EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 9.7.2024
COM(2024) 282 final
2024/0156(NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen ten aanzien van de herziening van artikel 6 van de regeling inzake door de overheid gesteunde exportkredieten
TOELICHTING
1.Onderwerp van het voorstel
Dit voorstel betreft een besluit tot vaststelling van het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het kader van de herziening van artikel 6 van de regeling inzake door de overheid gesteunde exportkredieten (“de regeling”).
2.Achtergrond van het voorstel
2.1.De regeling inzake door de overheid gesteunde exportkredieten
De regeling is een “gentlemen’s agreement” tussen Australië, Canada, de EU, Japan, Korea, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Turkije, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Zwitserland (“de deelnemers”), en heeft ten doel een kader te creëren voor het ordelijke gebruik van door de overheid gesteunde exportkredieten. In de praktijk betekent dit dat wordt gezorgd voor een gelijk speelveld tussen de deelnemers (zodat de mededinging wordt gebaseerd op de prijs en de kwaliteit van de uitgevoerde goederen en diensten in plaats van op de geboden financiële voorwaarden), terwijl wordt gewerkt aan het uitbannen van subsidies en marktverstoringen met betrekking tot door de overheid gesteunde exportkredieten. De regeling is in april 1978 in werking getreden, is van onbepaalde duur en is, hoewel het OESO-secretariaat administratieve steun verleent, geen besluit van de OESO.
De regeling wordt regelmatig bijgewerkt, waarbij rekening wordt gehouden met ontwikkelingen op de financiële markten en het beleid die van invloed zijn op de verstrekking van door de overheid gesteunde exportkredieten. De regeling is omgezet en derhalve in de EU juridisch bindend gemaakt bij Verordening (EU) nr. 1233/2011 van het Europees Parlement en de Raad. Overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1233/2011 worden herzieningen van de voorwaarden van de regeling in het EU-recht opgenomen door middel van gedelegeerde handelingen.
2.2.Deelnemers aan de regeling en besluitvormingsproces
De Europese Commissie vertegenwoordigt de Unie in vergaderingen van de deelnemers en in de schriftelijke besluitvormingsprocedures van de deelnemers. Alle besluiten over wijzigingen van de regeling worden bij consensus genomen.
2.3.De beoogde handeling van de deelnemers
Momenteel wordt op het niveau van de deelnemers aan de regeling gesproken over een verplichte herziening van artikel 6 van de regeling, op basis van voorstellen van de Unie en een aantal andere deelnemers. Met deze voorstellen wordt beoogd de regeling in overeenstemming te brengen met internationale klimaatdoelstellingen door een bestaand verbod op steun voor kolengestookte elektriciteitscentrales zonder emissiereductie in artikel 6 uit te breiden tot de fossiele-energiesector als geheel, behalve in beperkte en duidelijk omschreven omstandigheden.
De wijziging wordt ondersteund door wetenschappelijk bewijs. Volgens de analyse “Net Zero by 2050” van het Internationaal Energieagentschap (IEA) mogen in een nettonultraject na 2021 geen nieuwe investeringen in de levering van fossiele brandstoffen plaatsvinden. Bovendien hebben veel regeringen en exportkredietinstellingen in de OESO al op verschillende manieren toegezegd de nodige beleidswijzigingen door te voeren: op nationaal niveau, met de goedkeuring van het uitfaseringsbeleid, en ook in multilaterale verklaringen, zoals de verklaring van de COP26 over internationale overheidssteun voor de transitie naar schone energie. In april 2023 hebben de ministers van Klimaat, Energie en Milieu van de G7 hun toezegging herhaald om de officiële internationale financiering af te stemmen op de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, en hebben zij er ook op gewezen dat rekening moet worden gehouden met de nationale veiligheid en geostrategische belangen. De raad heeft de waarde van de analyse van het IEA, samen met die van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering van de Verenigde Naties (IPCC), erkend in zijn conclusies van maart 2022, waarin staat dat de lidstaten uiterlijk eind 2023 “hun eigen wetenschappelijk onderbouwde termijnen [moeten] vaststellen voor de beëindiging van door de overheid gesteunde exportkredieten voor projecten in de fossiele-energiesector, tenzij in beperkte en duidelijk omschreven omstandigheden die verenigbaar zijn met een opwarmingslimiet van 1,5 °C en met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs”.
