkheid dat rechtsgebieden hun eigen gekwalificeerde binnenlandse bijheffing (qualified domestic top-up tax — QDTT) invoeren, waardoor het primaire recht van een rechtsgebied om belasting te heffen op inkomsten in hun rechtsgebied behouden blijft. Deze QDTT elimineert elke bijheffing die is verschuldigd wanneer deze wordt behandeld als een veilige-haven-QDTT.

Artikel 44 van de pijler 2-richtlijn bevat de aangifteverplichtingen waaraan moet worden voldaan door entiteiten die binnen het toepassingsgebied van de richtlijn vallen. Daartoe moeten die entiteiten een aangifte met informatie betreffende de bijheffing indienen met behulp van een standaardmodel waarin bepaalde gespecificeerde gegevenspunten moeten worden verstrekt. De aangifte met informatie betreffende de bijheffing is een risicobeoordelingsinstrument: de aangifte bevat de informatie die een belastingdienst nodig heeft om een passende risicobeoordeling uit te voeren en de belastingverplichting van de entiteit correct vast te stellen.

Het basisscenario voor de indiening, op grond van artikel 44, lid 2, van de pijler 2-richtlijn, is dat elke groepsentiteit haar aangifte met informatie betreffende de bijheffing moet indienen in de lidstaat waar zij is gevestigd. Dit betekent dat elke groepsentiteit van de MNO bij haar belastingdienst zeer uitgebreide aangiften zou moeten indienen met ook informatie op hoog niveau van de MNO waartoe zij behoort. Artikel 44, lid 3, voorziet echter in een afwijking van dit lokale indieningsvereiste voor zover de uiteindelijkemoederentiteit (of een aangewezen indieningsentiteit) deze aangifte met informatie betreffende de bijheffing indient namens de hele MNO. De enige voorwaarde die daaraan is verbonden, is dat er regelingen voor de uitwisseling van inlichtingen tussen de belastingdiensten van de betrokken rechtsgebieden bestaan (d.w.z. tussen het rechtsgebied van de uiteindelijkemoederentiteit of de aangewezen indieningsentiteit en de rechtsgebieden van de andere groepsentiteiten binnen de groep in kwestie). Op grond van deze regelingen wordt de aangifte slechts één keer ingediend, voor de hele MNO, en zijn de groepsentiteiten vervolgens vrijgesteld van het zelf lokaal indienen van aangiften. Verwacht wordt dat algemene rapportage door de entiteit die voor de hele groep is aangewezen, de belangrijkste aanpak zal zijn die MNO’s zullen kiezen om de door de pijler 2-richtlijn verlangde informatie te rapporteren.

De OESO heeft een standaardmodel voor een bijheffingsinformatieaangifte ontwikkeld (GloBE Information Return — GIR) 2 dat door de entiteiten moet worden gebruikt om aan hun aangifteverplichtingen te voldoen. Dit model bevat de uit te wisselen gegevenspunten en uitleg over het gebruik ervan, en zorgt voor een balans tussen het verstrekken van de gegevens die belastingdiensten nodig hebben om adequate nalevingscontroles te kunnen uitvoeren en het beperken van de nalevingskosten voor MNO’s. Bij dit voorstel wordt het standaardmodel van de OESO omgezet in EU-recht door er de in artikel 44 van de pijler 2-richtlijn bedoelde aangifte met informatie betreffende de bijheffing van te maken.

Dit voorstel voorziet ook in een kader om de uitwisseling van informatie betreffende de bijheffing tussen de lidstaten te vergemakkelijken en MNO’s in staat te stellen over te schakelen van lokale naar centrale indiening (d.w.z. indiening door de uiteindelijkemoederentiteit of een aangewezen indieningsentiteit in plaats van indiening door elke afzonderlijke groepsentiteit). Dit kader omvat een “verspreidingsaanpak” om ervoor te zorgen dat alle relevante rechtsgebieden de informatie ontvangen die zij nodig hebben op basis van hun rol ten aanzien van de MNO, in overeenstemming met het OESO-kader.

Voor de uitwisseling van inlichtingen met rechtsgebieden van derde landen zullen de lidstaten passende internationale overeenkomsten met die rechtsgebieden moeten sluiten. Om een soepele werking van de uitwisseling van inlichtingen te waarborgen en de administratieve lasten tot een minimum te beperken, zijn de voorgestelde regels die binnen de EU van toepassing zullen zijn volledig verenigbaar met de regels voor informatie-uitwisseling met rechtsgebieden van derde landen.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Dit voorstel is volledig in overeenstemming met een specifieke bepaling (artikel 44) van de pijler 2-richtlijn en maakt deze operationeel.

In artikel 44, lid 5, van de pijler 2-richtlijn wordt bepaald welke informatie nodig is om aangiften uit hoofde van de pijler 2-richtlijn in te dienen. Het betreft met name identificatie van de groepsentiteiten van een MNO, informatie over de vennootschapsstructuur van de MNO en informatie die nodig is voor het berekenen van het effectieve belastingtarief van groepsentiteiten, de hoogte van de bijheffing en de toerekening daarvan. Dit is op het niveau van OESO/G20 IF nader gespecificeerd in het standaardmodel, dat door dit voorstel wordt opgenomen in het EU-recht in de vorm van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing. Dit voorstel brengt geen verwerking van persoonsgegevens in de zin van artikel 5 van Verordening (EU) 2016/679 3 en artikel 3 van Verordening (EU) 2018/1725 4 met zich mee.

Voorts bevat dit voorstel de regels voor de uitwisseling van aangiften met informatie betreffende de bijheffing in overeenstemming met het OESO-kader.

Samenhang met andere beleidsgebieden van de EU

Dit voorstel is volledig in overeenstemming met en draagt bij aan de inspanningen van de Commissie om de rapportagevereisten voor bedrijven te rationaliseren en te vereenvoudigen, met als doel om deze administratieve last met 25 % te verminderen zonder de daarmee verband houdende beleidsdoelstellingen te ondergraven 5 . Dit wordt bereikt door het middels een richtlijn invoeren van het kader voor de uitwisseling van inlichtingen dat de pijler 2-richtlijn schraagt. Deze aanpak zorgt voor een uniforme en horizontale uitvoering in de lidstaten van de regels inzake het indienen van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing. Bovendien stelt dit de MNO in staat om in één keer aan haar aangifteverplichtingen te voldoen (in de lidstaat van de uiteindelijkemoederentiteit of van de aangewezen indieningsentiteit), in plaats van dat er in elke lidstaat waar een groepsentiteit is gevestigd, een aangifte met informatie betreffende de bijheffing moet worden ingediend.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

De artikelen 113 en 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) vormen de rechtsgrondslag voor wetgevingsinitiatieven op het gebied van administratieve samenwerking en directe belastingen. Hoewel er niet uitdrukkelijk naar directe belastingen wordt verwezen, kan artikel 115 worden gebruikt voor de onderlinge aanpassing van nationale wetgeving en administratieve praktijken die rechtstreeks van invloed zijn op de totstandkoming of de werking van de interne markt.

Aangezien het voorgestelde initiatief de richtlijn administratieve samenwerking op belastinggebied (Directive on Administrative Cooperation — DAC) wijzigt, blijft de gekozen rechtsgrondslag dezelfde. De voorgestelde regels, die moeten zorgen voor een functionerend kader voor de uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten met het oog op de toepassing van de pijler 2-richtlijn, wijken immers niet af van het onderwerp van de DAC. De beoogde wijzigingen zullen met name zorgen voor een duidelijk en geharmoniseerd kader voor het indienen en uitwisselen van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing. De coherente toepassing van deze bepalingen kan alleen worden bereikt door middel van de onderlinge aanpassing van de nationale wetgevingen volgens een uniforme aanpak, zoals voorgeschreven in de artikelen 113 en 115 VWEU.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Het voorstel is volledig in overeenstemming met het in artikel 5 VWEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Het voorstel heeft betrekking op administratieve samenwerking op belastinggebied. Het voorstel is tweeledig: in de eerste plaats wordt artikel 44 van de pijler 2-richtlijn operationeel gemaakt door te voorzien in uniforme rapportagevereisten voor de MNO’s die binnen het toepassingsgebied van de richtlijn vallen; in de tweede plaats wordt het toepassingsgebied van de automatische uitwisseling van inlichtingen tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten uitgebreid tot de aangiften die MNO’s indienen voor de toepassing van de pijler 2-richtlijn.

De rechtszekerheid en duidelijkheid voor MNO’s en belastingdiensten kunnen alleen worden gewaarborgd door het vaststellen van één reeks uniforme regels die van toepassing zijn op alle lidstaten. De bestaande regels voor het waarborgen van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor MNO’s en omvangrijke binnenlandse groepen in de EU, die zijn vastgelegd in de pijler 2-richtlijn, zouden ernstig worden ondergraven indien de lidstaten op nationaal niveau verschillende rapportagevereisten zouden invoeren.

Hoewel er op internationaal niveau een gemeenschappelijke aanpak voor de indiening van aangiften en informatie-uitwisseling voor de toepassing van pijler 2 is ontwikkeld door middel van de GloBE-modelvoorschriften, is het belangrijk dat deze binnen de EU op samenhangende wijze wordt toegepast. In de EU, die bestaat uit in hoge mate geïntegreerde economieën, is gecoördineerd optreden noodzakelijk om de werking van de interne markt te verbeteren en de goede werking van de pijler 2-richtlijn te waarborgen door te zorgen voor een minimale effectieve belasting van bedrijfswinsten. Dat kan alleen worden verwezenlijkt als de aangifteverplichtingen ook centraal worden vastgesteld en op uniforme wijze worden omgezet.

Een EU-initiatief heeft meerwaarde ten opzichte van wat een veelheid aan nationale uitvoeringsmethoden op basis van de juridisch niet-bindende GloBE-modelvoorschriften zou kunnen bereiken. Aan een EU-aanpak zijn drie belangrijke voordelen verbonden. In de eerste plaats zou het rechtskader voor het indienen en uitwisselen van inlichtingen tussen belastingautoriteiten volledig worden geharmoniseerd tussen de lidstaten, wat de rapportagevereisten voor MNO’s zou versoepelen. In de tweede plaats zou de uitwisseling van inlichtingen worden ondersteund door een gemeenschappelijke IT-infrastructuur. Tot slot zou een uniforme uitvoering op EU-niveau belastingplichtigen rechtszekerheid bieden inzake hun aangifteverplichtingen en de regels voor de uitwisseling van inlichtingen tussen bevoegde autoriteiten.

Evenredigheid

Het voorstel geeft uitvoering aan de bestaande verplichtingen uit hoofde van artikel 44 van de pijler 2-richtlijn betreffende de aangifteverplichtingen van MNO’s die binnen het toepassingsgebied van de richtlijn vallen, en breidt het toepassingsgebied van de automatische uitwisseling van inlichtingen in het kader van de DAC uit tot de aangiften die door deze MNO’s worden ingediend. Aangezien deze MNO’s activiteiten uitoefenen over de grenzen van één lidstaat heen, vormen gemeenschappelijke EU-regels het minimumniveau van regelgeving dat nodig is om een doeltreffende rapportage te waarborgen.

De richtlijn gaat dus niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen ervan te verwezenlijken en neemt het evenredigheidsbeginsel in acht.

Keuze van instrument

Het voorstel betreft een richtlijn, het enige toegestane instrument volgens de rechtsgrondslag (artikelen 113 en 115 VWEU). Bovendien vormt deze richtlijn de achtste wijziging van de richtlijn administratieve samenwerking (2011/16/EU), na die van de Richtlijnen 2014/107/EU, 2015/2376/EU, 2016/881/EU, 2016/2258/EU, 2018/822/EU, 2021/514/EU en 2023/2226/EU van de Raad.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Effectbeoordeling

Voor dit voorstel is geen effectbeoordeling verricht.

Met het voorstel wordt artikel 44 van de pijler 2-richtlijn toegepast op een wijze die volledig in overeenstemming is met en nauw aansluit bij wat er op mondiaal niveau is ontwikkeld. Er zijn geen andere beleidsopties om uit te kiezen. Bovendien bestaat er politieke urgentie om het voorstel om te zetten in wetgeving, aangezien de eerste verslaglegging uiterlijk op 30 juni 2026 moet plaatsvinden, de termijn die is vastgesteld in de pijler 2-richtlijn. Daarom is het zaak dat dit initiatief snel wordt aangenomen en wordt uitgevoerd door de lidstaten.

Grondrechten

De voorgestelde richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

De kosten van de uitvoering van dit voorstel worden geraamd op 3,3 miljoen EUR voor de periode 2024-2027. De uitvoering zal worden gefinancierd door middel van een herschikking van middelen uit het bestaande Fiscalis-programma. Voor nadere bijzonderheden, zie het financieel memorandum.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Artikelsgewijze toelichting

De pijler 2-richtlijn voorziet in lokale indiening als de standaardregel voor alle groepsentiteiten van de MNO binnen de EU. De richtlijn maakt centrale indiening mogelijk wanneer is voldaan aan twee voorwaarden: 1) er is een overeenkomst voor de uitwisseling van informatie van kracht tussen het rechtsgebied van de entiteit die is aangewezen om de aangifte met informatie betreffende de bijheffing in te dienen namens de groep (d.w.z. de uiteindelijkemoederentiteit of de aangewezen indieningsentiteit) en de rechtsgebieden van de groepsentiteiten; en 2) de uiteindelijkemoederentiteit of de aangewezen indieningsentiteit doet dit ook daadwerkelijk. Dit voorstel stelt het kader voor de uitwisseling van inlichtingen binnen de EU vast, waardoor centrale indiening binnen de EU mogelijk wordt.

Het voorstel is tweeledig: a) wijzigingen in de tekst van de DAC en b) een nieuwe bijlage.

(a)Wijzigingen van de tekst van de DAC — Kader voor de uitwisseling van aangiften met informatie betreffende de bijheffing

De belangrijkste wijziging is het nieuwe artikel 8 bis sexies, waarin het kader voor de uitwisseling van aangiften met informatie betreffende de bijheffing wordt vastgesteld. De basisregels voor het indienen van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing zijn vastgelegd in artikel 44 van de pijler 2-richtlijn, dat de informatie bevat die door de rapporterende entiteiten van een MNO of een omvangrijke binnenlandse groep moeten worden verstrekt, zodat de belastingdiensten van de lidstaten kunnen controleren of de entiteiten die binnen het toepassingsgebied vallen, de regels van de pijler 2-richtlijn correct toepassen.

De lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om de rapporterende entiteiten van een MNO met fiscale woonplaats in de EU in staat te stellen de aangifte met informatie betreffende de bijheffing in te dienen binnen 15 maanden na de laatste dag van het verslagjaar, met uitzondering van het eerste verslagjaar, waarvoor de aangifte uiterlijk 18 maanden na de laatste dag van het verslagjaar moet worden ingediend. Deze termijnen zijn vastgesteld in artikel 44, lid 7, en artikel 51 van de pijler 2-richtlijn. Nadat de aangifte met informatie betreffende de bijheffing is ingediend bij de lidstaat, zendt de bevoegde autoriteit van die lidstaat de passende delen van die aangifte toe aan de relevante bevoegde autoriteiten van de betrokken andere lidstaten.

