EUROPESE COMMISSIE
Straatsburg, 12.12.2023
COM(2023) 790 final
2018/0198(COD)
Gewijzigd voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende een mechanisme om juridische en administratieve belemmeringen in een grensoverschrijdende context uit de weg te ruimen
TOELICHTING
1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
•Motivering en doel van het voorstel
Dit voorstel wijzigt het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een mechanisme om juridische en administratieve belemmeringen in een grensoverschrijdende context uit de weg te ruimen (“het ECBM-voorstel”), waarbij ook de titel van een verordening betreffende het vergemakkelijken van grensoverschrijdende oplossingen wordt gewijzigd.
De Commissie heeft het ECBM-voorstel in mei 2018 goedgekeurd. Het Parlement en de Raad bereikten echter geen overeenstemming over het dossier, omdat de twee medewetgevers verschillende standpunten innamen. Het Parlement heeft zijn standpunt in eerste lezing op 14 februari 2019 vastgesteld. In het algemeen sloot dit standpunt sterk aan bij het voorstel van de Commissie, en er werden enkele aanvullingen voorgesteld om meer flexibiliteit te bieden bij de uitvoering. De Raad heeft geen formeel standpunt ingenomen, aangezien de lidstaten binnen de werkgroep een aantal bedenkingen bij het voorstel hadden geuit en het werk aan het dossier uiteindelijk hebben stopgezet.
Op 14 september 2023 heeft het Parlement overeenkomstig artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“het Verdrag”) een initiatiefresolutie aangenomen met aanbevelingen aan de Commissie voor de wijziging van het ECBM-voorstel.
In dit gewijzigde voorstel van de Commissie wordt naar behoren rekening gehouden met de zorgen, opmerkingen en aanbevelingen van de twee medewetgevers, maar het oorspronkelijke accent in het ECBM-voorstel blijft liggen op het wegnemen van de belemmeringen die het leven in gemeenschappen in de grensregio’s bemoeilijken.
Sinds de Commissie het ECBM-voorstel in 2018 heeft goedgekeurd, is het nog dringender geworden om het potentieel van grensoverschrijdende regio’s in de EU te benutten door een rechtskader voor het wegnemen van grensoverschrijdende belemmeringen voor te stellen. Grensoverschrijdende juridische en administratieve belemmeringen maken het dagelijks leven van 150 miljoen burgers in grensoverschrijdende regio’s behoorlijk lastig. Dit geldt ook voor bedrijven en instellingen, doordat zij worden gehinderd in hun activiteiten, met de nodige gevolgen voor hun economische prestaties. Als 20 % van de belemmeringen zou worden weggenomen, zou het bbp naar schatting met 2 % toenemen en zouden er meer dan één miljoen banen in grensoverschrijdende regio’s bij komen. Naast macro-economische gevolgen hebben de bewoners van grensregio’s doorgaans minder gemakkelijk toegang tot openbare diensten zoals vervoer, ziekenhuizen en universiteiten. Het is vaak ingewikkeld en duur om wegwijs te worden in de verschillende administratieve en rechtssystemen.
In een enquête van de Commissie uit juli 2020 gaf 44 % van de burgers in grensoverschrijdende regio’s van de EU aan dat juridische en administratieve verschillen de belangrijkste belemmeringen voor samenwerking waren. De gevolgen van grensoverschrijdende belemmeringen voor de ontwikkeling van grensoverschrijdende regio’s zijn gedocumenteerd in de
Cross-Border Review
, met inbegrip van de mededeling van de Commissie “Groei en cohesie stimuleren in grensregio’s van de EU”.
Daarnaast dreigen grensoverschrijdende regio’s overmatig te worden getroffen in tijden van crisis. Zo was tijdens de COVID‑19-pandemie de economische impact van grensgerelateerde maatregelen van de lidstaten voor grensoverschrijdende regio’s meer dan dubbel zo groot als de gemiddelde impact op alle EU-regio’s.
Bij wijze van een verkenning naar de werkzaamheden om grensoverschrijdende belemmeringen te overwinnen, is de Commissie in 2018 begonnen met b‑solutions, een innovatief initiatief waarmee juridische ondersteuning wordt geboden aan overheidsinstanties in grensoverschrijdende regio’s met de bedoeling om de grondoorzaken van juridische of administratieve belemmeringen voor hun grensoverschrijdende interacties te inventariseren en om mogelijke oplossingen te zoeken. Eind november 2023 waren in het kader van het initiatief 154 zaken geselecteerd, waarvan er 90 zijn afgesloten doordat de oorzaak van de belemmering werd vastgesteld. Die 90 gevallen hadden betrekking op 27 grensoverschrijdende regio’s in 21 lidstaten waarbij belemmeringen op het vlak van vooral werkgelegenheid, openbaar vervoer, de gezondheidszorg en institutionele samenwerking werden weggenomen. In meer dan een derde van die gevallen was de onderliggende oorzaak verschillende wettelijke en administratieve normen aan weerszijden van de grens, waardoor het nodig was de lidstaten te betrekken bij het vinden van een oplossing. De ervaring met het initiatief b‑solutions heeft een belangrijke rol gespeeld bij het analyseren en in kaart brengen van grensoverschrijdende juridische en administratieve belemmeringen en heeft aangetoond dat een nieuw instrument op EU-niveau kan helpen deze belemmeringen weg te nemen. Hoewel b‑solutions heeft geholpen de belemmeringen in kaart te brengen, biedt het initiatief op zichzelf geen instrument dat de lidstaten bij de benodigde processen kunnen gebruiken als zij een belemmering willen wegnemen.
De huidige financiële en juridische instrumenten die op EU-niveau beschikbaar zijn, bieden geen alomvattende en doeltreffende oplossing voor de belemmeringen waarmee grensoverschrijdende regio’s te kampen hebben. Hoewel Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS’en) doeltreffend zijn om de grensoverschrijdende samenwerking te vergemakkelijken door rechtspersonen op te richten die de nationale grenzen overschrijden, beschikken zij niet over regelgevende bevoegdheden om belemmeringen in grensoverschrijdende zaken uit de weg te ruimen. Hoewel de Interreg-programma’s doeltreffende financiële steun bieden voor grensoverschrijdende projecten die regio’s en burgers aan weerszijden van de grens dichter bij elkaar brengen, kunnen zij evenmin de juridische en administratieve belemmeringen alleen te lijf gaan, aangezien de besluiten die daarvoor nodig zijn buiten de reikwijdte van de programma- en projectbeheersstructuren vallen.
Het gewijzigde voorstel biedt daarom een rechtskader dat van toepassing is op alle lidstaten om oplossingen te helpen vinden voor juridische en administratieve belemmeringen die de grensoverschrijdende interactie en de ontwikkeling van grensoverschrijdende regio’s kunnen ondermijnen. Het toepassingsgebied omvat infrastructuurvoorzieningen met gevolgen voor een grensoverschrijdende regio of een openbare dienst die in een grensoverschrijdende regio wordt verleend. Dit voorstel heeft alleen betrekking op belemmeringen die voortvloeien uit het nationale recht, met inbegrip van gevallen waarin de lidstaten EU-richtlijnen correct, maar verschillend omzetten. Belemmeringen die een mogelijke inbreuk op het EU-recht inhouden, vallen buiten het toepassingsgebied van dit gewijzigde voorstel, aangezien daarvoor andere specifieke instrumenten bestaan, zoals Solvit. Grensoverschrijdende coördinatiepunten kunnen samenwerken met nationale Solvit-centra om waar nodig dossiers over te dragen.
Het gewijzigde voorstel vereist de oprichting van grensoverschrijdende coördinatiepunten in alle lidstaten waaraan grensoverschrijdende belemmeringen worden gemeld en die door “initiatiefnemers” ingediende dossiers onderzoeken. Initiatiefnemers zijn publiek- of privaatrechtelijke entiteiten of natuurlijke personen die een grensoverschrijdend dossier opstellen waarin zij de grensoverschrijdende interactie schetsen en de belemmeringen ter beoordeling van de coördinatiepunten beschrijven. De lidstaten kunnen bestaande of nieuwe organen aanwijzen en kunnen ervoor kiezen een of meer coördinatiepunten op te richten, waaronder gezamenlijke organen met aangrenzende lidstaten, volgens hun institutionele kader en voorkeuren.
Het grensoverschrijdende coördinatiepunt heeft tot taak de door de initiatiefnemer beschreven grensoverschrijdende belemmering te beoordelen. Als het coördinatiepunt vaststelt dat er inderdaad sprake is van een belemmering, gaat het na welke samenwerkingsstructuren beschikbaar zijn om deze weg te nemen. Indien er geen institutionele structuur voor grensoverschrijdende samenwerking bestaat om de belemmering weg te nemen of indien de aanwezige structuren niet volstaan om deze weg te nemen, kunnen de lidstaten ervoor kiezen gebruik te maken van het bij deze verordening ingestelde instrument voor een vlottere grensoverschrijdende samenwerking. Bij elke stap in de procedure kan het grensoverschrijdende coördinatiepunt ervoor kiezen de belemmering niet weg te nemen, zelfs als het heeft vastgesteld dat de belemmering wel degelijk bestaat. In dat geval wordt dit doorgegeven aan de initiatiefnemer en toegelicht waarom de in het dossier beschreven belemmering niet zal worden aangepakt. Na de beoordeling van een grensoverschrijdend dossier moet het grensoverschrijdende coördinatiepunt de conclusie van de beoordeling binnen een redelijke termijn aan de initiatiefnemer toezenden.
Het instrument voor een vlottere grensoverschrijdende samenwerking kent één enkele procedure om belemmeringen van juridische of administratieve aard weg te nemen. Het grensoverschrijdende contactpunt beoordeelt de belemmering en stelt vast wat voor bepaling aan de oorsprong van de belemmering ligt. Het neemt vervolgens contact op met de bevoegde instantie om allereerst na te gaan hoe belangrijk en haalbaar het is om de belemmering door middel van de vastgestelde administratieve of juridische bepaling(en) weg te nemen en om de initiatiefnemer en het grensoverschrijdende coördinatiepunt van de aangrenzende lidstaat te informeren. Voor grensoverschrijdende belemmeringen die een aanpassing van de geldende wetgeving vereisen, is het voorstel van het grensoverschrijdende coördinatiepunt aan de nationale regering om een wetgevingsprocedure in te leiden, geenszins bindend voor het bevoegde wetgevingsorgaan. Het besluit om een administratieve of juridische belemmering al dan niet weg te nemen, blijft vrijwillig en berust bij de bevoegde nationale instanties.
