EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 5.7.2023
COM(2023) 415 final
2023/0228(COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2016/2031 en (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 1999/105/EG van de Raad (verordening betreffende bosbouwkundig teeltmateriaal)
(Voor de EER relevante tekst)
{SEC(2023) 414 final} - {SWD(2023) 410 final} - {SWD(2023) 414 final} - {SWD(2023) 415 final}
TOELICHTING
1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
•Motivering en doel van het voorstel
Richtlijn 1999/105/EG van de Raad bevat voorschriften voor de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal (hierna “de richtlijn bosbouwkundig teeltmateriaal” genoemd). Die richtlijn regelt bosbouwkundig teeltmateriaal, dat belangrijk is voor bosbouwdoeleinden.
In de jaren na de vaststelling van de richtlijn hebben zich een aantal belangrijke ontwikkelingen voorgedaan, met name:
–de goedkeuring van de Europese Green Deal, die de Europese klimaatwet, de nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering, de nieuwe EU-bosstrategie voor 2030 en de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 omvat, en
–de actualisering van de voorschriften van de regeling van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) voor de certificering van bosbouwkundig teeltmateriaal in de internationale handel (“de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed”)
In het licht van deze ontwikkelingen, de nieuwe beleidsprioriteiten van de EU op het gebied van duurzaamheid, aanpassing aan de klimaatverandering en biodiversiteit, alsook de ervaring die is opgedaan bij de uitvoering van Richtlijn 1999/105/EG, is het passend dit deel van de EU-wetgeving betreffende de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal te herzien.
Bosbouwkundig teeltmateriaal verwijst naar zaden, plantendelen en planten en wordt gebruikt voor de aanleg van nieuwe bossen (“bebossing”), het opnieuw aanplanten van bomen (“herbebossing”) en andere soorten boomaanplanting voor verschillende doeleinden: i) productie van hout en biomaterialen, ii) behoud van biodiversiteit, iii) herstel van bosecosystemen, iv) aanpassing aan de klimaatverandering, v) klimaatmitigatie en vi) instandhouding en duurzaam gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw.
Zaad van landbouwgewassen wordt geproduceerd, gecertificeerd en geoogst in cycli van één jaar, maar in het geval van bosbouwkundig teeltmateriaal kan het 50-100 jaar duren voordat zaden en bosplanten van uitgangsmateriaal kunnen worden geoogst. Vanwege deze lange productiecycli is het van essentieel belang om kwalitatief hoogwaardig bosbouwkundig teeltmateriaal te produceren en te zorgen voor de traceerbaarheid tot i) de oorspronkelijke ouderbomen waarvan dat bosbouwkundig teeltmateriaal is geoogst en ii) de klimatologische en ecologische omstandigheden waaronder deze ouderbomen zijn geteeld. Het proces dat leidt tot de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal wordt hieronder beschreven.
Bosbouwkundig teeltmateriaal wordt gekapt van ouderbomen (het uitgangsmateriaal). Dat uitgangsmateriaal is geselecteerd op basis van een aantal superieure kenmerken (bv. morfologische kenmerken, houtkwaliteit, gezondheid en resistentie) met het oog op het doeleinde waarvoor het bosbouwkundig teeltmateriaal zal worden gebruikt. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten voeren een officiële inspectie uit om dat uitgangsmateriaal goed te keuren. Het uitgangsmateriaal wordt geregistreerd in een nationaal register met een uniek registratienummer en met een zogenaamde goedgekeurde eenheid die het gebied afbakent waar het bosbouwkundig teeltmateriaal vervolgens kan worden geoogst. Bij het oogsten van bosbouwkundig teeltmateriaal wordt een basiscertificaat afgegeven. Het basiscertificaat dient om te waarborgen dat het bosbouwkundig teeltmateriaal kan worden herleid tot de locatie van het uitgangsmateriaal waarvan het is geoogst. Bosbouwkundig teeltmateriaal moet aan een aantal kwaliteitseisen voldoen om te kunnen worden gecertificeerd. In het geval van zaden hebben deze kwaliteitseisen betrekking op de zuiverheid van het zaad en het aantal levensvatbare zaden dat kan kiemen (het kiempercentage). Het officiële etiket wordt afgegeven na een officiële inspectie door de bevoegde autoriteiten waarbij wordt bevestigd dat het bosbouwkundig teeltmateriaal voldoet aan de kwaliteitseisen die voor de betrokken categorie van bosbouwkundig teeltmateriaal zijn vastgesteld.
De productie van bosbouwkundig teeltmateriaal in de verschillende lidstaten wordt afgestemd op de specifieke behoeften. In sommige lidstaten is de hout- en pulpindustrie de belangrijkste economische activiteit en is daarom de houtproductie de belangrijkste tak van het beleid inzake bosbouwkundig teeltmateriaal. In die lidstaten zal de kwaliteit van het hout het belangrijkste selectiecriterium zijn bij de selectie van de “ouderbomen” (het uitgangsmateriaal) waaruit bosbouwkundig teeltmateriaal zal worden geoogst.
In andere lidstaten wordt bosbouwkundig teeltmateriaal geproduceerd voor verschillende doeleinden en om multifunctionele ecosystemen tot stand te brengen. Bepaalde delen van de bossen zijn toegankelijk voor mensen en dieren en vervullen sociale en culturele functies, terwijl andere delen van de bossen worden beschermd door hekken om het behoud van de biodiversiteit en de instandhouding van genetische hulpbronnen van bossen te beschermen. In dit geval zal een breed scala aan “ouderbomen” met verschillende kenmerken worden geselecteerd (bomen van verschillende omvang en met verschillende grootte van de takken) om een hoge mate van variatie van ouderbomen te verkrijgen en een hoog niveau van genetische diversiteit te waarborgen. Voor de aanpassing aan de klimaatverandering is het ook van groot belang om te komen tot een hoog niveau van genetische diversiteit van het bosbouwkundig teeltmateriaal dat van die ouderbomen zal worden geoogst, omdat bosbouwkundig teeltmateriaal zou kunnen worden geplant in gebieden die daarvoor klimatologisch geschikt zijn of dat in de toekomst zouden kunnen worden. Dit is wat onder geschiktheid van bosbouwkundig teeltmateriaal voor de huidige en verwachte toekomstige klimatologische omstandigheden wordt verstaan.
In de huidige wetgeving wordt bosbouwkundig teeltmateriaal gedefinieerd in verband met het belang ervan voor bosbouwdoeleinden in de gehele Unie of een deel daarvan, maar wordt niet duidelijk gedefinieerd welke bosbouwdoeleinden binnen het toepassingsgebied van de wetgeving vallen. Dit gebrek aan duidelijkheid heeft in bepaalde gevallen geleid tot de aanplanting van bosbouwkundig teeltmateriaal van lage kwaliteit. De aangeplante bomen kunnen aanvankelijk goed groeien, maar produceren 10 tot 20 jaar na de aanplant geen zaad meer. Dit kan op lange termijn leiden tot economische verliezen voor de hout- en pulpindustrie. In het minst gunstige scenario kan dit leiden tot de ineenstorting van bosecosystemen, omdat bossen kwetsbaarder zijn voor droogte, plagen en andere verstoringen. Daarom moet het toepassingsgebied van de EU-wetgeving worden verduidelijkt door in de voorgestelde verordening de doeleinden te vermelden waarvoor het belangrijk is om bosbouwkundig teeltmateriaal van hoge kwaliteit te gebruiken.
Bossen leveren de grondstoffen (hout en andere producten dan hout, zoals voedsel en medische planten) voor de groei van waardeketens in de bio-economie die fossiele of anderszins schadelijke producten vervangen. Door de productie van hout en biomaterialen ondersteunt de voorgestelde verordening de uitgebreide houtwaardeketens, die momenteel goed zijn voor 4,5 miljoen banen in de EU.
Zoals reeds vermeld, moet er bovendien voor worden gezorgd dat de lidstaten bosbouwkundig teeltmateriaal kunnen produceren voor de doeleinden die op hun grondgebied relevant zijn. De lidstaten moeten dus kunnen beslissen welke selectiecriteria van toepassing zullen zijn op het uitgangsmateriaal met het oog op het doeleinde van dat bosbouwkundig teeltmateriaal. Bovendien draagt de aanplant van bosbouwkundig teeltmateriaal van hoge kwaliteit in gebieden met gunstige klimatologische en ecologische omstandigheden bij tot de verwezenlijking van het beoogde doeleinde van dat bosbouwkundig teeltmateriaal.
Bosbouwkundig teeltmateriaal kan bijvoorbeeld worden geoogst uit uitgangsmateriaal dat is beoordeeld en goedgekeurd met het oog op de productie van hout. Indien dergelijk bosbouwkundig teeltmateriaal onder gunstige omstandigheden wordt geplant, zal het een grotere hoeveelheid hout produceren dan de gemiddelde houtproductie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat niet onder gunstige omstandigheden wordt geplant. Evenzo kan bosbouwkundig teeltmateriaal worden geoogst uit uitgangsmateriaal dat is geselecteerd en beoordeeld met het oog op de aanpassing ervan aan de lokale en regionale klimatologische en ecologische omstandigheden met betrekking tot de biotische en abiotische factoren in dat gebied. Dergelijk bosbouwkundig teeltmateriaal dat onder gunstige omstandigheden wordt aangeplant met het oog op aanpassing aan de klimaatverandering, zal ertoe bijdragen dat bossen bestand zijn tegen extreme weersomstandigheden en zich aanpassen aan veranderende klimaatomstandigheden. Bosgrond is veruit de grootste bijdrager aan de koolstofput in de EU en zal een essentiële rol spelen bij de verwezenlijking van de ambitieuze doelstelling van de EU om tegen 2050 klimaatneutraal te zijn.
De voorgestelde verordening vervangt Richtlijn 1999/105/EG, verduidelijkt het toepassingsgebied en actualiseert de bepalingen ervan.
De verordening heeft de volgende hoofddoelstellingen:
a)voor exploitanten in de hele EU een gelijk speelveld verzekeren;
b)innovatie en het concurrentievermogen van de industrie voor bosbouwkundig teeltmateriaal van de EU ondersteunen;
c)bijdragen tot het aanpakken van uitdagingen op het gebied van duurzaamheid, biodiversiteit en klimaat.
De verordening heeft de volgende specifieke doelstellingen:
a)de duidelijkheid en samenhang van het rechtskader vergroten door middel van vereenvoudigde, duidelijkere en geharmoniseerde basisregels inzake fundamentele beginselen, die in een moderne rechtsvorm worden gepresenteerd;
b)de toepassing van nieuwe wetenschappelijke en technische ontwikkelingen mogelijk maken (met name innovatieve productieprocessen, biomoleculaire technieken en digitale oplossingen);
c)zorgen voor de beschikbaarheid van bosbouwkundig teeltmateriaal dat geschikt is voor toekomstige uitdagingen;
d)de instandhouding en het duurzame gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw ondersteunen;
e)het kader voor officiële controles van bosbouwkundig teeltmateriaal harmoniseren;
f)de samenhang van de wetgeving inzake bosbouwkundig teeltmateriaal met de fytosanitaire wetgeving verbeteren.
De voorgestelde verordening valt onder het programma voor gezonde regelgeving (Refit).
•Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
De voorgestelde verordening houdt verband met het EU-beleid inzake plantgezondheid (Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad) en officiële controles (Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad).
De voorschriften van Verordening (EU) 2016/2031 betreffende plaagorganismen zullen ook van toepassing zijn op de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal. Het officiële etiket voor bosbouwkundig teeltmateriaal wordt gecombineerd met het plantenpaspoort dat bij die verordening is vastgesteld.
De voorschriften inzake bosbouwkundig teeltmateriaal zullen worden opgenomen in het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2017/625 betreffende officiële controles. Dit zal zorgen voor samenhang met de andere EU-handelingen betreffende de productie en het in de handel brengen van planten (Verordening (EU) 2016/2031 en de voorgestelde verordening betreffende de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal), die ook deel uitmaken van de wettelijke regeling van de EU inzake officiële controles.
•Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
In het bosbouwbeleid van de Unie is de centrale en multifunctionele rol van bossen en bosecosystemen van groot belang en wordt erkend dat bossen onder toenemende druk staan als gevolg van extreme weersomstandigheden, plagen en ziekten als gevolg van de klimaatverandering. De toenemende frequentie en intensiteit van verstoringen, bijvoorbeeld door schorskeverplagen, leidt tot broeikasgasemissies, biodiversiteitsverlies en economisch verlies. Zij kunnen ook leiden tot een abrupte toename van reddingskap, met directe gevolgen voor de markt in de verschillende landen.
Het voorstel maakt deel uit van het algemene beleid van de Europese Green Deal en daarmee samenhangende strategieën: de Europese klimaatwet, de nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering, de nieuwe EU-bosstrategie voor 2030 en de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030.
De voorgestelde verordening zal bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese klimaatwet en de aanpassingsstrategie van de EU door het aanplanten van de juiste boom op de juiste plaats te vergemakkelijken. Dit zal aanzienlijke voordelen opleveren voor bosbouwers, de bosgerelateerde bio-economie en de samenleving als geheel.
De vereiste voor de lidstaten om een noodplan op te stellen en bij te werken zal zorgen voor een toereikende voorziening van bosbouwkundig teeltmateriaal, ten behoeve van de herbebossing van gebieden die zijn getroffen door extreme weersomstandigheden, bosbranden, uitbraken van ziekten en plagen, rampen of andere gebeurtenissen. Het beleid inzake noodplannen weerspiegelt de algemene paraatheidsacties die de lidstaten in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming moeten nemen, met inbegrip van de uitvoering van nationale risicobeoordelingen.
De voorgestelde verordening heeft tot doel bij te dragen tot de doelstellingen van de nieuwe EU-bosstrategie voor de aanpassing van bossen aan de klimaatverandering en het herstel van bossen die worden getroffen door klimaatgerelateerde schade, door maatregelen in te voeren ter bevordering van de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat geschikt is voor toekomstige klimaatomstandigheden. Door de opstelling van nationale noodplannen en de aanplant van de juiste boom op de juiste plaats, helpt deze verordening ervoor te zorgen dat ook toekomstige generaties kunnen profiteren van de sociale en culturele functies van bossen.
De voorgestelde verordening zal bijdragen tot de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw en de biodiversiteit verbeteren, door het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal dat is bestemd voor de instandhouding en het duurzame gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw, te vergemakkelijken.
Tot slot creëert de voorgestelde verordening het kader voor de invoering van digitale technologieën, om alle certificeringsactiviteiten in een onlineplatform te registreren overeenkomstig de doelstellingen van de Europese digitale strategie.
2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
•Rechtsgrondslag
Het voorstel voert regels in die nodig zijn om de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid na te streven in de sector van de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal in de Unie.
In dit verband zijn de volgende twee rechtsgrondslagen gekozen:
–artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), dat de rechtsgrondslag vormt voor de vaststelling van de bepalingen die nodig zijn om de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid na te streven.
•Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)
Overeenkomstig artikel 4, lid 2, punt d), VWEU is de gedeelde bevoegdheid tussen de EU en de lidstaten van toepassing op het gebied van landbouw en visserij, met uitsluiting van de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee.
Sinds de vaststelling van Richtlijn 1999/105/EG zijn alle gebieden van het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal in hoge mate op EU-niveau gereguleerd. Dit heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de totstandbrenging van een interne markt voor bosbouwkundig teeltmateriaal. Bij de effectbeoordelingen die in 2013 en 2023 zijn uitgevoerd, werd bevestigd dat de geldende EU-regels inzake het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal in het algemeen een positief effect hebben gehad op het vrije verkeer, de beschikbaarheid en de kwaliteit van bosbouwkundig teeltmateriaal op de EU-markt en aldus de handel binnen de Unie hebben vergemakkelijkt. Een meer geharmoniseerde aanpak met betrekking tot de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal kan vanwege de complexiteit en het internationale karakter niet voldoende op het niveau van de lidstaten worden verwezenlijkt. Het antwoord op de grensoverschrijdende uitdagingen op het gebied van klimaatverandering, biodiversiteit en duurzaamheid zou beter op EU-niveau kunnen worden vormgegeven. De EU kan derhalve, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen met betrekking tot de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal van hoge kwaliteit dat geschikt is voor de klimatologische en ecologische omstandigheden.
•Evenredigheid
Zoals besproken in punt 7.4 van de effectbeoordeling bij dit voorstel, zijn de voorgestelde maatregelen beperkt tot acties die op EU-niveau moeten worden ondernomen om doeltreffend en efficiënt te zijn. Om aan deze behoeften te voldoen, zal Richtlijn 1999/105/EG worden vervangen door een verordening betreffende bosbouwkundig teeltmateriaal. Dit instrument wordt het meest geschikt geacht, aangezien een essentieel onderdeel van het voorstel de vaststelling van meer geharmoniseerde maatregelen voor de lidstaten is.
Uniforme voorschriften voor de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal zijn de enige manier om i) te zorgen voor bosbouwkundig teeltmateriaal dat een hoog kwaliteitsniveau voor de gebruikers heeft, een goede werking van de interne markt en een gelijk speelveld voor de exploitanten, ii) te zorgen voor duurzame bebossing en herbebossing, het behoud van de biodiversiteit en het herstel van bosecosystemen, en iii) de productie van hout en biomaterialen, de aanpassing aan de klimaatverandering, de mitigatie van de klimaatverandering en het behoud en het duurzame gebruik van genetische hulpbronnen van bossen te ondersteunen. Om de technische voorschriften aan te passen aan de klimatologische en ecologische omstandigheden kunnen de lidstaten onder bepaalde voorwaarden strengere nationale voorschriften vaststellen. Bovendien worden voor de registratie van uitgangsmateriaal en de certificering van bosbouwkundig teeltmateriaal flexibiliteit en harmonisatie in evenwicht gebracht door de lidstaten de flexibiliteit te bieden om die regels toe te passen op een manier die is aangepast aan hun plaatselijke klimatologische en ecologische omstandigheden. De wetgeving bevat ook maatregelen om de duurzaamheid te versterken en tegemoet te komen aan de vraag naar aanpassing aan de klimaatverandering.
•Keuze van instrument
Het voorstel heeft de vorm van een verordening van het Europees Parlement en de Raad. Andere instrumenten zouden ongeschikt zijn omdat de doelstellingen op de meest efficiënte wijze kunnen worden verwezenlijkt door voorschriften die in de hele Unie volledig zijn geharmoniseerd, zodat het vrije verkeer van bosbouwkundig teeltmateriaal gewaarborgd is.