In de beoogde handeling zou als een algemene regel worden vastgesteld dat door de overheid gesteunde exportkredieten en gebonden hulp niet mogen worden toegekend voor de fossiele-energiesector, behalve in beperkte en duidelijk omschreven omstandigheden die verenigbaar zijn met een opwarmingslimiet van 1,5 °C en de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. De aard van die omstandigheden zou in de handeling niet worden uiteengezet, maar de deelnemers zouden hun aanpak naar eigen discretie mogen vormgeven. De discipline ten aanzien van het gebruik van deze flexibiliteit zou met transparantieverplichtingen worden gewaarborgd.
3.Namens de Unie in te nemen standpunt
Aangezien het van cruciaal belang is dat de OESO-exportkredietgemeenschap de doelstellingen van het klimaatbeleid naar behoren omzet in de voorschriften van de regeling en in praktische maatregelen, zal de Unie tijdens de komende vergaderingen aandringen op overeenstemming over deze uitfasering. Waarschijnlijk zullen verscheidene andere deelnemers druk uitoefenen in dezelfde richting, terwijl andere dit jaar hebben aangekondigd hun steun aan de fossiele-energiesector zonder emissiereductie te zullen stopzetten. De Unie moet een standpunt kunnen innemen over de herziening van artikel 6 van de regeling. De bijlage bij dit voorstel voor een besluit van de Raad bevat het meest recente EU-voorstel voor een bandbreedte waarbinnen de overeenkomst uit zou moeten komen. Het standpunt van de Unie moet erin bestaan zich aan te sluiten bij de consensus over een OESO-besluit, indien dit binnen deze bandbreedte valt.
4.Rechtsgrondslag
4.1.Procedurele rechtsgrondslag
4.1.1.Beginselen
Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.
Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen ook instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt”.
4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval
De beoogde handeling zal een beslissende invloed hebben op de inhoud van de EU-wetgeving, met name Verordening (EU) nr. 1233/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de toepassing van bepaalde richtsnoeren op het gebied van door de overheid gesteunde exportkredieten en tot intrekking van de Beschikkingen 2001/76/EG en 2001/77/EG van de Raad. In artikel 2 van die verordening is namelijk het volgende bepaald: “De Commissie stelt overeenkomstig artikel 3 gedelegeerde handelingen vast om bijlage II te wijzigen naar aanleiding van wijzigingen in de richtsnoeren die de deelnemers aan de regeling overeenkomen”. Hieronder vallen wijzigingen van de bijlagen bij de regeling.
De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.
4.2.Materiële rechtsgrondslag
4.2.1.Beginselen
De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt moet worden ingenomen.
4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval
De doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats betrekking op exportkredieten, die binnen de werkingssfeer van het gemeenschappelijke handelsbeleid vallen. De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 207 VWEU.
4.3.Conclusie
De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 207, lid 4, eerste alinea, VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.
5.Bekendmaking van de beoogde handeling
Aangezien de beoogde handeling de overeenkomst zal wijzigen, is het passend de handeling na de vaststelling ervan bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie.
2024/0156 (NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen ten aanzien van de herziening van artikel 6 van de regeling inzake door de overheid gesteunde exportkredieten
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)De richtsnoeren van de regeling inzake door de overheid gesteunde exportkredieten (“de regeling”) zijn omgezet en derhalve in de Unie juridisch bindend gemaakt bij Verordening (EU) nr. 1233/2011 van het Europees Parlement en de Raad.
(2)Overeenkomstig artikel 6 van de regeling moeten de deelnemers aan de regeling (“de deelnemers”) dit artikel herzien om de voorwaarden ervan verder te versterken teneinde bij te dragen tot de gemeenschappelijke doelstelling om klimaatverandering aan te pakken.
(3)Het beoogde besluit tot herziening van artikel 6 van de overeenkomst moet in overeenstemming zijn met de internationale verbintenissen van de Europese Unie uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs en het klimaatbeleid van de Unie.
(4)De Raad van de Europese Unie heeft in zijn conclusies over exportkredieten van 15 maart 2022 reeds het voornemen van de lidstaten aangekondigd om uiterlijk eind 2023 in hun nationale beleid hun eigen wetenschappelijk onderbouwde termijnen vast te stellen voor de beëindiging van door de overheid gesteunde exportkredieten voor projecten in de fossiele-energiesector, tenzij in beperkte en duidelijk omschreven omstandigheden die verenigbaar zijn met een opwarmingslimiet van 1,5 °C en met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs.