Dit gewijzigde voorstel heeft meerdere voordelen. Het biedt de lidstaten een standaardprocedure om belemmeringen weg te nemen en zorgt ervoor dat EU-burgers die in grensgebieden wonen, binnen een redelijke termijn een (positieve of negatieve) reactie krijgen van hun lidstaat over de mogelijkheden om de vastgestelde belemmeringen weg te nemen. De lidstaten die niet over toereikende samenwerkingsstructuren beschikken, krijgen een nieuw instrument om deze belemmeringen uit de weg te ruimen. Daarnaast zullen de grensoverschrijdende coördinatiepunten in elke lidstaat, in samenwerking met de Commissie, een efficiënt netwerk creëren om kennis uit te wisselen en de capaciteiten te versterken. Meer in het algemeen kan het gewijzigde voorstel een belangrijke rol spelen bij het verbeteren van de werking van de eengemaakte markt en het bevorderen van de economische, sociale en territoriale cohesie van de EU. Het voorstel kan rechtstreekse gevolgen hebben voor het dagelijks leven van mensen die in grensoverschrijdende regio’s wonen door hun toegang tot diensten en economische kansen te verbeteren.
In vergelijking met het ECBM-voorstel van 2018 is dit gewijzigde voorstel aangepast om rekening te houden met bezwaren omtrent subsidiariteit en evenredigheid. Het instrument voor een vlottere grensoverschrijdende samenwerking is facultatief en mag alleen worden gebruikt als er binnen de bestaande samenwerkingsstructuren geen andere instrumenten beschikbaar zijn die de belemmering op bevredigende wijze kunnen wegnemen.
De lidstaten moeten analyseren of er sprake is van een belemmering en of die kan worden weggenomen, en zijn vervolgens vrij om te beslissen om de belemmering al dan niet weg te nemen, rekening houdend met de beoordeling door het grensoverschrijdende coördinatiepunt. Het gewijzigde voorstel is derhalve volledig gebaseerd op het subsidiariteitsbeginsel en de wetgevingsbevoegdheden van de lidstaten worden geëerbiedigd.
In vergelijking met het ECBM-voorstel van 2018 vereenvoudigt het gewijzigde voorstel de procedures voor de beoordeling van door initiatiefnemers ingediende grensoverschrijdende dossiers. In het kader van het instrument voor een vlottere grensoverschrijdende samenwerking wordt één enkele procedure vastgesteld: die omvat beperkte vereisten voor de lidstaten en geldt voor zowel juridische als administratieve belemmeringen. Bovendien zijn de administratieve vereisten in het gewijzigde voorstel beperkt, aangezien de lidstaten een bestaand orgaan als grensoverschrijdend coördinatiepunt kunnen aanwijzen en zelf kunnen beslissen hoe zij hun middelen het best kunnen organiseren. Om optimaal gebruik te maken van hun middelen, kunnen de lidstaten ook gezamenlijke grensoverschrijdende coördinatiepunten langs een gemeenschappelijke grens aanwijzen.
•Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
Interreg is het belangrijkste financieringsinstrument van het cohesiebeleid dat grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma’s in de grensregio’s van de EU ondersteunt, met inbegrip van de grensregio’s die aan EVA-landen grenzen en Andorra. Deze programma’s helpen regio’s en burgers aan weerszijden van de grens dichter bij elkaar te brengen. Door middel van Interreg VI (2021‑2027) kan het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) steun verlenen aan de specifieke Interreg-doelstelling “een beter op samenwerking gebaseerd bestuur”, met als doel de efficiëntie van het openbaar bestuur te vergroten door de juridische en administratieve samenwerking en de samenwerking tussen burgers, het maatschappelijk middenveld en instellingen te bevorderen, met name om juridische en andere belemmeringen in grensoverschrijdende regio’s weg te nemen. Sommige Interreg-programma’s kunnen deze optie gebruiken om de oprichting van structuren te financieren die als grensoverschrijdende coördinatiepunten kunnen fungeren. Indien deze steun nog niet is opgenomen in de betrokken Interreg-programma’s of indien de toewijzing niet hoog genoeg is, kunnen de lidstaten en de programmapartners overwegen het EFRO te herprogrammeren voor de oprichting en werking van grensoverschrijdende coördinatiepunten. Naast deze aanvullende steun en de verstrekking van EU-financiering kunnen de juridische en administratieve grensoverschrijdende belemmeringen niet alleen in het kader van de Interreg-programma’s worden aangepakt, aangezien daarvoor besluiten nodig zijn die buiten de reikwijdte van de programma- en projectbeheersstructuren vallen.
Het gewijzigde voorstel biedt daarom een rechtskader dat van toepassing is op alle lidstaten om oplossingen te vinden voor juridische en administratieve belemmeringen, als aanvulling op zowel de financiële steun in het kader van Interreg als institutionele steun zoals EGTS’en, aangezien die groeperingen niet over de nodige wetgevingsbevoegdheden beschikken om op te treden tegen juridische belemmeringen.
•Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
Het cohesiebeleid en de eengemaakte markt versterken elkaar. Het uit hoofde van deze verordening ingestelde mechanisme zou bijdragen aan de doelstellingen van de eengemaakte markt, met name door het stimuleren van het economische potentieel van de grensregio’s, dat gedeeltelijk onbenut blijft vanwege de verschillende juridische en administratieve systemen.
Uit een studie die in 2017 in opdracht van de Commissie was uitgevoerd naar het economische effect van grensoverschrijdende belemmeringen op het bbp en de werkgelegenheid in grensregio’s met landbinnengrenzen dat zelfs als slechts 20 % van de bestaande belemmeringen uit de weg zou worden geruimd, het bbp van de grensregio’s met 2 % zou groeien. Een rechtskader dat van toepassing is op alle lidstaten om oplossingen te vinden voor juridische en administratieve belemmeringen in grensoverschrijdende regio’s is daarom ook een noodzakelijke aanvulling op de goede werking van de interne markt, een kerndoelstelling van de EU (artikel 3 VEU en artikel 3, lid 1, punt b), van het Verdrag.
Het materiële toepassingsgebied van het gewijzigde voorstel doet geen afbreuk aan de uitoefening van andere bevoegdheden en maatregelen waartoe in het kader van andere EU-beleidsgebieden is besloten, noch aan het institutionele evenwicht waarin de Verdragen voorzien.
Deze verordening doet geen afbreuk aan andere rechtshandelingen van de Unie, met name die welke van toepassing zijn op de buitengerechtelijke beslechting van juridische kwesties die voortvloeien uit grensoverschrijdende belemmeringen of die relevant zijn voor de juiste uitlegging of uitvoering van het Unierecht. Deze verordening doet geen afbreuk aan de coördinatiemechanismen voor sociale zekerheid en belastingen.
2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
•Rechtsgrondslag
In artikel 175, derde alinea, van het Verdrag is bepaald dat, buiten de in de eerste alinea vermelde fondsen om, specifieke maatregelen kunnen worden vastgesteld om de doelstelling van het Verdrag met betrekking tot economische en sociale samenhang te verwezenlijken. Teneinde de harmonische ontwikkeling van de Europese Unie in haar geheel en een grotere economische, sociale en territoriale samenhang te bewerkstelligen, is een intensievere territoriale samenwerking nodig. Daartoe is het passend maatregelen te nemen om de voorwaarden waaronder samenwerking tussen grensoverschrijdende regio’s plaatsvindt, die overeenkomstig artikel 174, lid 3, van het Verdrag bijzondere aandacht verdienen, te verbeteren.
•Subsidiariteit
De voorwaarden voor territoriale samenwerking moeten worden gerealiseerd overeenkomstig het in artikel 5, lid 3, van het VEU verankerde subsidiariteitsbeginsel. Lidstaten hebben individuele, bilaterale en zelfs multilaterale initiatieven genomen om juridische belemmeringen voor grensoverschrijdende interactie uit de weg te ruimen. Dergelijke samenwerkingsstructuren zijn echter niet in alle lidstaten of voor alle grenzen voorhanden.
Evenzo zijn er niet in alle lidstaten voor alle binnengrenzen van de EU grensoverschrijdende coördinatiepunten operationeel; zij zijn echter nodig om in samenwerking met de Commissie een efficiënt netwerk op te zetten voor het delen van kennis en het versterken van de capaciteiten. Bovendien zijn de financiering (voornamelijk in het kader van de Interreg-programma’s) en rechtsinstrumenten (voornamelijk EGTS’en) van de EU tot dusver ontoereikend geweest om de in de hele Unie vastgestelde juridische grensoverschrijdende belemmeringen weg te nemen.
Als gevolg daarvan kunnen de doelstellingen van de voorgestelde maatregelen op nationaal, regionaal of lokaal niveau niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt. Gezien de omvang en de effecten van de voorgestelde maatregelen kunnen zij beter worden bereikt door maatregelen op EU-niveau. Daarom is nader optreden van de EU-wetgever vereist.
•Evenredigheid
Overeenkomstig het in artikel 5, lid 4, VEU verankerde evenredigheidsbeginsel mogen de inhoud en de vorm van het EU-optreden niet verder gaan dan wat nodig is om de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken. Gebruik van het instrument voor een vlottere grensoverschrijdende samenwerking dat op grond van deze verordening wordt opgezet, is op vrijwillige basis. De lidstaten kunnen samen met een of meer aangrenzende lidstaten besluiten om de bestaande samenwerkingsstructuren te blijven inzetten om juridische belemmeringen in een specifieke grensoverschrijdende regio uit de weg te ruimen.
De lidstaten bepalen zelf hoe zij hun middelen het best kunnen organiseren wanneer zij een grensoverschrijdend coördinatiepunt aanwijzen, bijvoorbeeld door een bestaand orgaan of gezamenlijke grensoverschrijdende coördinatiepunten met aangrenzende lidstaten aan te wijzen.
Indien een lidstaat niet over een dergelijk instrument beschikt of de bestaande samenwerkingsstructuren niet toereikend zijn om een bepaalde grensoverschrijdende belemmering weg te nemen, kan hij ervoor kiezen gebruik te maken van het bij deze verordening ingestelde instrument voor een vlottere grensoverschrijdende samenwerking.