3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
•Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan
In 2019 heeft de Raad de Commissie verzocht om een studie over de opties van de Unie om de bestaande wetgeving inzake de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal te actualiseren. Die studie werd ondersteund door een extern gegevensverzamelingsonderzoek. In de studie werden vijf belangrijke problemen met de bestaande wetgeving vastgesteld.
De problemen betroffen:
1)de niet-geharmoniseerde uitvoering van de wetgeving die leidt tot een ongelijk speelveld voor exploitanten;
2)de complexe en starre procedures, waardoor een omslachtig besluitvormingsproces ontstaat;
3)het rigide rechtskader dat problemen oplevert bij het aanpakken van beleidskwesties die zijn vastgesteld in de Europese Green Deal en de bijbehorende strategieën;
4)het ontbreken van een geharmoniseerd en risicogebaseerd kader voor officiële controles, waardoor een ongelijk speelveld voor officiële controles ontstaat;
5)het ontbreken van bepalingen in het rechtskader om rekening te houden met de wetenschappelijke en technologische vooruitgang.
Het verzoek van de Raad van 2019 bevatte een herzieningsclausule die de Commissie een mandaat gaf om een wetgevingsvoorstel in te dienen, waar dat in het licht van de resultaten van bovengenoemde studie nodig werd geacht.
•Raadpleging van belanghebbenden
De effectbeoordeling bij de verordening betreffende bosbouwkundig teeltmateriaal omvatte een breed scala aan raadplegingen die betrekking hadden op alle soorten belanghebbenden, waaronder een aanvangseffectbeoordeling, een openbare raadpleging, werkgroepen met bevoegde autoriteiten en belanghebbenden en bilaterale bijeenkomsten met organisaties van belanghebbenden.
●Er waren 66 reacties uit 16 landen op de raadpleging over de aanvangseffectbeoordeling en 2449 reacties uit 29 landen op de openbare raadpleging.
●Negenendertig respondenten van de aanvangseffectbeoordeling en 181 respondenten van de openbare raadpleging dienden een standpuntnota in.
●Er zijn gerichte raadplegingen gehouden om meer gespecialiseerde feedback van bevoegde autoriteiten en kmo’s te verzamelen, die hebben geresulteerd in respectievelijk 25 en 251 reacties.
●Een gerichte enquête die werd uitgevoerd door een externe consultant die de effectbeoordeling van de Commissie ondersteunt, leverde 99 reacties op.
●Voorts voerde de consultant 13 diepgaande interviews uit en organiseerde hij een focusgroep met vier deelnemers.
Er was algemene steun om de wetgeving inzake bosbouwkundig teeltmateriaal gescheiden te houden van de wetgeving inzake ander plantaardig teeltmateriaal. Alle respondenten pleitten ervoor de bestaande pijlers van de registratie van uitgangsmateriaal en de certificering van teeltmateriaal te behouden. De meerderheid van de respondenten wees op de noodzaak van flexibiliteit zodat de lidstaten kunnen beslissen welk bosbouwkundig teeltmateriaal is aangepast aan hun lokale en regionale klimatologische en ecologische omstandigheden.
Omdat het toepassingsgebied van Richtlijn 1999/105/EG vaag is over de doeleinden die onder de richtlijn vallen, hebben de lidstaten uiteenlopende interpretaties van wat binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 1999/105/EG valt. Zo valt agrobosbouw in sommige lidstaten binnen het toepassingsgebied van de richtlijn, maar in andere lidstaten niet. Bijgevolg kan in de lidstaten waar agrobosbouw buiten het toepassingsgebied van Richtlijn 1999/105/EG valt, bosbouwkundig teeltmateriaal van gereglementeerde soorten voor agrobosbouwdoeleinden worden verkocht zonder de goedkeuring van het uitgangsmateriaal. De respondenten van de raadplegingen van belanghebbenden gaven uiteenlopende standpunten te kennen over de doeleinden die onder het toepassingsgebied van de wetgeving inzake bosbouwkundig teeltmateriaal zouden moeten vallen.
De meeste exploitanten waren het erover eens dat het wenselijk is de voorschriften voor officiële controles op elkaar af te stemmen. De meeste belanghebbenden waren tegen de opneming van de wetgeving inzake bosbouwkundig teeltmateriaal in het toepassingsgebied van de verordening officiële controles vanwege het specifieke karakter van officiële controles in deze sector, en vroegen erom de officiële controles onder het beheer van de respectieve bevoegde bosautoriteit te houden. Verwacht wordt echter dat de voordelen van de opneming van de wetgeving inzake bosbouwkundig teeltmateriaal in het toepassingsgebied van de verordening officiële controles opwegen tegen de nadelen. De belanghebbenden waren ook bezorgd over de mogelijke toename van de administratieve lasten. De meeste belanghebbenden pleitten ervoor enige flexibiliteit te behouden bij de organisatie van officiële controles, en de kosten zo laag mogelijk te houden.
De meeste belanghebbenden waren het erover eens dat het gebruik van biomoleculaire technieken en digitale oplossingen voordelen kan opleveren en pleitten ervoor dat het rechtskader de toepassing van de nieuwste technologieën mogelijk zou maken, in overeenstemming met de ontwikkelingen van internationale normen.
Gedetailleerde informatie over de raadplegingen van belanghebbenden is te vinden in punt 5.2.5 van en bijlage 2 bij de effectbeoordeling.
•Bijeenbrengen en gebruik van expertise
In opdracht van de Commissie heeft een externe consultant ter ondersteuning van de effectbeoordeling een studie uitgevoerd. Dat bedrijf en zijn deskundigen hebben tijdens de verschillende stadia van de studie nauw samengewerkt met de betrokken diensten van de Commissie.
De consultant verzamelde aanvullende gegevens en opmerkingen door middel van deskresearch, een gerichte enquête, een focusgroep en diepgaande interviews met belanghebbenden. In de ondersteunende studie werd gekeken naar de probleemstelling, de argumenten voor EU-maatregelen, de doelstellingen van beleidsinterventie en het basisscenario. Daarin werden de mogelijke effecten beoordeeld van drie opties, die elk variaties bevatten voor maximaal 19 specifieke maatregelen, die door de Commissie worden voorgesteld.
De ondersteunende studie diende om de beleidsopties te verfijnen en de voorkeursoptie te selecteren.
•Effectbeoordeling
Het initiatief is onderbouwd met een effectbeoordeling, waarover de Raad voor regelgevingstoetsing op 17 februari 2023 een positief advies met aanbevelingen heeft uitgebracht.
Er zijn twee belangrijke problemen vastgesteld met het huidige rechtskader voor bosbouwkundig teeltmateriaal:
1.Er is een niet-geharmoniseerde interne markt die wordt gekenmerkt door uiteenlopende voorwaarden voor exploitanten en tussen de lidstaten verhandeld bosbouwkundig teeltmateriaal. De uitvoering van verschillende aspecten van de wetgeving verschilt van lidstaat tot lidstaat omdat i) de wetgeving ruimte laat voor verschillende interpretaties, ii) de lidstaten hebben geprobeerd praktische oplossingen te vinden voor rigide bepalingen en iii) de wetgeving de nieuwe ontwikkelingen op het gebied van wetenschap en technologie niet tijdig heeft gevolgd.
2.De wetgeving is niet afgestemd op de doelstellingen van de Europese Green Deal en de bijbehorende strategieën. Er zijn beperkingen met betrekking tot de genetische diversiteit van bosbouwkundig teeltmateriaal, er is een gebrek aan duurzaamheidskenmerken en het toepassingsgebied van de wetgeving inzake bosbouwkundig teeltmateriaal is onvolledig. Er is onvoldoende aanbod aan gecertificeerd bosbouwkundig teeltmateriaal van hoge kwaliteit als gevolg van de toenemende vraag naar bosbouwkundig teeltmateriaal voor het bereiken van de EU-doelstelling om tegen 2030 3 miljard extra bomen te planten waarvoor het aantal aangeplante bomen per jaar moet worden verdubbeld, en gezien de doelstellingen van de productie van hout en biomaterialen, het behoud van de biodiversiteit en het herstel van bosecosystemen. Het toenemende aantal extreme weersomstandigheden en rampen, in combinatie met een ontoereikende beoordeling van de duurzaamheidskenmerken voor de lagere categorieën bosbouwkundig teeltmateriaal, heeft het aanbod van geschikt bosbouwkundig teeltmateriaal en dus de veerkracht van bosecosystemen onder druk gezet.
De algemene doelstelling van dit initiatief is ervoor te zorgen dat voor alle soorten gebruikers bosbouwkundig teeltmateriaal van hoge kwaliteit en gevarieerde keuze beschikbaar is, aangepast aan de huidige en verwachte toekomstige klimatologische omstandigheden. Op een volgend niveau zal dit vervolgens bijdragen tot de bescherming van de biodiversiteit en het herstel van bosecosystemen.
In de effectbeoordeling werden alle mogelijke maatregelen voor analyse verzameld op basis van i) een externe studie voor gegevensverzameling ter ondersteuning van een studie van de Commissie over de opties van de EU om de wetgeving inzake teeltmateriaal te actualiseren, ii) een studie ter ondersteuning van de effectbeoordeling die door een externe consultant is uitgevoerd, en iii) de bovengenoemde raadplegingsactiviteiten van belanghebbenden.
De diverse, complexe en vaak onderling samenhangende maatregelen zijn gegroepeerd in drie beleidsopties, die zijn vergeleken met een scenario met ongewijzigd beleid. Er werden drie opties beoordeeld. Optie 1 bood de meeste flexibiliteit, terwijl optie 3 de meeste harmonisatie bood, om verschillen in de uitvoering van de wetgeving tot een minimum te beperken. Optie 2 maakte een evenwicht tussen de behoefte aan flexibiliteit en een hogere mate van harmonisatie om de problemen als gevolg van interpretatieverschillen op te lossen.
Alle opties bevatten een aantal gemeenschappelijke elementen: i) vereenvoudigde administratieve procedures en een flexibeler besluitvormingsproces en ii) harmonisatie met de fytosanitaire wetgeving.
1.Optie 1 — De hoogste mate van flexibiliteit: Bij optie 1 zouden minimumeisen voor officiële controles van bosbouwkundig teeltmateriaal worden vastgesteld, zonder deze echter te koppelen aan de verordening officiële controles. Ook zouden richtsnoeren worden vastgesteld voor het gebruik van innovatieve productieprocessen, biomoleculaire technieken en digitale oplossingen. De wetgeving inzake bosbouwkundig teeltmateriaal zou alleen betrekking hebben op productie voor “bosbouwdoeleinden” om de beschikbaarheid van bosbouwkundig teeltmateriaal van hoge kwaliteit voor bebossing/herbebossing te waarborgen. De duurzaamheidseisen zouden worden uitgebreid tot de lagere categorieën bosbouwkundig teeltmateriaal. Er zouden richtsnoeren worden ingevoerd voor noodplannen voor grote tekorten aan bosbouwkundig teeltmateriaal in geval van extreme weersomstandigheden en rampen.
2.Optie 2 — Afwegen van flexibiliteit en harmonisatie (voorkeursoptie): Optie 2 zou de officiële controles op bosbouwkundig teeltmateriaal binnen het toepassingsgebied van de verordening officiële controles brengen, maar met vereenvoudigde invoercontroles op passende plaatsen binnen de EU, om een gerichtere en efficiëntere handhaving van de bestaande regels te waarborgen. In de wetgeving zouden basisbeginselen worden opgenomen voor het gebruik van innovatieve productieprocessen, biomoleculaire technieken en digitale oplossingen. De wetgeving inzake bosbouwkundig teeltmateriaal zou betrekking hebben op productie voor “bosbouwdoeleinden” en “niet-bosbouwdoeleinden”, om de beschikbaarheid en kwaliteit van bosbouwkundig teeltmateriaal te vergroten voor andere toepassingen dan bebossing/herbebossing. De duurzaamheidseisen zouden worden uitgebreid tot de lagere categorieën bosbouwkundig teeltmateriaal. Er zouden algemene wettelijke voorschriften worden ingevoerd voor noodplannen voor grote tekorten aan bosbouwkundig teeltmateriaal in geval van extreme weersomstandigheden en rampen.
3.Optie 3 — De hoogste mate van harmonisatie: Optie 3 zou de officiële controles op bosbouwkundig teeltmateriaal binnen het toepassingsgebied van de verordening officiële controles brengen, met strengere invoercontroles aan grenscontroleposten, waarvoor speciale invoerdocumenten nodig zijn om de handhaving te versterken en volledig te harmoniseren. In de wetgeving zouden gedetailleerde en bindende regels worden opgenomen voor het gebruik van innovatieve productieprocessen, biomoleculaire technieken en digitale oplossingen. De wetgeving inzake bosbouwkundig teeltmateriaal zou betrekking hebben op productie voor “bosbouwdoeleinden” en “niet-bosbouwdoeleinden”, om de beschikbaarheid en kwaliteit van bosbouwkundig teeltmateriaal te vergroten voor andere toepassingen dan bebossing/herbebossing. De duurzaamheidseisen zouden worden uitgebreid tot de lagere categorieën bosbouwkundig teeltmateriaal en aan geharmoniseerde regels worden onderworpen. Er zouden gemeenschappelijke regels worden ingevoerd voor noodplannen ter voorbereiding op grote tekorten aan bosbouwkundig teeltmateriaal in geval van extreme weersomstandigheden en rampen.
Op basis van de resultaten van de effectbeoordeling heeft de Commissie geconcludeerd dat beleidsoptie 2 de beste optie is om alle doelstellingen van de herziening van de wetgeving inzake bosbouwkundig teeltmateriaal doeltreffend en consistent aan te pakken.
De voorkeursoptie zal leiden tot efficiëntiewinst voor exploitanten en bevoegde autoriteiten door i) de mogelijkheid voor exploitanten om het officiële etiket onder officieel toezicht af te drukken, ii) harmonisatie met de fytosanitaire wetgeving, iii) de invoering van op risico’s gebaseerde officiële controles en de mogelijkheid om biomoleculaire technieken te gebruiken, en iv) digitale oplossingen in de registratie- en certificeringssystemen. Bosbouwkundig teeltmateriaal met verbeterde duurzaamheidskenmerken zal bijdragen tot de aanpassing aan en mitigatie van de reeds zichtbare gevolgen van de klimaatverandering voor bossen, en zal dus belangrijke milieuvoordelen opleveren. De nationale noodplannen zullen zorgen voor voldoende voorziening van bosbouwkundig teeltmateriaal voor de herbebossing van gebieden die zijn getroffen door extreme weersomstandigheden, bosbranden, uitbraken van ziekten en plagen of andere rampen. Het risico op het aanplanten van bosbouwkundig teeltmateriaal van lage kwaliteit zal dus worden verminderd. Ten slotte worden voordelen verwacht voor de instandhouding en het duurzame gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw door middel van een specifieke afwijking.
In de voorgestelde verordening wordt verduidelijkt dat bosbouwkundig teeltmateriaal wordt gebruikt voor bebossing, herbebossing en andere soorten boombeplanting voor verschillende doeleinden. Wat het toepassingsgebied van de verordening betreft, werd het het meest passend geacht dat het expliciet de doeleinden omvat waarvoor het belangrijk wordt geacht om bosbouwkundig teeltmateriaal van hoge kwaliteit te gebruiken. Dit is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat alleen het meest geschikte bosbouwkundig teeltmateriaal voor die doeleinden wordt gebruikt en om economische verliezen en milieuschade als gevolg van het gebruik van bosbouwkundig teeltmateriaal van lage kwaliteit te voorkomen.
•Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging
Het voorstel introduceert een eenvoudiger en minder belastend regelgevingskader voor bosbouwkundig teeltmateriaal met het oog op de instandhouding van genetische hulpbronnen en het duurzame gebruik ervan, door de goedkeuringsprocedure voor uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van dergelijk teeltmateriaal te vervangen door een kennisgevingsprocedure.
Het zal professionele exploitanten in staat stellen het officiële etiket onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteiten af te drukken, indien zij dat wensen nadat de bevoegde autoriteiten tot de conclusie zijn gekomen dat het bosbouwkundig teeltmateriaal is gecertificeerd. Verschillende processen zullen worden vereenvoudigd. Deze vereenvoudigingsmaatregelen komen zowel kmo’s als micro-ondernemingen ten goede. Tot slot introduceert het voorstel nieuwe kenmerken met betrekking tot de digitalisering van de sector voor bosbouwkundig teeltmateriaal.
•Grondrechten
De voorgestelde verordening eerbiedigt alle bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name door regels vast te stellen die gericht zijn op de vrijheid van ondernemerschap, het vermijden van discriminatie, en consumenten- en milieubescherming.
4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
Er zijn geen gevolgen voor de begroting.
5.OVERIGE ELEMENTEN
•Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage
Uiterlijk vijf jaar na de datum van toepassing van deze verordening, en vervolgens om de vijf jaar, moeten de lidstaten bij de Commissie een verslag indienen over verschillende aspecten van het gebruik van afwijkingen en beleidsmaatregelen die gericht zijn op de instandhouding van genetische hulpbronnen, de agrobiodiversiteit en vereenvoudigde procedures voor kleine producenten. Dit is noodzakelijk om de doeltreffendheid van dit nieuwe beleid te evalueren en na te gaan of er verbeteringen nodig zijn. Het gaat met name om de rapportage over de volgende elementen:
●de jaarlijkse hoeveelheden gecertificeerd bosbouwkundig teeltmateriaal;
●de vastgestelde nationale noodplannen;
●de voor de gebruikers beschikbare informatie over de vraag waar het bosbouwkundig teeltmateriaal het beste kan worden geplant, op websites en/of in plantersgidsen;
●het aantal vermeldingen van bosbouwkundig teeltmateriaal dat informatie bevat over de geschiktheid van bosbouwkundig teeltmateriaal voor klimatologische en ecologische omstandigheden;
●het aantal kennisgevingen van bosbouwkundig teeltmateriaal met het oog op de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw;
●de hoeveelheden ingevoerd bosbouwkundig teeltmateriaal;
●de opgelegde sancties.
•Artikelsgewijze toelichting
i)Toepassingsgebied
De voorgestelde verordening is van toepassing op bosbouwkundig teelmateriaal van soorten en kunstmatige hybriden die worden gebruikt voor bebossing, herbebossing en andere soorten boomaanplanting met het oog op de productie van hout en biomaterialen, het behoud van de biodiversiteit, het herstel van bosecosystemen, aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering en instandhouding en duurzaam gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw.
ii)Uitgangsmateriaal en categorieën
Voor het produceren en in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal mag alleen door de bevoegde autoriteiten goedgekeurd uitgangsmateriaal worden gebruikt. Om dezelfde reden mag alleen van dergelijk uitgangsmateriaal afgeleid bosbouwkundig teeltmateriaal in de handel worden gebracht.
