EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 26.10.2022
COM(2022) 542 final/2
2022/0347(COD)
This document corrects COM(2022) 542 final.
Concerns all languages versions.
Formatting adjustments which do not affect the substance of the text.
The text shall read as follows:
Voorstel voor een
RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa
(herschikking)
{SEC(2022) 542}
{SWD(2022) 345, 542, 545}
TOELICHTING
1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
Schone lucht is essentieel voor de gezondheid van de mens en de instandhouding van het milieu. De afgelopen drie decennia is de luchtkwaliteit in de Europese Unie (EU) aanzienlijk verbeterd dankzij de gezamenlijke inspanningen van de EU en de nationale, regionale en lokale autoriteiten in de lidstaten om de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging te verminderen. Er worden echter nog steeds ongeveer 300 000 vroegtijdige sterfgevallen per jaar (tegenover 1 miljoen per jaar in het begin van de jaren negentig van de 20e eeuw) en een aanzienlijk aantal niet-overdraagbare ziekten zoals astma, hart- en vaatproblemen en longkanker toegeschreven aan luchtverontreiniging (en met name aan zwevende deeltjes, stikstofdioxide en ozon). Luchtverontreiniging blijft de belangrijkste milieuoorzaak van vroegtijdige sterfgevallen in de EU. Kwetsbare groepen zoals kinderen, ouderen en personen met reeds bestaande aandoeningen worden onevenredig zwaar getroffen, evenals sociaaleconomisch achtergestelde groepen. Er zijn ook steeds meer aanwijzingen dat luchtverontreiniging in verband kan worden gebracht met veranderingen in het zenuwstelsel, zoals dementie.
Bovendien vormt luchtverontreiniging een bedreiging voor het milieu door verzuring, eutrofiëring en schade aan de ozonlaag, die bossen, ecosystemen en gewassen aantasten. Eutrofiëring als gevolg van stikstofdepositie overschrijdt de kritische belasting in twee derde van de ecosysteemgebieden in de EU, met aanzienlijke gevolgen voor de biodiversiteit. Deze verontreinigingsdruk kan stikstofoverschotten via waterverontreiniging vergroten.
In november 2019 heeft de Commissie haar
geschiktheidscontrole
van de richtlijnen inzake luchtkwaliteit (Richtlijnen 2004/107/EG en 2008/50/EG) gepubliceerd. Zij heeft geconcludeerd dat de richtlijnen gedeeltelijk doeltreffend zijn geweest wat het verbeteren van de luchtkwaliteit en het bereiken van luchtkwaliteitsnormen betreft, maar dat tot op heden niet alle doelstellingen van de richtlijnen zijn bereikt.
In december 2019 heeft de Europese Commissie zich er in de
Europese Green Deal
toe verbonden de luchtkwaliteit verder te verbeteren en de luchtkwaliteitsnormen van de EU beter op de aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) af te stemmen. De aanbevelingen van de WHO zijn voor het laatst herzien in september 2021 en worden periodiek wetenschappelijk geëvalueerd, doorgaans om de tien jaar. Deze doelstelling om nauwer aan te sluiten bij de meest recente wetenschappelijke bevindingen is bevestigd in het
actieplan om de verontreiniging tot nul terug te brengen
, met als doel om tegen 2050 de verontreiniging van de lucht (en het water en de bodem) terug te dringen tot niveaus die niet langer als schadelijk voor de gezondheid en de natuurlijke ecosystemen worden beschouwd, en die de grenzen van onze planeet respecteren, om zo een gifvrij milieu creëren. Daarnaast zijn er doelstellingen voor 2030 ingevoerd, waarvan er twee betrekking hebben op de lucht: de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging (vroegtijdige sterfgevallen) met meer dan 55 % verminderen en het aandeel van de ecosystemen in de EU waar luchtverontreiniging de biodiversiteit bedreigt met 25 % verminderen. Strengere luchtkwaliteitsnormen zouden ook bijdragen tot het behalen van de doelstellingen van het Europees kankerbestrijdingsplan. De Commissie heeft in de
Europese Green Deal
ook aangekondigd dat zij de monitoring, modellering en planning in verband met de luchtkwaliteit zou versterken.
De Russische militaire agressie tegen Oekraïne, die in februari 2022 is begonnen, heeft de EU-leiders ertoe gebracht overeenstemming te bereiken over de noodzaak om de transitie naar schone energieproductie dringend te versnellen, opdat de EU minder afhankelijk zou zijn van gas en andere fossiele brandstoffen die uit Rusland worden ingevoerd. Op 18 mei 2022 is onder de naam
REPowerEU
een ambitieus pakket maatregelen aangenomen, dat onder meer tot doel heeft de lidstaten bij te staan om sneller hernieuwbare energie te produceren. Indien dit pakket snel wordt uitgevoerd overeenkomstig de mededeling van de Commissie, kan het met betrekking tot de luchtverontreiniging aanzienlijke nevenvoordelen opleveren.
De luchtkwaliteitsrichtlijnen maken deel uit van een alomvattend beleidskader voor schone lucht dat is gebaseerd op drie hoofdpijlers. De eerste pijler bestaat uit de luchtkwaliteitsrichtlijnen zelf, waarin kwaliteitsnormen voor de concentratieniveaus van twaalf luchtverontreinigende stoffen zijn vastgesteld. De tweede pijler is de richtlijn betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen (de NEC-richtlijn), waarin per lidstaat verbintenissen zijn vastgelegd om de emissies van de belangrijkste luchtverontreinigende stoffen en de precursoren daarvan te verminderen, waarbij binnen de EU wordt opgetreden om een gezamenlijke vermindering van de grensoverschrijdende verontreiniging tot stand te brengen. Dit wordt aangevuld door internationale inspanningen, met name in het kader van het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (LRTAP-Verdrag), om grensoverschrijdende emissies van buiten de EU te verminderen. De derde pijler bestaat uit wetgeving betreffende emissienormen voor belangrijke bronnen van luchtverontreiniging, zoals wegvoertuigen, huishoudelijke verwarmingsinstallaties en bedrijfsinstallaties.
De hoeveelheid verontreiniging uit dergelijke bronnen wordt ook beïnvloed door andere beleidsmaatregelen die een invloed hebben op belangrijke activiteiten en sectoren op gebieden als vervoer, industrie, energie en klimaat, en landbouw. Een aantal van die beleidsmaatregelen maakt deel uit van recente initiatieven in het kader van de
Europese Green Deal
, zoals het
actieplan om de verontreiniging tot nul terug te brengen
, de
Europese klimaatwet
, het
“Fit for 55”
-pakket, dat initiatieven betreffende energie-efficiëntie en hernieuwbare energie omvat, de
methaanstrategie
, de
strategie voor duurzame en slimme mobiliteit
, het daarmee verband houdende
nieuwe kader voor stedelijke mobiliteit
uit 2021, de
biodiversiteitsstrategie
en het
“van boer tot bord”
-initiatief. Voorts wordt verwacht dat de uitstoot van verontreinigende stoffen door auto’s, bestelwagens, vrachtwagens en bussen aanzienlijk zal afnemen als gevolg van de goedkeuring en uitvoering van het komende voorstel voor Euro 7 (cf. PLAN/2020/6308).
Bij de herziening van de luchtkwaliteitsrichtlijnen zouden de richtlijnen tot één richtlijn worden samengevoegd met als doel:
·de luchtkwaliteitsnormen van de EU beter op de aanbevelingen van de WHO af te stemmen;
·het wetgevingskader verder te verbeteren (bv. met betrekking tot sancties en de mededeling van gegevens aan de bevolking);
·lokale overheden beter te ondersteunen bij het tot stand brengen van schonere lucht door de monitoring, modellering en plannen met betrekking tot de luchtkwaliteit te versterken.
Uit de effectbeoordeling blijkt dat de voordelen van de voorgestelde herziening voor de samenleving ruimschoots tegen de kosten opwegen. De belangrijkste verwachte voordelen houden verband met de gezondheid (waaronder lagere sterfte en lagere morbiditeit, minder uitgaven voor de gezondheidszorg, minder ziekteverzuim en hogere productiviteit op het werk) en het milieu (met inbegrip van een vermindering van het met ozon verband houdende verlies van gewasopbrengsten).
1.1.Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
Dit initiatief maakt deel uit van het werkprogramma van de Commissie voor 2022 en is een kernactie in het kader van het actieplan om de verontreiniging tot nul terug te brengen. Net als alle initiatieven in het kader van de Europese Green Deal heeft dit initiatief tot doel ervoor te zorgen dat de doelstellingen op de meest doeltreffende en minst belastende wijze worden verwezenlijkt en in overeenstemming zijn met het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”. Het voorstel draagt bij tot de verwezenlijking van de ambitie om de verontreiniging tot nul terug te brengen en van de doelstellingen met betrekking tot de luchtkwaliteit van het actieplan om de verontreiniging tot nul terug te brengen ter bescherming van de gezondheid en het milieu. Veel beleidsmaatregelen en prioriteiten in het kader van de
Europese Green Deal
zijn van belang voor de succesvolle uitvoering van het voorstel en kunnen profiteren van de grotere ambitie van de voorgestelde richtlijn. Hierbij gaat het onder meer om de volgende maatregelen en prioriteiten:
·De klimaatwet en het “Fit for 55”-pakket zullen met hun grotere klimaatambitie het gebruik van emissiearme of emissievrije technologieën bevorderen, met nevenvoordelen voor de luchtkwaliteit (zoals niet-brandbare hernieuwbare energiebronnen, energie-efficiëntiemaatregelen en elektrische mobiliteit). Voorstellen voor meer ambitie omvatten onder meer een grotere ambitie van het EU-emissiehandelssysteem (ETS), een grotere ambitie van de verordening inzake de verdeling van de inspanningen, en strengere CO₂-emissienormen voor auto’s en bestelwagens, op grond waarvan alle auto’s en bestelwagens die voor het eerst worden ingeschreven, vanaf 2035 emissievrij moeten zijn. De strengere luchtkwaliteitsnormen in het kader van dit voorstel zullen nevenvoordelen voor het klimaat opleveren in de vorm van lagere broeikasgasemissies, met name CO₂-emissies, als gevolg van de verbranding van fossiele brandstoffen, en de vermindering van de hoeveelheid zwarte koolstof, een klimaatforcerende stof met korte levensduur.