De onderhavige verordening gaat derhalve niet verder dan wat nodig is om haar doelstellingen te bereiken. Het gewijzigde voorstel doet geen afbreuk aan de rechtsmiddelen waarin de Verdragen voorzien om inbreuken op het EU-recht door de lidstaten aan te pakken.
•Keuze van het instrument
Zoals uiteengezet in deel 1 hebben lidstaten individuele, bilaterale en zelfs multilaterale initiatieven genomen om juridische grensoverschrijdende belemmeringen uit de weg te ruimen; dit is echter niet noodzakelijk het geval voor alle lidstaten en bestrijkt zeker niet alle belemmeringen.
Een verordening verplicht de lidstaten om grensoverschrijdende coördinatiepunten aan te wijzen en ervoor te zorgen dat de initiatiefnemers na de beoordeling van een grensoverschrijdend dossier binnen een redelijke termijn (die in de nationale wetgeving kan worden vastgesteld) antwoord krijgen. Een verordening is verenigbaar met het voorstel van een vrijwillig, kant-en-klaar instrument (het instrument voor een vlottere grensoverschrijdende samenwerking) en met de bevoegdheid van de lidstaten om het passende instrument te kiezen. De keuze voor deze gewijzigde verordening is in overeenstemming met het ECBM-voorstel van de Commissie van 2018 en met de interinstitutionele context van dit dossier (zie punt 1).
3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
•Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan
N.v.t.: nieuwe wetgeving
•Raadpleging van belanghebbenden
Het concept van een grensoverschrijdend beleid vloeide aanvankelijk voort uit de werkzaamheden van het Luxemburgse voorzitterschap van de Raad in 2015. Dat leidde tot de oprichting van een informele werkgroep van lidstaten en groepen lidstaten die tot december 2018 bijeenkwamen. De werkgroep onderzocht de mogelijkheden om aanhoudende grensoverschrijdende belemmeringen, met name bij de uitvoering van grensoverschrijdende projecten, gemakkelijker uit de weg te ruimen.
Andere belanghebbenden, in het bijzonder grensregio’s en instellingen, verzoeken al geruime tijd om een instrument om grensoverschrijdende belemmeringen aan te pakken. Dit is met name duidelijk geworden tijdens de tussen 2015 en 2017 door de Commissie uitgevoerde Cross-border review. De openbare raadplegingen die tijdens de review in alle officiële talen van de Unie zijn gehouden, hebben meer dan 620 antwoorden opgeleverd. Naar aanleiding van de vraag over de mogelijke oplossingen voor grenskwesties verzochten verscheidene respondenten de Commissie uitdrukkelijk te streven naar meer flexibiliteit bij de uitvoering van nationale/regionale wetgeving in de grensregio’s.
In het advies van het Comité van de Regio’s en de resolutie van het Europees Parlement in reactie op de mededeling “Groei en cohesie stimuleren in grensregio’s van de EU” werd het voorstel van 2018 om een dergelijk instrument te ontwikkelen verwelkomd. Beide documenten werden in de zomer van 2018 aangenomen. In reactie op het voorstel van 2018 heeft het Comité van de Regio’s op 5 december 2018 een ander verslag (rapporteur: Bouke Arends, NL/PSE), ter ondersteuning van het voorstel goedgekeurd. Het Comité van de Regio’s heeft op 10 oktober 2023 een nieuw advies over het Europees grensoverschrijdend mechanisme 2.0 goedgekeurd (rapporteur: Magali Altounian, FR/Renew).
Uit het in punt 1 bedoelde “b‑solutions”-initiatief bleek verder dat er behoefte is aan een rechtsinstrument dat op grond van het EU-recht is ingesteld om grensoverschrijdende belemmeringen uit de weg te helpen ruimen. In de enquête van de Commissie van 2020 (zie ook punt 1) noemde 44 % van de burgers in grensregio’s van de EU juridische en administratieve verschillen als de belangrijkste belemmeringen voor grensoverschrijdende samenwerking.
•Effectbeoordeling
Het effect en de Europese toegevoegde waarde van de Interreg-programma’s zijn welbekend. In veel gevallen worden grensoverschrijdende belemmeringen (met name op het gebied van gezondheidsdiensten, lokaal openbaar vervoer en bedrijfsontwikkeling) echter veroorzaakt door verschillen tussen administratieve praktijken en nationale rechtskaders. Met programma’s alleen is het moeilijk deze aan te pakken en zij vereisen besluiten die buiten het toepassingsgebied van de programmastructuren vallen.
Het ECBM-voorstel van 2018 maakte deel uit van het wetgevingspakket voor het cohesiebeleid 2021‑2027, dat vergezeld ging van een effectbeoordeling, die nog steeds van toepassing is. Deze effectbeoordeling is gebaseerd op de bovengenoemde studie uit 2017 die in opdracht van de Commissie werd uitgevoerd. Aangezien de bevindingen nog steeds relevant en geldig zijn, is er geen geactualiseerde effectbeoordeling nodig voor het gewijzigde voorstel. Met dit voorstel wordt het ECBM-voorstel van 2018 sterk vereenvoudigd, maar het oorspronkelijke accent blijft liggen op het wegnemen van de juridische en administratieve belemmeringen die de economische en sociale ontwikkeling van grensregio’s van de EU in de weg staan.
In een recentere studie van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement getiteld “Mechanism to resolve legal and administrative obstacles in a cross-border context — European added value assessment” (Mechanisme om juridische en administratieve belemmeringen in een grensoverschrijdende context uit de weg te ruimen — Beoordeling van de Europese meerwaarde) werd geconcludeerd dat de goedkeuring van een nieuw rechtsinstrument op EU-niveau om grensoverschrijdende juridische en administratieve belemmeringen aan te pakken binnen de EU economische voordelen van 123 miljard EUR per jaar zou kunnen opleveren en een positief sociaal effect op grensregio’s zou kunnen hebben.
De Commissie heeft een verzoek om input gelanceerd over de noodzaak van een rechtshandeling op EU-niveau om grensoverschrijdende belemmeringen weg te nemen. Alle belanghebbenden werd verzocht feedback en empirisch bewijsmateriaal te leveren over de belemmeringen waarmee zij worden geconfronteerd, de gevolgen ervan en de vraag of er alternatieve instrumenten waren om oplossingen te vinden. De raadplegingsperiode is op 16 november 2023 afgesloten. Meer dan vijftig belanghebbenden hebben reacties en bewijsmateriaal ingediend. Uit de bijdragen blijkt dat er nog steeds veel administratieve en juridische belemmeringen bestaan voor samenwerking tussen de grensregio’s van de EU. Zij benadrukken dat er in het kader van het EU-recht een nieuw kant-en-klaar instrument moet worden gecreëerd om deze belemmeringen weg te nemen en zo de grensoverschrijdende samenwerking te verbeteren en bij te dragen tot de ontwikkeling van de grensregio’s.
Dit gewijzigde voorstel heeft tot doel de potentiële positieve effecten van grotere grensoverschrijdende interactie in de hele Unie te ontsluiten. Het biedt een alomvattend kader dat van toepassing is op alle lidstaten om oplossingen te vinden voor de juridische en administratieve belemmeringen die dergelijke grensoverschrijdende interactie beperken en het potentieel van de grensregio’s van de EU beperken.
•Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging
N.v.t.: nieuwe wetgeving.
•Grondrechten
Dit gewijzigde voorstel brengt een juridisch mechanisme tot stand om juridische en administratieve belemmeringen in grensoverschrijdende regio’s uit de weg te ruimen en is daarom voornamelijk gericht tot de instanties van de lidstaten. De oplossingen die met behulp van het voorgestelde mechanisme worden gevonden, moeten de mensen ten goede komen. Het wegnemen van juridische belemmeringen in grensoverschrijdende regio’s volgens dit voorstel moet een positief effect hebben op het dagelijks leven van de mensen die in deze regio’s wonen door hun toegang tot diensten en economische kansen te verbeteren. Deze verordening neemt de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht en heeft geen negatieve gevolgen voor de grondrechten. Aangezien de verordening tot doel heeft juridische belemmeringen in een grensoverschrijdende context weg te nemen, bevordert zij met name het recht op toegang tot openbare diensten (artikel 36) en de vrijheid van ondernemerschap (artikel 16). Aangezien grensoverschrijdende overheidsdiensten echter een breder scala aan activiteiten omvatten, zal het voorstel ook de toegang tot de gezondheidszorg bevorderen (artikel 35). Meer in het algemeen kunnen grensoverschrijdende openbaarvervoersdiensten voordeel ondervinden van het instrument voor een vlottere grensoverschrijdende samenwerking, evenals de vrijheid van verkeer en verblijf (artikel 45).
Het gewijzigde voorstel bestrijkt ook de kwestie van doeltreffende juridische bescherming van de mensen die in grensregio’s wonen.
4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
Het gewijzigde voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting, daar er geen financiële middelen voor vereist zijn.
5.OVERIGE ELEMENTEN
•Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage
Net zoals elke andere EU-verordening zal de voorgestelde verordening verbindend zijn in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat. Krachtens artikel 291, lid 1, van het Verdrag moeten de lidstaten alle maatregelen van intern recht nemen die nodig zijn ter uitvoering van de juridisch bindende handelingen van de EU. Zoals uiteengezet in punt 3.2 van de mededeling over grensregio’s beschikken de lidstaten zelfs wanneer Europese wetgeving voorhanden is over enige flexibiliteit en speelruimte bij de toepassing ervan in hun nationale stelsels en bij de nadere uitvoeringsvoorschriften. Hierdoor kunnen aan beide zijden van een binnengrens verschillende systemen van kracht zijn, wat kan leiden tot complexe situaties — en soms zelfs rechtsonzekerheid — en extra kosten.
Om te kunnen beoordelen of het uit hoofde van de voorgestelde verordening ingestelde mechanisme een extra effectief instrument is om juridische belemmeringen in grensregio’s uit de weg te ruimen, moet de Commissie, in overeenstemming met de agenda voor betere regelgeving, de bestaande wetgeving evalueren. De Commissie stelt daarom voor een evaluatie uit te voeren en verslag uit te brengen aan het Europees Parlement, de Raad, het Comité van de Regio’s en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de toepassing van de voorgestelde verordening. In haar verslag zal zij binnen vijf jaar na de toepassing van de voorgestelde verordening indicatoren gebruiken om de effectiviteit, de efficiëntie, de relevantie, de Europese toegevoegde waarde en de mogelijkheden voor vereenvoudiging te evalueren.