De bevoegde autoriteiten delen de aangifte met informatie betreffende de bijheffing op de volgende wijze mee (d.w.z. volgens de volgende “verspreidingsaanpak”):

·de lidstaat van de uiteindelijkemoederentiteit van de MNO ontvangt de volledige aangifte met informatie betreffende de bijheffing;

·alle uitvoerende lidstaten ontvangen het volledige algemene deel van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing;

·lidstaten die alleen een gekwalificeerde binnenlandse bijheffing (QDTT) toepassen waar groepsentiteiten van de MNO zijn gevestigd, ontvangen de relevante delen van het algemene deel van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing;

·lidstaten die op grond van de pijler 2-richtlijn heffingsbevoegdheid hebben, ontvangen de specifieke onderdelen over hun rechtsgebied.

De relevante delen van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing moeten zo snel mogelijk worden uitgewisseld, en in ieder geval uiterlijk drie maanden na de indieningstermijn voor dat verslagjaar. Voor het eerste jaar van toepassing van de pijler 2-richtlijn (d.w.z. verslagjaar 2024) bedraagt de termijn voor de uitwisseling van de informatie zes maanden na de indieningstermijn. Aangiften met informatie betreffende de bijheffing die na de indieningstermijn worden ontvangen, moeten eveneens worden uitgewisseld zodra ze zijn ontvangen, en in ieder geval uiterlijk drie maanden nadat ze zijn ontvangen.

De mededeling van informatie aan de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten zal geschieden met behulp van het geautomatiseerde standaardformulier dat de Commissie zal ontwikkelen in een uitvoeringshandeling.

Voor lidstaten die ervoor hebben gekozen om de gekwalificeerde regel inzake inkomeninclusie (Income Inclusion Rule — IIR) en de regel inzake onderbelaste winst (Undertaxed Profit Rule — UTPR) niet toe te passen uit hoofde van artikel 50, lid 1, van de pijler 2-richtlijn, wordt de toepassing van de regels van deze richtlijn eveneens uitgesteld.

Het nieuwe artikel 9 bis biedt de bevoegde autoriteit de mogelijkheid om inlichtingen in te winnen over een aangifte met informatie betreffende de bijheffing die is aangemeld om centraal te worden ingediend, maar niet is uitgewisseld. De bevoegde autoriteit van een lidstaat waar de indiener voor de doeleinden van pijler 2 is gevestigd, kan dan verifiëren of een dergelijke melding is ingediend en informeren naar de verwachte datum van indiening indien dat nog niet is gebeurd. Indien de aangifte met informatie betreffende de bijheffing niet binnen drie maanden na de nieuwe verwachte indieningsdatum is ontvangen, kunnen lokale indieningsvereisten worden opgelegd aan de groepsentiteiten van de MNO om de aangifte met informatie betreffende de bijheffing te verkrijgen op grond dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor centrale indiening. Anderzijds kan aan de groepsentiteiten geen lokale indiening worden opgelegd voordat bovengenoemde termijn is verstreken.

Wanneer de aangifte met informatie betreffende de bijheffing is ontvangen en de bevoegde autoriteit na verificatie redenen heeft om aan te nemen dat er correcties nodig zijn, moet zij de bevoegde autoriteit van de verzendende lidstaat daarvan in kennis stellen. De verzendende bevoegde autoriteit moet onverwijld passende maatregelen nemen om de gecorrigeerde aangifte met informatie betreffende de bijheffing te verkrijgen van de indiener en deze uit te wisselen met de betrokken bevoegde autoriteiten van de lidstaten.

(b)Bijlage VII

Het voorstel voegt een nieuwe bijlage VII toe aan de DAC. In het eerste deel worden bepaalde termen gedefinieerd die in de bijlage en de desbetreffende artikelen van de DAC worden gebruikt. In het tweede deel wordt een beschrijving gegeven van de indieningsregels die van toepassing zijn op de indieningsentiteit van de MNO. Het derde deel bevat de aangifte met informatie betreffende de bijheffing (die volledig in overeenstemming is met het door de OESO ontwikkelde standaardmodel) en brengt deze in overeenstemming met de pijler 2-richtlijn. De aangifte met informatie betreffende de bijheffing kan door de Commissie door middel van een gedelegeerde handeling worden gewijzigd om rekening te houden met toekomstige actualiseringen op internationaal niveau.

2024/0276 (CNS)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN DE RAAD

tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 113 en 115,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Parlement 6 ,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 7 ,

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad 8 geeft uitvoering aan het akkoord dat op 8 december 2021 in het inclusief kader van de OESO/G20 (OESO/G20 IF) over grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS) is bereikt en volgt nauwgezet de door het OESO/G20 IF op 14 december 2021 overeengekomen OESO-modelvoorschriften. De richtlijn voert een regel voor de opneming van een regel inzake inkomeninclusie (IIR) en een regel inzake onderbelaste winst (UTPR) in en biedt de lidstaten ook de mogelijkheid om hun eigen gekwalificeerde binnenlandse bijheffing (qualified domestic top-up tax — QDTT) in te voeren.

(2)In artikel 44 van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad zijn reeds de regels voor het indienen van aangiften met informatie betreffende de bijheffing vastgesteld, en zijn ook de categorieën inlichtingen die moeten worden gerapporteerd door de multinationale ondernemingen (MNO’s) en de omvangrijke binnenlandse groepen (OBG’s) die onder die richtlijn vallen, in grote lijnen uiteengezet, aangezien de belastingdiensten die aangiften met informatie betreffende de bijheffing nodig hebben om een passende risicobeoordeling uit te voeren, teneinde de juistheid van de belastingverplichting te beoordelen en te controleren of de MNO’s en OBG’s de regels van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad correct toepassen.

(3)Daarom is het passend om Richtlijn 2011/16/EU van de Raad 9 te wijzigen om nieuwe regels inzake de automatische uitwisseling van inlichtingen vast te stellen teneinde de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot de aangifte met informatie betreffende de bijheffing te vergemakkelijken en daarmee te voorzien in het kader voor de operationele uitvoering van artikel 44 van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad. Die regels moeten in overeenstemming zijn met het OESO/G20 IF-akkoord en de OESO-modelvoorschriften.

(4)Die regels moeten de centrale indiening van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing mogelijk maken, in plaats van lokale indiening van die aangifte in elk rechtsgebied dat het OESO/G20 IF-akkoord inzake de minimumbelasting van MNO’s uitvoert (uitvoerende rechtsgebieden) 10 . De belastingdiensten van elk relevant uitvoerend rechtsgebied moeten de benodigde informatie ontvangen in het kader van de aangifte met standaardinformatie.

(5)De lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om van de rapporterende entiteiten van een in de EU gevestigde MNO te verlangen dat zij de aangifte met informatie betreffende de bijheffing indienen binnen de in artikel 44, lid 7, en artikel 51 van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad vastgestelde termijnen.

(6)Wanneer een lidstaat van de rapporterende entiteiten aangiften met informatie betreffende de bijheffing ontvangt, moet deze de lidstaten en de ontvangende rechtsgebieden uiterlijk drie maanden na ontvangst de relevante specifieke delen van die aangiften met informatie betreffende de bijheffing meedelen in overeenstemming met de door het OESO/G20 IF goedgekeurde verspreidingsaanpak. Om eventuele vertragingen in het nieuwe uitwisselingssysteem te ondervangen, moet de termijn voor de mededeling van de aangiften in het eerste jaar van toepassing worden verlengd tot zes maanden na de ontvangst.

(7)De lidstaat van de uiteindelijkemoederentiteit van de MNO moet de volledige aangifte met informatie betreffende de bijheffing ontvangen. Aan alle lidstaten die een gekwalificeerde IIR of een gekwalificeerde UTPR of beide hebben uitgevoerd (uitvoerende lidstaten) moet het volledige algemene deel van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing worden verstrekt, en aan lidstaten die alleen een gekwalificeerde binnenlandse bijheffing (QDTT) toepassen en waar de groepsentiteiten van de MNO zijn gevestigd, moeten de relevante delen van het algemene deel van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing worden verstrekt. Aan de lidstaten met heffingsbevoegdheid op grond van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad moeten de specifieke onderdelen over hun rechtsgebied worden verstrekt.

(8)De mededeling van informatie aan de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten moet geschieden door middel van het geautomatiseerde standaardformulier dat de Commissie zal ontwikkelen middels een uitvoeringshandeling.

(9)Wanneer bevoegde autoriteiten reden hebben om aan te nemen dat informatie in een aangifte met informatie betreffende de bijheffing moet worden gecorrigeerd, moeten zij elkaar daarvan in kennis stellen. Dergelijke correcties moeten onverwijld worden gedeeld met alle bevoegde autoriteiten waarmee de betreffende informatie moet worden uitgewisseld.

(10)Indien een bevoegde autoriteit een uit hoofde van een kennisgeving van een MNO verwachte uitwisseling niet ontvangt, moet zij de bevoegde autoriteit waarvan werd verwacht dat zij de informatie in de ontbrekende uitwisseling zou verzenden, daarvan in kennis stellen. Die laatste bevoegde autoriteit moet onverwijld de reden voor het niet uitwisselen van de betrokken informatie vaststellen en de bevoegde autoriteit die melding heeft gemaakt van de ontbrekende uitwisseling daarvan binnen een maand in kennis stellen, met inbegrip van de verwachte nieuwe datum voor de uitwisseling. Indien de informatie niet op de nieuwe datum van uitwisseling is ontvangen, moet worden aangenomen dat de centrale indiening niet heeft plaatsgevonden en moet de bevoegde autoriteit die melding heeft gemaakt van de ontbrekende uitwisseling de groepsentiteit van de MNO verplichten tot het indienen van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing.

(11)Op grond van artikel 50 van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad kunnen lidstaten waar zeer weinig groepen hun hoofdkantoor hebben, ervoor kiezen om de IIR en de UTPR gedurende een beperkte periode niet toe te passen. Die lidstaten mogen de regels voor de uitwisseling van aangiften met informatie betreffende de bijheffing pas gaan toepassen wanneer de keuzeperiode van artikel 50 van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad afloopt.

(12)Richtlijn 2011/16/EU van de Raad en bijlage VII daarbij, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, moeten worden gelezen in samenhang met Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad. De termen in Richtlijn 2011/16/EU van de Raad die ook in Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad worden gebruikt, moeten dezelfde betekenis hebben als die in laatstgenoemde richtlijn. Daarnaast bevat deze richtlijn aanvullende definities die nodig zijn om rekening te houden met verdere internationale ontwikkelingen in het kader van de uitwisseling van inlichtingen op het gebied van belastingen.

(13)OBG’s vallen onder de rapportagevereisten van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad en moeten een overzicht geven van de structuur en de belastingverplichtingen voor de hele OBG, ook als het overzicht alleen relevant is voor de belastingdienst in de lidstaat waar de groep is gevestigd. Om de administratieve lasten voor de betrokken lidstaat tot een minimum te beperken en de gelijke behandeling waarin Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad voorziet te handhaven, moeten OBG’s hun aangiften indienen door middel van het model dat is opgenomen in de bijlage bij deze richtlijn.

(14)Artikel 44, lid 5, van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad voorziet in de indiening van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing in een standaardmodel. Het OESO/G20 IF heeft een dergelijk standaardmodel 11 ontwikkeld, dat de informatie bevat die een belastingdienst nodig heeft om een passende risicobeoordeling te kunnen uitvoeren en om de juistheid van de bijheffing van een groepsentiteit te beoordelen. Het OESO/G20 IF heeft ook instructies 12 ontwikkeld voor het indienen van het standaardmodel, die voor MNO’s een nuttige bron van interpretatie zullen vormen om de aangifte met informatie betreffende de bijheffing in te dienen. Daarom is het passend om in een nieuwe bijlage bij Richtlijn 2011/16/EU van de Raad (bijlage VII) een standaardformulier op te nemen, dat in overeenstemming is met het door de OESO/G20 IF ontwikkelde formulier, voor de indiening van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing uit hoofde van Richtlijn 2011/16/EU van de Raad, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, en Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad.

(15)Het standaardmodel voor de aangifte met informatie betreffende de bijheffing waarin deze richtlijn voorziet, zorgt ervoor dat de inlichtingen en belastingberekeningen die een MNO in het kader van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing moet indienen, voldoende omvattend zijn om belastingdiensten in staat te stellen een passende risicobeoordeling uit te voeren en de juistheid van de belastingschuld van een groepsentiteit uit hoofde van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad te beoordelen. Tegelijkertijd wordt getracht te voorkomen dat aan MNO’s onnodige vereisten voor het verzamelen, berekenen en rapporteren van inlichtingen worden opgelegd of dat belastingplichtigen worden blootgesteld aan meerdere, ongecoördineerde verzoeken om nadere inlichtingen in elk uitvoerend rechtsgebied. Een gestandaardiseerde informatieaangifte staat er niet aan in de weg dat een belastingdienst in vervolgverzoeken verzoekt om de ondersteunende inlichtingen die nodig zijn om de naleving van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad te controleren overeenkomstig hun nationale recht. Rechtsgebieden moeten echter in het algemeen afzien van het in het kader van hun routinematige belastingaangifte- en betalingsvereisten opleggen van een verplichting om aanvullende gegevenspunten te rapporteren die verder gaan dan de aangifte met informatie betreffende de bijheffing, en dergelijke informatie moet betrekking hebben op bijvoorbeeld de belastingschuld, tijdschema’s en de wijze van betaling of op identificatie van de belastingplichtige en diens contactgegevens, in plaats van op de berekening van de bijheffing van een groepsentiteit.

