Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad betreffende Gemeenschapsmodellen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2246/2002 van de Commissie
(COM(2022) 666 final — 2022/0391 (COD))
en over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de rechtsbescherming van modellen (herschikking)
(COM(2022) 667 final — 2022/0392 (COD))
(2023/C 184/07)
|
Rapporteur:
|
Ferre WYCKMANS
|
|
Raadpleging
|
|
b)
|
Europees Parlement, 12.12.2022
Raad, 21.12.2022
|
|
|
Rechtsgrond
|
|
a)
|
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
|
|
b)
|
Artikelen 114 en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
|
|
|
Bevoegde afdeling
|
Interne Markt, Productie en Consumptie
|
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering
|
22.3.2023
|
|
Zitting nr.
|
577
|
|
Stemuitslag
(voor/tegen/onthoudingen)
|
148/0/3
|
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1.
|
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is van mening dat een doeltreffend systeem voor de bescherming van modellen gunstig is voor de consument en het grote publiek, voor zover het eerlijke mededinging en handelspraktijken bevordert. Het draagt ook bij tot de economische ontwikkeling door het stimuleren van creativiteit in het bedrijfsleven en op het gebied van producten, handelsactiviteiten en uitvoer.
|
|
1.2.
|
In de meeste lidstaten moet het model worden geregistreerd bij een nationale dienst voor industriële eigendom teneinde wettelijk te worden beschermd. Afhankelijk van de nationale wetgeving en het soort model kan het ook als niet-ingeschreven model of als kunstwerk door auteursrecht worden beschermd. In sommige lidstaten zijn de bescherming als industrieel model en de auteursrechtelijke bescherming cumulatief, terwijl zij elkaar in andere lidstaten uitsluiten. In bepaalde omstandigheden kan een model ook in aanmerking komen voor bescherming uit hoofde van het recht inzake oneerlijke mededinging, maar de vereisten voor bescherming en de draagwijdte van de rechten en bestaande rechtsmiddelen kunnen aanzienlijk verschillen.
|
|
1.3.
|
Volgens het EESC is het essentieel het rechtskader voor modellen aan het digitale tijdperk aan te passen teneinde het herstel en de veerkracht van de Unie te bevorderen en innovatie en concurrentievermogen te stimuleren. Het EESC staat achter de nieuwe definitie van model in het voorstel voor een richtlijn. Deze wordt nog relevanter in het licht van de technologische vooruitgang door het begrip “voortbrengsel” uit te breiden tot technologische modellen die niet in fysieke voorwerpen zijn vormgegeven.
|
|
1.4.
|
Het EESC is ook ingenomen met de beperking van de bescherming tot de uiterlijke kenmerken zoals zichtbaar in de aanvraag voor inschrijving, aangezien de rechtszekerheid van de bescherming hiermee wordt vergroot.
|
|
1.5.
|
Het EESC vindt het een goede zaak dat in het voorstel voor een verordening de oplossing wordt overgenomen die het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn “Acacia-arrest” van 20 december 2017 (1) heeft aangedragen, waarin de interpretatie van het begrip “reparatieclausule” werd verduidelijkt, temeer daar deze oplossing de bescherming van de consument verbetert.
|
|
1.6.
|
Volgens het EESC zal het samenvoegen van de publicatietaks en de inschrijvingstaks het totale bedrag van de te betalen taksen echter niet kunnen verlagen, aangezien de kosten van vernieuwing, zoals voorgesteld, drastisch toenemen. Deze maatregel is dus niet zo gunstig voor kmo’s en individuele ontwerpers als wordt beweerd. Het EESC pleit voor lagere bedragen voor kmo’s en individuele ontwerpers, eventueel in verhouding tot hun omzet.
|
|
1.7.
|
Volgens het EESC is de vereenvoudiging dankzij de afschaffing van de vereiste inzake “eenheid van klasse” noodzakelijk, maar niet voldoende. De gebruiksvriendelijkheid van de systemen voor het indienen van modellen op de websites van de nationale bureaus voor industriële eigendom en het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO, “het Bureau”) moet immers verder worden verbeterd. Om deze uitdaging aan te gaan, zouden de bureaus zich kunnen wenden tot de octrooigemachtigden, zodat kmo’s en individuele ontwerpers hun modellen gemakkelijker kunnen beschermen.