(5)Aangezien het beoogde besluit van de deelnemers aan de regeling bindend zal zijn voor de Unie en beslissende invloed kan hebben op de inhoud van het recht van de Unie, is het passend om op grond van artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1233/2011 het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen ten aanzien van de herziening van artikel 6 van de regeling,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen, bestaat erin zich aan te sluiten bij de consensus van de deelnemers aan de regeling met betrekking tot de herziening van artikel 6 van de regeling en andere daarmee verband houdende artikelen overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de Commissie.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De voorzitter
EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 9.7.2024
COM(2024) 282 final
BIJLAGE
bij
voorstel voor een besluit van de Raad
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen ten aanzien van de herziening van artikel 6 van de regeling inzake door de overheid gesteunde exportkredieten
BIJLAGE
Het standpunt van de Europese Unie is haar steun te verlenen aan een herziening van artikel 6 van de regeling en andere daarmee verband houdende bepalingen in overeenstemming met het laatste voorstel dat de Europese Unie bij de andere deelnemers aan de regeling heeft ingediend.
In het meest recente voorstel van de Unie werd voorgesteld de huidige tekst van artikel 6 te vervangen en de regels inzake de projectklassen B en C in aanhangsel I (Selectiecriteria voor projecten op het gebied van de matiging van klimaatverandering) van bijlage I (Sectorovereenkomst inzake exportkredieten voor klimaatverandering [“CCSU”, Climate Change Sector Understanding]) bij de regeling te schrappen, zoals hieronder uiteengezet:
“6. VERBODSBEPALINGEN BETREFFENDE STEUN IN HET KADER VAN DE REGELING
a)De deelnemers kennen geen door de overheid gesteunde exportkredieten en gebonden hulp toe voor de fossiele-energiesector, behalve in beperkte en duidelijk omschreven omstandigheden die verenigbaar zijn met een opwarmingslimiet van 1,5 °C en de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. De consistentie moet worden beoordeeld aan de hand van de meest recente wetenschappelijke gegevens van de IPCC en het IEA.
b)De bepalingen van punt a) gelden voor alle projecten met betrekking tot de volgende activiteiten: exploratie, productie, vervoer, opslag, raffinage of distributie van steenkool, ruwe olie of aardgas, of omzetting in elektriciteit of warmte van steenkool, ruwe olie, aardgas en derivaten daarvan.
c)De verbodsbepalingen van de punten a) en b) zijn niet van toepassing op projecten die voldoen aan de normen van aanhangsel I van de CCSU.
d)Het OESO-secretariaat stelt jaarlijks een openbaar verslag op over door de overheid gesteunde exportkredieten of gebonden hulp voor projecten in de fossiele-energiesector en projecten op het gebied van schone energie, gedefinieerd als transacties die vallen onder projectklasse A (Ecologisch duurzame energieproductie) en projectklasse E (Transmissie, distributie en opslag van energie) van de CCSU. Het verslag bevat het aantal transacties en de geaggregeerde kredietwaarden per land van herkomst en bestemming, de soorten fossiele brandstoffen, en een uitsplitsing naar upstream- (exploratie en productie), midstream- (vervoer en opslag), downstream- (raffinage en distributie) en elektriciteitsopwekkingsactiviteiten voor projecten in de fossiele-energiesector, en voor de projecten op het gebied van schone energie een uitsplitsing naar projecten van de klassen A en E.
e)De bepalingen van dit artikel worden uiterlijk op 31 december 2026 herzien om bij te dragen tot de gemeenschappelijke doelstelling om klimaatverandering aan te pakken, rekening houdend met de meest recente verslagen over de klimaatwetenschap en de meest recente aanbevelingen van internationale organisaties over concrete manieren om de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur te beperken tot 1,5 graad Celsius boven het pre-industriële niveau.
[…]
AANHANGSEL I: SELECTIECRITERIA VOOR PROJECTEN OP HET GEBIED VAN DE MATIGING VAN KLIMAATVERANDERING
[…]
|
Projectklasse
|
Definitie
|
Doel
|
Gebruikte normen of uitdovingsclausule
|
MAXIMALE KREDIETTERMIJN
|
|
PROJECTKLASSE B: saneringsprojecten in met fossiele brandstoffen gestookte centrales, vervanging van fossiele brandstoffen
|
|
TYPE 1: met fossiele brandstoffen gestookte centrales met operationele koolstofafvang en -opslag (CCS)*
|
Een proces waarbij de CO2-stroom van de emissies van met fossiele brandstoffen gestookte centrales wordt afgezonderd, en CO2 wordt vervoerd naar een opslagplaats met het oog op een milieuveilige en blijvende geologische opslag ervan of het gebruik ervan als input of grondstof om producten of diensten te creëren.
|
Voor met fossiele brandstoffen gestookte installaties lage koolstofemissie-niveaus bereiken.
|
De koolstofintensiteit bedraagt maximaal 350 metrische ton in de buitenlucht afgeblazen CO2 per GWh;
of
voor alle projecten moeten met het afvang- en opslagpercentage de koolstofemissies van de centrale met ten minste 65 % worden verminderd,
of
het CO2-afvangpercentage van de apparatuur die is vermeld in de aanvraag voor een door de overheid gesteund exportkrediet, moet ten minste 85 % bedragen.
