Brussel, 8.10.2024

COM(2024) 443 final

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

inzake het standpunt dat namens de Europese Unie in het bij de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels opgerichte Gemengd Comité moet worden ingenomen over de wijziging van Besluit Nr. 1/2023 van het Gemengd Comité teneinde daarin overgangsbepalingen op te nemen met betrekking tot de wijzigingen van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels met ingang van 1 januari 2025


TOELICHTING

1.Onderwerp van het voorstel

De Europese Unie is een ondertekenende partij bij de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels en is vertegenwoordigd in het bij die conventie opgerichte Gemengd Comité. Dit voorstel betreft het besluit tot bepaling van het namens de Unie in het Gemengd Comité in te nemen standpunt met betrekking tot de voorgenomen vaststelling vaneen besluit houdende overgangsbepalingen met betrekking tot de toepassing van de conventie met ingang van 1 januari 2025.

2.Achtergrond van het voorstel

2.1.De Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels

De Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels 1 (de conventie) bevat bepalingen over de oorsprong van goederen die op grond van de desbetreffende overeenkomsten tussen de partijen worden verhandeld.

De conventie vormt een multilateraal kader van oorsprongsregels voor een netwerk van vrijhandelsovereenkomsten en vindt toepassing zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de desbetreffende overeenkomsten zijn vastgelegd. De conventie voorziet in de toepassing van diagonale cumulatie tussen de 25 partijen bij de conventie, te weten de Europese Unie, IJsland, Liechtenstein, Noorwegen, Zwitserland, Algerije, Egypte, Israël, Jordanië, Libanon, Marokko, Palestina 2 , Syrië, Tunesië, Turkije, Albanië, Bosnië en Herzegovina, Noord-Macedonië, Montenegro, Servië, Kosovo 3*, de Faeröer, de Republiek Moldavië, Georgië en Oekraïne (de partijen). De conventie is voor de Unie op 1 mei 2012 in werking getreden.

De conventie is gewijzigd bij Besluit Nr. 1/2023 van het Gemengd Comité van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels van 7 december 2023 over de wijziging van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2025 4 .

2.2.Het Gemengd Comité

Het bij artikel 3, lid 1, van de conventie opgerichte Gemengd Comité stelt wijzigingen van de conventie vast en zorgt overeenkomstig artikel 4 van de conventie voor het beheer en een correcte uitvoering ervan. Overeenkomstig artikel 12 van het reglement van orde van het Gemengd Comité worden besluiten van het comité aangenomen met eenparigheid van stemmen van de partijen waarvoor de conventie in werking is getreden en die op de vergadering van het comité aanwezig of vertegenwoordigd zijn.

De partijen waarvoor de conventie in werking is getreden, hebben stemrecht. Iedere partij heeft één stem.

2.3.De beoogde handeling van het Gemengd Comité

Het Gemengd Comité zal op zijn 16e vergadering een besluit vaststellen houdende tijdelijke bepalingen met betrekking tot de toepassing van de conventie met ingang van 1 januari 2025 (de beoogde handeling).

De beoogde handeling strekt ertoe tijdelijke bepalingen vast te stellen voor een periode van één jaar. De tijdelijke bepalingen zullen de ononderbroken toepassing van diagonale cumulatie en de toekenning van preferentiële behandeling in het kader van de conventie waarborgen.

De beoogde handeling zal voor de partijen bindend zijn overeenkomstig artikel 4, lid 3, punt a), waarin het volgende is bepaald: “Het Gemengd Comité stelt bij besluit wijzigingen op de conventie, ook van de aanhangsels, vast.” In artikel 4, lid 3, laatste zin, is het volgende bepaald: “De in dit lid bedoelde besluiten worden door de partijen bij de overeenkomst ten uitvoer gelegd overeenkomstig hun eigen wetgeving.”

Deze wijziging van Besluit Nr. 1/2023 van het Gemengd Comité moet op 1 januari 2025 in werking treden.

3.Namens de Unie in te nemen standpunt

De conventie vindt toepassing op grond van een verwijzing ernaar die is opgenomen in de protocollen inzake oorsprongsregels bij de desbetreffende bilaterale overeenkomsten tussen de partijen.