|
|
1.8.
|
Het EESC acht het niet passend artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) toe te passen om regels voor geschillen en beroep tegen beslissingen van het Bureau op te stellen, aangezien een gedelegeerde handeling slechts bedoeld is als aanvulling op de basishandeling en alleen betrekking mag hebben op niet-essentiële elementen. De bepalingen die het voorstel voor een verordening bij gedelegeerde handeling beoogt vast te stellen, hebben betrekking op de rechten van titel VI van het Handvest van de grondrechten inzake justitie, met name artikel 47 betreffende het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht. Zij kunnen derhalve niet als niet-essentiële elementen worden beschouwd.
|
|
1.9.
|
Het EESC beveelt aan dat dergelijke bepalingen in de verordening zelf worden vastgesteld.
|
2. Achtergrond
|
2.1.
|
In het positieve recht worden op grond van Richtlijn 98/71/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) (“de richtlijn”) de nationale wetten inzake de rechtsbescherming van modellen gedeeltelijk geharmoniseerd. Bij Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad (3) (“de verordening”) wordt een op zichzelf staand systeem ingevoerd voor de bescherming van unitaire rechten in de hele Unie voor ingeschreven en niet-ingeschreven Gemeenschapsmodellen, mits de laatstgenoemde aan de voorwaarden voor bescherming voldoen, namelijk dat zij nieuw zijn en een eigen karakter hebben. Zonder inschrijving kan het voor de houder moeilijk zijn het bestaan van een recht op het model te bewijzen. Bovendien is de duur van de bescherming beperkt tot drie jaar en is de draagwijdte van de verleende rechten minder uitgebreid.
|
|
2.2.
|
De verordening is in 2006 gewijzigd om uitvoering te geven aan de toetreding van de EU tot het internationale registratiestelsel van ‘s-Gravenhage, dat ten doel heeft één eenvoudige, goedkope en gecentraliseerde procedure voor de inschrijving van modellen bij de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO) in te stellen.
|
|
2.3.
|
In de verordening worden vervangingsonderdelen voor reparatiedoeleinden uitgesloten van de bescherming van Gemeenschapsmodellen, omdat bij de ontwikkeling van de richtlijn geen overeenstemming hierover kon worden bereikt. Bij gebrek aan steun in de Raad heeft de Commissie haar voorstel tot herziening van de richtlijn in 2014 ingetrokken.
|
|
2.4.
|
Het onderhavige voorstel sluit hierop aan en komt voort uit de mededeling van de Commissie van 25 november 2020 getiteld “Het innovatiepotentieel van de EU optimaal benutten — Een actieplan inzake intellectuele eigendom om het herstel en de veerkracht van de EU te ondersteunen”, die is gepubliceerd naar aanleiding van de hervorming van het merkenrecht. Bedoeling is een regeling voor te stellen die beter is aangepast aan het digitale tijdperk, toegankelijker en efficiënter is voor individuele ontwerpers, kmo’s en industrieën, minder duur en ingewikkeld is en de rechtszekerheid van het beschermingsstelsel versterkt.
|
3. Algemene opmerkingen
|
3.1.
|
Een industrieel model wordt gevormd door het decoratieve aspect van een voorwerp. Het kan driedimensionaal of tweedimensionaal zijn. Bij een geslaagd model zijn functie en vorm harmonieus met elkaar verbonden. Of het nu gaat om een tafel of een telefoon, het voorwerp wordt aantrekkelijk gemaakt door of wordt verkozen boven een ander dankzij het model.
|
|
3.2.
|
Een industrieel model is van toepassing op een verscheidenheid van industriële en ambachtelijke producten, zoals technische of medische instrumenten, horloges, juwelen, luxeproducten, huishoudelijke artikelen, elektrische apparaten, voertuigen, architectonische constructies, textielproducten, vrijetijdsartikelen enz.
|
|
3.3.
|
Door het voorwerp aantrekkelijk te maken, neemt de marktwaarde van het product toe dankzij het industrieel model. De bescherming van een model draagt dus bij tot het rendement van de investering.
|
|
3.3.1.