·In het kader van REPowerEU worden maatregelen voorgesteld om Europa snel minder afhankelijk te maken van Russische fossiele brandstoffen, waaronder een algehele vermindering van het energieverbruik, diversificatie van de energie-invoer, de vervanging van fossiele brandstoffen en de versnelling van de transitie naar hernieuwbare energie voor elektriciteitsopwekking, industrie, gebouwen en vervoer, en slimme investeringen. Het versnellen van deze maatregelen kan ook de luchtkwaliteit ten goede komen.
·Een toename van het gebruik van niet-brandbare hernieuwbare energiebronnen zal de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en dus de emissies van luchtverontreinigende stoffen verminderen en de luchtkwaliteit verbeteren. Initiatieven ter bevordering van hernieuwbare energiebronnen zijn onder meer het voorstel uit 2021 tot herziening van de richtlijn hernieuwbare energie, waarin ambitieuzere doelstellingen voor 2030 worden voorgesteld, alsook de mededeling van de Commissie uit 2022 over REPower EU, waarin de nadruk wordt gelegd op het vervroegen van investeringen in hernieuwbare energiebronnen, met name zonne- en windenergie, en in warmtepompen, die allemaal ook de luchtkwaliteit ten goede komen.
·Meer ambitie op het gebied van energie-efficiëntie en de invoering van een bindende energie-efficiëntiedoelstelling van de EU door middel van het voorstel voor een herziene energie-efficiëntierichtlijn zullen de totale energiebehoeften, met inbegrip van fossiele brandstoffen, doen afnemen en zo de emissies van luchtverontreinigende stoffen verminderen en de luchtkwaliteit verbeteren.
·Maatregelen in het kader van de strategie voor duurzame en slimme mobiliteit en het daarmee verband houdende nieuwe kader voor stedelijke mobiliteit van 2021 ter ondersteuning van de overgang naar lagere emissies en openbaar vervoer zullen positieve nevenvoordelen voor de luchtkwaliteit opleveren. Enkele maatregelen die van bijzonder belang zijn voor de luchtkwaliteit, zijn onder meer strengere emissienormen voor luchtverontreinigende stoffen voor voertuigen met een verbrandingsmotor (in het komende voorstel voor Euro 7); het voorstel voor een verordening inzake infrastructuur voor alternatieve brandstoffen: er is een uitgebreid netwerk van oplaad- en tankinfrastructuur nodig om het gebruik van hernieuwbare en koolstofarme brandstoffen, met inbegrip van e-mobiliteit, te bevorderen, hetgeen belangrijke nevenvoordelen voor de luchtkwaliteit zou opleveren; voorstellen voor ReFuelEU Luchtvaart en FuelEU Zeevaart omvatten maatregelen ter bevordering van schonere brandstoffen, met het potentieel om de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen te verminderen, en ter verbetering van de luchtkwaliteit in de buurt van havens en luchthavens door voor specifieke scheepstypen het gebruik van walstroom of emissievrije energie op de ligplaats en voor vliegtuigen het gebruik van duurzame luchtvaartbrandstoffen te verplichten. De luchtkwaliteitsrichtlijnen leiden op hun beurt tot meer maatregelen in stedelijke gebieden om op emissiearmere mobiliteit over te schakelen, lage-emissiezones in te stellen en meer gebruik te maken van openbaar vervoer en actieve mobiliteit, teneinde grenswaarden te bereiken.
·De vergroening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de “van boer tot bord”-strategie kunnen bijdragen tot de vermindering van ammoniakemissies door de landbouw, bijvoorbeeld door maatregelen ter vermindering van de ammoniakuitstoot te bevorderen via strategische GLB-plannen of door het nutriëntenbeheer te verbeteren.
·De strengere luchtkwaliteitsnormen in het kader van dit voorstel zullen bijdragen tot de bescherming van de diversiteit in overeenstemming met de biodiversiteitsstrategie, terwijl beleidsmaatregelen ter verbetering van de gezondheid van ecosystemen, zoals de voorgestelde wet inzake natuurherstel, ook resultaten op het gebied van schone lucht kunnen opleveren.
1.2.Rechtsgrondslag
De artikelen 191 en 192 van het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
(VWEU) inzake het milieu vormen de rechtsgrondslag voor het optreden van de EU op het gebied van luchtkwaliteit. Deze artikelen geven de EU de bevoegdheid om op te treden om de kwaliteit van het milieu te behouden, te beschermen en te verbeteren, de gezondheid van de mens te beschermen en op internationaal niveau maatregelen te bevorderen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen. De luchtkwaliteitsrichtlijnen hebben dezelfde rechtsgrondslag. Aangezien dit een gedeelde bevoegdheid van de EU en de lidstaten is, moet het optreden van de EU in overeenstemming zijn met het subsidiariteitsbeginsel.
1.3.Subsidiariteit en evenredigheid
De doelstellingen van dit initiatief kunnen op het niveau van de lidstaten alleen niet voldoende worden verwezenlijkt. Dit is in de eerste plaats te wijten aan de grensoverschrijdende aard van luchtverontreiniging: atmosferische modellering en metingen van de luchtverontreiniging laten er geen enkele twijfel over bestaan dat de verontreinigende emissies van één lidstaat bijdragen tot de verontreiniging die in andere lidstaten wordt gemeten. Zodra luchtverontreinigende stoffen in de atmosfeer worden uitgestoten of gevormd, kunnen zij over duizenden kilometers worden vervoerd. De omvang van het probleem vereist EU-brede actie om ervoor te zorgen dat alle lidstaten maatregelen nemen om de risico’s voor de bevolking in elke lidstaat te verminderen.
Ten tweede vereist het VWEU beleid dat gericht is op een hoog niveau van bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties binnen de EU. De bestaande richtlijnen bevatten minimumnormen voor de luchtkwaliteit in de hele EU, maar laten de keuze van de maatregelen over aan de lidstaten, zodat zij deze maatregelen aan de specifieke nationale, regionale en lokale omstandigheden kunnen aanpassen. Dit beginsel wordt gehandhaafd in dit voorstel voor een richtlijn, waarbij de twee bestaande luchtkwaliteitsrichtlijnen tot één richtlijn worden samengevoegd.
Ten derde moeten billijkheid en gelijkheid worden gewaarborgd met betrekking tot de economische gevolgen van maatregelen ter beheersing van de luchtverontreiniging en tot de luchtkwaliteit waarmee mensen in de hele EU te maken krijgen.
1.4.Evenredigheidsbeginsel
Het voorstel is in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, aangezien het:
·twee richtlijnen samenvoegt, waarbij de bepalingen van de bestaande richtlijnen in één richtlijn worden geconsolideerd en worden vereenvoudigd;
·de details van de uitvoering overlaat aan de lidstaten, die de nationale, regionale en lokale omstandigheden kennen en derhalve beter de meest kosteneffectieve maatregelen kunnen kiezen om aan de luchtkwaliteitsnormen te voldoen;
·aanzienlijke gezondheids- en economische voordelen oplevert die naar verwachting duidelijk tegen de kosten van de te nemen maatregelen zullen opwegen;
·een nauwkeurigere beoordeling van de luchtkwaliteit vereist aan de hand van specifieke eisen inzake monitoring en modellering, die naar verwachting gerichtere en kosteneffectievere maatregelen zullen bevorderen om aan de luchtkwaliteitsnormen te voldoen.
1.5.Keuze van instrumenten
Het voorgestelde instrument blijft, net als voorheen, een richtlijn. Andere middelen zijn niet geschikt, aangezien het voorstel erin bestaat doelstellingen op EU-niveau te blijven vaststellen, maar de keuze van de nalevingsmaatregelen over te laten aan de lidstaten, die deze maatregelen aan de verschillende nationale, regionale en lokale omstandigheden kunnen aanpassen, d.w.z. rekening houdend met de diversiteit en specificiteit van de situaties in de EU. Continuïteit in de keuze van het instrument vergemakkelijkt ook de samenvoeging en vereenvoudiging van de twee bestaande richtlijnen tot één enkel instrument.