(16)Om te waarborgen dat het standaardmodel voor de aangifte met informatie betreffende de bijheffing blijft aansluiten op internationale ontwikkelingen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om, indien nodig, overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen tot wijziging van deel III van bijlage VII bij Richtlijn 2011/16/EU van de Raad vast te stellen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden passende raadplegingen houdt, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen worden uitgevoerd in overeenstemming met de beginselen van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven 13 . Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(17)Daar de doelstelling van deze richtlijn, te weten het kader scheppen voor de operationele uitvoering van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad op basis van de gemeenschappelijke aanpak zoals vervat in de OESO-modelregels, niet voldoende door elke lidstaat afzonderlijk kan worden verwezenlijkt, omdat autonoom optreden van de lidstaten het risico van versnippering van de interne markt zou verhogen, maar vanwege de schaal van de hervorming voor mondiale minimumbelastingheffing beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(18)Richtlijn 2011/16/EU moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2011/16/EU van de Raad wordt als volgt gewijzigd:

(1)in artikel 3 wordt punt 9 als volgt gewijzigd:

(a)de eerste alinea wordt als volgt gewijzigd:

(a)punt a) wordt vervangen door:

“a)voor de toepassing van artikel 8, lid 1, en de artikelen 8 bis tot en met 8 bis sexies, de systematische verstrekking van vooraf bepaalde inlichtingen aan een andere lidstaat, zonder voorafgaand verzoek, met regelmatige, vooraf vastgestelde tussenpozen. Voor de toepassing van artikel 8, lid 1, betekent “beschikbare inlichtingen” inlichtingen die zich in de belastingdossiers van de inlichtingen verstrekkende lidstaat bevinden en die opvraagbaar zijn overeenkomstig de procedures voor het verzamelen en verwerken van inlichtingen in die lidstaat;”;

(b)punt c) wordt vervangen door:

“c)voor de toepassing van andere bepalingen van deze richtlijn dan artikel 8, lid 1, artikel 8, lid 3 bis en de artikelen 8 bis tot en met 8 bis sexies, de systematische verstrekking van vooraf bepaalde inlichtingen overeenkomstig de punten a) en b) van dit punt.”;

(b)de tweede alinea wordt vervangen door:

“In het kader van dit artikel, artikel 8, lid 3 bis, artikel 8, lid 7 bis en artikel 21, lid 2, van en bijlage IV bij deze richtlijn hebben termen met een hoofdletter de betekenis die zij hebben volgens de overeenkomstige definities in bijlage I bij deze richtlijn. In het kader van artikel 21, lid 5, en artikel 25, leden 3 en 4, van deze richtlijn hebben termen met een hoofdletter de betekenis die zij hebben volgens de overeenkomstige definities in bijlage I, V of VI bij deze richtlijn. In het kader van artikel 8 bis bis van en bijlage III bij deze richtlijn hebben termen met een hoofdletter de betekenis die zij hebben volgens de overeenkomstige definities in bijlage III bij deze richtlijn. In het kader van artikel 8 bis quater van en bijlage V bij deze richtlijn hebben termen met een hoofdletter de betekenis die zij hebben volgens de overeenkomstige definities in bijlage III bij deze richtlijn. In het kader van artikel 8 bis quinquies van en bijlage VI bij deze richtlijn hebben termen met een hoofdletter de betekenis die zij hebben volgens de overeenkomstige definities in bijlage VI bij deze richtlijn. In het kader van artikel 8 bis sexies en artikel 9 bis en bijlage VII bij deze richtlijn hebben termen de betekenis zoals gedefinieerd in artikel 3, artikel 9, lid 2, punt a), artikel 16, leden 4, 6, 8 en 11, artikel 17, lid 1, artikel 21, lid 5, artikel 22, lid 1, artikel 24, leden 4 en 6, artikel 26, lid 2, en artikel 27, leden 3, 4 en 5, artikel 28, lid 1, artikel 30, lid 2, artikel 31, lid 1, artikel 32, artikel 33, lid 1, artikel 35, lid 1, artikel 36, lid 1, artikel 37, lid 1, artikel 39, lid 1, artikel 42, lid 1, artikel 44, lid 1, artikel 47, lid 1, en artikel 49, lid 3, van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad*. Bovendien hebben termen met een hoofdletter de betekenis zoals gedefinieerd in deel I van bijlage VII bij deze richtlijn.

* Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 15 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie (PB L 328 van 22.12.2022, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2022/2523/oj).”;

(2)het volgende artikel wordt ingevoegd:

Artikel 8 bis sexies
Uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot aangiften met informatie betreffende de bijheffing uit hoofde van artikel 44 van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad

1.Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om van de uiteindelijkemoederentiteit of de aangewezen indieningsentiteit, zoals bedoeld in artikel 44, lid 3, punten a) en b), van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad, van een MNO-groep die op zijn grondgebied is gevestigd overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad, te verlangen dat zij de aangifte met informatie betreffende de bijheffing indient door middel van het standaardmodel dat is opgenomen in deel III van bijlage VII bij deze richtlijn en binnen de in artikel 44, lid 7, en artikel 51 van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad vastgestelde termijnen.

2.De bevoegde autoriteit van een lidstaat die de aangifte met informatie betreffende de bijheffing heeft ontvangen uit hoofde van lid 1, deelt, door middel van automatische uitwisseling en overeenkomstig de overeengekomen verspreidingsaanpak, het volgende mee:

(a)het algemene deel van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing, aan de uitvoerende lidstaat waar de uiteindelijkemoederentiteit of groepsentiteiten van de MNO is of zijn gevestigd;

(b)het algemene deel van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing, met uitzondering van de samenvattende informatie op hoog niveau in punt 1.4 daarvan, aan de lidstaat die alleen een gekwalificeerde binnenlandse bijheffing (QDTT) toepast:

(i)waar de groepsentiteiten van de MNO zijn gevestigd;

(ii)waar een joint venture of een lid van een jointventuregroep van de MNO is gevestigd, indien de QDTT wordt opgelegd aan joint ventures in het rechtsgebied;

(iii)in situaties waarin de QDTT wordt opgelegd aan een staatloze groepsentiteit van de MNO in het rechtsgebied;

(c)een of meer onderdelen over rechtsgebieden van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing, aan lidstaten die heffingsbevoegdheid hebben op grond van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad met betrekking tot de lidstaten waarop die onderdelen over rechtsgebieden betrekking hebben.

Onverminderd de eerste alinea wordt aan UTPR-rechtsgebieden met een UTPR-percentage van nul alleen het deel van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing verstrekt dat informatie bevat over de toerekening van de bijheffing uit hoofde van de UTPR voor dat rechtsgebied, waarbij die informatie in overeenstemming is met een uittreksel van punt 3.4.3 van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing; aan de uitvoerende lidstaat waar de uiteindelijkemoederentiteit is gevestigd, worden alle onderdelen over rechtsgebieden verstrekt.

3.De bevoegde autoriteit van een lidstaat wisselt de uit hoofde van lid 1 ontvangen aangifte met informatie betreffende de bijheffing zo snel mogelijk uit, en in ieder geval uiterlijk drie maanden na de indieningstermijn voor dat verslagjaar.

4.De bevoegde autoriteit van een lidstaat wisselt de aangifte met informatie betreffende de bijheffing die na de indieningstermijn is ontvangen uiterlijk drie maanden na de datum van ontvangst uit.

5.Om de in lid 2 van dit artikel bedoelde uitwisseling van inlichtingen te vergemakkelijken, stelt de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen de noodzakelijke praktische regelingen vast, als onderdeel van de procedure voor de vaststelling van het in artikel 20, lid 5, bedoelde geautomatiseerde standaardformulier. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.

6.De Commissie heeft geen toegang tot de in lid 2, punten a) tot en met c), bedoelde inlichtingen.

7.De in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel bedoelde mededeling en uitwisseling geschieden door middel van het in artikel 20, lid 5, bedoelde geautomatiseerde standaardformulier.

(3)Artikel 8 ter wordt vervangen door:

“Artikel 8 ter

De lidstaten verstrekken de Commissie jaarlijks statistieken over de omvang van de automatische uitwisseling van inlichtingen uit hoofde van de artikelen 8, lid 1, artikel 8, lid 3 bis, artikel 8 bis bis, artikel 8 bis quater en artikel 8 bis sexies, alsmede, voor zover mogelijk, gegevens betreffende administratieve en andere relevante kosten en baten voor belastingdiensten en derden die betrekking hebben op de verrichte uitwisselingen, en mogelijke veranderingen.”

(4)Het volgende artikel wordt ingevoegd:

Artikel 9 bis
Samenwerking op het gebied van correctie, naleving en handhaving van aangiften met informatie betreffende de bijheffing

1.Indien de bevoegde autoriteit van een lidstaat redenen heeft om aan te nemen dat de informatie in een aangifte met informatie betreffende de bijheffing over een uiteindelijke moederentiteit of aangewezen indieningsentiteit die in het rechtsgebied van de andere lidstaat is gevestigd, correcties behoeft, stelt zij de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat daarvan in kennis. Indien de in kennis gestelde bevoegde autoriteit ermee instemt dat de informatie in de aangifte met informatie betreffende de bijheffing moet worden gecorrigeerd, neemt zij onverwijld passende maatregelen om deze gecorrigeerde informatie van de betrokken uiteindelijke moederentiteit of aangewezen indieningsentiteit te verkrijgen. Zij wisselt de gecorrigeerde inlichtingen onverwijld uit met alle bevoegde autoriteiten waarmee deze inlichtingen overeenkomstig deze richtlijn moeten worden uitgewisseld.

2.Wanneer de bevoegde autoriteit van een lidstaat van een of meer in haar lidstaat gevestigde groepsentiteiten een kennisgeving heeft ontvangen dat de aangifte met informatie betreffende de bijheffing voor die groepsentiteiten zou worden ingediend door de uiteindelijke moederentiteit of de aangewezen indienende entiteit die in een andere lidstaat is gevestigd, maar de in de aangifte met informatie betreffende de bijheffing opgenomen informatie niet binnen de in artikel 8 bis sexies, lid 3, vastgestelde termijnen is uitgewisseld, stelt zij de andere bevoegde autoriteit in kennis van het feit dat de informatie niet is ontvangen. De in kennis gestelde bevoegde autoriteit stelt onverwijld vast waarom de betrokken aangifte met informatie betreffende de bijheffing niet is uitgewisseld en stelt de bevoegde autoriteit van die reden in kennis binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving, met inbegrip van de verwachte datum waarop de aangifte met informatie betreffende de bijheffing zal worden ingewisseld, indien van toepassing.”

(5)In artikel 18 wordt lid 4 vervangen door:

“4.De bevoegde autoriteit van elke lidstaat voert een doeltreffend mechanisme in om het gebruik van inlichtingen die zijn verkregen door rapportage of uitwisseling van inlichtingen uit hoofde van de artikelen 8 tot en met 8 bis sexies te waarborgen.”

(6)In artikel 20 wordt lid 5 vervangen door:

“5.    De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met geautomatiseerde standaardformulieren, inclusief de talenregeling, in de volgende gevallen:

(a)de automatische uitwisseling van inlichtingen over voorafgaande grensoverschrijdende rulings en voorafgaande verrekenprijsafspraken uit hoofde van artikel 8 bis vóór 1 januari 2017;

(b)de automatische uitwisseling van inlichtingen over meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies uit hoofde van artikel 8 bis ter vóór 30 juni 2019;

(c)de automatische uitwisseling van inlichtingen over te rapporteren cryptoactiva uit hoofde van artikel 8 bis quinquies vóór 30 juni 2025;

(d)de automatische uitwisseling van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing uit hoofde van artikel 8 bis sexies vóór 1 januari 2026.

Die geautomatiseerde standaardformulieren bevatten niet meer rubrieken waarover gegevens worden uitgewisseld dan die welke worden opgesomd in artikel 8 bis, lid 6, artikel 8 bis ter, lid 14, artikel 8 bis quinquies, lid 3, en artikel 8 bis sexies, lid 2, en andere daaraan gerelateerde velden die noodzakelijk zijn voor het verwezenlijken van de doelstellingen van respectievelijk artikel 8 bis, artikel 8 bis ter, artikel 8 bis quinquies en artikel 8 bis sexies.

De in de eerste alinea van dit lid vermelde talenregeling staat er niet aan in de weg dat de lidstaten de in de artikelen 8 bis en 8 bis ter bedoelde inlichtingen verstrekken in een van de officiële talen van de Unie. Niettemin kan in die talenregeling worden bepaald dat de belangrijkste elementen van deze inlichtingen ook in een andere officiële taal van de Unie worden verstrekt.

De in dit lid bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.”;

(7)aan artikel 21 wordt het volgende lid toegevoegd:

“9. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 26 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van deel III van bijlage VII om deze in overeenstemming te brengen met actualiseringen van de standaardaangifte met informatie betreffende de bijheffing die is vastgelegd in het akkoord dat is bereikt binnen het inclusief kader van de OESO/G20 inzake grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS)*.

*OESO (2023), Tax Challenges Arising from the Digitalisation of the Economy — GloBE Information Return (Pillar Two), OECD Publishing, Parijs, https://doi.org/10.1787/91a49ec3-en.”

(8)in artikel 22 worden de leden 3 en 4 worden vervangen door:

“3.De lidstaten bewaren de gegevens die zij via automatische uitwisseling van inlichtingen uit hoofde van de artikelen 8 tot en met 8 bis sexies hebben ontvangen, niet langer dan nodig is, maar in geen geval korter dan vijf jaar na de datum van ontvangst ervan om de doelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken.

4.De lidstaten spannen zich in om ervoor te zorgen dat een rapporterende entiteit langs elektronische weg bevestiging mag verkrijgen van de geldigheid van de inlichtingen met betrekking tot het fiscaal identificatienummer van elke belastingplichtige die op grond van de artikelen 8 tot en met 8 bis sexies onder uitwisseling van inlichtingen vallen. De bevestiging van inlichtingen met betrekking tot het fiscaal identificatienummer kan alleen worden gevraagd met het oog op de validering van de juistheid van de gegevens bedoeld in artikel 8, leden 1 en 3 bis, artikel 8 bis, lid 6, artikel 8 bis bis, lid 3, artikel 8 bis ter, lid 14, artikel 8 bis quater, lid 2, artikel 8 bis quinquies, lid 3, en artikel 8 bis sexies, lid 2.”;

(9)Artikel 25 bis wordt vervangen door:

Artikel 25 bis
Sancties

De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen ter uitvoering van de artikelen 8 bis bis tot en met 8 bis sexies, en treffen alle maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.”;

(10)het volgende artikel wordt ingevoegd:

Artikel 26 bis
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.De in artikel 21, lid 9, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn, in overeenstemming met de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.De in artikel 21, lid 9, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.

3.De in artikel 21, lid 9, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.Vóór de vaststelling van de gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

5.Zodra de Commissie de gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan kennisgeving aan de Raad.

6.Een uit hoofde van artikel 21, lid 9, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling geen bezwaar heeft gemaakt, of indien de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft meegedeeld dat hij daartegen geen bezwaar zal maken. Die termijn kan op initiatief van de Raad met twee maanden worden verlengd.”

(11)het volgende artikel wordt ingevoegd:

Artikel 27 quater
Eerste verslagjaar en uitwisseling van de in artikel 8 bis sexies bedoelde inlichtingen

1.Het eerste verslagjaar waarvoor de inlichtingen moeten worden uitgewisseld, is het desbetreffende kalenderjaar of een andere passende verslagperiode vanaf 1 januari 2024.

2.Voor de lidstaten die ervoor hebben gekozen om de IIR en de UTPR niet toe te passen uit hoofde van artikel 50, lid 1, van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad, is het eerste verslagjaar het eerste boekjaar na het einde van het boekjaar van die keuze.

3.Bij de eerste in artikel 8 bis sexies bedoelde uitwisseling van inlichtingen kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat deze inlichtingen uitwisselen tot uiterlijk zes maanden na het verstrijken van de in dat artikel vastgestelde termijnen.”

(12)de tekst in de bijlage bij deze richtlijn wordt toegevoegd als bijlage VII.

Artikel 2

1.De lidstaten stellen uiterlijk op 31 december 2025 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen en maken deze bekend.

2.Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

3.Onverminderd lid 1, eerste alinea, stellen de lidstaten die ervoor hebben gekozen om de IIR en de UTPR niet toe te passen uit hoofde van artikel 50, lid 1, van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad, uiterlijk op de dag voor het einde van die keuze de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen.

4.De lidstaten delen de Commissie onverwijld de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

FINANCIEEL MEMORANDUM

1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

1.1.Benaming van het voorstel/initiatief

1.2.Betrokken beleidsterrein(en)

1.3.Het voorstel/initiatief betreft:

1.4.Doelstelling(en)

1.4.1.Algemene doelstelling(en)

1.4.2.Specifieke doelstelling(en)

1.4.3.Verwacht(e) resulta(a)t(en) en gevolg(en)

1.4.4.Prestatie-indicatoren

1.5.Motivering van het voorstel/initiatief

1.5.1.Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief

1.5.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de Unie (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van de deelname van de Unie” verstaan de waarde die een optreden van de Unie oplevert bovenop de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.