Momenteel zijn de cumulatiemogelijkheden in het pan-Euromediterrane gebied (PEM) gebaseerd op een netwerk van overeenkomsten tussen de partijen, die in de toepassing van identieke oorsprongsregels voorzien. Het gaat hier om de huidige regels van de conventie en de bilaterale protocollen betreffende de definitie van het begrip “producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking die dateren van vóór de conventie (de protocollen die dateren van vóór de conventie).

Parallel hieraan is een reeks regels die op facultatieve basis van toepassing zijn op de conventie in afwachting van de sluiting en inwerkingtreding van de wijziging van de overeenkomst (de overgangsregels), op 1 september 2021 in werking getreden op bilaterale basis.

De conventie is gewijzigd bij Besluit Nr. 1/2023 van het Gemengd Comité van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels van 7 december 2023, dat op 1 januari 2025 in werking zal treden. Het juridische gevolg hiervan is dat de huidige regels van de conventie en de overgangsregels vanaf die datum niet langer van toepassing zullen zijn.

Verschillende partijen hebben het secretariaat van het Gemengd Comité meegedeeld dat zij hun protocollen inzake oorsprongsregels niet vóór 1 januari 2025 zullen kunnen actualiseren met een verwijzing naar de herziene regels van de conventie, omdat hun interne procedures meer tijd vragen.

Dit kan ertoe leiden dat sommige partijen de herziene regels van de conventie zullen toepassen, terwijl andere nog altijd de huidige regels van de conventie of de protocollen die dateren van vóór de conventie, zullen toepassen. Dit kan de huidige mogelijkheden van diagonale cumulatie verstoren, wat gevolgen zou hebben voor de handelsstromen in het PEM-gebied.

Wanneer de overgang naar de herziene regels van de conventie niet gelijktijdig plaatsvindt voor alle partijen, mag dit er niet toe leiden dat er een minder gunstige situatie ontstaat dan wat momenteel mogelijk is op grond van het bestaande rechtskader.

Daarom moet er gedurende een periode van één jaar worden voorzien in tijdelijke bepalingen met betrekking tot de toepassing van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane oorsprongsregels. Dit zal de ononderbroken toepassing van diagonale cumulatie en de toekenning van preferentiële behandeling in het kader van de conventie waarborgen totdat het proces van aanpassing van alle bilaterale protocollen aan de herziene regels van de conventie is voltooid.

De tijdelijke bepalingen moeten betrekking hebben op het volgende:

·De mogelijkheid om aanspraak te maken op preferentiële behandeling bij voorlegging van bewijzen van oorsprong die vóór 1 januari 2025 zijn afgegeven overeenkomstig de toepasselijke oorsprongsregels op het moment van afgifte, binnen de geldigheidsperiode van het bewijs of daarna, zoals toegestaan.

·Administratieve samenwerking bij de controle van bewijzen van oorsprong die volgens de verschillende reeksen regels zijn afgegeven.

·Voortzetting van de toepassing van de huidige regels van de conventie gedurende één jaar, parallel aan de herziene regels van de conventie.

·Het waarborgen van de traceerbaarheid van bewijzen van oorsprong die zijn afgegeven overeenkomstig de twee reeksen regels die parallel van toepassing zijn, door in de bewijzen van oorsprong een vermelding op te nemen.

·De ononderbroken toepassing van diagonale cumulatie tussen de partijen bij de overgang van de verschillende reeksen oorsprongsregels die vóór 1 januari 2025 van toepassing zijn, naar de herziene regels van de conventie.

·De garantie dat de herziene regels van de conventie vanaf 1 januari 2026 van toepassing zullen zijn tussen alle partijen. Daartoe geven de partijen op gezette tijden een stand van zaken met betrekking tot de actualisering van hun bilaterale protocollen.

Om ervoor te zorgen dat de handelsstromen op basis van de huidige cumulatiemogelijkheden blijven lopen totdat het proces van aanpassing van alle bilaterale PEM-protocollen aan de herziene regels van de conventie is voltooid, moeten de huidige regels van de conventie van toepassing blijven tussen de partijen waarvoor de herziene regels van de conventie in werking treden.

De huidige regels van de conventie zouden parallel aan de herziene regels van toepassing zijn, waardoor marktdeelnemers kunnen kiezen tussen de twee reeksen oorsprongsregels, afhankelijk van de bestaande toeleveringsketens.