2.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
2.1.Evaluatie/geschiktheidscontrole en daarmee verband houdende adviezen van de Raad voor regelgevingstoetsing
Uit de geschiktheidscontrole van de luchtkwaliteitsrichtlijnen is gebleken dat zij als leidraad hebben gediend voor het opzetten van representatieve hoogwaardige monitoring van de luchtkwaliteit, duidelijke luchtkwaliteitsnormen hebben vastgesteld en de uitwisseling van betrouwbare, objectieve, vergelijkbare gegevens over de luchtkwaliteit, met inbegrip van informatie voor een breder publiek, hebben vergemakkelijkt. Zij hebben er niet voor kunnen zorgen dat er voldoende maatregelen werden genomen om aan de luchtkwaliteitsnormen te voldoen en de duur van overschrijdingen zo kort mogelijk werd gehouden. Niettemin blijkt uit de beschikbare gegevens dat de luchtkwaliteitsrichtlijnen hebben bijgedragen tot een neerwaartse trend in de luchtverontreiniging en dat zij het aantal en de omvang van de overschrijdingen hebben verminderd. In het licht van dit gedeeltelijke succes was de conclusie dat de luchtkwaliteitsrichtlijnen in grote lijnen geschikt waren voor het beoogde doel, terwijl tegelijkertijd werd gewezen op de ruimte voor verbeteringen binnen het bestaande kader om in de hele EU een goede luchtkwaliteit tot stand te brengen. Uit de geschiktheidscontrole is gebleken dat aanvullende richtsnoeren, of duidelijkere vereisten in de luchtkwaliteitsrichtlijnen zelf, kunnen helpen om de monitoring, de modellering en de bepalingen betreffende plannen en maatregelen doeltreffender en efficiënter te maken.
Er is vastgesteld dat de luchtkwaliteitsnormen een belangrijke rol hebben gespeeld bij de afname van concentraties en de verlaging van de overschrijdingsniveaus. De luchtkwaliteitsnormen van de EU zijn echter niet volledig in overeenstemming met gevestigde gezondheidsaanbevelingen en er zijn en blijven aanzienlijke vertragingen bij het nemen van passende en doeltreffende maatregelen om aan de luchtkwaliteitsnormen te voldoen.
Over het algemeen is gebleken dat het monitoringnetwerk in grote lijnen aan de bepalingen van de bestaande luchtkwaliteitsrichtlijnen voldoet en ervoor zorgt dat er betrouwbare en representatieve luchtkwaliteitsgegevens beschikbaar zijn. Er werd echter bezorgdheid geuit over het feit dat de criteria voor monitoring te veel speelruimte laten en voor de betrokken autoriteiten enige dubbelzinnigheid met zich meebrengen.
Naar aanleiding van aanbevelingen van de Raad voor regelgevingstoetsing heeft de geschiktheidscontrole op verschillende gebieden verdere verduidelijkingen geboden, onder meer over de verschillen tussen de luchtkwaliteitsnormen van de EU en de aanbevelingen van de WHO, trends en monitoring van de luchtkwaliteit, de doeltreffendheid van wetgeving om luchtkwaliteitsnormen te bereiken, feedback van belanghebbenden en de publieke perceptie van de luchtkwaliteit.
2.2.Raadpleging van belanghebbenden
De raadpleging van belanghebbenden was bedoeld om ondersteunende informatie, gegevens, kennis en standpunten van een breed scala van belanghebbenden te verzamelen, om input te leveren voor de verschillende beleidsopties voor de herziening van de luchtkwaliteitsrichtlijnen en om de haalbaarheid van de uitvoering ervan te helpen beoordelen.
De openbare raadpleging duurde 12 weken, had de vorm van een onlinevragenlijst met 13 inleidende en 31 specifieke vragen, en is georganiseerd via EU Survey. In de vragenlijst waren kwesties opgenomen die in de effectbeoordeling aan bod moesten komen en werden de eerste standpunten verzameld over het ambitieniveau en de mogelijke effecten van bepaalde opties voor de herziening van de luchtkwaliteitsrichtlijnen. Er werden in totaal 934 reacties ontvangen en 116 standpuntnota’s ingediend. Op open vragen werden tussen de 11 en 406 individuele antwoorden ontvangen (dat zijn er gemiddeld 124). De reacties kwamen uit 23 verschillende lidstaten.
De gerichte enquête is in twee delen op EU Survey gepubliceerd (deel 1 over beleidsterrein 1 (luchtkwaliteitsnormen) op 13 december 2021 en deel 2 over de beleidsterreinen 2 en 3 (governance, monitoring, modellering en luchtkwaliteitsplannen) op 13 januari 2022), allebei met 11 februari 2022 als uiterste datum voor het indienen van bijdragen. In het kader van de gerichte enquête werden diepgaande standpunten verzameld van organisaties die belang hebben bij of werken met de EU-regels inzake luchtkwaliteit. De enquête werd derhalve gestuurd naar specifieke belanghebbenden, waaronder relevante autoriteiten op verschillende bestuursniveaus, organisaties uit de particuliere sector, academici en organisaties uit het maatschappelijk middenveld in alle EU-lidstaten. Op deel 1 van de gerichte enquête onder belanghebbenden zijn in totaal 139 antwoorden uit 24 lidstaten ontvangen. Op deel 2 van de enquête zijn 93 antwoorden uit 22 lidstaten ontvangen.
De eerste vergadering met belanghebbenden vond plaats op 23 september 2021 en werd ter plaatse of online bijgewoond door 315 externe deelnemers uit 27 lidstaten. Het doel van de eerste vergadering met belanghebbenden was om standpunten te verzamelen over de tekortkomingen van de huidige luchtkwaliteitsrichtlijnen en over het ambitieniveau voor de herziene wetgeving.
De tweede vergadering met belanghebbenden vond plaats op 4 april 2022 en werd ter plaatse of online bijgewoond door 257 externe deelnemers uit 23 lidstaten. Het doel van de vergadering was om feedback van belanghebbenden te verzamelen met het oog op de voltooiing van de effectbeoordeling.
Er zijn ter aanvulling van de andere raadplegingsactiviteiten gerichte gesprekken gehouden, met name met vertegenwoordigers van regionale en nationale overheden, het maatschappelijk middenveld en ngo’s, en de academische wereld en onderzoeksinstellingen. Het belangrijkste doel van de gesprekken was het opvullen van de resterende lacunes die bij de evaluatie van de gerichte enquête onder belanghebbenden waren vastgesteld. De gesprekken waren daarom toegespitst op beleidsterrein 2, met name op de haalbaarheid, de uitvoeringsmiddelen en de effecten van de verschillende opties.
Daarnaast is in de effectbeoordeling rekening gehouden met: 30 ad-hocbijdragen (standpuntnota’s, wetenschappelijke studies en andere documenten) die door 25 verschillende belanghebbenden zijn ingediend; gesprekken tijdens het derde EU Clean Air Forum op 18 en 19 november 2021; feedback over de aanvangseffectbeoordeling van 63 belanghebbenden uit 12 lidstaten; en het advies van het Fit for Future-platform over de wetgeving inzake luchtkwaliteit.
Voorts blijkt uit het verslag over het eindresultaat van de Conferentie over de toekomst van Europa dat burgers maatregelen eisen om de luchtverontreiniging terug te dringen.
2.3.Gebruik van expertise
Bij het opstellen van dit voorstel is gebruik gemaakt van de volgende expertisegebieden: 1) de analyse van verbanden tussen luchtverontreiniging en de gezondheid van de mens, 2) de raming van gezondheidseffecten, met inbegrip van monetaire kwantificering, 4) de raming van de effecten op ecosystemen, 5) macro-economische modellering, en 6) de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit.
Deze expertise is voornamelijk verzameld via dienstverleningscontracten en subsidieovereenkomsten met onder meer de WHO, het Europees Milieuagentschap, het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek, en verschillende consultants. Alle verslagen van deskundigen en contracten zijn routinematig naar het internet geüpload voor publieke verspreiding.
2.4.Effectbeoordeling en advies van de Raad voor regelgevingstoetsing
In de effectbeoordeling werden 19 beleidsopties (waaronder 69 beleidsmaatregelen) geanalyseerd om de tekortkomingen van de huidige luchtkwaliteitsrichtlijnen op het gebied van milieu en gezondheid, governance en handhaving, monitoring en beoordeling, en informatie en communicatie aan te pakken.
Elk van deze beleidsopties werd beoordeeld met betrekking tot de ecologische, sociale en economische gevolgen, de samenhang met andere beleidsprioriteiten en de verwachte kosten-batenverhouding.
Het beleidspakket waaraan de voorkeur wordt gegeven, wordt hieronder uiteengezet.
1.Wat normen voor de luchtkwaliteit betreft:
a. duidelijke EU-luchtkwaliteitsnormen vaststellen, gedefinieerd als grenswaarden voor 2030, op basis van een politieke keuze tussen de beleidsopties “volledige afstemming” (I-1), “nauwere afstemming” (I-2) en “gedeeltelijke afstemming” (I-3), met een beperkt aantal tijdelijke uitzonderingen wanneer deze duidelijk gerechtvaardigd zijn;
b. streven naar volledige afstemming op de richtsnoeren van de WHO inzake luchtkwaliteit van 2021 na 2030, en tegelijkertijd op het juiste pad geraken om uiterlijk in 2050 ook afstemming op de toekomstige richtsnoeren van de WHO om de luchtverontreiniging tot nul terug te dringen, te bereiken;
c. een mechanisme voor regelmatige evaluatie om ervoor te zorgen dat de meest recente wetenschappelijke inzichten betreffende luchtkwaliteit als leidraad voor toekomstige beslissingen dienen.