1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan

1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten

1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking

1.6.Duur en financiële gevolgen van het voorstel/initiatief

1.7.Wijze(n) van uitvoering van de begroting

2.BEHEERSMAATREGELEN

2.1.Regels inzake het toezicht en de rapportage

2.2.Beheers- en controlesyste(e)m(en)

2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde beheersvorm(en), uitvoeringsmechanisme(n) voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie

2.2.2.Informatie over de geïdentificeerde risico’s en het (de) systeem (systemen) voor interne controle dat is (die zijn) opgezet om die risico’s te beperken

2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding van de controlekosten tot de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting)

2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden

3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

3.1.Rubriek(en) van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven

3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten

3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten

3.2.2.Geraamde output, gefinancierd met beleidskredieten

3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten

3.2.3.1.Geraamde personeelsbehoeften

3.2.4.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader

3.2.5.Bijdragen van derden

3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten

1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF 

1.1.Benaming van het voorstel/initiatief

Richtlijn (EU) 2024/XX van de Raad van XX tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen

1.2.Betrokken beleidsterrein(en) 

Belastingbeleid

1.3.Het voorstel/initiatief betreft: 

een nieuwe actie 

 een nieuwe actie na een proefproject/voorbereidende actie 14  

 de verlenging van een bestaande actie 

 de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie 

1.4.Doelstelling(en)

1.4.1.Algemene doelstelling(en)

Het voorstel heeft tot doel om een eerlijke en efficiënte werking van de interne markt te waarborgen door de centrale indiening van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing zoals gedefinieerd in Richtlijn 2022/2523/EU tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie te vergemakkelijken.

Dit initiatief beoogt ook de belastinginkomsten van de lidstaten veilig te stellen door de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot de aangifte met informatie betreffende de bijheffing mogelijk te maken. Dit draagt er ook toe bij dat niet-naleving wordt ontmoedigd.

1.4.2.Specifieke doelstelling(en)

Het voorstel zal voorzien in een uniform model voor MNO’s en omvangrijke binnenlandse groepen die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2022/2523/EU vallen voor het indienen van hun aangiften met informatie betreffende de bijheffing. Dit zal hun administratieve lasten aanzienlijk verminderen, aangezien de aangifte met informatie betreffende de bijheffing identiek voor alle lidstaten zal zijn.

In de tweede plaats zal het voorstel, door te voorzien in automatische uitwisseling van inlichtingen, MNO’s die binnen het toepassingsgebied vallen in staat stellen hun aangifte met informatie betreffende de bijheffing in één keer in te dienen voor de hele MNO (centrale indiening), waardoor hun administratieve lasten zullen worden verminderd en het aantal aangiften dat zij anders zouden moeten indienen, aanzienlijk zal worden verminderd.

1.4.3.Verwacht(e) resulta(a)t(en) en gevolg(en)

Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen.

MNO’s die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2022/2523/EU vallen, zullen een centrale aangiftemethode kunnen toepassen, waardoor zij één aangifte met informatie betreffende de bijheffing voor de hele groep zullen kunnen indienen. Zonder dit voorstel zou elke groepsentiteit van de MNO een afzonderlijke aangifte met informatie betreffende de bijheffing moeten indienen bij haar respectieve belastingdienst.

Gecentraliseerde aangifte zal de administratieve lasten voor de MNO’s die binnen het toepassingsgebied vallen, aanzienlijk verminderen.

1.4.4.Prestatie-indicatoren

Vermeld de indicatoren voor de monitoring van de voortgang en de beoordeling van de resultaten

Specifieke doelstelling

Indicatoren

Meetinstrument

Voorzien in een uniform model voor het indienen van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing

MNO’s die binnen het toepassingsgebied vallen, gebruiken het uniforme model voor het indienen van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing

Jaarlijkse beoordeling van de automatische uitwisseling van inlichtingen (bron: belastingdiensten van de lidstaten)

Een methode voor het centraal indienen van de aangifte invoeren

MNO’s die binnen het toepassingsgebied vallen, maken gebruik van de methode van centrale indiening, in plaats van de methode van lokale indiening

Jaarlijkse beoordeling van de automatische uitwisseling van inlichtingen (bron: belastingdiensten van de lidstaten)

Veiligstellen van de belastinginkomsten door de lidstaten

Extra belastinginkomsten door de uitvoering van Richtlijn (EU) 2022/2523 dankzij controles van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing

Jaarlijkse beoordeling van de automatische uitwisseling van inlichtingen (bron: belastingdiensten van de lidstaten)

1.5.Motivering van het voorstel/initiatief 

1.5.1.Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief

Het voorstel zal gebruikmaken van de praktische regelingen die momenteel in het kader van de DAC worden toegepast. Door middel van een uitvoeringshandeling zal worden voorzien in een specifiek schema voor de automatische uitwisseling van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing.

Het eerste boekjaar van toepassing van Richtlijn 2022/2523/EU is 2024, en de indiening van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing door groepen die binnen het toepassingsgebied vallen, moet uiterlijk 15 maanden na het einde van het boekjaar plaatsvinden (artikel 44, lid 7, van Richtlijn 2022/2523/EU). De lidstaten moeten de eerste informatie uiterlijk zes maanden na de nationale indieningsdatum toezenden.

1.5.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de Unie (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van de deelname van de Unie” verstaan de waarde die een optreden van de Unie oplevert bovenop de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.

Een maatregel op het niveau van de EU zal meerwaarde opleveren ten opzichte van initiatieven van individuele lidstaten op dit gebied. De Raad heeft Richtlijn 2022/2523/EU aangenomen, waarin materiële regels zijn vastgesteld voor de berekening van de belastingverplichtingen van MNO’s die binnen het toepassingsgebied vallen. Om de harmonisatie van de regels niet verloren te laten gaan in de uitvoeringsfase, is het noodzakelijk om ook op EU-niveau actie te ondernemen op het gebied van de aangiftemodellen.

Bovendien zouden MNO’s die binnen het toepassingsgebied van de regels vallen, zonder een kader voor de uitwisseling van inlichtingen te maken krijgen met lokale indieningsvereisten die door elke lidstaat afzonderlijk worden vastgesteld, wat zou betekenen dat alle groepsentiteiten van de groep de volledige informatie voor de groep zouden moeten verstrekken aan hun respectieve lokale belastingdiensten, wat in sommige gevallen een onmogelijke verplichting kan blijken te zijn. Optreden van de EU is daarom van essentieel belang, aangezien het kader voor de uitwisseling van inlichtingen niet op het niveau van de lidstaten kan worden gewaarborgd.

1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan

Rapportage per land, dat reeds is opgenomen in Richtlijn 2011/16/EU, zoals gewijzigd, vereist rapportage op zeer hoog niveau van de MNO’s die binnen het toepassingsgebied vallen. De betrokken gegevens kunnen alleen worden gebruikt voor risicobeheerdoeleinden en maken op zichzelf geen extra belasting mogelijk. Het nieuwe kader van Richtlijn 2022/2523/EU is gericht op een minimumniveau van belastingheffing voor de MNO’s die binnen het toepassingsgebied ervan vallen. Dit voorstel zorgt voor een adequaat uitvoeringskader, zodat de lidstaten de inlichtingen kunnen verkrijgen die nodig zijn om het vereiste minimumniveau van de verschuldigde belastingen te kunnen controleren en innen.

1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten

Aangezien het voorstel strekt tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking, zal voor de toepassing ervan gebruik kunnen worden gemaakt van de procedures, regelingen en IT-instrumenten die in het kader van die richtlijn al zijn vastgesteld of nog worden ontwikkeld.

1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking

De kosten voor de uitvoering van het initiatief zullen worden gefinancierd uit de EU-begroting voor wat betreft de centrale onderdelen van het systeem voor automatische inlichtingenuitwisseling. Voor het overige zullen de lidstaten de beoogde maatregelen uitvoeren.

1.6.Duur en financiële gevolgen van het voorstel/initiatief

 beperkte geldigheidsduur

   van kracht vanaf [DD/MM]JJJJ tot en met [DD/MM]JJJJ

   Financiële gevolgen vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor vastleggingskredieten en vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor betalingskredieten.

 onbeperkte geldigheidsduur

Uitvoering met een opstartperiode vanaf 2024,

gevolgd door een volledige ingebruikneming in 2026.

1.7.Wijze(n) van uitvoering van de begroting 

 Direct beheer door de Commissie

door haar diensten, waaronder het personeel in de delegaties van de Unie;

   door de uitvoerende agentschappen

 Gedeeld beheer met de lidstaten

 Indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken toe te vertrouwen aan:

derde landen of de door hen aangewezen organen;

internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke);

de EIB en het Europees Investeringsfonds;

de in de artikelen 70 en 71 van het Financieel Reglement bedoelde organen;

publiekrechtelijke organen;

privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, voor zover zij zijn voorzien van voldoende financiële garanties;

privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die voldoende financiële garanties bieden;

organen waaraan of personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het GBVB uit hoofde van titel V van het VEU is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling.

Verstrek, indien meer dan een beheersvorm is aangekruist, extra informatie onder “Opmerkingen”.

Opmerkingen

Dit voorstel bouwt voort op de bestaande structuren en systemen voor de automatische uitwisseling van inlichtingen die zijn opgezet uit hoofde van artikel 21 van Richtlijn 2011/16/EU en in het kader van eerdere wijzigingen. De Commissie moet samen met de lidstaten een gestandaardiseerd elektronisch formaat voor de uitwisseling van inlichtingen ontwikkelen door middel van uitvoeringsmaatregelen. Wat betreft het CCN-netwerk dat de uitwisseling van inlichtingen tussen de lidstaten mogelijk zal maken, is de Commissie verantwoordelijk voor de ontwikkeling en exploitatie van dat netwerk en verbinden de lidstaten zich ertoe de passende nationale infrastructuur te creëren om de inlichtingenuitwisseling via het CCN-netwerk mogelijk te maken.

2.BEHEERSMAATREGELEN 

2.1.Regels inzake het toezicht en de rapportage 

Vermeld frequentie en voorwaarden.

De Commissie zal de werking van de maatregel toetsen aan de belangrijkste beleidsdoelstellingen. Het toezicht en de evaluatie zullen worden uitgevoerd in overeenstemming met de andere elementen van de administratieve samenwerking.

De lidstaten dienen jaarlijks gegevens in bij de Commissie voor de informatie die is vermeld in de bovenstaande tabel over prestatie-indicatoren die zullen worden gebruikt om toe te zien op de naleving van dit voorstel.

De lidstaten verbinden zich ertoe:

- om de Commissie in kennis stellen van een jaarlijkse beoordeling van de doeltreffendheid van de automatische uitwisseling van inlichtingen waarin is voorzien bij Richtlijn 2011/16/EU en waarnaar wordt verwezen in de artikelen 8, 8 bis, 8 bis bis, 8 bis ter, 8 bis quater en ook in het voorgestelde artikel 8 bis sexies;

- om een lijst van statistische gegevens te verstrekken die door de Commissie wordt vastgesteld volgens de procedure van artikel 26, lid 2 (uitvoeringsmaatregelen), met het oog op de evaluatie van deze richtlijn;

- om de Commissie jaarlijks in kennis stellen van de resultaten van hun beoordeling van de doeltreffendheid van de administratieve samenwerking. Overeenkomstig artikel 27 van Richtlijn 2011/16/EU moet de Commissie om de vijf jaar, te rekenen vanaf 1 januari 2013, een verslag over de toepassing van de richtlijn indienen.

2.2.Beheers- en controlesyste(e)m(en) 

2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde beheersvorm(en), uitvoeringsmechanisme(n) voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie

De uitvoering van het initiatief zal afhangen van de bevoegde autoriteiten (belastingdiensten) van de lidstaten. Zij zullen verantwoordelijk zijn voor de financiering van hun eigen nationale systemen en van de aanpassingen die nodig zijn om de uitwisselingen te laten plaatsvinden.

De Commissie zal de infrastructuur voor de uitwisselingen tussen de belastingautoriteiten van de lidstaten opzetten. De IT-systemen die zijn opgezet voor het huidige toepassingsgebied van de DAC zullen ook voor dit initiatief worden gebruikt. De Commissie zal de aanpassingen van de voor de uitwisselingen benodigde systemen financieren; deze zullen de voornaamste aspecten van controle ondergaan, namelijk die voor aanbestedingscontracten, technische verificatie van de aanbesteding, verificatie vooraf van vastleggingen en verificatie vooraf van betalingen.

2.2.2.Informatie over de geïdentificeerde risico’s en het (de) systeem (systemen) voor interne controle dat is (die zijn) opgezet om die risico’s te beperken

De voorgestelde richtlijn zal gebaseerd zijn op een aangiftesysteem, wat het risico van niet-aangifte of onjuiste aangifte door binnen het toepassingsgebied vallende MNO’s impliceert. Om de algehele naleving van de aangifteverplichting te kunnen beoordelen, moeten de lidstaten jaarlijks relevante statistieken aan de Commissie rapporteren. Daarnaast zullen de nationale belastingdiensten verantwoordelijk zijn voor de handhaving van sancties en meer in het algemeen voor de naleving van de voorgestelde richtlijn. Ook zullen de nationale belastingdiensten controles kunnen uitvoeren om niet-naleving op te sporen en te ontmoedigen.

Het internecontrolesysteem zal financieel worden ondersteund door het Fiscalis-programma in overeenstemming met Verordening (EU) 2021/847 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021, door de verstrekking van financiering voor:

gezamenlijke acties (bv. in de vorm van projectgroepen);

de ontwikkeling van de technische specificaties, met inbegrip van het XML-schema.

De belangrijkste elementen van de controlestrategie zijn de volgende:

Aanbestedingscontracten

De in het Financieel Reglement vastgestelde procedures voor de controle op overheidsopdrachten: opdrachten worden pas geplaatst nadat de diensten van de Commissie de standaardprocedure voor de verificatie van betalingen hebben verricht, rekening houdend met contractuele verplichtingen en goed financieel en algemeen beheer. In alle contracten die door de Commissie en de begunstigden worden gesloten, zullen fraudebestrijdingsmaatregelen (controles, rapporten enz.) worden opgenomen. Voor ieder contract wordt een afzonderlijk bestek opgesteld, dat als basis voor het contract zal dienen. Het opleveringsproces verloopt strikt volgens de TEMPO-methodologie van DG TAXUD: de op te leveren goederen of diensten worden geëvalueerd, indien nodig aangepast en ten slotte uitdrukkelijk aanvaard (of geweigerd). Facturen kunnen niet worden betaald zonder een “brief van aanvaarding”.

Technische verificatie bij opdrachten

DG TAXUD controleert de op te leveren goederen of diensten en oefent toezicht uit op de door de contractanten verrichte werkzaamheden of verleende diensten. DG TAXUD voert ook regelmatig kwaliteits- en veiligheidscontroles bij zijn contractanten uit. Bij kwaliteitscontroles wordt onderzocht of de contractanten daadwerkelijk handelen volgens de in hun kwaliteitsplannen vastgestelde regels en procedures. Bij veiligheidscontroles worden de specifieke processen, procedures en organisatie onderzocht.

Bovenop voornoemde controles verricht DG TAXUD ook de traditionele financiële controles:

Verificatie vooraf van vastleggingen

Alle vastleggingen bij DG TAXUD worden door het hoofd van de eenheid Financiën, openbare aanbestedingen en naleving geverifieerd. Dit betekent dat 100 % van de vastgelegde kredieten aan verificatie vooraf wordt onderworpen. Deze procedure geeft een hoge mate van zekerheid voor wat betreft de wettigheid en de regelmatigheid van de verrichtingen.