De herziene regels van de conventie en de huidige regels van de conventie zullen twee onderscheiden cumulatiezones creëren.

De herziene regels van de conventie moeten voorzien in permeabiliteit tussen de twee reeksen oorsprongsregels door de toepassing van de in artikel 7 bedoelde cumulatie mogelijk te maken, op voorwaarde dat de betrokken producten aan de vereisten van beide reeksen regels voldoen.

De partijen die de herziene regels van de conventie toepassen, zijn overeengekomen dat een overeenkomstig de huidige regels van de conventie afgegeven bewijs van oorsprong automatisch als geldig moet worden beschouwd in het kader van de herziene regels van de conventie. Aangezien de herziene regels van de conventie over het algemeen minder streng zijn dan de huidige regels van de conventie, kunnen goederen die aan de huidige regels voldoen, ook worden aangemerkt als van oorsprong krachtens de herziene regels van de conventie, met uitzondering van sommige landbouwproducten die zijn ingedeeld onder de hoofdstukken 2, 4 tot en met 15, 16 (behalve verwerkte visserijproducten) en de hoofdstukken 17 tot en met 24.

De permeabiliteit moet worden beperkt tot uitsluitend producten waarvoor de herziene regels van de conventie soepeler zijn dan de huidige regels van de conventie.

Alleen producten die aan de huidige regels van de conventie voldoen, kunnen in het kader van de herziene regels van de conventie als van oorsprong worden beschouwd.

De voorgestelde wijziging zou dus in wezen inhouden dat het bestaande systeem in het PEM-gebied wordt gekopieerd, waarbij de overgangsregels en de huidige regels van de conventie parallel aan elkaar worden toegepast.

4.Rechtsgrondslag

4.1.Procedurele rechtsgrondslag

4.1.1.Beginselen

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.

Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt 5 ”.

4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval

Het Gemengd Comité is een lichaam dat is opgericht krachtens een overeenkomst, te weten de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels.

De door het Gemengd Comité vast te stellen handeling is een handeling met rechtsgevolgen. De beoogde handeling zal overeenkomstig artikel 4, lid 3, van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels uit hoofde van het volkenrecht bindend zijn.

De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de conventie.

De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.

4.2.Materiële rechtsgrondslag

4.2.1.Beginselen

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt moet worden ingenomen.

4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval

De doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats betrekking op het gemeenschappelijk handelsbeleid.

De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 207, lid 4, eerste alinea, VWEU.

4.3.Conclusie

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.

5.Bekendmaking van de beoogde handeling

Aangezien de handeling van het Gemengd Comité de conventie zal wijzigen, is het passend de handeling na de vaststelling ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend te maken.

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

inzake het standpunt dat namens de Europese Unie in het bij de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels opgerichte Gemengd Comité moet worden ingenomen over de wijziging van Besluit Nr. 1/2023 van het Gemengd Comité teneinde daarin overgangsbepalingen op te nemen met betrekking tot de wijzigingen van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels met ingang van 1 januari 2025

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)De Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels (de conventie) is door de Unie gesloten bij Besluit 2013/94/EU 6 van de Raad en is voor de Unie op 1 mei 2012 in werking getreden.

(2)Overeenkomstig artikel 4, lid 1, en artikel 4, lid 3, punt a), van de conventie kan het bij de conventie opgerichte Gemengd Comité (Gemengd Comité) bij besluit wijzigingen op de conventie vaststellen.

(3)Het Gemengd Comité zal tijdens zijn 16e vergadering een besluit vaststellen houdende overgangsbepalingen met betrekking tot de toepassing van de conventie met ingang van 1 januari 2025.

(4)De conventie is gewijzigd bij Besluit Nr. 1/2023 7 van het Gemengd Comité, dat op 1 januari 2025 in werking zal treden. De partijen bij de conventie zijn het erover eens dat er tijdelijke bepalingen nodig zijn om de handelsstromen op basis van de huidige cumulatiemogelijkheden in stand te houden, totdat het proces van aanpassing van alle bilaterale protocollen aan de herziene regels van de conventie is voltooid.

(5)De partijen bij de conventie zijn het erover eens dat de tijdelijke bepalingen van toepassing zijn voor een periode van één jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de wijziging van de conventie in werking treedt tot en met 31 december 2025.