2.Wat governance en handhaving betreft:
a. de minimumeisen voor luchtkwaliteitsplannen bijwerken;
b. grenswaarden invoeren voor luchtverontreinigende stoffen waarvoor momenteel streefwaarden gelden, om een meer doeltreffende verlaging van de concentraties van deze verontreinigende stoffen mogelijk te maken;
c. verder verduidelijken hoe overschrijdingen van luchtkwaliteitsnormen moeten worden aangepakt, hoe zij kunnen worden voorkomen en wanneer luchtkwaliteitsplannen moeten worden bijgewerkt;
d. het soort maatregelen dat de bevoegde autoriteiten moeten nemen om perioden van overschrijding zo kort mogelijk te houden nader omschrijven en de bepalingen inzake sancties bij inbreuken op de luchtkwaliteitsnormen uitbreiden;
e. de verplichtingen van de lidstaten om samen te werken wanneer grensoverschrijdende verontreiniging inbreuken op de luchtkwaliteitsnormen veroorzaakt aanscherpen;
f. de afdwingbaarheid van de richtlijnen verbeteren door middel van nieuwe bepalingen inzake toegang tot de rechter en schadevergoedingen en van een aangescherpte bepaling inzake sancties.
3.Wat de beoordeling van de luchtkwaliteit betreft:
a. de monitoring en beoordeling van de luchtkwaliteit verder verbeteren, vereenvoudigen en enigszins uitbreiden, onder andere door:
i. verontreinigende stoffen waarover de bezorgdheid toeneemt te monitoren;
ii. de verplaatsing van bemonsteringspunten voor de luchtkwaliteit te beperken tot bemonsteringspunten waar de grenswaarden gedurende ten minste drie jaar niet zijn overschreden;
iii. de criteria voor de situering van bemonsteringspunten verder te verduidelijken en te stroomlijnen;
vi. de maximaal toegestane meetonzekerheden aan te passen aan de voorgestelde strengere luchtkwaliteitsnormen;
b. de luchtkwaliteitsmodellen beter benutten:
i. om inbreuken op de luchtkwaliteitsnormen op te sporen en input te leveren voor het opstellen van luchtkwaliteitsplannen en het bepalen van de locatie van bemonsteringspunten;
ii. de kwaliteit en vergelijkbaarheid van luchtkwaliteitsmodellen verbeteren.
4.Wat de mededeling van gegevens over de luchtkwaliteit aan de bevolking betreft:
a. alle beschikbare actuele metingen van de luchtkwaliteit voor de belangrijkste verontreinigende stoffen elk uur bekendmaken, en deze informatie voor burgers toegankelijk maken door middel van een luchtkwaliteitsindex;
b. het publiek over mogelijke gezondheidseffecten informeren en gedragsaanpassingen aanbevelen wanneer de luchtkwaliteitsnormen worden overtreden.
Over het algemeen wordt verwacht dat de belangrijkste voordelen een lagere sterfte en lagere morbiditeit, minder uitgaven voor de gezondheidszorg, een vermindering van het met ozon verband houdende verlies van gewasopbrengsten, minder ziekteverzuim en hogere productiviteit op het werk zullen zijn.
De beleidsopties met betrekking tot de verschillende niveaus van aanpassing aan de richtsnoeren inzake luchtkwaliteit van de WHO hebben gevolgen voor het milieu, de economie, de maatschappij en de gezondheid. Alle drie de opties, namelijk “volledige afstemming” (I-1), “nauwere afstemming” (I-2) en “gedeeltelijke afstemming” (I-3), zouden aanzienlijke gezondheids- en milieuvoordelen opleveren, zij het in verschillende mate. Voor alle drie de beleidsopties blijkt uit de effectbeoordeling echter dat de voordelen voor de samenleving ruimschoots opwegen tegen de kosten.
De jaarlijkse kosten en baten zijn voor 2030 berekend als centrale raming, aangezien dat het jaar is waarin de meeste nieuwe luchtkwaliteitsnormen voor het eerst zouden moeten worden gehaald. De mitigatiekosten zouden al in de voorgaande jaren ontstaan omdat ervoor moet worden gezorgd dat de nieuwe normen in 2030 worden gehaald, maar na 2030 zullen zij waarschijnlijk afnemen, aangezien de eenmalige investeringen die nodig zijn om de doelstellingen te bereiken, reeds zullen zijn gedaan.
Beleidsoptie I-3 (“gedeeltelijke afstemming” op de luchtkwaliteitsrichtsnoeren van de WHO van 2021 tegen 2030) heeft de hoogste kosten-batenverhouding (tussen 10:1 en 28:1). Van de meeste bemonsteringspunten voor luchtkwaliteit in de EU kan worden verwacht dat zij met weinig extra inspanningen aan de overeenkomstige luchtkwaliteitsnormen kunnen voldoen. Volgens de centrale raming bedragen de nettovoordelen meer dan 29 miljard EUR, terwijl de overeenkomstige kosten voor de mitigatiemaatregel 3,3 miljard EUR bedragen in 2030.
Voor beleidsoptie I-2 (“nauwere afstemming” op de luchtkwaliteitsrichtsnoeren van de WHO van 2021 tegen 2030) zal de kosten-batenverhouding naar verwachting iets lager uitvallen (tussen 7,5:1 en 21:1). Ongeveer 6 % van de bemonsteringspunten zou naar verwachting niet aan de overeenkomstige luchtkwaliteitsnormen voldoen zonder extra inspanningen op lokaal niveau (of er kunnen verlengingen of uitzonderingen voor nodig zijn). Volgens de centrale raming bedragen de nettovoordelen meer dan 36 miljard EUR, dit is 25 % meer dan beleidsoptie I-3. De overeenkomstige kosten van alle mitigatiemaatregelen en de daarmee samenhangende administratieve kosten worden geraamd op 5,7 miljard EUR in 2030.
Ook voor beleidsoptie I-1 (“volledige afstemming” op de luchtkwaliteitsrichtsnoeren van de WHO van 2021 tegen 2030) blijft de kosten-batenverhouding positief (tussen 6:1 en 18:1). 71 % van de bemonsteringspunten zou naar verwachting echter niet zonder extra inspanningen op lokaal niveau aan de overeenkomstige luchtkwaliteitsnormen voldoen (en in veel van deze gevallen zouden zij met alleen technisch haalbare reducties helemaal niet aan deze normen kunnen voldoen). Volgens de centrale raming bedragen de nettovoordelen meer dan 38 miljard EUR, dit is 5 % meer dan beleidsoptie I-2. De overeenkomstige mitigatiekosten worden geraamd op 7 miljard EUR in 2030.
In 2030 zullen de administratieve kosten naar schatting 75 miljoen EUR tot 106 miljoen EUR per jaar bedragen. Dit bedrag omvat de kosten voor het opstellen van luchtkwaliteitsplannen, voor luchtkwaliteitsbeoordelingen en voor extra bemonsteringspunten. Met name de kosten voor het opstellen van luchtkwaliteitsplannen zullen naar verwachting mettertijd dalen, aangezien zij het probleem van de overschrijdingen van de luchtkwaliteitsnormen oplossen en zo overbodig worden. Evenzo worden de vereisten voor de regeling van de beoordeling van de luchtkwaliteit minder streng naarmate de luchtkwaliteit verbetert, met een verwachte daling van de kosten in verband met de monitoring van de luchtkwaliteit. De bovenstaande ramingen, met inbegrip van eenmalige investeringen, zijn echter op jaarbasis in de berekeningen opgenomen. Al deze kosten worden gedragen door de overheid.
Het is belangrijk op te merken dat de luchtkwaliteitsrichtlijnen geen directe administratieve kosten voor consumenten en bedrijven met zich meebrengen. De potentiële kosten voor hen vloeien voornamelijk voort uit maatregelen die de autoriteiten van de lidstaten nemen om de in de richtlijnen vastgestelde luchtkwaliteitsnormen te halen. Deze maken deel uit van de hierboven vermelde totale mitigatie-/aanpassingskosten.
De voorgestelde samenvoeging van de huidige richtlijnen inzake luchtkwaliteit (2008/50/EG en 2004/107/EG) tot één richtlijn zal de administratieve lasten voor overheidsinstanties, met name voor de betrokken autoriteiten in de lidstaten, naar verwachting verminderen door de regels te vereenvoudigen, de consistentie en duidelijkheid te vergroten en de uitvoering efficiënter te maken.
In de effectbeoordeling werd ook de samenhang met het klimaatbeleid, met name de
Europese klimaatwet
, gecontroleerd. Gezien de vele gemeenschappelijke bronnen van broeikasgasemissies en verontreinigende emissies zal de voorgestelde herziening van de luchtkwaliteitsnormen van de EU de klimaatdoelstellingen ondersteunen, aangezien maatregelen voor schone lucht ook tot een vermindering van de broeikasgasemissies zullen leiden.
De beoordeelde effecten van het voorstel op de luchtkwaliteit zijn ook in overeenstemming met het
actieplan om de verontreiniging tot nul terug te brengen
, met name met de doelstelling voor 2030 om de gezondheidseffecten (vroegtijdige sterfgevallen) van luchtverontreiniging met meer dan 55 % te verminderen, en met de visie van het actieplan voor 2050 om de lucht-, water- en bodemverontreiniging terug te dringen tot niveaus die niet langer als schadelijk voor de gezondheid worden beschouwd. Er zijn ook belangrijke synergieën met beleidsmaatregelen die de uitstoot van verontreinigende stoffen aan de bron aanpakken en die ook deel van het actieplan uitmaken. Dit betreft bijvoorbeeld het
recente voorstel tot herziening van de richtlijn industriële emissies
en het komende voorstel voor
Euro 7-emissienormen
voor wegvoertuigen, dat de verwezenlijking van strengere luchtkwaliteitsnormen zal ondersteunen.