Verificatie vooraf van betalingen

100 % van de betalingen wordt vooraf gecontroleerd. Bovendien wordt iedere week willekeurig ten minste één betaling (uit alle uitgavencategorieën) geselecteerd voor een extra verificatie vooraf door het hoofd van de eenheid Financiën, openbare aanbestedingen en naleving. Wat de dekking van de verificatie betreft, is geen streefcijfer vastgesteld, omdat het de bedoeling is om de betalingen “willekeurig” te controleren om na te gaan of alle betalingen zijn voorbereid volgens de regels. De overige betalingen worden op dagelijkse basis afgewikkeld volgens de geldende regels.

Verklaringen van de subgedelegeerde ordonnateurs

Alle subgedelegeerde ordonnateurs ondertekenen een verklaring bij het jaarlijkse activiteitenverslag voor het jaar in kwestie. Deze verklaringen dekken de verrichtingen in het kader van het programma. De subgedelegeerde ordonnateurs verklaren dat de verrichtingen met betrekking tot de uitvoering van de begroting hebben plaatsgevonden in overeenstemming met de beginselen van goed financieel beheer, dat de opgezette beheers- en controlesystemen voldoende zekerheid bieden ten aanzien van de wettigheid en de regelmatigheid van de verrichtingen, en dat de aan deze verrichtingen verbonden risico’s duidelijk geïdentificeerd zijn, er melding van is gemaakt en maatregelen zijn genomen om ze te ondervangen.

2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding van de controlekosten tot de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting) 

Dankzij deze controles heeft DG TAXUD voldoende zekerheid omtrent de kwaliteit en de regelmatigheid van de uitgaven en wordt het risico van niet-naleving beperkt. De hierboven beschreven controlestrategie brengt de potentiële risico’s onder het streefcijfer van 2 % en bestrijkt alle begunstigden. Nog andere extra maatregelen om de risico’s verder te beperken, zouden tot onevenredig hoge kosten leiden en zijn derhalve niet gepland. De totale kosten voor de uitvoering van de hierboven beschreven controlestrategie — voor alle uitgaven in het kader van het Fiscalis 2027-programma — zijn beperkt tot 1,6 % van de totale verrichte betalingen. Zij zullen naar verwachting op dit niveau blijven voor dit initiatief. De controlestrategie voor het programma elimineert het risico van niet-naleving nagenoeg volledig en blijft in verhouding tot de risico’s die zich voordoen.

2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden 

Vermeld de bestaande en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen, bijvoorbeeld in het kader van de fraudebestrijdingsstrategie.

Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) kan, overeenkomstig de bepalingen en procedures van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad 15 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad 16 , onderzoeken instellen, met inbegrip van controles en verificaties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is geweest van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten in verband met een subsidieovereenkomst of -besluit of een uit hoofde van deze verordening gefinancierd contract, waardoor de financiële belangen van de Unie zijn geschaad.

3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF 

3.1.Rubriek(en) van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven 

·Bestaande begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Begrotingsonderdeel

Soort
uitgave

Bijdrage

Nummer 03 04 0100

GK/NGK 17

van EVA-landen 18

van kandidaat-lidstaten en aspirant-kandidaten 19

van andere derde landen

andere bestemmings-ontvangsten

1 — Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

Verbetering van de werking van de belastingstelsels

Verschil

nr.

nr.

nr.

nr.

·Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Begrotingsonderdeel

Soort
uitgave

Bijdrage

Nummer

GK/NGK

van EVA-landen

van kandidaat-lidstaten en aspirant-kandidaten

van andere derde landen

andere bestemmings-ontvangsten

[XX.YY.YY.YY]

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten 

3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten 

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig

   Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Rubriek van het meerjarig financieel
kader

Nummer

Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

DG: TAXUD

Jaar
2024 20

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

Totaal

Beleidskredieten 

Begrotingsonderdeel 21 03.04.01

Vastleggingen

(1a)

2,3 22

0

0,65

0,35

3,3

Betalingen

(2a)

0

2,3

0,65

0,35

3,3

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

Betalingen

(2b)

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 23  

Begrotingsonderdeel

(3)

TOTAAL kredieten voor
voor DG TAXUD

Vastleggingen

=1a+1b +3

2,3

0

0,65

0,35

3,3

Betalingen

=2a+2b

+3

0

2,3

0,65

0,35

3,3




Rubriek van het meerjarig financieel
kader

7

“Administratieve uitgaven”

Dit deel moet worden ingevuld aan de hand van de “administratieve begrotingsgegevens”, die eerst moeten worden opgenomen in de bijlage bij het financieel memorandum (bijlage 5 bij het Besluit van de Commissie betreffende de interne uitvoeringsvoorschriften voor de afdeling “Commissie” van de algemene begroting van de Europese Unie), te uploaden in DECIDE met het oog op overleg tussen de diensten.

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Jaar 2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL

DG: TAXUD

□ Personele middelen

0,712

0,712

0,534

0,534

2,492

□ Andere administratieve uitgaven

0,005

0,005

0,003

0,002

0,015

TOTAAL DG TAXUD

Kredieten

0,717

0,717

0,537

0,536

2,507

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

3.2.2.Geraamde output, gefinancierd met beleidskredieten 

Vastleggingskredieten, in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Vermeld doelstellingen en outputs

Jaar 2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL

Soort 24

Gem. kosten

nr.

Kosten

nr.

Kosten

nr.

Kosten

nr.

Kosten

Totaal

Totale kosten

SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 1 25

Specificaties

0,5

0,5

Ontwikkeling

1,0

1,0

Onderhoud

0,2

0,1

0,3

Ondersteuning

0,3

0,35

0,15

0,8

Opleiding

0,4

0,4

ITSM-infrastructuur

0,1

0,1

0,1

0,3

ITSM — hosting

ITSM — licenties

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1

0,0

2,3

0,65

0,35

3,3

TOTALEN

0,0

2,3

0,65

0,35

3,3

3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten 

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig

   Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Jaar
2024 26

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL

RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader

Personele middelen

0,712

0,712

0,534

0,534

2,492

Andere administratieve uitgaven

0,005

0,005

0,003

0,002

0,015

Subtotaal RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader

0,717

0,717

0,537

0,536

2,507

Buiten RUBRIEK 7 27
van het meerjarig financieel kader

Personele middelen

Andere adminstratieve
uitgaven

Subtotaal
Buiten RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader

TOTAAL

0,717

0,717

0,537

0,536

2,507

De benodigde kredieten voor personeel en andere administratieve uitgaven zullen worden gefinancierd uit de kredieten van het DG die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.

3.2.3.1.Geraamde personeelsbehoeften

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig.

Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

Raming in voltijdequivalenten

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar 2026

Jaar 2027

20 01 02 01 (centrale diensten en vertegenwoordigingen van de Commissie)

4

4

3

3

20 01 02 03 (delegaties)

01 01 01 01 (onderzoek onder contract)

01 01 01 11 (eigen onderzoek)

Ander begrotingsonderdeel (te vermelden)

20 02 01 (AC, END, INT van de “totale financiële middelen”)

20 02 03 (AC, AL, END, INT en JPD in de delegaties)

XX 01 xx yy zz 28

- in centrale diensten

- in delegaties

01 01 01 02 (AC, END, INT — onderzoek onder contract)

01 01 01 12 (AC, END, INT — eigen onderzoek)

Ander begrotingsonderdeel (te vermelden)

TOTAAL

4

4

3

3

XX is het beleidsterrein of de begrotingstitel.

Voor de benodigde personele middelen zal een beroep worden gedaan op het personeel van het DG dat reeds voor het beheer van deze actie is toegewezen en/of binnen het DG is herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.

Beschrijving van de uit te voeren taken:

Ambtenaren en tijdelijk personeel

drie extra administrateurs, die nodig zijn voor de voorbereiding van vergaderingen en de correspondentie met de lidstaten en werkzaamheden op het gebied van uitvoeringsverordeningen en IT-formaten.

De vraag om personeel betreft een aanvulling op het huidige personeelsbestand van DG TAXUD. Een goede uitvoering van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie (de pijler 2-richtlijn) is van het grootste belang voor de werking van de interne markt en voor het concurrentievermogen van de EU. Bovendien zal dit leiden tot een aanzienlijke lastenverlichting voor de MNO-groepen die binnen het toepassingsgebied vallen.

Deze werkzaamheden zijn ook opgenomen in de opdrachtbrief van de kandidaat-commissaris die verantwoordelijk is voor belastingen, namelijk om met de lidstaten samen te werken aan de uitvoering van de mondiale overeenkomst inzake internationale belastinghervorming, die een effectief minimumbelastingtarief invoert voor multinationale ondernemingen die actief zijn in de EU.

Nieuwe verantwoordelijkheden die uit deze wetgeving voortvloeien, kunnen niet worden gedekt door het bestaande personeel. Aangezien dit een doorlopende taak is, zullen de werkzaamheden ook na 2027 worden voortgezet.

Extern personeel

n.v.t.

3.2.4.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader 

Het voorstel/initiatief:

   kan volledig worden gefinancierd door middel van herschikking binnen de relevante rubriek van het meerjarig financieel kader (MFK).

De uitvoering zal worden gefinancierd door middel van een herschikking van middelen uit het bestaande Fiscalis-programma voor 2024-2027.

   vereist dat een beroep wordt gedaan op de niet-toegewezen marge in de desbetreffende rubriek van het MFK en/of op de speciale instrumenten zoals gedefinieerd in de MFK-verordening.

Zet uiteen wat nodig is, onder vermelding van de betrokken rubrieken en begrotingsonderdelen, de desbetreffende bedragen en de voorgestelde instrumenten.

   vereist een herziening van het MFK.

Zet uiteen wat nodig is, onder vermelding van de betrokken rubrieken en begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen.

3.2.5.Bijdragen van derden 

Het voorstel/initiatief:

   voorziet niet in medefinanciering door derden

   voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:

Kredieten in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Jaar
N 29

Jaar
N+1

Jaar
N+2

Jaar
N+3

Vul zoveel jaren in als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)

Totaal

Medefinancieringsbron 

TOTAAL medegefinancierde kredieten

3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten 

Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten.

   Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:

   voor de eigen middelen

   voor overige ontvangsten

geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven    

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten:

Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten

Gevolgen van het voorstel/initiatief 30

Jaar
N

Jaar
N+1

Jaar
N+2

Jaar
N+3

Vul zoveel jaren in als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)

Artikel ………….

Vermeld voor de toegewezen ontvangsten het (de) betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven.

Andere opmerkingen (bv. over de methode/formule voor de berekening van de gevolgen voor de ontvangsten of andere informatie).

(1)    PB L 328 van 22.12.2022, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2022/2523/oj. http://data.europa.eu/eli/dir/2022/2523/oj
(2)    OESO (2023), Tax Challenges Arising from the Digitalisation of the Economy — GloBE Information Return (Pillar Two), OECD Publishing, Parijs, https://doi.org/10.1787/91a49ec3-en.
(3)    Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/679/oj).
(4)    Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1725/oj).
(5)    COM(2023) 168 final.
(6)    PB C , , blz. .
(7)    PB C , , blz. .
(8)    Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie (PB L 328 van 22.12.2022, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2022/2523/oj ).
(9)    Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2011/16/oj).
(10)    OESO (2021), Tax Challenges Arising from Digitalisation of the Economy — Global Anti-Base Erosion Model Rules (Pillar Two): Inclusive Framework on BEPS, OECD/G20 Base Erosion and Profit Shifting Project, OECD Publishing, Parijs, https://doi.org/10.1787/782bac33-en.
(11)    OESO (2023), Tax Challenges Arising from the Digitalisation of the Economy — GloBE Information Return (Pillar Two), OECD Publishing, Parijs, https://doi.org/10.1787/91a49ec3-en.
(12)    Ibidem.
(13)    PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_interinstit/2016/512/oj.
(14)    In de zin van artikel 58, lid 2, punt a) of b), van het Financieel Reglement.
(15)    Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.
(16)    Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden, PB L 292 van 15.11.96, blz. 2.
(17)    GK = gesplitste kredieten/NGK = niet-gesplitste kredieten.
(18)    EVA: Europese Vrijhandelsassociatie.
(19)    Kandidaat-lidstaten en, in voorkomend geval, aspirant-kandidaten van de Westelijke Balkan.
(20)    Het jaar N is het jaar waarin met de uitvoering van het voorstel/initiatief wordt begonnen. Vervang “N” door het verwachte eerste jaar van uitvoering (bijvoorbeeld: 2021). Hetzelfde voor de volgende jaren.
(21)    Volgens de officiële begrotingsnomenclatuur.
(22)    De plaatsing zal van start gaan in 2024, met als afsluitingsdatum 31.12.2025 2025
(23)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek onder contract, eigen onderzoek.
(24)    Outputs zijn de te verstrekken producten en diensten (bv.: aantal gefinancierde studentenuitwisselingen, aantal km aangelegde wegen enz.).
(25)    Zoals beschreven in punt 1.4.2. “Specifieke doelstelling(en)...”
(26)    Het jaar N is het jaar waarin met de uitvoering van het voorstel/initiatief wordt begonnen. Vervang “N” door het verwachte eerste jaar van uitvoering (bijvoorbeeld: 2021). Hetzelfde voor de volgende jaren.
(27)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek onder contract, eigen onderzoek.
(28)    Subplafond voor extern personeel uit beleidskredieten (vroegere “BA”-onderdelen).
(29)    Het jaar N is het jaar waarin met de uitvoering van het voorstel/initiatief wordt begonnen. Vervang “N” door het verwachte eerste jaar van uitvoering (bijvoorbeeld: 2021). Hetzelfde voor de volgende jaren.
(30)    Voor traditionele eigen middelen (douanerechten en suikerheffingen) moeten nettobedragen worden vermeld, d.w.z. na aftrek van 20 % aan inningskosten.

Brussel, 28.10.2024

COM(2024) 497 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een richtlijn van de Raad


tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen


“BIJLAGE VII

Regels en formulier voor de indiening van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing

DEEL I

Definities

Voor de toepassing van deze bijlage gelden de volgende definities:

(1)“Uitvoerende lidstaat”: een lidstaat die voor het gegeven verslagjaar een gekwalificeerde regel inzake inkomeninclusie (IIR) of een gekwalificeerde regel inzake onderbelaste winst (UTPR) zoals gedefinieerd in artikel 3 van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad, of beide heeft uitgevoerd.

(2)“Lidstaat die alleen een gekwalificeerde binnenlandse bijheffing (QDTT) toepast”: een lidstaat die voor het gegeven verslagjaar een gekwalificeerde binnenlandse minimumbijheffing zoals gedefinieerd in artikel 3 van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad heeft ingevoerd.

(3)“Aangifte met informatie betreffende de bijheffing”: de informatieaangifte die wordt ingediend door een uiteindelijkemoederentiteit, een aangewezen indieningsentiteit, een aangewezen lokale entiteit of een groepsentiteit waarvoor het formulier is opgenomen in deel III van deze bijlage.

