Brussel, 27.2.2023

COM(2023) 123 final

2023/0066(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité dat is ingesteld bij het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, met betrekking tot een vast te stellen besluit, te formuleren aanbevelingen en af te leggen gezamenlijke en unilaterale verklaringen


TOELICHTING

1.Onderwerp van het voorstel

De Commissie stelt voor dat de Raad het standpunt bepaalt dat namens de Unie in het Gemengd Comité dat is ingesteld bij het Akkoord over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna “het terugtrekkingsakkoord” genoemd) moet worden ingenomen over een vast te stellen besluit en over uit te brengen aanbevelingen en gezamenlijke en unilaterale verklaringen met betrekking tot het Protocol inzake Ierland en Noord-Ierland (“het protocol”).

2.Achtergrond van het voorstel

2.1.Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

In het terugtrekkingsakkoord zijn de voorwaarden bepaald voor de ordelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie en Euratom. Het terugtrekkingsakkoord is op 1 februari 2020 in werking getreden. Het protocol maakt daarvan integrerend deel uit. Met ingang van 1 januari 2021 zijn de bepalingen ervan in hun geheel van toepassing geworden.

2.2.Het Gemengd Comité

Het bij artikel 164, lid 1, van het terugtrekkingsakkoord ingestelde Gemengd Comité bestaat uit vertegenwoordigers van de Unie en van het Verenigd Koninkrijk. Het wordt gezamenlijk voorgezeten door de Unie en het Verenigd Koninkrijk. Het reglement van orde van het Gemengd Comité is vastgesteld in bijlage VIII bij het terugtrekkingsakkoord. Het Gemengd Comité komt ten minste eenmaal per jaar bijeen op verzoek van de Unie of het Verenigd Koninkrijk en stelt zijn vergaderrooster en -agenda vast in onderlinge overeenstemming.

De taken van het Gemengd Comité zijn vastgesteld in artikel 164 van het terugtrekkingsakkoord en omvatten hoofdzakelijk:

·toezicht houden op de uitvoering en toepassing van het akkoord, rechtstreeks of via de werkzaamheden van de gespecialiseerde comités die aan het Gemengd Comité rapporteren;

·besluiten en aanbevelingen vaststellen, met inbegrip van wijzigingen van de overeenkomst in de gevallen waarin daarin is voorzien;

·problemen voorkomen en geschillen oplossen die zich kunnen voordoen in verband met de uitlegging en toepassing van het akkoord.

2.3.Algemene context van de voorgestelde oplossingen

Het protocol behandelt de unieke omstandigheden op het eiland Ierland in het kader van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie. Het beoogt de noodzakelijke voorwaarden voor voortzetting van de Noord-Zuid-samenwerking te handhaven, een harde grens tussen Ierland en Noord-Ierland te vermijden en het Goedevrijdagakkoord of Akkoord van Belfast van 10 april 1998 tussen de regering van het Verenigd Koninkrijk, de regering van Ierland en de andere deelnemers aan de meerpartijenonderhandelingen (“het Akkoord van 1998”) in al zijn dimensies te beschermen, en tegelijkertijd de integriteit van de interne markt en de douane-unie van de Unie te beschermen. Daartoe zijn krachtens het protocol enkele bepalingen van het Unierecht die zijn genoemd in de bijlagen 2 tot en met 5 bij het protocol en die met name betrekking hebben op de interne markt van de Unie voor goederen en de douane-unie, belasting over de toegevoegde waarde (btw) en accijnzen, energie en staatssteun, van toepassing op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland. Deze bepalingen hebben in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland dezelfde rechtsgevolgen als in de Unie en haar lidstaten.

Sinds de inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord is een aantal kwesties in verband met de uitvoering van het protocol aan het licht gekomen. Dit heeft geleid tot een gebrek aan rechtszekerheid en voorspelbaarheid voor mensen en bedrijven in Noord-Ierland en brengt ook risico’s mee voor de integriteit van de interne markt van de Unie voor goederen en de douane-unie.

Het Verenigd Koninkrijk en de Unie hebben daarom intensief gewerkt aan gezamenlijke definitieve oplossingen voor die uitvoeringskwesties. In dat verband is duidelijk geworden dat het ook noodzakelijk was bepaalde tekortkomingen in het protocol en bij de ondertekening van het terugtrekkingsakkoord niet voorziene situaties aan te pakken. Dit heeft geleid tot een uitgebreide reeks oplossingen op verschillende gebieden. Deze oplossingen, die hieronder worden uiteengezet, zijn in het kader van het terugtrekkingsakkoord bereikt in een geest van goede trouw, waarbij terdege rekening is gehouden met de legitieme bezorgdheden van beide partijen. Zij maken deel uit van een pakket maatregelen, waaronder voorstellen voor autonome handelingen van de Unie, bijvoorbeeld inzake agrovoedingsproducten, geneesmiddelen en tariefcontingenten, die kwesties in verband met de uitvoering van het protocol definitief moeten oplossen.

Deze oplossingen zijn een antwoord op de dagelijkse problemen waarmee mensen en bedrijven in Noord-Ierland worden geconfronteerd, beschermen alle onderdelen van het Akkoord van 1998, waarborgen de integriteit van de interne markt voor goederen en de douane-unie van de Unie en stroken ook met de integrerende plaats van Noord-Ierland in de interne markt van het Verenigd Koninkrijk.

2.4.De beoogde besluiten en aanbevelingen van het Gemengd Comité en de verklaringen in het Gemengd Comité

Het Gemengd Comité kan onder meer de aan gespecialiseerde comités toevertrouwde taken veranderen en deze comités ontbinden krachtens artikel 164, lid 5, punt c), van het terugtrekkingsakkoord.

Overeenkomstig artikel 164, lid 5, punt d), van het terugtrekkingsakkoord kan het Gemengd Comité besluiten tot wijziging van het akkoord vaststellen om fouten te corrigeren, omissies of andere tekortkomingen te verhelpen, of op te treden in verband met situaties die niet waren voorzien toen het terugtrekkingsakkoord werd ondertekend, behalve in verband met de delen een, vier en zes van het akkoord en mits dergelijke besluiten geen wijzigingen inhouden van de essentiële elementen van het akkoord. De bevoegdheidsdelegatie uit hoofde van artikel 164, lid 5, punt d), is beperkt in de tijd tot het einde van het vierde jaar na het einde van de overgangsperiode, d.w.z. 31 december 2024.

Krachtens artikel 5, lid 2, van het protocol kan het Gemengd Comité zijn overeenkomstig dat lid vastgestelde besluiten te allen tijde wijzigen.

Krachtens artikel 8, vijfde alinea, van het protocol kan het Gemengd Comité de toepassing van dat artikel evalueren, rekening houdend met de integrerende plaats van Noord-Ierland in de interne markt van het Verenigd Koninkrijk, en in voorkomend geval passende maatregelen nemen.

Het beoogde besluit van het Gemengd Comité zal overeenkomstig artikel 166, lid 2, van het terugtrekkingsakkoord voor de partijen bindend zijn. Overeenkomstig regel 9 van het reglement van orde moet in besluiten van het Gemengd Comité de datum worden vermeld waarop zij van kracht worden.

Het beoogde besluit van het Gemengd Comité heeft geen betrekking op de delen een, vier en zes van het terugtrekkingsakkoord en houdt geen wijziging in van de essentiële elementen van het akkoord, zoals hieronder in de punten 3.2.1, 3.5.1 en 3.8.1 wordt uiteengezet.

Het Gemengd Comité is bevoegd om de Unie en het Verenigd Koninkrijk passende aanbevelingen te doen overeenkomstig artikel 166, lid 1, van het akkoord. De beoogde aanbevelingen moeten overeenkomstig artikel 166, lid 3, van het terugtrekkingsakkoord in onderlinge overeenstemming worden vastgesteld.

Bovendien kunnen de partijen bij het terugtrekkingsakkoord zowel gezamenlijk als unilateraal verklaringen afleggen in het bij artikel 164, lid 1, van het terugtrekkingsakkoord ingestelde Gemengd Comité.

3.Namens de Unie in te nemen standpunt

3.1.Verwijzing naar het protocol. Gezamenlijke verklaring nr. XX van de Unie en het Verenigd Koninkrijk in het Gemengd Comité

Het is passend dat de Unie en het Verenigd Koninkrijk in het Gemengd Comité een gezamenlijke verklaring afleggen dat het protocol, overeenkomstig de regelingen die zijn vervat in het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité in bijlage 1 bij dit voorstel, zoals gewijzigd bij dat besluit van het Gemengd Comité, nu het “Windsor-kader” moet worden genoemd en dat de Unie en het Verenigd Koninkrijk derhalve, waar dit relevant is in hun betrekkingen in het kader van het terugtrekkingsakkoord, overeenkomstig de vereisten van rechtszekerheid naar het gewijzigde protocol zullen verwijzen als het “Windsor-kader”, en dat zij in hun nationale wetgeving op dezelfde wijze naar het gewijzigde protocol mogen verwijzen.

3.2.Artikel 6 van het protocol

3.2.1.Wijziging van artikel 6, lid 2, van het protocol

Gelet op de specifieke omstandigheden van Noord-Ierland is het noodzakelijk en wordt derhalve voorgesteld artikel 6, lid 2, van het protocol te wijzigen om te bepalen dat de partijen alles in het werk moeten stellen om ervoor te zorgen dat de faciliteiten voor de handel tussen Noord-Ierland en andere delen van het Verenigd Koninkrijk specifieke regelingen omvatten voor het verkeer van goederen binnen de interne markt van het Verenigd Koninkrijk, in overeenstemming met de positie van Noord-Ierland als deel van het douanegebied van het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig het protocol, indien de goederen bestemd zijn voor eindverbruik of eindgebruik in Noord-Ierland en indien de nodige waarborgen voorhanden zijn om de integriteit van de interne markt en de douane-unie van de Unie te beschermen. Het beoogde besluit tot wijziging van het protocol heeft tot doel tekortkomingen en situaties aan te pakken die bij de ondertekening van het terugtrekkingsakkoord niet waren voorzien en die geen betrekking hebben op de delen een, vier en zes van het terugtrekkingsakkoord. De beoogde wijziging van artikel 6, lid 2, van het protocol is louter een verdere uitwerking van de eerste zin ervan en wijzigt dus geen essentieel element van het terugtrekkingsakkoord.

3.2.2.Aanbeveling inzake markttoezicht

Om de integriteit van de interne markt van de Unie te beschermen, wordt voorgesteld dat nauwere samenwerking op het gebied van markttoezicht en handhavingsactiviteiten tussen het Verenigd Koninkrijk en de Unie, en in voorkomend geval tussen het Verenigd Koninkrijk en de autoriteiten van de lidstaten, de specifieke regelingen van artikel 6, lid 2, van het protocol moet ondersteunen. De samenwerking kan het delen van kennis, informatie-uitwisseling, samenwerking met marktdeelnemers en gezamenlijke activiteiten omvatten.

3.2.3.Verklaring van de Unie waarin nota wordt genomen van de unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk over markttoezicht

Verwacht wordt dat het Verenigd Koninkrijk in het Gemengd Comité een unilaterale verklaring zal afleggen over de praktijk die het voornemens is in te voeren met betrekking tot markttoezicht- en handhavingsactiviteiten, in de context van de specifieke regelingen die in het kader van het protocol zijn ontwikkeld om het verkeer van goederen binnen de interne markt van het Verenigd Koninkrijk te vergemakkelijken.

De Unie moet nota nemen van de unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk, indien deze verklaring wordt afgelegd.

3.2.4.Verklaring van de Unie waarin nota wordt genomen van de unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk over onbelemmerde toegang

Verwacht wordt dat het Verenigd Koninkrijk in het Gemengd Comité een unilaterale verklaring zal afleggen waarin het de praktijk uiteenzet die het voornemens is in te voeren met betrekking tot het vervoer van goederen van Noord-Ierland naar andere delen van het Verenigd Koninkrijk.

De Unie moet nota nemen van de unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk, indien deze verklaring wordt afgelegd.

3.3.Artikel 8 van het protocol: Invoering van een versterkt coördinatiemechanisme met betrekking tot de werking van het protocol op het gebied van btw en accijnzen

Het Gemengd Comité kan onder meer de aan gespecialiseerde comités toevertrouwde taken veranderen en deze comités ontbinden krachtens artikel 164, lid 5, punt c), van het terugtrekkingsakkoord.

Overeenkomstig artikel 8, vierde alinea, van het protocol bespreekt het Gemengd Comité regelmatig de uitvoering van dat artikel, onder meer met betrekking tot de verlagingen en vrijstellingen die zijn opgenomen in de in de eerste alinea van dat artikel bedoelde bepalingen, en neemt het, in voorkomend geval en naargelang de noodzaak ervan, maatregelen voor de juiste toepassing ervan.

Krachtens artikel 8, vijfde alinea, van het protocol kan het Gemengd Comité de toepassing van dit artikel evalueren, rekening houdend met de integrerende plaats van Noord-Ierland in de interne markt van het Verenigd Koninkrijk, en in voorkomend geval passende maatregelen treffen.

Met het oog op de doeltreffendheid van artikel 8 van het protocol en in het bijzonder rekening houdend met de integrerende plaats van Noord-Ierland in de interne markt van het Verenigd Koninkrijk, moeten de Unie en het Verenigd Koninkrijk een gestructureerde evaluatie uitvoeren van eventuele problemen bij de uitvoering en de toepassing van artikel 8, waaronder met name de mogelijke gevolgen voor Noord-Ierland van toekomstige beleids- en regelgevingsinitiatieven van de Unie en het Verenigd Koninkrijk op het gebied van btw en accijnzen met betrekking tot goederen.

Daarom is het passend dat het Gemengd Comité voorziet in de organisatie van speciale vergaderingen van het Gespecialiseerd Comité voor de uitvoering van het protocol als een versterkt coördinatiemechanisme, zodat de Unie en het Verenigd Koninkrijk alle kwesties in verband met de werking van het protocol op het gebied van btw en accijnzen kunnen identificeren en bespreken, en waar nodig passende maatregelen kunnen voorstellen.

3.4.Artikel 10 van het protocol

Artikel 10, lid 1, van het protocol, gelezen in samenhang met artikel 5 van het protocol, bevat bepaalde regels van Unierecht met betrekking tot staatssteuntoezicht die van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk ten aanzien van maatregelen die van invloed zijn op de onder het protocol vallende handel tussen Noord-Ierland en de Unie. De Unie heeft 17 december 2020 in het Gemengd Comité een unilaterale verklaring afgelegd om het toepassingsgebied van artikel 10, lid 1, van het protocol te verduidelijken.

Om het toepassingsgebied van artikel 10, lid 1, van het protocol verder te verduidelijken, is het passend dat de Unie en het Verenigd Koninkrijk overeenstemming bereiken over de voorwaarden waaronder door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk verleende staatssteun binnen het toepassingsgebied van artikel 10, lid 1, van het protocol valt, met name wat een reëel en rechtstreeks verband met Noord-Ierland betreft. Het is derhalve passend dat de Unie en het Verenigd Koninkrijk daartoe in het Gemengd Comité een gezamenlijke verklaring afleggen.

3.5.Artikel 13, lid 3, van het protocol

3.5.1.Wijziging van artikel 13, lid 3, van het protocol

Het protocol bevat de regels met betrekking tot de interne markt voor goederen en de douane-unie van de Unie, btw en accijnzen, energie en staatssteun die op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland van toepassing zijn. Daartoe bevatten de bijlagen 2 tot en met 5 bij het protocol, waarnaar in artikel 5, lid 4, en artikel 8 tot en met artikel 10, lid 1, daarvan wordt verwezen, een lijst bepalingen van Unierecht die op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland van toepassing zijn. Artikel 13, lid 3, van het protocol bepaalt dat, indien in het protocol naar een handeling van de Unie wordt verwezen, die verwijzing moet worden beschouwd als verwijzing naar die handeling van de Unie, zoals gewijzigd of vervangen.

Met het oog op de aanpak van de situatie waarin een specifieke handeling van de Unie tot wijziging of vervanging van een in de bijlagen bij het protocol vermelde handeling de inhoud of het toepassingsgebied van die handeling, zoals van toepassing vóór de wijziging of vervanging ervan, ingrijpend wijzigt en waarin de toepassing in Noord-Ierland van de aldus gewijzigde of vervangen handeling van de Unie ingrijpende gevolgen zou hebben die specifiek zijn voor het dagelijks leven van de gemeenschappen in Noord-Ierland, op een wijze die waarschijnlijk zal blijven voortduren, is het passend dat een noodremmechanisme wordt ingesteld. Er is voorgesteld dit mechanisme in te stellen middels de invoeging van een nieuw lid 3 bis in artikel 13 van het protocol.

Dit mechanisme zou in zeer uitzonderlijke omstandigheden en als laatste redmiddel kunnen worden geactiveerd door 30 leden van de wetgevende vergadering in Noord-Ierland van minstens twee partijen (en uitgezonderd de Speaker en de Deputy Speakers). De beoogde unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk inzake de betrokkenheid van de instellingen van het Akkoord van 1998, die aan het besluit van het Gemengd Comité zou worden gehecht, moet de interne procedure van het Verenigd Koninkrijk beschrijven, zodat het Verenigd Koninkrijk de Unie op de hoogte kan stellen overeenkomstig het beoogde nieuwe lid 3 bis van artikel 13 van het protocol. Het mechanisme zou kunnen worden gebruikt met betrekking tot een wijziging of vervanging van bepaalde welomschreven categorieën van in het protocol genoemde handelingen (d.w.z. handelingen genoemd in titel 1, eerste streepje, en de titels 7 tot en met 47 van bijlage 2 bij het protocol, en artikel 5, lid 1, derde alinea daarvan). Nadat de kennisgeving van het Verenigd Koninkrijk aan de Unie is gedaan, zou de handeling van de Unie, zoals gewijzigd of vervangen door de specifieke handeling van de Unie, geheel of gedeeltelijk, al naargelang, niet langer op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland van toepassing zijn. De handeling van de Unie, zoals gewijzigd of vervangen door de specifieke handeling van de Unie, zou kunnen worden toegevoegd aan de desbetreffende bijlage bij het protocol overeenkomstig de procedure van artikel 13, lid 4, van dat protocol.

De beoogde wijziging van het protocol heeft tot doel tekortkomingen en situaties aan te pakken die bij de ondertekening van het terugtrekkingsakkoord niet waren voorzien en die geen betrekking hebben op de delen een, vier en zes van het terugtrekkingsakkoord.

De beoogde wijziging vormt geen wijziging van de essentiële elementen van het terugtrekkingsakkoord, gezien het volgende:

·Het beoogde nieuwe lid 3 bis van artikel 13 van het protocol bevat welbepaalde en beperkte activeringsvoorwaarden voor het Verenigd Koninkrijk om de in de eerste alinea van lid 3 bis bedoelde kennisgeving te doen. Die voorwaarden zijn gedefinieerd in de derde alinea van het beoogde nieuwe lid 3 bis van artikel 13 van het protocol (inhoud of toepassingsgebied van de handeling van de Unie, zoals gewijzigd of vervangen door een specifieke handeling van de Unie, wijkt, geheel of gedeeltelijk, aanzienlijk af van de inhoud of het toepassingsgebied van de handeling van de Unie zoals van toepassing vóór de wijziging of vervanging ervan, en de toepassing van die handeling zou aanzienlijke gevolgen hebben die specifiek zijn voor het dagelijks leven van de gemeenschappen in Noord-Ierland, op een wijze die waarschijnlijk zal blijven voortduren). Met name de voorwaarde dat de inhoud of het toepassingsgebied van de handeling van de Unie, zoals gewijzigd of vervangen door een specifieke handeling van de Unie, geheel of gedeeltelijk aanzienlijk afwijkt van de inhoud of het toepassingsgebied van de handeling van de Unie zoals van toepassing vóór de wijziging of vervanging ervan, verwijst naar een situatie waarin de handeling van de Unie, zoals gewijzigd of vervangen door een specifieke handeling van de Unie, de situatie benadert van een nieuwe handeling van de Unie die binnen het toepassingsgebied van het protocol valt, die hoe dan ook onder artikel 13, lid 4, van dat protocol valt. 

·De voorwaarden van de derde alinea van het beoogde nieuwe lid 3 bis van artikel 13 van het protocol zijn onderworpen aan geschillenbeslechting.