De 85 %-voorwaarde geldt bij normale bedrijfsomstandigheden.
|
18 jaar
|
|
TYPE 2: opwekking van energie uit afval*
|
Eenheid bestemd voor de opwekking van energie door thermische behandeling (met inbegrip van vergassing) van een gemengde stroom van vast afval.
|
Compensatie van broeikasgasemissies door het gebruik van conventionele energie en door vermindering van toekomstige broeikasgassen zoals methaan dat normaliter voortkomt uit afval.
|
Ingeval van een stoomcyclus moet een ketel (of stoomgenerator) een energieomzettingsefficiëntie hebben van ten minste 75 % op basis van de calorische onderwaarde (LHV). Ingeval van vergassing moet de vergassingsefficiëntie ten minste 65 % bedragen, uitgaande van de LHV.
|
15 jaar
|
|
TYPE 3: hybride energie-centrales*
|
Een centrale die elektriciteit opwekt uit zowel een duurzame-energiebron als uit fossiele brandstof.
|
Om te voldoen aan het vereiste dat een centrale beschikbaar moet zijn, moet er een met fossiele brandstoffen gestookte installatie beschikbaar zijn voor de perioden waarin energie uit de duurzame-energiebron niet of niet in voldoende mate beschikbaar is. De fossiele-brandstofbron maakt het gebruik van duurzame energie in de hybride centrale mogelijk waardoor, in vergelijking tot een reguliere met fossiele brandstoffen gestookte centrale, een aanzienlijke koolstofvermindering wordt bereikt.
|
Model 1:
Twee afzonderlijke opwekkingsbronnen: één duurzame-energiebron en één fossiele-brandstofbron. Het project moet zodanig worden vormgegeven dat ten minste 50 % van de geplande totale jaarlijkse energieoutput ervan afkomstig is van de duurzame-energiebron van de centrale.
Model 2:
Een enkele opwekkingsbron die gebruik maakt van de combinatie van duurzame en fossiele brandstoffen. Het project moet zodanig worden vormgegeven dat ten minste 75 % van de nuttige geproduceerde energie wordt gewonnen uit de duurzame bron.
|
15 jaar
|
|
PROJECTKLASSE C: energie-efficiëntie
|
|
TYPE 1: gecombineerde warmte- en elektriciteitsprojecten*
|
Gelijktijdige opwekking van diverse vormen van energie (elektrische, mechanische en thermische) in één geïntegreerd systeem. Output van de WKK-centrale moet elektrische of mechanische energie en warmte voor commerciële industriële en/of woondoeleinden omvatten.
|
Tot twee derde van de voor elektriciteitsopwekking in conventionele warmtekrachtcentrales gebruikte primaire energie gaat verloren in de vorm van warmte. Gecombineerde warmte- en energie-opwekking (warmte-krachtkoppeling — WKK) kan derhalve een effectieve optie voor de matiging van broeikasgassen zijn. WKK is mogelijk met alle warmtemachines en brandstoffen (met inbegrip van biomassa en zonnewarmte) van een paar kW tot 1000 MW stoomcondensatie-energiecentrales.
|
Algehele efficiëntie van ten minste 75 % op basis van de calorische onderwaarde (LHV).
|
15 jaar
|
|
TYPE 2: afstandsverwarming en/of -koeling*
|
Netwerk dat thermische energie vervoert/distribueert van een energieproducerende eenheid naar een eindgebruikspunt.
|
Verbetering van de efficiëntie van verwarming op afstand door de aanleg van pijpleidingnetwerken voor stoom en/of warm water met een hoge thermische efficiëntie, zowel door het warmteverlies via pijpleidingen en convertoren terug te brengen tot een minimum, als door het gebruik van afvalwarmte te vergroten. Koeling op afstand is een integratieve technologie die aanzienlijk kan bijdragen tot de vermindering van koolstofdioxide-emissies en van de luchtvervuiling, alsook tot de verhoging van de energiezekerheid, bijvoorbeeld door vervanging van afzonderlijke klimaatregelingsapparaten.