De volgende zes soorten uitgangsmateriaal, waaruit bosbouwkundig teeltmateriaal kan worden geoogst, worden gehandhaafd zoals vermeld in Richtlijn 1999/105/EG: een zaadbron, opstand, zaadgaarde, ouderplanten van families, klonen of mengsels van klonen.
De bevoegde autoriteiten beoordelen de duurzaamheidskenmerken van uitgangsmateriaal tijdens de procedure voor de goedkeuring van dat uitgangsmateriaal. Die kenmerken hebben betrekking op de aanpassing van het uitgangsmateriaal aan de klimatologische en ecologische omstandigheden en de afwezigheid van voor bomen schadelijke plaagorganismen en symptomen daarvan.
De procedure voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal omvat het gebruik van biomoleculaire technieken als aanvullende methode en innovatieve technieken voor de productie van klonen.
Na de oogst van bosbouwkundig teeltmateriaal wordt door de officiële instanties voor al het van goedgekeurd uitgangsmateriaal afgeleid teeltmateriaal een basiscertificaat afgegeven. Dit certificaat zorgt ervoor dat het bosbouwkundig teeltmateriaal identificeerbaar is, en informatie bevat over de oorsprong van het uitgangsmateriaal waarvan het is geoogst, alsmede de meest geschikte gegevens voor de gebruikers en de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de officiële controles. Het basiscertificaat kan ook in elektronische vorm worden afgegeven.
Bosbouwkundig teeltmateriaal moet door de bevoegde autoriteiten worden gecertificeerd als “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” en “getest”, en in de handel worden gebracht onder verwijzing naar die categorieën, met het oog op aanpassing aan de respectieve normen van de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaigoed en plantgoed. Voor elke categorie worden specifieke voorschriften voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal vastgesteld, die grotendeels identiek zijn aan die welke bij Richtlijn 1999/105/EG zijn vastgesteld.
In het geval van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorieën “van bekende origine” en “geselecteerd”, moeten de lidstaten voor de betrokken soorten de herkomstgebieden afbakenen om een gebied of groepen gebieden met voldoende uniforme ecologische omstandigheden te kunnen identificeren die uitgangsmateriaal met vergelijkbare fenotypische of genetische kenmerken bevatten.
Dit is noodzakelijk omdat het uit dat uitgangsmateriaal voortgekomen bosbouwkundig teeltmateriaal onder verwijzing naar die herkomstgebieden in de handel zal worden gebracht.
iii)Professionele exploitanten
Professionele exploitanten kunnen van de bevoegde autoriteit toestemming krijgen om het officiële etiket voor bepaalde soorten en categorieën bosbouwkundig teeltmateriaal onder officieel toezicht af te drukken. Er worden regels vastgesteld voor het intrekken of wijzigen van die toestemming om ervoor te zorgen dat het systeem doeltreffend functioneert.
Zij worden geregistreerd in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad. Dit is noodzakelijk voor de efficiëntie en het voorkomen van dubbele registratie, omdat de professionele exploitanten die onder deze verordening vallen grotendeels samenvallen met die welke onder het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2016/2031 vallen.
Alvorens bosbouwkundig teeltmateriaal te kopen, stellen professionele exploitanten aan de potentiële kopers van hun bosbouwkundig teeltmateriaal alle nodige informatie ter beschikking over de geschiktheid ervan voor klimatologische en ecologische omstandigheden.
iv)Registers van bosbouwkundig teeltmateriaal en noodplannen
Elke lidstaat zal i) een nationaal register in elektronische vorm opstellen, publiceren en actualiseren, voor de registratie van het uitgangsmateriaal van de verschillende soorten en kunstmatige hybriden die op zijn grondgebied zijn goedgekeurd, en ii) een nationale lijst opstellen die als samenvatting van dat nationale register moet worden gepresenteerd. De nationale lijst moet worden opgesteld volgens een gemeenschappelijk model voor iedere goedgekeurde eenheid. Het register bevat informatie over de botanische naam, de categorie van het bosbouwkundig teeltmateriaal, het doeleinde, het uitgangsmateriaal, het registratienummer, de locatie, de hoogte of het hoogte-interval, het gebied, de oorsprong en in het geval van teeltmateriaal van de categorie “getest”, of het genetisch gemodificeerd is of met bepaalde nieuwe genomische technieken is geproduceerd.
Om dezelfde reden moet de Commissie op basis van de door elke lidstaat verstrekte nationale lijsten een Unielijst van goedgekeurd uitgangsmateriaal voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal publiceren in elektronische vorm. Die Unielijst wordt het informatiesysteem voor bosbouwkundig teeltmateriaal van de Commissie (Forest Reproductive Material Information System, “Forematis”) genoemd.
Elke lidstaat moet een noodplan opstellen en bijwerken om te zorgen voor een toereikende voorziening van bosbouwkundig teeltmateriaal, voor de herbebossing van gebieden die zijn getroffen door extreme weersomstandigheden, bosbranden, uitbraken van ziekten en plagen, of andere rampen.
v)Verwerkingsvoorschriften en digitalisering
Bosbouwkundig teeltmateriaal wordt gescheiden gehouden op basis van afzonderlijk goedgekeurde eenheden en zal in partijen worden geproduceerd en in de handel worden gebracht.
Zaad mag alleen in de handel worden gebracht als het aan bepaalde kwaliteitsnormen voldoet. Zij worden uitsluitend in verzegelde verpakkingen geëtiketteerd en in de handel gebracht.
De voorgestelde verordening zal bijdragen aan de doelstelling van de digitale EU-strategie om ervoor te zorgen dat de transformatie naar digitale technologieën werkt voor mensen en bedrijven. De verordening moet daarom een bevoegdheidsverlening bevatten om regels vast te stellen met betrekking tot i) de digitale registratie van alle maatregelen die zijn genomen om respectievelijk het basiscertificaat en het officiële etiket af te geven, en ii) de oprichting van een gecentraliseerd platform dat de verwerking van, de toegang tot en het gebruik van die gegevens vergemakkelijkt. In dit verband moet ook het gebruik van elektronische etiketten worden toegestaan.
vi)Afwijkingen en instandhoudingsdoeleinden
In perioden waarin het tijdelijk moeilijk is voldoende in bepaalde soorten bosbouwkundig teeltmateriaal te voorzien, wordt uitgangsmateriaal dat aan minder strenge eisen voldoet, tijdelijk goedgekeurd voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de betrokken soort.
Op EU-niveau zullen tijdelijke experimenten worden georganiseerd om betere alternatieven voor de bepalingen van deze verordening te vinden.
De voorschriften voor uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de instandhouding en het duurzame gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw zullen verschillen van die voor uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal in de categorieën “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” en “getest”. Het doel is bij te dragen tot een grotere diversiteit binnen één boomsoort en te reageren op de achteruitgang van de biodiversiteit.
vii)Invoer
Bosbouwkundig teeltmateriaal mag alleen uit derde landen in de Unie worden ingevoerd indien is vastgesteld dat het voldoet aan voorschriften die gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op in de Unie geproduceerd en in de handel gebracht bosbouwkundig teeltmateriaal. Dit is noodzakelijk ervoor te zorgen dat dergelijk ingevoerd bosbouwkundig teeltmateriaal dezelfde kwaliteit heeft als het in de Unie geproduceerde bosbouwkundig teeltmateriaal.
De professionele exploitanten stellen de respectieve bevoegde autoriteit vooraf in kennis van de invoer van zaad, plantgoed en andere plantendelen via het bij Verordening (EU) 2017/625 opgezette informatiemanagementsysteem voor officiële controles (Imsoc). Ingevoerd bosbouwkundig teeltmateriaal zal vergezeld gaan van een door het derde land van oorsprong afgegeven basiscertificaat of officieel certificaat en van gegevens over dat bosbouwkundig teeltmateriaal die door de professionele exploitant in dat derde land worden verstrekt. Dat bosbouwkundig teeltmateriaal wordt voorzien van een officieel etiket.
De voorschriften van Verordening (EU) 2016/2031 betreffende plaagorganismen zullen ook van toepassing zijn op de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal uit hoofde van de voorgestelde verordening. De voorgestelde verordening omvat een wijziging van Verordening (EU) 2016/2031, waarbij de mogelijkheid wordt ingevoerd dat het officiële etiket voor bosbouwkundig teeltmateriaal in één enkel formaat wordt gecombineerd met het plantenpaspoort.
Voorts wordt Verordening (EU) 2017/625 gewijzigd om de voorschriften inzake bosbouwkundig teeltmateriaal op te nemen in het toepassingsgebied van de EU-wetgeving inzake officiële controles. De basisregels en -beginselen voor officiële controles zullen ook van toepassing zijn op de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal, met inbegrip van die voor de bevoegdheden van de autoriteiten, de delegatie van taken en de certificering. De Commissie zal de bevoegdheid krijgen om waar nodig speciale regels vast te stellen voor officiële controles op het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal en van professionele exploitanten. Bij invoer zijn de algemene regels op risicobasis van toepassing.
De voorgestelde verordening zal drie jaar na de inwerkingtreding ervan van toepassing worden, zodat de bevoegde autoriteiten en professionele exploitanten voldoende tijd krijgen om zich aan de nieuwe regels aan te passen. Dit zal de Commissie ook de tijd geven om de nodige gedelegeerde en uitvoeringshandelingen vast te stellen.
2023/0228 (COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2016/2031 en (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 1999/105/EG van de Raad (verordening betreffende bosbouwkundig teeltmateriaal)
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,
[Gezien het advies van het Comité van de Regio’s,]
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Richtlijn 1999/105/EG van de Raad bevat voorschriften voor de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal.
(2)Bossen bedekken ongeveer 45 % van het landoppervlak in de Unie en vervullen een multifunctionele rol die sociale, economische, ecologische en culturele functies omvat. Bossen vervullen als koolstofput een primaire functie in het klimaatmitigatiebeleid. Hoogwaardig, klimaataangepast en divers bosbouwkundig teeltmateriaal is van essentieel belang om in deze behoeften te voorzien.
(3)In het licht van nieuwe technische en wetenschappelijke ontwikkelingen, de actualisering van de voorschriften van de regeling van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) voor de certificering van bosbouwkundig teeltmateriaal in de internationale handel (“de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed”), de nieuwe beleidsprioriteiten van de Unie met betrekking tot duurzaamheid, aanpassing aan de klimaatverandering en biodiversiteit, en met name de Europese Green Deal, alsook van de ervaring die is opgedaan bij de uitvoering van Richtlijn 1999/105/EG, moet die richtlijn door een nieuwe handeling worden vervangen. Met het oog op de uniforme toepassing van de nieuwe regels in de hele Unie moet de handeling de vorm krijgen van een verordening.
(4)Het doel van de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed is het stimuleren van de productie en het gebruik van zaden, plantendelen en planten die zijn verzameld, verwerkt en in de handel gebracht op een wijze die een hoge kwaliteit en beschikbaarheid van bosbouwkundig teeltmateriaal waarborgt. Gezien de lengte van de boscycli en de kosten van aanplantingen en langetermijninvesteringen in bossen is het van essentieel belang dat bosbouwers volledig betrouwbare informatie krijgen over de oorsprong en de genetische kenmerken van het bosbouwkundig teeltmateriaal dat zij in aanplantingen gebruiken. De OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed voldoet aan deze behoefte door middel van certificering en traceerbaarheid. De regeling speelt een belangrijke rol bij het aanpassen van de bossen in de wereld aan veranderende klimaatomstandigheden. De nadruk wordt gelegd op het behoud van de diversiteit van soorten en het waarborgen van een hoge genetische diversiteit binnen soorten en zaadpartijen, waardoor het aanpassingspotentieel van bosbouwkundig teeltmateriaal voor de toekomstige herbeplanting van een gebied met bomen (“herbebossing”) en de aanleggen van nieuwe bossen (“bebossing”) wordt vergroot. Herbebossing kan nodig zijn wanneer delen van een bestaand bos zijn getroffen door extreme weersomstandigheden, bosbranden, uitbraken van ziekten en plagen of andere rampen.
(5)In de Europese Green Deal verbindt de Commissie zich ertoe uitdagingen in verband met klimaatverandering en het milieu aan te pakken. Het doel is de economie van de Unie om te vormen met het oog op een duurzame toekomst. De regels van de Unie inzake de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal moeten in overeenstemming zijn met Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit en met de drie strategieën voor de uitvoering van de Europese Green Deal: de nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering, de nieuwe EU-bosstrategie voor 2030 en de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030.
(6)Verordening (EU) 2021/1119 vereist dat de desbetreffende instellingen van de Unie en de lidstaten zorgen voor voortdurende vooruitgang bij het vergroten van het vermogen tot aanpassing aan, en het versterken van de veerkracht en het verminderen van de kwetsbaarheid voor klimaatverandering. Een van de doelstellingen van de nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering is daarom het vermogen van de Unie om zich aan te passen aan de klimaatverandering te versnellen door onder meer de regels inzake bosbouwkundig teeltmateriaal te wijzigen. De wetgeving van de Unie moet de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal in de hele Unie aanmoedigen. Daartoe moet de mogelijkheid voor de lidstaten om de goedkeuring van bepaald uitgangsmateriaal te beperken en het verhandelen van bepaald bosbouwkundig teeltmateriaal aan eindgebruikers te verbieden, zoals opgenomen in Richtlijn 1999/105/EG, worden afgeschaft.
(7)De nieuwe EU-bosstrategie voor 2030 is vooral gericht op de effectieve bebossing en de instandhouding en het herstel van bossen in de Unie, teneinde te helpen de absorptie van CO2 te bevorderen, het aantal bosbranden en de omvang daarvan terug te dringen en de bio-economie te bevorderen, met volledige inachtneming van de ecologische beginselen die gunstig zijn voor de biodiversiteit. Zorgen voor bosherstel en versterkt duurzaam bosbeheer is cruciaal met het oog op klimaatadaptatie en bosveerkracht In dit verband wordt in de nieuwe EU-bosstrategie gesteld dat voor de aanpassing van bossen aan de klimaatverandering en het herstel van bossen na klimaatschade, grote hoeveelheden geschikt bosbouwkundig teeltmateriaal nodig zullen zijn. Daartoe zijn inspanningen nodig om de genetische hulpbronnen in de bosbouw, waarvan een klimaatbestendiger bosbouw afhankelijk is, veilig te stellen en duurzaam te gebruiken. Er zijn ook inspanningen nodig om de productie en beschikbaarheid van dergelijk bosbouwkundig teeltmateriaal te verhogen, betere informatie te verstrekken over de geschiktheid ervan voor klimatologische en ecologische omstandigheden en de gezamenlijke productie en overdracht ervan over de nationale grenzen binnen de Unie te verbeteren. Professionele exploitanten moeten dus worden verplicht vooraf informatie aan de gebruikers te verstrekken over de geschiktheid van bosbouwkundig teeltmateriaal voor de klimatologische en ecologische omstandigheden.
(8)De EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 moet ervoor zorgen dat de biodiversiteit in de Unie tegen 2030 op weg is naar herstel. In het kader van die strategie moet in de wetgeving van de Unie de nadruk worden gelegd op het behoud van de soortendiversiteit en moet worden gezorgd voor een hoge genetische diversiteit binnen soorten en binnen partijen zaden. Zo moet de voorziening van hoogwaardig en genetisch divers bosbouwkundig teeltmateriaal dat is aangepast aan de huidige en verwachte toekomstige klimaatomstandigheden, worden vergemakkelijkt. De instandhouding en de verbetering van de biologische diversiteit van de bossen, met inbegrip van de genetische diversiteit van de bomen, zijn van essentieel belang voor een duurzaam bosbeheer en voor het aanpassen van de bossen aan klimaatverandering. Boomsoorten en kunstmatige hybriden die onder deze verordening vallen, moeten genetisch geschikt zijn voor de plaatselijke omstandigheden en van hoge kwaliteit zijn.
(9)Er is een grensoverschrijdende dimensie op de lange termijn omdat de noordwaartse migratie van vegetatiezones die reeds kan worden waargenomen, de komende decennia naar verwachting aanzienlijk zal versnellen. Daarom zou het voor bosbouwers zeer gunstig zijn als in deze verordening een vereiste wordt opgenomen om informatie te verstrekken over de zones waar zaad kan worden aangeplant of waar bosbouwkundig teeltmateriaal aan de plaatselijke omstandigheden is aangepast. Daarom moeten de bevoegde autoriteiten voor bepaald zaad aanwijzen in welke zones dat zaad geschikt is voor de plaatselijke omstandigheden en kan worden ingezaaid (“zaadoverdrachtszones”). Evenzo moeten zij voor bepaald bosbouwkundig teeltmateriaal aanwijzen in welke gebieden dat teeltmateriaal aangepast is aan de plaatselijke omstandigheden (“inzetgebieden”).
(10)In Richtlijn 1999/105/EG wordt bosbouwkundig teeltmateriaal gedefinieerd in verband met het belang ervan voor bosbouwdoeleinden in de gehele Unie of een deel daarvan, maar wat die bosbouwdoeleinden zijn, wordt niet duidelijk. Duidelijkheidshalve worden in het toepassingsgebied van deze verordening de doeleinden opgesomd waarvoor het gebruik van bosbouwkundig teeltmateriaal van hoogwaardige kwaliteit belangrijk is.
(11)Bosbouwkundig teeltmateriaal kan worden geproduceerd voor gebruik bij bebossing/herbebossing en andere soorten boomaanplanting en voor verschillende doeleinden, zoals de productie van hout en biomaterialen, het behoud van de biodiversiteit, het herstel van bosecosystemen, aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering en instandhouding en duurzaam gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw.
(12)Uit onderzoek is gebleken dat de beoordeling en goedkeuring van uitgangsmateriaal met betrekking tot het specifieke doeleinde van het gebruik van bosbouwkundig teeltmateriaal van het grootste belang zijn. Daarnaast heeft de aanplant van bosbouwkundig teeltmateriaal van hoogwaardige kwaliteit op de juiste plaats een positief effect op het doeleinde waarvoor dat teeltmateriaal wordt gebruikt. Onder “op de juiste plaats” wordt verstaan dat het bosbouwkundig teeltmateriaal genetisch en fenotypisch geschikt is voor de locatie waar het wordt geteeld, met inbegrip van de relevante klimaatprognoses voor die locatie.
