EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 16.2.2023
COM(2023) 77 final
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
inzake de tenuitvoerlegging door de lidstaten van Richtlijn 2006/117/Euratom van de Raad betreffende toezicht en controle op de overbrenging van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstof
Vierde verslag
{SWD(2023) 43 final}
Inhoud
1.Inleiding
1.1.Achtergrond
2.Het wettelijk kader en de uitvoering ervan
2.1.Uitvoering van de richtlijn
2.2.Advies van het Raadgevend comité
2.3.Bevoegde autoriteiten
3.Opmerkingen
3.1.Statistieken (2018-2020)
4.Follow-up en voortdurende verbetering
5.Conclusies
1.Inleiding
Bij Richtlijn 2006/117/Euratom van de Raad (hierna “de richtlijn” genoemd) is een communautair systeem vastgesteld voor toezicht en controle op grensoverschrijdende overbrengingen van radioactief afval en verbruikte splijtstof teneinde een adequate bescherming van de bevolking te waarborgen. De richtlijn zorgt ervoor dat de betrokken lidstaten in kennis worden gesteld van de overbrenging van radioactief afval en verbruikte splijtstof naar of via hun grondgebied en dat zij verplicht zijn om ofwel toestemming te verlenen, ofwel redenen te geven voor weigering van toestemming voor zulke overbrengingen.
Alle lidstaten hebben de richtlijn omgezet en brengen met ingang van 25 december 2011 om de drie jaar verslag uit aan de Commissie over de uitvoering ervan, overeenkomstig artikel 20. In de laatste verslagleggingscyclus hebben de lidstaten hun meest recente nationale verslagen over de periode 2018-2020 ingediend. Overeenkomstig artikel 20 en op basis van deze verslagen heeft de Commissie dit samenvattend verslag voor het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité opgesteld, rekening houdend met het advies van het Raadgevend comité, waarin bijzondere aandacht uitgaat naar terugzending naar aanleiding van niet vergunde overbrenging en niet aangegeven radioactief afval.
Het verslag is een vervolg op het derde verslag van de Commissie met betrekking tot de periode 2015-2017 en geeft een overzicht van de vergunningen voor en overbrengingen van verbruikte splijtstof en radioactief afval in de Gemeenschap. Het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie bevat gedetailleerde gegevens en informatie waarop de conclusies van dit verslag zijn gebaseerd.
1.1.Achtergrond
Alle EU-lidstaten produceren radioactief afval, dat wordt gegenereerd door faciliteiten (zoals kerncentrales en onderzoeksreactoren) en activiteiten (zoals toepassingen met radio-isotopen in de geneeskunde, de industrie, de landbouw, in onderzoek en onderwijs).
Kerncentrales genereren voorts verbruikte splijtstof, d.w.z. nucleaire brandstof die is bestraald in en permanent verwijderd is uit een reactorkern. Verbruikte splijtstof kan worden gebruikt als op te werken grondstof of als radioactief afval dat is bestemd voor eindberging zonder verder gepland gebruik.
In 2020 (aan het einde van de verslagleggingsperiode) was kernenergie goed voor 24,6 % van de elektriciteitsproductie in de 27 EU-lidstaten, waarbij 13 lidstaten
iets meer dan honderd kernreactoren exploiteren.
Verbruikte splijtstof en radioactief afval worden voorafgaand aan mogelijke ver- of opwerking en berging veilig opgeslagen. Om dergelijke materialen veilig te beheren, kan het nodig zijn om ze te verplaatsen (“overbrengen”) vanaf de locaties waar ze zijn gegenereerd of werden beheerd. Deze praktijken komen in de meeste lidstaten voor, ongeacht de omvang van hun nucleaire programma’s. De overbrengingen vinden voornamelijk plaats over de weg, per spoor of over zee en in een beperkt aantal gevallen door de lucht.
Invoer, uitvoer en doorvoer van radioactief afval en verbruikte splijtstof door een lidstaat of lidstaten vinden in de EU geregeld plaats.
2.Het wettelijk kader en de uitvoering ervan
Veilig en verantwoord beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstof, met inbegrip van de veilige overbrenging van deze materialen binnen en buiten het grondgebied van de lidstaten, is een wettelijke verplichting uit hoofde van het internationaal recht en het Unierecht.