(4)“Algemeen onderdeel”: het deel van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing dat algemene informatie bevat over de MNO-groep als geheel, met inbegrip van haar vennootschapsstructuur en een samenvatting op hoog niveau van de toepassing van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad, en dat overeenkomt met deel 1 van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing.

(5)“Onderdeel over rechtsgebieden”: de delen van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing die informatie bevatten over de gedetailleerde toepassing van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad met betrekking tot elk rechtsgebied waar de MNO-groep actief is, en die overeenkomen met de delen 2 en 3 van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing.

(6)“Verslagjaar”: het boekjaar waarop de aangifte met informatie betreffende de bijheffing betrekking heeft.

DEEL II

INDIENINGSVEREISTEN

1.De groepsentiteit die de aangifte met informatie betreffende de bijheffing indient, moet vaststellen welke onderdelen moeten worden verspreid aan welke lidstaten overeenkomstig de in artikel 8 bis sexies bedoelde verspreidingsaanpak.

2.Omvangrijke binnenlandse groepen moeten de aangifte met informatie betreffende de bijheffing zoals opgenomen in deel III van deze bijlage gebruiken om te voldoen aan hun rapportageverplichtingen uit hoofde van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad.

DEEL III

GEGEVENSPUNTEN

1.Informatie over de MNO-groep

1.1.Identificatie van de indienende groepsentiteit

1. De uiteindelijkemoederentiteit (UME) is de indienende groepsentiteit

2. Naam van de indienende groepsentiteit

3. Fiscaal identificatienummer (FIN)

4. Rol

5. Rechtsgebied waar de indienende groepsentiteit is gevestigd

6. Ontvangend rechtsgebied voor informatie-uitwisseling (indien relevant)

Ja/nee

1.2.Algemene informatie over de MNO-groep

1.2.1.MNO-groep en verslagjaar

1. Naam van de MNO-groep

2. Begindatum van het verslagjaar

3. Einddatum van het verslagjaar

4. Gewijzigde aangifte

Ja/nee

1.2.2.Algemene informatie met betrekking tot de financiële verslaglegging van de MNO

1. Geconsolideerde jaarrekening van de UME (soort)

2. Voor de geconsolideerde jaarrekening van de UME gebruikte standaard voor financiële verslaglegging

3. Voor de geconsolideerde jaarrekening van de UME gebruikte rapportagevaluta (ISO-code)

1.3.Vennootschapsstructuur

1.3.1.Uiteindelijkemoederentiteit

1. Rechtsgebied van de UME

2. Toepasselijke regels?

3. Naam van de UME

4. FIN van de UME

5. FIN van de UME in het rechtsgebied van indiening (indien anders, en indien van toepassing)

6. Status voor de toepassing van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad*

__________________________

*Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie (PB L 328 van 22.12.2022, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2022/2523/oj).

7. Of de UME een uitgesloten entiteit is — soort

1.3.2.Groepsentiteiten (anders dan de UME) en leden van jointventuregroepen

1.3.2.1.Groepsentiteiten en leden van jointventuregroepen

Wijzigingen

1. Wijzigingen ten opzichte van het voorgaande verslagjaar?

Ja/nee

Rechtsgebied

2. Rechtsgebied

3. Toepasselijke regels?

Identificatie van de groepsentiteit, joint venture of met een joint venture gelieerde partij

4. Naam van de groepsentiteit, joint venture of met een joint venture gelieerde partij

5. FIN

6. FIN voor het rechtsgebied van indiening (indien van toepassing)

7. Status voor de toepassing van de pijler 2-richtlijn

Identificatie van de groepsentiteit, de joint venture of de met een joint venture gelieerde partij

Voor elke entiteit die eigendomsbelangen heeft in de groepsentiteit, de joint venture of de met een joint venture gelieerde partij:

8.Soort

9.FIN (voor groepsentiteiten en leden van jointventuregroepen)

10.Aangehouden eigendomsbelang (%)

Indien de groepsentiteit een partieel gehouden moederentiteit of een tussenliggende moederentiteit is, moet de entiteit een gekwalificeerde IIR toepassen?

11. Status van de moederentiteit

12. Indien de tussenliggende moederentiteit geen IIR toepast omdat de UME is onderworpen aan een gekwalificeerde IIR of omdat er een andere tussenliggende moederentiteit is die een zeggenschapsbelang in de UME houdt en is onderworpen aan een gekwalificeerde IIR, identificeer de UME of de andere tussenliggende moederentiteit (FIN)

13. Indien de partieel gehouden moederentiteit geen IIR toepast omdat een andere partieel gehouden moederentiteit die is onderworpen aan een gekwalificeerde IIR 100 % van haar eigendomsbelangen bezit, identificeer welke andere partieel gehouden moederentiteit verplicht is een gekwalificeerde IIR toe te passen (FIN)

Is de UTPR van toepassing op de entiteit?

14. Is het beginstadium van de internationale activiteit van toepassing?

Ja/nee

15. Geaggregeerde eigendomsbelangen (respectievelijk het toerekenbare deel van de bijheffing) van moederentiteiten die een gekwalificeerde IIR moeten toepassen op de groepsentiteit (respectievelijk het lid van de jointventuregroep) (in %)

16. Zijn de eigendomsbelangen van de UME in de groepsentiteit (respectievelijk het aan de UME toerekenbare deel van de bijheffing voor het lid van de jointventuregroep) groter dan de geaggregeerde eigendomsbelangen (respectievelijk het toerekenbare deel) van moederentiteiten die verplicht zijn een gekwalificeerde IIR toe te passen in die groepsentiteit (respectievelijk het lid van de jointventuregroep)?

Ja/nee

1.3.2.2.Uitgesloten entiteiten

1. Wijzigingen ten opzichte van het voorgaande verslagjaar?

Ja/nee

2. Naam van de uitgesloten entiteit

3. Soort uitgesloten entiteit

1.3.3.Wijzigingen in de vennootschapsstructuur die zich hebben voorgedaan tijdens het verslagjaar

Zijn wijzigingen in de vennootschapsstructuur die zich tijdens het verslagjaar hebben voorgedaan, niet gerapporteerd omdat ze geen invloed hebben gehad op de berekening van het effectieve belastingtarief of op de berekening of toerekening van de bijheffing?

Ja/nee

1. Naam van de groepsentiteit (of een andere entiteit van de MNO-groep) of het lid van de jointventuregroep

2. FIN

3. Datum van de wijziging

4. Status vóór de wijziging

5. Status na de wijziging

6. Entiteiten die voor of na de wijziging eigendomsbelangen hadden in die groepsentiteit (of andere entiteit) of dat lid van een jointventuregroep

7. Entiteiten die voor of na de wijziging eigendomsbelangen hadden in die groepsentiteit (of andere entiteit) of dat lid van een jointventuregroep (%)

8. In die groepsentiteit (of andere entiteit) of dat lid van een jointventuregroep aangehouden eigendomsbelangen (%)

1.4.Samenvattende informatie op hoog niveau

1. Naam van het rechtsgebied

2. Soort

Subgroep (indien van toepassing)

3. Identificatie van de subgroep (indien van toepassing)

4. Na(a)m(en) van het/de rechtsgebied(en) met heffingsbevoegdheid

5. Veilige haven of uitsluiting toegepast?

6. Effectief belastingtarief (bandbreedte)

7. Heeft de toepassing van de op substance gebaseerde inkomensuitzondering geresulteerd in een bijheffing van nul?

8. Verschuldigde bijheffing (gekwalificeerde binnenlandse bijheffing) — bandbreedte

9. Verschuldigde bijheffing (gekwalificeerde IIR/gekwalificeerde UTPR) — bandbreedte

[Voeg de relevante optie in]

[Voeg de relevante optie in]

Ja/nee

[Voeg de relevante optie in]

[Voeg de relevante optie in]

2.Veilige havens en uitsluitingen voor een rechtsgebied

2.1.Kenmerken van het rechtsgebied

1. Naam van het rechtsgebied

2. Soort subgroep (indien van toepassing)

3. Identificatie van de subgroep (indien van toepassing)

2.2.Uitzonderingen die van toepassing zijn op dit rechtsgebied (bijheffing verlaagd tot nul)

2.2.1.Keuze van veilige haven voor een rechtsgebied

2.2.1.1.Keuze voor veilige haven

1. Gekozen veilige haven

[Voeg de relevante optie in]

2.2.1.2.Permanente veilige havens

Vereenvoudigde berekening voor niet-materiële groepsentiteiten

1.    Totale opbrengsten van alle niet-materiële groepsentiteiten in het rechtsgebied

2.    Geaggregeerde vereenvoudigde belasting van alle niet-materiële groepsentiteiten in het rechtsgebied

a.    Verslagjaar

b.    1e voorgaande boekjaar (indien van toepassing)

n.v.t.

c.    2e voorgaande boekjaar (indien van toepassing)

n.v.t.

d.    Gemiddelde over de drie boekjaren (indien van toepassing)

n.v.t.

2.2.1.3.Veilige overgangshavens

(a)Veilige overgangshavens (rapportage per land)

1. Totale opbrengsten

2. Winst (verlies) vóór inkomstenbelasting

3. Vereenvoudigde betrokken belastingen

(b)Veilige UTPR-overgangshavens

2.2.2.Keuze voor de de-minimisuitzondering

  Keuze voor toepassing van de de-minimisuitzondering voor het verslagjaar

1. Opbrengsten (jaarrekening)

2. Kwalificerende opbrengsten

3. Netto-inkomen of -verlies uit de financiële verslaglegging

4. Kwalificerend inkomen of verlies

a.    Verslagjaar

b.    1e voorgaande boekjaar (indien van toepassing)

c.    2e voorgaande boekjaar (indien van toepassing)

d.    Gemiddelde over de drie boekjaren

2.3.MNO-groep in het beginstadium van de internationale activiteit (indien van toepassing)

1. Eerste dag van het eerste boekjaar waarin de MNO-groep aanvankelijk onder de toepassing van de regels valt

2. Referentierechtsgebied

3. Nettoboekwaarde van de materiële activa in het referentierechtsgebied voor het boekjaar waarin de MNO-groep aanvankelijk onder de toepassing van de regels valt

4. Aantal rechtsgebieden waar de MNO-groep groepsentiteiten heeft voor het boekjaar waarin de MNO-groep aanvankelijk onder de toepassing van de regels valt

5. Materiële activa van groepsentiteiten buiten het referentierechtsgebied voor het boekjaar waarin de MNO-groep aanvankelijk onder de toepassing van de regels valt

a.    Rechtsgebied

b. Nettoboekwaarde van de materiële activa van alle groepsentiteiten die binnen elk rechtsgebied zijn gevestigd

6. Aantal rechtsgebieden waar de MNO-groep groepsentiteiten heeft tijdens het verslagjaar

7. Som van de nettoboekwaarden van materiële activa van alle groepsentiteiten die zijn gevestigd in andere rechtsgebieden dan het referentierechtsgebied gedurende het verslagjaar

3.Berekeningen

3.1.Kenmerken van het rechtsgebied

1. Naam van het rechtsgebied

2. Soort subgroep (indien van toepassing)

3. Identificatie van de subgroep (indien van toepassing) voor de berekening van het effectieve belastingtarief en de bijheffing

3.2.Berekening van het effectieve belastingtarief

3.2.1.Effectieve belastingtarief

a. Netto-inkomen of -verlies uit de financiële verslaglegging

b. Kwalificerend netto-inkomen of -verlies

c. Lasten uit hoofde van winstbelastingen

d. Aangepaste betrokken belastingen

e. Effectieve belastingtarief

[A]

[B]

[C] = [B] / [A]

3.2.1.1.Berekening van het kwalificerende inkomen of verlies

1. Geaggregeerd netto-inkomen of -verlies uit de financiële verslaglegging na toerekeningen (alle groepsentiteiten in het rechtsgebied)

2. Aanpassingen

Nettobedrag

(a)Nettobelastinglast

(b)Uitgesloten dividenden

(c)Uitgesloten vermogenswinst of -verlies

(d)Inbegrepen winst of verlies op basis van de herwaarderingsmethode

(e)Uitgesloten winst of verlies uit vervreemding van activa en verplichtingen wegens reorganisatie

(f)Asymmetrische winst of verlies uit wisselkoersverschillen

(g)Beleidshalve niet-toegestane lasten

(h)Fouten in een voorgaande periode

(i)Wijzigingen in verslagleggingsbeginselen

(j)Last voor opgebouwd pensioen

(k)Schuldkwijtscheldingen

(l)Aandelengerelateerde vergoeding

(m)Arm’s length-correcties

(n)Gekwalificeerd terugbetaalbaar belastingtegoed of verhandelbaar overdraagbaar belastingtegoed

(o)Keuze voor winsten en verliezen op basis van het realisatiebeginsel

(p)Keuze voor gecorrigeerde winst met betrekking tot activa

(q)Last van intragroepsfinancieringsregeling

(r)Keuze voor intragroepstransacties in hetzelfde rechtsgebied

(s)Aan polishouders in rekening gebrachte belastingen voor verzekeringsmaatschappijen

(t)Toename/afname van het eigen vermogen toegerekend aan betaalde/te betalen of ontvangen/te ontvangen uitkeringen van aanvullend tier 1-kapitaal

(u)Groepsentiteiten die zich aansluiten bij een MNO-groep of deze verlaten

(v)Vermindering van het kwalificerende inkomen van de UME die een doorstroomentiteit is

(w)Vermindering van het kwalificerende inkomen van de UME die is onderworpen aan een aftrekbaardividendregime

(x)Keuze voor de methode van belastbare uitkering

(y)Inkomen uit internationale scheepvaart

(``)Transacties tussen groepsentiteiten

3. Kwalificerend netto-inkomen of -verlies van het rechtsgebied

3.2.1.2.Berekening van aangepaste betrokken belastingen

(a)Totale aangepaste betrokken belastingen

1. Geaggregeerde belastinglast in het lopende jaar met betrekking tot betrokken belastingen na toerekeningen (alle groepsentiteiten in het rechtsgebied)

2. Aanpassingen

Nettobedrag

(a)Betrokken belastingen die in de financiële rekeningen zijn opgebouwd als een last in de winst vóór belastingen

(b)Uitgestelde belastingvorderingen voor een kwalificerend verlies dat is vastgesteld of gebruikt

(c)Betrokken belastingen met betrekking tot een onzekere belastingsituatie die in het voorgaande jaar is geregistreerd als een vermindering van de betrokken belastingen

(d)Gekwalificeerde terugbetaalbare belastingtegoeden of verhandelbare overdraagbare belastingtegoeden die zijn geregistreerd als een vermindering op de belastinglasten van het lopende jaar

(e)Gekwalificeerde doorstroombelastingtegoeden van gekwalificeerde eigendomsbelangen

(f)Belastinglasten van het lopende jaar over inkomen dat is uitgesloten van het kwalificerende inkomen of verlies

(g)Niet-gekwalificeerde terugbetaalbare belastingtegoeden, niet-verhandelbare overdraagbare belastingtegoeden of andere belastingtegoeden die niet zijn geregistreerd als een vermindering op de belastinglasten van het lopende jaar

(h)Terugbetaalde of verrekende betrokken belastingen (uitgezonderd gekwalificeerde terugbetaalbare belastingtegoeden of verhandelbare overdraagbare belastingtegoeden) die niet als een aanpassing van belastinglasten van het lopende jaar zijn aangemerkt

(i)Belastinglasten van het lopende jaar ter zake van een onzekere belastingsituatie