(13)Om een toereikende voorziening van bosbouwkundig teeltmateriaal te waarborgen in reactie op de toegenomen vraag naar bosbouwkundig teeltmateriaal, moeten bestaande of potentiële handelsbelemmeringen die het vrije verkeer van teeltmateriaal binnen de Unie kunnen belemmeren, worden weggenomen. Dit doel kan alleen worden bereikt als de respectieve Unieregels inzake bosbouwkundig teeltmateriaal de hoogst mogelijke normen opleggen.
(14)De voorschriften van de Unie inzake de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal moeten rekening houden met de praktische behoeften en mogen alleen van toepassing zijn op bepaalde soorten en kunstmatige hybriden die in bijlage I bij deze verordening zijn opgenomen. Deze soorten en kunstmatige hybriden zijn belangrijk voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal voor bebossing, herbebossing en andere soorten boomaanplanting met het oog op de productie van hout en biomaterialen, het behoud van de biodiversiteit, het herstel van bosecosystemen, aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering en instandhouding en duurzaam gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw.
(15)Het doel van deze verordening is de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal van hoogwaardige kwaliteit te waarborgen. Om veerkrachtige bossen te helpen aanleggen en bosecosystemen te herstellen, moeten de gebruikers voorafgaand aan de aankoop van bosbouwkundig teeltmateriaal worden geïnformeerd over de geschiktheid van dat bosbouwkundig teeltmateriaal voor de klimatologische en ecologische omstandigheden van het gebied waar het zal worden gebruikt.
(16)Om ervoor te zorgen dat gecertificeerd bosbouwkundig teeltmateriaal aangepast zal zijn aan de klimatologische en ecologische omstandigheden van het gebied waar het wordt aangeplant, moeten de bevoegde autoriteiten de duurzaamheidskenmerken van het uitgangsmateriaal beoordelen tijdens de procedure voor de goedkeuring van dat uitgangsmateriaal. Die duurzaamheidskenmerken moeten betrekking hebben op de aanpassing van dat uitgangsmateriaal aan de klimatologische en ecologische omstandigheden en de afwezigheid van voor bomen schadelijke plaagorganismen en symptomen daarvan.
(17)Bosbouwkundig teeltmateriaal mag alleen worden geoogst van uitgangsmateriaal dat door de bevoegde autoriteiten is beoordeeld en goedgekeurd, zodat de hoogst mogelijke kwaliteit van dat bosbouwkundig teeltmateriaal wordt gewaarborgd. Goedgekeurd uitgangsmateriaal moet worden geregistreerd in een nationaal register met een uniek registratienummer en met verwijzing naar een goedgekeurde eenheid.
(18)Met het oog op de aanpassing aan de wetenschappelijke en technische ontwikkelingen van internationale normen moet het gebruik van biomoleculaire technieken als aanvullende methode worden opgenomen in de procedure voor goedkeuring van uitgangsmateriaal. Deze biomoleculaire technieken moeten worden toegestaan voor het beoordelen van de oorsprong van het uitgangsmateriaal of voor het screenen van het uitgangsmateriaal op de aanwezigheid van ziekteresistente kenmerken door middel van moleculaire markers.
(19)De bevoegde autoriteiten van de respectieve lidstaten moeten een basiscertificaat afgeven voor al het bosbouwkundig teeltmateriaal dat van goedgekeurd uitgangsmateriaal is afgeleid (d.w.z. geoogst). Een dergelijk basiscertificaat waarborgt de identificatie van het bosbouwkundig teeltmateriaal, bevat informatie over de oorsprong ervan en bevat de meest geschikte informatie voor de gebruikers ervan en de bevoegde autoriteiten die belast zijn met de officiële controle ervan. Het moet worden toegestaan het basiscertificaat in elektronische vorm af te geven.
(20)Alleen teeltmateriaal dat van goedgekeurd uitgangsmateriaal is geoogst, mag vervolgens worden gecertificeerd en in de handel worden gebracht. Bosbouwkundig teeltmateriaal moet door de bevoegde autoriteiten worden gecertificeerd als “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” en “getest” en onder verwijzing naar die categorieën in de handel worden gebracht. De categorieën tonen aan welke van de kenmerken van het uitgangsmateriaal zijn beoordeeld en geven de kwaliteit van het bosbouwkundig teeltmateriaal aan. Voor de categorieën bosbouwkundig teeltmateriaal van lagere kwaliteit (“van bekende origine” en “geselecteerd”) worden de basiskenmerken van het uitgangsmateriaal gecontroleerd. Voor de categorieën bosbouwkundig teeltmateriaal van hogere kwaliteit (“gekeurd” en “getest”) worden ouderbomen geselecteerd op basis van uitstekende kenmerken en kruisingsschema’s. In het geval van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “gekeurd”, wordt de superieure kwaliteit van het bosbouwkundig teeltmateriaal geschat op basis van de kenmerken van de ouderbomen. In het geval van de categorie “getest” moet de superieure kwaliteit van dat bosbouwkundig teeltmateriaal worden aangetoond in vergelijking met hetzij het uitgangsmateriaal waaruit dat bosbouwkundig teeltmateriaal is geoogst, hetzij een referentiepopulatie. De categorieën bosbouwkundig teeltmateriaal “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” en “getest” moeten worden onderworpen aan uniforme productie- en handelsvoorschriften om transparantie, gelijke mededingingsvoorwaarden en de integriteit van de interne markt te waarborgen.
(21)De certificeringsvoorschriften moeten worden verduidelijkt voor bosbouwkundig teeltmateriaal dat is geproduceerd door middel van innovatieve productieprocessen en met name productietechnieken voor de productie van een specifiek type bosbouwkundig teeltmateriaal, namelijk klonen. Aangezien de plaats van productie van die klonen kan verschillen van de plaats van de oorspronkelijke boom (het uitgangsmateriaal) waarvan de klonen zijn afgeleid, moeten de regels worden gewijzigd om de traceerbaarheid te waarborgen.
(22)De eisen voor uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de instandhouding en het duurzame gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw verschillen van die voor uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal voor commerciële doeleinden, vanwege de verschillende selectiecriteria die voor deze twee soorten uitgangsmateriaal worden toegepast. Met het oog op de instandhouding en het duurzame gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw moeten alle bomen van een opstand in het bos worden behouden. Dit is noodzakelijk om de genetische diversiteit binnen één enkele boomsoort te helpen vergroten. Anderzijds mogen voor uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal voor commerciële doeleinden, alleen bomen met superieure kenmerken worden geselecteerd. Daarom moet het de lidstaten worden toegestaan af te wijken van de toepasselijke voorschriften met betrekking tot de goedkeuring van uitgangsmateriaal, en kennisgeving doen van dit uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw bij de bevoegde autoriteit.
(23)De categorie “van bekende origine” is de minimumnorm die vereist is voor het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal, omdat er weinig of geen fenotypische selectie heeft plaatsgevonden van het uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van die categorie. Om de traceerbaarheid te waarborgen, moet de professionele exploitant de locatie registreren van het uitgangsmateriaal (d.w.z. de herkomst) waarvan het bosbouwkundig teeltmateriaal wordt verzameld. De oorsprong van dat uitgangsmateriaal moet worden vermeld, indien bekend. Dit is in overeenstemming met de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed en de ervaring die is opgedaan met Richtlijn 1999/105/EG.
(24)Overeenkomstig de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed en in navolging van de toepassing van Richtlijn 1999/105/EG moet de bevoegde autoriteit het uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “geselecteerd” beoordelen op basis van de observatie van de kenmerken van dat uitgangsmateriaal, rekening houdend met het specifieke doeleinde waarvoor het van dat uitgangsmateriaal geoogste bosbouwkundig teeltmateriaal moet worden gebruikt. De algemene kwaliteit van die categorie moet worden gewaarborgd. Aangezien de populatie een hoge mate van uniformiteit moet vertonen, moeten bomen met inferieure kenmerken (bv. kleinere grootte) ten opzichte van de gemiddelde boomgrootte in de totale populatie, worden verwijderd.
(25)Om bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “gekeurd” te produceren, moet de professionele exploitant de componenten van het uitgangsmateriaal selecteren die op individueel niveau bij het kruisingsschema zullen worden gebruikt vanwege hun uitstekende kenmerken, bijvoorbeeld wat betreft de aanpassing aan de plaatselijke klimatologische en ecologische omstandigheden. De bevoegde autoriteit moet de samenstelling en het voorgestelde kruisingsschema van die componenten, de inrichting van de percelen, de mate van isolatie en de locatie van dat uitgangsmateriaal goedkeuren. Dit is belangrijk om in overeenstemming te zijn met de toepasselijke internationale normen uit hoofde van de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed en om rekening te houden met de ervaring die is opgedaan met Richtlijn 1999/105/EG.
(26)Uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “getest” moet aan de strengst mogelijke voorschriften worden onderworpen. De superieure kwaliteit van bosbouwkundig teeltmateriaal moet worden bepaald door het te vergelijken met een of, bij voorkeur, meerdere goedgekeurde of vooraf gekozen normen. De professionele exploitant selecteert die normen op basis van het doeleinde waarvoor het bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “getest” zal worden gebruikt. Als het doeleinde van dat bosbouwkundig teeltmateriaal de aanpassing aan de klimaatverandering is, zal het bosbouwkundig teeltmateriaal worden vergeleken aan de hand van normen voor goede prestaties op het gebied van aanpassing aan de lokale klimatologische en ecologische omstandigheden (bv. praktisch vrij zijn van plagen en de symptomen ervan). Na de selectie van de componenten van het uitgangsmateriaal moet de professionele exploitant de superioriteit van het bosbouwkundig teeltmateriaal aantonen door middel van vergelijkende tests of door een schatting op basis van een evaluatie van de genetische bestanddelen van dat uitgangsmateriaal. De bevoegde autoriteit moet bij elke stap van dit proces worden betrokken. Zij moet de experimentele opzet en tests van de goedkeuringsprocedure voor het uitgangsmateriaal goedkeuren, de door de professionele exploitant verstrekte gegevens verifiëren en de resultaten van de tests betreffende de superioriteit van het bosbouwkundig teeltmateriaal of de genetische evaluatie daarvan goedkeuren, naargelang het geval. Dit is noodzakelijk om te voldoen aan de toepasselijke internationale normen uit hoofde van de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed en andere toepasselijke internationale normen en om rekening te houden met de ervaring die is opgedaan met Richtlijn 1999/105/EG.
(27)De beoordeling van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “getest”, duurt gemiddeld tien jaar. Om te zorgen voor een snellere markttoegang voor bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “getest”, moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om, terwijl de beoordeling van het uitgangsmateriaal nog loopt, dat uitgangsmateriaal tijdelijk voor een periode van ten hoogste tien jaar op hun gehele grondgebied of een deel daarvan goed te keuren. Die goedkeuring mag alleen worden verleend indien uit de voorlopige resultaten van de genetische evaluatie of vergelijkende tests blijkt dat het uitgangsmateriaal aan de voorschriften van deze verordening zal voldoen na afronding van de tests. Deze vroegtijdige beoordeling moet na een periode van ten hoogste tien jaar worden herzien.
(28)De overeenstemming van bosbouwkundig teeltmateriaal met de voorschriften voor de categorieën “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” en “getest” moet worden bevestigd door inspecties die door de bevoegde autoriteiten naar gelang van het geval voor elke categorie worden uitgevoerd (“officiële certificering”) en met een officieel etiket moet worden gecertificeerd.
(29)Genetisch gemodificeerd bosbouwkundig teeltmateriaal mag alleen in de handel worden gebracht als het veilig is voor de menselijke gezondheid en het milieu en overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad of Verordening (EG) nr. 1829/2003 voor de teelt is toegelaten, en als dat bosbouwkundig teeltmateriaal tot de categorie “getest” behoort. Met bepaalde nieuwe genomische technieken verkregen bosbouwkundig teeltmateriaal mag alleen in de handel worden gebracht als het voldoet aan de voorschriften van Verordening (EU) [Publications Office, please insert reference to Regulation (EU) of the European Parliament and of the Council on plants obtained by certain new genomic techniques and their food and feed], en als dat bosbouwkundig teeltmateriaal tot de categorie “getest” behoort.
(30)Het officiële etiket moet informatie bevatten over uitgangsmateriaal dat geheel of gedeeltelijk uit een genetisch gemodificeerd organisme bestaat of met bepaalde nieuwe genomische technieken is geproduceerd.
(31)Professionele exploitanten moeten van de bevoegde autoriteit toestemming krijgen om het officiële etiket voor bepaalde soorten en categorieën bosbouwkundig teeltmateriaal onder officieel toezicht af te drukken. Dit zal de professionele exploitanten vervolgens flexibeler maken wat het in de handel brengen van dat bosbouwkundig teeltmateriaal betreft. Professionele exploitanten kunnen echter pas beginnen met het afdrukken van het etiket nadat de bevoegde autoriteit het desbetreffende bosbouwkundig teeltmateriaal heeft gecertificeerd. Die toestemming is noodzakelijk vanwege het officiële karakter van het officiële etiket en om de hoogst mogelijke kwaliteitsnormen voor de gebruikers van bosbouwkundig teeltmateriaal te waarborgen. Er moeten regels worden vastgesteld voor de intrekking of wijziging van die toestemming.
(32)De lidstaten moet worden toegestaan om, na toestemming van de Commissie, voor de goedkeuring van op hun eigen grondgebied geproduceerd uitgangsmateriaal aanvullende of strengere eisen te stellen. Dit zou de uitvoering van nationale of regionale benaderingen van de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal mogelijk maken met het oog op de verbetering van de kwaliteit van het betrokken bosbouwkundig teeltmateriaal, de bescherming van het milieu of de bijdrage aan de bescherming van de biodiversiteit en het herstel van bosecosystemen.
(33)Met het oog op transparantie en doeltreffendere controles van de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal moeten professionele exploitanten worden geregistreerd in de registers die de lidstaten overeenkomstig Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad hebben ingesteld. Een dergelijke registratie vermindert de administratieve lasten voor die professionele exploitanten. Ook is het noodzakelijk voor een doeltreffende werking van het officiële register voor exploitanten en om dubbele inschrijving te voorkomen. De professionele exploitanten die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, vallen grotendeels ook binnen het toepassingsgebied van het officiële register van professionele marktdeelnemers in het kader van Verordening (EU) 2016/2031.
(34)Voorafgaand aan de aankoop van bosbouwkundig teeltmateriaal moeten professionele exploitanten de potentiële kopers van hun bosbouwkundig teeltmateriaal alle nodige informatie verstrekken over de geschiktheid ervan voor de respectieve klimatologische en ecologische omstandigheden, zodat zij het voor hun regio meest geschikte bosbouwkundig teeltmateriaal kunnen selecteren.
(35)In het geval van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorieën “van bekende origine” en “geselecteerd”, moeten de lidstaten voor de betrokken soorten de herkomstgebieden afbakenen om een gebied of groepen gebieden met voldoende uniforme ecologische omstandigheden te kunnen identificeren die uitgangsmateriaal met vergelijkbare fenotypische of genetische kenmerken bevatten. Dit is noodzakelijk omdat het uit dat uitgangsmateriaal vervaardigde bosbouwkundig teeltmateriaal onder verwijzing naar die herkomstgebieden in de handel moet worden gebracht.
(36)Om te zorgen voor een doeltreffend overzicht en transparantie met betrekking tot het bosbouwkundig teeltmateriaal dat in de hele Unie wordt geproduceerd en in de handel wordt gebracht, moet elke lidstaat een nationaal register in elektronische vorm opstellen, publiceren en actualiseren, voor de registratie van het uitgangsmateriaal van de verschillende soorten en kunstmatige hybriden die op zijn grondgebied zijn goedgekeurd, en een nationale lijst opstellen die als samenvatting van dat nationale register moet worden gepresenteerd.
(37)Om dezelfde reden moet de Commissie op basis van de door elke lidstaat verstrekte nationale lijsten een Unielijst van goedgekeurd uitgangsmateriaal voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal publiceren in elektronische vorm. Die Unielijst moet informatie bevatten over uitgangsmateriaal dat geheel of gedeeltelijk uit een genetisch gemodificeerd organisme bestaat of met bepaalde nieuwe genomische technieken is geproduceerd.
(38)Elke lidstaat moet een noodplan opstellen en bijwerken om te zorgen voor een toereikende voorziening van bosbouwkundig teeltmateriaal, voor de herbebossing van gebieden die zijn getroffen door extreme weersomstandigheden, bosbranden, uitbraken van ziekten en plagen, rampen of andere gebeurtenissen. Er moeten regels worden vastgesteld met betrekking tot de inhoud van dat plan, zodat proactief en doeltreffend tegen dergelijke risico’s wordt opgetreden indien deze zich voordoen. Het moet de lidstaten worden toegestaan de inhoud van dat plan aan te passen aan de specifieke klimatologische en ecologische omstandigheden op hun grondgebied. Deze vereiste weerspiegelt ook de algemene paraatheidsmaatregelen die de lidstaten op vrijwillige basis moeten nemen in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming.
(39)Bosbouwkundig teeltmateriaal moet in alle stadia van de productie gescheiden worden gehouden naar individuele goedgekeurde eenheden. De goedgekeurde eenheden moeten worden geproduceerd en in de handel worden gebracht in partijen die voldoende homogeen zijn en als verschillend van andere partijen bosbouwkundig teeltmateriaal zijn geïdentificeerd. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen partijen zaad en partijen planten om het type bosbouwkundig teeltmateriaal te kunnen identificeren en de traceerbaarheid tot het goedgekeurde uitgangsmateriaal waarvan teeltmateriaal is geoogst, te waarborgen. Zo wordt het behoud van de identiteit en de kwaliteit van dat bosbouwkundig teeltmateriaal gewaarborgd.
(40)Zaad mag alleen in de handel worden gebracht als het aan bepaalde kwaliteitsnormen voldoet. Het mag alleen in verzegelde verpakkingen worden geëtiketteerd en in de handel worden gebracht om de correcte identificatie, kwaliteit en traceerbaarheid mogelijk te maken en fraude te voorkomen.
(41)Met het oog op de verwezenlijking van de doelstelling van de digitale strategie van de Unie om ervoor te zorgen dat de transformatie naar digitale technologieën werkt voor mensen en bedrijven, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen ten aanzien van regels inzake de digitale registratie van alle ondernomen acties, met het oog op de afgifte van een basiscertificaat en een officieel etiket en de oprichting van een gecentraliseerd platform dat de verwerking van, de toegang tot en het gebruik van die gegevens vergemakkelijkt.