Naar aanleiding van het advies van de Raad voor regelgevingstoetsing is de effectbeoordeling uitgebreid met aanvullende analyses en verduidelijkingen over: 1) de interactie van het voorstel met andere initiatieven, zoals het effect van de voorgestelde herziening van de richtlijn industriële emissies, 2) de verschillende parameters die zijn geanalyseerd voor de verschillende beleidsopties, met inbegrip van hun respectieve haalbaarheid, en 3) de redenen voor de problemen die zijn vastgesteld bij de uitvoering van de huidige luchtkwaliteitsrichtlijnen.
Parallel aan de effectbeoordeling voor dit voorstel is een bredere analyse van de context van de schone lucht en de toekomstperspectieven ervan uitgevoerd, die zal worden gepubliceerd als een verslag over de vooruitzichten voor schone lucht en als onderdeel van het verslag over de monitoring van en vooruitzichten voor een samenleving zonder verontreiniging, dat gepland is voor eind 2022. De derde editie van “Vooruitzichten voor schone lucht” zal een aanvulling vormen op de analyse voor de effectbeoordeling voor de herziening van de richtlijnen en zal licht werpen op aanvullende elementen zoals: de regionale impact van de in het REPowerEU-pakket voorgestelde maatregelen op schone lucht; het positieve vooruitzicht om de doelstellingen voor 2030 om de verontreiniging tot nul terug te dringen in het kader van het beleidspakket dat de voorkeur geniet voor de herziening van de richtlijnen; en het effect van het opnemen van niet-technologische maatregelen (bv. wat voeding betreft) op de prognoses voor schone lucht voor 2030. Deze effecten vormen een aanvulling op mogelijke grotere positieve langetermijneffecten.
2.5.Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging (Refit)
In het licht van haar agenda voor betere regelgeving (en het Refit-programma) stelt de Commissie voor om Richtlijn 2008/50/EG en Richtlijn 2004/107/EG samen te voegen tot één richtlijn die alle relevante luchtverontreinigende stoffen reguleert.
Richtlijn 2008/50/EG heeft een aantal wetgevingshandelingen vervangen: Richtlijn 96/62/EG van de Raad inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit, Richtlijn 99/30/EG van de Raad betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht, Richtlijn 2000/69/EG betreffende grenswaarden voor benzeen en koolmonoxide in de lucht, Richtlijn 2002/3/EG betreffende ozon in de lucht en Beschikking 97/101/EG van de Raad tot invoering van een regeling voor de onderlinge uitwisseling van informatie over en gegevens van meetnetten en meetstations voor luchtverontreiniging in de lidstaten. Zij zijn met het oog op duidelijkheid, vereenvoudiging en administratieve efficiëntie samengevoegd tot één richtlijn. Destijds hebben het Europees Parlement en de Raad ook bepaald dat moest worden overwogen Richtlijn 2004/107/EG met Richtlijn 2008/50/EG samen te voegen zodra voldoende ervaring met de uitvoering van Richtlijn 2004/107/EG was opgedaan.
Na Richtlijn 2008/50/EG en Richtlijn 2004/107/EG meer dan tien jaar gelijktijdig te hebben uitgevoerd, biedt de herziening van de luchtkwaliteitsrichtlijnen de gelegenheid om de richtlijnen samen te voegen tot één richtlijn en daarin de meest recente wetenschappelijke kennis en de ervaring met de uitvoering te verwerken. Dit zal de wetgeving inzake luchtkwaliteit consolideren en tegelijkertijd de regels voor de betrokken autoriteiten vereenvoudigen, de algehele consistentie en duidelijkheid vergroten en de uitvoering efficiënter maken.
Het voorstel zorgt ook voor een stroomlijning en vereenvoudiging van een aantal bepalingen, met name met betrekking tot de monitoring van de luchtkwaliteit van verschillende luchtverontreinigende stoffen, soorten luchtkwaliteitsnormen voor deze verontreinigende stoffen en de daaruit voortvloeiende eisen, zoals de ontwikkeling van luchtkwaliteitsplannen.
Bij de effectbeoordeling is rekening gehouden met de suggesties in het advies van het Fit for Future-platform van 12 november 2021 betreffende de wetgeving inzake luchtkwaliteit, met inbegrip van bijvoorbeeld de aanbevelingen met betrekking tot luchtkwaliteitsnormen, uitvoering, monitoring, samenvoeging van de bestaande richtlijnen en samenhang met gerelateerde beleidsmaatregelen.
2.6.Grondrechten
De voorgestelde richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het EU-Handvest van de grondrechten zijn erkend. Dit voorstel heeft tot doel de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging voor de gezondheid van de mens en het milieu te vermijden, te voorkomen en te verminderen, overeenkomstig artikel 191, lid 1, VWEU. Het streeft naar de integratie in het EU-beleid van een hoog niveau van milieubescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, overeenkomstig het in artikel 37 van het EU-Handvest van de grondrechten neergelegde beginsel van duurzame ontwikkeling. Het brengt ook de in de artikelen 2 en 3 van het handvest neergelegde verplichting tot bescherming van het recht op leven en de menselijke integriteit concreet tot uitdrukking.
Daarnaast draagt het, in verband met de bescherming van de gezondheid van de mens, ook bij tot het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, zoals neergelegd in artikel 47 van het handvest, door middel van gedetailleerde bepalingen inzake de toegang tot de rechter, schadevergoedingen en sancties.
3.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
Het financieel memorandum betreffende de gevolgen voor de begroting en de personele en administratieve middelen die nodig zijn voor dit voorstel, zijn opgenomen in het financieel memorandum bij het pakket om de verontreiniging tot nul terug te dringen, dat wordt gepresenteerd als onderdeel van het voorstel tot herziening van de lijsten van verontreinigende stoffen die van invloed zijn op het oppervlakte- en het grondwater.
Het voorstel zal wat de benodigde personele en administratieve middelen betreft, budgettaire gevolgen hebben voor de Commissie, het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC) en het Europees Milieuagentschap (EMA).
De uitvoerings- en handhavingswerklast van de Commissie zal licht toenemen als gevolg van de opname van nieuwe normen en het grotere aantal te monitoren stoffen, alsook van de noodzaak om bestaande richtsnoeren en uitvoeringsbesluiten te herzien en bij te werken en nieuwe richtsnoeren op te stellen.
De Commissie zal ook meer steun van het JRC nodig hebben om de monitoring en modellering van de luchtkwaliteit te versterken. Dit omvat met name het opstellen van richtsnoeren, het voorzitten van twee belangrijke netwerken van deskundigen en het opstellen van normen voor monitoring en modellering met betrekking tot de luchtkwaliteit in samenwerking met het Europees Comité voor Normalisatie (CEN). Deze wetenschappelijke ondersteuning zou worden verkregen door middel van administratieve regelingen.
De werklast van het EMA zal toenemen als gevolg van: de noodzakelijke uitbreiding van de infrastructuur en de ondersteuning van de continue rapportage, die zou worden uitgebreid tot verontreinigende stoffen waarover de bezorgdheid toeneemt en gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichtingen voor de verontreinigende stoffen PM2,5 en NO2; de noodzaak om de rapportage-infrastructuur uit te breiden met het oog op actuele informatie van aanvullende bemonsteringspunten, modelleringsgegevens en luchtkwaliteitsplannen; de noodzaak om de ondersteuning voor degelijke beoordelingen van gerapporteerde luchtkwaliteitsgegevens te vergroten, en de noodzaak om het verband tussen de analyse en de ondersteuning van beleidsmaatregelen inzake luchtverontreiniging, klimaatverandering en de gezondheid van mensen en ecosystemen te versterken. Dit vereist één nieuw extra voltijds equivalent en twee herschikkingen, naast het huidige team van EMA-werknemers die reeds het EU-beleid inzake schone lucht ondersteunen.
4.OVERIGE ELEMENTEN
Het huidige kader dat op grond van de luchtkwaliteitsrichtlijnen is vastgesteld, biedt reeds een kwalitatief hoogwaardige representatieve monitoring van de luchtkwaliteit, zoals blijkt uit de
geschiktheidscontrole
van de richtlijnen. In de hele EU hebben de lidstaten een netwerk voor de monitoring van de luchtkwaliteit opgezet met ongeveer 16 000 bemonsteringspunten voor specifieke verontreinigende stoffen (waarvan er vele zijn gegroepeerd in meer dan 4 000 meetstations), waarbij de bemonstering is gebaseerd op gemeenschappelijke criteria die in de richtlijnen zijn vastgesteld. Het monitoringnetwerk voldoet grotendeels aan de richtlijnen en zorgt er in het algemeen voor dat er betrouwbare en representatieve gegevens over de luchtkwaliteit beschikbaar zijn. Het kader voor monitoring zal door dit voorstel verder worden verbeterd, zoals hieronder nader wordt toegelicht.
De bestaande bepalingen inzake verslaglegging van
Besluit 2011/850/EU van de Commissie
hebben als leidraad gediend voor de ontwikkeling van een doeltreffend en efficiënt digitaal systeem voor e-rapportage, dat door het EMA wordt beheerd. Daarnaast omvat dit voorstel de monitoring van verontreinigende stoffen waarover de bezorgdheid toeneemt. Dit maakt het mogelijk om verschillende luchtverontreinigende stoffen te observeren waarvoor nog geen EU-brede geharmoniseerde luchtkwaliteitsmonitoring bestaat.