Op internationaal niveau is de belangrijkste referentie op dit gebied het Gezamenlijk Verdrag inzake de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en inzake de veiligheid van het beheer van radioactief afval (hierna “het Gezamenlijk Verdrag” genoemd). Het Gezamenlijk Verdrag legt de overeenkomstsluitende partijen onder meer verplichtingen op in verband met de veiligheid van de grensoverschrijdende overbrenging (invoer, uitvoer en doorvoer) van verbruikte splijtstof en radioactief afval. In dat verdrag is bepaald dat iedere overeenkomstsluitende partij die bij grensoverschrijdende overbrenging betrokken is het nodige doet om te verzekeren dat die overbrenging plaatsvindt op een wijze die in overeenstemming is met de bepalingen van het Gezamenlijk Verdrag en andere verbindende internationale instrumenten. Alle 27 EU-lidstaten en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie zijn overeenkomstsluitende partijen hij het Gezamenlijk Verdrag, hetgeen laat zien dat zij zich hebben verbonden aan het waarborgen van een hoog veiligheidsniveau met betrekking tot verbruikte splijtstof en radioactief afval – van opwekking tot berging.
Op EU-niveau beschermt een alomvattend rechtskader de gezondheid van werknemers en de bevolking tegen de gevaren van ioniserende straling, ook tijdens de overbrenging van verbruikte splijtstof en radioactief afval. Het kader omvat momenteel de richtlijn, de Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad (hierna “de richtlijn basisnormen” genoemd) en Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad (hierna “de richtlijn radioactief afval” genoemd), die gevolgen hebben voor het toepassingsgebied van de richtlijn.
Binnen het EU-kader voor nucleaire veiligheid en stralingsbescherming heeft de richtlijn specifiek betrekking op vergunningen en procedurele aspecten van de grensoverschrijdende overbrenging van radioactief afval en verbruikte splijtstof afkomstig van niet-militaire faciliteiten en activiteiten. De algehele doelstelling is om door middel van toezicht en controle op de overbrenging van verbruikte splijtstof en radioactief afval de bescherming tegen de gevaren die voortvloeien uit de blootstelling aan ioniserende straling te verbeteren. De richtlijn is van toepassing wanneer:
·het land van herkomst, het land van bestemming of het land dan wel de landen van doorvoer van de verbruikte splijtstof of het radioactieve afval een lidstaat van de EU is of zijn;
·de hoeveelheden en de concentratie van de verbruikte splijtstof of het radioactief afval voor overbrenging (ook wel zending genoemd) de in de basisnormen vastgestelde waarden overschrijden.
Wanneer een overbrenging niet kan worden uitgevoerd of als niet is voldaan aan de voorwaarden voor overbrenging overeenkomstig de richtlijn, moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst erop toezien dat het betrokken materiaal door de houder ervan wordt teruggenomen, tenzij een andere veilige regeling kan worden getroffen. De bevoegde autoriteiten moeten erop toezien dat de persoon die verantwoordelijk is voor de overbrenging daar waar nodig corrigerende veiligheidsmaatregelen neemt. Wanneer de overbrenging niet kan of mag worden uitgevoerd, is de houder aansprakelijk voor de kosten.
De eventuele weigering van een vergunning voor de overbrenging van verbruikte splijtstof en radioactief afval i) moet worden gerechtvaardigd aan de hand van de in de richtlijn vastgestelde criteria; ii) mag niet willekeurig zijn; en iii) moet zijn gebaseerd op relevant nationaal, communautair of internationaal recht. De besluiten van de lidstaten ten aanzien van instemming of weigering moeten in overeenstemming zijn met de bepalingen in het Gezamenlijk Verdrag en de richtlijn, die verbieden dat radioactief afval of verbruikte splijtstof wordt uitgevoerd naar een bestemming ten zuiden van 60° zuiderbreedte, naar landen in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (ACS), of naar derde landen die niet beschikken over de middelen om het radioactieve afval of de verbruikte splijtstof veilig te beheren.
Naast de driejaarlijkse verslaglegging aan de Commissie zijn de lidstaten verplicht om de Commissie en het Raadgevend comité jaarlijks in kennis te stellen van niet vergunde overbrengingen naar derde landen en de Commissie in kennis te stellen van de contactgegevens van de bevoegde autoriteit(en) en van alle voor snelle communicatie benodigde informatie.
2.1.Uitvoering van de richtlijn
In de richtlijn is bepaald dat voor iedere overbrenging (met inbegrip van invoer, uitvoer en doorvoer tussen lidstaten en van/naar buiten de Gemeenschap) binnen het toepassingsgebied van de richtlijn het gebruik van het uniforme document verplicht is. Dit document is vastgesteld bij beschikking van de Commissie in 2008, zoals gewijzigd in 2011. Het uniforme document bevat formulieren voor de volgende doeleinden:
·de aanvraag van een vergunning voor overbrenging van verbruikte splijtstof en radioactief afval;
·de ontvangstbevestiging van de aanvraag — verzoek om ontbrekende informatie voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval;
·de toestemming voor of weigering van de overbrenging van radioactief afval of verbruikte splijtstof door de betrokken bevoegde autoriteiten;
·de vergunning voor de overbrenging van verbruikte splijtstof en radioactief afval;
·de beschrijving van de zending radioactief afval en lijst van colli;
·de bevestiging van ontvangst van het radioactieve afval en de verbruikte splijtstof.