(42)In perioden waarin het tijdelijk moeilijk is om voldoende voorraden bosbouwkundig teeltmateriaal van bepaalde soorten te oogsten, moet uitgangsmateriaal dat aan minder strenge eisen voldoet, onder bepaalde voorwaarden tijdelijk worden goedgekeurd. Deze minder strenge eisen moeten betrekking hebben op de goedkeuring van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundige teeltmaterialen van verschillende categorieën. Dit is noodzakelijk om te zorgen voor een flexibele aanpak in ongunstige omstandigheden en om verstoringen van de interne markt voor bosbouwkundig teeltmateriaal te voorkomen.
(43)Bosbouwkundig teeltmateriaal mag alleen uit derde landen worden ingevoerd indien is vastgesteld dat het voldoet aan voorschriften die gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op in de Unie geproduceerd en in de handel gebracht bosbouwkundig teeltmateriaal. Dit is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat dergelijk ingevoerd bosbouwkundig teeltmateriaal dezelfde kwaliteit heeft als het in de Unie geproduceerde bosbouwkundig teeltmateriaal.
(44)Wanneer bosbouwkundig teeltmateriaal uit een derde land in de Unie wordt ingevoerd, moet de betrokken professionele exploitant de respectieve bevoegde autoriteit vooraf in kennis stellen van de invoer van bosbouwkundig teeltmateriaal via het bij Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad opgezette informatiemanagementsysteem voor officiële controles (Imsoc). Bovendien moet ingevoerd bosbouwkundig teeltmateriaal vergezeld gaan van een door het derde land van oorsprong afgegeven basiscertificaat of officieel certificaat en van gegevens over dat bosbouwkundig teeltmateriaal die door de professionele exploitant in dat derde land worden verstrekt. Dat bosbouwkundig teeltmateriaal moet voorzien zijn van een officieel etiket, aangezien dit noodzakelijk is om te zorgen voor geïnformeerde keuzes voor de gebruikers van dat bosbouwkundig teeltmateriaal en om de uitvoering van de respectieve officiële controles door de bevoegde autoriteiten te vergemakkelijken.
(45)Om het effect van deze verordening te monitoren en de Commissie in staat te stellen de ingevoerde maatregelen te beoordelen, moeten de lidstaten om de vijf jaar verslag uitbrengen over de jaarlijkse hoeveelheden gecertificeerd bosbouwkundig teeltmateriaal, de vastgestelde nationale noodplannen, de voor de gebruikers via websites en/of gidsen voor plantersgidsen beschikbare informatie over de vraag waar het bosbouwkundig teeltmateriaal het beste kan worden geplant, de hoeveelheden ingevoerd bosbouwkundig teeltmateriaal en de opgelegde sancties.
(46)Met het oog op de aanpassing aan de verplaatsing van vegetatiezones en de verspreidingsgebieden van boomsoorten als gevolg van de klimaatverandering en andere ontwikkelingen van technische of wetenschappelijke kennis, onder meer over klimaatverandering, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen tot wijziging van de lijst van boomsoorten en kunstmatige hybriden daarvan waarop deze verordening van toepassing is.
(47)Met het oog op de aanpassing aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis en van OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed en andere toepasselijke internationale normen, en om rekening te houden met Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen tot wijziging van i) de voorschriften betreffende uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat moet worden gecertificeerd als “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” en “getest”, en ii) de categorieën volgens welke bosbouwkundig teeltmateriaal van de verschillende soorten uitgangsmateriaal in de handel mag worden gebracht.
(48)Om een flexibelere aanpak voor de lidstaten mogelijk te maken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorwaarden voor het tijdelijk toestaan van het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal dat niet aan alle vereisten van de desbetreffende categorie voldoet.
(49)Met het oog op de aanpassing aan de technische en wetenschappelijke ontwikkelingen moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorschriften waaraan partijen vruchten en zaden van de onder deze verordening vallende soorten alsmede planten of plantendelen van de onder deze verordening vallende soorten en kunstmatige hybriden daarvan moeten voldoen, en met betrekking tot externe kwaliteitsnormen voor door middel van houtstekken of poten vermeerderde Populus spp. waaraan moet worden voldaan door plantgoed van de onder deze verordening vallende soorten en kunstmatige hybriden daarvan alsmede plantgoed dat in de handel wordt gebracht aan eindgebruikers in gebieden met een mediterraan klimaat.
(50)Met het oog op aanpassing aan de digitale strategie van de Unie en de technische ontwikkelingen op het gebied van de digitalisering van diensten moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de vaststelling van regels voor de digitale registratie van alle maatregelen die door de professionele exploitant en de bevoegde autoriteiten worden genomen met het oog op de afgifte van het basiscertificaat, en met betrekking tot de oprichting van een gecentraliseerd platform dat alle lidstaten en de Commissie verbindt.
(51)Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden van die gedelegeerde handelingen tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die de gedelegeerde handelingen voorbereiden.
(52)Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend met betrekking tot de vaststelling van specifieke voorwaarden wat de vereisten en de inhoud van de kennisgeving van het uitgangsmateriaal betreft.
(53)Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen en de herkenbaarheid en het gebruik van basiscertificaten te vergemakkelijken, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend met betrekking tot de vaststelling van de inhoud en het model voor het basiscertificaat van de identiteit voor bosbouwkundig teeltmateriaal dat afkomstig is van zaadbronnen en opstanden, van zaadgaarden of van ouderplanten van families, en van van klonen en mengsels van klonen afgeleid bosbouwkundig teeltmateriaal.
(54)Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen en te zorgen voor een geharmoniseerd kader voor de etikettering van en verstrekking van informatie over bosbouwkundig teeltmateriaal, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend met betrekking tot de vaststelling van de inhoud van het officiële etiket, de aanvullende informatie in het geval van zaden en kleine hoeveelheden zaden, de kleur van het etiket voor specifieke categorieën of andere soorten bosbouwkundig teeltmateriaal, en aanvullende informatie in het geval van specifieke geslachten of soorten.
(55)Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen en met het oog op de aanpassing aan de ontwikkelingen met betrekking tot de digitalisering van de sector bosbouwkundig teeltmateriaal, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend met betrekking tot het vaststellen van de technische regelingen voor de afgifte van elektronische basiscertificaten.
(56)Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen en dringende voorzieningsproblemen in verband met bosbouwkundig teeltmateriaal aan te pakken, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend met betrekking tot de tijdelijke goedkeuring voor het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal van een of meer soorten die aan minder strenge eisen voldoen dan die welke in deze verordening voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal zijn vastgesteld.
(57)Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend met betrekking tot de organisatie van tijdelijke experimenten om betere alternatieven voor de bepalingen van deze verordening te vinden wat betreft de beoordeling en goedkeuring van uitgangsmateriaal en de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal.
(58)Om de consistentie van de voorschriften inzake bosbouwkundig teeltmateriaal met de fytosanitaire wetgeving van de Unie te verbeteren, moeten de artikelen 36, 37, 40, 41, 49, 53 en 54 van Verordening (EU) 2016/2031 van toepassing zijn op de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal krachtens deze verordening. Om te zorgen voor consistentie met de voorschriften van Verordening (EU) 2016/2031 inzake plantenpaspoorten, moet worden toegestaan het officiële etiket voor bosbouwkundig teeltmateriaal met het plantenpaspoort te combineren.
(59)Verordening (EU) 2017/625 moet worden gewijzigd om in het toepassingsgebied ervan voorschriften inzake officiële controles met betrekking tot bosbouwkundig teeltmateriaal op te nemen. Dit moet zorgen voor consistentere officiële controles en handhaving van de regels inzake bosbouwkundig teeltmateriaal in de lidstaten, en voor consistentie met andere handelingen van de Unie betreffende de officiële controles van planten, met name Verordening (EU) 2016/2031 en Verordening (EU).../... van het Europees Parlement en de Raad.
(60)De Verordeningen (EU) 2016/2031 en (EU) 2017/625 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.
(61)Omwille van de juridische duidelijkheid en transparantie moet Richtlijn 1999/105/EG worden ingetrokken.
(62)Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk het waarborgen van een geharmoniseerde aanpak ten aanzien van de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de gevolgen, de complexiteit en het internationale karakter ervan, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken. In dit verband en voor zover nodig worden afwijkingen of specifieke vereisten ingevoerd voor bepaalde soorten bosbouwkundig teeltmateriaal en professionele exploitanten.
(63)Gezien de tijd en middelen die de bevoegde autoriteiten en de betrokken professionele exploitanten nodig hebben om zich aan de nieuwe voorschriften van deze verordening aan te passen, moet deze verordening van toepassing zijn met ingang van... [3 years from the date of entry into force of this Regulation],
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Voorwerp
In deze verordening worden voorschriften vastgesteld betreffende de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal, en met name voorschriften voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal, de oorsprong en traceerbaarheid van dat uitgangsmateriaal, de categorieën bosbouwkundig teeltmateriaal, voorschriften voor de identiteit en kwaliteit van bosbouwkundig teeltmateriaal, certificering, etikettering, verpakking, invoer, professionele exploitanten, de registratie van uitgangsmateriaal en de nationale noodplannen.
Artikel 2
Toepassingsgebied
1.Deze verordening is van toepassing op bosbouwkundig teeltmateriaal van de in bijlage I vermelde boomsoorten en kunstmatige hybriden daarvan.
2.Deze verordening heeft de volgende doelstellingen:
a)het waarborgen van de productie en het in de handel brengen van hoogwaardig bosbouwkundig teeltmateriaal in de Unie en van de werking van de interne markt voor bosbouwkundig teeltmateriaal;
b)helpen veerkrachtige bossen te creëren, de biodiversiteit in stand te houden en bosecosystemen te herstellen;
c)het ondersteunen van de productie van hout en biomaterialen, de aanpassing aan de klimaatverandering, de mitigatie van de klimaatverandering en de instandhouding en het duurzame gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw.
3.De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de lijst in bijlage I, zoals gespecificeerd in lid 3, rekening houdend met:
a)de verplaatsing van vegetatiezones en de verspreidingsgebieden van boomsoorten als gevolg van de klimaatverandering;
b)alle ontwikkelingen van de technische of wetenschappelijke kennis.
In die gedelegeerde handelingen worden soorten en kunstmatige hybriden toegevoegd aan de lijst in bijlage I indien die soorten en kunstmatige hybriden aan ten minste een van de volgende elementen voldoen:
a)zij vertegenwoordigen een aanzienlijk gebied en een aanzienlijke economische waarde van de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal in de Unie;
b)zij worden in ten minste twee lidstaten in de handel gebracht;
c)zij worden belangrijk geacht vanwege hun bijdrage aan de aanpassing aan de klimaatverandering, en
d)zij worden belangrijk geacht vanwege hun bijdrage aan het behoud van de biodiversiteit.
Bij de in de eerste alinea bedoelde gedelegeerde handelingen worden soorten en kunstmatige hybriden van de lijst in bijlage I geschrapt indien zij niet langer aan een van de in de eerste alinea genoemde elementen voldoen.
4.Deze verordening is niet van toepassing op:
a)plantaardig teeltmateriaal als bedoeld in artikel 2 van Verordening (EU).../... [Office of Publications, please insert reference to Regulation on production and marketing of plant reproductive material];
b)teeltmateriaal van siergewassen als gedefinieerd in artikel 2 van Richtlijn 98/56/EG;
c)bosbouwkundig teeltmateriaal dat wordt geproduceerd voor uitvoer naar derde landen;
d)bosbouwkundig teeltmateriaal dat wordt gebruikt voor officiële tests, wetenschappelijke doeleinden of veredelingsactiviteiten.
Artikel 3
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1)“bosbouwkundig teeltmateriaal”: kegels, vruchtgestellen, vruchten en zaden bestemd voor de productie van plantgoed, die behoren tot de in bijlage I bij deze verordening vermelde boomsoorten en kunstmatige hybriden daarvan en die worden gebruikt voor bebossing, herbebossing en andere boomaanplant voor een van de volgende doeleinden:
a)productie van hout en biomaterialen;
b)behoud van de biodiversiteit;
c)herstel van bosecosystemen;
d)aanpassing aan de klimaatverandering;
e)mitigatie van de klimaatverandering;
f)instandhouding en duurzaam gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw;
2)“bebossing”: het aanleggen van bossen door het aanplanten en/of doelbewust zaaien op land dat tot dan toe onder een ander landgebruik viel, hetgeen een omzetting van landgebruik van niet-bos tot bos inhoudt;
3)“herbebossing”: het opnieuw aanleggen van bos door het aanplanten en/of doelbewust zaaien op land dat wordt aangemerkt als bos;
4)“zaadeenheid”: kegels, vruchtgestellen, vruchten en zaden bestemd voor de productie van plantgoed;
5)“plantgoed”: elke plant of elk plantendeel die of dat wordt gebruikt bij plantvermeerdering en bestaat uit planten die zijn geteeld uit zaadeenheden, plantendelen of uit natuurlijke zaailingen geteelde planten;
6)“plantendelen”: houtstekken, blad- en wortelstekken, explantaten of embryo’s voor microvermeerdering, knoppen, afleggers, wortels, enten, poten en andere plantendelen die voor de productie van plantgoed bestemd zijn;
7)“productie”: alle stadia van het voortbrengen van het zaad en de planten, de omzetting van zaadeenheid naar zaad en de teelt van planten uit plantgoed, met het oog op het in de handel brengen van het respectieve bosbouwkundige teeltmateriaal;
8)“zaadbron”: de bomen binnen een gebied waar zaad wordt verzameld;
9)“opstand”: een afgebakende, wat samenstelling betreft voldoende uniforme populatie bomen;
10)“zaadgaarde”: een aanplant van geselecteerde bomen, waarbij elke boom wordt geïdentificeerd aan de hand van een kloon, familie of herkomst, die wordt geïsoleerd of beheerd teneinde bestuiving door externe stuifmeelbronnen te voorkomen of te beperken en die wordt beheerd om veelvuldige, overvloedige en gemakkelijke zaadoogsten te verkrijgen;
11)“ouderplanten van families”: bomen die ter verkrijging van nakomelingschap als ouderplanten worden gebruikt door gecontroleerde of vrije bestuiving van één geïdentificeerde, als moederplant fungerende ouderplant met het stuifmeel van één vaderplant (“full-sib”-nakomelingschap) respectievelijk van een aantal al dan niet geïdentificeerde vaderplanten (“half-sib”-nakomelingschap);
12)“kloon”: een groep individuen (ramets) die door vegetatieve vermeerdering, bijvoorbeeld door stekken, microvermeerdering, enten, afleggen of delen, van één oorspronkelijke uitgangsplant (ortet) zijn afgeleid;
13)“mengsel van klonen”: een mengsel van geïdentificeerde klonen in bepaalde verhoudingen;
14)“uitgangsmateriaal”: een zaadbron, opstand, zaadgaarde, ouderplanten van families, klonen of mengsels van klonen;
15)“goedgekeurde eenheid”: het volledige gebied van uitgangsmateriaal voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal waarvoor door de bevoegde autoriteiten goedkeuring is verleend;
16)“eenheid van kennisgeving”: het volledige gebied van uitgangsmateriaal voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat bestemd is voor de instandhouding en het duurzame gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw waarvan bij de bevoegde autoriteiten kennisgeving is gedaan;
17)“partij zaden”: een verzameling zaden die uit goedgekeurd uitgangsmateriaal zijn verzameld en op eenvormige wijze zijn verwerkt;
18)“partij planten”: een geheel van plantgoed dat is geteeld uit één enkele zaadpartij of een vegetatief vermeerderd plantgoed dat in een afgebakend gebied is gekweekt en op eenvormige wijze is verwerkt;
19)“partijnummer”: het identificatienummer van de partij zaden of planten, naar gelang van het geval;
20)“herkomst”: de groeiplaats van een opstand;
21)“ondersoort”: een groep binnen een soort die fenotypisch en genetisch enigszins verschilt van de rest van de groep;
22)“herkomstgebied” van een soort of ondersoort: het gebied of de groep gebieden waar voldoende uniforme ecologische omstandigheden heersen en waar opstanden of zaadbronnen met soortgelijke fenotypische of genetische kenmerken worden aangetroffen, zo nodig rekening houdend met de hoogtegrenzen;
23)“autochtone opstand”: een opstand van inheemse boomsoorten die ofwel door natuurlijke regeneratie ofwel kunstmatig continu is vernieuwd met behulp van bosbouwkundig teeltmateriaal dat in dezelfde opstand of opstanden van inheemse boomsoorten in de nabije omgeving is verzameld;
24)“inheemse opstand”: een autochtone opstand of een opstand die kunstmatig is gekweekt uit zaad waarvan de oorsprong zich in hetzelfde herkomstgebied bevindt als de opstand zelf;
25)“oorsprong”:
a)voor een autochtone zaadbron of opstand, de plaats waar de bomen groeien;
b)voor een niet-autochtone zaadbron of opstand, de plaats van waar de zaden of planten oorspronkelijk zijn binnengebracht;
c)voor een zaadgaarde, de plaatsen waar de componenten zich oorspronkelijk bevonden, zoals de herkomsten of andere relevante geografische informatie;
d)voor de ouderplanten van families, de plaatsen waar de componenten ervan zich oorspronkelijk bevonden, zoals de herkomsten of andere relevante geografische informatie;
e)voor een kloon, de plaats waar het ortet zich bevindt of oorspronkelijk bevond of waar het is geselecteerd;
f)voor een mengsel van klonen, de plaatsen waar de ortets zich bevinden of oorspronkelijk bevonden of waar ze zijn geselecteerd;
26)“locatie van het uitgangsmateriaal”: het geografische gebied of de geografische positie(s) van het uitgangsmateriaal, naargelang het geval voor elke categorie bosbouwkundig teeltmateriaal;
27)“productieplaats van klonen of mengsels van klonen of ouderplanten van families”: de plaats of exacte geografische positie waar het bosbouwkundig teeltmateriaal is geproduceerd;
28)“basismateriaal”: een plant, groep planten, bosbouwkundig teeltmateriaal, DNA-materiaal of genetische informatie van de kloon, of klonen in geval van een mengsel van klonen, die of dat dient als referentiemateriaal voor de controle van de identiteit van de kloon of klonen;
29)“poot”: een houtstek zonder wortels;
30)“in de handel brengen”: de volgende handelingen die door een professionele exploitant worden uitgevoerd: het al dan niet tegen betaling verkopen, voor verkoopdoeleinden of enige andere vorm van overdracht in bezit hebben of aanbieden of in de Unie verspreiden of invoeren van bosbouwkundig teeltmateriaal;
31)“professionele exploitant”: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die zich beroepshalve bezighoudt met één of meer van de volgende activiteiten:
a)het produceren, waaronder telen, vermenigvuldigen en onderhouden van bosbouwkundig teeltmateriaal;
b)het in de handel brengen van het bosbouwkundig teeltmateriaal;
c)de opslag, verzameling, verzending en verwerking van het bosbouwkundig teeltmateriaal;
32)“bevoegde autoriteit”: de centrale of regionale autoriteit van een lidstaat of, indien van toepassing, de overeenkomstige autoriteit van een derde land, die verantwoordelijk is voor de organisatie van officiële controles, de registratie van uitgangsmateriaal, de certificering van bosbouwkundig teeltmateriaal en andere officiële activiteiten met betrekking tot de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal, of elke andere autoriteit waaraan die verantwoordelijkheid is opgedragen, overeenkomstig de wetgeving van de Unie;
33)“van bekende origine”: een categorie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal bestaande uit een binnen één herkomstgebied gelegen zaadbron of opstand, en dat aan de eisen van bijlage II voldoet;
34)“geselecteerd”: een categorie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal, bestaande uit een binnen één enkel herkomstgebied gelegen opstand, dat op populatieniveau aan fenotypische selectie is onderworpen en dat aan de eisen van bijlage III voldoet;
35)“gekeurd”: een categorie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal, bestaande uit zaadgaarden, ouderplanten van families, klonen of mengsels van klonen, waarvan de componenten individueel aan fenotypische selectie zijn onderworpen en die aan de eisen van bijlage IV voldoen;
36)“getest”: een categorie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal, bestaande uit opstanden, zaadgaarden, ouderplanten van families, klonen of mengsels van klonen, die aan de eisen van bijlage V voldoen;
37)“officiële certificering”: certificering van geselecteerd, gekeurd en getest bosbouwkundig teeltmateriaal van bekende origine, indien alle relevante inspecties en, in voorkomend geval, bemonstering en tests door de bevoegde autoriteit zijn uitgevoerd en is geconcludeerd dat het bosbouwkundig teeltmateriaal voldoet aan de desbetreffende voorschriften van deze verordening;
38)“categorie”: bosbouwkundig teeltmateriaal dat als materiaal van bekende origine of als geselecteerd, gekeurd of getest materiaal kan worden beschouwd;
39)“genetisch gemodificeerd organisme”: een genetisch gemodificeerd organisme zoals omschreven in artikel 2, punt 2, van Richtlijn 2001/18/EG, met uitzondering van organismen die zijn verkregen door middel van de genetische modificatietechnieken opgesomd in bijlage I B van Richtlijn 2001/18/EG;
40)“NGT-plant”: planten die zijn verkregen met bepaalde nieuwe genomische technieken zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 2, van Verordening (EU) [Office of Publications, please insert reference to Regulation on plants obtained by certain new genomic techniques and their food and feed] van het Europees Parlement en de Raad;
41)“zones voor de overdracht van zaad”: een gebied en/of hoogtegebieden die door de bevoegde autoriteiten zijn aangewezen voor de verplaatsing van bosbouwkundig teeltmateriaal dat tot de categorieën “van bekende origine” en “geselecteerd” behoort, naargelang van het geval rekening houdend met de oorsprong en herkomst van het bosbouwkundig teeltmateriaal, herkomstproeven, de omgevingsomstandigheden en prognoses voor klimaatverandering in de toekomst;
42)“inzetgebied voor zaadgaarden”: het door de bevoegde autoriteiten aangewezen gebied waar bosbouwkundig teeltmateriaal dat tot de categorieën “gekeurd” en “getest” behoort, is aangepast aan de klimatologische en ecologische omstandigheden van dat gebied, naargelang van het geval rekening houdend met de locatie van de zaadgaarden en de componenten ervan, de resultaten van herkomst- en nakomelingenproeven, de omgevingsomstandigheden en prognoses voor klimaatverandering in de toekomst;
43)“inzetgebied voor klonen en mengsels van klonen”: het door de bevoegde autoriteiten aangewezen gebied waar bosbouwkundig teeltmateriaal dat tot de categorieën “gekeurd” en “getest” behoort, is aangepast aan de klimatologische en ecologische omstandigheden van dat gebied, naargelang van het geval rekening houdend met de oorsprong of herkomst van de kloon of klonen, de resultaten van herkomst- en nakomelingenproeven, de omgevingsomstandigheden en prognoses voor klimaatverandering in de toekomst;
44)“Forematis”: het informatiesysteem voor bosbouwkundig teeltmateriaal van de Commissie;
45)“natuurlijke regeneratie”: de vernieuwing van een bos door bomen die groeien uit zaden die ter plaatse zijn gevallen en gekiemd;
46)“kwaliteitsorganismen”: plaagorganismen die aan alle volgende voorwaarden voldoen:
a)zij zijn geen EU-quarantaineorganismen, ZP-quarantaineorganismen of gereglementeerde niet-quarantaineorganismen in de zin van Verordening (EU) 2016/2031, noch plaagorganismen die onder de krachtens artikel 30, lid 1, van die verordening getroffen maatregelen vallen;
b)zij komen voor tijdens de productie of opslag van bosbouwkundig teeltmateriaal, en
c)hun aanwezigheid heeft een onaanvaardbaar negatief effect op de kwaliteit van het bosbouwkundig teeltmateriaal en een onaanvaardbaar economisch effect wat betreft het gebruik van dat teeltmateriaal in de Unie;
47)“nagenoeg vrij van plaagorganismen”: volledig vrij van plaagorganismen of een situatie waarin de aanwezigheid van kwaliteitsorganismen op het desbetreffende bosbouwkundig teeltmateriaal zo gering is dat die plaagorganismen geen negatief effect hebben op de kwaliteit van dat teeltmateriaal.