·Overeenkomstig punt 1 van de unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk inzake de betrokkenheid van de instellingen van het Akkoord van 1998 moet alleen in de meest uitzonderlijke omstandigheden en als laatste redmiddel, nadat alle overige mechanismen zijn aangewend, aan het Verenigd Koninkrijk door dertig leden van de wetgevende vergadering in Noord-Ierland van ten minste twee partijen kennisgeving worden gedaan van hun wens om het noodremmechanisme toe te passen.

·De naleving van elk van de voorwaarden van punt 1 van de unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk over de betrokkenheid van de instellingen van het Akkoord van 1998 is ook onderworpen aan geschillenbeslechting door de bepaling inzake goede trouw van het terugtrekkingsakkoord, en in de gezamenlijke verklaring betreffende artikel 13, lid 3 bis, erkennen de Unie en het Verenigd Koninkrijk dat een kennisgeving uit hoofde van artikel 13, lid 3 bis, van het protocol slechts te goeder trouw is gedaan in de zin van artikel 5 van het terugtrekkingsakkoord indien zij is gedaan onder elk van de voorwaarden van punt 1 van de unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk over de betrokkenheid van de instellingen van het Akkoord van 1998.

·Er wordt gezorgd voor een snelle naleving van een uitspraak van het arbitragepanel, d.w.z. wanneer kennisgeving wordt gedaan overeenkomstig het beoogde nieuwe lid 3 bis van artikel 13 van het protocol van het feit dat het Verenigd Koninkrijk niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor een dergelijke kennisgeving als bedoeld in de derde alinea van dat lid of aan zijn verplichtingen inzake goede trouw uit hoofde van artikel 5 van het terugtrekkingsakkoord, zoals uiteengezet in de punten 3.5.2 en 3.5.3 hieronder.

·Het toepassingsgebied van het beoogde nieuwe lid 3 bis van artikel 13 van het protocol is beperkt. Het kan van toepassing zijn op duidelijk omschreven delen van bijlage 2 bij het protocol en artikel 5, lid 1, derde alinea, van dat protocol.

3.5.2.Aanbeveling inzake artikel 13, lid 3 bis, van het protocol

Wanneer het Verenigd Koninkrijk kennisgeving heeft gedaan overeenkomstig het beoogde nieuwe lid 3 bis van artikel 13 van het protocol en volgens een uitspraak van een arbitragepanel niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor een dergelijke kennisgeving, is het passend dat het Gemengd Comité aanbeveelt dat die uitspraak snel wordt nageleefd.

3.5.3.Gezamenlijke verklaring betreffende artikel 13, lid 3 bis, en het ontwerp van unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk over de betrokkenheid van de instellingen bij het Akkoord van 1998

In de beoogde gezamenlijke verklaring in het Gemengd Comité erkennen de Unie en het Verenigd Koninkrijk dat de kennisgeving van het Verenigd Koninkrijk uit hoofde van het beoogde nieuwe lid 3 bis van artikel 13 van het protocol slechts in overeenstemming is met artikel 5 van het terugtrekkingsakkoord indien de kennisgeving is gedaan onder elk van de voorwaarden van punt 1 van de unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk inzake de betrokkenheid van de instellingen van het Akkoord van 1998. Het is ook passend om te verduidelijken dat wanneer het Verenigd Koninkrijk volgens een uitspraak van een arbitragepanel niet heeft voldaan aan artikel 5 van het terugtrekkingsakkoord met betrekking tot een dergelijke kennisgeving, de uitspraak van het arbitragepanel snel moet worden nageleefd.

3.6.Artikel 14 van het protocol: Gezamenlijke verklaring nr. XX van de Unie en het Verenigd Koninkrijk in het Gemengd Comité

In de beoogde gezamenlijke verklaring in het Gemengd Comité verklaren de Unie en het Verenigd Koninkrijk dat zij ten volle gebruik zullen maken van de gezamenlijke organen die bij het terugtrekkingsakkoord zijn opgericht (Gemengd Comité, gespecialiseerde comités en gemengde raadgevende werkgroep) om toezicht te houden op de uitvoering van het terugtrekkingsakkoord. In dit verband kan het Gespecialiseerd Comité voor de uitvoering van het protocol gedachtewisselingen mogelijk maken over toekomstige wetgeving van het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot goederen die voor de werking van het protocol van belang zijn. Daartoe kan het Gespecialiseerd Comité in een bijzondere samenstelling bijeenkomen, namelijk het speciale orgaan inzake goederen, om de potentiële gevolgen van die toekomstige wetgeving in Noord-Ierland te beoordelen en te anticiperen op eventuele praktische problemen en deze te bespreken. De Unie en het Verenigd Koninkrijk moeten zich er tevens toe verbinden eventuele kwesties in verband met de werking van het protocol zo goed en zo snel mogelijk op te lossen. Zij moeten daarom gebruikmaken van de gezamenlijke organen om kwesties aan te pakken die zich bij de uitvoering van het protocol kunnen voordoen en waarover op verzoek van de partijen in de gezamenlijk organen een dialoog kan worden gevoerd.

3.7.Artikel 18 van het protocol

Het Verenigd Koninkrijk zal naar verwachting in het Gemengd Comité een unilaterale verklaring afleggen over het mechanisme voor democratische instemming van artikel 18 van het Protocol inzake Noord-Ierland/Ierland. De Unie moet nota nemen van de verklaring van het Verenigd Koninkrijk, en daarbij herinneren aan de taken van het Gemengd Comité uit hoofde van artikel 164 van het terugtrekkingsakkoord, indien deze verklaring zou worden afgelegd.

3.8.Bijlage 3 bij het protocol

3.8.1.Wijziging van bijlage 3 bij het protocol

Bijlage 3 bij het protocol, waarnaar in artikel 8 van het protocol wordt verwezen, bevat de lijst van bepalingen van het Unierecht op het gebied van btw en accijnzen die van toepassing zijn op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland voor goederen. In artikel 8, vijfde alinea, van het protocol is bepaald dat het Gemengd Comité de toepassing van dat artikel kan evalueren, rekening houdend met de integrerende plaats van Noord-Ierland in de interne markt van het Verenigd Koninkrijk, en in voorkomende gevallen passende maatregelen kan vaststellen.

Gelet op de specifieke omstandigheden van Noord-Ierland, met inbegrip van de integrerende plaats ervan in de interne markt van het Verenigd Koninkrijk, moet bijlage 3 bij het protocol op bepaalde punten worden gewijzigd. Deze wijzigingen mogen geen aanleiding geven tot risico’s van belastingfraude of tot potentiële verstoring van de mededinging. De uitvoering ervan in Noord-Ierland, en met name de uitvoering van de bijzondere regeling voor afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen, mag geen risico’s met zich meebrengen voor de interne markt van de Unie en de interne markt van het Verenigd Koninkrijk en mag evenmin leiden tot onnodige lasten voor bedrijven die in Noord-Ierland actief zijn. Ter verduidelijking van het toepassingsgebied van bepaalde handelingen die reeds in bijlage 3 bij het protocol zijn opgenomen, moeten twee noten aan die bijlage worden toegevoegd,

Wat de btw betreft, hebben deze noten betrekking op de mogelijkheden voor het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland om verlaagde btw-tarieven toe te passen op goederen die door belastingplichtigen worden geleverd en geïnstalleerd in onroerende goederen die zich in Noord-Ierland bevinden, en om verlaagde btw-tarieven en vrijstellingen met recht op aftrek toe te passen op een groter aantal categorieën leveringen dan waarin Richtlijn 2006/112/EG voorziet. De bijzondere regeling voor de btw voor kleine ondernemingen, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2020/285 van de Raad, die van toepassing is met ingang van 1 januari 2025, hoeft ook niet door het Verenigd Koninkrijk te worden toegepast met betrekking tot Noord-Ierland mits de Uniedrempel voor de jaaromzet voor vrijgestelde leveringen van goederen en diensten in acht wordt genomen indien het Verenigd Koninkrijk een soortgelijke vrijstellingsregeling toepast. Ten slotte is het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland niet verplicht de bijzondere regeling voor afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen van Richtlijn 2006/112/EG toe te passen met betrekking tot afstandsverkopen van goederen uit andere delen van het Verenigd Koninkrijk naar Noord-Ierland, op voorwaarde dat de goederen zijn onderworpen aan eindverbruik in Noord-Ierland en dat in het Verenigd Koninkrijk belasting over de toegevoegde waarde is geheven.

Wat de accijnzen betreft, wordt voorgesteld alleen alcoholbelasting op te nemen in de noten. Het Verenigd Koninkrijk kan met betrekking tot Noord-Ierland een andere tariefstructuur toepassen, met inbegrip van een tapvrijstelling op alcoholhoudende dranken die voor onmiddellijke consumptie in horecagelegenheden worden verkocht, mits de minimale accijnstarieven van de EU altijd in acht worden genomen en er geen sprake is van discriminatie van producten uit de Unie. Bovendien is het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland niet verplicht de bepalingen van de Unie inzake kleine zelfstandige alcoholproducenten toe te passen, maar kan het zijn eigen nationale regeling toepassen, mits de minimumtarieven van de Unie en de jaarlijkse productiedrempels van de Unie voor kleine zelfstandige producenten in acht worden genomen en beide partijen de automatische wederzijdse erkenning van dergelijke producenten uitsluiten.

Het beoogde besluit van het Gemengd Comité voorziet ook in de mogelijkheid om in de toekomst verdere noten aan bijlage 3 bij het protocol toe te voegen, mits in die noten wordt gespecificeerd op welke wijze de in bijlage 3 vermelde handelingen van de Unie van toepassing zijn op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland. De bepalingen van het beoogde besluit tot wijziging van het protocol hebben tot doel tekortkomingen en situaties aan te pakken die bij de ondertekening van het terugtrekkingsakkoord niet waren voorzien en die geen betrekking hebben op de delen een, vier en zes van het terugtrekkingsakkoord. De beoogde wijzigingen van bijlage 3 bij het protocol, die louter de wijze specificeren waarop de in bijlage 3 vermelde handelingen van de Unie van toepassing zijn op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland en voorzien in de mogelijkheid om verdere noten van dezelfde aard toe te voegen, vormen geen wijziging van een essentieel element van het terugtrekkingsakkoord.

3.8.2.Verklaring betreffende het btw-stelsel voor goederen die geen risico vormen voor de interne markt van de Unie en betreffende de btw-regeling voor grensoverschrijdende teruggaaf

Met de beoogde gezamenlijke verklaring in het Gemengd Comité verklaren de Unie en het Verenigd Koninkrijk dat zij voornemens zijn de mogelijkheid te onderzoeken om een besluit van het Gemengd Comité vast te stellen op basis van de wijziging van bijlage 3 bij het protocol die is ingevoerd bij de bepalingen van het in afdeling 3.8.1 bedoelde besluit van het Gemengd Comité, waarin is bepaald dat de regels van de Unie inzake btw-tarieven niet van toepassing zijn op bepaalde goederen die vanwege hun aard en de voorwaarden waaronder zij worden geleverd, zijn onderworpen aan eindverbruik in Noord-Ierland en waarbij de toepassing van verschillende tarieven geen negatieve gevolgen zou hebben voor de interne markt van de Unie in de vorm van risico’s op belastingfraude of potentiële verstoring van de mededinging. De lijst moet regelmatig worden geëvalueerd en herzien.

De Unie en het Verenigd Koninkrijk zijn ook voornemens de huidige btw-regeling voor grensoverschrijdende teruggaaf op grond van de toepasselijke wetgeving van de Unie te evalueren en na te gaan of, indien nodig, een besluit van het Gemengd Comité moet worden vastgesteld waarbij eventueel nodige aanpassingen worden vastgesteld of waarbij de teruggaafregeling beperkt blijft tot de toepassing van de wetgeving van de Unie voor teruggaaf met betrekking tot derde landen. Bij die evaluatie moeten de administratieve lasten voor belastingplichtigen en de administratieve kosten voor de belastingdiensten in aanmerking worden genomen.

3.9.Artikel 5, lid 2, van het protocol: Bepaling van goederen waarvoor geen risico bestaat

3.9.1.Ter vervanging van Besluit nr. 4/2020 van het Gemengd Comité betreffende de bepaling van goederen waarvoor geen risico bestaat

In Besluit nr. 4/2020 van het Gemengd Comité van 17 december 2020 betreffende de bepaling van goederen waarvoor geen risico bestaat, zijn de criteria vastgesteld voor goederen waarvoor ervan wordt uitgegaan dat er geen risico bestaat dat zij vervolgens naar de Unie worden gebracht en zij dus overeenkomstig artikel 5, lid 1, van het protocol niet aan douanerechten van de Unie worden onderworpen. Door het beoogde besluit van het Gemengd Comité zal de groep van de marktdeelnemers die in aanmerking komen voor het vervoer van goederen waarvoor geen risico bestaat uit andere delen van het Verenigd Koninkrijk naar Noord-Ierland worden uitgebreid. Ten eerste worden in het beoogde besluit nieuwe voorwaarden vastgesteld waaronder wordt aangenomen dat goederen niet aan commerciële bewerking worden onderworpen, onder meer door een verhoging van de maximale jaaromzet van marktdeelnemers waarbij een bewerking van goederen door die marktdeelnemers niet als commerciële bewerking wordt beschouwd, ongeacht de sector waarin zij actief zijn. Ten tweede zal het marktdeelnemers die in andere delen van het Verenigd Koninkrijk zijn gevestigd, worden toegestaan zich aan te sluiten bij de regeling voor betrouwbare handelaren die ten grondslag ligt aan de regelingen voor het vervoer van goederen waarvoor geen risico bestaat.

De specifieke voorwaarden voor de verlening van vergunningen aan betrouwbare handelaren moeten nader worden omschreven, zodat sterkere waarborgen worden gekoppeld aan de douanefaciliteiten die worden geboden aan betrouwbare handelaren en vergunde vervoerders voor het vervoer van goederen waarvoor geen risico bestaat, van andere delen van het Verenigd Koninkrijk naar Noord-Ierland, en die moeten worden vastgelegd in gerichte wijzigingen van de desbetreffende handelingen van de Unie.

Het besluit van het Gemengd Comité zal ook regels bevatten om de voorwaarden vast te stellen waaronder ervan kan worden uitgegaan dat voor goederen die in pakketten uit andere delen van het Verenigd Koninkrijk naar Noord-Ierland worden verzonden, geen risico bestaat: deze pakketten moeten worden geleverd aan particulieren die in Noord-Ierland verblijven en moeten in Noord-Ierland worden binnengebracht door vergunde vervoerders die vóór de levering van het pakket aan de bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk gegevens over de artikelen in de pakketten zullen verstrekken indien het pakket wordt verzonden van een bedrijf in het Verenigd Koninkrijk naar een particulier die in Noord-Ierland verblijft.

De douanefaciliteiten voor betrouwbare handelaren en vergunde vervoerders bij het vervoer van goederen waarvoor geen risico bestaat van andere delen van het Verenigd Koninkrijk naar Noord-Ierland moeten worden vastgelegd in gerichte wijzigingen van de desbetreffende handelingen van de Unie. De belangrijkste bepalingen van het deel van het besluit van het Gemengd Comité dat betrekking heeft op het bepalen van goederen waarvoor geen risico bestaat, zullen geleidelijk in twee stappen van toepassing worden, naar aanleiding van verklaringen van de Unie waaruit blijkt dat het Verenigd Koninkrijk aan alle vereiste voorwaarden heeft voldaan en verklaringen van het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot de bereidheid van marktdeelnemers om aan de desbetreffende verplichtingen te voldoen.

3.9.2.Verklaring van de Unie waarin nota wordt genomen van de unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk betreffende de versterking van de handhavingsmaatregelen voor goederen die in pakketten uit een ander deel van het Verenigd Koninkrijk naar Noord-Ierland worden vervoerd

Verwacht wordt dat het Verenigd Koninkrijk in het Gemengd Comité een unilaterale verklaring zal afleggen waarin het de praktijk uiteenzet die het voornemens is in te voeren ter versterking van de handhavingsmaatregelen met betrekking tot goederen die in pakketten uit een ander deel van het Verenigd Koninkrijk naar Noord-Ierland worden vervoerd.

De Unie moet nota nemen van de unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk, indien deze verklaring wordt afgelegd.

4.Rechtsgrondslag

4.1.Procedurele rechtsgrondslag

4.1.1.Beginselen

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.

Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt 1 .

4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval

Het Gemengd Comité is een lichaam dat is opgericht krachtens een overeenkomst, te weten het terugtrekkingsakkoord.

De door het Gemengd Comité vast te stellen besluiten en aanbevelingen zijn handelingen met rechtsgevolgen in de zin van artikel 218, lid 9, VWEU. Het beoogde besluit zal overeenkomstig artikel 166, lid 2, van het terugtrekkingsakkoord voor de partijen bindend zijn.

De gezamenlijke verklaringen die de partijen voornemens zijn in het Gemengd Comité af te leggen, worden in onderlinge overeenstemming afgelegd. Voorts kan de Unie in het Gemengd Comité unilaterale verklaringen afleggen.

De beoogde handelingen van het Gemengd Comité strekken niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het terugtrekkingsakkoord.

De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.

4.2.Materiële rechtsgrondslag

4.2.1.Beginselen

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of hoofdcomponent, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is voor de hoofddoelstelling of de hoofdcomponent dan wel de belangrijkste doelstelling of component.

4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval

Het besluit, de aanbevelingen en de verklaringen houden verband met het protocol, dat integrerend deel uitmaakt van het terugtrekkingsakkoord, dat weer is gesloten op basis van artikel 50, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU).

De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 50, lid 2, VEU.

4.3.Conclusie

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 50, lid 2, VEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.

5.Bekendmaking van de beoogde handelingen en verklaringen

In het belang van de rechtszekerheid en de transparantie is het passend de besluiten, aanbevelingen en verklaringen na de vaststelling respectievelijk het afleggen ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend te maken.

2023/0066 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité dat is ingesteld bij het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, met betrekking tot een vast te stellen besluit, te formuleren aanbevelingen en af te leggen gezamenlijke en unilaterale verklaringen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 50, lid 2,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Het Akkoord over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (“het terugtrekkingsakkoord”) is door de Unie gesloten bij Besluit (EU) 2020/135 van de Raad 2 , dat op 1 februari 2020 in werking is getreden.

(2)Krachtens artikel 164, lid 5, punt d), van het terugtrekkingsakkoord kan het Gemengd Comité besluiten vaststellen tot wijziging van dat akkoord, mits dergelijke wijzigingen nodig zijn om fouten te corrigeren, omissies of andere tekortkomingen te verhelpen, of op te treden in verband met situaties die niet waren voorzien toen het akkoord werd ondertekend, behalve in verband met de delen een, vier en zes van het terugtrekkingsakkoord, en mits dergelijke besluiten geen wijzigingen inhouden van de essentiële elementen van dat akkoord.

(3)Krachtens artikel 166, lid 1, van het terugtrekkingsakkoord is het Gemengd Comité bevoegd om besluiten te nemen inzake alle aangelegenheden ten aanzien waarvan daarin bij het akkoord is voorzien, en om de Unie en het Verenigd Koninkrijk passende aanbevelingen te doen. Krachtens artikel 166, lid 2, van het terugtrekkingsakkoord zijn de besluiten van het Gemengd Comité bindend voor de Unie en het Verenigd Koninkrijk en moeten de Unie en het Verenigd Koninkrijk uitvoering geven aan die besluiten, die hetzelfde rechtsgevolg als het terugtrekkingsakkoord hebben. Overeenkomstig artikel 166, lid 3, van het terugtrekkingsakkoord worden aanbevelingen vastgesteld in onderlinge overeenstemming.

(4)Overeenkomstig artikel 182 van het terugtrekkingsakkoord maakt het protocol inzake Ierland/Noord-Ierland (“het protocol”) integrerend deel uit van dat akkoord.

(5)Het is passend dat de Unie en het Verenigd Koninkrijk in het Gemengd Comité een gezamenlijke verklaring afleggen die ertoe strekt dat zij, telkens wanneer dit relevant is voor hun betrekkingen in het kader van het terugtrekkingsakkoord, in overeenstemming met de vereisten van rechtszekerheid, naar het protocol zoals gewijzigd zullen verwijzen als het “Windsor-kader” en dat zij op dezelfde wijze naar het protocol zoals gewijzigd kunnen verwijzen in hun binnenlandse wetgeving.