Wanneer dergelijke materialen bestemd zijn om voor eindberging naar derde landen te worden overgebracht, zijn de lidstaten krachtens artikel 4, lid 4, van de richtlijn radioactief afval ook verplicht om de door de Commissie overeenkomstig artikel 16, lid 2, van de richtlijn en de toepasselijke aanbeveling van de Commissie vastgestelde criteria voor overbrenging toe te passen.
2.2.Advies van het Raadgevend comité
Tijdens de 12e vergadering van het Raadgevend comité op 7 november 2022 in Luxemburg zijn het ontwerp van dit verslag en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie besproken. Het Raadgevend comité heeft een positief advies uitgebracht.
2.3.Bevoegde autoriteiten
Vanaf juli 2022 hebben alle lidstaten informatie verstrekt over hun bevoegde autoriteiten, zoals gedefinieerd in artikel 5, punt 13, van de richtlijn.
De lijst van bevoegde autoriteiten in de lidstaten is als bijlage bij het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie gevoegd.
3.Opmerkingen
De Commissie heeft geconstateerd dat de lidstaten in deze verslagleggingscyclus geen niet-uitgevoerde grensoverschrijdende overbrengingen van radioactief afval of verbruikte splijtstof hebben gemeld.
De lidstaten hebben geen problemen gemeld die zouden kunnen vallen onder artikel 4 “Terugzending naar aanleiding van niet vergunde overbrenging en niet aangegeven radioactief afval”; artikel 12 “Niet uitgevoerde overbrenging” noch artikel 16, lid 1, punt c), “Verboden uitvoer”. Op basis van de gerapporteerde gegevens is tijdens de verslagleggingsperiode derhalve geen niet vergunde overbrenging uitgevoerd op het grondgebied van de EU.
In de verslagleggingsperiode is in vier gevallen geen toestemming verleend:
·één lidstaat wees twee aanvragen af omdat de faciliteit waar de eindbehandeling zou plaatsvinden tijdelijk ontoegankelijk was;
·één lidstaat wees twee aanvragen voor de doorvoer van verontreinigd metaalschroot af omdat de aanvraag buiten het toepassingsgebied van de richtlijn viel. Deze doorvoer werd echter geregeld uitgevoerd krachtens de aldaar geldende regelgeving.
Drie lidstaten (Cyprus, Kroatië en Malta) hebben sinds de verslagleggingsverplichting van de richtlijn op hen van toepassing is geworden nog geen vergunde overbrengingen op hun grondgebied gemeld.
Het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie bevat een gedetailleerd overzicht van de grensoverschrijdende overbrengingen van radioactief afval en verbruikte splijtstof in de EU tijdens de onderhavige verslagleggingsperiode.
3.1.Statistieken (2018-2020)
Dit deel bevat een statistisch overzicht van vergunningen en overbrengingen.
Figuur 1.
Aantal vergunningen
De 195 vergunningen die door 21 lidstaten gedurende de periode 2018-2020 zijn gemeld, hebben betrekking op 1 770 vergunde overbrengingen. Een vergunning heeft doorgaans betrekking op meerdere overbrengingen en kan de door dit verslag bestreken periode overschrijden.
Figuur 2.
Aantal overbrengingen
Wat betreft vergunde overbrengingen heeft 98 % (1 732 overbrengingen) betrekking op radioactief afval en 2 % (38 overbrengingen) op verbruikte splijtstof.
De meeste vergunningen en overbrengingen hadden betrekking op intracommunautair verkeer. In totaal was 92,6 % van de overbrengingen van intracommunautaire aard (categorie MM), had 2,7 % betrekking op uitvoer (categorie ME) en had 4,7 % betrekking op invoer (categorie IM).
De statistieken wijzen uit dat het radioactief afval bij 79 % van alle intracommunautaire overbrengingen afkomstig was uit de nucleaire industrie en bij 21 % voortkwam uit niet-nucleaire activiteiten (zoals geneeskunde en onderzoek).
Verwerking van radioactief afval (bv. behandelingen om het volume te verminderen of conditionering) in speciale faciliteiten was het hoofddoel van overbrengingen, naast terugzending van verwerkt radioactief afval of verbruikte splijtstof naar het land van herkomst. Zweden en Duitsland gaven het hoogste aantal vergunningen af, als land van herkomst én als land van bestemming.
De overbrenging van verbruikte splijtstof hield verband met opwerking of terugzending naar het land van herkomst.
Figuur 3.
Overbrenging van radioactief afval: intracommunautair (MM), uitvoer (ME), invoer (IM)
Figuur 4.