|
Het EESC is dan ook van mening dat een doeltreffend beschermingssysteem goed is voor de consument en de burger in het algemeen, omdat het eerlijke mededinging en handelspraktijken bevordert.
|
|
3.3.2.
|
Het bevordert ook de economische ontwikkeling door het stimuleren van creativiteit in het bedrijfsleven en op het gebied van de industriële productie, alsook de ontwikkeling van handelsactiviteiten en uitvoer.
|
|
3.4.
|
In de meeste lidstaten moet het model worden geregistreerd bij een nationale dienst voor industriële eigendom teneinde wettelijk te worden beschermd. Afhankelijk van de nationale wetgeving en het soort model kan het ook als niet-geregistreerd model of als kunstwerk door auteursrecht worden beschermd.
|
|
3.5.
|
In sommige lidstaten zijn de bescherming als industrieel model en de auteursrechtelijke bescherming cumulatief, terwijl zij elkaar in andere lidstaten uitsluiten. Een model kan ook in aanmerking komen voor bescherming uit hoofde van het recht inzake oneerlijke mededinging, maar de vereisten voor bescherming en de draagwijdte van de rechten en bestaande rechtsmiddelen kunnen verschillen.
|
|
3.6.
|
Met het oog op de doelstellingen van de Unie om herstel en veerkracht te stimuleren en innovatie en concurrentievermogen aan te moedigen, acht het EESC het van essentieel belang het rechtskader voor modellen aan het digitale tijdperk aan te passen. Het EESC staat achter de voorgestelde nieuwe definitie, aangezien deze relevant is in het licht van de technologische vooruitgang door het begrip “voortbrengsel” uit te breiden tot technologische modellen die niet in fysieke voorwerpen zijn vormgegeven.
|
|
3.7.
|
Het EESC is ook ingenomen met de grotere rechtszekerheid die wordt geboden door de bescherming te beperken tot de uiterlijke kenmerken zoals zichtbaar in de aanvraag voor inschrijving.
|
|
3.8.
|
Het stemt ook in met de aanpassing van de reikwijdte van de rechten die voortvloeien uit de inschrijving van een model, teneinde de problemen in verband met de toepassing van 3D-printtechnologieën te bestrijken. Bovendien gaat het EESC akkoord met de toevoeging, zoals in het merkenrecht, van het recht voor houders van modellen om te verhinderen dat namaakproducten via het grondgebied van de Unie worden doorgevoerd of in een douanesituatie worden geplaatst zonder daar in het vrije verkeer te worden gebracht, teneinde namaak te bestrijden.
|
4. Specifieke opmerkingen
4.1.
Reparatieclausule en consumentenbescherming
|
4.1.1.
|
Er is veel geschreven over de bescherming van vervangingsonderdelen (“onderdelen van een samengesteld voortbrengsel”) door het modelrecht. Deze dankzij de verordening verworven vorm van bescherming gaat gepaard met een uitzondering, bekend als de “reparatieclausule”, teneinde het monopolie van fabrikanten of OEM’s (original equipment manufacturers — fabrikanten van originele uitrusting) (met name in de automobielsector) op de markt voor vervangingsonderdelen te beperken (artikel 110). Deze “reparatieclausule” bepaalt dat de houder van een model voor een vervangingsonderdeel geen monopolie kan uitoefenen of een derde kan beletten vervangingsonderdelen in de handel te brengen voor de reparatie van een product om het zijn oorspronkelijke vorm terug te geven.
|
|
4.1.2.
|
De producent van een samengesteld voortbrengsel (auto, horloge, mobiele telefoon enz.) controleert immers vaak de gehele productieketen. Hij maakt dan waarschijnlijk dubbele winst; in de eerste plaats op de markt voor de verkoop van het eindproduct, maar ook op de markt voor de verkoop van vervangingsonderdelen.
|
|
4.1.3.
|
Volgens de gedragseconomie baseren de meeste consumenten hun keuze op de verkoopprijs van het primaire product, zonder rekening te houden met de verkoopprijs van secundaire diensten. Zij zijn dus gebonden aan hun oorspronkelijke investering en worden gedwongen een prijs te betalen die zij in andere omstandigheden niet noodzakelijkerwijs zouden hebben aanvaard.