(j)Belastinglasten van het lopende jaar die naar verwachting niet binnen drie jaar na afloop van het verslagjaar zullen worden betaald

(k)Aanpassingen na indiening

(l)Betrokken belastingen met betrekking tot nettowinst of -verlies op activa

(m)Vermindering van de betrokken belastingen van de UME die een doorstroomentiteit is

(n)Betrokken belastingen voor het kwalificerende inkomen van de UME dat wordt verminderd uit hoofde van een aftrekbaardividendregime

(o)Fictieve inhouding

(p)Keuze voor de methode van belastbare uitkering

(q)Totaalbedrag van de aanpassing voor uitgestelde belastingen

(r)Toename of afname van betrokken belastingen die zijn geregistreerd in het eigen vermogen of de gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten met betrekking tot bedragen die zijn opgenomen in het kwalificerende inkomen of verlies dat zal worden onderworpen aan belasting uit hoofde van lokale belastingregels

(s)Overdracht van ontstane overtollige negatieve belastinglasten

(t)Afname van betrokken belastingen (maar niet tot onder nul) met het resterende saldo van de overdracht van overtollige negatieve belastinglasten

3. Aangepaste betrokken belastingen

(b)Overdracht van overtollige negatieve belastinglasten

1.    Saldo van voorgaande jaren

[A]

2.    Overdracht van in het verslagjaar ontstane overtollige negatieve belastinglasten

[B]

3.    Overdracht van voor het verslagjaar gebruikte overtollige negatieve belastinglasten

[C]

4.    Overdracht van resterende overtollige negatieve belastinglasten voor latere jaren

[D] = [A] + [B] – [C]

(c)Berekening voor een samengevoegd fiscaal overgangsregime inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen (indien van toepassing)

1. Rechtsgebieden van gecontroleerde buitenlandse vennootschappen

2. Subgroep

3. Geaggregeerde belastingen die aan die subgroep zijn toegewezen in het kader van een samengevoegd fiscaal regime inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen

Totaal

3.2.2.Berekeningen op basis van rechtsgebied inzake de registratie van uitgestelde belastingen

3.2.2.1.Aanpassingen voor uitgestelde belastingen

(a)Samenvatting op hoog niveau

1.    Bedrag van de uitgestelde belastinglast

[A]

2.    Herberekening van de uitgestelde belastinglast tegen het minimumbelastingtarief, waarbij:

[B] = [C] + [D]

3.    De herberekening leidt tot een verhoging van de uitgestelde belastingvordering die is geboekt tegen een lager belastingtarief dan het minimumbelastingtarief

[C]

4.    De herberekening houdt verband met de uitgestelde belastinglast die is geboekt tegen een hoger belastingtarief dan het minimumbelastingtarief

[D]

5.    Totaalbedrag van de aanpassingen

[E]

6.    Totaalbedrag van de aanpassing voor uitgestelde belastingen

[F] = [B] +/- [E]

(b)Opsplitsing van de aanpassingen

1.    Aanpassingen voor de uitgestelde belastinglast

Nettobedrag

(a)Uitgestelde belastinglasten ter zake van bestanddelen die niet zijn meegenomen in de berekening van het kwalificerende inkomen of verlies

(b)Uitgestelde belastinglasten ter zake van niet-toegestane belastingopbouw

(c)Uitgestelde belastinglasten ter zake van niet-gebruikte belastingopbouw

(d)Waarderingsaanpassing of aanpassing van de financieel administratieve verwerking ter zake van een uitgestelde belastingvordering

(e)Uitgestelde belastinglasten die voortvloeien uit een herwaardering ter zake van een wijziging in het belastingtarief

(f)Uitgestelde belastinglasten ter zake van het ontstaan en het gebruik van belastingtegoeden

(g)Vervangende uitgestelde belastingvordering die toerekenbaar is aan een verliesoverdracht of fictieve vervangende uitgestelde belastingvordering die toerekenbaar is aan een verliesoverdracht

(h)In de loop van het boekjaar betaalde niet-toegestane belastingopbouw of niet-gebruikte belastingopbouw

(i)In de loop van het boekjaar betaalde teruggenomen uitgestelde belastingverplichting

(j)Verwerking van een uitgestelde belastingvordering voor een verlies dat niet in de financiële rekeningen is opgenomen

(k)Aanpassing van uitgestelde belastinglasten die voortvloeit uit een verlaging van het belastingtarief

(l)Aanpassing van uitgestelde belastinglasten die voortvloeit uit een verhoging van het belastingtarief

(m)Groepsentiteiten die zich aansluiten bij een MNO-groep of deze verlaten

(n)Uitgestelde belastinglasten van de UME die een doorstroomentiteit is

(o)Uitgestelde belastinglasten van de UME die is onderworpen aan een aftrekbaardividendregime

(p)Aanpassing van uitgestelde belastinglasten die voortvloeit uit transacties tussen groepsentiteiten

2.    Totaalbedrag van de aanpassingen

[E]

(c)Carry-back van verliezen

1.    Fictieve uitgestelde belastingvorderingen die toerekenbaar zijn aan carry-backs van verliezen

2.    Terugbetaalde betrokken belastingen die toerekenbaar zijn aan carry-backs van verliezen

a. Aan het voorgaande boekjaar X toegerekende bedrag

b. Aan het voorgaande boekjaar Y enz. toegerekende bedrag

c. Totaal

3.2.2.2.Terugneemmechanisme

1. Boekjaar

2. In aanmerking genomen uitgestelde belastingverplichting

3. Teruggedraaide uitgestelde belastingverplichting

4. Niet-teruggedraaide uitgestelde belastingverplichting

4e voorgaande boekjaar

3e voorgaande boekjaar

2e voorgaande boekjaar

1e voorgaande boekjaar

Verslagjaar

Totaal

5e voorgaande boekjaar

[A]

[B]

[C]

[D]

[E]

[F]

[G] = [B] + [C] + [D] + [E] + [F]

[H] = [A] – [G]

4e voorgaande boekjaar

Niet van toepassing

3e voorgaande boekjaar

Niet van toepassing

Niet van toepassing

2e voorgaande boekjaar

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

1e voorgaande boekjaar

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Verslagjaar

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

3.2.2.3.Overgangsregels

1. Overgangsjaar

(a)Uitgestelde belastingvorderingen en uitgestelde belastingverplichtingen aan het begin van het overgangsjaar

Uitgestelde belastingverplichtingen

1. Uitgestelde belastingverplichtingen aan het begin van het overgangsjaar

2. Uitgestelde belastingverplichtingen herberekend tegen het minimumbelastingtarief (indien van toepassing)

Uitgestelde belastingvorderingen

3. Uitgestelde belastingvorderingen aan het begin van het overgangsjaar

4. Uitgestelde belastingvorderingen herberekend tegen het minimumbelastingtarief (indien van toepassing)

5. Uitgestelde belastingvorderingen die voortvloeien uit uitgesloten posten

6. Uitgestelde belastingvorderingen die in aanmerking worden genomen voor de toepassing van de regels

[A]

[B]

[C]

[D] = [ [A] of [B], indien van toepassing] – [C]

(b)Overdracht van activa na 30 november 2021 en voor het begin van een overgangsjaar

1. Rechtsgebied van de vervreemdende entiteit

2. In verband met de transactie(s) betaalde belasting

3. Netto uitgestelde belastingvordering of -verplichting in de jaarrekening van de vervreemdende groepsentiteit(en)

4. Boekwaarde van de overgedragen activa voor de toepassing van de regels

5. Netto uitgestelde belastingvorderingen of -verplichtingen worden bepaald ter zake van de overgedragen activa voor de toepassing van de regels voor (de) verwervende groepsentiteit(en)

3.2.3.Keuze op basis van rechtsgebied(en) (indien van toepassing)

3.2.3.1.Keuze op basis van rechtsgebied(en)

(a)Keuze

1.    Jaarlijkse keuzen

a.    Keuze voor geaggregeerde vermogenswinst

b.    Keuze voor daling van de betrokken belastingen die van geen materieel belang is

c.    Keuze om de op substance gebaseerde inkomensuitzondering niet toe te passen

d.    Overdracht van negatieve belastinglasten

◻

2. Vijfjaarlijkse keuzen

3.

Keuzejaar

4.

Jaar van herroeping

e.    Keuze voor opneming van aandelenbeleggingen

f.    Keuze voor aandelengerelateerde vergoeding

g.    Keuze voor het realisatiebeginsel

h.    Keuze voor intragroepstransacties

5.    Andere keuzen

6.    Keuzejaar

7.    Jaar van herroeping

i.    Keuze met betrekking tot kwalificerend verlies

(b)Informatievereisten in verband met de keuze op basis van rechtsgebied(en)

1.    Opneming van vermogenswinst of -verlies in verband met de keuze voor opneming van aandelenbeleggingen

2.    Saldo van de belegging van de eigenaar in een gekwalificeerd eigendomsbelang van voorgaande jaren

[A]

3.    Aanvullingen op de belegging van de eigenaar in een gekwalificeerd eigendomsbelang

[B]

4.    Verminderingen op de belegging van de eigenaar in een gekwalificeerd eigendomsbelang

[C]

5.    Uitstaand saldo van de belegging van de eigenaar in een gekwalificeerd eigendomsbelang

[D] = [A] + [B] – [C]

3.2.3.2.Keuze voor fictieve inhoudingen

1. Keuze voor fictieve inhoudingen

(a)Terugneemmechanisme

1. Boekjaar

2.    Bedrag van de fictieve inhouding

3. Betaalde of gebruikte fictieve inhouding

4. Uitstaand saldo op een terugneemrekening voor

fictieve inhoudingen

3e voorgaande boekjaar

2e voorgaande boekjaar

1e voorgaande boekjaar

Verslagjaar

4e voorgaande boekjaar

3e voorgaande boekjaar

Niet van toepassing

2e voorgaande boekjaar

Niet van toepassing

Niet van toepassing

1e voorgaande boekjaar

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Verslagjaar

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

(b)Herberekening van het effectieve belastingtarief en de bijheffing

1.    Vermindering van de aangepaste betrokken belastingen voor een voorgaand verslagjaar

2.    Aanvullende bijheffing

3.    Vervreemdingsterugneemratio

[A]

[B]

[C]

3.2.4.Berekeningen voor groepsentiteiten

(a)Keuze voor het vereenvoudigde overgangskader voor rapportage op basis van rechtsgebied

1.    Kiest de MNO-groep ervoor om het vereenvoudigde overgangskader voor de rapportage op basis van rechtsgebied toe te passen?

Ja/nee

(b)Geaggregeerde rapportage voor fiscaal geconsolideerde groepen

1. Fiscaal geconsolideerde groep (FIN)

2. Geconsolideerde entiteiten (FIN)

3.2.4.1.Kwalificerend inkomen of verlies

(a)Aanpassingen van het netto-inkomen of -verlies uit de financiële verslaglegging

1. Groepsentiteit of lid van een jointventuregroep (FIN)

2. Netto-inkomen of -verlies uit de financiële verslaglegging na toerekeningen

3. Aanpassingen

Vermeerderingen

Verminderingen

(a)Nettobelastinglast

(b)Uitgesloten dividenden

(c)Uitgesloten vermogenswinst of -verlies

(d)Inbegrepen winst of verlies op basis van de herwaarderingsmethode

(e)Uitgesloten winst of verlies uit vervreemding van activa en verplichtingen wegens reorganisatie

(f)Asymmetrische winst of verlies uit wisselkoersverschillen

(g)Beleidshalve niet-toegestane lasten

(h)Fouten in een voorgaande periode

(i)Wijzigingen in verslagleggingsbeginselen

(j)Last voor opgebouwd pensioen

(k)Schuldkwijtscheldingen

(l)Aandelengerelateerde vergoeding

(m)Arm’s length-correcties

(n)Gekwalificeerd terugbetaalbaar belastingtegoed of verhandelbare overdraagbare belastingtegoeden

(o)Keuze voor winsten en verliezen op basis van het realisatiebeginsel

(p)Keuze voor gecorrigeerde winst met betrekking tot activa

(q)Last van intragroepsfinancieringsregeling

(r)Keuze voor intragroepstransacties in hetzelfde rechtsgebied

(s)Aan polishouders in rekening gebrachte belastingen voor verzekeringsmaatschappijen

(t)Toename/afname van het eigen vermogen toegerekend aan betaalde/te betalen of ontvangen/te ontvangen uitkeringen van aanvullend tier 1-kapitaal

(u)Groepsentiteiten die zich aansluiten bij een MNO-groep of deze verlaten

(v)Vermindering van het kwalificerende inkomen van de UME die een doorstroomentiteit is

(w)Vermindering van het kwalificerende inkomen van de UME die is onderworpen aan een aftrekbaardividendregime

(x)Keuze voor de methode van belastbare uitkering

(y)Inkomen uit internationale scheepvaart

(``)Transacties tussen groepsentiteiten

4. Kwalificerend inkomen of verlies van de groepsentiteit of het lid van een jointventuregroep

(b)Grensoverschrijdende toerekening van inkomen of verlies tussen een hoofdentiteit en een vaste inrichting en van een doorstroomentiteit

1. In dit rechtsgebied gevestigde groepsentiteit of leden van een jointventuregroepen, of staatloze groepsentiteit (FIN)

2. Netto-inkomen of -verlies uit de financiële verslaglegging vóór de aanpassing

3. Basis voor de aanpassing

4. Ander(e) groepsentiteit of lid van een jointventuregroep (FIN)

5. Rechtsgebied van de andere groepsentiteit of het andere lid van een jointventuregroep (FIN)

6. Vermeerderingen voor deze groepsentiteit

7. Verminderingen voor deze groepsentiteit

8. Netto-inkomen of -verlies uit de financiële verslaglegging na de aanpassing

(c)Grensoverschrijdende aanpassingen

1.    Groepsentiteit of lid van een jointventuregroep (FIN)

2. Basis voor de aanpassing

3. Ander(e) groepsentiteit of lid van een jointventuregroep (FIN)

4. Rechtsgebied van de andere groepsentiteit (ISO)

5. Vermeerderingen voor deze groepsentiteit

6. Verminderingen voor deze groepsentiteit

(d)Aanpassingen van het kwalificerende inkomen van de UME die een doorstroomentiteit is of die is onderworpen aan een aftrekbaardividendregime

1. Groepsentiteit (of lid van een jointventuregroep) die/dat in dit rechtsgebied is gevestigd (FIN)

2. Basis voor vermindering

3. Identificatie van houders van eigendomsbelangen of ontvangers van een dividend (zie opmerking)

4. Rechtstreeks aangehouden eigendomsbelang (%)

5. Verminderingen voor deze groepsentiteit

3.2.4.2.Aangepaste betrokken belastingen

(a)Aanpassingen van de belastinglasten van het lopende jaar in de financiële rekeningen

1. Groepsentiteit of lid van een jointventuregroep (FIN)

2. Belastinglasten van het lopende jaar in verband met betrokken belastingen na toerekeningen

3. Aanpassingen

Vermeerderingen

Verminderingen

(a)Betrokken belastingen die in de financiële rekeningen zijn opgebouwd als een last in de winst vóór belastingen

(b)Uitgestelde belastingvorderingen voor een kwalificerend verlies dat is vastgesteld of gebruikt

(c)Betrokken belastingen met betrekking tot een onzekere belastingsituatie die in het voorgaande jaar is geregistreerd als een vermindering van de betrokken belastingen