HOOFDSTUK II
UITGANGSMATERIAAL EN DAARVAN AFGELEID BOWSBOUWKUNDIG TEELTMATERIAAL
Artikel 4
Goedkeuring van uitgangsmateriaal voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal
1.Voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal mag alleen door de bevoegde autoriteiten goedgekeurd uitgangsmateriaal worden gebruikt.
2.Uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat als “van bekende origine” moet worden gecertificeerd, wordt goedgekeurd indien het voldoet aan de voorschriften van bijlage II.
Uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat als “geselecteerd” moet worden gecertificeerd, wordt goedgekeurd indien het voldoet aan de voorschriften van bijlage III.
Uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat als “gekeurd” moet worden gecertificeerd, wordt goedgekeurd indien het voldoet aan de voorschriften van bijlage IV.
Uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat als “getest” moet worden gecertificeerd, wordt goedgekeurd indien het voldoet aan de voorschriften van bijlage V.
De beoordeling van de in de bijlagen II tot en met V vastgestelde voorschriften voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal kan naast visuele inspecties, documentencontroles, tests en analysen of andere aanvullende methoden, ook het gebruik van biomoleculaire technieken omvatten, indien deze met het oog op de goedkeuring geschikter worden geacht.
Om rekening te houden met de klimatologische en ecologische omstandigheden wordt het uitgangsmateriaal voor alle categorieën beoordeeld op de in de bijlagen II tot en met V vermelde duurzaamheidskenmerken.
De goedkeuring van het uitgangsmateriaal wordt uitgevoerd onder verwijzing naar de goedgekeurde eenheid.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen II, III, IV en V wat betreft de voorschriften voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal bestemd voor de productie van:
a)bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “van bekende origine”, en met name de voorschriften inzake de typen uitgangsmateriaal, de effectieve populatieomvang, de oorsprong en het gebied van herkomst, en duurzaamheidskenmerken;
b)bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “geselecteerd”, en met name de voorschriften inzake oorsprong, isolatie, effectieve populatieomvang, leeftijd en ontwikkelingsstadium, uniformiteit, duurzaamheidskenmerken, houtmassaproductie, houtkwaliteit en groeivorm of habitus;
c)bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “gekeurd”, en met name de voorschriften inzake boomgaarden, ouderplanten van families, klonen en mengsels van klonen;
d)bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “getest”, en met name de voorschriften inzake te onderzoeken eigenschappen, documentatie, opzet van de tests, analyse en geldigheid van de tests, genetische evaluatie van de componenten van het uitgangsmateriaal, vergelijkende tests van bosbouwkundig teeltmateriaal, voorlopige goedkeuring en verkennende tests;
e)bosbouwkundig teeltmateriaal overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad.
Bij die wijzigingen worden de regels voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal aangepast aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis en de ontwikkeling van de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed en van andere toepasselijke internationale normen.
3.Alleen goedgekeurd uitgangsmateriaal wordt overeenkomstig artikel 12 in de vorm van een goedgekeurde eenheid in het nationale register opgenomen. Iedere goedgekeurde eenheid wordt met een uniek registratienummer in een nationaal register geïdentificeerd.
4.De goedkeuring van uitgangsmateriaal wordt ingetrokken indien niet langer aan de voorschriften van deze verordening wordt voldaan.
5.Het uitgangsmateriaal dat is bestemd voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorieën “geselecteerd”, “gekeurd” en “getest”, wordt na de goedkeuring op regelmatige tijdstippen opnieuw onderzocht.
6.De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen II, III, IV en V, met het oog op de aanpassing daarvan aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis, in het bijzonder wat het gebruik van biomoleculaire technieken betreft, en van toepasselijke internationale normen.
Artikel 5
Voorschriften voor het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van goedgekeurd uitgangsmateriaal
1.Bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van goedgekeurd uitgangsmateriaal wordt overeenkomstig de volgende voorschriften in de handel gebracht:
a)bosbouwkundig teeltmateriaal van de in bijlage I vermelde soorten mag alleen in de handel worden gebracht als het behoort tot de categorieën “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” of “getest” en is afgeleid van uitgangsmateriaal dat overeenkomstig artikel 4 is goedgekeurd en dat voldoet aan de voorschriften van respectievelijk de bijlagen II, III, IV en V;
b)bosbouwkundig teeltmateriaal van de in bijlage I vermelde kunstmatige hybriden mag alleen in de handel worden gebracht als het behoort tot de categorieën “geselecteerd”, “gekeurd” of “getest” en is afgeleid van uitgangsmateriaal dat overeenkomstig artikel 4 is goedgekeurd en dat voldoet aan de voorschriften van respectievelijk de bijlagen III, IV en V;
c)bosbouwkundig teeltmateriaal van de in bijlage I vermelde boomsoorten en kunstmatige hybriden die vegetatief worden vermeerderd, mag alleen in de handel worden gebracht als:
i)het behoort tot de categorieën “geselecteerd”, “gekeurd” of “getest”, en
ii)het is afgeleid van uitgangsmateriaal dat overeenkomstig artikel 4 is goedgekeurd en voldoet aan de voorschriften van respectievelijk de bijlagen III, IV en V;
iii)bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “geselecteerd” mag alleen in de handel worden gebracht als het massaal uit zaad is geteeld;
d)bosbouwkundig teeltmateriaal van de in bijlage I vermelde boomsoorten en kunstmatige hybriden, dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit genetisch gemodificeerde organismen, mag alleen in de handel worden gebracht als:
i)het behoort tot de categorie “getest”, en
ii)het is afgeleid van uitgangsmateriaal dat overeenkomstig artikel 4 is goedgekeurd en voldoet aan de voorschriften van bijlage V, en
iii)het overeenkomstig artikel 19 van Richtlijn 2001/18/EG of de artikelen 7 en 19 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 of, in voorkomend geval, in de respectieve lidstaat overeenkomstig artikel 26 ter van Richtlijn 2001/18/EG is toegelaten voor teelt in de Unie;
e)bosbouwkundig teeltmateriaal van de in bijlage I vermelde boomsoorten en kunstmatige hybriden dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit een NGT-plant van categorie 1 zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 7, van Verordening (EU).../... (Office of Publications, please insert reference to NGT Regulation...), mag alleen in de handel worden gebracht indien:
i)het behoort tot de categorie “getest”, en
ii)het is afgeleid van uitgangsmateriaal dat overeenkomstig artikel 4 is goedgekeurd en voldoet aan de voorschriften van bijlage V, en
iii)de plant overeenkomstig artikel 6 of 7 van Verordening (EU).../... (Office of Publications, please insert reference to NGT Regulation...) een verklaring betreffende de status van NGT-plant van categorie 1 heeft verkregen of nakomeling is van een dergelijk plant;
f)bosbouwkundig teeltmateriaal van de in bijlage I vermelde boomsoorten en kunstmatige hybriden mag alleen in de handel worden gebracht als het vergezeld gaat van een verwijzing naar het nummer van het basiscertificaat;
g)het voldoet aan de artikelen 36, 37, 40, 41, 42, 49, 53 en 54 van Verordening (EU) 2016/2031 betreffende EU-quarantaineorganismen, ZP-quarantaineorganismen, gereglementeerde niet-quarantaineorganismen en plaagorganismen waarop de maatregelen uit hoofde van artikel 30 van die verordening van toepassing zijn;
h)in het geval van zaden mag bosbouwkundig teeltmateriaal van de in bijlage I vermelde boomsoorten en kunstmatige hybriden alleen in de handel worden gebracht indien, naast de naleving van de punten a) tot en met g), informatie beschikbaar is over:
i)de zuiverheid;
ii)het kiempercentage van het zuivere zaad;
iii)het duizendkorrelgewicht van het zuivere zaad;
iv)het aantal kiemkrachtige zaden per kilogram als zaad in de handel gebracht product, of, indien het aantal kiemkrachtige zaden niet of niet gemakkelijk kan worden bepaald, het aantal levensvatbare zaden per kilogram.
2.De categorieën waarin bosbouwkundig teeltmateriaal, verkregen uit de diverse typen uitgangsmateriaal, in de handel mag worden gebracht, zijn die van de tabel in bijlage VI.
3.De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26, lid 2, gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de tabel in bijlage VI met betrekking tot de categorieën waaronder bosbouwkundig teeltmateriaal van de verschillende soorten uitgangsmateriaal in de handel mag worden gebracht.
Daarbij worden die categorieën aangepast aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis en van de relevante internationale normen.
Artikel 6
Voorschriften voor bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw
Bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal waarop de afwijking van artikel 18 van toepassing is, mag in de handel worden gebracht indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a)bosbouwkundig teeltmateriaal van de in bijlage I vermelde soorten mag alleen in de handel worden gebracht als het behoort tot de categorie “van bekende origine”;
b)de oorsprong van het bosbouwkundig teeltmateriaal is van nature aangepast aan de lokale en regionale omstandigheden, en
c)het bosbouwkundig teeltmateriaal is verzameld van alle exemplaren van het uitgangsmateriaal waarvan kennisgeving is gedaan.
Artikel 7
Tijdelijke vergunning voor het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal dat niet aan de categorievereisten voldoet
1.Na de vaststelling van de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handeling kunnen de bevoegde autoriteiten een tijdelijke vergunning verlenen voor het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van goedgekeurd uitgangsmateriaal dat niet aan alle voorschriften betreffende de passende categorie zoals bedoeld in artikel 5, lid 1, voldoet.
De bevoegde autoriteiten van de desbetreffende lidstaat stellen de Commissie en de andere lidstaten in kennis van die tijdelijke vergunningen en van de redenen voor het verlenen ervan.
2.De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van dit artikel door de voorwaarden vast te stellen voor het verlenen van de tijdelijke vergunning aan de desbetreffende lidstaat.
Deze voorwaarden omvatten:
a)de rechtvaardiging van het verlenen van die vergunning om de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening te waarborgen;
b)de maximale duur van de vergunning;
c)verplichtingen met betrekking tot officiële controles van de professionele exploitanten die die vergunning aanvragen;
d)de vorm en inhoud van de in lid 1 bedoelde kennisgeving.
Artikel 8
Bijzondere voorschriften voor bepaalde soorten, categorieën en typen bosbouwkundig teeltmateriaal
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling, waar nodig, van deze verordening wat betreft de voorschriften voor elk type, elke soort of elke categorie bosbouwkundig teeltmateriaal:
a)met betrekking tot partijen vruchten en zaden van de in bijlage I vermelde soorten, wat de soortzuiverheid betreft;
b)met betrekking tot delen van planten van de in bijlage I vermelde soorten en kunstmatige hybriden, wat de kwaliteit in verband met de algemene eigenschappen, gezondheidstoestand en omvang betreft;
c)voor de normen voor de uitwendige kwaliteit van door middel van houtstekken of poten vermeerderde Populus spp., wat gebreken en minimumafmetingen voor houtstekken en poten betreft;
d)met betrekking tot plantgoed van de in bijlage I vermelde soorten en kunstmatige hybriden, wat de kwaliteit in verband met de algemene eigenschappen, gezondheidstoestand, vitaliteit en fysiologische kwaliteit betreft;
e)met betrekking tot plantgoed dat bestemd is te worden verhandeld aan gebruikers in gebieden met een mediterraan klimaat, wat gebreken, omvang en leeftijd van de planten en, in voorkomend geval, omvang van de recipiënt betreft.
Die gedelegeerde handeling is gebaseerd op de ervaring die is opgedaan bij de toepassing van de voorschriften naargelang van elk type, elke soort of elke categorie bosbouwkundig teeltmateriaal wat betreft de bepalingen inzake inspecties, bemonstering en tests, en isolatieafstanden. Zij past die voorschriften aan op basis van de ontwikkeling van de respectieve internationale normen, de technische en wetenschappelijke ontwikkelingen of de klimatologische en ecologische ontwikkelingen.
Artikel 9
Noodplan en nationaal register
1.Elke lidstaat stelt een of meer noodplannen op om te zorgen voor een toereikende levering van bosbouwkundig teeltmateriaal voor de herbebossing van gebieden die zijn getroffen door extreme weersomstandigheden, bosbranden, uitbraken van ziekten en plagen, rampen of andere gebeurtenissen, voor zover deze relevant zijn en geïdentificeerd zijn in de nationale risicobeoordelingen die overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Besluit 1313/2013/EU zijn ontwikkeld.
Dat noodplan wordt opgesteld voor de in bijlage I vermelde boomsoorten en kunstmatige hybriden daarvan die geschikt worden geacht voor de huidige en voorspelde klimatologische en ecologische omstandigheden van de betrokken lidstaat.
In het noodplan wordt rekening gehouden met de voorspelde toekomstige verspreiding van de desbetreffende boomsoorten en kunstmatige hybriden daarvan, op basis van nationale en/of regionale simulatiemodellen voor klimaatverandering voor de betrokken lidstaat.
2.De lidstaten raadplegen in een passend stadium alle betrokken belanghebbenden bij het opstellen en actualiseren van de noodplannen.