|
|
4.1.4.
|
Het EESC merkt op dat deze situatie derhalve aanleiding kan geven tot problemen in verband met het mededingingsrecht, aangezien het oorspronkelijke productie-/assemblagebedrijf met een modelrecht een aanzienlijk concurrentievoordeel heeft dat de consument uiteindelijk kan schaden:
|
—
|
ten aanzien van zijn klanten door hoge prijzen aan te kunnen rekenen of aan koppelverkoop te doen;
|
|
—
|
ten aanzien van reparateurs, door de markt naar zich toe te trekken of zijn voorwaarden op te leggen aan de reparateurs aan wie het bereid is te leveren;
|
|
—
|
ten aanzien van zijn leveranciers, aangezien het hen zou kunnen verbieden aan onafhankelijke reparateurs te leveren of onafhankelijke leveranciers zou kunnen verbieden zijn onderdelen te kopiëren om de reparatiemarkt te bevoorraden.
|
|
|
4.1.5.
|
Om monopolisering van secundaire markten te voorkomen, heeft de Europese wetgever besloten de rechten die op vervangingsonderdelen kunnen worden verkregen, te beperken.
|
—
|
De eerste beperking wordt ook wel de uitzondering van de “aanpassingsverplichting” (“must match”) genoemd (artikel 8, lid 2). Het uiterlijk van een product dat met een ander product moet worden verbonden, kan niet worden beschermd.
|
|
—
|
De tweede beperking is de bescherming van onderdelen die niet zichtbaar zijn.
|
|
|
4.1.6.
|
Een onderdeel dat bij normaal gebruik van het voortbrengsel niet zichtbaar is, kan niet door het modelrecht worden beschermd (artikel 4, lid 2).
Voorbeelden hiervan zijn:
|
—
|
het mechanisme van een horloge;
|
|
—
|
de binnenkant van de meeste motoren van huishoudelijke apparaten;
|
|
—
|
de motor van een auto (die bij normaal gebruik van het voertuig niet zichtbaar wordt geacht, ook al is de motor gemakkelijk te zien door de motorkap op te tillen).
|
|
|
4.1.7.
|
De vervangingsonderdelen die beschermd kunnen worden, zijn dus die welke geen verbindingsmechanisme hebben en die zichtbaar zijn. Op grond van de verordening is het dus mogelijk een groot aantal voorwerpen te beschermen. Voor een auto zou het bijvoorbeeld gaan om:
|
—
|
de motorkap en de portieren (maar niet de scharnieren);
|
|
|
4.1.8.
|
Het voortbrengsel dat niet door het modelrecht wordt beschermd, kan dus door elke concurrerende producent van vervangingsonderdelen worden gereproduceerd en op de reparatiemarkt worden gebracht.
|
|
4.1.9.
|
De toepassing van deze bepalingen heeft echter vragen opgeroepen. Het is dan ook een goede zaak dat in het voorstel voor een verordening rekening wordt gehouden met de oplossing die het Hof van Justitie van de Europese Unie in het “Acacia-arrest” van 20 december 2017 heeft aangedragen, waarin het de interpretatie van het begrip “reparatieclausule” heeft verduidelijkt.
|
|
4.1.10.
|
Het EESC wijst erop dat het hof van beroep van Parijs concreet invulling heeft gegeven aan deze oplossing in zijn arrest van 11 september 2018 in zaak nr. 2017/01589, waarbij velgen op een webshop in de handel waren gebracht. De reparatieclausule kon door de verkoper niet geldig worden ingeroepen, omdat deze velgen werden aangeboden “met het oog op de esthetische aanpassing van voertuigen” en “tuning”. De betrokken velgen werden dus als namaak beschouwd en de verkoper werd bestraft voor het namaken van modellen.
|
|
4.1.11.
|
Sommige lidstaten hebben de markt voor vervangingsonderdelen geliberaliseerd. Op grond van de Franse wet “klimaat en veerkracht” nr. 2021-1104 van 22 augustus 2021 wordt de markt voor de verkoop van bepaalde auto-onderdelen vanaf 1 januari 2023 opengesteld.
|
|
4.1.12.
|
Deze maatregel heeft tot doel de prijzen op deze markt te verlagen. Tussen 2019 en 2020 zijn deze met gemiddeld 8 % gestegen, mede door de technische complexiteit van de verschillende onderdelen, zoals motoren voor elektrische spiegels, sensoren in voorruiten enz. De voor deze sector meest liberale lidstaten beschikken niet over een sterk ontwikkelde industrie, behalve met name Duitsland, een land met grote autofabrikanten, maar waar de markt al verder is opengesteld.