Verbeteringen van de regelingen voor monitoring, modellering en beoordeling van de luchtkwaliteit maken ook deel uit van dit voorstel. Zij zullen aanvullende vergelijkbare en objectieve gegevens opleveren die het mogelijk maken de ontwikkeling van de luchtkwaliteit in de EU regelmatig te monitoren en te evalueren. Samen met preciezere eisen voor de gegevens die in de luchtkwaliteitsplannen moeten worden opgenomen, zoals bepaald in dit voorstel, zal het hierdoor mogelijk worden de doeltreffendheid van specifieke (vaak lokale) luchtkwaliteitsmaatregelen voortdurend te evalueren. Dankzij duidelijkere specifieke vereisten inzake de mededeling van gegevens aan de bevolking zal het publiek gemakkelijker en sneller toegang kunnen krijgen tot de resultaten van de monitoring en evaluatie van gegevens over de luchtkwaliteit en de daarmee verband houdende beleidsmaatregelen.
Dit alles zal nuttig zijn voor toekomstige evaluaties van een herziene luchtkwaliteitsrichtlijn.
5.ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Met het voorstel tot samenvoeging van de huidige luchtkwaliteitsrichtlijnen (2008/50/EG en 2004/107/EG) wordt beoogd de wetgeving te consolideren en te vereenvoudigen.
De volgende toelichtingen betreffen wijzigingen ten opzichte van de huidige richtlijnen. De nummering van de aangehaalde artikelen stemt overeen met de nummering in het voorstel.
In artikel 1 is de doelstelling opgenomen om de luchtverontreiniging tegen 2050 tot nul terug te brengen om ervoor te zorgen dat de luchtkwaliteit uiterlijk in 2050 zodanig is verbeterd dat de verontreiniging niet langer als schadelijk voor de gezondheid van de mens en het milieu wordt beschouwd.
Artikel 3 voorziet in een regelmatige evaluatie van de wetenschappelijke gegevens om na te gaan of de geldende luchtkwaliteitsnormen nog steeds toereikend zijn om de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen en of aanvullende luchtverontreinigende stoffen moeten worden gereguleerd. De evaluatie zal bij de ontwikkeling van plannen voor de aanpassing aan de richtsnoeren inzake luchtkwaliteit van de WHO tegen 2050 in acht worden genomen op basis van een mechanisme voor regelmatige evaluatie om rekening te houden met de meest recente wetenschappelijke inzichten.
Artikel 4 is bijgewerkt en bevat nieuwe definities van elementen die worden gewijzigd of aan de richtlijn worden toegevoegd.
In artikel 5 wordt bepaald dat de lidstaten de nauwkeurigheid van modelleringsapplicaties moeten waarborgen, teneinde een intensiever gebruik van modellen voor de beoordeling van de luchtkwaliteit en een beter gebruik van modellering mogelijk te maken.
Artikel 7 vereenvoudigt de regels voor beoordelingsdrempels. De drempelwaarden geven aan welke technieken voor de beoordeling van de luchtkwaliteit met betrekking tot verschillende verontreinigingsniveaus moeten worden toegepast. In het voorstel worden de huidige onderste en bovenste beoordelingsdrempels vervangen door één beoordelingsdrempel per verontreinigende stof.
Artikel 8 zorgt ervoor dat de luchtkwaliteit met behulp van vaste bemonsteringspunten moet worden gemonitord wanneer de luchtverontreinigingsniveaus de WHO-aanbevelingen overschrijden. Wanneer de in deze richtlijn vastgestelde grenswaarden of streefwaarde voor ozon worden overschreden, moet de luchtkwaliteit ook aan de hand van modelleringsapplicaties worden beoordeeld. Modellering zal ook helpen om mogelijke extra locaties waar de grenswaarden of de streefwaarde voor ozon worden overschreden, op te sporen. Het doel hiervan is gebruik te maken van de vorderingen op het gebied van modelleringsapplicaties om doeltreffende, gerichte en kostenefficiënte luchtkwaliteitsmaatregelen in te voeren om zo snel mogelijk een einde te maken aan inbreuken op de luchtkwaliteitsnormen.
In Artikel 9 worden de regels voor het aantal en de locatie van bemonsteringspunten bijgewerkt en verduidelijkt, met inbegrip van strengere regels voor de verplaatsing van bemonsteringspunten. In de herziene regels worden ook de vereisten voor bemonsteringspunten voor verschillende luchtverontreinigende stoffen en luchtkwaliteitsnormen, die momenteel over de richtlijnen zijn verspreid, samengebracht en vereenvoudigd.
Artikel 10 betreft monitoringsupersites en bevat voorschriften betreffende het aantal monitoringsupersites en de plaats waar zij zich bevinden. Deze monitoringsupersites combineren meerdere bemonsteringspunten om langetermijngegevens te verzamelen over de luchtverontreinigende stoffen die onder deze richtlijn vallen, alsook over luchtverontreinigende stoffen waarover de bezorgdheid toeneemt en andere relevante maatstaven. Door meerdere bemonsteringspunten in een supersite samen te brengen in plaats van ze afzonderlijk te plaatsen, kunnen in sommige gevallen kosten worden bespaard. De inrichting van extra bemonsteringspunten voor niet-gereguleerde luchtverontreinigende stoffen waarover de bezorgdheid toeneemt, zoals ultrafijne deeltjes, zwarte koolstof, ammoniak (NH3) of het oxidatiepotentieel van zwevende deeltjes, zal het wetenschappelijke inzicht in de gevolgen ervan voor de gezondheid en het milieu ondersteunen. In voorkomend geval kunnen de lidstaten gemeenschappelijke monitoringsupersites opzetten, wat de kosten kan verlagen.
Artikel 11 verduidelijkt de gegevenskwaliteitsdoelstellingen voor luchtkwaliteitsmetingen en bevat kwaliteitsdoelstellingen voor modellering. Er wordt een nieuwe eis toegevoegd op grond waarvan alle gegevens moeten worden gerapporteerd en gebruikt voor de beoordeling van de naleving, ook al voldoen zij niet aan de gegevenskwaliteitsdoelstellingen.
Om de bepalingen te vereenvoudigen en te stroomlijnen, zijn de bepalingen inzake de beoordeling van ozon geïntegreerd met die inzake de beoordeling van andere verontreinigende stoffen.
Artikel 12 bundelt de bestaande voorschriften betreffende de handhaving van de niveaus van luchtverontreinigende stoffen onder de grenswaarden en bevat nieuwe eisen inzake gemiddeldeblootstellingsconcentraties.
Artikel 13 brengt de luchtkwaliteitsnormen van de EU beter in overeenstemming met de aanbevelingen van de WHO van 2021, rekening houdend met de haalbaarheid en de kosteneffectiviteit, die in de effectbeoordeling bij dit voorstel zijn geanalyseerd. Daarnaast worden grenswaarden ingevoerd voor alle luchtverontreinigende stoffen waarvoor momenteel streefwaarden gelden, met uitzondering van ozon (O3). Uit de ervaring met de huidige richtlijnen blijkt dat hierdoor het verlagen van de concentraties luchtverontreinigende stoffen doeltreffender zal worden. Ozon is vrijgesteld van deze wijziging wegens de complexe kenmerken van de vorming ervan in de atmosfeer, waardoor het moeilijk is om na te gaan of het haalbaar is aan strikte grenswaarden te voldoen. De herziene grens- en streefwaarden worden in 2030 van kracht, zodat de behoefte aan snelle verbetering wordt afgewogen tegen de noodzaak om te voorzien in voldoende aanlooptijd en in coördinatie met belangrijke gerelateerde beleidsmaatregelen die in 2030 resultaten zullen opleveren, zoals het “Fit for 55”-pakket met beleidsmaatregelen ter beperking van de klimaatverandering. Om de EU op weg te helpen om de luchtverontreiniging tegen 2050 tot nul terug te brengen, wordt een nieuwe bepaling ingevoerd op grond waarvan de gemiddelde blootstelling van de bevolking aan fijne zwevende deeltjes (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) op regionaal niveau (territoriale eenheden op het niveau NUTS 1) moet worden verlaagd tot niveaus die dichter bij de door de WHO aanbevolen niveaus liggen. Dit komt bovenop de verplichting om te voldoen aan de grens- en streefwaarden die in luchtkwaliteitszones van toepassing zijn. Met het oog op het beleid inzake schone lucht op EU-niveau moeten de lidstaten de Commissie snel op de hoogte brengen als zij luchtkwaliteitsnormen invoeren die strenger zijn dan de EU-normen.
Artikel 14 wordt ingekort, aangezien de voorschriften voor bemonsteringspunten dezelfde zijn als die van artikel 7.
De inhoud van verschillende artikelen (de oude artikelen 15 tot en met 18 van Richtlijn 2008/50/EG) inzake luchtkwaliteitsnormen en de daarmee verband houdende eisen betreffende fijne zwevende deeltjes (PM2,5) en ozon (O3) is geïntegreerd in de normen voor andere verontreinigende stoffen in de artikelen 12, 13 en 23, en de voorschriften inzake bemonsteringspunten zijn geïntegreerd in artikel 7.
Artikel 15 voorziet naast de bestaande alarmdrempels voor stikstofdioxide (NO2) en zwaveldioxide (SO2) ook in alarmdrempels voor kortetermijnmaatregelen in geval van piekverontreiniging door zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), aangezien verontreiniging door zwevende deeltjes grote gevolgen voor de gezondheid heeft.