(6)Gelet op de specifieke omstandigheden van Noord-Ierland moet worden bepaald dat de Unie en het Verenigd Koninkrijk alles in het werk moeten stellen om ervoor te zorgen dat de faciliteiten voor de handel tussen Noord-Ierland en andere delen van het Verenigd Koninkrijk specifieke regelingen omvatten voor het verkeer van goederen binnen de interne markt van het Verenigd Koninkrijk, in overeenstemming met de positie van Noord-Ierland als deel van het douanegebied van het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig dit protocol, in gevallen waarin de goederen bestemd zijn voor eindverbruik of eindgebruik in Noord-Ierland en de nodige waarborgen voorhanden zijn om de integriteit van de interne markt en de douane-unie van de Unie te beschermen. Het protocol moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)De Unie moet nota nemen van de unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk in het Gemengd Comité waarin het de praktijk uiteenzet die het voornemens is in te voeren met betrekking tot de overbrenging van goederen van Noord-Ierland naar andere delen van het Verenigd Koninkrijk.

(8)De Unie moet nota nemen van de unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk in het Gemengd Comité waarin het de praktijk uiteenzet die het voornemens is in te voeren met betrekking tot markttoezicht- en handhavingsactiviteiten.

(9)Er moet worden gezorgd voor nauwere samenwerking tussen het Verenigd Koninkrijk en de Unie, en in voorkomend geval tussen het Verenigd Koninkrijk en de autoriteiten van de lidstaten, om de beoogde specifieke regelingen met doeltreffende markttoezicht- en handhavingsactiviteiten te ondersteunen. Het Gemengd Comité moet daarom een aanbeveling doen die voorziet in een dergelijke nauwere samenwerking en die bepaalt dat die samenwerking betrekking kan hebben op het delen van kennis, informatie-uitwisseling, samenwerking met marktdeelnemers en gezamenlijke activiteiten.

(10)Gelet op de specifieke omstandigheden van Noord-Ierland, met inbegrip van de integrerende plaats ervan in de interne markt van het Verenigd Koninkrijk, moet bijlage 3 bij het protocol op bepaalde punten worden gewijzigd. De toepassing van deze wijzigingen mag geen aanleiding geven tot risico’s op belastingfraude of tot mogelijke concurrentievervalsing. De uitvoering ervan in Noord-Ierland, en met name de uitvoering van de bijzondere regeling voor afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen, mag geen risico’s met zich meebrengen voor de interne markt van de Unie en de interne markt van het Verenigd Koninkrijk en mag evenmin leiden tot onnodige lasten voor bedrijven die in Noord-Ierland actief zijn. Ter verduidelijking van de reikwijdte van de toepassing op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland van bepaalde handelingen die reeds in bijlage 3 bij het protocol zijn vermeld, moeten twee nota’s aan die bijlage worden toegevoegd. Om mogelijke verdere tekortkomingen of onvoorziene omstandigheden aan te pakken en om ervoor te zorgen dat eventuele andere nota’s waarin nader wordt bepaald hoe de in bijlage 3 vermelde handelingen van de Unie van toepassing zijn op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland, op elk moment aan die bijlage kunnen worden toegevoegd, moet in een dergelijke mogelijkheid worden voorzien.

(11)De Unie en het Verenigd Koninkrijk moeten in het Gemengd Comité een gezamenlijke verklaring afleggen over het btw-stelsel voor goederen die geen risico vormen voor de interne markt van de Unie, en de btw-regeling voor grensoverschrijdende teruggaaf. Met die verklaring zouden de Unie en het Verenigd Koninkrijk zich ertoe verbinden te onderzoeken of het mogelijk is nota’s toe te voegen ter verduidelijking van het toepassingsgebied van bepaalde in bijlage 3 bij het protocol vermelde handelingen. De eerste nota zou betrekking hebben op de toepassing van de in Richtlijn 2006/112/EG van de Raad 3 vastgelegde tarieven en zou een lijst van goederen bevatten die door hun aard en de omstandigheden waarin zij worden geleverd, zouden onderworpen zijn aan eindgebruik in Noord-Ierland en waarbij de toepassing van verschillende tarieven geen negatieve gevolgen zou hebben voor de interne markt van de Unie in de vorm van risico’s op belastingfraude of mogelijke concurrentievervalsing. De Unie en het Verenigd Koninkrijk moeten ook hun bereidheid bevestigen om die lijst regelmatig te evalueren en te herzien. De tweede nota zou betrekking hebben op de huidige btw-regeling voor grensoverschrijdende teruggaaf uit hoofde van het toepasselijke recht van de Unie als bedoeld in artikel 8 van het protocol.

(12)Om de doeltreffendheid van artikel 8 van het protocol te waarborgen, moeten de Unie en het Verenigd Koninkrijk informatie uitwisselen en op gestructureerde wijze alle kwesties bespreken die voortvloeien uit de uitvoering en toepassing van artikel 8 van dat protocol, met inbegrip van belangrijke geplande wijzigingen in het toepasselijke wetgevingskader in de Unie en het Verenigd Koninkrijk op het gebied van btw en accijnzen op goederen. Daarom is het passend dat een besluit van het Gemengd Comité voorziet in speciale vergaderingen van het Gespecialiseerd Comité voor de uitvoering van het protocol als een mechanisme voor versterkte coördinatie, zodat de Unie en het Verenigd Koninkrijk alle kwesties in verband met de werking van het protocol op het gebied van btw en accijnzen in kaart kunnen brengen en kunnen bespreken, en waar nodig passende maatregelen kunnen voorstellen.

(13)Om het toepassingsgebied van artikel 10, lid 1, van het protocol verder te verduidelijken, is het passend dat de Unie en het Verenigd Koninkrijk overeenstemming bereiken over de voorwaarden waaronder door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk verleende staatssteun binnen het toepassingsgebied van artikel 10, lid 1, valt, met name wat een reëel en rechtstreeks verband met Noord-Ierland betreft. Het is derhalve passend dat de Unie en het Verenigd Koninkrijk daartoe in het Gemengd Comité een gezamenlijke verklaring afleggen.

(14)Met het oog op de aanpak van situaties waarin een specifieke handeling van de Unie tot wijziging of vervanging van een in het protocol vermelde handeling de inhoud of het toepassingsgebied van die handeling, zoals van toepassing vóór de wijziging of vervanging ervan, ingrijpend wijzigt en waarin de toepassing in Noord-Ierland van de aldus gewijzigde of vervangen handeling van de Unie ingrijpende en waarschijnlijk voortdurende gevolgen zou hebben voor het dagelijks leven van de gemeenschappen in Noord-Ierland, moet een noodremmechanisme worden ingesteld dat dertig leden van de wetgevende vergadering in Noord-Ierland uit ten minste twee partijen (met uitsluiting van de parlementsvoorzitter en de plaatsvervangende parlementsvoorzitters), onder elk van de voorwaarden van punt 1 van het ontwerp van unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk inzake de betrokkenheid van de instellingen van het Goedevrijdagakkoord of het Akkoord van Belfast van 10 april 1998 tussen de regering van het Verenigd Koninkrijk, de regering van Ierland en de andere deelnemers aan de meerpartijenonderhandelingen (“het Akkoord van 1998”), zoals gehecht aan het beoogde besluit van het Gemengd Comité tot wijziging van het protocol, de mogelijkheid biedt een bovenbedoelde situatie aan te pakken. Deze voorwaarden omvatten onder meer dat de kennisgeving alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden en als laatste redmiddel kan worden gedaan, en dat de leden van de wetgevende vergadering vooraf inhoudelijke besprekingen met de regering van het Verenigd Koninkrijk en binnen de Noord-Ierse regering hebben aangeknoopt om alle mogelijkheden met betrekking tot de handeling van de Unie te onderzoeken. Indien het Verenigd Koninkrijk daartoe een kennisgeving aan de Unie heeft gedaan, zou de handeling van de Unie, zoals gewijzigd of vervangen door de specifieke handeling van de Unie, niet van toepassing zijn op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland op grond van artikel 13, lid 3, van het protocol. In plaats daarvan zou de handeling van de Unie, zoals gewijzigd of vervangen door de specifieke handeling van de Unie, moeten worden toegevoegd aan de desbetreffende bijlage bij het protocol overeenkomstig de procedure van artikel 13, lid 4, van dat protocol. Het protocol moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(15)Wanneer het Verenigd Koninkrijk de in de eerste alinea van het beoogde nieuwe artikel 13, lid 3 bis, van het protocol bedoelde kennisgeving aan de Unie heeft gedaan, maar volgens een uitspraak van een arbitragepanel niet heeft voldaan aan de in de derde alinea van dat lid vastgestelde voorwaarden voor een dergelijke kennisgeving, moet die uitspraak van het arbitragepanel snel worden nageleefd. Het Gemengd Comité moet daarom een aanbeveling doen die voorziet in een dergelijke snelle naleving. Deze aanbeveling moet gebaseerd zijn op het gedeelde standpunt dat snelle naleving op dezelfde wijze moet worden gewaarborgd wanneer het Verenigd Koninkrijk zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 5 van het terugtrekkingsakkoord om te goeder trouw te handelen, niet is nagekomen door een dergelijke kennisgeving te doen zonder dat is voldaan aan elk van de voorwaarden van punt 1 van de unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk inzake de betrokkenheid van de instellingen van het Akkoord van 1998, zoals gehecht aan Besluit [XX]/2023 van het Gemengd Comité.

(16)De Unie en het Verenigd Koninkrijk moeten onderkennen dat de kennisgeving van het Verenigd Koninkrijk uit hoofde van het beoogde nieuwe artikel 13, lid 3 bis, van het protocol slechts te goeder trouw is gedaan in de zin van artikel 5 van het terugtrekkingsakkoord indien aan elk van de voorwaarden van punt 1 van de unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk inzake de betrokkenheid van de instellingen van het Akkoord van 1998 is voldaan. Het is ook passend om door middel van een gezamenlijke verklaring te verduidelijken dat wanneer het Verenigd Koninkrijk volgens een uitspraak van een arbitragepanel niet heeft voldaan aan artikel 5 van het terugtrekkingsakkoord met betrekking tot een kennisgeving aan de Unie die het mechanisme in werking stelt, de uitspraak van het arbitragepanel snel moet worden nageleefd.

(17)De Unie en het Verenigd Koninkrijk moeten ten volle gebruikmaken van de gezamenlijke organen die bij het terugtrekkingsakkoord zijn opgericht om toezicht te houden op de uitvoering ervan. Het Gespecialiseerd Comité voor de uitvoering van het protocol kan de mogelijkheid bieden om van gedachten te wisselen over toekomstige wetgeving van het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot goederen die voor de werking van het protocol van belang zijn. Daartoe kan het Gespecialiseerd Comité in een bijzondere samenstelling bijeenkomen, namelijk het speciale orgaan inzake goederen, om de potentiële gevolgen van die toekomstige wetgeving in Noord-Ierland te beoordelen en te anticiperen op eventuele praktische problemen en deze te bespreken. De Unie en het Verenigd Koninkrijk zouden eventuele problemen in verband met de werking van het protocol zo goed en zo snel mogelijk oplossen. Het is derhalve passend dat de Unie en het Verenigd Koninkrijk daartoe in het Gemengd Comité een gezamenlijke verklaring aannemen.

(18)De Unie moet nota nemen van de unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk in het Gemengd Comité betreffende het mechanisme voor democratische instemming van artikel 18 van het protocol, en daarbij herinneren aan de taken van het Gemengd Comité uit hoofde van artikel 164 van het terugtrekkingsakkoord.

(19)Het is noodzakelijk gebleken een ruimere groep handelaren in aanmerking te laten komen voor het vervoer van goederen waarvoor geen risico bestaat, van andere delen van het Verenigd Koninkrijk naar Noord-Ierland, als bedoeld in Besluit nr. 4/2020 van het Gemengd Comité 4 . Er moeten met name nieuwe voorwaarden worden vastgesteld waaronder wordt aangenomen dat goederen niet aan commerciële bewerking worden onderworpen, onder meer door een verhoging van de maximale jaaromzet van marktdeelnemers waarbij een bewerking van goederen door die marktdeelnemers niet als commerciële bewerking wordt beschouwd, ongeacht de sector waarin zij actief zijn. Daarnaast moet het marktdeelnemers die in andere delen van het Verenigd Koninkrijk zijn gevestigd, worden toegestaan zich aan te sluiten bij de regeling voor betrouwbare handelaren die ten grondslag ligt aan de regelingen voor het vervoer van goederen waarvoor geen risico bestaat. De specifieke voorwaarden voor de vergunning van betrouwbare handelaren moeten nader worden omschreven, zodat sterkere waarborgen worden gekoppeld aan de douanefaciliteiten die worden geboden aan betrouwbare handelaren en vergunninghoudende vervoerders voor het vervoer van goederen waarvoor geen risico bestaat, van andere delen van het Verenigd Koninkrijk naar Noord-Ierland, en die moeten worden vastgelegd in gerichte wijzigingen van de desbetreffende handelingen van de Unie.

(20)Daarnaast moeten regels worden vastgesteld om te specificeren onder welke voorwaarden goederen die in pakketten vanuit andere delen van het Verenigd Koninkrijk naar Noord-Ierland worden verzonden, kunnen worden geacht geen risico te vormen wanneer die pakketten worden geleverd aan particulieren die in Noord-Ierland wonen en door vergunninghoudende vervoerders in Noord-Ierland worden binnengebracht.

(21)De Unie moet nota nemen van de unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk in het Gemengd Comité waarin het de praktijk uiteenzet die het voornemens is in te voeren ter versterking van de handhavingsmaatregelen voor goederen die in pakketten vanuit een ander deel van het Verenigd Koninkrijk naar Noord-Ierland worden overgebracht.

(22)Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het bij artikel 164 van het terugtrekkingsakkoord opgerichte Gemengd Comité (“het Gemengd Comité”) met betrekking tot een besluit en bepaalde aanbevelingen die door het Gemengd Comité moeten worden vastgesteld, is opgenomen in het ontwerpbesluit en de ontwerpaanbevelingen in bijlage 1 bij dit besluit.

Artikel 2

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité met betrekking tot bepaalde door de Unie en het Verenigd Koninkrijk in het Gemengd Comité af te leggen gezamenlijke verklaringen, is opgenomen in de ontwerpen van gezamenlijke verklaringen in bijlage 2 bij dit besluit.

Artikel 3

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité met betrekking tot bepaalde door het Verenigd Koninkrijk in het Gemengd Comité af te leggen unilaterale verklaringen, waarvan het ontwerp in bijlage 3 bij dit besluit is opgenomen, houdt in dat van deze verklaringen nota wordt genomen. Met betrekking tot de unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk in het Gemengd Comité betreffende het mechanisme voor democratische instemming van artikel 18 van het protocol herinnert de Unie ook aan de taken van het Gemengd Comité uit hoofde van artikel 164 van het terugtrekkingsakkoord.

Artikel 4

Dit besluit is gericht tot de Commissie.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    Arrest van het Hof van Justitie van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad, C-399/12, ECLI: C:2014:2258, punten 61 tot en met 64.
(2)    Besluit (EU) 2020/135 van de Raad van 30 januari 2020 betreffende de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ( PB L 29 van 31.1.2020, blz. 1 ).
(3)    Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).
(4)    Besluit Nr. 4/2020 van het bij het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ingestelde Gemengd Comité van 17 december 2020 betreffende de bepaling van goederen waarvoor geen risico bestaat [2020/2248] (PB L 443 van 30.12.2020, blz. 6).

Brussel, 27.2.2023

COM(2023) 123 final

BIJLAGEN

bij

Voorstel voor een Besluit van de Raad

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité dat is ingesteld bij het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, met betrekking tot een vast te stellen besluit, te formuleren aanbevelingen en af te leggen gezamenlijke en unilaterale verklaringen



BIJLAGE 1



ONTWERPBESLUIT Nr. /2023 VAN HET GEMENGD COMITÉ DAT IS INGESTELD BIJ HET AKKOORD OVER DE TERUGTREKKING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND UIT DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE

van XX 2023

tot vaststelling van regelingen met betrekking tot het Windsor-kader

HET GEMENGD COMITÉ,

Gezien het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie 1 (“het terugtrekkingsakkoord”), en met name artikel 164, lid 5, punt d), artikel 5, lid 2, van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland (“het protocol”), alsook artikel 164, lid 5, punt c), van het terugtrekkingsakkoord en artikel 8, vijfde alinea, van het protocol,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Overeenkomstig artikel 166, lid 2, van het terugtrekkingsakkoord zijn de besluiten van het bij artikel 164, lid 1, van dat akkoord opgerichte Gemengd Comité (“het Gemengd Comité”) bindend voor de Unie en het Verenigd Koninkrijk. De Unie en het Verenigd Koninkrijk dienen deze besluiten, die hetzelfde rechtsgevolg hebben als het terugtrekkingsakkoord, uit te voeren.

(2)Uit hoofde van artikel 182 van het terugtrekkingsakkoord maakt het protocol integrerend deel uit van dat akkoord.

(3)In artikel 164, lid 5, punt d), van het terugtrekkingsakkoord is bepaald dat het Gemengd Comité besluiten kan vaststellen tot wijziging van het terugtrekkingsakkoord, mits dergelijke wijzigingen nodig zijn om fouten te corrigeren, omissies of andere tekortkomingen te verhelpen, of op te treden in verband met situaties die niet waren voorzien toen het akkoord werd ondertekend, en mits dergelijke besluiten geen wijzigingen inhouden van essentiële elementen van het akkoord.

(4)De Unie en het Verenigd Koninkrijk hebben in het Gemengd Comité een gezamenlijke verklaring afgelegd die luidt dat zij, wanneer dit relevant is voor hun betrekkingen in het kader van het terugtrekkingsakkoord, in overeenstemming met de vereisten van rechtszekerheid, naar het protocol, zoals gewijzigd, zullen verwijzen als het “Windsor-kader”, en dat zij in hun nationale wetgeving op dezelfde wijze naar het protocol, zoals gewijzigd, kunnen verwijzen.

(5)De Unie en het Verenigd Koninkrijk herinneren aan hun gezamenlijk toezegging dat alle onderdelen dienen te worden beschermd van het Goedevrijdag- of Belfastakkoord van 10 april 1998 tussen de regering van het Verenigd Koninkrijk, de regering van Ierland en de andere deelnemers aan de multilaterale onderhandelingen (hierna het “Akkoord van 1998” genoemd), dat aan het Brits-Ierse Akkoord van diezelfde datum is gehecht, met inbegrip van de daarop aansluitende uitvoeringsovereenkomsten en -regelingen.

(6)Gezien de specifieke omstandigheden van Noord-Ierland moeten de in artikel 6, lid 2, van het protocol bedoelde faciliteiten specifieke regelingen omvatten voor het verkeer van goederen binnen de interne markt van het Verenigd Koninkrijk, in overeenstemming met de positie van Noord-Ierland als deel van het douanegebied van het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig dit protocol, wanneer de goederen bestemd zijn voor eindverbruik of eindgebruik in Noord-Ierland en indien de nodige waarborgen voorhanden zijn om de integriteit van de interne markt en de douane-unie van de Unie te beschermen.

(7)Er moet een noodremmechanisme worden ingesteld waarmee de leden van de wetgevende vergadering in Noord-Ierland, onder elk van de voorwaarden van punt 1 van de unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk over de betrokkenheid van de instellingen van het aan dit besluit gehechte akkoord van 1998, de aanzienlijke gevolgen kunnen aanpakken die specifiek zijn voor het dagelijks leven van de gemeenschappen en voortvloeien uit de toepassing in Noord-Ierland van bepalingen van het recht van de Unie, zoals gewijzigd of vervangen door toekomstige handelingen van de Unie. 

(8)Met betrekking tot btw en accijnzen moeten, gezien de specifieke omstandigheden van Noord-Ierland, met inbegrip van zijn integrerende plaats in de interne markt van het Verenigd Koninkrijk, bepaalde wijzigingen in bijlage 3 bij het protocol worden aangebracht. Deze wijzigingen mogen niet leiden tot risico’s van belastingfraude of tot potentiële verstoring van de mededinging. De uitvoering ervan in Noord-Ierland, en met name de uitvoering van de bijzondere regeling voor afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen, mag noch risico’s met zich meebrengen voor de interne markt van de Unie en de interne markt van het Verenigd Koninkrijk, noch leiden tot onnodige lasten voor bedrijven die in Noord-Ierland actief zijn.

(9)Ter verduidelijking van het toepassingsgebied van bepaalde handelingen die reeds in bijlage 3 bij het protocol zijn opgenomen, moeten twee noten aan die bijlage worden toegevoegd. Om ervoor te zorgen dat op elk moment andere noten aan die bijlage kunnen worden toegevoegd, moet dit besluit in een dergelijke mogelijkheid voorzien.