3.Elk noodplan bevat informatie betreffende:
a)de taken en verantwoordelijkheden van de instanties die betrokken zijn bij de uitvoering van het noodplan bij elke gebeurtenis die een ernstig tekort aan bosbouwkundig teeltmateriaal tot gevolg heeft, alsmede de hiërarchische opbouw en de procedures voor de coördinatie van de maatregelen die worden genomen door de bevoegde autoriteiten, andere openbare autoriteiten, gemachtigde instanties of betrokken natuurlijke personen, laboratoria en professionele exploitanten, in voorkomend geval met inbegrip van de coördinatie met aangrenzende lidstaten en aangrenzende derde landen;
b)toegang van de bevoegde autoriteiten tot voorraden bosbouwkundig teeltmateriaal die in stand zijn gehouden met het oog op noodplanning, bedrijfsruimten van professionele exploitanten, met name boskwekerijen en laboratoria die bosbouwkundig teeltmateriaal produceren, andere relevante exploitanten en natuurlijke personen;
c)de toegang van bevoegde autoriteiten, indien nodig, tot uitrusting, personeel, externe expertise en middelen die nodig zijn voor de snelle en doeltreffende activering van het noodplan;
d)maatregelen met betrekking tot het verstrekken van informatie aan de Commissie, de overige lidstaten, de betrokken professionele exploitanten en het publiek over het ernstige tekort aan bosbouwkundig teeltmateriaal en de maatregelen ter verhelping van het tekort indien een ernstig tekort aan bosbouwkundig teeltmateriaal officieel wordt bevestigd of wordt vermoed;
e)de regelingen voor het registreren van bevindingen over ernstige tekorten aan bosbouwkundig teelmateriaal;
f)de beschikbare beoordelingen van de lidstaat met betrekking tot het risico op een ernstig tekort aan bosbouwkundig teeltmateriaal voor zijn grondgebied en de mogelijke gevolgen daarvan voor de gezondheid van mensen, dieren en planten, en voor het milieu;
g)beginselen voor de geografische afbakening van het gebied of de gebieden waar zich een ernstig tekort aan bosbouwkundig teeltmateriaal heeft voorgedaan;
h)de beginselen inzake de opleiding van het personeel van de bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, de instanties, openbare autoriteiten, laboratoria, professionele exploitanten en andere personen zoals bedoeld in punt a).
De lidstaten evalueren hun noodplannen regelmatig en actualiseren deze waar nodig, om rekening te houden met de technische en wetenschappelijke ontwikkelingen met betrekking tot simulatiemodellen voor klimaatverandering met het oog op de voorspelde toekomstige verspreiding van de desbetreffende boomsoorten en kunstmatige hybriden daarvan.
4.De lidstaten zetten een nationaal register op dat:
a)de in bijlage I vermelde boomsoorten en kunstmatige hybriden bevat die relevant zijn voor de huidige klimatologische en ecologische omstandigheden van de betrokken lidstaat;
b)rekening houdt met de verwachte toekomstige verspreiding van die boomsoorten en kunstmatige hybriden daarvan.
Binnen vier jaar na de datum van oprichting van de nationale registers stellen de lidstaten noodplannen op voor de soorten en kunstmatige hybriden die in hun registers zijn opgenomen.
5.De lidstaten werken met elkaar en met alle relevante belanghebbenden samen bij de opstelling van hun noodplannen, op basis van een uitwisseling van beste praktijken en ervaringen die bij de ontwikkeling van die plannen zijn opgedaan.
6.De lidstaten stellen hun noodplannen door middel van bekendmaking in Forematis ter beschikking van de Commissie, de andere lidstaten en alle relevante professionele exploitanten.
HOOFDSTUK III
REGISTRATIE VAN PROFESSIONELE EXPLOITANTEN EN UITGANGSMATERIAAL, EN AFBAKENING VAN DE HERKOMSTGEBIEDEN
Artikel 10
Verplichtingen voor professionele exploitanten
1.Professionele exploitanten zijn overeenkomstig artikel 65 van Verordening (EU) 2016/2031 ingeschreven in een register zoals bedoeld in artikel 66 van die verordening.
Zij zijn gevestigd in de Unie.
2.Professionele exploitanten stellen alle nodige informatie over de geschiktheid van hun bosbouwkundig teeltmateriaal voor de huidige en verwachte toekomstige klimatologische en ecologische omstandigheden, ter beschikking van de gebruikers van dat teeltmateriaal. Voorafgaand aan de overdracht van het desbetreffende teeltmateriaal wordt die informatie via websites, plantersgidsen en andere passende middelen aan de potentiële koper verstrekt.
Artikel 11
Afbakening van herkomstgebieden voor bepaalde categorieën
Voor de desbetreffende soorten uitgangsmateriaal dat voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorieën “van bekende origine” en “geselecteerd” is bestemd, bakenen de lidstaten de herkomstgebieden af.
De bevoegde autoriteiten stellen kaarten op die zij op hun website publiceren, waarop de afbakening van de herkomstgebieden is aangegeven. Zij stellen die kaarten via Forematis ter beschikking van de Commissie en de andere lidstaten.
Artikel 12
Nationaal register en nationale lijsten van uitgangsmateriaal
1.Elke lidstaat zorgt voor de opstelling, bekendmaking en actualisering van een nationaal register, in elektronische vorm, van het uitgangsmateriaal van de verschillende soorten die overeenkomstig de artikelen 4 en 19 op zijn grondgebied zijn goedgekeurd en waarvan overeenkomstig artikel 18 kennis is gegeven.
Dat register bevat alle gegevens van elke goedgekeurde eenheid uitgangsmateriaal, samen met het unieke registratienummer.
In afwijking van artikel 4 registreren de bevoegde autoriteiten het uitgangsmateriaal dat vóór... [OJ, please, insert the date of the of this Regulation] was opgenomen in hun respectieve nationale registers zoals bedoeld in artikel 10, lid 1, van Richtlijn 1999/105/EG, onmiddellijk in hun nationale registers, zonder de registratieprocedure van dat artikel toe te passen.
2.Elke lidstaat zorgt voor de opstelling, bekenmaking en actualisering van een nationale lijst van uitgangsmateriaal, die als samenvatting van het nationale register wordt gepresenteerd. Elke lidstaat stelt die lijst via Forematis ter beschikking van de Commissie en de andere lidstaten.
3.De lidstaten stellen de nationale lijst op volgens een gemeenschappelijk model voor elke goedgekeurde eenheid van uitgangsmateriaal. Voor de categorieën “van bekende origine” en “geselecteerd” mag deze slechts een beknopte beschrijving van het uitgangsmateriaal bevatten, op basis van de herkomstgebieden.
De nationale plannen moeten met name de volgende gegevens bevatten:
a)de botanische naam;
b)de categorie;
c)het uitgangsmateriaal:
d)de vermelding in het register of, in voorkomend geval, de samenvatting dan wel de individuele code van het herkomstgebied;
e)de locatie van het uitgangsmateriaal; in voorkomend geval een bondige aanduiding, en de volgende bijzonderheden:
i)voor de categorie “van bekende origine”: het herkomstgebied en het geografische lengte-, breedte- en hoogte-interval;
ii)voor de categorie “geselecteerd”: het herkomstgebied en de geografische ligging ervan, zoals bepaald door de lengte-, breedte- en hoogtecoördinaat of door het lengte-, breedte- en hoogte-interval;
iii)voor de categorie “gekeurd”: de exacte geografische ligging van de plaats(en) waar het uitgangsmateriaal wordt gehouden, zoals bepaald door de lengte-, breedte- en hoogtecoördinaat;
iv)voor de categorie “getest”: de exacte geografische ligging van de plaats(en) waar het uitgangsmateriaal wordt gehouden, zoals bepaald door de lengte-, breedte- en hoogtecoördinaat;
f)oppervlakte: de omvang van de zaadbron(nen), opstand(en) of zaadgaarde(n);
g)oorsprong:
i)vermelding of het uitgangsmateriaal al dan niet autochtoon/inheems is, dan wel of de oorsprong ervan onbekend is;
ii)bij niet-autochtoon/niet-inheems uitgangsmateriaal, een vermelding van de oorsprong, indien bekend;
h)doel van het gebruik van het bosbouwkundig teeltmateriaal;
i)voor bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “getest”: een vermelding of het teeltmateriaal:
i)genetisch gemodificeerd is, of
ii)een NGT-plant is;
j)voor de categorieën “gekeurd’ en “getest”: informatie over de plaats van productie van de kloon of het mengsel van klonen, indien van toepassing.
Artikel 13
Unielijst van goedgekeurd uitgangsmateriaal
1.Op basis van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 12 verstrekte nationale lijsten kan de Commissie een lijst publiceren, met als titel: “Unielijst van goedgekeurd uitgangsmateriaal voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal”.
Die lijst wordt in elektronische vorm beschikbaar gesteld via Forematis.
2.De lijst bevat de gegevens van de in artikel 12, lid 1, bedoelde nationale lijsten en geeft het gebruiksgebied aan.
HOOFDSTUK IV
BASISCERTIFICAAT, ETIKETTERING EN VERPAKKING
Artikel 14
Basiscertificaat van identiteit
1.De bevoegde autoriteiten geven, op aanvraag van een professionele exploitant, na het oogsten van het bosbouwkundig teeltmateriaal van goedgekeurd uitgangsmateriaal, voor al het geoogste bosbouwkundig teeltmateriaal een basiscertificaat van identiteit af met het unieke registratienummer van het uitgangsmateriaal.
In het basiscertificaat wordt bevestigd dat aan de eisen van artikel 4, lid 2, is voldaan.
De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling de inhoud en het model voor het basiscertificaat van identiteit voor bosbouwkundig teeltmateriaal vast:
a)model van het basiscertificaat voor bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van zaadbronnen en opstanden;
b)model van het basiscertificaat voor bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van zaadgaarden of ouderplanten of families, en
c)model van het basiscertificaat voor bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van klonen en mengsels van klonen.
Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
2.Wanneer een lidstaat overeenkomstig artikel 15, lid 2, maatregelen neemt met betrekking tot verdere vegetatieve vermeerdering, wordt een nieuw basiscertificaat afgegeven.
3.Wanneer overeenkomstig artikel 15, lid 3, menging plaatsvindt, dragen de lidstaten er zorg voor dat de registervermeldingen van de componenten van het mengsel identificeerbaar blijven, en wordt voor het mengsel een nieuw basiscertificaat of een ander document ter identificatie van het mengsel afgegeven.
4.Wanneer een partij als bedoeld in artikel 15, lid 1, wordt onderverdeeld in kleinere partijen die niet uniform worden verwerkt en vervolgens vegetatief worden vermeerderd, wordt een nieuw basiscertificaat afgegeven waarin het vorige referentienummer van het basiscertificaat wordt vermeld.
5.Een basiscertificaat kan ook in elektronische vorm worden afgegeven (“elektronisch basiscertificaat”).
De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen technische regelingen bepalen voor de afgifte van elektronische basiscertificaten, om ervoor te zorgen dat zij voldoen aan dit artikel en om een passende, geloofwaardige en doeltreffende procedure voor de afgifte van die elektronische basiscertificaten te verzekeren. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
6.De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen die dit artikel aanvullen door het vastleggen van voorschriften inzake:
a)de digitale registratie van alle maatregelen die de professionele exploitant en de bevoegde autoriteiten hebben genomen bij het afgeven van het basiscertificaat, en
b)de oprichting van een gecentraliseerd platform dat alle lidstaten en de Commissie met elkaar verbindt, om de verwerking van, de toegang tot en het gebruik van die geregistreerde gegevens te vergemakkelijken.
Artikel 15
Partijen
1.Het bosbouwkundig teeltmateriaal wordt in alle stadia van de productie gescheiden gehouden naar individuele goedgekeurde eenheden van het uitgangsmateriaal om te waarborgen dat het bosbouwkundig teeltmateriaal kan worden herleid tot het goedgekeurde uitgangsmateriaal waarvan het is geoogst. Het bosbouwkundig teeltmateriaal wordt geoogst van die afzonderlijke goedgekeurde eenheden en in de handel gebracht in partijen die voldoende homogeen zijn en als verschillend van andere partijen bosbouwkundig teeltmateriaal zijn geïdentificeerd.
Iedere partij bosbouwkundig teeltmateriaal wordt geïdentificeerd aan de hand van:
a)het partijnummer;
b)de code en het nummer van het basiscertificaat;
c)de botanische naam;
d)de categorie bosbouwkundig teeltmateriaal;
e)het uitgangsmateriaal:
f)de vermelding in het register of de individuele code van het herkomstgebied;
g)het herkomstgebied voor bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorieën “van bekende origine” en “geselecteerd” en, indien passend, voor ander bosbouwkundig teeltmateriaal;
h)zo nodig, de vermelding of de oorsprong van het uitgangsmateriaal autochtoon/inheems dan wel niet-autochtoon/niet-inheems is, dan wel of de oorsprong ervan onbekend is;
i)in het geval van zaadeenheden, het rijpingsjaar;
j)de leeftijd en het type van het uit zaailingen of stekken bestaande plantgoed en de vermelding of het afgepende, verspeende of in een container verpakte exemplaren betreft;
k)voor de categorie “getest”, of het bosbouwkundig teeltmateriaal:
i)genetisch gemodificeerd is,
ii)een NGT-plant is.
2.Onverminderd lid 1 van dit artikel en artikel 5, lid 1, punt c), houden de lidstaten bosbouwkundig teeltmateriaal dat later verder zal worden vermeerderd, gescheiden en duiden zij het als zodanig aan. Dergelijk bosbouwkundig teeltmateriaal is geoogst uit één enkele goedgekeurde eenheid van de categorieën “geselecteerd”, “gekeurd” en “getest”. In dergelijke gevallen behoort het geproduceerde bosbouwkundig teeltmateriaal tot dezelfde categorie als het oorspronkelijke bosbouwkundig teeltmateriaal.
3.Onverminderd lid 1 gelden voor het mengen van bosbouwkundig teeltmateriaal de volgende voorwaarden, naargelang het geval:
a)binnen de categorieën “van bekende origine” of “geselecteerd” is menging van toepassing op teeltmateriaal dat afkomstig is van twee of meer goedgekeurde eenheden binnen één enkel gebied van herkomst;
b)in geval van menging van bosbouwkundig teeltmateriaal binnen één enkel herkomstgebied dat verkregen is uit zaadbronnen en opstanden van de categorie “van bekende origine”, wordt de nieuwe gecombineerde partij gecertificeerd als “teeltmateriaal afgeleid van een zaadbron”;
c)in geval van menging van bosbouwkundig teeltmateriaal dat van niet-autochtoon of van niet-inheems uitgangsmateriaal is afgeleid, met teeltmateriaal dat uit uitgangsmateriaal van onbekende oorsprong is verkregen, wordt de nieuwe gecombineerde partij als “van onbekende oorsprong” gecertificeerd;
d)in geval van menging van bosbouwkundig teeltmateriaal dat in verschillende rijpingsjaren van één enkele goedgekeurde eenheid is afgeleid, worden de werkelijke rijpingsjaren en het relatieve aandeel van het bosbouwkundig teeltmateriaal van elk jaar geregistreerd.
In geval van menging overeenkomstig lid 1, punten a), b) of c), mag de identiteitscode van het herkomstgebied worden vervangen door de in lid 1, punt f), bedoelde vermelding in het register.
Artikel 16
Officieel etiket
1.De bevoegde autoriteit geeft voor elke partij bosbouwkundig teeltmateriaal een officieel etiket af waaruit blijkt dat dat bosbouwkundig teeltmateriaal voldoet aan de in artikel 5 bedoelde eisen.
2.De bevoegde autoriteiten staan de professionele exploitant toe het officiële etiket af te drukken nadat de bevoegde autoriteit heeft bevestigd dat dat bosbouwkundig teeltmateriaal aan de in artikel 5 bedoelde eisen voldoet. De professionele exploitant wordt toegestaan dat etiket af te drukken indien de bevoegde autoriteit op basis van een audit tot de conclusie is gekomen dat de exploitant over de infrastructuur en middelen beschikt om het officiële etiket af te drukken.
3.De bevoegde autoriteit voert regelmatig controles uit om na te gaan of de professionele exploitant voldoet aan de in lid 2 bedoelde eisen.
Indien de bevoegde autoriteit na het verlenen van de in lid 2 bedoelde toestemming vaststelt dat een professionele exploitant niet aan de in dat lid bedoelde eisen voldoet, trekt zij de toestemming onverwijld in of wijzigt zij deze, naargelang van het geval.
4.Naast de uit hoofde van artikel 15, lid 1, vereiste informatie bevat het officiële etiket alle volgende informatie:
a)de nummers van de overeenkomstig artikel 14 afgegeven basiscertificaten of een verwijzing naar het in artikel 14, lid 3, bedoelde andere document ter identificatie van het mengsel;
b)de naam van de professionele exploitant;
c)de geleverde hoeveelheid;
d)in het geval van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “getest” waarvan het uitgangsmateriaal krachtens artikel 4 is goedgekeurd, de woorden: “voorlopig goedgekeurd”;
e)of het bosbouwkundig teeltmateriaal vegetatief vermeerderd is.
5.De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de volgende elementen van het officiële etiket vaststellen:
a)de inhoud van het officiële etiket;
b)aanvullende informatie in het geval van zaad en kleine hoeveelheden zaad;
c)de kleur van het etiket voor specifieke categorieën of andere soorten bosbouwkundig teeltmateriaal;
d)aanvullende informatie in het geval van specifieke geslachten of soorten.
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
6.Een officieel etiket kan ook in elektronische vorm worden afgegeven (“elektronisch officieel etiket”).
De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen technische regelingen bepalen voor de afgifte van elektronische officiële etiketten, om ervoor te zorgen dat zij voldoen aan dit artikel en om een passende, geloofwaardige en doeltreffende procedure voor de afgifte van die officiële etiketten te verzekeren. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
7.De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen die dit artikel aanvullen door het vastleggen van voorschriften inzake:
a)de digitale registratie van alle maatregelen die de professionele exploitanten en de bevoegde autoriteiten hebben genomen bij het afgeven van de officiële etiketten;
b)de oprichting van een gecentraliseerd platform dat de lidstaten en de Commissie met elkaar verbindt, om de verwerking van, de toegang tot en het gebruik van die geregistreerde gegevens te vergemakkelijken.
Artikel 17
Verpakkingen van zaadeenheden
Zaadeenheden mogen alleen in de handel worden gebracht in verzegelde verpakkingen die na het openen ervan onbruikbaar worden.
HOOFDSTUK V
AFWIJKINGEN VAN ARTIKEL 4
Artikel 18
Afwijking van de goedkeuringsverplichting voor uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw
1.In afwijking van artikel 4, leden 1 en 2, is de registratie in het nationale register van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw niet onderworpen aan goedkeuring door de bevoegde autoriteiten.
2.Elke professionele exploitant die uitgangsmateriaal registreert dat is bestemd voor de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw, stelt de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat daarvan in kennis.