Bij artikel 16 worden de regels inzake het aftrekken van bijdragen van natuurlijke bronnen aan overschrijdingen van de luchtkwaliteitsnormen uitgebreid tot overschrijdingen van de gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichtingen. Uit natuurlijke bronnen afkomstige luchtverontreiniging, zoals stof uit de Sahara, kan niet worden beïnvloed door het beheer van de luchtkwaliteit. Daarom waarborgen de artikelen 19 en 20 dat overschrijdingen van de luchtkwaliteitsnormen als gevolg van deze bronnen niet worden beschouwd als niet-naleving van de luchtkwaliteitsnormen, met inbegrip van de gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichtingen, en geen luchtkwaliteitsplannen vereisen.
Artikel 17 betreffende het buiten beschouwing laten van het strooien van zand en zout op de wegen in de winter wordt uitgebreid tot fijne zwevende deeltjes (PM2,5). Het strooien van zand en zout in de winter is belangrijk voor de verkeersveiligheid, hoewel de opwerveling van deeltjes ten gevolge van deze maatregelen ook kan bijdragen tot luchtverontreiniging met zwevende deeltjes van verschillende grootte. Overschrijdingen van de luchtkwaliteitsnormen die alleen aan deze bronnen toe te schrijven zijn, zullen niet leiden tot de verplichting om luchtkwaliteitsplannen op te stellen uit hoofde van artikel 19.
Artikel 18 betreffende het uitstellen van de nalevingstermijnen met betrekking tot de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) bevat aanvullende voorwaarden voor dit uitstel om de efficiëntie te vergroten van de maatregelen inzake luchtkwaliteit die worden genomen om aan de grenswaarden te voldoen. In luchtkwaliteitsplannen moet bijvoorbeeld worden aangegeven hoe extra financiering zal worden gezocht om sneller aan de voorschriften te kunnen voldoen en hoe het publiek zal worden geïnformeerd over de gevolgen van het uitstel voor de gezondheid van de mens en het milieu. Bovendien zal het alleen mogelijk zijn om het bereiken van een grenswaarde uit te stellen als gedurende ten minste drie jaar vóór het begin van het uitstel aan de gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichting voor de desbetreffende luchtverontreinigende stof is voldaan. Dit moet ervoor zorgen dat uitstel alleen wordt toegestaan in geval van plaatselijke overschrijdingen van grenswaarden als gevolg van locatiespecifieke omstandigheden en niet zal worden gebruikt om lokale, regionale of nationale luchtkwaliteitsmaatregelen uit te stellen.
Artikel 19 verhoogt de doeltreffendheid van luchtkwaliteitsplannen om ervoor te zorgen dat de luchtkwaliteitsnormen zo spoedig mogelijk worden nageleefd. Dit zal worden bereikt door a) te eisen dat er luchtkwaliteitsplannen worden opgesteld voordat de luchtkwaliteitsnormen in werking treden in gevallen van niet-naleving vóór 2030, b) te specificeren dat de luchtkwaliteitsplannen erop gericht moeten zijn de periode van overschrijding zo kort mogelijk te houden, en in ieder geval niet langer dan drie jaar voor grenswaarden, en c) regelmatige bijwerkingen van de luchtkwaliteitsplannen te verplichten indien geen naleving wordt bereikt.
Het opstellen van een luchtkwaliteitsplan wordt verplicht wanneer de grenswaarden of de streefwaarde voor ozon worden overschreden of niet aan de gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichtingen wordt voldaan. De plannen zullen ook vereist zijn wanneer wordt verwacht dat deze normen zullen worden overschreden. Dit zal ervoor helpen zorgen dat perioden van overschrijding zo kort mogelijk worden gehouden. Het zal ook synergieën bevorderen tussen het beheer van verschillende luchtverontreinigende stoffen en tussen maatregelen om verschillende normen te bereiken. Maatregelen om aan de gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichting voor fijne zwevende deeltjes (PM2,5) te voldoen, zullen bijvoorbeeld ook helpen om de grenswaarde voor PM2,5 te bereiken.
Een laatste wijziging vereist dat in de luchtkwaliteitsplannen het risico op overschrijding van de alarmdrempels wordt geanalyseerd. Dit zal leiden tot een grotere integratie van kortetermijnactieplannen — die vereist zijn om overschrijdingen van alarmdrempels aan te pakken — met actieplannen voor de langere termijn, waardoor middelen worden uitgespaard en de getroffen maatregelen worden verbeterd.
Op grond van artikel 20 moeten de lidstaten aantonen waarom een kortetermijnactieplan niet doeltreffend zou zijn indien zij besluiten er geen aan te nemen ondanks het risico dat de alarmdrempel voor ozon wordt overschreden. In het artikel wordt ook een openbare raadpleging over kortetermijnactieplannen verplicht gesteld om ervoor te zorgen dat bij het opstellen ervan met alle relevante informatie rekening wordt gehouden.
Artikel 21 verduidelijkt en versterkt de regelingen voor samenwerking tussen de lidstaten bij het aanpakken van inbreuken op luchtkwaliteitsnormen als gevolg van grensoverschrijdende luchtverontreiniging, waarbij met name een snelle uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en met de Commissie vereist is.
Artikel 22 verbetert de publieke bewustwording van luchtverontreiniging door de lidstaten te verplichten een luchtkwaliteitsindex vast te stellen die elk uur wordt bijgewerkt met betrekking tot de schadelijkste luchtverontreinigende stoffen.
In artikel 23 is bepaald dat de Commissie uitvoeringshandelingen zal vaststellen inzake de rapportage betreffende de gegevens over en het beheer van de luchtkwaliteit. Deze uitvoeringshandelingen zullen in overeenstemming worden gebracht met de herziene richtlijn.
Artikel 27 bevat gedetailleerde bepalingen om de toegang tot de rechter te waarborgen wat de uitvoering van deze richtlijn betreft, bijvoorbeeld wanneer geen luchtkwaliteitsplan is opgesteld hoewel er relevante luchtkwaliteitsnormen worden overschreden.
Artikel 28 heeft tot doel te voorzien in een effectief recht op vergoeding van schade aan de gezondheid die geheel of gedeeltelijk het gevolg is van een schending van de voorschriften inzake grenswaarden, luchtkwaliteitsplannen, kortetermijnactieplannen of grensoverschrijdende verontreiniging. De getroffen personen hebben het recht om schadevergoeding te vorderen en te verkrijgen. Dit omvat de mogelijkheid van collectieve acties.
Artikel 29 wordt gewijzigd om te verduidelijken hoe de lidstaten doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties moeten vaststellen voor degenen die de in de lidstaat ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde maatregelen schenden, met inbegrip van afschrikkende financiële sancties, onverminderd Richtlijn 2008/99/EG inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht.
In bijlage I, in samenhang met de artikelen 13 en 15, worden luchtkwaliteitsnormen voor verschillende verontreinigende stoffen samengebracht en wordt het volgende vastgesteld: a) nieuwe grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens; b) bijgewerkte streefwaarden voor ozon en langetermijndoelstellingen; c) nieuwe alarmdrempels voor zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5); en d) gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichtingen voor fijne zwevende deeltjes (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) om een gemiddeldeblootstellingsconcentratieverplichting op het door de WHO aanbevolen niveau te bereiken.
Bijlage II bevat de beoordelingsdrempels voor de monitoring en modellering van de luchtkwaliteit.
Bijlage III, in samenhang met artikel 9, vereenvoudigt de criteria voor het bepalen van het minimumaantal bemonsteringspunten voor vaste metingen en bundelt deze criteria voor alle luchtverontreinigende stoffen waarvoor verschillende luchtkwaliteitsnormen gelden (grenswaarden, streefwaarde voor ozon, gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichtingen, alarmdrempels en kritieke niveaus).
Bijlage IV bevat criteria voor de locatie van bemonsteringspunten voor alle luchtverontreinigende stoffen waarvoor verschillende luchtkwaliteitsnormen gelden.
In bijlage V worden de eisen inzake gegevenskwaliteit en onzekerheid voor vaste en indicatieve luchtkwaliteitsmetingen, modellering en objectieve ramingen bijgewerkt en aangescherpt om een nauwkeurige beoordeling te waarborgen in het licht van de strengere luchtkwaliteitsnormen die worden voorgesteld en de technische vooruitgang die sinds de vaststelling van de bestaande richtlijnen is geboekt.
In bijlage VI worden de regels voor de methoden bijgewerkt, die moeten worden gebruikt voor de beoordeling van de concentraties van verschillende verontreinigende stoffen in de lucht en voor de beoordeling van de snelheid waarmee bepaalde verontreinigende stoffen in ecosystemen terechtkomen.
Bijlage VII voert de monitoring van ultrafijne deeltjes in op locaties waar hoge concentraties ultrafijne deeltjes waarschijnlijk zijn, zoals op of in de nabijheid van luchthavens, havens, wegen, industrieterreinen of huishoudelijke verwarmingsinstallaties. Samen met de informatie die wordt verkregen door de monitoring van de achtergrondconcentraties van ultrafijne deeltjes op monitoringsupersites uit hoofde van artikel 10 zal dit helpen om inzicht te krijgen in de bijdrage van verschillende bronnen aan concentraties van ultrafijne deeltjes. In bijlage VII wordt ook de lijst van vluchtige organische stoffen bijgewerkt, waarvoor metingen worden aanbevolen die tot doel hebben het inzicht in de vorming en het beheer van ozon te verbeteren.