•Artikelsgewijze toelichting
Aangezien de Raad bij de medewetgevingsonderhandelingen over het ECBM-voorstel van 2018 sterke bezwaren uitte, zijn de nadere bepalingen grondig onderzocht, herzien, vereenvoudigd en geherstructureerd om aan de belangrijkste bezwaren tegemoet te komen. Dit hield in dat het aantal bepalingen werd teruggebracht van 26 naar 14 artikelen. Het gewijzigde voorstel combineert elementen uit het oorspronkelijke voorstel van de Commissie met nieuwe elementen die naar aanleiding van de initiatiefresolutie van het Parlement zijn ingebracht.
Hoofdstuk I — Algemene bepalingen (artikelen 1 tot en met 3)
In hoofdstuk I worden het onderwerp en de werkingssfeer van de voorgestelde verordening beschreven en de belangrijkste begrippen gedefinieerd.
Het onderwerp (artikel 1) is een procedure om grensoverschrijdende belemmeringen gemakkelijker uit de weg te ruimen. Om het geschikte instrument te kiezen, zullen de lidstaten grensoverschrijdende coördinatiepunten oprichten en organiseren. Het voorstel beschrijft de taken van deze grensoverschrijdende coördinatiepunten en de coördinerende taken van de Commissie.
De werkingssfeer van het voorstel (artikel 2) bestrijkt zowel geografische als inhoudelijke aspecten. Vanwege de rechtsgrondslag zal de verordening van toepassing zijn op grensoverschrijdende belemmeringen op grond van het nationale recht in alle grensregio’s met zee- en landbinnengrenzen tussen aangrenzende lidstaten. De verordening doet geen afbreuk aan andere rechtshandelingen van de Unie, met name die welke van toepassing zijn op de buitengerechtelijke beslechting van juridische kwesties die voortvloeien uit grensoverschrijdende belemmeringen en op de juiste uitlegging of uitvoering van het Unierecht.
Artikel 3 bevat de definities die nodig zijn om het voorstel uit te voeren. Wat de definitie van initiatiefnemers betreft, is het voorstel ruim en omvat het elke particuliere of publieke entiteit die betrokken is bij de verstrekking, exploitatie, vestiging of werking van een grensoverschrijdende overheidsdienst of infrastructuur, of elke natuurlijke persoon die een belang heeft bij het wegnemen van de grensoverschrijdende belemmering. Meerdere rechtspersonen of natuurlijke personen kunnen gezamenlijk een grensoverschrijdend dossier indienen.
Hoofdstuk II — Grensoverschrijdende coördinatiepunten (artikelen 4 en 5)
Het voorstel bevat verschillende opties voor de oprichting van grensoverschrijdende coördinatiepunten (artikel 4) en beschrijft hun taken (artikel 5). De opties stellen de lidstaten in staat deze verplichting zo flexibel mogelijk en volledig in overeenstemming met hun interne institutionele en juridische kaders uit te voeren (een of meer grensoverschrijdende coördinatiepunten, op nationaal en/of regionaal niveau, een afzonderlijke of bestaande instantie of publiekrechtelijk orgaan). Aangrenzende lidstaten kunnen deze opties ook toepassen op een gemeenschappelijk grensoverschrijdend coördinatiepunt dat beide zijden van een gemeenschappelijke grens bestrijkt.
Grensoverschrijdende coördinatiepunten moeten fungeren als “één-loket” waartoe initiatiefnemers zich bij voorkeur wenden in de desbetreffende lidstaat. Indien een bepaalde lidstaat meerdere grensoverschrijdende coördinatiepunten opricht, moet de ene de rol van het belangrijkste grensoverschrijdende coördinatiepunt op zich nemen en de andere lidstaten zijn taken ondersteunen en de nodige informatie doorgeven.
Hoofdstuk III — Grensoverschrijdende dossiers (artikelen 6 tot en met 9)
Centraal in het voorstel staat het beheer van een grensoverschrijdend dossier waarin een grensoverschrijdende belemmering wordt geïdentificeerd. Het voorstel beschrijft de elementen van een grensoverschrijdend dossier (artikel 7), de stappen van de voorlopige beoordeling in de lidstaten (artikel 8) en een aantal procedurele aspecten (artikel 9).
Aan de hand van de ervaringen met b-solutions moeten de initiatiefnemers niet worden verplicht de administratieve en wettelijke bepaling aan te geven die aan de belemmering ten grondslag ligt, maar kunnen zij daarbij worden ondersteund door organisaties met expertise op het gebied van grensoverschrijdende belemmeringen (bv. de Werkgemeenschap van Europese grensgebieden, de Mission Opérationnelle Transfrontalière en de Midden-Europese Dienst voor grensoverschrijdende initiatieven). Initiatiefnemers kunnen een grensoverschrijdend dossier slechts eenmaal indienen, d.w.z. in de lidstaat waar de initiatiefnemer is gevestigd of zijn statutaire zetel heeft (artikel 6, lid 2).
Naast een beschrijving van de elementen die de grensoverschrijdende coördinatiepunten nodig hebben om het dossier te beoordelen, moet het grensoverschrijdende dossier ook de reikwijdte beschrijven van afwijkingen van of uitzonderingen op de doorgaans toepasselijke bepalingen of praktijken om deze tot het strikte minimum te beperken.
Het doel van de voorlopige beoordeling is na te gaan of er sprake is van een grensoverschrijdende belemmering dan wel of het dossier kan worden gesloten. Zelfs als in de voorlopige beoordeling wordt geconcludeerd dat er inderdaad sprake is van een grensoverschrijdende belemmering, is het mechanisme om grensoverschrijdende belemmeringen uit de weg te ruimen vrijwillig: de procedure kan in elk stadium worden afgesloten mits de initiatiefnemer de nodige uitleg krijgt.
Artikel 8, lid 5, verwijst naar de lijst van instrumenten waarover de lidstaten beschikken. De bevoegde instantie beoordeelt of een of meer instrumenten beschikbaar zijn om te worden toegepast op de specifieke grensoverschrijdende belemmering en deze weg te nemen, in overleg met andere partijen die deze instrumenten gebruiken. Bij de toepassing van deze instrumenten volgen de lidstaten de procedures en aspecten van deze instrumenten. Indien de bevoegde instantie echter oordeelt dat geen van de beschikbare instrumenten van toepassing is op de specifieke grensoverschrijdende belemmering of dat geen ervan toereikend is om deze weg te nemen, kan de lidstaat het in hoofdstuk IV voorgestelde instrument voor een vlottere grensoverschrijdende samenwerking toepassen als een aanvullend instrument dat op grond van het Unierecht is vastgesteld.
Om de initiatiefnemer rechtszekerheid te bieden, voorziet artikel 9 in een procedureel kader voor de voorlopige beoordeling: termijnen, de noodzaak om de redenen uiteen te zetten voor een besluit om een bepaalde grensoverschrijdende belemmering al dan niet weg te nemen, en de rechtsmiddelen tegen die besluiten.
Hoofdstuk IV — Het instrument voor een vlottere grensoverschrijdende samenwerking (artikelen 10 tot en met 13)
Artikel 10 beschrijft de procedure die van toepassing is indien het grensoverschrijdende coördinatiepunt of de bevoegde instantie gebruikmaakt van het instrument voor een vlottere grensoverschrijdende samenwerking (artikel 8, lid 6) na beoordeling van de grensoverschrijdende belemmering uit hoofde van artikel 8, lid 1, en van de andere beschikbare instrumenten om de vastgestelde belemmering weg te nemen (artikel 8, lid 5). Het grensoverschrijdende coördinatiepunt of de bevoegde instantie stelt de initiatiefnemer in kennis van de geïdentificeerde grensoverschrijdende belemmering, de aard van de bepaling die aan de belemmering ten grondslag ligt en de volgende stappen die leiden tot het al dan niet uit de weg ruimen ervan (artikel 10, lid 2). Indien er geen gezamenlijk grensoverschrijdend coördinatiepunt is, wordt er ook gezorgd voor coördinatie met de aangrenzende lidstaat zodra de belemmering is geïdentificeerd in het nationale rechtsstelsel (artikel 10, lid 3). Ongeacht of de belemmering van administratieve of juridische aard is, moet het grensoverschrijdende coördinatiepunt contact opnemen met de bevoegde instantie om allereerst na te gaan hoe belangrijk en haalbaar het is om de belemmering door middel van de vastgestelde nationale administratieve of wettelijke bepaling(en) of praktijken weg te nemen (artikel 10, leden 4 en 5). De initiatiefnemer kan ervan in kennis worden gesteld dat er meer tijd nodig is voor juridische analyse, overleg binnen de lidstaat of coördinatie met de aangrenzende lidstaat (artikel 10, lid 7).
Indien een besluit wordt genomen om de vastgestelde belemmering weg te nemen, kan de procedure variëren naar gelang van de aard van de bepaling die ten grondslag ligt aan de grensoverschrijdende belemmering. Indien het om een administratieve bepaling gaat, kan de door het grensoverschrijdende coördinatiepunt gecontacteerde instantie besluiten de bepaling of praktijk, met inbegrip van de uitlegging ervan, te wijzigen (artikel 10, lid 4). In dit geval stelt het grensoverschrijdende coördinatiepunt de initiatiefnemer schriftelijk hiervan in kennis (artikel 11, lid 1, punt a)). Indien het om een wettelijke bepaling gaat, kan de door het grensoverschrijdende coördinatiepunt gecontacteerde instantie alleen voorstellen het wetgevingskader in overeenstemming met de grondwettelijke bepalingen van de lidstaat aan te passen om de belemmering weg te nemen (artikel 10, lid 5). In dat geval stelt het grensoverschrijdende coördinatiepunt de initiatiefnemer schriftelijk in kennis van de stappen van de wetgevingsprocedure die kunnen worden overwogen. Indien twee of meer aangrenzende lidstaten concluderen dat zij elk een wetgevingsprocedure willen inleiden of een administratieve bepaling of praktijk willen wijzigen om dezelfde belemmering weg te nemen, moeten zij dit in nauwe coördinatie doen, eventueel met inbegrip van een parallel tijdschema en de oprichting van een gemengd comité, overeenkomstig hun respectieve wetgevingskaders (artikel 11, lid 3).