(10)Met betrekking tot het verkeer van goederen is in artikel 5, lid 2, van het protocol bepaald dat het Gemengd Comité besluiten kan vaststellen tot vaststelling van de voorwaarden waaronder verwerking wordt geacht geen commerciële verwerking te zijn en tot vaststelling van de criteria op basis waarvan ervan wordt uitgegaan dat voor goederen die van buiten de Unie naar Noord-Ierland worden gebracht, geen risico bestaat dat deze vervolgens naar de Unie worden gebracht.

(11)Het is wenselijk de werking van de bij Besluit nr. 4/2020 van het Gemengd Comité vastgestelde regelingen te verbeteren, waaronder met betrekking tot goederen die vanuit andere delen van het Verenigd Koninkrijk in pakketten naar Noord-Ierland worden verzonden, zodat op douanegebied verregaande faciliteiten kunnen worden geboden.

(12)Overeenkomstig artikel 175 van het terugtrekkingsakkoord zullen de Unie en het Verenigd Koninkrijk alle maatregelen nemen die nodig zijn om de uitspraak van het arbitragepanel betreffende de voorwaarden voor de opschorting, de beëindiging en het van toepassing worden van bepalingen van dit besluit snel en te goeder trouw na te leven.

(13)Besluit nr. 4/2020 van het Gemengd Comité moet worden vervangen door afdeling 2 van dit besluit.

(14)Wat betreft de instelling van een versterkt coördinatiemechanisme in verband met de werking van het protocol op het gebied van btw en accijnzen, kan het Gemengd Comité overeenkomstig artikel 164, lid 5, punt c), van het terugtrekkingsakkoord onder meer de aan gespecialiseerde comités toevertrouwde taken veranderen.

(15)Overeenkomstig artikel 8, vierde alinea, van het protocol bespreekt het Gemengd Comité regelmatig de uitvoering van dit artikel, onder meer met betrekking tot de verlagingen en de vrijstellingen die zijn opgenomen in de in de eerste alinea van dat artikel bedoelde bepalingen en neemt het, in voorkomend geval en naargelang de noodzaak ervan, maatregelen voor de juiste toepassing ervan.

(16)Krachtens artikel 8, vijfde alinea, van het protocol kan het Gemengd Comité de toepassing van dit artikel evalueren, rekening houdend met de integrerende plaats van Noord-Ierland in de interne markt van het Verenigd Koninkrijk, en in voorkomende gevallen passende maatregelen vaststellen.

(17)Om de doeltreffendheid van artikel 8 van het protocol te waarborgen en met name rekening te houden met de integrerende plaats van Noord-Ierland in de interne markt van het Verenigd Koninkrijk, moeten de Unie en het Verenigd Koninkrijk alle vraagstukken die voortvloeien uit de uitvoering en de toepassing van artikel 8 op gestructureerde wijze beoordelen, met inbegrip van met name de mogelijke gevolgen voor Noord-Ierland van toekomstige beleids- en regelgevingsinitiatieven in de Unie en het Verenigd Koninkrijk op het gebied van btw en accijnzen met betrekking tot goederen.

(18)Daarom is het passend een versterkt coördinatiemechanisme in te stellen om de Unie en het Verenigd Koninkrijk in staat te stellen alle vraagstukken in verband met de werking van het protocol op het gebied van btw en accijnzen aan te wijzen en te bespreken en in voorkomende gevallen passende maatregelen voor te stellen. Daartoe moeten specifieke vergaderingen van het bij artikel 165, lid 1, punt c), opgerichte Gespecialiseerd Comité voor vraagstukken betreffende de uitvoering van het protocol inzake Ierland/Noord-Ierland worden belegd om in voorkomende gevallen btw en accijnzen met betrekking tot goederen te bespreken. Naar deze vergaderingen zal worden verwezen als “het versterkte coördinatiemechanisme voor btw en accijnzen”,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

AFDELING 1

Wijzigingen van het protocol

Artikel 1

In artikel 6, lid 2, van het protocol wordt na de eerste zin de volgende zin toegevoegd:

“Dit omvat specifieke regelingen voor het verkeer van goederen binnen de interne markt van het Verenigd Koninkrijk, in overeenstemming met de positie van Noord-Ierland als deel van het douanegebied van het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig dit protocol, indien de goederen bestemd zijn voor eindverbruik of eindgebruik in Noord-Ierland en indien de nodige waarborgen voorhanden zijn om de integriteit van de interne markt en de douane-unie van de Unie te beschermen.”.

Artikel 2

Aan artikel 13 van het protocol wordt na lid 3 het volgende lid toegevoegd:

“3 bis In afwijking van lid 3 en onverminderd de vierde alinea van dit lid, is een onder dit lid vallende handeling van de Unie die is gewijzigd of vervangen door een specifieke handeling van de Unie (hierna “specifieke handeling van de Unie” genoemd) niet van toepassing als gewijzigd of vervangen door de specifieke handeling van de Unie vanaf twee weken na de dag waarop het Verenigd Koninkrijk de Unie via het Gemengd Comité schriftelijk ervan in kennis heeft gesteld dat de procedure is gevolgd die is vastgesteld in de unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk over de betrokkenheid van de instellingen bij het akkoord van 1998, die als bijlage I bij Besluit [XX]/2023 van het Gemengd Comité 2 is gevoegd. Een dergelijke kennisgeving wordt gedaan binnen twee maanden na de bekendmaking van de specifieke handeling van de Unie en bevat een gedetailleerde uitleg over de beoordeling door het Verenigd Koninkrijk van de in de derde alinea van dit lid bedoelde voorwaarden, alsook van de procedurele stappen die vóór de kennisgeving in het Verenigd Koninkrijk zijn ondernomen.

Indien de Unie van oordeel is dat de uitleg van het Verenigd Koninkrijk ontoereikend is wat betreft de in de derde alinea van dit lid bedoelde omstandigheden, kan zij binnen twee weken na de datum van kennisgeving om nadere uitleg verzoeken en verstrekt het Verenigd Koninkrijk die nadere uitleg binnen twee weken vanaf de datum van het verzoek. In dat geval is de onder dit lid vallende handeling van de Unie niet van toepassing als gewijzigd of vervangen door de specifieke handeling van de Unie vanaf de derde dag na de dag waarop het Verenigd Koninkrijk die nadere uitleg heeft verstrekt.

Het Verenigd Koninkrijk doet de in de eerste alinea van dit lid bedoelde kennisgeving alleen indien:

a)     de inhoud of het toepassingsgebied van de handeling van de Unie zoals gewijzigd of vervangen door de specifieke handeling van de Unie, geheel of gedeeltelijk, aanzienlijk afwijkt van de inhoud of het toepassingsgebied van de handeling van de Unie zoals van toepassing vóór de wijziging of vervanging ervan; en

b)    de toepassing in Noord-Ierland van de handeling van de Unie, zoals gewijzigd of vervangen door de specifieke handeling van de Unie, of van het relevante deel daarvan, naargelang het geval, aanzienlijke gevolgen zou hebben die specifiek zijn voor het dagelijks leven van de gemeenschappen in Noord-Ierland, op een wijze die waarschijnlijk zal blijven voortduren.

Indien slechts met betrekking tot een deel van de handeling van de Unie zoals gewijzigd of vervangen door de specifieke handeling van de Unie, aan de voorwaarden van de punten a) en b) is voldaan, wordt de kennisgeving alleen gedaan met betrekking tot dat deel, mits het kan worden gescheiden van de andere delen van de handeling van de Unie zoals gewijzigd of vervangen door de specifieke handeling van de Unie. Indien dit laatste deel niet scheidbaar is, wordt de kennisgeving gedaan ten aanzien van het kleinste scheidbare element van de handeling van de Unie zoals gewijzigd of vervangen door de specifieke handeling van de Unie die het betrokken deel bevat.

Indien de kennisgeving betrekking heeft op een deel van de handeling van de Unie zoals gewijzigd of vervangen door de specifieke handeling van de Unie, overeenkomstig de tweede zin van de vorige alinea, is de handeling van de Unie alleen met betrekking tot dat deel niet van toepassing zoals gewijzigd of vervangen door de specifieke handeling van de Unie.

Nadat de in de eerste alinea van dit lid bedoelde kennisgeving is gedaan, is lid 4 van toepassing op de handeling van de Unie zoals gewijzigd of vervangen door de specifieke handeling van de Unie; indien de handeling van de Unie zoals gewijzigd of vervangen door de specifieke handeling van de Unie aan dit protocol wordt toegevoegd, komt zij in de plaats van de handeling van de Unie vóór de wijziging of vervanging ervan.

Dit lid heeft betrekking op de handelingen van de Unie waarnaar wordt verwezen in het eerste streepje van titel 1 en in de titels 7 tot en met 47 van bijlage 2 bij dit protocol, en in artikel 5, lid 1, derde alinea, van dit protocol.”.

Artikel 3

Bijlage 3 bij het protocol wordt als volgt gewijzigd:

1)    Onder titel “1. Belasting op de toegevoegde waarde”, na de vermelding “Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde”, wordt de volgende noot ingevoegd:

“Met betrekking tot goederen die worden geleverd en door belastingplichtigen geïnstalleerd in onroerende goederen die zich in Noord-Ierland bevinden, kan het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland verlaagde tarieven, tarieven van minder dan 5 % of een vrijstelling met recht op aftrek van voorbelasting toepassen.

Het Verenigd Koninkrijk is met betrekking tot Noord-Ierland niet verplicht artikel 98, lid 1, derde alinea, en artikel 98, lid 2, eerste alinea, van Richtlijn 2006/112/EG toe te passen en kan derhalve verlaagde btw-tarieven toepassen op leveringen die vallen onder meer dan 24 punten in bijlage III, en kan een verlaagd tarief dat lager is dan het minimum van 5 % en een vrijstelling met recht op aftrek van voorbelasting toepassen op leveringen die vallen onder meer dan zeven punten van bijlage III bij Richtlijn 2006/112/EG.

Het Verenigd Koninkrijk is met betrekking tot Noord-Ierland niet verplicht de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen van titel XII, hoofdstuk 1, van Richtlijn 2006/112/EG, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2020/285 van de Raad van 18 februari 2020 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen en Verordening (EU) nr. 904/2010 betreffende de administratieve samenwerking en uitwisseling van inlichtingen voor doeleinden van toezicht op de juiste uitvoering van de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen 3 op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland toe te passen, en kan derhalve een vrijstellingsregeling toepassen op belastingplichtigen wier jaaromzet uit leveringen van goederen en diensten voldoet aan de regels inzake de omzetdrempel van artikel 284, lid 1, artikel 288 en artikel 288 bis, leden 1 en 3, van Richtlijn 2006/112/EG, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2020/285 van de Raad. De tegenwaarde in pond sterling van de in artikel 284, lid 1, bedoelde omzetdrempel wordt berekend door toepassing van de wisselkoers op de dag na de datum van inwerkingtreding van Richtlijn (EU) 2020/285, zoals bekendgemaakt door de Europese Centrale Bank. Om rekening te houden met schommelingen van deze wisselkoers in de loop van de tijd, wordt een maximaal verschil van 15 % toegestaan bij de berekening van de tegenwaarde van de drempel van 85 000 EUR.

Het Verenigd Koninkrijk is met betrekking tot Noord-Ierland niet verplicht de bijzondere regeling voor afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen van titel XII, hoofdstuk 6, afdeling 4, van Richtlijn 2006/112/EG toe te passen met betrekking tot afstandsverkopen van goederen van Groot-Brittannië naar Noord-Ierland, op voorwaarde dat de goederen aan eindverbruik in Noord-Ierland zijn onderworpen en dat in het Verenigd Koninkrijk belasting over de toegevoegde waarde is geheven.”.

2)    Onder titel “2. Accijns” na de vermelding “Richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken”, wordt de volgende noot ingevoegd:

“Het Verenigd Koninkrijk is met betrekking tot Noord-Ierland niet verplicht artikel 3, lid 1, en de artikelen 9, 13, 18 en 21 van Richtlijn 92/83/EEG van de Raad toe te passen en kan derhalve altijd accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken op basis van het alcoholgehalte toepassen, en kan verlaagde accijnstarieven toepassen op alcoholhoudende dranken verpakt in grote tapvaten voor onmiddellijke consumptie in horecagelegenheden, op voorwaarde dat dergelijke accijnstarieven in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland in geen geval, zelfs niet na enige toepasselijke vrijstelling, lager zijn dan de in de artikel 3, lid 1, en de artikelen 4, 5 en 6 van Richtlijn 92/84/EEG vastgestelde accijnstarieven, en niet minder gunstig van toepassing zijn op uit de Unie geleverde producten dan op soortgelijke binnenlandse producten.

Het Verenigd Koninkrijk is met betrekking tot Noord-Ierland niet verplicht de artikelen 4, 9 bis, 13 bis, 18 bis, artikel 22, leden 1 tot en met 5 en artikel 23 bis van Richtlijn 92/83/EEG van de Raad toe te passen en kan derhalve een definitie van kleine producenten opstellen en verlaagde accijnstarieven vaststellen voor door kleine producenten geproduceerde alcohol en alcoholhoudende dranken, op voorwaarde dat dergelijke verlaagde tarieven in geen geval, zelfs niet na eventuele toepasselijke vrijstellingen, lager zijn dan de in de artikel 3, lid 1, en de artikelen 4, 5 en 6 van Richtlijn 92/84/EEG vastgestelde minimumaccijnstarieven, en dat de jaarlijkse productie van de kleine producenten die voor de toepassing van het verlaagde tarief in aanmerking komen, in geen geval hoger is dan de in de eerste streepjes van artikel 4, lid 1, artikel 9 bis, lid 1, artikel 13 bis, lid 1, artikel 18 bis, lid 1, en artikel 22, lid 1, van Richtlijn 92/83/EEG van de Raad vastgestelde productiedrempels. De procedures voor wederzijdse erkenning van de artikelen 4, lid 3, artikel 9 bis, lid 3, artikel 13 bis, lid 5, artikel 18 bis, lid 4, artikel 22, lid 3, en artikel 23 bis, lid 3, van Richtlijn 92/83/EEG zijn niet van toepassing tussen de lidstaten en het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland.”.

Artikel 4

1.In bijlage 3 bij het protocol, onder titel “1. Belasting over de toegevoegde waarde” worden andere noten dan die welke zijn opgenomen in artikel 3, punt 1, van dit besluit, zoals vastgesteld door het Gemengd Comité, ingevoegd op voorwaarde dat in die noten wordt gespecificeerd op welke wijze de in deel 1 van bijlage 3 vermelde handelingen van de Unie op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland van toepassing zijn. Dergelijke noten waarborgen dat er geen negatieve gevolgen zijn voor de interne markt van de Unie in de vorm van risico’s van belastingfraude of in de vorm van potentiële verstoring van de mededinging.

2.In bijlage 3 bij het protocol, onder titel “2. Accijns” worden andere noten dan die welke zijn opgenomen in artikel 3, punt 2, van dit besluit, zoals vastgesteld door het Gemengd Comité, ingevoegd op voorwaarde dat in die noten wordt gespecificeerd op welke wijze de in deel 2 van bijlage 3 vermelde handelingen van de Unie op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland van toepassing zijn. Dergelijke noten waarborgen dat er geen negatieve gevolgen zijn voor de interne markt van de Unie in de vorm van risico’s van belastingfraude of in de vorm van potentiële verstoring van de mededinging.

AFDELING 2

Bepaling van goederen waarvoor geen risico bestaat en intrekking van Besluit nr. 4/2020

Artikel 5

Voorwerp

Deze afdeling bevat regels voor de uitvoering van artikel 5, lid 2, van het protocol met betrekking tot:

a)    de voorwaarden op basis waarvan ervan wordt uitgegaan dat goederen die van buiten de Unie Noord-Ierland worden binnengebracht, in Noord-Ierland niet aan commerciële bewerking worden onderworpen;

b)    de criteria op basis waarvan ervan wordt uitgegaan dat er voor goederen die van buiten de Unie Noord-Ierland worden binnengebracht, geen risico bestaat dat deze vervolgens naar de Unie worden gebracht.

Artikel 6

Niet-commerciële bewerking

Voor de toepassing van artikel 5, lid 2, eerste alinea, punt a), en artikel 5, lid 2, derde alinea, van het protocol wordt de bewerking geacht niet-commercieel te zijn indien:

a)    de persoon die een aangifte voor het vrije verkeer indient met betrekking tot die goederen of namens wie een dergelijke aangifte wordt ingediend (“importeur”), in zijn meest recente volledige boekjaar een totale jaaromzet van minder dan 2 000 000 GBP had; of

b)    de bewerking in Noord-Ierland plaatsvindt en uitsluitend bedoeld is voor:

i)    de verkoop van levensmiddelen aan een eindconsument in het Verenigd Koninkrijk;

ii)    bouwwerkzaamheden door de importeur of één volgende entiteit, indien de bewerkte goederen permanent deel gaan uitmaken van een structuur die in Noord-Ierland wordt gebouwd en zich daar bevindt;

iii)    rechtstreekse verstrekking aan de ontvanger van gezondheids- of zorgdiensten in Noord-Ierland door de importeur of één volgende entiteit;

iv)    activiteiten zonder winstoogmerk in Noord-Ierland door de importeur of één volgende entiteit, waarbij de bewerkte goederen vervolgens niet worden verkocht; of

v)    het eindgebruik van diervoeder op locaties in Noord-Ierland door de importeur of één volgende entiteit.

Artikel 7

Criteria op basis waarvan ervan wordt uitgegaan dat er geen risico bestaat dat goederen vervolgens naar de Unie worden gebracht

1.    Er wordt van uitgegaan dat er geen risico bestaat dat goederen vervolgens naar de Unie worden gebracht indien ervan wordt uitgegaan dat de goederen niet aan commerciële bewerking worden onderworpen overeenkomstig artikel 6 van dit besluit, en indien:

a)    in het geval van goederen die via rechtstreeks vervoer Noord-Ierland worden binnengebracht vanuit een ander deel van het Verenigd Koninkrijk:

i)    de volgens het gemeenschappelijk douanetarief van de Unie te betalen rechten gelijk zijn aan nul; of

ii)    de importeur overeenkomstig de artikelen 9 tot en met 11 van dit besluit toestemming heeft gekregen om de goederen Noord-Ierland binnen te brengen voor verkoop aan of eindgebruik door eindconsumenten in het Verenigd Koninkrijk, ook indien de goederen voorafgaand aan de verkoop aan of het eindgebruik door eindconsumenten aan niet-commerciële bewerking overeenkomstig artikel 6 zijn onderworpen; of

iii) ze in een pakket worden verzonden en

aa) een niet-commercieel karakter hebben en door een particulier worden verzonden naar een andere particulier die in Noord-Ierland verblijft; of

bb) door een marktdeelnemer via een overeenkomstig artikel 12 van dit besluit vergunde vervoerder worden verzonden naar een particulier die in Noord-Ierland verblijft en uitsluitend voor persoonlijk gebruik zijn bestemd;

b)    in het geval van goederen die via rechtstreeks vervoer Noord-Ierland worden binnengebracht, behalve uit de Unie of uit een ander deel van het Verenigd Koninkrijk:

i)    de volgens het gemeenschappelijk douanetarief van de Unie te betalen rechten gelijk zijn aan of lager dan de volgens het douanetarief van het Verenigd Koninkrijk te betalen rechten; of

ii)    de importeur overeenkomstig de artikelen 9 tot en met 11 van dit besluit toestemming heeft gekregen om de goederen Noord-Ierland binnen te brengen voor verkoop aan of eindgebruik door eindconsumenten in Noord-Ierland (ook indien de goederen voorafgaand aan de verkoop aan of het eindgebruik door eindconsumenten aan niet-commerciële bewerking overeenkomstig artikel 6 van dit besluit zijn onderworpen), en het verschil tussen de volgens het gemeenschappelijk douanetarief van de Unie te betalen rechten en de volgens het douanetarief van het Verenigd Koninkrijk te betalen rechten minder dan 3 % van de douanewaarde van de goederen bedraagt.

2.    Lid 1, punt a), ii), lid 1, punt a), iii), en lid 1, punt b), ii), zijn niet van toepassing op goederen waarvoor de Unie handelsbeschermingsmaatregelen heeft vastgesteld.