(6)Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité, aangezien het besluit van het Gemengd Comité voor de Unie bindend zal zijn,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen op de 16e vergadering van het Gemengd Comité, is gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerp van handeling van het Gemengd Comité.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Commissie.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    PB L 54 van 26.2.2013, blz. 4.
(2)    Deze benaming mag niet worden uitgelegd als een erkenning van een staat Palestina en laat de individuele standpunten van de lidstaten ter zake onverlet.
(3) *    Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet en is in overeenstemming met Resolutie 1244 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.
(4)    PB L, 2024/390, 19.2.2024.
(5)    Arrest van het Hof van Justitie van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad, C-399/12, ECLI:EU:C:2014:2258, punten 61 tot en met 64.
(6)    PB L 54 van 26.2.2013.
(7)    Besluit Nr. 1/2023 van het Gemengd Comité van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels van 7 december 2023 over de wijziging van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels (PB L, 2024/390, 19.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2024/390/oj).

Brussel, 8.10.2024

COM(2024) 443 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een besluit van de Raad

inzake het standpunt dat namens de Europese Unie in het bij de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels opgerichte Gemengd Comité moet worden ingenomen over de wijziging van Besluit Nr. 1/2023 van dat Gemengd Comité teneinde daarin overgangsbepalingen op te nemen met betrekking tot de wijzigingen van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels met ingang van 1 januari 2025


BIJLAGE

Ontwerp

Besluit Nr. X/2024 VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE REGIONALE CONVENTIE BETREFFENDE DE PAN-EUROMEDITERRANE PREFERENTIËLE OORSPRONGSREGELS

van XX/XX/2024

tot wijziging van Besluit Nr. 1/2023 van het Gemengd Comité houdende toevoeging van overgangsbepalingen met betrekking tot de wijzigingen van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels met ingang van 1 januari 2025

HET GEMENGD COMITÉ,

Gezien de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels (de conventie), en met name artikel 4, lid 1, en artikel 4, lid 3, punt a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)De partijen bij de conventie hebben overeenstemming bereikt over de wijziging van de conventie, die moet voorzien in een nieuw systeem van gemoderniseerde en flexibelere oorsprongsregels. Besluit nr. 1/2023 over de wijziging van de conventie is op 7 december 2023 aangenomen en zal op 1 januari 2025 1 in werking treden (de herziene regels van de conventie).

(2)De partijen zijn het erover eens dat er overgangsbepalingen nodig zijn ter verduidelijking van de preferentiële behandeling die moet worden verleend aan goederen die vóór de inwerkingtreding van de herziene regels van de conventie uit een partij worden uitgevoerd en nadien in een andere partij worden ingevoerd.

(3)Bewijzen van oorsprong die vóór 1 januari 2025 in een partij zijn afgegeven of opgesteld overeenkomstig de regels voor de facultatieve toepassing van de conventie in afwachting van de sluiting en inwerkingtreding van de wijziging van de conventie, moeten worden aanvaard voor preferentiële behandeling bij invoer na 1 januari 2025.

(4)Bewijzen van oorsprong die zijn afgegeven of opgesteld overeenkomstig aanhangsel I van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels 2 of die zijn afgegeven overeenkomstig de protocollen betreffende de definitie van het begrip “producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking die dateren van voor de conventie, vóór de datum van inwerkingtreding van de wijziging van de bilaterale protocollen tussen de partijen met de toevoeging van een verwijzing naar de conventie zoals laatstelijk gewijzigd, moeten worden aanvaard voor preferentiële behandeling bij invoer na die datum.

(5)Sommige partijen hebben te kennen gegeven dat zij hun bilaterale protocollen inzake oorsprongsregels niet vóór 1 januari 2025 kunnen actualiseren met een verwijzing naar de conventie zoals laatstelijk gewijzigd, omdat hun interne procedures meer tijd vragen.

(6)Deze vertraging in de actualisering van de bilaterale protocollen met een verwijzing naar de conventie zoals laatstelijk gewijzigd zou de huidige cumulatiemogelijkheden kunnen verstoren.