Overbrenging van verbruikte splijtstof: intracommunautair (MM), uitvoer (ME), invoer (IM)
4.Follow-up en voortdurende verbetering
In het derde verslag van de Commissie over de uitvoering van de richtlijn stelde zij twee behoeften vast: de harmonisering van het uniforme document met de vereisten van het verslagleggingsmodel verbeteren; en de effecten van de basisnormen op de uitoefening van het toezicht en de controle op grensoverschrijdende overbrenging evalueren.
In haar follow-up van het eerste punt heeft de Commissie, op voorstel van een lidstaat, een herziening van het uniforme document overeenkomstig artikel 17, lid 2, en artikel 21 van de richtlijn voorgesteld teneinde informatie over de oorspronkelijke overbrengingen op te nemen in het gewijzigde uniforme document. In het geval van terugzending zullen de betrokken lidstaten de overbrengingen dus kunnen volgen. Daarnaast heeft de Commissie op voorstel van twee lidstaten een digitaal uniform document gepresenteerd.
Wat betreft mogelijke effecten van de basisnormen op de uitvoering van de richtlijn heeft de Commissie geen belangrijke problemen geconstateerd. De melding dat tweemaal toestemming is geweigerd voor de doorvoer van radioactief afval door een lidstaat deed echter een belangrijke vraag rijzen over de toepassing van de richtlijn. De lidstaten verschilden van mening over de vraag of grensoverschrijdende overbrengingen van verontreinigd metaalschroot, dat wordt behandeld en gerecycled, al dan niet binnen het toepassingsgebied van de richtlijn vallen, aangezien een regelgevende instantie van een lidstaat dat materiaal als radioactief afval kan aanmerken. Overeenkomstig de definitie van radioactief afval wordt radioactief materiaal, indien de regelgevende instanties in het kader van de wet- en regelgeving van de landen van herkomst en van bestemming het materiaal controleren als radioactief afval waarvoor noch de landen van herkomst noch die van bestemming verder gebruik voorzien, als radioactief afval in de zin van de richtlijn aangemerkt. De Commissie is bijgevolg van mening dat in dergelijke gevallen toestemming moet worden verleend, ook al heeft het doorvoerland het materiaal niet als radioactief afval aangemerkt.
Bovendien heeft één lidstaat er de voorkeur aan geven om de overbrenging van NORM-afval altijd binnen het toepassingsgebied van richtlijn 2006/117/Euratom van de Raad te laten vallen. In dit verband brengt de Commissie in herinnering dat al het NORM-bevattend afval dat officiële controle vereist en is gekwalificeerd als radioactief afval, vanuit juridisch oogpunt binnen het toepassingsgebied van de richtlijn valt.
Tijdens zijn 12e vergadering heeft het Raadgevend comité de Commissie verzocht om na te gaan of het uniforme document moet worden bijgewerkt, met name door informatie over de herkomst van het afval op te nemen middels een verwijzing naar de oorspronkelijke overbrengingen.
5.Conclusies
De uitvoering van de richtlijn zorgde ervoor dat alle grensoverschrijdende overbrengingen van radioactief afval en verbruikte splijtstof binnen de Gemeenschap plaatsvonden met voorafgaande geïnformeerde toestemming van de bevoegde autoriteiten van alle betrokken lidstaten (met inbegrip van de doorvoerlanden), met behulp van het uniforme document. De informatie die betrekking had op alle vergunde overbrengingen binnen een vastgestelde verslagleggingsperiode (drie jaar) werd door alle lidstaten geregeld aan de Commissie toegezonden. Op deze wijze was toezicht en controle op de overbrenging van radioactieve afvalstoffen en verbruikte splijtstof in de hele Gemeenschap gegarandeerd. Voor dat doel wordt gebruik van het verstrekte “verslagleggingsmodel”, alhoewel niet verplicht, zeer aangemoedigd omdat hierdoor gegevens eenvoudig kunnen worden opgevraagd en het risico van een verkeerde interpretatie van informatie wordt verminderd.
In het algemeen concludeert de Commissie dat het huidige Euratom-rechtskader, dat bestaat uit de richtlijn, de richtlijn basisnormen en de richtlijn radioactief afval, de hoogste veiligheidsniveaus waarborgt ten aanzien van de risico’s van ioniserende straling op het grondgebied van de EU in het kader van grensoverschrijdende overbrengingen. Niettemin merkt de Commissie op dat mogelijke verschillen tussen de lidstaten in de definitie van radioactief afval kunnen leiden tot een aantal problemen in de informatie- en vergunningsprocedure. Dit is een verbeterpunt, waarbij in overleg met de lidstaten mogelijkheden voor verdere harmonisatie op dit gebied worden verkend.