3.    Voor de toepassing van dit besluit wordt onder “pakket” verstaan een collo dat het volgende bevat:

a)    goederen, anders dan brievenpost, met een totaal brutogewicht van maximaal 31,5 kg; of

b)    een enkel artikel, anders dan brievenpost, met een totaal brutogewicht van maximaal 100 kg, in verband met een handelstransactie.

Artikel 8

Bepaling van de toepasselijke rechten

Voor de toepassing van artikel 7, lid 1, punt a), i), en artikel 7, lid 1, punt b), van dit besluit gelden de volgende regels:

a)    de volgens het gemeenschappelijk douanetarief van de Unie over goederen te betalen rechten worden bepaald overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld in de douanewetgeving van de Unie;

b)    de volgens het douanetarief van het Verenigd Koninkrijk over goederen te betalen rechten worden bepaald overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld in de douanewetgeving van het Verenigd Koninkrijk.

Artikel 9

Toestemming voor de toepassing van artikel 7

1.    Voor de toepassing van artikel 7, lid 1, punt a), ii), en artikel 7, lid 1, punt b), ii), van dit besluit wordt bij de bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk een aanvraag ingediend voor een vergunning om goederen via rechtstreeks vervoer Noord-Ierland binnen te brengen voor verkoop aan of eindgebruik door eindconsumenten.

2.    De in lid 1 bedoelde aanvraag voor een vergunning bevat informatie over de bedrijfsactiviteiten van de aanvrager en over de goederen die doorgaans Noord-Ierland worden binnengebracht, alsook een beschrijving van het soort registers, systemen en controles dat de aanvrager heeft ingesteld om ervoor te zorgen dat de onder de vergunning vallende goederen naar behoren worden aangegeven voor douanedoeleinden en dat er bewijs kan worden verstrekt ter staving van de verbintenis van artikel 10, punt b), van dit besluit. De handelaar bewaart de bewijsstukken, zoals facturen, gedurende vijf jaar, en verstrekt deze desgevraagd aan de bevoegde autoriteiten. De gegevensvereisten inzake de aanvraag worden nader beschreven in bijlage II bij dit besluit.

3.    De vergunning vermeldt ten minste het volgende:

a)    de naam van de persoon aan wie de vergunning is verleend (“vergunninghouder”);

b)    het enkele referentienummer waarvan het besluit door de bevoegde douaneautoriteit wordt voorzien (“referentienummer vergunning”);

c)    de autoriteit die de vergunning heeft verleend;

d)    de datum waarop de vergunning van kracht wordt.

4.    De bepalingen van de douanewetgeving van de Unie inzake beschikkingen over de toepassing van de douanewetgeving gelden voor de in dit artikel bedoelde aanvragen en vergunningen, ook inzake toezicht.

5.    In gevallen waarin de bevoegde douaneautoriteit van het Verenigd Koninkrijk vaststelt dat er opzettelijk misbruik wordt gemaakt van een vergunning of dat de in dit besluit vervatte voorwaarden voor de afgifte van een vergunning worden geschonden, wordt de vergunning door de autoriteit opgeschort of ingetrokken.

6.    De vertegenwoordigers van de Unie kunnen de bevoegde douaneautoriteit van het Verenigd Koninkrijk verzoeken een specifieke vergunning te verifiëren. De bevoegde douaneautoriteit van het Verenigd Koninkrijk neemt naar aanleiding van een dergelijk verzoek passende maatregelen en verstrekt binnen dertig dagen informatie over de ondernomen actie.

Artikel 10

Algemene voorwaarden voor de afgifte van vergunningen

Voor de toepassing van artikel 7, lid 1, punt a), ii), en artikel 7, lid 1, punt b), ii), van dit besluit kan een vergunning worden verleend aan aanvragers die:

a)    voldoen aan de volgende vestigingscriteria:

i)    zij zijn gevestigd in Noord-Ierland of hebben een vaste bedrijfsinrichting in Noord-Ierland

   waar permanent personele en technische middelen aanwezig zijn; en

   van waaruit goederen worden verkocht aan, of verstrekt voor eindgebruik door, eindconsumenten; en

   waar douane-, handels- en vervoersadministratie en -informatie beschikbaar of toegankelijk zijn in Noord-Ierland; of

ii)    zij zijn gevestigd in andere delen van het Verenigd Koninkrijk dan Noord-Ierland en voldoen aan de volgende criteria:

   hun douanetransacties worden in het Verenigd Koninkrijk verricht;

   zij beschikken over een indirecte douanevertegenwoordiger in Noord-Ierland;

   hun douane-, handels- en vervoersadministratie en -informatie zijn in het Verenigd Koninkrijk beschikbaar of toegankelijk voor de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk en de vertegenwoordigers van de Unie ter controle van de naleving van de voorwaarden en verbintenissen die op grond van dit besluit zijn aangegaan; en

b)    zich ertoe verbinden goederen uitsluitend Noord-Ierland binnen te brengen voor verkoop aan of eindgebruik door eindconsumenten in het Verenigd Koninkrijk, ook indien die goederen voorafgaand aan de verkoop aan of het eindgebruik door eindconsumenten in het Verenigd Koninkrijk aan niet-commerciële bewerking overeenkomstig artikel 6 van dit besluit zijn onderworpen; en zich er, ingeval van een verkoop aan eindconsumenten in Noord-Ierland, toe verbinden dat de verkoop verloopt via een of meer fysieke verkooppunten in Noord-Ierland van waaruit fysieke rechtstreekse verkoop aan eindconsumenten plaatsvindt.

Artikel 11

Specifieke voorwaarden voor de vergunning van importeurs

1.    Voor de toepassing van artikel 7, lid 1, punt a), ii), en artikel 7, lid 1, punt b), ii), van dit besluit wordt een vergunning om goederen Noord-Ierland binnen te brengen uitsluitend verleend aan aanvragers die voldoen aan de in artikel 10 van dit besluit vervatte voorwaarden alsook aan de navolgende voorwaarden, zoals nader uitgelegd in bijlage III bij dit besluit:

a)    de aanvrager verklaart ten aanzien van goederen die Noord-Ierland worden binnengebracht overeenkomstig artikel 7, lid 1, punt a), ii), en artikel 7, lid 1, punt b), ii), van dit besluit aangifte voor het vrije verkeer te zullen doen;

b)    de aanvrager mag, in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag, geen ernstige inbreuk of herhaalde inbreuken op de douanewetgeving en belastingvoorschriften hebben begaan en mag geen strafblad met ernstige delicten in verband met zijn economische activiteit hebben;

c)    ten aanzien van goederen die moeten worden aangegeven als zijnde zonder risico, toont de aanvrager aan zijn handelingen en de goederenstroom goed onder controle te hebben dankzij een handels- en, in voorkomend geval, vervoersadministratie waarmee passende controles kunnen worden verricht en bewijs kan worden verstrekt ter staving van de verbintenis van artikel 10, punt b), van dit besluit.

d)    de aanvrager heeft een goede financiële positie gedurende de periode van drie jaar voorafgaand aan de aanvraag, of in de periode sinds zijn oprichting, indien deze korter is dan drie jaar, die hem in staat stel aan zijn verplichtingen te voldoen, waarbij naar behoren wordt gelet op de kenmerken van het type zakelijke activiteiten in kwestie;

e)    de aanvrager moet blijk kunnen geven van een duidelijk inzicht in zijn verplichtingen uit hoofde van deze vergunning en in verband met het verkeer van goederen in het kader van de regeling en de wijze waarop daaraan kan worden voldaan.

2.    Aanvragers moeten kunnen bepalen of de goederen die zij Noord-Ierland binnenbrengen, onder een van de in bijlage IV bij dit besluit vermelde categorieën vallen.

3.    Vergunningen worden uitsluitend verleend indien de douaneautoriteit van oordeel is dat zij zonder een buitensporige administratieve inspanning controles kan uitvoeren overeenkomstig relevante overeengekomen operationele regelingen, met inbegrip van controle van bewijzen dat de goederen werden verkocht aan eindconsumenten of zijn onderworpen aan eindgebruik door eindconsumenten.

Artikel 12

Specifieke voorwaarden voor de vergunning van vervoerders

1.    Voor de toepassing van artikel 7, lid 1, punt a), iii), bb), van dit besluit kan een marktdeelnemer die pakketten vervoert, met inbegrip van de door het Verenigd Koninkrijk aangewezen postaanbieder, aanvragen om een vergunde vervoerder voor het vervoer van pakketten uit een ander deel van het Verenigd Koninkrijk naar Noord-Ierland (“vergunde vervoerder”) te worden indien hij aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)    hij heeft zich als marktdeelnemer geregistreerd;

b)    hij is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en heeft, indien hij niet in Noord-Ierland is gevestigd, daar een indirecte douanevertegenwoordiger;

c)    hij heeft in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag geen ernstige inbreuk of herhaalde inbreuken begaan op een wettelijke of regelgevende bepaling die betrekking heeft op zijn economische activiteit;

d)    hij heeft zijn handelingen goed onder controle, dankzij een handels- en, in voorkomend geval, vervoersadministratie die passende controles en de verstrekking van bewijs ter staving van zijn economische activiteit mogelijk maakt.

2.    Vergunningen worden uitsluitend verleend indien de bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk van oordeel is dat zij zonder een buitensporige administratieve inspanning controles kan uitvoeren overeenkomstig de relevante overeengekomen operationele regelingen, met inbegrip van controle van bewijzen dat de goederen werden geleverd aan particulieren die in Noord-Ierland verblijven.

Artikel 13

Verplichtingen van vergunde vervoerders

Een vergunde vervoerder:

a)    aanvaardt de verantwoordelijkheid om vast te stellen of de goederen van elk pakket van het in artikel 138, punt l), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie beschreven type zijn;

b)    handhaaft operationele processen die hem in staat stellen een onderscheid te maken tussen marktdeelnemers en particulieren als ontvangers of verzenders van pakketten;

c)    is in staat om te bepalen of de goederen die hij Noord-Ierland binnenbrengt, onder categorie 1 als bedoeld in bijlage IV bij dit besluit vallen;

d)    handhaaft systemen die hem in staat stellen de in bijlage 52-03 bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie bedoelde gegevens te verzamelen en te delen;

e)    verstrekt aan de bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk op gezette tijden en onder de daarin vastgestelde voorwaarden de in artikel 141, lid 1, punt d), vii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie bedoelde gegevens;

f)    meldt elke verdachte activiteit in verband met het verkeer van pakketten als bedoeld in artikel 7, lid 1, punt a), iii), bb), van dit besluit aan de bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk;

g)    beantwoordt ad-hocverzoeken om nadere informatie van de bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk;

h)    volgt instructies van de bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk in verband met het verkeer van pakketten als bedoeld in artikel 7, lid 1, punt a), iii), bb), van dit besluit op.

Artikel 14

Uitwisseling van informatie over de toepassing van artikel 5, leden 1 en 2, van het protocol

1.    Onverminderd zijn verplichtingen krachtens artikel 5, lid 4, van het protocol, gelezen in samenhang met Verordening (EG) nr. 638/2004 van het Europees Parlement en de Raad( 4 ) en Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad( 5 ), verstrekt het Verenigd Koninkrijk de Unie maandelijks informatie over de toepassing van artikel 5, leden 1 en 2, van het protocol en van dit besluit. Die informatie betreft hoeveelheden en waarden, in geaggregeerde vorm en per zending, alsook per vervoermiddel, met betrekking tot:

a)    goederen die Noord-Ierland zijn binnengebracht en waarvoor geen douanerechten verschuldigd waren overeenkomstig artikel 5, lid 1, eerste alinea, van het protocol;

b)    goederen die Noord-Ierland zijn binnengebracht en waarvoor de verschuldigde douanerechten de in het Verenigd Koninkrijk toepasselijke rechten waren overeenkomstig artikel 5, lid 1, tweede alinea, van het protocol; en

c)    goederen die Noord-Ierland zijn binnengebracht en waarvoor de verschuldigde douanerechten de rechten overeenkomstig het gemeenschappelijk douanetarief van de Unie waren.

2.    Het Verenigd Koninkrijk verstrekt de in lid 1 bedoelde informatie op de vijftiende werkdag van de maand die volgt op de maand waarover de informatie wordt verstrekt.

3.    De informatie wordt verstrekt met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken.

4.    Op verzoek van de vertegenwoordigers van de Unie als bedoeld in Besluit nr. 6/2020 van het bij het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ingestelde Gemengd Comité, en ten minste tweemaal per jaar, verstrekken de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk aan deze vertegenwoordigers informatie in geaggregeerde vorm en per vergunning over de krachtens de artikelen 9 tot en met 12 van dit besluit verleende vergunningen, met inbegrip van het aantal toegewezen, geweigerde en ingetrokken vergunningen en de plaats van vestiging van de vergunninghouders.

Artikel 15

Herziening, schorsing en beëindiging van deel 2 van dit besluit

1.    Het Gemengd Comité bespreekt de toepassing van dit deel van dit besluit, tenzij de partijen anders besluiten.

2.    De Unie kan in het Gemengd Comité kennisgeving doen aan het Verenigd Koninkrijk wanneer het Verenigd Koninkrijk:

a)    voortdurend nalaat om uitvoering te geven aan artikel 5 van Besluit nr. 6/2020 van het Gemengd Comité ten aanzien van toegang tot informatie in netwerken, informatiesystemen en databanken van het Verenigd Koninkrijk en tot nationale modules van het Verenigd Koninkrijk in systemen van de Unie als bedoeld in bijlage I bij dat besluit van het Gemengd Comité; of

b)    zes maanden na de in artikel 23, lid 5, van dit besluit bedoelde datum of op enig later tijdstip nalaat te waarborgen dat vertegenwoordigers van de Unie toegang hebben tot informatie in netwerken, informatiesystemen en databanken van het Verenigd Koninkrijk en tot nationale modules van het Verenigd Koninkrijk in systemen van de Unie, als bedoeld in punt a), in toegankelijk formaat en op zodanige wijze dat zij risicoanalyses kunnen uitvoeren, met inbegrip van het in kaart brengen van recente en historische trends en patronen; of

c)    in ernstige mate verkeerde uitvoering geeft aan de artikelen 9 tot en met 14 van, en bijlage II bij dit besluit.

De Unie motiveert haar kennisgeving aan het Verenigd Koninkrijk. De partijen stellen alles in het werk om de aangelegenheid tot wederzijdse tevredenheid op te lossen. Indien de partijen de aangelegenheid niet uiterlijk 30 werkdagen na de kennisgeving, dan wel binnen een door het Gemengd Comité bepaalde langere termijn tot wederzijdse tevredenheid kunnen oplossen, zijn artikel 7, lid 1, punt a), ii) en iii), artikel 7, lid 1, punt b), ii), en de artikelen 9 tot en met14 van dit besluit niet langer van toepassing vanaf de eerste werkdag van de maand die volgt op het einde van die termijn.

In het in de vorige alinea bedoelde geval plegen de Unie en het Verenigd Koninkrijk onmiddellijk overleg in het Gemengd Comité en stellen zij alles in het werk om de aangelegenheid tot wederzijdse tevredenheid op te lossen of overeenstemming te bereiken over alternatieve bepalingen voor de schorsingsperiode.

Indien de situatie die aanleiding heeft gegeven tot de kennisgeving, is verholpen, stelt de Unie het Verenigd Koninkrijk daarvan in kennis in het Gemengd Comité. In dat geval zijn de in de tweede alinea bedoelde bepalingen opnieuw van toepassing vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de tweede kennisgeving is gedaan.

3.    Het Verenigd Koninkrijk kan in het Gemengd Comité kennisgeving doen aan de Unie indien de handelingen van de Unie die voorzien in faciliteiten met betrekking tot het verkeer van goederen als bedoeld in artikel 7, lid 1, punt a), ii) en iii), van dit besluit, geheel of gedeeltelijk vervallen, waardoor zij niet langer hetzelfde niveau van faciliteiten bieden.

Het Verenigd Koninkrijk motiveert zijn kennisgeving aan de Unie. De partijen stellen alles in het werk om de aangelegenheid tot wederzijdse tevredenheid op te lossen. Indien de partijen de aangelegenheid niet uiterlijk 30 werkdagen na de kennisgeving, dan wel binnen een door het Gemengd Comité bepaalde langere termijn tot wederzijdse tevredenheid kunnen oplossen, zijn de artikelen 9, 10, 11 en 14 van dit besluit niet langer van toepassing vanaf de eerste werkdag van de maand die volgt op het einde van die termijn en zijn in plaats daarvan dezelfde regels als die van de artikelen 5 tot en met 8 van Besluit nr. 4/2020 van het Gemengd Comité, van toepassing.

Indien de situatie die aanleiding heeft gegeven tot de kennisgeving, is verholpen, stelt het Verenigd Koninkrijk de Unie daarvan in kennis in het Gemengd Comité. In dat geval zijn de artikelen 9, 10, 11 en 14 van dit besluit opnieuw van toepassing en zijn de dezelfde regels als die van de artikelen 5 tot en met 8 van Besluit nr. 4/2020 van het Gemengd Comité, niet langer van toepassing vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de tweede kennisgeving is gedaan.

4.    Indien een van beide partijen van oordeel is dat er sprake is van een aanzienlijke verlegging van de handel, van fraude of van andere illegale activiteiten, stelt die partij de andere partij uiterlijk één jaar na de in artikel 23, lid 5, van dit besluit vermelde datum daarvan in kennis en stellen de partijen alles in het werk om de aangelegenheid tot wederzijdse tevredenheid op te lossen. Indien de partijen de aangelegenheid niet tot wederzijdse tevredenheid kunnen oplossen, zijn artikel 7, lid 1, punt a), ii) en iii), artikel 7, lid 1, punt b), ii), en de artikelen 9 tot en met 14 van dit besluit 24 maanden na de in artikel 23, lid 5, van dit besluit vermelde datum niet langer van toepassing, tenzij het Gemengd Comité uiterlijk 18 maanden na de in artikel 23, lid 5, van dit besluit vermelde datum tot voortzetting van de toepassing ervan besluit.

Ingeval artikel 7, lid 1, punt a), ii) en iii), artikel 7, lid 1, punt b), ii), en de artikelen 9 tot en met 14 van dit besluit niet langer van toepassing zijn overeenkomstig de eerste alinea, wijzigt het Gemengd Comité dit besluit uiterlijk 24 maanden na de in artikel 23, lid 5, van dit besluit vermelde datum om te voorzien in een passende alternatieve regeling vanaf 24 maanden na de in artikel 23, lid 5, van dit besluit vermelde datum, rekening houdende met de specifieke omstandigheden in Noord-Ierland en met volledige inachtneming van de plaats van Noord-Ierland in het douanegebied van het Verenigd Koninkrijk.

Ingeval artikel 7, lid 1, punt a), ii) en iii), artikel 7, lid 1, punt b), ii), en de artikelen 9 tot en met 14 van dit besluit zijn geschorst overeenkomstig lid 2, punt a) of b), van dit artikel, worden de in de eerste en tweede alinea genoemde termijnen verlengd met de duur van die schorsing.

Artikel 16

Intrekking van Besluit nr. 4/2020 van het Gemengd Comité

Dit deel van dit besluit vervangt Besluit nr. 4/2020 van het Gemengd Comité, dat wordt ingetrokken.

DEEL 3

Instelling van een versterkt coördinatiemechanisme met betrekking tot de werking van het protocol op het gebied van btw en accijnzen

Artikel 17

Onderwerp

1.    Er wordt een versterkt coördinatiemechanisme voor btw en accijnzen op goederen (hierna “het mechanisme” genoemd) ingesteld.

2.    Het mechanisme heeft tot doel het Gemengd Comité bij te staan bij de evaluatie van de uitvoering en de toepassing van artikel 8 van het protocol met betrekking tot de in bijlage 3 bij het protocol vermelde bepalingen van het Unierecht, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat Noord-Ierland een integrerend deel vormt van de interne markt van het Verenigd Koninkrijk maar tegelijkertijd ook voor de integriteit van de interne markt van de Unie wordt gewaakt.