(7)De partijen zijn het erover eens dat er overgangsbepalingen nodig zijn om de handelsstromen op basis van de huidige cumulatiemogelijkheden in stand te houden, in afwachting van de voltooiing van het proces waarbij alle bilaterale protocollen worden aangepast met een verwijzing naar de conventie zoals laatstelijk gewijzigd. Aanhangsel I van de conventie zoals van toepassing vóór de bij Besluit Nr. 1/2023 van het Gemengd Comité ingevoerde wijzigingen moet tijdelijk van toepassing blijven tussen de partijen bij de conventie, parallel aan de herziene regels van de conventie, en cumulatie tussen de verschillende reeksen regels moet waar mogelijk worden toegestaan.

(8)De partijen zijn het erover eens dat de overgangsbepalingen technisch van aard zijn en zo spoedig mogelijk toepassing moeten vinden. Waar dat mogelijk is overeenkomstig de interne wetgeving van de partijen, moet de tijdelijke toepassing ervan worden gewaarborgd.

(9)De partijen komen overeen om Besluit Nr. 1/2023 van het Gemengd Comité te wijzigen teneinde deze overgangsbepalingen, die van toepassing zullen zijn voor een periode van 1 jaar vanaf de inwerkingtreding van de herziene conventie tot en met 31 december 2025, aan de herziene conventie toe te voegen.

(10)Elke partij neemt passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de herziene regels van de conventie daadwerkelijk worden toegepast door de bilaterale protocollen er uiterlijk 31 december 2025 mee in overeenstemming te brengen door toevoeging van een verwijzing naar de conventie zoals laatstelijk gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Besluit Nr. 1/2023 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

2.   De wijzigingen treden in werking met ingang van 1 januari 2025.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.

Gedaan te Brussel,



BIJLAGE bij ontwerpbesluit Nr. X/2024 VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE REGIONALE CONVENTIE BETREFFENDE DE PAN-EUROMEDITERRANE PREFERENTIËLE OORSPRONGSREGELS

Enig artikel

Wijziging van Besluit Nr. 1/2023 van het Gemengd Comité van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels

Besluit Nr. 1/2023 van het Gemengd Comité van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels van 7 december 2023 over de wijziging van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels (Besluit Nr. 1/2023) wordt als volgt gewijzigd:

1.In het enig artikel van de bijlage bij Besluit Nr. 1/2023 wordt in punt 5 artikel 42 “Overgangsbepalingen” in aanhangsel I toegevoegd.

“Artikel 42

Overgangsbepalingen

1.Aanhangsel I van de conventie zoals bekendgemaakt in PB L 54 van 26.2.2013, bladzijde 4, is van toepassing tussen de partijen bij de conventie tot en met 31 december 2025, parallel aan dit aanhangsel.

2.Bewijzen van oorsprong die vóór 1 januari 2025 zijn afgegeven of opgesteld overeenkomstig de regels voor de facultatieve toepassing van de conventie in afwachting van de sluiting en inwerkingtreding van de wijziging van de conventie (de overgangsregels van oorsprong) en die na die datum, binnen de geldigheidsduur ervan, worden voorgelegd, worden aanvaard voor preferentiële behandeling bij invoer voor goederen die op 1 januari 2025 in doorvoer zijn of onder een bijzondere regeling onder douanetoezicht zijn geplaatst. Deze goederen kunnen worden gebruikt voor cumulatie overeenkomstig artikel 7.

3.In geval van laattijdige voorlegging van bewijzen van oorsprong die vóór 1 januari 2025 zijn afgegeven of opgesteld overeenkomstig de overgangsregels van oorsprong, is artikel 23, leden 2 en 3, van toepassing op de in lid 2 van dit artikel bedoelde goederen.

4.Bewijzen van oorsprong die zijn afgegeven of opgesteld overeenkomstig aanhangsel I van de conventie zoals bekendgemaakt in PB L 54 van 26.2.2013, bladzijde 4, of die zijn afgegeven overeenkomstig de oorsprongsregels die zijn opgenomen in de protocollen die dateren van vóór de conventie, vóór de datum van inwerkingtreding van de wijziging van de bilaterale protocollen tussen de partijen met de toevoeging van de verwijzing naar de conventie zoals laatstelijk gewijzigd, en die na die datum worden voorgelegd, worden binnen hun geldigheidsduur aanvaard voor preferentiële behandeling bij invoer voor goederen die op die datum in doorvoer zijn of onder een bijzondere regeling onder douanetoezicht zijn geplaatst. In geval van laattijdige voorlegging van dergelijke bewijzen is artikel 23, leden 2 en 3, van toepassing.