Het besluit om een administratieve of juridische belemmering al dan niet weg te nemen, blijft vrijwillig.
Hoofdstuk V — Slotbepalingen (artikelen 12 tot en met 14)
Hoofdstuk V bevat de coördinatietaken van de Commissie (artikel 12), de monitoring- en rapportagetaken (artikel 13) en de datum van inwerkingtreding en toepassing (artikel 14).
Artikel 13, lid 1, bepaalt dat elke lidstaat de Commissie (binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de voorgestelde verordening) in kennis stelt van de oprichting van zijn grensoverschrijdende coördinatiepunten.
Artikel 13, lid 2, bepaalt dat de Commissie binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de voorgestelde verordening een verslag over de toepassing ervan indient.
2018/0198 (COD)
Gewijzigd voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende een mechanisme om juridische en administratieve belemmeringen in een grensoverschrijdende context uit de weg te ruimen
Voorstel COM(2018) 373 final van de Commissie wordt als volgt gewijzigd:
1)De titel wordt vervangen door:
“VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende het vergemakkelijken van grensoverschrijdende oplossingen”.
2)De overwegingen 1 tot en met 28 worden vervangen door:
(1)“In artikel 175, derde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (het “Verdrag”) is bepaald dat, buiten de in de eerste alinea van dat artikel bedoelde fondsen om, specifieke maatregelen kunnen worden vastgesteld om de doelstelling van het Verdrag met betrekking tot economische en sociale samenhang te verwezenlijken. In dat verband draagt territoriale samenwerking ook bij tot de verwezenlijking van de in dat artikel genoemde doelstellingen. Daartoe moeten de nodige maatregelen worden genomen om de voorwaarden waaronder territoriale samenwerkingsacties worden uitgevoerd, te verbeteren.
(2)Artikel 174, derde alinea, van het Verdrag erkent de uitdagingen waarmee grensoverschrijdende gebieden worden geconfronteerd en bepaalt dat de Unie bijzondere aandacht aan die gebieden moet besteden wanneer zij haar optreden gericht op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang ontwikkelt en vervolgt.
(3)In de mededeling van de Commissie “Groei en cohesie stimuleren in grensregio’s van de EU” werd de vooruitgang erkend die tot dusver is geboekt bij het transformeren van die regio’s van voornamelijk perifere gebieden in gebieden die door groei en nieuwe mogelijkheden worden gekenmerkt, maar werd tegelijkertijd gewezen op de aanhoudende juridische en andere belemmeringen in die regio’s, met name belemmeringen in verband met gezondheidsdiensten, arbeidswetgeving, belastingen, bedrijfsontwikkeling, en belemmeringen die verband houden met verschillen tussen administratieve culturen en nationale rechtskaders. Noch de financiering in het kader van Europese territoriale samenwerking, met name in het kader van de Interreg-programma’s, noch de institutionele steun voor samenwerking van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS’en) die zijn opgericht bij Verordening (EG) nr. 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad of van het in 2018 door de Commissie gelanceerde initiatief b‑solutions, volstaat om een aantal administratieve en juridische belemmeringen die effectieve samenwerking in de weg staan, terzijde te schuiven.
(4)Grensoverschrijdende regio’s dreigen in tijden van crisis overmatig te worden getroffen. Tijdens de COVID‑19-pandemie was de economische impact van grensgerelateerde maatregelen van de lidstaten voor grensoverschrijdende regio’s meer dan dubbel zo groot als de gemiddelde impact op alle EU-regio’s. Uit deze ervaring blijkt duidelijk dat er middelen ter beschikking moeten worden gesteld om grensoverschrijdende belemmeringen aan te pakken.
(5)Hoewel er in bepaalde regio’s van de Unie op intergouvernementeel, nationaal, regionaal en lokaal niveau al verschillende juridische instrumenten bestaan om grensoverschrijdende belemmeringen uit de weg te ruimen, bestrijken zij niet alle grensregio’s in de Unie of pakken zij problemen in verband met de ontwikkeling en versterking van de territoriale samenhang niet noodzakelijkerwijs op consistente wijze aan. Om de bestaande instrumenten aan te vullen, is daarom een extra instrument nodig dat bij het Unierecht is ingesteld, namelijk het instrument voor een vlottere grensoverschrijdende samenwerking.
(6)Om een administratieve structuur op te zetten om adequaat in te gaan op verzoeken in verband met grensoverschrijdende belemmeringen, moet elke lidstaat een of meer grensoverschrijdende coördinatiepunten oprichten die verantwoordelijk zijn voor het ontvangen en beoordelen van verzoeken met betrekking tot grensoverschrijdende belemmeringen. Zij moeten contact onderhouden met de Commissie en haar ondersteunen in haar coördinerende rol.
(7)Hoewel aan zeegrenzen gelegen regio’s verschillend van aard zijn vanwege de beperktere mogelijkheden voor grensoverschrijdende interactie en het gebruik van grensoverschrijdende overheidsdiensten, moet deze verordening ook van toepassing zijn op zeegrenzen.
(8)Op het niveau van de Unie zijn er verschillende buitengerechtelijke instrumenten om de naleving van het Unierecht te monitoren en te handhaven, met name die in verband met de eengemaakte markt, zoals Solvit. Deze verordening mag geen afbreuk doen aan dergelijke bestaande instrumenten. Het gecreëerde extra instrument zal alleen van toepassing zijn op grensoverschrijdende belemmeringen die uit de toepassing van het nationale recht ontstaan, onder andere als gevolg van een correcte, maar verschillende toepassing van het Unierecht die kan leiden tot onopzettelijke belemmering van de planning of uitvoering van grensoverschrijdende overheidsdiensten en infrastructuurvoorzieningen. Het instrument mag niet van toepassing zijn op dossiers die betrekking hebben op een mogelijke inbreuk op de Uniewetgeving inzake de interne markt door een overheidsinstantie in een andere lidstaat. Deze verordening doet evenmin afbreuk aan de coördinatiemechanismen voor sociale zekerheid en belastingen.
(9)Om mogelijke grensoverschrijdende belemmeringen te identificeren die onder deze verordening zouden kunnen vallen, moeten de situaties die als grensoverschrijdende interactie worden aangemerkt, worden gedefinieerd. Daartoe moet deze verordening van toepassing zijn op infrastructuur voor grensoverschrijdende activiteiten en op grensoverschrijdende overheidsdiensten. Wanneer deze “grensoverschrijdende overheidsdiensten” op lange termijn worden verleend, moeten zij erop gericht zijn voordelen te genereren voor het grote publiek of een specifieke doelgroep in de grensregio waar de dienst wordt verleend, en aldus de levensomstandigheden en de territoriale cohesie in die regio’s te verbeteren. Ten tweede kunnen grensoverschrijdende belemmeringen gevolgen hebben voor infrastructuurvoorzieningen die nodig zijn voor grensoverschrijdende activiteiten, zoals verschillende technische normen voor gebouwen of voertuigen en de daarmee verband houdende uitrusting. Een grensoverschrijdend dossier moet worden ingediend door een initiatiefnemer, dat wil zeggen enkel een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke entiteit of een natuurlijke persoon die een rechtmatig belang heeft bij een grensoverschrijdende overheidsdienst of bepaalde infrastructuurvoorzieningen.
(10)Om op nationaal niveau de administratieve capaciteit tot stand te brengen die adequaat is om de verzoeken betreffende grensoverschrijdende belemmeringen te behandelen en te voorzien in een netwerk van nationale organen die met elkaar in contact kunnen treden voor de uitvoering van deze verordening, moeten de lidstaten een of meer grensoverschrijdende coördinatiepunten op nationaal of regionaal niveau opzetten. Twee of meer aangrenzende lidstaten moeten ook de mogelijkheid krijgen om bestaande gezamenlijke organen aan te wijzen als grensoverschrijdend coördinatiepunt aan een bepaalde grens of een bestaand(e) gezamenlijk(e) instantie of orgaan bevoegdheid verlenen voor de aanvullende taken van het grensoverschrijdende coördinatiepunt voor al hun grenzen.
(11)Om een kader vast te stellen voor de behandeling van verzoeken betreffende grensoverschrijdende belemmeringen dat gemeenschappelijk is voor alle grensoverschrijdende coördinatiepunten, moeten voor elk grensoverschrijdend coördinatiepunt de taken worden vastgesteld. Grensoverschrijdende coördinatiepunten moeten fungeren als “één-loket” waartoe initiatiefnemers zich bij voorkeur wenden. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de contactgegevens van de grensoverschrijdende coördinatiepunten openbaar beschikbaar, zichtbaar en toegankelijk zijn. Indien er in een lidstaat meer dan één grensoverschrijdend coördinatiepunt is, wijzen de lidstaten voor elke initiatiefnemer duidelijk één enkel contactpunt aan. Om een follow-up van de resultaten van verzoeken betreffende grensoverschrijdende belemmeringen mogelijk te maken en de transparantie over de oplossing van dergelijke belemmeringen te vergroten, moeten de grensoverschrijdende coördinatiepunten ook verantwoordelijk zijn voor het opstellen en bijhouden van een openbaar register voor alle grensoverschrijdende dossiers die door initiatiefnemers in die lidstaat worden ingediend. Bovendien moeten in deze verordening verplichtingen worden vastgesteld met betrekking tot de coördinatie, samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de verschillende grensoverschrijdende coördinatiepunten in één lidstaat en tussen de grensoverschrijdende coördinatiepunten van aangrenzende lidstaten.
(12)Een initiatiefnemer mag zijn grensoverschrijdende dossier slechts één keer indienen. Indien een andere, in een andere lidstaat gevestigde initiatiefnemer echter ook een analoog grensoverschrijdend dossier indient in die andere lidstaat, moeten de grensoverschrijdende coördinatiepunten van die lidstaten parallelle dossiers vermijden door de coördinatie ervan dienovereenkomstig te organiseren.
(13)De verschillende lagen van het toepasselijke nationale recht kunnen het moeilijk maken om vast te stellen welke specifieke bepaling een grensoverschrijdende belemmering vormt. Mede op basis van de ervaring met b-solutions moet de initiatiefnemer daarom alleen de situatie en het op te lossen probleem beschrijven.