|
De thermische geleidingscapaciteit van pijpleidingen voor afstandsverwarming bedraagt maximaal 80 % van de geleidingscapaciteit die wordt vereist door EN 253.2009 (te herzien ingeval van bijwerking van deze norm)
|
15 jaar
|
|
TYPE 3: Slimme netten*
|
Geïntegreerde, technologisch geavanceerde elektriciteitsnetwerken met een verbeterde dynamische capaciteit om de input en output van al hun technische componenten te monitoren en controleren (zoals elektriciteitsproductie, netwerkbeheeroplossingen, omzetters en systemen voor hoogspanningsgelijkstroom (HVDC), flexibele wisselstroomtransmissiesystemen, speciale elektriciteitssystemen, transmissie, distributie, opslag, elektronische oplossingen voor energie van slimme netwerken, vermindering van het energieverbruik, bemetering, decentrale energieproductie). ICT overeenkomstig internationaal overeengekomen sectorale normen zoals NIST-SGIP en ETSI-CEN-CENELEC.
|
Om netwerkbeheerders, transmissie- en distributiesysteembeheerders, netwerkgebruikers, opslaghouders, beheerders van het metersysteem, leveranciers van toepassingen en diensten of beheerders van platformen voor energieuitwisseling te helpen om zuinige, milieuvriendelijke, evenwichtige en duurzame energiesystemen met beperkte transmissieverliezen en een kwalitatief betere energievoorziening, veiligheid, netwerkstabiliteit, betrouwbaarheid, gebruikmaking van hernieuwbare energie en kostenefficiëntie te creëren door steun te verlenen aan energieleveringsovereenkomsten die voornamelijk de uitvoer van geavanceerde, innovatieve technologieën en diensten betreffen.
|
Er moet worden voldaan aan de normen 1, 2 (a of b) en 3.
1. Van de totale kosten van het project moet ten minste 20 % worden geoormerkt voor in aanmerking komende upgrades van de informatie- en communicatietechnologie (ICT).
2a. Het project of de applicatie leidt tot een geschatte vermindering van minstens 10 % van de CO2-emissies uit fossiele brandstoffen, of
2b. een aangetoonde aanzienlijke vermindering van de CO2-emissie wordt mogelijk door hetzij:
•een vermindering met ten minste 5 % van de energieverliezen in het elektriciteitsnet dat gebruikmaakt van een slimnetwerktoepassing of een slimnetwerkproject, of
•een vermindering met ten minste 5 % van het geaggregeerde elektriciteitsverbruik via ladingen die gebruikmaken van een slimnetwerktoepassing of een slimnetwerkproject, of
•een intermitterende toevoer van energie uit hernieuwbare energiebronnen, waaronder ook energiebronnen met een lager spanningsniveau, die overeenkomt met ten minste 10 % boven op de totale energie die wordt geleverd aan het netwerk waar de slimnetwerktechnologieën worden toegepast.
3. Voordat een vergunning wordt verleend, beoordeelt een onafhankelijke, gekwalificeerde derde het project en stelt een verslag op waarin de kenmerken van de voorgestelde slimnetwerktoepassing of het project worden omschreven, en verifieert of het project of de toepassing zal voldoen aan normen 1 en 2 (a of b). Voor projecten waarbij de 2b norm wordt gebruikt, worden de geraamde door het project mogelijk gemaakte CO2-emissiereducties opgenomen in het verslag. Dit verslag zal worden doorgegeven aan de deelnemers vóór de goedkeuring van financiële steun, en de toelating zal afhankelijk worden gesteld van een bevestiging in het verslag dat het voorgestelde project of de toepassing van slimme netwerken aan de normen 1 en 2 (a of b) voldoet.
Normen worden berekend door een vergelijking van de geraamde emissies of het energieverbruik van een gebied dat door het netwerk wordt bediend indien de voorgestelde slimnetwerktechnologieën worden toegepast met de emissies of het energieverbruik van dat zelfde gebied indien de voorgestelde slimnetwerktechnologieën niet zouden worden toegepast.
|
15 jaar
|
Opmerking: * Om tegemoet te komen aan de klimaatvereisten hebben de deelnemers hun inspanningen toegespitst op de uitbreiding van het toepassingsgebied van de CCSU tot nieuwe projectklassen. De deelnemers verbinden zich ertoe deze projectklassen, die sinds 2012 niet meer zijn onderzocht, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk in maart 2024, te evalueren. ”
Kleine technische wijzigingen van het standpunt dat in het meest recente voorstel van de Unie tot uitdrukking wordt gebracht, kunnen zonder nader besluit van de Raad worden goedgekeurd door de vertegenwoordigers van de Unie als deelnemer aan de regeling.