3.De kennisgeving van uitgangsmateriaal aan de bevoegde autoriteiten als bedoeld in lid 1 gebeurt volgens het formaat van Forematis.
De kennisgeving van het uitgangsmateriaal gebeurt onder verwijzing naar de eenheid van kennisgeving.
Iedere eenheid van kennisgeving wordt met een uniek registratienummer in een nationaal register geïdentificeerd.
Die kennisgeving bevat de volgende informatie:
a)de botanische naam;
b)de categorie;
c)het uitgangsmateriaal:
d)de vermelding in het register of, in voorkomend geval, de samenvatting dan wel de individuele code van het herkomstgebied;
e)de locatie: een korte naam, indien van toepassing, het herkomstgebied en het lengte-, breedte- en hoogte-interval;
f)oppervlakte: de omvang van de zaadbronnen of opstanden;
g)oorsprong: vermelding of het uitgangsmateriaal al dan niet autochtoon/inheems is, dan wel of de oorsprong ervan onbekend is. Bij niet-autochtoon/niet-inheems uitgangsmateriaal, een vermelding van de oorsprong, indien bekend;
h)de beoogde toepassing: instandhouding en duurzaam gebruik van genetische hulpbronnen.
4.De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de specifieke voorwaarden met betrekking tot de vereisten en de inhoud van die kennisgeving vaststellen. Bij de vaststelling van die uitvoeringshandelingen wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van toepasselijke internationale normen en wordt de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure gevolgd.
Artikel 19
Goedkeuring door professionele exploitanten van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “van bekende origine”
In afwijking van artikel 4, leden 1 en 2, mogen de lidstaten professionele exploitanten toestaan om, voor bepaalde soorten, uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “van bekende origine” goed te keuren indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a)het gebied van herkomst waar het uitgangsmateriaal zich bevindt, is onderhevig aan extreme weersomstandigheden, en
b)die weersomstandigheden hebben gevolgen voor de voortplantingscyclus van het uitgangsmateriaal en verlagen de frequentie van het oogsten van bosbouwkundig teeltmateriaal uit dat uitgangsmateriaal.
De toestemming van de lidstaten moet door de Commissie worden goedgekeurd.
Artikel 20
Voorlopige goedkeuring van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “getest”
In afwijking van artikel 4, lid 2, mogen de lidstaten voor een periode van ten hoogste tien jaar op hun gehele grondgebied of op een gedeelte daarvan de goedkeuring van uitgangsmateriaal voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “getest” toestaan indien op basis van de voorlopige resultaten van de in bijlage V bedoelde genetische waardebepaling of vergelijkende tests mag worden verondersteld dat dat uitgangsmateriaal, wanneer de tests zullen zijn voltooid, aan de toelatingseisen van deze verordening zal voldoen.
Artikel 21
Tijdelijke moeilijkheden bij de levering
1.Om tijdelijke moeilijkheden bij de algemene voorziening met bosbouwkundig teeltmateriaal in een of meer lidstaten te overwinnen, kan de Commissie, op verzoek van ten minste één getroffen lidstaat, de lidstaten tijdelijk toestaan om door middel van een uitvoeringshandeling toestemming te verlenen voor het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal van een of meer soorten die zijn afgeleid van uitgangsmateriaal dat aan minder strenge eisen voldoet dan die van artikel 4, leden 1 en 2.
2.Wanneer de Commissie handelt overeenkomstig lid 1, wordt op het overeenkomstig artikel 16, lid 1, afgegeven officiële etiket vermeld dat het desbetreffende bosbouwkundig teeltmateriaal is afgeleid van uitgangsmateriaal dat aan minder strenge eisen voldoet dan die van artikel 4, leden 1 en 2.
3.De in lid 1 bedoelde uitvoeringshandeling wordt overeenkomstig de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 22
Tijdelijke experimenten om voor de bepalingen van deze verordening betere alternatieven te vinden
1.In afwijking van de artikelen 1, 4 en 5 kan de Commissie besluiten om door middel van uitvoeringshandelingen tijdelijke experimenten te organiseren om betere alternatieven voor de bepalingen van deze verordening te vinden met betrekking tot de soorten of kunstmatige hybriden waarop zij van toepassing is, de voorschriften voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal en de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal.
Deze experimenten kunnen de vorm aannemen van technische of wetenschappelijke proeven waarbij de haalbaarheid en geschiktheid van nieuwe eisen ten opzichte van die van de artikelen 1, 4 en 5 van deze verordening worden onderzocht.
2.De in lid 1 bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld en hebben betrekking op een van de volgende elementen:
a)de betrokken soorten of kunstmatige hybriden;
b)de omstandigheden van de experimenten per soort of kunstmatige hybride;
c)de duur van het experiment;
d)de monitoring- en rapportageverplichtingen van de deelnemende lidstaten.
In de handelingen wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van:
a)de methoden voor het bepalen van de oorsprong van het uitgangsmateriaal, met inbegrip van het gebruik van biomoleculaire technieken;
b)de methoden voor de instandhouding en het duurzame gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw, rekening houdend met de toepasselijke internationale normen;
c)de methoden voor reproductie en productie, met inbegrip van het gebruik van innovatieve productieprocessen;
d)de methoden voor het ontwerpen van kruisingsschema’s van componenten van uitgangsmateriaal;
e)de methoden voor de beoordeling van de kenmerken van uitgangsmateriaal en bosbouwkundig teeltmateriaal;
f)de methoden voor de controle van het desbetreffende bosbouwkundig teeltmateriaal.
Die handelingen worden aangepast aan de ontwikkeling van de productietechnieken voor het desbetreffende bosbouwkundig teeltmateriaal en gebaseerd op eventuele vergelijkende proeven en tests die door de lidstaten worden uitgevoerd.
3.De Commissie evalueert de resultaten van deze experimenten en vat ze samen in een verslag, waarbij zij zo nodig aangeeft dat de artikelen 1, 4 of 5 moeten worden gewijzigd.
Artikel 23
Toestemming om strengere eisen vast te stellen
1.In afwijking van artikel 4 kan de Commissie de lidstaten door middel van uitvoeringshandelingen toestemming verlenen om, wat betreft de voorschriften voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal en de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal, op het gehele grondgebied of een deel van het grondgebied van de betrokken lidstaat strengere voorschriften vast te stellen dan de voorschriften van dat artikel. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
2.Met het oog op de in lid 1 bedoelde toestemming dienen de lidstaten bij de Commissie een verzoek in met:
a)de ontwerpbepalingen die de voorgestelde voorschriften bevatten;
b)een motivering van de noodzaak en de evenredigheid van die voorschriften.
3.De in lid 1 bedoelde toestemming wordt uitsluitend verleend als aan alle van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a)de gevraagde maatregelen waarborgen ten minste een van de volgende doelen:
i)de verbetering van de kwaliteit van het desbetreffende bosbouwkundig teeltmateriaal;
ii)de bescherming van het milieu: aanpassing aan de klimaatverandering of de bijdrage aan de bescherming van de biodiversiteit, herstel van bosecosystemen;
b)de gevraagde maatregelen zijn noodzakelijk en staan in verhouding tot hun doelstelling overeenkomstig punt a), en
c)de maatregelen zijn gerechtvaardigd op grond van de specifieke klimatologische en ecologische omstandigheden in de betrokken lidstaat.
4.Indien de lidstaten aanvullende of strengere eisen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 1999/105/EG, herzien de betrokken lidstaten die maatregelen uiterlijk op... [one year after the date of application of this Regulation] en trekken zij die maatregelen in of wijzigen zij die maatregelen om aan deze verordening te voldoen.
De lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten daarvan in kennis.
HOOFDSTUK VI
INVOER VAN BOSBOUWKUNDIG TEELTMATERIAAL
Artikel 24
Invoer op grond van EU-gelijkwaardigheid
1.Bosbouwkundig teeltmateriaal mag alleen uit derde landen in de Unie worden ingevoerd indien overeenkomstig lid 2 is vastgesteld dat het voldoet aan voorschriften die gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op in de Unie geproduceerd en in de handel gebracht bosbouwkundig teeltmateriaal.
2.De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen besluiten of in een derde land geproduceerd bosbouwkundig teeltmateriaal van specifieke geslachten, soorten of categorieën voldoet aan voorschriften die gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op in de Unie geproduceerd en in de handel gebracht bosbouwkundig teeltmateriaal, op basis van al het volgende:
a)een grondig onderzoek van de door het betrokken derde land verstrekte informatie en gegevens, en
b)een bevredigend resultaat van een door de Commissie in het betrokken derde land uitgevoerde audit, indien de Commissie die audit noodzakelijk acht;
c)de deelname van dat derde land aan de OESO-regeling voor de certificering van bosbouwkundig teeltmateriaal in de internationale handel.
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
3.Bij de vaststelling van de in lid 1 bedoelde besluiten gaat de Commissie na of de in het betrokken derde land toegepaste systemen voor de goedkeuring en registratie van uitgangsmateriaal en de daaropvolgende productie van bosbouwkundig teeltmateriaal uit dat uitgangsmateriaal dezelfde garanties bieden als die waarin de artikelen 4, 5 en, indien van toepassing, artikel 11 voorzien voor de categorieën “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” en “getest”.
Artikel 25
Kennisgeving en certificaten van ingevoerd bosbouwkundig teeltmateriaal
1.De professionele exploitanten die bosbouwkundig teeltmateriaal in de Unie invoeren, stellen de desbetreffende bevoegde autoriteit vooraf van die invoer in kennis via het in artikel 131 van Verordening (EU) 2017/625 bedoelde informatiemanagementsysteem voor officiële controles (Imsoc).
2.Ingevoerd bosbouwkundig teeltmateriaal gaat vergezeld van al het volgende:
a)een door het derde land van oorsprong afgegeven basiscertificaat of ander officieel certificaat;
b)een officieel etiket, en
c)door de professionele exploitant in dat derde land verstrekte gegevens over dat bosbouwkundig teeltmateriaal.
3.Na de in lid 1 bedoelde invoer vervangt de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat:
a)het in lid 2, punt a), bedoelde basiscertificaat of officieel certificaat door een nieuw basiscertificaat dat in de betrokken lidstaat is afgegeven, en
b)het in lid 2, punt b), bedoelde officiële etiket door een nieuw officieel etiket dat in de betrokken lidstaat is afgegeven.
HOOFDSTUK VII
PROCEDUREBEPALINGEN
Artikel 26
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1.De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.De in de artikel 2, lid 2, artikel 4, leden 2 en 6, artikel 5, lid 3, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 1, artikel 14, lid 6, en artikel 16, lid 7, bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van … [date of entry into force of this Regulation]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
3.Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 2, lid 2, artikel 4, leden 2 en 6, artikel 5, lid 3, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 1, artikel 14, lid 6, en artikel 16, lid 7, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5.Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6.Een overeenkomstig artikel 2, lid 2, artikel 4, leden 2 en 6, artikel 5, lid 3, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 1, artikel 14, lid 6, en artikel 16, lid 7, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 27
Comitéprocedure
1.De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders ingesteld bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad
. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011
.
2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Wanneer het advies van het comité via een schriftelijke procedure moet worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd indien, binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies, de voorzitter van het comité daartoe besluit of een eenvoudige meerderheid van de leden van het comité daarom verzoekt.
3.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, in samenhang met artikel 5 daarvan, van toepassing.
HOOFDSTUK VIII
Verslaglegging, sancties en wijzigingen van de Verordeningen (EU) 2016/2031 en (EU) 2017/625
Artikel 28
Verslaglegging
Uiterlijk op... [Office of Publications, please insert date of 5 years after the date of application of this Regulation], en vervolgens om de vijf jaar, dienen de lidstaten bij de Commissie een verslag in over het volgende:
a)de hoeveelheden gecertificeerd bosbouwkundig teeltmateriaal per jaar;
b)het aantal vastgestelde nationale noodplannen ter voorbereiding op problemen met de levering van bosbouwkundig teeltmateriaal en de tijd die nodig is om die noodplannen te activeren;
c)het aantal websites en/of nationale plantersgidsen met informatie over de vraag waar het bosbouwkundig teeltmateriaal het beste kan worden geplant;
d)hoeveelheden bosbouwkundig teeltmateriaal per geslacht en soort die in het kader van de Unie-gelijkwaardigheid uit derde landen zijn ingevoerd;
e)eventuele krachtens artikel 29 opgelegde sancties.
De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de technische formaten voor het in lid 1 van dit artikel bedoelde verslag vast. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 29
Sancties
1.De lidstaten stellen regels vast voor doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening en nemen alle noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden toegepast. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld van die voorschriften en maatregelen alsook van alle latere wijzigingen daarvan in kennis.
2.De lidstaten zorgen ervoor dat de financiële sancties die van toepassing zijn op schendingen van deze verordening, begaan door middel van frauduleuze of bedrieglijke praktijken, in overeenstemming met het nationale recht ten minste, ofwel het economisch gewin voor de professionele exploitant weerspiegelen, ofwel, waar passend, een percentage van zijn omzet.
Artikel 30
Wijziging van Verordening (EU) 2016/2031
Verordening (EU) 2016/2031 wordt als volgt gewijzigd:
1)Artikel 37, lid 4, wordt vervangen door:
“4.De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling, waar passend, maatregelen vast om de aanwezigheid van door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen op de betrokken voor opplant bestemde planten, als bedoeld in artikel 36, punt f), van deze verordening te voorkomen. Die maatregelen betreffen, in voorkomend geval, het binnenbrengen in en het verkeer binnen de Unie van die planten.”.
2)Aan artikel 83 wordt het volgende lid toegevoegd:
“5 bisIn het geval van voor opplant bestemde planten die zijn geproduceerd of op de markt worden aangeboden als behorende tot de categorieën “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” of “getest”, zoals bedoeld in Verordening (EU).../... * +, wordt het plantenpaspoort afzonderlijk opgenomen in het officiële etiket, dat wordt geproduceerd overeenkomstig de betrokken bepalingen van die verordening.
Indien dit lid van toepassing is,
a)bevat het plantenpaspoort voor het verkeer binnen het grondgebied van de Unie de in de delen E en F van bijlage VII beschreven gegevens;
b)bevat het plantenpaspoort voor het binnenbrengen in en het verkeer binnen een beschermd gebied bevat de in deel H van bijlage VII beschreven gegevens.”.
______________________
*Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad van ... ... (PB...).”.
+OJ: Please insert in the text the number of this Regulation and institutions and insert the number, date, title and OJ reference of this Regulation in the footnote.
3)Bijlage VII wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage VII bij deze verordening.
Artikel 31
Wijziging van Verordening (EU) 2017/625
Verordening (EU) 2017/625 wordt als volgt gewijzigd:
1)Aan artikel 1, lid 2, wordt het volgende punt toegevoegd:
“l)productie en in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal.”.
2)Aan artikel 3 wordt het volgende punt toegevoegd:
52.“bosbouwkundig teeltmateriaal”: materiaal zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Verordening (EU).../... van... * +
______________________
*Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad van ... ... (PB...).”.
+OJ: Please insert in the text the number of this Regulation and institutions and insert the number, date, title and OJ reference of this Regulation in the footnote.
3)Na artikel 22 bis wordt het volgende artikel ingevoegd:
“Artikel 22 ter
Specifieke regels voor officiële controles en voor de acties die de bevoegde autoriteiten ondernemen in verband met bosbouwkundig teeltmateriaal
1.Officiële controles om naleving van de in artikel 1, lid 2, punt l), bedoelde regels te verifiëren, omvatten officiële controles op de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal en op exploitanten die aan deze regels zijn onderworpen.
2.De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 144 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast te stellen met regels voor de uitvoering van officiële controles op bosbouwkundig teeltmateriaal, om te controleren of de in artikel 1, lid 2, punt l), bedoelde regelgeving van de Unie die op die goederen van toepassing is, wordt nageleefd, en ter uitvoering van de acties die de bevoegde autoriteiten naar aanleiding van de uitvoering van die officiële controles moeten ondernemen.
Die gedelegeerde handelingen bevatten regels betreffende:
a)specifieke voorschriften voor de uitvoering van dergelijke officiële controles op de productie en het in de handel brengen binnen de Unie van bepaald bosbouwkundig teeltmateriaal waarop de in artikel 1, lid 2, punt l), bedoelde regels van toepassing zijn, om te reageren op niet-naleving van de regelgeving van de Unie inzake bosbouwkundig teeltmateriaal van een bepaalde oorsprong of herkomst;
b)specifieke voorschriften voor de uitvoering van dergelijke officiële controles van de activiteiten van professionele exploitanten in verband met de productie van bepaald bosbouwkundig teeltmateriaal waarop de in artikel 1, lid 2, punt l), bedoelde regels van toepassing zijn, om te reageren op niet-naleving van de regelgeving van de Unie inzake bosbouwkundig teeltmateriaal van een bepaalde oorsprong of herkomst, en
c)de gevallen waarin de bevoegde autoriteiten een of meer maatregelen als bedoeld in artikel 137, lid 2, en artikel 138, lid 2, moeten nemen in verband met specifieke gevallen van niet-naleving.
3.De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen regels vast betreffende eenvormige praktische regelingen voor de uitvoering van officiële controles op bosbouwkundig teeltmateriaal, teneinde de naleving te verifiëren van de in artikel 1, lid 2, punt l), bedoelde regels van de Unie die op die goederen van toepassing zijn, en ter uitvoering van de acties die de bevoegde autoriteiten naar aanleiding van die officiële controles ondernemen inzake:
a)eenvormige minimale frequentie van die officiële controles, waarbij een minimumniveau van officiële controles noodzakelijk is teneinde erkende eenvormige risico’s van niet-naleving met de regelgeving inzake bosbouwkundig teeltmateriaal met een bepaalde oorsprong of herkomst aan te pakken;
b)frequentie van de officiële controles die door de bevoegde autoriteiten worden uitgevoerd op exploitanten die toestemming hebben om onder officieel toezicht officiële etiketten af te geven overeenkomstig artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) .../... * +
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 145, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
______________________
*
Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad van ... ... (PB...).”.
+
OJ: Please insert in the text the number of this Regulation and institutions and insert the number, date, title and OJ reference of this Regulation in the footnote.
HOOFDSTUK IX
SLOTBEPALINGEN
Artikel 32
Intrekking van Richtlijn 1999/105/EG
Richtlijn 1999/105/EG wordt ingetrokken.
Verwijzingen naar die ingetrokken handeling gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage VIII.
Artikel 33
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van … [3 years after the date of entry into force of this Regulation].
Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel,
Voor het Europees Parlement
Voor de Raad
De voorzitter
De voorzitter