(14) Om te voorzien in een procedureel kader dat tegelijkertijd rechtszekerheid biedt aan de initiatiefnemer van een grensoverschrijdend dossier, moet het grensoverschrijdende coördinatiepunt grensoverschrijdende dossiers beoordelen en de initiatiefnemer een voorlopig en definitief antwoord geven binnen redelijke termijnen, die in beginsel de in het nationale recht vastgestelde termijnen moeten zijn. Wanneer de initiatiefnemer de grensoverschrijdende belemmeringen niet heeft geïdentificeerd, moeten de bevoegde instanties of publiekrechtelijke organen dat doen. De analyse van een grensoverschrijdend dossier kan leiden tot de conclusie dat er in feite geen sprake is van een grensoverschrijdende belemmering, omdat de beschrijving van de vermeende belemmering gebaseerd is op onvoldoende informatie of een onjuiste uitlegging van de toepasselijke wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, of omdat de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen reeds voorzien in de nodige vereisten om de belemmering aan te pakken. In dat geval wordt de grensoverschrijdende belemmering geacht uit de weg te zijn geruimd en moet het grensoverschrijdende dossier worden gesloten. Zodra is bevestigd dat er sprake is van een grensoverschrijdende belemmering, moeten de lidstaten de vrijheid behouden om te beslissen wat het geschikte instrument is om de situatie in de betrokken grensoverschrijdende regio aan te pakken, waarbij zij in eerste instantie gebruik moeten maken van eventuele reeds bestaande mechanismen om de belemmering weg te nemen. Wanneer de lidstaten besluiten grensoverschrijdende belemmeringen niet uit de weg te ruimen, moeten zij de redenen daarvoor naar behoren vermelden en aangeven welke rechtsmiddelen er ter beschikking zijn, met name wanneer de lidstaat concludeert dat de geïdentificeerde belemmering niet binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt.
(15)Wanneer de bevoegde instantie geen geschikt bestaand instrument heeft gevonden, kan zij kiezen voor het instrument voor een vlottere grensoverschrijdende samenwerking of de redenen uiteenzetten waarom zij besluit de grensoverschrijdende belemmering niet weg te nemen. Aangezien de uitkomst van de procedure enigszins kan verschillen naargelang van de administratieve of wetgevende aard van de mogelijke grensoverschrijdende juridische belemmering, moet in het instrument voor een vlottere grensoverschrijdende samenwerking met dergelijke bijzonderheden rekening worden gehouden.
(16)Om te voorzien in een doeltreffende procedurele structuur voor het aanpakken van dossiers met grensoverschrijdende belemmeringen, moeten in deze verordening de essentiële procedurele stappen worden vastgesteld, zowel voor dossiers betreffende een administratieve belemmering als voor dossiers betreffende een juridische belemmering. Ook moet worden verduidelijkt dat de verschillende rechtsstelsels in aangrenzende lidstaten ertoe kunnen leiden dat de grensoverschrijdende belemmeringen in de ene lidstaat als administratieve bepaling, maar in de andere lidstaat als wettelijke bepaling worden aangemerkt, en omgekeerd. Elke lidstaat moet daarom de passende procedure toepassen. Naburige lidstaten moeten hun respectieve procedures zo nauw mogelijk coördineren. Wanneer ten aanzien van een dossier een definitief standpunt wordt ingenomen, moeten de redenen daarvoor samen met het besluit aan de initiatiefnemer worden meegedeeld.
(17)Om de monitoring van de toepassing van deze verordening op het niveau van de Unie te waarborgen en de lidstaten te ondersteunen, ook op het gebied van capaciteitsopbouw, moet de Commissie worden belast met de desbetreffende taken om die doelstellingen te verwezenlijken. Het coördinatiepunt op EU-niveau moet met name de grensoverschrijdende coördinatiepunten ondersteunen door de uitwisseling van ervaringen tussen die coördinatiepunten te bevorderen. Die ondersteuning kan ook bestaan uit op technische bijstand gebaseerde instrumenten zoals b‑solutions.
(18)Om empirisch onderbouwde beleidsvorming mogelijk te maken, moet verslag worden uitgebracht over de uitvoering van deze verordening. Dat verslag moet ingaan op de belangrijkste evaluatievragen, waaronder over effectiviteit, efficiëntie, relevantie, Europese toegevoegde waarde, mogelijkheden voor vereenvoudiging en duurzaamheid en de noodzaak van verdere actie op het niveau van de Unie. De Commissie moet het verslag voorleggen aan het Europees Parlement, de Raad en, overeenkomstig artikel 307, eerste alinea, van het Verdrag, aan het Comité van de Regio’s en het Europees Economisch en Sociaal Comité. Om te zorgen voor een brede empirische basis voor de toepassing van deze verordening en van het instrument voor een vlottere grensoverschrijdende samenwerking, moet het verslag vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening worden ingediend.
(19)Deze verordening eerbiedigt de grondrechten, neemt de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht en heeft geen negatieve gevolgen voor de grondrechten. Aangezien de verordening tot doel heeft juridische belemmeringen in een grensoverschrijdende context weg te nemen, kan zij het recht op toegang tot diensten van algemeen economisch belang (artikel 36) en de vrijheid van ondernemerschap (artikel 16) bevorderen. Het brede scala van dergelijke diensten kan ook de toegang tot gezondheidszorg bevorderen (artikel 35). Meer in het algemeen, aangezien het zeer waarschijnlijk lijkt dat grensoverschrijdende openbaarvervoersdiensten zullen profiteren van het instrument voor een vlottere grensoverschrijdende samenwerking, kan deze verordening positieve gevolgen hebben voor de vrijheid van verkeer en van verblijf (artikel 45).
(20)De voorwaarden voor territoriale samenwerking moeten worden gerealiseerd overeenkomstig het in artikel 5, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie verankerde subsidiariteitsbeginsel. Uit de ervaring blijkt dat bepaalde lidstaten individuele, bilaterale of zelfs multilaterale initiatieven hebben genomen om juridische belemmeringen voor grensoverschrijdende interactie uit de weg te ruimen. Deze instrumenten bestaan echter niet in alle lidstaten of ten aanzien van alle grenzen van een bepaalde lidstaat. De doelstellingen van de voorgestelde maatregel kunnen bijgevolg niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt, noch op centraal niveau, noch op regionaal of lokaal niveau, maar kunnen vanwege de noodzakelijke betrokkenheid van ten minste twee aangrenzende lidstaten, beter op het niveau van de Unie worden verwezenlijkt. Daarom is nader optreden van de Uniewetgever vereist.
(21)Overeenkomstig het in artikel 5, lid 4, Verdrag betreffende de Europese Unie verankerde evenredigheidsbeginsel mogen de inhoud en de vorm van het optreden van de Unie niet verder gaan dan wat nodig is om de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken. Elke lidstaat is vrij om al dan niet het instrument voor een vlottere grensoverschrijdende samenwerking in toepassing van deze verordening te gebruiken. Een lidstaat moet besluiten om ten aanzien van een specifieke grens met een of meer aangrenzende lidstaten grensoverschrijdende belemmeringen uit de weg te ruimen met behulp van de bestaande instrumenten die deze lidstaat op nationaal niveau of samen met een of meer aangrenzende lidstaten heeft ingesteld. Deze verordening gaat bijgevolg niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen ervan te verwezenlijken voor de grensoverschrijdende regio’s ten aanzien waarvan de lidstaten niet over een efficiënt instrument beschikken om grensoverschrijdende belemmeringen uit de weg te ruimen.”.
3)De artikelen 1 tot en met 26 worden vervangen door de volgende tekst:
“HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen
Artikel 1
Onderwerp
1.Bij deze verordening wordt een procedure vastgesteld voor het wegnemen van grensoverschrijdende belemmeringen die de totstandbrenging en werking verhinderen van infrastructuurvoorzieningen die nodig zijn voor openbare of particuliere grensoverschrijdende activiteiten, of van grensoverschrijdende openbare diensten die in een bepaalde grensoverschrijdende regio worden verleend, mits deze diensten de economische, sociale en territoriale cohesie in de grensoverschrijdende regio bevorderen (het “instrument voor een vlottere grensoverschrijdende samenwerking”).
2.In deze verordening worden ook regels vastgesteld betreffende:
a)de organisatie en de taken van grensoverschrijdende coördinatiepunten in de lidstaten;
b)de coördinatietaken van de Commissie.
Artikel 2
Werkingssfeer
1.Deze verordening is van toepassing op grensoverschrijdende belemmeringen in aan land- of zeegrenzen gelegen regio’s van aangrenzende lidstaten.
Zij is niet van toepassing op grensoverschrijdende belemmeringen in regio’s die zijn gelegen aan de grenzen tussen lidstaten en derde landen.
2.Deze verordening doet geen afbreuk aan andere rechtshandelingen van de Unie, met name die welke van toepassing zijn op de buitengerechtelijke beslechting van juridische kwesties die voortvloeien uit grensoverschrijdende belemmeringen en op de juiste uitlegging of uitvoering van het Unierecht. Zij doet geen afbreuk aan de coördinatiemechanismen voor sociale zekerheid en belastingen.
Artikel 3
Definities
1.Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1)“grensoverschrijdende interactie”:
a)alle infrastructuurvoorzieningen die noodzakelijk zijn voor openbare of particuliere grensoverschrijdende activiteiten;
b)de oprichting, de werking of de verstrekking van grensoverschrijdende overheidsdiensten in een grensoverschrijdende regio;
2)“grensoverschrijdende belemmering”: een wetgevende of administratieve bepaling of praktijk van een overheidsinstantie in een lidstaat die een negatieve invloed kan hebben op een grensoverschrijdende interactie en zodoende op de ontwikkeling van een grensoverschrijdende regio, en die geen mogelijke inbreuk op het Unierecht betreffende de interne markt inhoudt;
3)“bevoegde instantie”: een instantie op nationaal, regionaal of lokaal niveau die bevoegd is om juridisch bindende en afdwingbare handelingen vast te stellen;
4)“grensoverschrijdend dossier”: het document dat door een of meer initiatiefnemers is opgesteld en bij een grensoverschrijdend coördinatiepunt moet worden ingediend;
5)“grensoverschrijdende overheidsdienst”: een in het algemeen belang uitgevoerde activiteit om een dienst te verlenen of gezamenlijke problemen aan te pakken of ontwikkelingspotentieel te stimuleren van grensregio’s aan verschillende zijden van de grenzen van een of meer aangrenzende lidstaten, op voorwaarde dat deze de economische, sociale en territoriale cohesie op het grensoverschrijdende grondgebied bevordert;
6)“initiatiefnemer”: een particuliere of publieke entiteit die betrokken is bij de verstrekking, exploitatie, vestiging of werking van een grensoverschrijdende overheidsdienst of infrastructuurvoorziening, of elke natuurlijke persoon die een rechtmatig belang heeft bij het wegnemen van een grensoverschrijdende belemmering.