(d)Gekwalificeerd terugbetaalbaar belastingtegoed of verhandelbare overdraagbare belastingtegoeden die zijn geregistreerd als een vermindering op de belastinglasten van het lopende jaar

(e)Gekwalificeerde doorstroombelastingtegoeden van gekwalificeerde eigendomsbelangen

(f)Belastinglasten van het lopende jaar over inkomen dat is uitgesloten van het kwalificerende inkomen of verlies

(g)Niet-gekwalificeerde terugbetaalbare belastingtegoeden, niet-verhandelbare overdraagbare belastingtegoeden of andere belastingtegoeden die niet zijn geregistreerd als een vermindering op de belastinglasten van het lopende jaar

(h)Terugbetaalde of verrekende betrokken belastingen (uitgezonderd gekwalificeerde terugbetaalbare belastingtegoeden of verhandelbare overdraagbare belastingtegoeden) die niet als een aanpassing van belastinglasten van het lopende jaar zijn aangemerkt

(i)Belastinglasten van het lopende jaar ter zake van een onzekere belastingsituatie

(j)Belastinglasten van het lopende jaar die naar verwachting niet binnen drie jaar na afloop van het verslagjaar zullen worden betaald

(k)Aanpassingen na indiening

(l)Betrokken belastingen met betrekking tot nettowinst of -verlies op activa

(m)Vermindering van de betrokken belastingen van de UME die een doorstroomentiteit is

(n)Betrokken belastingen voor het kwalificerende inkomen van de UME dat wordt verminderd uit hoofde van een aftrekbaardividendregime

(o)Fictieve inhouding

(p)Keuze voor de methode van belastbare uitkering

(q)Totaalbedrag van de aanpassing voor uitgestelde belastingen

(r)Toename of afname van betrokken belastingen die zijn geregistreerd in het eigen vermogen of de gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten met betrekking tot bedragen die zijn opgenomen in het kwalificerende inkomen of verlies dat zal worden onderworpen aan belasting uit hoofde van lokale belastingregels

4. Aangepaste betrokken belastingen

(b)Kruiselingse toerekening van belastingen

1. In dit rechtsgebied gevestigde groepsentiteit of staatloze

groepsentiteit (of lid van een jointventuregroep) (FIN)

2. Betrokken belastingen van de groepsentiteit (of het lid van de jointventuregroep) vóór de aanpassing

3. Basis voor de aanpassing

4. Ander(e) groepsentiteit of lid van een jointventuregroep (FIN)

5. Rechtsgebied van de ander groepsentiteit of het andere lid van een jointventuregroep (FIN)

6. Vermeerderingen voor deze groepsentiteit

7. Verminderingen voor deze groepsentiteit

8. Betrokken belastingen van de groepsentiteit (of het lid van de jointventuregroep) na de aanpassing

(c)Uitgestelde belastinglast

1.    Groepsentiteit of lid van een jointventuregroep (FIN)

2.    Bedrag van de uitgestelde belastinglast

3.    Aanpassingen voor de uitgestelde belastinglast

Vermeerderingen

Verminderingen

(a)Uitgestelde belastinglasten ter zake van bestanddelen die niet zijn meegenomen in de berekening van het kwalificerende inkomen of verlies

(b)Uitgestelde belastinglasten ter zake van niet-toegestane belastingopbouw

(c)Uitgestelde belastinglasten ter zake van niet-gebruikte belastingopbouw

(d)Waarderingsaanpassing of aanpassing van de financieel administratieve verwerking ter zake van een uitgestelde belastingvordering

(e)Uitgestelde belastinglasten die voortvloeien uit een herwaardering ter zake van een wijziging in het belastingtarief

(f)Uitgestelde belastinglasten ter zake van het ontstaan en het gebruik van belastingtegoeden

(g)Vervangende uitgestelde belastingvordering die toerekenbaar is aan een verliesoverdracht of fictieve vervangende uitgestelde belastingvordering die toerekenbaar is aan een verliesoverdracht

(h)In de loop van het boekjaar betaalde niet-toegestane belastingopbouw of niet-gebruikte belastingopbouw

(i)In de loop van het boekjaar betaalde teruggenomen uitgestelde belastingverplichting

(j)Verwerking van een uitgestelde belastingvordering voor een verlies dat niet in de financiële rekeningen is opgenomen

(k)Aanpassing van uitgestelde belastinglasten die voortvloeit uit een verlaging van het belastingtarief

(l)Aanpassing van uitgestelde belastinglasten die voortvloeit uit een verhoging van het belastingtarief

(m)Groepsentiteiten die zich aansluiten bij een MNO-groep of deze verlaten

(n)Uitgestelde belastinglasten van de UME die een doorstroomentiteit is

(o)Uitgestelde belastinglasten van de UME die is onderworpen aan een aftrekbaardividendregime

(p)Aanpassing van uitgestelde belastinglasten die voortvloeit uit transacties tussen groepsentiteiten

4.    Totaalbedrag van de aanpassing voor uitgestelde belastingen

3.2.4.3.Keuzen voor een groepsentiteit (of keuzen die van toepassing zijn op een lid van een jointventuregroep)

1.    Groepsentiteiten (of leden van een jointventuregroep) waarvoor een keuze wordt gemaakt (FIN)

2.    Jaarlijkse keuzen

a. Keuze voor schuldkwijtschelding

b. Keuze voor niet-gebruikte belastingopbouw

3.    Vijfjaarlijkse keuzen

4. Keuzejaar

5. Jaar van herroeping

c. Keuze om een entiteit niet te behandelen als uitgesloten entiteit

d. Opneming van alle dividenden van deelnemingen in aandelenportefeuilles

e. Behandeling van valutawinsten of -verliezen die kunnen worden toegerekend aan afdekking als een uitgesloten vermogenswinst of -verlies

f. Keuze voor fiscale transparantie van beleggingsentiteiten

g. Keuze voor de methode van belastbare uitkering

h.    Keuze voor reële waarde

1. Groepsentiteiten (of leden van een jointventuregroep) waarvoor de keuze wordt gemaakt (FIN)

2. Boekjaar van het triggering event

3. Opneming van het triggering event in het boekjaar of vijfjaarse opneming

3.2.4.4.Uitsluiting van inkomen uit internationale scheepvaart

(a)Uitsluiting van inkomen uit internationale scheepvaart

1.    Groepsentiteit of lid van een jointventuregroep die/dat in dit rechtsgebied is gevestigd (FIN)

Inkomen uit internationale scheepvaart

2.    Categorie

3.    Opbrengsten

[A]

4.    Kosten

[B]

5.    Inkomen uit internationale scheepvaart

[C] = [A] – [B]

Inkomen uit gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart

6.    Categorie

7.    Opbrengsten

[D]

8.    Kosten

[E]

9.    Inkomen uit gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart

[F] = [D] – [E]

Effect op op substance gebaseerde inkomensuitzondering

10.    Loonkosten die toerekenbaar zijn aan het uitgesloten inkomen uit internationale scheepvaart of inkomen uit gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart

11.    Boekwaarde van de materiële activa die zijn gebruikt voor het genereren van het uitgesloten inkomen uit internationale scheepvaart of inkomen uit gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart

Betrokken belastingen

12.    Betrokken belastingen die toerekenbaar zijn aan het uitgesloten inkomen uit internationale scheepvaart of inkomen uit gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart

(b)Limiet per rechtsgebied voor het uitgesloten inkomen uit gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart

1.    Totale inkomen uit internationale scheepvaart voor alle groepsentiteiten (of leden van een jointventuregroep)

[A]

2.    Limiet van 50 %

50 % × [A]

3.    Totale inkomen uit gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart voor alle groepsentiteiten (of leden van een jointventuregroep)

[B]

4.    Overschrijding van de limiet als B hoger is dan 50 % van A

[B] –50% × [A]

3.2.4.5.Informatie met het oog op de keuze om de methode van belastbare uitkering toe te passen (indien van toepassing)

Keuze voor de methode van belastbare uitkering

1. Groepsentiteiteigenaar (of lid van een jointventuregroep) waarvoor een keuze wordt gemaakt (FIN)

2. Beleggingsentiteit waarvoor de keuze wordt gemaakt

3. Daadwerkelijke of fictieve uitkeringen uit het door de eigenaar van de groepsentiteit ontvangen kwalificerend inkomen van de beleggingsentiteit

4. Lokale verrekenbare compensatie (“gross-up”) van belasting betaald door de beleggingsentiteit

5. Evenredige aandeel van de eigenaar van de groepsentiteit in het niet-uitgekeerde netto kwalificerend inkomen van de beleggingsentiteit

3.2.4.6.Andere standaard voor financiële verslaglegging

1. Groepsentiteit (of lid van een jointventuregroep) met een netto inkomen of -verlies uit de financiële verslaglegging op basis van een andere standaard voor financiële verslaglegging (FIN)

2. Aanvaardbare of goedgekeurde standaard voor financiële verslaglegging

3.3.Berekening van de bijheffing

3.3.1.Bijheffing

a.    Bijheffing (%)

b. Op substance gebaseerde inkomensuitzondering

c.    Overwinsten

d. Aanvullende bijheffing

e.    Binnenlandse bijheffing

f.    Bijheffing

[A] = 15 % - effectieve belastingtarief

[B]

[C] = kwalificerend netto-inkomen of -verlies – [B]

[D]

[E]

= [A] × [C] + [D] – [E]

3.3.2.Berekening van op substance gebaseerde inkomensuitzondering (indien van toepassing)

3.3.2.1.Totaalbedrag van de op substance gebaseerde inkomensuitzondering

Uitzondering voor de loonkosten

Uitzondering voor materiële activa

Totaal

1. Relevante in aanmerking komende loonkosten van in aanmerking komende werknemers die activiteiten in het rechtsgebied uitoefenen

2. Toepassing van het relevante opslagpercentage voor het verslagjaar

3. Boekwaarde van de relevante overgedragen materiële activa in het rechtsgebied

4. Toepassing van het relevante opslagpercentage voor het verslagjaar

5. Op substance gebaseerde inkomensuitzondering

[A]

[B]

[C]

[D]

[E] = [A] × [B] + [C] × [D]

3.3.2.2.Toerekening van in aanmerking komende loonkosten en boekwaarde van in aanmerking komende materiële activa aan vaste inrichtingen voor de toepassing van de op substance gebaseerde inkomensuitzondering

1.    Relevante in aanmerking komende loonkosten

2.    Boekwaarde van de relevante overgedragen materiële activa

3.    Rechtsgebied(en) van vaste inrichting(en)

4.    Relevante in aanmerking komende loonkosten die zijn toegerekend aan vaste inrichtingen

5.    Boekwaarde van de relevante overgedragen materiële activa die zijn toegerekend aan vaste inrichtingen

3.3.2.3.Toerekening van in aanmerking komende loonkosten en boekwaarde van in aanmerking komende materiële activa van een doorstroomentiteit voor de toepassing van de op substance gebaseerde inkomensuitzondering

1. Relevante in aanmerking komende loonkosten

2. Boekwaarde van de relevante overgedragen materiële activa

3. Rechtsgebied(en) van eigenaars van groepsentiteiten (of leden van een jointventuregroep)

4. Relevante in aanmerking komende loonkosten die zijn toegerekend aan de eigenaar van een groepsentiteit (of zijn uitgesloten)

5. Boekwaarde van de relevante overgedragen materiële activa die zijn toegerekend aan de eigenaar van een groepsentiteit (of zijn uitgesloten)

3.3.3.Aanvullende bijheffing in het lopende jaar

3.3.3.1.Aanvullende bijheffing anders dan in het geval van een kwalificerend nettoverlies in het verslagjaar

1. Toepasselijke artikelen

2. Toepasselijke jaar

3. Zoals eerder gerapporteerd of herberekend

4. Kwalificerend netto-inkomen of -verlies

5. Aangepaste betrokken belastingen

6. Effectief belastingtarief

7. Overwinst

8. Bijheffing (%)

9. Bijheffing

10. Aanvullende bijheffing

Voorgaande boekjaar X

a. Eerder gerapporteerd

b. Herberekend

3.3.3.2.Aanvullende bijheffing in het geval van een kwalificerend nettoverlies voor het verslagjaar

1.    Aangepaste betrokken belastingen voor het rechtsgebied (indien van toepassing)

[A]

2.    Kwalificerend verlies voor het rechtsgebied

[B]

3.    Verwachte aangepaste betrokken belastingen

[C] = [B] × 15%

4.    Aanvullende bijheffing

[D] = [C] – [A]

3.3.4.Gekwalificeerde binnenlandse bijheffing

1.    Standaard voor financiële verslaglegging

2.    Bedrag van de verschuldigde gekwalificeerde binnenlandse bijheffing

3.    Minimumtarief van de gekwalificeerde binnenlandse bijheffing (indien hoger dan 15 %)

4.    Basis voor de vermenging van inkomsten en belastingen (indien verschillend van de IIR-regels)

5.    Gebruikte valuta (indien verschillend van de rapportagevaluta van de geconsolideerde jaarrekening)

6.    Op substance gebaseerde inkomensuitzondering?

Ja/nee

7.    De-minimisuitzondering beschikbaar?

Ja/nee

3.4.Toerekening van de bijheffing (indien van toepassing)

3.4.1.Toepassing van de IIR op dit rechtsgebied

1. Groepsentiteit waaraan de bijheffing is toegerekend

a.    Laagbelast(e) groepsentiteit of lid van een jointventuregroep (FIN)

b.    Kwalificerend inkomen van de laagbelaste groepsentiteit of het laagbelaste lid van een jointventuregroep

[A]

c.    Bijheffing van de laagbelaste groepsentiteit of het laagbelaste lid van een jointventuregroep

[C] = [T] × [A] / [A+B+enz]

2. Moederentiteiten die een gekwalificeerde IIR moeten toepassen

a.    Moederentiteit (FIN)

[Moederentiteit 1]

b.    Rechtsgebied van de moederentiteit

Rechtsgebied B

c.    Bedrag aan kwalificerend inkomen dat toerekenbaar is aan door andere eigenaars aangehouden eigendomsbelangen

[D]

d.    Opnemingsratio van de moederentiteit

[F] = ([A] – [D]) / [A]

3. IIR-bijheffing

a.    Aan de moederentiteit toerekenbare deel van de bijheffing

[G] = [C] × [F]

b.    IIR-verrekening

[H]

c.    Door de moederentiteit verschuldigde bijheffing

[I] = [G] – [H]

3.4.2.Totaalbedrag van de UTPR-bijheffing voor dit rechtsgebied

1. Laagbelast(e) groepsentiteit (of lid van een jointventuregroep) waarop de verlaging van de UTPR-bijheffing tot nul niet van toepassing is (FIN)

2. Bijheffing die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de totale UTPR-bijheffing voor elke laagbelaste groepsentiteit

3. Totaalbedrag van de UTPR-bijheffing voor dit rechtsgebied

3.4.3.Toerekening van de bijheffing uit hoofde van de UTPR

1. UTPR-rechtsgebieden

2. Overgedragen UTPR-bijheffing

3. Aantal personeelsleden

4. Nettoboekwaarde van de materiële activa

5. UTPR-percentage

6. Bedrag van de UTPR-bijheffing dat toerekenbaar aan het verslagjaar

7. Extra contante belastinglast van groepsentiteiten in het UTPR-rechtsgebied

8. Over te dragen UTPR-bijheffing

Totaal