In Frankrijk zullen vanaf 1 januari 2023 OEM’s, of zij nu fabrikanten van originele uitrusting, d.w.z. die hebben deelgenomen aan de assemblage van het nieuwe voertuig, of onafhankelijke fabrikanten zijn, onderdelen van beglazing op de markt kunnen brengen. OEM’s die betrokken zijn geweest bij de originele uitrusting van andere zichtbare vervangingsonderdelen (lampen, spiegels enz.), zullen deze onderdelen dus op dezelfde wijze als fabrikanten op de markt kunnen brengen.
|
4.2.
Kosten van bescherming van modellen
|
4.2.1.
|
Het EUIPO beschikt over een systeem voor het online indienen van modellen, waarvoor de kosten momenteel ten minste 350 EUR bedragen. Het EESC herinnert eraan dat een ingeschreven Gemeenschapsmodel in eerste instantie vijf jaar geldig is vanaf de datum van indiening en in blokken van vijf jaar vernieuwd kan worden tot een maximum van 25 jaar.
|
|
4.2.2.
|
Naast de kosten van indiening zijn er drie soorten taksen:
|
—
|
de inschrijvingstaks van 230 EUR, waaraan een extra inschrijvingstaks van 115 EUR kan worden toegevoegd voor twee tot tien extra inschrijvingen, en van 50 EUR voor meer dan tien;
|
|
—
|
de publicatietaks van 120 EUR, die met 60 EUR kan worden verhoogd voor twee tot tien bijkomende publicaties, en met 30 EUR voor meer dan tien publicaties;
|
|
—
|
de taks voor opschorting van de publicatie van 40 EUR, die met 20 EUR kan worden verhoogd voor twee tot tien modellen en met 10 EUR voor meer dan tien modellen.
|
|
|
4.2.3.
|
De verschuldigde taksen hangen af van twee factoren:
|
—
|
Op hoeveel modellen heeft de aanvraag betrekking?
|
|
—
|
Wordt de publicatie van het model opgeschort of niet?
|
|
|
4.2.4.
|
Hun structuur is als volgt:
|
—
|
Een basistaks voor een enkelvoudig model of het eerste model van een meervoudige aanvraag.
|
|
—
|
Een korting op de taks voor het tweede tot en met tiende model.
|
|
—
|
Een verder verlaagde taks per model vanaf het elfde model.
|
|
|
4.2.5.
|
In het voorstel voor een verordening wordt voorzien in een verlaging van de kosten van de eerste vernieuwing (na vijf jaar) tot 70 EUR, een verhoging tot 140 EUR voor de tweede vernieuwing (na tien jaar), tot 280 EUR voor de derde vernieuwing (na vijftien jaar) en tot 560 EUR voor de vierde vernieuwing (na twintig jaar). De som van de taksen voor de eerste twee vernieuwingen blijft gelijk aan de huidige som, namelijk 210 EUR in totaal, maar de daaropvolgende vernieuwingstaksen nemen drastisch toe.
|
|
4.2.6.
|
Dit voorstel lijkt niet zo gunstig voor kmo’s en individuele ontwerpers als wordt beweerd. Het EESC pleit derhalve voor lagere bedragen voor kmo’s en individuele ontwerpers, eventueel in verhouding tot hun omzet.
|
|
4.2.7.
|
Volgens het EESC zal een wijziging van de taksstructuur door het samenvoegen van de publicatie- en inschrijvingstaksen de totale kosten van de taksen bovendien niet doen afnemen.
|
4.3.