Artikel 18

Taken

Het mechanisme staat het Gemengd Comité bij om:

a)    een forum te bieden om de uitwisseling van relevante informatie uitgebreid en tijdig te coördineren en om overleg te plegen over toekomstige btw- en accijnswetgeving van het Verenigd Koninkrijk en de Unie, met name wanneer deze gevolgen heeft voor de goederenhandel in Noord-Ierland als gevolg van belangrijke wijzigingen in het toepasselijke wetgevingskader, of over grote obstakels die door de opsplitsing van de btw-behandeling van goederen en diensten kunnen ontstaan;

b)    een forum te bieden om de potentiële impact van de in punt a) bedoelde wetgeving in Noord-Ierland te beoordelen en om een soepele uitvoering ervan in Noord-Ierland voor te bereiden. Deze beoordeling moet met name ingaan op het vermijden van onnodige administratieve lasten en onnodige kosten voor bedrijven en belastingdiensten;

c)    een forum te bieden om praktische problemen te bespreken in verband met de toepassing van de bestaande btw- en accijnswetgeving van het Verenigd Koninkrijk en van de Unie, zoals die krachtens het protocol van toepassing is;

d)    besluiten of aanbevelingen vast te stellen met betrekking tot in bijlage 3 bij het protocol vermelde bepalingen van het Unierecht, zonder dat dit de risico’s van belastingfraude en mogelijke verstoring van de concurrentie in de Unie negatief beïnvloedt. Deze besluiten en aanbevelingen laten het niveau van de op goederen geheven btw en accijnzen onverlet; en

e)    iedere andere passende maatregel te bespreken en vast te stellen om zo nodig problemen in verband met de uitvoering en de toepassing van artikel 8 van het protocol aan te pakken.

Artikel 19

Werking

1.    De medevoorzitters van het gespecialiseerde comité voor vraagstukken betreffende de uitvoering van het protocol inzake Ierland/Noord-Ierland, dat is ingesteld bij artikel 165, lid 1, punt c), van het terugtrekkingsakkoord (hierna “het gespecialiseerde comité” genoemd), beleggen specifieke vergaderingen van het gespecialiseerde comité om in voorkomend geval btw en accijnzen met betrekking tot goederen te bespreken. Naar deze bijeenkomsten zal worden verwezen als het versterkte coördinatiemechanisme voor btw en accijnzen.

De medevoorzitters van het gespecialiseerde comité wijzen elk een hoofddeskundige op het gebied van btw en accijnzen aan (hierna “de hoofddeskundigen” genoemd).

2.    De vergaderingen van het mechanisme worden georganiseerd wanneer dat noodzakelijk is. De hoofddeskundigen kunnen informeel van gedachten wisselen tussen de vergaderingen van het mechanisme en kunnen ook informeel bijeenkomen. Na elke informele vergadering stellen de hoofddeskundigen een verslag op en zenden dit toe aan de medevoorzitters van het gespecialiseerde comité en de bij artikel 15 van het protocol opgerichte gemengde raadgevende werkgroep (hierna ”de gemengde raadgevende werkgroep” genoemd).

3.    De hoofddeskundigen dienen bij de medevoorzitters van het gespecialiseerde comité een eindverslag in met een samenvatting van het resultaat van de besprekingen over een bepaald onderwerp en een overzicht van aanbevolen maatregelen, met inbegrip van aangelegenheden waarover geen overeenstemming kon worden bereikt.

4.    De hoofddeskundigen kunnen vertegenwoordigers van derden of andere deskundigen uitnodigen om over specifieke kwesties te praten. Zij delen de naam van deze deskundigen aan de medevoorzitters van het gespecialiseerde comité mee.

De medevoorzitters van de gemengde raadgevende werkgroep kunnen de vergaderingen van het mechanisme bijwonen. De medevoorzitters van de gemengde raadgevende werkgroep kunnen de hoofddeskundigen informeren over voorgenomen handelingen van de Unie en andere aangelegenheden in verband met btw en accijnzen met betrekking tot goederen.

5.    Het reglement van orde van het Gemengd Comité en de gespecialiseerde comités als vastgesteld in bijlage VIII bij het terugtrekkingsakkoord is van overeenkomstige toepassing op het mechanisme, tenzij in dit besluit anders is bepaald.

Artikel 20

Voorstellen voor besluiten of aanbevelingen in verband met dit deel

Op basis van het in artikel 19, lid 3, bedoelde eindverslag van de hoofddeskundigen kan het gespecialiseerde comité voorstellen voor besluiten of aanbevelingen opstellen en ter goedkeuring aan het Gemengd Comité voorleggen. Deze voorstellen bevatten:

a)    de aangelegenheden in verband met de toepassing van artikel 8 van het protocol die de Unie en het Verenigd Koninkrijk samen in kaart hebben gebracht; en

b)    de voorgestelde oplossingen.

Artikel 21 

Herziening van dit deel

Het mechanisme wordt regelmatig geëvalueerd en zo nodig herzien.

De eerste herziening geschiedt uiterlijk op 1 januari 2027.

 

DEEL 4

Slotbepalingen

Artikel 22

De bijlagen I tot en met IV maken integraal deel uit van dit besluit. 

Artikel 23 

Inwerkingtreding en toepassing

1.    Dit besluit treedt in werking op de dag die volgt op de datum van vaststelling.

2.    De delen 1, 3 en 4 zijn van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

3.    De artikelen 9, 11 en 12 van, en bijlage III bij dit besluit zijn van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Met ingang van die datum zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit nr. 4/2020 van het Gemengd Comité niet langer van toepassing. Een krachtens de artikelen 5 en 7 van Besluit nr. 4/2020 van het Gemengd Comité verleende vergunning blijft geldig tot de datum waarop dit besluit, met uitzondering van artikel 7, lid 1, punt a), iii), de artikelen 9, 11, 12 en 13, en artikel 15, lid 3, van toepassing is overeenkomstig lid 3 van dit artikel. Elke krachtens de artikelen 9 en 11 van dit besluit verleende vergunning wordt aangemerkt als een krachtens de artikelen 5 en 7 van Besluit nr. 4/2020 van het Gemengd Comité verleende vergunning, zolang de andere bepalingen van Besluit nr. 4/2020 van het Gemengd Comité van toepassing zijn.

4.    Met inachtneming van de tweede alinea zijn de andere bepalingen van dit besluit, met uitzondering van artikel 7,lid 1, punt a), iii), artikel 13 en artikel 15, lid 3, van toepassing vanaf 30 september 2023, op voorwaarde dat in het Gemengd Comité de volgende verklaringen zijn afgegeven:

a)     een verklaring van de Unie waarin zij bevestigt:

i)    dat het Verenigd Koninkrijk uitvoering geeft aan artikel 5 van Besluit nr. 6/2020 van het Gemengd Comité door toegang te verlenen tot informatie in netwerken, informatiesystemen en databanken van het Verenigd Koninkrijk en tot nationale modules van het Verenigd Koninkrijk in systemen van de Unie als bedoeld in bijlage I bij dat besluit van het Gemengd Comité; en

ii)    dat alle bestaande XI EORI-registraties correct zijn afgegeven; en

iii)    dat het Verenigd Koninkrijk nieuwe richtsnoeren voor pakketten heeft opgesteld in overeenstemming met de in dit besluit vastgestelde regeling; en

iv)    dat het Verenigd Koninkrijk zijn unilaterale verklaring betreffende uitvoerprocedures voor goederen die Noord-Ierland verlaten naar andere delen van het Verenigd Koninkrijk, heeft afgegeven.

b)    een verklaring van het Verenigd Koninkrijk dat aan alle importeurs die krachtens artikel 7, lid 1, punt a), ii), en artikel 7, lid 1, punt b), ii), van dit besluit activiteiten wensen te ontplooien, een vergunning is verleend overeenkomstig de artikelen 9 en 11 van, en bijlage III bij dit besluit.

Indien één van de in de eerste alinea bedoelde verklaringen niet uiterlijk 30 september 2023 is afgegeven, zijn de bepalingen van dit besluit, met uitzondering van artikel 7, lid 1, punt a), iii), de artikelen 9, 11, 12 en 13, en artikel 15, lid 3, van toepassing vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de laatste van deze verklaringen is afgegeven.

5.    Op voorwaarde dat de handelingen van de Unie die voorzien in faciliteiten met betrekking tot het verkeer van goederen als bedoeld in artikel 7, lid 1, punt a), ii) en iii), van dit besluit, in werking zijn getreden en met inachtneming van de tweede alinea, zijn artikel 7, lid 1, punt a), iii), artikel 13 en artikel 15, lid 3, van toepassing vanaf 30 september 2024, op voorwaarde dat in het Gemengd Comité de volgende verklaringen zijn afgegeven:

a)    een verklaring van de Unie waarin zij bevestigt dat het Verenigd Koninkrijk de netwerken, informatiesystemen en databanken heeft opgezet met betrekking tot de in artikel 141, lid 10, punt d), vii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie bedoelde gegevens die aan de bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk moeten worden verstrekt, en waarin zij bevestigt dat het Verenigd Koninkrijk uitvoering geeft aan artikel 5 van Besluit nr. 6/2020 van het Gemengd Comité door toegang te verlenen tot informatie in deze netwerken, informatiesystemen en databanken; en

b)    een verklaring van het Verenigd Koninkrijk dat alle vervoerders aan wie een vergunning is verleend, aan de in artikel 13 van dit besluit vastgestelde verplichtingen kunnen voldoen.

Indien de in de eerste alinea bedoelde verklaringen allebei zijn afgegeven vóór 30 september 2024, of indien een van de in de eerste alinea bedoelde verklaringen niet is afgegeven op die datum, zijn artikel 7, lid 1, punt a), iii), artikel 13 en artikel 15, lid 3, van toepassing vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de laatste van deze verklaringen is afgegeven.

Gedaan te xx, xx 2023

Voor het Gemengd Comité

   De medevoorzitters



BIJLAGE I

Unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk

Betrokkenheid van de instellingen bij het akkoord van 1998

                                       

1.Het Verenigd Koninkrijk zal de volgende procedure vaststellen voor de inwerkingtreding van het noodremmechanisme in artikel 13, lid 3 bis, van het Windsor-kader 6 . Dit mechanisme zal toepassing vinden in de specifieke omstandigheden van deze verklaring en doet geen afbreuk aan de status van gemeenschapsoverschrijdende stemmingen en waarborgen in het akkoord van 1998, die uitsluitend en exclusief van toepassing zijn op gedecentraliseerde aangelegenheden.

a.Het mechanisme zal uitsluitend en exclusief functioneren indien, na de datum van deze verklaring, de Noord-Ierse regering opnieuw is samengesteld en haar taken uitvoert, met inbegrip van een premier en vice premier die hun ambt hebben opgenomen, en de Noord-Ierse Assemblee in regelmatige zitting bijeen is. Daarna moeten de leden van de wetgevende vergadering die het mechanisme in werking willen zetten, zich te goeder trouw zowel individueel als collectief inzetten voor het onverkorte functioneren van de instellingen, onder meer door ministers aan te wijzen en de normale werking van de Assemblee te ondersteunen.

b.De minimumdrempel voor het mechanisme zal op dezelfde basis werken als de aparte “Petition of Concern”-procedure in het kader van het akkoord van 1998, zoals bijgewerkt in het “New Decade, New Approach”-akkoord van 2020. Dit betekent dat 30 leden van de wetgevende vergadering van ten minste twee partijen (en met uitsluiting van de Speaker en Deputy Speakers) de regering van het Verenigd Koninkrijk in kennis moeten stellen van hun wens om het noodremmechanisme toe te passen.

c.In hun kennisgeving aan de regering van het Verenigd Koninkrijk moeten de leden van de wetgevende vergadering in een uitvoerige en publiek toegankelijke schriftelijke toelichting aantonen:

I.dat zij voldoen aan dezelfde vereisten als die welke zijn vastgesteld in bijlage B bij deel 2 van het “New Decade, New Approach”-akkoord, namelijk dat de kennisgeving slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden en als laatste redmiddel wordt gedaan, nadat alle overige beschikbare middelen zijn aangewend;

II.dat aan de voorwaarden van artikel 13, lid 3 bis, derde alinea, van het Windsor-kader is voldaan; en

III.dat de leden van de wetgevende vergadering vooraf inhoudelijke besprekingen met de regering van het Verenigd Koninkrijk en binnen de Noord-Ierse regering hebben gevoerd om alle mogelijkheden met betrekking tot de handeling van de Unie te onderzoeken; dat zij stappen hebben ondernomen om bedrijven, andere ondernemers en het maatschappelijk middenveld voor wie de desbetreffende handeling van de Unie gevolgen heeft, te raadplegen; en dat zij redelijkerwijs gebruik hebben gemaakt van de toepasselijke raadplegingsprocedures die de Europese Unie biedt voor nieuwe handelingen van de Unie die relevant zijn voor Noord-Ierland.

2.Indien het Verenigd Koninkrijk aanvaardt dat aan de voorwaarden van punt 1, a) en b), is voldaan en dat de krachtens punt 1, c), verstrekte toelichting bevredigend is, stelt het land de Unie daarvan in kennis overeenkomstig artikel 13, lid 3 bis, eerste alinea, van het Windsor-kader.

3.Het Verenigd Koninkrijk verbindt zich ertoe, als zij een kennisgeving van de leden van de wetgevende vergadering heeft ontvangen, dit onverwijld aan de Unie mee te delen.

4.Het Verenigd Koninkrijk verbindt zich ertoe, nadat de Unie ervan in kennis is gesteld dat het noodremmechanisme in werking is getreden, in het Gemengd Comité intensief overleg te plegen over de desbetreffende handeling van de Unie, conform artikel 13, lid 4, van het Windsor-kader.



BIJLAGE II

Aanvraag van een vergunning om goederen Noord-Ierland binnen te brengen voor eindconsumenten

(bedoeld in artikel 9 van het besluit)

 

Informatie in verband met de aanvraag

1.    Bewijsstukken

Door alle aanvragers te verstrekken verplichte bewijsstukken en informatie:

akte van oprichting/bewijs van een vaste bedrijfsinrichting

2.    Overige door de aanvrager te verstrekken bewijsstukken en informatie:

overige bewijsstukken of informatie die relevant worden geacht voor de controle of de aanvrager de in de artikelen 10 en 11 van dit besluit bedoelde voorwaarden vervult.

Verstrek informatie over het soort en, indien van toepassing, het identificatienummer en/of de datum van afgifte van het (de) bewijsstuk(ken) dat (die) bij de aanvraag is(zijn) gevoegd. Vermeld ook het totale aantal bijgevoegde stukken.

3.    Datum en handtekening van de aanvrager

Door middel van een elektronische gegevensverwerkingstechniek ingediende aanvragen worden geauthenticeerd door de persoon die de aanvraag indient.

Datum waarop de aanvrager de aanvraag heeft ondertekend of op andere wijze heeft geauthenticeerd.

Gegevens over de aanvrager

4.    Aanvrager

De aanvrager is degene die bij de douaneautoriteiten een beschikking aanvraagt.

Vermeld de naam en adresgegevens van de betrokkene.

5.    Identificatienummer van aanvrager

De aanvrager is degene die bij de douaneautoriteiten een beschikking aanvraagt.

Vermeld het in artikel 1, punt 18), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie( 7 ) bedoelde EORI-nummer (Economic Operators Registration and Identification — registratie en identificatie van marktdeelnemers) van de betrokkene.

6.    Rechtsvorm van de aanvrager

De rechtsvorm zoals vermeld in de akte van oprichting.

7.    Btw-identificatienummer(s)

Vermeld het btw-identificatienummer, indien toegekend.

8.    Bedrijfsactiviteiten

Verstrek informatie over de bedrijfsactiviteiten van de aanvrager. Geef een beknopte beschrijving van uw handelsactiviteit en vermeld uw rol in de toeleveringsketen (bv. fabrikant van goederen, importeur, detailhandelaar enz.). Gelieve deze elementen te beschrijven:

   het beoogde gebruik van de ingevoerde goederen, met vermelding van het soort goederen en het feit of deze enige vorm van bewerking ondergaan;

   een raming van het aantal douaneaangiften voor het vrije verkeer dat jaarlijks zal worden ingediend voor de betrokken goederen;

   het soort registers, systemen en controles dat is ingesteld ter ondersteuning van de verbintenis van artikel 10, punt b).

9.    Jaaromzet

Vermeld, voor de toepassing van artikel 6 van het besluit, de jaaromzet in het meest recente volledige boekjaar. Indien de onderneming pas is opgericht: verstrek de administratie en informatie die relevant is voor het beoordelen van de verwachte omzet, bv. de meest recente kasstroom, balans en winst- en verliesprognoses, zoals goedgekeurd door de directeurs/vennoten/enig eigenaar.

10.    Contactpersoon verantwoordelijk voor de aanvraag

De contactpersoon is verantwoordelijk voor het onderhouden van het contact met de douane met betrekking tot de aanvraag.

Vermeld de naam van de contactpersoon en diens telefoonnummer en e-mailadres (bij voorkeur een functionele mailbox).

11.    Persoon die aan het hoofd staat van het bedrijf dat de aanvraag heeft ingediend, of die zeggenschap uitoefent over het beheer ervan

Vermeld, voor de toepassing van artikel 11, punt b), van het besluit, de naam/namen en volledige contactgegevens van de betrokkene(n) overeenkomstig de wettelijke vestiging/vorm van het bedrijf dat de aanvraag heeft ingediend, met name: de directeur/leidinggevende van de onderneming en de bestuurders, indien van toepassing. De gegevens moeten ten minste de volledige naam en adresgegevens, de geboortedatum en het nationale identificatienummer bevatten.

Data, tijden, termijnen en plaatsen

12.    Datum van oprichting

In cijfers: de dag, de maand en het jaar van oprichting.

13.    Vestigingsadres/woonadres

Volledig adres van de plaats waar de persoon is gevestigd/woont, met inbegrip van de identificator van het land of gebied.

14.    Plaats van administratievoering

Vermeld het volledige adres van de locatie(s) waar de administratie van de aanvrager wordt gevoerd of zal worden gevoerd. De UN/LOCODE kan het adres vervangen als die de betrokken locatie ondubbelzinnig weergeeft.

15.    Plaats(en) van bewerking of gebruik

Vermeld het adres van de plaats(en) waar de goederen zullen worden bewerkt, indien van toepassing, en aan de eindconsumenten zullen worden verkocht.

 



Bijlage III

Toelichting op de in artikel 11 bedoelde voorwaarden

Deze bijlage is een toelichting op de voorwaarden van artikel 11 en vormt geen wijziging (beperking of uitbreiding) ervan.

Artikel 11, lid 1, punt b)

1.    Het in artikel 11, lid 1, punt b), van dit besluit vastgestelde criterium wordt geacht te zijn vervuld indien:

a)    geen besluit is genomen door een administratieve of rechterlijke instantie waarin wordt geconcludeerd dat een van de in punt b) beschreven personen, in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag, geen ernstige of herhaalde overtredingen van de douanewetgeving of de belastingvoorschriften heeft begaan in verband met zijn economische activiteit; en

b)    geen van de volgende personen een strafblad met zware misdrijven heeft in verband met zijn economische activiteit en, indien van toepassing, de economische activiteit van de aanvrager:

i)    de aanvrager;

ii)    de werknemer(s), met inbegrip van alle directe vertegenwoordigers die verantwoordelijk zijn voor de administratie van de aanvrager in verband met het verkeer van goederen in het kader van deze regeling;

iii)    de perso(o)n(en) die verantwoordelijk is (zijn) voor de aanvrager of die zeggenschap heeft (hebben) over de leiding van het bedrijf, en

iv)     een persoon die in eigen naam en voor rekening van de aanvrager handelt met betrekking tot het verkeer van goederen in het kader van deze regeling.

2.    Het criterium kan echter worden geacht te zijn vervuld wanneer de bevoegde autoriteit een inbreuk van geringe betekenis acht in verhouding tot het aantal en de omvang van de gerelateerde activiteiten, en de bevoegde autoriteit de goede trouw van de aanvrager niet in twijfel trekt.

3.    Indien de in lid 1, punt b), iii), bedoelde persoon, met uitzondering van de aanvrager, buiten het VK is gevestigd of zijn woonplaats heeft, beoordeelt de bevoegde autoriteit op basis van de documenten en informatie waarover zij beschikt of aan het genoemde criterium is voldaan.

4.    Indien de aanvrager minder dan drie jaar geleden is opgericht, beoordeelt de bevoegde autoriteit de naleving van het criterium dat betrekking heeft op de aanvrager, op basis van de documenten en informatie waarover zij beschikt.

Artikel 11, lid 1, punt c)

Het in artikel 11, lid 1, punt c), van dit besluit vastgestelde criterium wordt geacht te zijn vervuld indien aan de volgende voorwaarden is voldaan.

5.    De aanvrager beschikt over een administratieve organisatie en een systeem van interne controles die in overeenstemming zijn met de aard en de omvang van de bedrijfsactiviteiten en die geschikt zijn voor het beheer van de goederenstroom. Aanvragers moeten beschikken over een systeem van interne controles waarmee fouten kunnen worden voorkomen, opgespoord en rechtgezet en illegale activiteiten binnen hun organisatie kunnen worden voorkomen en opgespoord.