2.Voor de toepassing van deze verordening heeft de verwijzing naar “de bevoegde instantie” ook betrekking op situaties waarin meer dan één bevoegde instantie binnen dezelfde lidstaat bevoegd is of moet worden geraadpleegd.
3.Voor de toepassing van deze verordening heeft de term “grensoverschrijdende belemmering” betrekking op een of meer grensoverschrijdende belemmeringen die verband houden met een grensoverschrijdend dossier.
HOOFDSTUK II
Grensoverschrijdende coördinatiepunten
Artikel 4
Oprichting van grensoverschrijdende coördinatiepunten
1.Elke lidstaat richt overeenkomstig lid 3 een of meer grensoverschrijdende coördinatiepunten op conform zijn institutionele en juridische kader, op nationaal of regionaal niveau, of beide.
2.Twee of meer aangrenzende lidstaten kunnen besluiten een gemeenschappelijk grensoverschrijdend coördinatiepunt op te richten dat bevoegd is voor een of meer van de respectieve grensoverschrijdende regio’s.
3.Elk grensoverschrijdend coördinatiepunt wordt opgericht op een van de volgende wijzen:
a)als afzonderlijke instantie of publiekrechtelijk orgaan;
b)als onderdeel van een bestaande instantie of van een bestaand publiekrechtelijk orgaan, onder meer door een bestaande instantie of een bestaand publiekrechtelijk orgaan de aanvullende taken van het grensoverschrijdende coördinatiepunt toe te vertrouwen.
4.De lidstaten zorgen ervoor dat binnen twee maanden na het besluit tot oprichting van het grensoverschrijdende coördinatiepunt de contactgegevens ervan en informatie over de taken ervan beschikbaar zijn op de in artikel 36, lid 2, van Verordening (EU) 2021/1059 bedoelde website van Interreg-programma’s. De lidstaten zorgen ervoor dat het grensoverschrijdende coördinatiepunt zichtbaar en toegankelijk is.
Artikel 5
Voornaamste taken van de grensoverschrijdende coördinatiepunten
1.De lidstaten bepalen, hetzij afzonderlijk in het in artikel 4, lid 1, bedoelde geval, hetzij gezamenlijk in het in artikel 4, lid 2, bedoelde geval, welke taken elk grensoverschrijdend coördinatiepunt moet uitvoeren en welke taken aan de bevoegde instantie worden toevertrouwd.
2.De lidstaten beslissen of grensoverschrijdende coördinatiepunten voor eigen rekening naar aanleiding van een grensoverschrijdend dossier kunnen optreden dan wel of zij alleen verantwoordelijk zijn voor de communicatie met initiatiefnemers namens de bevoegde instantie.
3.Het grensoverschrijdende coördinatiepunt vormt het enige contactpunt van de initiatiefnemer, afhankelijk van de door de lidstaten bepaalde organisatie van de contactpunten, die de volgende vormen kan aannemen:
a)elk nationaal grensoverschrijdend coördinatiepunt is het enige contactpunt voor alle grensoverschrijdende dossiers die door een op het grondgebied van de betrokken lidstaat gevestigde initiatiefnemer worden ingediend;
b)elk regionaal grensoverschrijdend coördinatiepunt is het enige contactpunt voor de grensoverschrijdende dossiers die door een in de grensregio(’s) van de betrokken lidstaat gevestigde initiatiefnemer worden ingediend;
c)elk gezamenlijk grensoverschrijdend coördinatiepunt is het enige contactpunt voor de grensoverschrijdende dossiers die door een in een van de betrokken grensregio’s gevestigde initiatiefnemer worden ingediend.
4.Naast de in de artikelen 8, 10 en 11 bedoelde taken voeren de grensoverschrijdende coördinatiepunten de volgende taken uit:
a)het opzetten en bijhouden van een openbaar register voor alle grensoverschrijdende dossiers die door in die lidstaat gevestigde initiatiefnemers worden ingediend;
b)het onderhouden van contacten met de Commissie en ondersteunen van de in artikel 12 bedoelde coördinatietaken van de Commissie door de nodige informatie te verstrekken, met inbegrip van de NUTS-classificatie voor elk dossier.
Indien er in een lidstaat meerdere grensoverschrijdende coördinatiepunten bestaan, voert één grensoverschrijdend coördinatiepunt (“het belangrijkste grensoverschrijdende coördinatiepunt”) de in de punten a) en b) genoemde taken uit.
5.De lidstaten zorgen ervoor dat het in lid 4 bedoelde register voor het publiek beschikbaar blijft in open, machinaal leesbare formaten als bepaald in artikel 5, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/1024 van het Europees Parlement en de Raad, waarin gegevens mogen worden gesorteerd, doorzocht, geëxtraheerd, vergeleken en gebruikt, en dat het ten minste driemaal per jaar wordt bijgewerkt. Het grensoverschrijdende coördinatiepunt kan open informatie integreren of het register koppelen aan de in artikel 46, punt b), van Verordening (EU) 2021/1060 bedoelde centrale website, de in artikel 49, lid 1, van die verordening bedoelde website of de in artikel 36, lid 2, van Verordening (EU) 2021/1059 bedoelde website.
6.In een lidstaat met meer dan één grensoverschrijdend coördinatiepunt zenden de grensoverschrijdende coördinatiepunten de nodige informatie toe aan het belangrijkste grensoverschrijdende coördinatiepunt om dit in staat te stellen zijn taken uit hoofde van de leden 4 en 5 uit te voeren.
7.Indien twee of meer aangrenzende lidstaten hebben besloten een gezamenlijk grensoverschrijdend coördinatiepunt op te richten, geeft dat coördinatiepunt de nodige informatie door aan de eventuele belangrijkste grensoverschrijdende coördinatiepunten van de respectieve lidstaten.
HOOFDSTUK III
Grensoverschrijdende dossiers
Artikel 6
Voorbereiding en indiening van grensoverschrijdende dossiers
1.De initiatiefnemer bereidt een grensoverschrijdend dossier voor overeenkomstig artikel 7.
2.De initiatiefnemer dient het grensoverschrijdende dossier in bij het grensoverschrijdende coördinatiepunt van de lidstaat waar de initiatiefnemer is gevestigd of zijn statutaire zetel heeft.
3.Wanneer grensoverschrijdende dossiers over dezelfde grensoverschrijdende belemmering in twee of meer aangrenzende lidstaten worden aangemaakt, onderhouden hun respectieve grensoverschrijdende coördinatiepunten contact met elkaar om uit te maken welke van de lidstaten het dossier in de eerste plaats zal behandelen.
Artikel 7
Inhoud van grensoverschrijdende dossiers
1.Het grensoverschrijdende dossier omvat ten minste de volgende elementen:
a)een beschrijving van de grensoverschrijdende interactie, de context ervan en het probleem dat voortvloeit uit een grensoverschrijdende belemmering en uit de weg moet worden geruimd;
b)een rechtvaardiging van de noodzaak om de grensoverschrijdende belemmering weg te nemen;
c)indien beschikbaar, een beschrijving van de negatieve gevolgen van de grensoverschrijdende belemmering voor de ontwikkeling van de grensregio;
d)het betrokken geografische gebied;
e)indien beschikbaar en relevant, de verwachte nodige duur van de toepassing van een afwijking van of uitzondering op de grensoverschrijdende belemmering of, indien naar behoren gemotiveerd, het wegnemen ervan.
2.De initiatiefnemer kan ook de grensoverschrijdende belemmering identificeren en, indien mogelijk, de tekst voorstellen voor een afwijking van of uitzondering op de grensoverschrijdende belemmering of voor een juridische oplossing op ad-hocgrondslag.
3.Het in lid 1, punt d), bedoelde geografische gebied wordt beperkt tot het minimum dat nodig is voor de doeltreffende afwikkeling van een grensoverschrijdend dossier.
Artikel 8
Stappen van de voorlopige beoordeling
1.Het grensoverschrijdende coördinatiepunt of de bevoegde instantie beoordeelt elk overeenkomstig de artikelen 6 en 7 ingediend grensoverschrijdend dossier en identificeert de grensoverschrijdende belemmering(en).
2.Binnen twee maanden na de indiening van het dossier kan het grensoverschrijdende coördinatiepunt of de bevoegde instantie de initiatiefnemer verzoeken het grensoverschrijdende dossier te verduidelijken of aanvullende specifieke informatie in te dienen. In een dergelijk verzoek wordt uiteengezet waarom en in welk opzicht het grensoverschrijdende dossier ontoereikend wordt geacht om te worden onderzocht.
Indien het bijgewerkte grensoverschrijdende dossier de aspecten die ontoereikend werden geacht niet behandelt, kan het grensoverschrijdende coördinatiepunt of de bevoegde instantie de procedure beëindigen; het stelt de initiatiefnemer daarvan in kennis, met opgave van redenen.
3.Indien het grensoverschrijdende coördinatiepunt of de bevoegde instantie na beoordeling van een grensoverschrijdend dossier tot de conclusie komt dat een vermeende grensoverschrijdende belemmering niet bestaat, kan het grensoverschrijdende coördinatiepunt de procedure beëindigen; het stelt de initiatiefnemer daarvan in kennis, met opgave van redenen.
4.Het grensoverschrijdende coördinatiepunt of de bevoegde instantie dat of die na beoordeling van een grensoverschrijdend dossier tot de conclusie komt dat de vermeende grensoverschrijdende belemmering bestaat, kan er in elke fase van de procedure voor kiezen om deze niet weg te nemen en stelt de initiatiefnemer daarvan in kennis met opgave van redenen.