5.Bewijzen van oorsprong die vóór 1 januari 2026 zijn afgegeven of opgesteld overeenkomstig lid 1 of overeenkomstig de oorsprongsregels die zijn opgenomen in de protocollen die dateren van vóór de conventie, en die na die datum, binnen de geldigheidsduur ervan, worden voorgelegd, worden aanvaard voor preferentiële behandeling bij invoer voor goederen die op 1 januari 2026 in doorvoer zijn of onder een bijzondere regeling onder douanetoezicht zijn geplaatst. In geval van laattijdige voorlegging van dergelijke bewijzen is artikel 23, leden 2 en 3, van toepassing.

6.Voor controledoeleinden zijn artikel 33, lid 2, artikel 34 en, indien van toepassing, artikel 35 ook van toepassing op bewijzen van oorsprong die zijn afgegeven of opgesteld overeenkomstig de overgangsregels van oorsprong, en op bewijzen van oorsprong die zijn afgegeven of opgesteld overeenkomstig de protocollen die dateren van vóór de conventie en die vóór 1 januari 2025 van toepassing waren.

7.Voor controledoeleinden zijn artikel 33, lid 2, en artikel 34 ook van toepassing indien het verzoek om controle wordt ingediend na 1 januari 2026 of na de datum van inwerkingtreding van de wijziging van de bilaterale protocollen tussen de partijen met de toevoeging van de verwijzing naar de conventie zoals laatstelijk gewijzigd, voor bewijzen van oorsprong die zijn afgegeven of opgesteld overeenkomstig aanhangsel I van de conventie zoals bekendgemaakt in PB L 54 van 26.2.2013, bladzijde 4, en de protocollen die dateren van vóór de conventie.

8.De partijen stellen elkaar om de vier maanden via de Europese Commissie in kennis van de stand van zaken met betrekking tot de actualisering van hun bilaterale protocollen met de toevoeging van de verwijzing naar de conventie zoals laatstelijk gewijzigd, en met betrekking tot de maatregelen die zij hebben genomen om ervoor te zorgen dat de herziene regels van de conventie daadwerkelijk worden toegepast op 1 januari 2026.

9.In de overeenkomstig dit aanhangsel afgegeven certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 wordt in vak 7 in het Engels de vermelding “REVISED RULES” aangebracht. Deze vermelding wordt ook toegevoegd aan het einde van de tekst van de overeenkomstig dit aanhangsel opgestelde oorsprongsverklaring. Deze vermelding wordt tot en met 31 december 2025 opgenomen in de bewijzen van oorsprong.”.

2.In het enig artikel van de bijlage bij Besluit Nr. 1/2023 wordt in punt 5 lid 1 bis aan artikel 8 in aanhangsel I toegevoegd.

“1 bis. De cumulatie waarin artikel 7 voorziet, kan worden toegepast op goederen, ingedeeld onder de hoofdstukken 1, 3, 16 (voor verwerkte visserijproducten) en 25 tot en met 97 van het geharmoniseerd systeem, die de oorsprong hebben verkregen door de toepassing van de oorsprongsregels in artikel 42, lid 1, en de relevante bepalingen van aanhangsel II, alsmede door de toepassing van de oorsprongsregels in de protocollen betreffende de definitie van het begrip “producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking die dateren van vóór de conventie, op voorwaarde dat de materialen en producten van oorsprong zijn uit de partijen waarvoor cumulatie mogelijk is overeenkomstig het “Bericht van de Commissie over de toepassing van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels of de protocollen betreffende de oorsprongsregels die voorzien in diagonale cumulatie tussen de partijen bij deze conventie”, zoals laatstelijk bekendgemaakt in het Publicatieblad van de EU.

Dit lid is van toepassing gedurende de in artikel 31, lid 1, bedoelde periode op goederen waarop de in artikel 42, leden 4 en 5, bedoelde bewijzen van oorsprong betrekking hebben.”.

(1)    PB L, 2024/390, 19.2.2024.
(2)    PB L 54 van 26.2.2013, blz. 4, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2013/94(1)/oj.