6.    De aanvrager moet aantonen dat hij een toereikende administratie voert met betrekking tot het verkeer van goederen in het kader van deze regeling. Hij moet aantonen dat hij over procedures beschikt om gegevens tegen verlies te beschermen, en over procedures om historische gegevens te archiveren, met inbegrip van de inventarisatie, back-up en bescherming van gegevens gedurende vijf jaar.

7.    De administratie wordt gevoerd in overeenstemming met de boekhoudkundige beginselen die in het Verenigd Koninkrijk worden toegepast.

8.    De administratie van de goederen die naar Noord-Ierland worden gebracht, moet ofwel in de boekhouding worden opgenomen ofwel, indien zij afzonderlijk wordt bijgehouden, de mogelijkheid bieden om controles te verrichten tussen gegevens betreffende aankopen, verkopen, voorraadcontroles en goederenbewegingen.

9.    De vergunninghoudende handelaar verleent de bevoegde autoriteit op verzoek elektronische en/of fysieke toegang tot de in punt 8 bedoelde administratie in een passend formaat.

10.    De vergunninghoudende handelaar is verplicht de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk in kennis te stellen van eventuele nalevingsproblemen alsook van elk voorval dat zich na de toekenning van de status van vergunninghoudend handelaar voordoet en dat van invloed kan zijn op de continuïteit of de inhoud ervan. Er moeten interne instructies voorhanden zijn die waarborgen dat het betrokken personeel weet op welke wijze de bevoegde autoriteit in kennis moet worden gesteld van dergelijke nalevingsproblemen.

11.    Wanneer vergunninghoudende handelaren betrokken zijn bij de afhandeling van goederen ten aanzien waarvan verboden of beperkingen gelden, moeten er passende procedures voorhanden zijn voor de afhandeling van die goederen overeenkomstig de desbetreffende wetgeving.

12.    Een vergunninghoudende handelaar moet over ondersteunende stukken met betrekking tot zijn afnemers beschikken om te waarborgen dat hij nauwkeurige beoordelingen kan doen ter zake van goederen die in het kader van deze regeling worden vervoerd. Er moeten maatregelen zijn genomen om te waarborgen dat goederen die in het kader van deze regeling worden vervoerd, alleen worden verkocht of gebruikt indien dit in overeenstemming is met dit besluit van het Gemengd Comité. De vergunninghoudende handelaar wordt verplicht voortdurend inzicht te hebben in de bedrijfsactiviteiten van nieuwe en bestaande afnemers, zodat wordt voldaan aan de in dit besluit van het Gemengd Comité vastgestelde criteria voor betrouwbare handelaren. Hieronder volgen voorbeelden van situaties waarin een vergunninghoudende handelaar die niet verantwoordelijk is voor de eindbestemming van de goederen, goederen kan vervoeren in het kader van de regeling:

a)    een schriftelijke en ondertekende verklaring van de afnemer dat de goederen in Noord-Ierland zullen blijven;

b)    bewijs dat de afnemer alleen detailverkoop voor eindgebruik of eindverbruik in het Verenigd Koninkrijk verricht vanuit een fysiek verkooppunt in Noord-Ierland;

c)    bewijs dat de afnemer alleen goederen verkoopt die bestemd zijn voor eindgebruik door eindgebruikers in het Verenigd Koninkrijk en in het Verenigd Koninkrijk worden geleverd;

d)    handelscontracten en aankooporders waaruit blijkt dat goederen bestemd zullen zijn voor eindgebruik in het Verenigd Koninkrijk;

e)    bewijs dat de verkoop een goed betreft dat permanent in het Verenigd Koninkrijk zal worden geïnstalleerd.

Artikel 11, lid 1, punt d)

13. Aan het in artikel 11, lid 1, punt d), van dit besluit vastgestelde criterium wordt geacht te zijn voldaan wanneer de bevoegde autoriteit vaststelt dat de aanvrager met name aan het volgende voldoet:

a)    de aanvrager is niet verwikkeld in een faillissementsprocedure;

b)    gedurende de afgelopen drie jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft de aanvrager voldaan aan zijn financiële verplichtingen met betrekking tot de betaling van douanerechten en alle andere rechten, belastingen of heffingen die op of in verband met de invoer of uitvoer van goederen worden geheven;

c)    c) de aanvrager toont aan de hand van de bescheiden en gegevens die beschikbaar zijn voor de afgelopen drie jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag aan dat hij over voldoende financiële draagkracht beschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen en zijn verbintenissen met betrekking tot de aard en de omvang van de bedrijfsactiviteiten na te komen.

14.    Wanneer de aanvrager minder dan drie jaar geleden is opgericht, wordt zijn financiële solvabiliteit beoordeeld aan de hand van de beschikbare documenten en informatie.

Artikel 11, lid 1, punt e)

Het in artikel 11, lid 1, punt c), van dit besluit vastgestelde criterium wordt geacht te zijn vervuld indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

15.    De aanvrager of de persoon die verantwoordelijk is voor de administratie van de aanvrager met betrekking tot het verkeer van goederen in het kader van deze regeling, moet kunnen aantonen dat hij duidelijk inzicht heeft in, en op welke wijze hij voldoet aan, zijn verplichtingen met betrekking tot deze criteria, en hij moet blijk geven van voldoende bekwaamheid om de bevoegde autoriteit nauwkeurige informatie te verstrekken met betrekking tot deze verplichtingen en de toepasselijke procedures.



Bijlage IV

Categorie 1

De als “ goederen van categorie 1” aangeduide goederen zijn goederen die onderworpen zijn aan:

1. vigerende beperkende maatregelen op grond van artikel 215 VWEU, voor zover zij betrekking hebben op de handel in goederen tussen de Unie en derde landen;

2. totaalverboden;

3. handelsbeschermingsinstrumenten als vermeld in punt 5 van bijlage 2 bij het protocol;

4. tariefcontingenten van de Unie als de importeur het contingent opvraagt;

5. andere Uniequota dan tariefcontingenten.

Categorie 2

De als “ goederen van categorie 2” aangeduide goederen zijn goederen die onderworpen zijn aan:

1.    Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren

2.    Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad

3.    Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden

4.    Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen

5.    Verordening (EU) 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende kwik, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1102/2008

6.    Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer

7.    Verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en producten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen

8.    Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten

9.    Richtlijn 2006/117/Euratom van de Raad van 20 november 2006 betreffende toezicht en controle op overbrenging van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstof

10.    Verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningensysteem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap

11.    Richtlijn 83/129/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de invoer in de lidstaten van huiden van bepaalde zeehondenjongen en daarvan vervaardigde producten

12.    Verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de handel in zeehondenproducten

13.    Richtlijn 2014/28/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van en de controle op explosieven voor civiel gebruik

14.    Richtlijn 2013/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen

15.    Verordening (EU) nr. 98/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven

16.    Richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens

17.    Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad van 27 juni 2005 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing

18.    Verordening (EG) nr. 2368/2002 van de Raad van 20 december 2002 tot uitvoering van de Kimberleyprocescertificering voor de internationale handel in ruwe diamant

19.    tariefcontingenten van de Unie als de importeur het contingent niet opvraagt

20.    artikel 47 van Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen (verordening officiële controles), tenzij die goederen ook onderworpen zijn aan de verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake speciale betreffende specifieke regels met betrekking tot voor de binnenkomst in Noord-Ierland vanuit andere delen van het Verenigd Koninkrijk van bepaalde zendingen detailhandelsgoederen, voor opplant bestemde planten, pootaardappelen, machines en bepaalde voertuigen die voor landbouw- enof bosbouwdoeleinden worden zijn geëxploiteerd, en alsook voor het niet-commerciële verkeer van bepaalde gezelschapsdieren naar Noord-Ierland, zoals die wordt vastgesteld op basis van [reference to the Commission proposal to be inserted before date of Joint Committee meeting]

21.    in punt 2 van bijlage 3 bij het protocol vermelde handelingen van de Unie

22.    in punt 20 van bijlage 2 bij het protocol vermelde handelingen van de Unie

23.    Verordening (EU) nr. 649/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen

24.    Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie

25.     Verordening (EU) 2019/880 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het binnenbrengen en de invoer van cultuurgoederen

26.    alle handelingen van de Unie zoals die overeenkomstig het protocol van toepassing zijn op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland en die bepalen dat een marktdeelnemer of een bevoegde partnerautoriteit stappen vóór of bij binnenkomst in de Unie moet ondernemen voor de controle van de goederen of voor andere formaliteiten. De Unie stelt het Verenigd Koninkrijk onverwijld in kennis indien een handeling van de Unie van een in de eerste zin bedoelde aard is.



ONTWERPAANBEVELING Nr.[ …]/2023 VAN HET BIJ HET AKKOORD INZAKE DE TERUGTREKKING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND UIT DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE INGESTELDE GEMENGD COMITÉ

van ...

inzake markttoezicht en handhaving

HET GEMENGD COMITÉ,

Gezien het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie 8 (“het terugtrekkingsakkoord”), en met name artikel 166, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Overeenkomstig artikel 166, lid 3, van het terugtrekkingsakkoord worden aanbevelingen gedaan in onderlinge overeenstemming.

(2)Overeenkomstig artikel 182 van het terugtrekkingsakkoord maakt het protocol inzake Ierland/Noord-Ierland (“het protocol”) integrerend deel uit van dat akkoord.

(3)Artikel 6, lid 2, van het protocol regelt de instelling van specifieke regelingen voor de overbrenging van goederen binnen de interne markt van het Verenigd Koninkrijk, in overeenstemming met de positie van Noord-Ierland als deel van het douanegebied van het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig het protocol, indien de goederen bestemd zijn voor eindverbruik of eindgebruik in Noord-Ierland en indien de nodige waarborgen voorhanden zijn om de integriteit van de interne markt en de douane-unie van de Unie te beschermen overeenkomstig het protocol,

HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het Gemengd Comité doet de Unie en het Verenigd Koninkrijk de volgende aanbeveling:

In het kader van de specifieke regelingen conform artikel 6, lid 2, van het protocol zouden instrumenten voor markttoezicht en handhaving in samenwerking moeten worden gebruikt om de goederenstroom te monitoren en de risico’s met betrekking tot de onrechtmatige binnenkomst in de Unie of het Verenigd Koninkrijk te beheren.

Nauwere samenwerking tussen het Verenigd Koninkrijk en de Unie, en in voorkomend geval tussen het Verenigd Koninkrijk en de autoriteiten van de lidstaten, zou die regelingen met doeltreffende markttoezicht- en handhavingsactiviteiten moeten ondersteunen. Dit zou het toezicht op en het beheer van die regelingen moeten ondersteunen, zonder dat er controles aan de grens tussen Noord-Ierland en Ierland nodig zijn.

Deze samenwerking kan het delen van kennis, informatie-uitwisseling, samenwerking met marktdeelnemers en, in voorkomend geval, gezamenlijke activiteiten, met name tussen autoriteiten in Noord-Ierland en in de betrokken lidstaten, omvatten om illegale activiteiten en smokkel aan te pakken, te waarborgen dat er geen goederen in de handel worden gebracht die niet aan de toepasselijke normen voldoen, en te waarborgen dat handhavings- en bewakingsactiviteiten prioriteit wordt toegekend op basis van risico’s en inlichtingen. De autoriteiten zouden er ook voor moeten zorgen dat bedrijven en marktdeelnemers zich bewust zijn van de markttoegang die beschikbaar is voor goederen die tussen Noord-Ierland en de Unie worden vervoerd, indien die goederen, overeenkomstig het protocol, aan de toepasselijke vereisten voldoen.

Het Verenigd Koninkrijk en de Unie zouden via de structuren van het terugtrekkingsakkoord, waaronder het Gemengd Comité, constructief moeten samenwerken om de doeltreffende werking van de nieuwe regelingen te ondersteunen, in het belang van de mensen en de bedrijven in Noord-Ierland.

Artikel 2

Deze aanbeveling wordt van kracht op de dag volgende op die waarop zij is gedaan.

Gedaan te xx, xx 2023

Voor het Gemengd Comité

De medevoorzitters 



ONTWERPAANBEVELING Nr.[ …]/2023 VAN HET BIJ HET AKKOORD INZAKE DE TERUGTREKKING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND UIT DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE INGESTELDE GEMENGD COMITÉ

van ...

inzake artikel 13, lid 3 bis, van het protocol inzake Ierland/Noord-Ierland

HET GEMENGD COMITÉ,

Gezien het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie 9 (“het terugtrekkingsakkoord”), en met name artikel 166, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Overeenkomstig artikel 166, lid 3, van het terugtrekkingsakkoord worden aanbevelingen gedaan in onderlinge overeenstemming.

(2)Overeenkomstig artikel 182 van het terugtrekkingsakkoord maakt het protocol inzake Ierland/Noord-Ierland (“het protocol”) integrerend deel uit van dat akkoord.

(3)Indien een arbitragepanel heeft geoordeeld dat het Verenigd Koninkrijk niet aan de voorwaarden van artikel 13, lid 3 bis, derde alinea, van het protocol heeft voldaan, moet de uitspraak van dat arbitragepanel snel worden nageleefd,

HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het Gemengd Comité doet de Unie en het Verenigd Koninkrijk de volgende aanbeveling:

Indien het arbitragepanel overeenkomstig artikel 175 van het terugtrekkingsakkoord heeft geoordeeld dat het Verenigd Koninkrijk artikel 13, lid 3 bis, derde alinea, van het protocol, niet heeft nageleefd, komen de Unie en het Verenigd Koninkrijk uiterlijk 30 dagen na overeen dat, om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven, in voorkomend geval en in de mate zoals daarin bepaald, de handeling van de Unie met ingang van de eerste dag van de tweede maand na de kennisgeving van de uitspraak van het arbitragepanel aan de Unie en het Verenigd Koninkrijk, van toepassing is zoals gewijzigd of vervangen door de specifieke handeling van de Unie, als omschreven in artikel 13, lid 3 bis, van het protocol. 

Artikel 2

Deze aanbeveling wordt van kracht op de dag volgende op die waarop zij is gedaan.

Gedaan te xx, xx 2023

Voor het Gemengd Comité

De medevoorzitters

BIJLAGE 2



ONTWERP VAN GEZAMENLIJKE VERKLARING Nr. XX/2023 VAN DE UNIE EN HET VERENIGD KONINKRIJK IN HET BIJ HET AKKOORD INZAKE DE TERUGTREKKING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND UIT DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE INGESTELDE GEMENGD COMITÉ

van XX 2023

 

Overeenkomstig de in Besluit nr. XX/2023 van het Gemengd Comité vastgestelde regelingen moet het protocol inzake Ierland/Noord-Ierland (“het protocol”), zoals gewijzigd bij dat besluit van het Gemengd Comité, nu het “Windsor-kader” worden genoemd.  

Daarom zal, waar van toepassing in de betrekkingen tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk in het kader van het terugtrekkingsakkoord, het protocol, zoals gewijzigd bij Besluit nr. XX/2023 van het Gemengd Comité, conform de vereisten van rechtszekerheid worden aangeduid als het “Windsor-kader”. Het protocol, zoals gewijzigd bij Besluit nr. XX/2023 van het Gemengd Comité, kan ook in het binnenlands recht van de Unie en het Verenigd Koninkrijk als het “Windsor-kader” worden aangeduid.



ONTWERP VAN GEZAMENLIJKE VERKLARING VAN DE UNIE EN HET VERENIGD KONINKRIJK IN HET BIJ HET AKKOORD INZAKE DE TERUGTREKKING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND UIT DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE INGESTELDE GEMENGD COMITÉ

van XX 2023

betreffende de toepassing van artikel 10, lid 1, van het Windsor-kader 10

De Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, regelt de verplichtingen inzake subsidiecontrole tussen het Verenigd Koninkrijk en de Unie in het algemeen en zorgt voor een gelijk speelveld tussen het Verenigd Koninkrijk en de Unie.

Artikel 10, lid 1, van het Windsor-kader bestaat afzonderlijk van deze handels- en samenwerkingsovereenkomst. In het Windsor-kader komt zowel de unieke toegang van Noord-Ierland tot de interne markt van de Unie als de integrerende plaats ervan in de interne markt van het Verenigd Koninkrijk tot uiting. In dit verband moet artikel 10, lid 1, van het Windsor-kader worden opgevat als alleen relevant voor de handel in goederen of op de elektriciteitsmarkt (hierna “goederen” genoemd) tussen Noord-Ierland en de Unie die onder het Windsor-kader valt. 

De Unie heeft op 17 december 2020 de volgende unilaterale verklaring afgelegd in het bij artikel 164 van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ingestelde Gemengd Comité: “Bij het toepassen van artikel 107 VWEU op in artikel 10, lid 1, van het protocol bedoelde situaties zal de Europese Commissie terdege rekening houden met de integrerende plaats van Noord-Ierland in de interne markt van het Verenigd Koninkrijk. De Europese Unie beklemtoont dat een beïnvloeding van het handelsverkeer tussen Noord-Ierland en de Unie waarop dit protocol van toepassing is, hoe dan ook niet louter hypothetisch, vermoed of zonder reëel en rechtstreeks verband met Noord-Ierland kan zijn. Aangetoond moet worden waarom de maatregel die invloed op het handelsverkeer tussen Noord-Ierland en de Unie dreigt te hebben, op basis van de reële voorzienbare effecten van de maatregel.” 

Deze gezamenlijke verklaring over de toepassing van artikel 10, lid 1, van het Windsor-kader bouwt voort op de unilaterale verklaring van de Unie, waarbij de plaats van Noord-Ierland op de interne markt van het Verenigd Koninkrijk wordt bevestigd en er tegelijkertijd voor wordt gezorgd dat de interne markt van de Unie wordt beschermd. Zij verduidelijkt de toepassingsvoorwaarden van artikel 10, lid 1, van het Windsor-kader door de specifieke omstandigheden te benoemen waarin dat artikel waarschijnlijk zal worden geactiveerd als er in het Verenigd Koninkrijk subsidies worden toegekend, en kan worden gebruikt om die bepaling uit te leggen.

Om een reëel en rechtstreeks verband met Noord-Ierland te kunnen aannemen en zodoende de onder het Windsor-kader vallende handel tussen Noord-Ierland en de Unie te beïnvloeden, moet een maatregel reële voorzienbare gevolgen voor het handelsverkeer hebben. De relevante reële voorzienbare gevolgen moeten materieel zijn en niet louter hypothetisch of vermoed.

Voor maatregelen die worden toegekend aan een begunstigde die in Groot-Brittannië is gevestigd, kunnen factoren die voor de materialiteit van belang zijn, onder meer betrekking hebben op de omvang van de onderneming, de omvang van de subsidie en de aanwezigheid van de onderneming op de relevante markt in Noord-Ierland. Het louter in de handel brengen van goederen op de Noord-Ierse markt volstaat op zichzelf niet als reëel en rechtstreeks verband in de zin van artikel 10, lid 1, van het Windsor-kader, maar maatregelen die aan in Noord-Ierland gevestigde begunstigden worden toegekend, hebben waarschijnlijk eerder materiële gevolgen.

Voor maatregelen die aan in Groot-Brittannië gevestigde begunstigden worden toegekend en die materiële gevolgen hebben, moet verder worden aangetoond dat het economische voordeel van de subsidie geheel of gedeeltelijk zou worden doorgegeven aan een onderneming in Noord-Ierland of via het in de handel brengen van de desbetreffende goederen in Noord-Ierland, bijvoorbeeld door verkoop onder de marktprijs, wil er een rechtstreeks en reëel verband zijn in de zin van artikel 10, lid 1, van het Windsor-kader.

De Europese Commissie en het Verenigd Koninkrijk zullen in hun respectieve richtsnoeren de omstandigheden beschrijven waarin artikel 10 van het Windsor-kader van toepassing is, en zullen nadere bijzonderheden verstrekken opdat subsidieverleners en ondernemingen in het Verenigd Koninkrijk met meer zekerheid kunnen optreden.