5.Alvorens de beoordeling af te ronden, beoordeelt het grensoverschrijdende coördinatiepunt of de bevoegde instantie verder of het voor elke vermeende grensoverschrijdende belemmering mogelijk is een beroep te doen op een bestaande van kracht zijnde internationale samenwerkingsovereenkomst — of het nu gaat om een bilaterale of multilaterale, multisectorale of sectorspecifieke overeenkomst — die voorziet in een eigen mechanisme voor het wegnemen van grensoverschrijdende belemmeringen tussen de lidstaten waarop die belemmering(en) betrekking heeft (hebben). Indien een dergelijke internationale overeenkomst bestaat, worden het wegnemen van een of meer grensoverschrijdende belemmeringen, met inbegrip van de betrokken actoren en de te volgen procedure, met name voor het onderhouden van contacten en de samenwerking met de aangrenzende lidstaat, uitsluitend geregeld door de bepalingen van die overeenkomst.
6.Indien de lidstaat ervoor kiest de belemmering uit de weg te ruimen en bij ontstentenis van een internationale overeenkomst als bedoeld in lid 5, of indien de beschikbare internationale overeenkomsten niet op bevredigende wijze lijken bij te dragen tot het wegnemen van de in het grensoverschrijdende dossier beschreven belemmering, kan het grensoverschrijdende coördinatiepunt of de bevoegde instantie het instrument voor een vlottere grensoverschrijdende samenwerking toepassen, hetzij alleen, hetzij, indien nodig en overeengekomen, samen met de aangrenzende lidstaat.
Artikel 9
Informatie aan de initiatiefnemer
1.Na ontvangst van een grensoverschrijdend dossier of een bijgewerkt grensoverschrijdend dossier stelt het grensoverschrijdende coördinatiepunt of de bevoegde instantie de initiatiefnemer schriftelijk in kennis van alle stappen van de voorlopige beoordeling die overeenkomstig artikel 8 zijn ondernomen, binnen de in de nationale wetgeving vastgestelde standaardtermijn voor het beantwoorden van een gelijkwaardig verzoek dat bij de overheid is ingediend.
2.Indien de nationale wetgeving niet in een dergelijke termijn voorziet, gelden de volgende termijnen:
a)drie maanden voor de in artikel 8, lid 2, tweede alinea, bedoelde stappen van de voorlopige beoordeling;
b)zes maanden voor de in artikel 8, leden 3 en 4, bedoelde stappen van de voorlopige beoordeling.
3.De in lid 1 bedoelde informatie beschrijft eveneens:
a)de stappen van de voorlopige beoordeling die zijn genomen, de rechtvaardiging en de conclusies ervan, indien die reeds beschikbaar zijn;
b)de rechtsmiddelen en procedures waarin de nationale wetgeving eventueel voorziet tegen deze stappen van de voorlopige beoordeling.
4.In het eerste contact met de initiatiefnemer uit hoofde van artikel 8, lid 2, eerste alinea, kan ook worden vermeld dat er meer tijd nodig is voor juridische analyse, overleg binnen de lidstaat of coördinatie met de aangrenzende lidstaat.
HOOFDSTUK IV
Het instrument voor een vlottere grensoverschrijdende samenwerking
Artikel 10
Procedure
1.Het grensoverschrijdende coördinatiepunt of de bevoegde instantie dat of die overeenkomstig artikel 8, lid 6, heeft besloten het instrument voor een vlottere grensoverschrijdende samenwerking toe te passen, past de procedure van dit artikel toe.
2.Na de grensoverschrijdende belemmering in zijn nationale rechtsstelsel geïdentificeerd te hebben, stelt het grensoverschrijdende coördinatiepunt of de bevoegde instantie de initiatiefnemer in kennis van:
a)de geïdentificeerde grensoverschrijdende belemmering;
b)de aard van de bepaling die ten grondslag ligt aan de grensoverschrijdende belemmering en die zou moeten worden gewijzigd om de belemmering uit de weg te ruimen;
c)de volgende stappen die leiden tot het al dan niet uit de weg ruimen van de grensoverschrijdende belemmering en welke van de procedures van lid 4 of 5 van dit artikel van toepassing moeten zijn.
3.Na de beoordeling van het grensoverschrijdende dossier en de identificatie van de grensoverschrijdende belemmering wisselt het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt relevante informatie over de grensoverschrijdende belemmering uit met het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt in de aangrenzende lidstaat. De grensoverschrijdende coördinatiepunten streven ernaar parallelle procedures met betrekking tot dezelfde grensoverschrijdende belemmering te vermijden.
4.Wanneer de grensoverschrijdende belemmering bestaat in een administratieve bepaling of praktijk die geen wijziging van een wettelijke bepaling vereist, neemt het grensoverschrijdende coördinatiepunt contact op met de bevoegde instantie die verantwoordelijk is voor de administratieve bepaling om na te gaan of een wijziging van die administratieve bepaling of praktijk volstaat om de grensoverschrijdende belemmering weg te nemen en of de autoriteit bereid is deze dienovereenkomstig te wijzigen. De initiatiefnemer wordt binnen acht maanden na de indiening van het grensoverschrijdende dossier schriftelijk in kennis gesteld.
5.Wanneer de grensoverschrijdende belemmering in een wettelijke bepaling bestaat, neemt het grensoverschrijdende coördinatiepunt contact op met de bevoegde instantie om na te gaan of een wijziging, met inbegrip van een uitzondering op of een afwijking van de toepasselijke wettelijke bepaling, de grensoverschrijdende belemmering zou wegnemen en of de bevoegde instantie de nodige stappen zal ondernemen om overeenkomstig het institutionele en juridische kader een wetgevingsprocedure in te leiden. De initiatiefnemer wordt binnen acht maanden na de indiening van het grensoverschrijdende dossier schriftelijk in kennis gesteld.
6.Wanneer een grensoverschrijdend dossier is ingediend bij het grensoverschrijdende coördinatiepunt van twee of meer aangrenzende lidstaten, beslist elk coördinatiepunt over het soort procedure dat in zijn lidstaat moet worden gevolgd.
7.Indien een juridische analyse, overleg binnen de lidstaat, coördinatie met de aangrenzende lidstaat, een wijziging van een administratieve bepaling door de bevoegde instantie van de aangrenzende lidstaat of het inleiden van een wetgevingsprocedure het grensoverschrijdende coördinatiepunt belet om binnen acht maanden overeenkomstig de leden 4 en 5 te antwoorden aan de initiatiefnemer, wordt de initiatiefnemer schriftelijk in kennis gesteld van de reden voor de vertraging en van de antwoordtermijn.
Artikel 11
Laatste stappen om de grensoverschrijdende belemmering uit de weg te ruimen
1.Het grensoverschrijdende coördinatiepunt of de bevoegde instantie stelt de initiatiefnemer op basis van de overeenkomstig artikel 8 uitgevoerde beoordeling en van de in artikel 10, lid 3, bedoelde informatie schriftelijk in kennis van het resultaat van het dossier, namelijk:
a)het resultaat van een procedure overeenkomstig artikel 10, lid 4, met inbegrip van, in voorkomend geval, de wijziging van administratieve bepalingen;
b)het resultaat van een procedure overeenkomstig artikel 10, lid 5, met inbegrip van, in voorkomend geval, de inleiding van een wetgevingsprocedure of de wijziging van wettelijke bepalingen;
c)dat de grensoverschrijdende belemmering niet zal worden aangepakt;
d)de redenen die ten grondslag liggen aan het onder punt a), b) of c) vastgestelde standpunt;
e)de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen waarin het nationale recht eventueel voorziet. Indien het nationale recht niet voorziet in een termijn, krijgt de initiatiefnemer zes maanden de tijd om een verzoek tot herziening van het besluit in te dienen.
2.Indien het grensoverschrijdende coördinatiepunt of de bevoegde instantie besloten heeft de grensoverschrijdende belemmering uit de weg te ruimen door middel van de in artikel 10, lid 5, bedoelde procedure, informeert het coördinatiepunt of de bevoegde instantie,
a)het grensoverschrijdende coördinatiepunt van de aangrenzende lidstaat;
b)de initiatiefnemer over de belangrijkste stappen van de wijziging van de wettelijke bepaling, met inbegrip van, in voorkomend geval, de wetgevingsprocedure die is ingeleid om tot een wetswijziging over te gaan om de grensoverschrijdende belemmering uit de weg te ruimen, of over het definitieve besluit tot afwijzing van de procedure.
De initiatiefnemer moet eveneens op de hoogte worden gebracht wanneer ook de bevoegde instanties van de aangrenzende lidstaat de wijziging van een wettelijke bepaling hebben ingeleid.
3.Wanneer de betrokken lidstaat en de aangrenzende lidstaat concluderen dat elk van hen bereid is een eigen wetgevingsprocedure of een wijziging van hun administratieve bepalingen of praktijken in te leiden, doen zij dit in nauwe coördinatie, overeenkomstig hun respectieve institutionele en juridische kader. Die coördinatie kan betrekking hebben op het tijdschema van de procedures en kan leiden tot de oprichting van een gemengd comité met vertegenwoordigers van de grensoverschrijdende coördinatiepunten.
HOOFDSTUK V
Slotbepalingen
Artikel 12
Coördinatietaken van de Commissie
De Commissie vervult de volgende coördinatietaken:
a)contact onderhouden met de grensoverschrijdende coördinatiepunten;
b)de versterking van de institutionele capaciteit in de lidstaten ondersteunen die nodig is om deze verordening efficiënt uit te voeren;
c)de uitwisseling van ervaringen tussen de lidstaten bevorderen, en met name tussen de grensoverschrijdende coördinatiepunten;
d)een lijst van alle nationale en regionale grensoverschrijdende coördinatiepunten bekendmaken en bijhouden;
e)een openbaar register van grensoverschrijdende dossiers opstellen en bijhouden.
Artikel 13
Monitoring en rapportage
1.Uiterlijk op dd mm jjjj [d.w.z. de 1e van de maand na de inwerkingtreding van deze verordening + zes maanden; in te vullen door het Publicatiebureau] stelt elke lidstaat de Commissie in kennis van de oprichting van zijn grensoverschrijdende coördinatiepunt(en) en van de contactgegevens daarvan.
2.Uiterlijk op dd mm jjjj [d.w.z. de 1e van de maand na de inwerkingtreding van deze verordening + vijf jaar; in te vullen door het Publicatiebureau] verricht de Commissie een evaluatie van deze verordening en brengt zij verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad, het Comité van de Regio’s en het Europees Economisch en Sociaal Comité.
Artikel 14
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.”.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Straatsburg,
Voor het Europees Parlement
Voor de Raad
De voorzitter
De voorzitter