Afschaffing van de vereiste inzake “eenheid van klasse”
|
4.3.1.
|
Hoewel de aanvraag betrekking kan hebben op verschillende modellen, moeten deze noodzakelijkerwijs bestemd zijn om te worden verwerkt in of toegepast op voortbrengselen die tot dezelfde “klasse” behoren, volgens de zogenaamde vereiste inzake “eenheid van klasse”. Deze klassen zijn ingedeeld in een lijst die de classificatie van Locarno wordt genoemd.
|
|
4.3.2.
|
Volgens artikel 2, lid 1, van de Overeenkomst van Locarno is de classificatie van Locarno “slechts van administratieve aard” en omvat zij:
|
—
|
een lijst van klassen en onderklassen;
|
|
—
|
een alfabetische lijst van voortbrengselen die industriële modellen vormen, met vermelding van de klassen en onderklassen waarin zij zijn ingedeeld;
|
|
|
4.3.3.
|
De in het voorstel voor een verordening beoogde afschaffing van de vereiste inzake “eenheid van klasse” — op grond waarvan bedrijven meervoudige modelaanvragen kunnen indienen door meerdere modellen in één meervoudige aanvraag te combineren zonder te zijn beperkt tot voortbrengselen van dezelfde Locarno-klasse — is bedoeld om kmo’s en individuele ontwerpers aan te moedigen hun modellen ter bescherming in te dienen.
|
|
4.3.4.
|
Volgens het EESC is de vereenvoudiging die voortvloeit uit de afschaffing van de “eenheid van klasse” noodzakelijk, maar niet voldoende, aangezien de gebruiksvriendelijkheid van de systemen voor het indienen van modellen op de websites van de nationale bureaus voor industriële eigendom en het EUIPO moet worden verbeterd.
|
|
4.3.5.
|
Bureaus zouden gebruik kunnen maken van de expertise van octrooigemachtigden om deze uitdaging aan te gaan, zodat kmo’s en individuele ontwerpers hun modellen gemakkelijker kunnen beschermen.
|
|
4.3.6.
|
De octrooigemachtigden zullen houders uiteraard blijven bijstaan bij de exploitatie van hun modellen en hen bij geschillen vertegenwoordigen.
|
4.4.
Delegatie van bevoegdheden en vaststelling van gedelegeerde handelingen
|
4.4.1.
|
In het voorstel voor een verordening wordt bepaald dat de bepalingen over geschillen inzake modellen in gedelegeerde handelingen zullen worden vastgesteld.
Het gaat hierbij om:
|
—
|
de intrekking en wijziging van een model (artikelen 47 bis en 47 ter);
|
|
—
|
nietigverklaring (artikel 53 bis);
|
|
—
|
de procedure voor het instellen van beroep tegen beslissingen van het Bureau (artikel 55 bis);
|
|
—
|
de mondelinge procedure voor de kamers van beroep van het Bureau (artikel 64 bis);
|
|
—
|
de bewijsvoering (artikel 65 bis);
|
|
—
|
de kennisgeving van beslissingen en oproepen (artikel 66 bis);
|
|
—
|
de procedure voor mededelingen aan het Bureau (artikel 66 quinquies);
|
|
—
|
de berekening en de duur van de proceduretermijnen (artikel 66 septies);
|
|
—
|
de hervatting van de procedure voor het Bureau (artikel 67 quater);
|
|
—
|
de beroepsmatige vertegenwoordiging bij het Bureau in geval van een geschil (artikel 78 bis);
|
|
—
|
de betaling van taksen en kosten (artikel 106 bis bis).
|
|
|
4.4.2.
|
Het EESC acht het niet passend artikel 290 VWEU toe te passen om regels voor geschillen en beroep tegen beslissingen van het Bureau op te stellen, aangezien een gedelegeerde handeling slechts bedoeld is als aanvulling op de basishandeling en alleen betrekking mag hebben op niet-essentiële elementen. De betrokken bepalingen hebben betrekking op de in titel VI van het Handvest van de grondrechten bedoelde rechten inzake justitie, met name artikel 47 betreffende het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht. Zij kunnen derhalve niet als niet-essentiële elementen van de basishandeling worden beschouwd.
|
Brussel, 22 maart 2023.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Christa SCHWENG
(1) Gevoegde zaken C-397/16 en C-435/16.
(2) Richtlijn 98/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 inzake de rechtsbescherming van modellen (PB L 289 van 28.10.1998, blz. 28).
(3) Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen (PB L 3 van 5.1.2002, blz. 1).