ONTWERP VAN GEZAMENLIJKE VERKLARING VAN DE UNIE EN HET VERENIGD KONINKRIJK IN HET BIJ HET AKKOORD INZAKE DE TERUGTREKKING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND UIT DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE INGESTELDE GEMENGD COMITÉ

van [XX] 2023

betreffende artikel 13, lid 3 bis, van het Windsor-kader 11

De Unie en het Verenigd Koninkrijk onderkennen dat een kennisgeving uit hoofde van artikel 13, lid 3 bis, van het Windsor-kader alleen als te goeder trouw overeenkomstig artikel 5 van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie 12 (“het terugtrekkingsakkoord”) kan worden gedaan als aan alle voorwaarden van punt 1 van de unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk inzake de betrokkenheid van de instellingen van het Akkoord van 1998, zoals aan Besluit [XX]/2023 gehecht 13 , is voldaan.

Indien het arbitragepanel overeenkomstig artikel 175 van het terugtrekkingsakkoord heeft geoordeeld dat het Verenigd Koninkrijk niet aan de voorwaarden van artikel 5 van het terugtrekkingsakkoord met betrekking tot een kennisgeving uit hoofde van artikel 13, lid 3 bis, van het Windsor-kader heeft voldaan, moet de uitspraak van dat arbitragepanel snel worden nageleefd, zoals in Aanbeveling [XX]/2023 uiteengezet 14 .



ONTWERP VAN GEZAMENLIJKE VERKLARING VAN DE UNIE EN HET VERENIGD KONINKRIJK IN HET BIJ HET AKKOORD INZAKE DE TERUGTREKKING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND UIT DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE INGESTELDE GEMENGD COMITÉ

van XX 2023

nummer X

De Unie en het Verenigd Koninkrijk willen herhalen dat zij zich ertoe verbinden ten volle gebruik te maken van de structuren waarin in het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (“het terugtrekkingsakkoord”) is voorzien, te weten het Gemengd Comité, de gespecialiseerde comités en de gemengde raadgevende werkgroep, om toezicht te houden op de uitvoering van het akkoord. Zij zullen elkaar bijstaan bij de uitvoering van de uit het Windsor-kader 15 voortvloeiende taken, waarbij zij elkaar ten volle respecteren en te goeder trouw handelen, overeenkomstig artikel 5 van het terugtrekkingsakkoord. 

 

Het Verenigd Koninkrijk wijst op zijn unilaterale toezegging om ervoor te zorgen dat de premier en de vicepremier van Noord-Ierland volledig aan de delegatie van het Verenigd Koninkrijk in het Gemengd Comité deelnemen, en in dat verband op zijn vastberadenheid om te waarborgen dat de toepassing van het Windsor-kader zo min mogelijk gevolgen heeft voor het dagelijks leven van de gemeenschappen.

De Unie en het Verenigd Koninkrijk zijn voornemens regelmatig vergaderingen van de betrokken gezamenlijke structuren te organiseren om de dialoog en de betrokkenheid te bevorderen. In dit verband kan het Gespecialiseerd Comité voor de uitvoering van het Windsor-kader gedachtewisselingen organiseren over toekomstige wetgeving van het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot goederen die voor de werking van het Windsor-kader van belang zijn. Op die basis kunnen het Verenigd Koninkrijk en de Unie in het bijzonder de potentiële gevolgen van die toekomstige wetgeving in Noord-Ierland beoordelen, erop anticiperen en eventuele praktische problemen bespreken.

Daartoe kan het Gespecialiseerde Comité in een bijzondere samenstelling bijeenkomen, namelijk het speciale orgaan inzake goederen. Zo nodig kan het de gemengde raadgevende werkgroep en een van haar relevante subgroepen, bestaande uit deskundigen van de Europese Commissie en de regering van het Verenigd Koninkrijk, verzoeken een bepaalde kwestie te onderzoeken en informatie te verstrekken. Indien passend, kunnen vertegenwoordigers van ondernemingen en belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld worden uitgenodigd om vergaderingen bij te wonen. Het Gespecialiseerd Comité kan indien nodig aanbevelingen doen aan het Gemengd Comité.

De Unie en het Verenigd Koninkrijk zijn vastbesloten eventuele kwesties in verband met de werking van het Windsor-kader zo goed en zo snel mogelijk op te lossen. De Unie en het Verenigd Koninkrijk zullen de gezamenlijke organen inzetten om kwesties aan te pakken die zich bij de uitvoering van het Windsor-kader zouden kunnen voordoen. Die kwesties kunnen derhalve op verzoek van de partijen in de gezamenlijke organen van het terugtrekkingsakkoord worden besproken. Zo kunnen de partijen regelmatig ontwikkelingen bespreken die voor de correcte nakoming van hun verplichtingen binnen het Windsor-kader van belang zijn.

De Unie en het Verenigd Koninkrijk herhalen hun toezegging om alles in het werk te stellen om via dialoog tot wederzijds bevredigende oplossingen te komen voor aangelegenheden die de werking van het terugtrekkingsakkoord beïnvloeden. Daartoe zijn de Unie en het Verenigd Koninkrijk voornemens ten volle gebruik te maken van de bevoegdheden van het Gemengd Comité, teneinde te goeder trouw tot gezamenlijk overeengekomen oplossingen te komen voor kwesties van gemeenschappelijk belang.

Uitwisselingen in dergelijke kaders laten de autonomie van de besluitvorming en de respectieve rechtsorden van de Unie en het Verenigd Koninkrijk onverlet.



ONTWERP VAN GEZAMENLIJKE VERKLARING VAN DE UNIE EN HET VERENIGD KONINKRIJK IN HET BIJ HET AKKOORD INZAKE DE TERUGTREKKING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND UIT DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE INGESTELDE GEMENGD COMITÉ

van XX 2023

betreffende het btw-stelsel voor goederen die geen risico vormen voor de interne markt van de Unie en betreffende de btw-regeling voor grensoverschrijdende teruggaaf

De Unie en het Verenigd Koninkrijk zijn voornemens de mogelijkheid te onderzoeken om een besluit van het Gemengd Comité vast te stellen op basis van artikel 4 van Besluit XX/2023 16 , waarin wordt bepaald dat de tariefregels die zijn vastgesteld in artikel 98 van Richtlijn 2006/112/EG, gelezen in samenhang met bijlage III bij die richtlijn, niet van toepassing zijn op bepaalde goederen, met uitzondering van goederen die door belastingplichtigen worden geleverd en geïnstalleerd in onroerende goederen die zich in Noord-Ierland bevinden. Dat besluit zou alleen betrekking hebben op dergelijke goederen die naar hun aard en door de voorwaarden waaronder zij worden geleverd, aan eindverbruik in Noord-Ierland onderworpen zouden zijn, en waarvoor de niet-toepassing van de tariefregels van artikel 98 van Richtlijn 2006/112/EG, gelezen in samenhang met bijlage III bij die richtlijn, niet tot negatieve gevolgen voor de interne markt van de Unie in de vorm van risico’s van belastingfraude en potentiële verstoring van de mededinging zou leiden. Bij een dergelijk besluit moet een gedetailleerde lijst worden opgesteld die vijf jaar geldig is. De Unie en het Verenigd Koninkrijk bevestigen hun bereidheid om die lijst regelmatig te evalueren en te herzien.

De Unie en het Verenigd Koninkrijk zijn ook voornemens de huidige btw-regeling voor grensoverschrijdende teruggaaf uit hoofde van Richtlijn 2008/9/EG en Richtlijn 86/560/EEG te evalueren en na te gaan of, indien nodig, op basis van artikel 4 van Besluit XX/2023 een besluit van het Gemengd Comité moet worden vastgesteld waarbij eventueel nodige aanpassingen worden vastgesteld of waarbij de teruggaafregeling louter tot de toepassing van Richtlijn 86/560/EEG beperkt blijft. Bij die evaluatie moeten de administratieve lasten voor belastingplichtigen en de administratieve kosten voor de belastingdiensten in aanmerking worden genomen.

   

BIJLAGE 3



ONTWERP VAN UNILATERALE VERKLARING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK IN HET BIJ HET AKKOORD INZAKE DE TERUGTREKKING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND UIT DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE INGESTELDE GEMENGD COMITÉ

van xxx/2023

inzake markttoezicht en handhaving

Het Verenigd Koninkrijk herhaalt zijn toezegging om te zorgen voor een robuust systeem voor markttoezicht en handhaving in het kader van de unieke regelingen die overeenkomstig het Windsor-kader 17 met de Europese Unie zijn overeengekomen om de handel binnen de interne markt van het VK en de plaats van Noord-Ierland in het douanegebied van het VK te beschermen, en tegelijkertijd de integriteit van de interne markt en de douane-unie van de Europese Unie te waarborgen.

Het Verenigd Koninkrijk benadrukt dat er robuuste handhaving nodig is om te waarborgen dat handelaren deze nieuwe interne handelsregelingen van het VK niet misbruiken om goederen naar de Europese Unie te vervoeren.

Markttoezicht

Het Verenigd Koninkrijk onderkent de belangrijke rol van markttoezicht en het werk van markttoezichtautoriteiten en andere bevoegde autoriteiten bij het verwezenlijken van deze doelstellingen. Het Verenigd Koninkrijk blijft er daarom voor zorgen dat deze autoriteiten een activiteitenprogramma volgen dat gericht is op veiligheid en naleving, waaronder samenwerking met ondernemingen om te waarborgen dat zij zich bewust zijn van hun verplichtingen, het beoordelen van documentatie en het controleren van producten op de markt, indien van toepassing.

Het Verenigd Koninkrijk blijft:

-vermogen en capaciteit opbouwen bij markttoezichtautoriteiten en andere bevoegde autoriteiten;

-de methoden voor de beoordeling van productveiligheidsrisico’s verbeteren;

-waarborgen dat de betrokken autoriteiten over de nodige bevoegdheden beschikken om doeltreffende monitoringactiviteiten uit te voeren inzake de internationale grens tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie;

-op risico’s en inlichtingen gebaseerde activiteiten van relevante autoriteiten ondersteunen, met inbegrip van passende audits, inspecties en steekproefsgewijze controles, om na te gaan of aan de toepasselijke eisen wordt voldaan;

-gebruikmaken van robuuste inlichtingen en gegevensvergaring, bedoeld voor een gedetailleerde empirische basis om nieuwe risico’s, zoals mogelijke bewegingen naar de Europese Unie, in kaart te brengen;

-nauwkeurige en gedetailleerde informatie gebruiken om beleids- en handhavingsbesluiten te onderbouwen; en

-informatie uitwisselen en ontvangen via de juiste IT-systemen over de nalevingsactiviteiten van markttoezichtautoriteiten en andere bevoegde autoriteiten.

Het Verenigd Koninkrijk blijft ook steun verlenen ten behoeve van de samenwerking met markttoezichtautoriteiten op andere markten, via het verbindingsbureau voor markttoezicht.

Handhaving

Een robuuste handhaving zal geen nieuwe verificaties of controles aan de grens tussen Noord-Ierland en Ierland behelzen, maar houdt in dat de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk, conform internationale beste praktijken, in voorkomend geval nauwer samenwerken met de autoriteiten van de Europese Unie en de lidstaten, teneinde de interne markt van het VK en de interne markt en douane-unie van de Europese Unie te beschermen en illegale activiteiten en smokkel, onder meer door georganiseerde criminele groepen, krachtig aan te pakken.

Ten aanzien van goederen die aan sanitaire en fytosanitaire voorschriften onderworpen zijn, zullen markttoezicht- en handhavingsactiviteiten de specifieke procedures in de toepasselijke regels voor de binnenkomst van die goederen in Noord-Ierland verder verbeteren. Daarnaast zal het Verenigd Koninkrijk zijn monitoring- en handhavingsactiviteiten versterken om de risico’s in verband met goederen die per pakket worden vervoerd, doeltreffend te beheren, met inachtneming van de bijzondere afhankelijkheid van consumenten van die bewegingen.

Het Verenigd Koninkrijk zet ook zijn strenge sanctieregeling voor illegale handel en smokkelactiviteiten voort. Die regeling zal nauwlettend worden opgevolgd, en de sancties voor misbruik van deze nieuwe regels door het vervoer van goederen naar de Europese Unie kunnen worden verhoogd, indien een extra afschrikmiddel nodig is.

Het Verenigd Koninkrijk zal doeltreffende, afschrikkende en evenredige maatregelen treffen met betrekking tot mogelijke niet-naleving. Die omvatten risicoanalyse, risicogebaseerde nalevingsmaatregelen en voortdurende risicobeoordelingen van de handelarenpopulatie, geschraagd door sancties en straffen.



ONTWERP VAN UNILATERALE VERKLARING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK IN HET BIJ HET AKKOORD INZAKE DE TERUGTREKKING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND UIT DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE INGESTELDE GEMENGD COMITÉ

van xxx/2023

betreffende uitvoerregelingen voor goederen die vanuit Noord-Ierland naar andere delen van het Verenigd Koninkrijk worden vervoerd

Het Verenigd Koninkrijk wijst op de plaats van Noord-Ierland binnen het douanegebied van het Verenigd Koninkrijk, op de noodzaak om het Belfast- of Goedevrijdagakkoord van 10 april 1998 in al zijn dimensies te beschermen en op zijn gehechtheid aan de onbelemmerde toegang voor bedrijven uit Noord-Ierland tot de volledige markt van het Verenigd Koninkrijk.

Met betrekking tot goederen die van Noord-Ierland naar andere delen van de interne markt van het Verenigd Koninkrijk worden vervoerd, bevestigt het Verenigd Koninkrijk dat uitvoerregelingen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 952/2013 alleen van toepassing zijn indien die goederen:

1. onder een van de in artikel 210 van die verordening genoemde regelingen worden geplaatst;

2. in tijdelijke opslag zijn overeenkomstig artikel 144 van die verordening;

3. onderworpen zijn aan onder artikel 6, lid 1, tweede zin, van het Windsor-kader 18 vallende bepalingen van Unierecht die de uitvoer van goederen verbieden of beperken;

4. binnen de Unie onder de regeling uitvoer worden geplaatst overeenkomstig titel V en titel VIII van die verordening; of

5. niet hoger dan 3 000 EUR in waarde zijn en voor uitvoer binnen de Unie zijn verpakt of geladen, overeenkomstig artikel 221 van Verordening (EU) 2015/2447.

Het Verenigd Koninkrijk herhaalt zijn toezegging dat internationale voorschriften en verplichtingen die relevant zijn voor de verboden en beperkingen inzake de uitvoer van goederen van de Unie naar derde landen, als vermeld in het recht van de Unie, volledig in acht worden genomen.

Het Verenigd Koninkrijk bevestigt dat het de Unie nuttige informatie zal verstrekken over goederen waarvoor verbodsbepalingen en beperkingen gelden en die van Noord-Ierland naar andere delen van het Verenigd Koninkrijk worden vervoerd met betrekking tot de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik, de uitvoer van cultuurgoederen en de overbrenging van afvalstoffen.

Deze unilaterale verklaring vervangt de unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland in het Gemengd Comité inzake uitvoeraangiften van 17 december 2020.



ONTWERP van unilaterale verklaring van het Verenigd Koninkrijk in het bij het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ingestelde Gemengd Comité

van xxxx/2023

betreffende het mechanisme voor democratische instemming van artikel 18 van het Windsor-kader 19

 

Het Verenigd Koninkrijk merkt op dat de in Windsor aangekondigde gezamenlijke oplossingen bedoeld zijn als praktische en duurzame maatregelen om de onvoorziene tekortkomingen en situaties die zich sinds de inwerkingtreding van het protocol inzake Ierland en Noord-Ierland (“het protocol”) hebben voorgedaan, definitief op te lossen. 

Het Verenigd Koninkrijk onderkent dat het van belang is ervoor te zorgen dat deze regelingen altijd op de breedst mogelijke steun in de hele Noord-Ierse gemeenschap kunnen rekenen, conform zijn verantwoordelijkheid om het Belfast- of Goedevrijdagakkoord van 10 april 1998, inclusief de daarop gebaseerde uitvoeringsovereenkomsten en -regelingen, in al zijn dimensies te beschermen, en conform zijn specifieke verantwoordelijkheden om de identiteit, het ethos en de aspiraties van beide gemeenschappen te eerbiedigen. Het mechanisme voor democratische instemming van artikel 18 van het Windsor-kader biedt in dit verband een permanente en belangrijke waarborg, waarbij het Verenigd Koninkrijk zich ertoe verbindt opdracht te geven voor een onafhankelijke toetsing onder de in zijn unilaterale verklaring inzake instemming 20 beschreven omstandigheden. In zodanige omstandigheden, hetzij volgend op de eerste uitoefening van het mechanisme voor democratische instemming hetzij daarna, verbindt het Verenigd Koninkrijk zich ertoe de aanbevelingen van de toetsing aan het Gemengd Comité voor te leggen, en daarbij de bevoegdheid van het Gemengd Comité krachtens artikel 164 van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie te erkennen om kwesties van belang voor een onder het Windsor-kader vallend gebied te onderzoeken, en passende manieren en methoden te zoeken om problemen te voorkomen die zich op onder het Windsor-kader vallende gebieden kunnen voordoen.



ONTWERP VAN UNILATERALE VERKLARING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK IN HET BIJ HET AKKOORD INZAKE DE TERUGTREKKING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND UIT DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE INGESTELDE GEMENGD COMITÉ

van xxx/2023

inzake het versterken van handhavingsmaatregelen voor goederen die in pakketten van een ander deel van het Verenigd Koninkrijk naar Noord-Ierland worden vervoerd

Voordat Besluit nr. XX/2023 21 in zijn geheel van toepassing wordt, verbindt het Verenigd Koninkrijk zich ertoe met de Unie samen te werken om de interne markt van de Unie te beschermen door de handhavingsmaatregelen te versterken voor goederen die in pakketten van een ander deel van het Verenigd Koninkrijk naar Noord-Ierland worden vervoerd. In dat verband verbindt het Verenigd Koninkrijk zich ertoe:

-met marktdeelnemers, met name snelle pakketleveranciers en postaanbieders, samen te werken om commerciële gegevens over het vervoer van pakketten, met inbegrip van de verzender, de ontvanger en de beschrijving van de desbetreffende goederen, ter beschikking te stellen van de regering van het Verenigd Koninkrijk en vertegenwoordigers van de Unie. Deze gegevens zijn bedoeld om handhavings- en nalevingsmaatregelen te ondersteunen en bestaande op risico’s en inlichtingen gebaseerde activiteiten aan te vullen;

-de bestaande samenwerking tussen de douaneautoriteiten van het VK en de Europese Commissie te verbeteren door samen te werken op het gebied van handhavings- en nalevingsrisico’s op basis van de overeengekomen operationele regelingen als bedoeld in Besluit nr. XX/2023.

-Het Verenigd Koninkrijk zal het Gespecialiseerd Comité voor vraagstukken betreffende de uitvoering van het Windsor-kader 22 regelmatig op de hoogte houden van de voortgang van de werkzaamheden met betrekking tot bovengenoemde kwesties. 

(1)
(2)

     [Volledige titel en PB-referentie van dit besluit van het Gemengd Comité toevoegen]

(3)

     PB L 62 van 2.3.2020, blz. 1.

(4)    Verordening (EG) nr. 638/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de communautaire statistieken van het goederenverkeer tussen de lidstaten en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 3330/91 van de Raad (PB L 152 van 7.4.2004, blz. 1).
(5)    Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1172/95 van de Raad (PB L 152 van 16.6.2009, blz. 23).
(6) Zie gemeenschappelijke verklaring nr. XX/2023.
(7)    Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 28.12.2015, blz. 1).
(8)

  PB L 29 van 31.1.2020, blz. 7.

(9)
(10) Zie gemeenschappelijke verklaring nr. XX/2023.
(11)    Zie gemeenschappelijke verklaring nr. XX/2023.
(12)

       PB L 29 van 31.1.2020, blz. 7.  

(13)          [to insert full title of the Joint Committee decision]
(14)          [to insert full title of the Joint Committee recommendation]
(15) Zie gemeenschappelijke verklaring nr. XX/2023.
(16)          [to insert full title]
(17) Zie gemeenschappelijke verklaring nr. XX/2023.
(18)    Zie gemeenschappelijke verklaring nr. XX/2023.
(19)    Zie gemeenschappelijke verklaring nr. XX/2023.
(20)     Declaration by Her Majesty's Government of the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland concerning the operation of the 'Democratic consent in Northern Ireland' provision of the Protocol on Ireland/Northern Ireland (Verklaring van de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake de werking van de bepaling betreffende “democratische toestemming in Noord-Ierland” uit het protocol inzake Ierland en Noord-Ierland)
(21)          [to insert full title of the Joint Committee decision]
(22)    Zie gemeenschappelijke verklaring nr. XX/2023.