Bijlage VIII, in samenhang met artikel 19, bundelt eisen voor luchtkwaliteitsplannen die betrekking hebben op overschrijdingen van grenswaarden, de streefwaarde voor ozon en gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichtingen. Het stroomlijnen van deze eisen zal synergieën bevorderen tussen het beheer van verschillende luchtverontreinigende stoffen en het bereiken van verschillende luchtkwaliteitsnormen. In bijlage VIII wordt ook bepaald dat de luchtkwaliteitsplannen een nauwkeurigere analyse moeten bevatten van de verwachte effecten van luchtkwaliteitsmaatregelen. Dit zal helpen om de luchtkwaliteitsplannen doeltreffender te maken.
Bijlage IX versterkt de informatie over de luchtkwaliteit die aan het publiek moet worden verstrekt, met inbegrip van verplichte uurlijkse bijwerkingen voor vaste metingen van belangrijke luchtverontreinigende stoffen, alsmede actuele modelleringsresultaten indien deze beschikbaar zijn.
🡻 2008/50 (aangepast)
2022/0347 (COD)
Voorstel voor een
RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa
(herschikking)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op ⌦ Gezien ⌫ het Verdrag ⌦ betreffende de werking van de Europese Unie ⌫ tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel ⌦ 192 ⌫ 175,
Gezien het voorstel van de ⌦ Europese ⌫ Commissie,
⌦ Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, ⌫
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,
Gezien het advies van het Comité van de Regio’s,
Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag ⌦ gewone wetgevingsprocedure ⌫,
Overwegende hetgeen volgt:
⇩ nieuw
(1)Richtlijn 2004/107/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad zijn ingrijpend gewijzigd. Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van die richtlijnen te worden overgegaan.
(2)In december 2019 heeft de Europese Commissie in haar mededeling “De Europese Green Deal” een ambitieuze routekaart beschreven om de Unie om te vormen tot een rechtvaardige en welvarende samenleving met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, met als doel het natuurlijk kapitaal van de Unie te beschermen, te behouden en te verbeteren, en de gezondheid en het welzijn van de burgers te beschermen tegen milieugerelateerde risico’s en effecten. Met name op het gebied van schone lucht bevat de Europese Green Deal verbintenissen om de luchtkwaliteit verder te verbeteren en de luchtkwaliteitsnormen van de EU beter op de aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) af te stemmen. In de Europese Green Deal is ook een aanscherping van de bepalingen inzake monitoring, modellering en planning op het gebied van luchtkwaliteit aangekondigd.
(3)In mei 2021 heeft de Commissie een mededeling vastgesteld die voorziet in een actieplan om de verontreiniging tot nul terug te brengen, waarin onder meer de verontreinigingsaspecten van de Europese Green Deal aan bod komen en dat de ook verbintenis bevat om de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging tegen 2030 met meer dan 55 % te verminderen en de ecosystemen in de EU waar luchtverontreiniging de biodiversiteit bedreigt met 25 % te verminderen.
(4)Het actieplan om de verontreiniging tot nul terug te brengen bevat ook een visie voor het jaar 2050, waarin de luchtverontreiniging wordt teruggebracht tot niveaus die niet langer als schadelijk voor de gezondheid en de natuurlijke ecosystemen worden beschouwd. Daartoe moet een gefaseerde aanpak worden gevolgd om de huidige en toekomstige luchtkwaliteitsnormen van de EU vast te stellen, waarbij tussentijdse luchtkwaliteitsnormen voor het jaar 2030 en daarna worden vastgesteld en een perspectief wordt ontwikkeld om de luchtkwaliteitsnormen van de EU uiterlijk in 2050 in overeenstemming met de richtsnoeren inzake luchtkwaliteit van de WHO te brengen op basis van een mechanisme voor regelmatige evaluatie om rekening te houden met de meest recente wetenschappelijke inzichten. Gezien het verband tussen het terugdringen van verontreiniging en decarbonisatie, moet de langetermijndoelstelling om de verontreiniging tot nul terug te dringen worden nagestreefd in combinatie met een vermindering van de broeikasgasemissies zoals vastgesteld in Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad.
(5)Bij het nemen van de relevante maatregelen op het niveau van de Unie en op nationaal niveau ter verwezenlijking van de doelstelling om de luchtverontreiniging tot nul terug te brengen, moeten de lidstaten, het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zich laten leiden door het voorzorgsbeginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt, zoals vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en het niet-schadenbeginsel van de Europese Green Deal. Zij moeten onder meer rekening houden met: de bijdrage van een betere luchtkwaliteit aan de volksgezondheid, de kwaliteit van het milieu, het welzijn van de burgers, de welvaart van de samenleving, de werkgelegenheid en het concurrentievermogen van de economie; de energietransitie, een grotere energiezekerheid en het aanpakken van energiearmoede; voedselzekerheid en de betaalbaarheid van levensmiddelen; de ontwikkeling van duurzame en slimme mobiliteits- en vervoersoplossingen; het effect van gedragsveranderingen; een rechtvaardige verdeling en solidariteit tussen de lidstaten, in het licht van hun economische draagkracht, nationale omstandigheden, zoals de specifieke kenmerken van eilanden, en de noodzaak om in de loop der tijd te convergeren; de noodzaak om de transitie billijk en sociaal rechtvaardig te maken door middel van passende onderwijs- en opleidingsprogramma’s; de beste beschikbare en meest recente wetenschappelijke gegevens, met name de bevindingen van de WHO; de noodzaak om bij het nemen van beslissingen over investeringen en planning rekening te houden met de risico’s in verband met luchtverontreiniging; de kosteneffectiviteit en technologische neutraliteit bij het terugdringen van emissies van luchtverontreinigende stoffen, en de evolutie op het gebied van milieu-integriteit en het ambitieniveau.
(6)In het achtste algemene milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2030, dat op 6 april 2022 bij Besluit (EU) 2022/591 van het Europees Parlement en de Raad is vastgesteld, wordt de doelstelling vastgesteld om een gifvrij milieu tot stand te brengen dat de gezondheid en het welzijn van mensen, dieren en ecosystemen beschermt tegen milieugerelateerde risico’s en negatieve effecten, en wordt daartoe bepaald dat de monitoringmethoden, de voorlichting van het publiek en de toegang tot de rechter verder moeten worden verbeterd. Dit vormt de leidraad voor de doelstellingen van deze richtlijn.
(7)De Commissie moet het wetenschappelijk bewijs met betrekking tot verontreinigende stoffen, de gevolgen daarvan voor de gezondheid van de mens en het milieu en de technologische ontwikkeling regelmatig evalueren. Op basis van die evaluatie moet de Commissie beoordelen of de toepasselijke luchtkwaliteitsnormen nog steeds geschikt zijn om de doelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken. De eerste evaluatie om te beoordelen of de luchtkwaliteitsnormen op basis van de meest recente wetenschappelijke informatie moeten worden bijgewerkt, moet uiterlijk op 31.12.2028 worden voltooid.
🡻 2008/50 overweging 5
(8)Bij de beoordeling van de luchtkwaliteit dient een gemeenschappelijke aanpak op basis van gemeenschappelijke beoordelingscriteria te worden gevolgd. Bij de beoordeling van de luchtkwaliteit dient rekening te worden gehouden met de omvang van de aan luchtverontreiniging blootgestelde bevolkingsgroepen en ecosystemen. Het is derhalve dienstig het grondgebied van elke lidstaat in te delen in zones of agglomeraties op basis van de bevolkingsdichtheid.
🡻 2008/50 overweging 14 (aangepast)
⇨ nieuw
(9)Vaste metingen dienen verplicht te zijn in zones en agglomeraties waar de langetermijndoelstellingen voor ozon of de beoordelingsdrempels voor andere verontreinigende stoffen worden overschreden. Informatie die afkomstig is van vaste metingen kan worden aangevuld met modelleringstechnieken en/of indicatieve metingen waarmee ⌦ Modelleringsapplicaties en indicatieve metingen, als aanvulling op gegevens van vaste metingen, maken het mogelijk om ⌫ puntgegevens kunnen worden geïnterpreteerd ⌦ te interpreteren ⌫ in termen van geografische spreiding van concentraties. Door het gebruik van ⌦ die ⌫ aanvullende beoordelingstechnieken, zou het ook mogelijk moeten zijn het vereiste minimumaantal vaste bemonsteringspunten te verminderen. ⇨ in zones waar de beoordelingsdrempels niet worden overschreden. In zones waar grenswaarden of streefwaarden worden overschreden, moeten zowel vaste metingen als het gebruik van modelleringsapplicaties verplicht zijn. Er moet ook aanvullende monitoring van achtergrondconcentraties en de depositie van verontreinigende stoffen in de lucht worden verricht om een beter inzicht in de verontreinigingsniveaus en dispersie mogelijk te maken. ⇦
🡻 2008/50 overweging 6 (aangepast)
⇨ nieuw
(10)Waar mogelijk ⌦ Er ⌫ moet gebruik worden gemaakt van modellen ⌦ modelleringsapplicaties ⌫, zodat de puntgegevens kunnen worden geïnterpreteerd in termen van de geografische spreiding van de concentratie ⇨ , teneinde inbreuken op de luchtkwaliteitsnormen te kunnen opsporen en input te leveren voor het opstellen van luchtkwaliteitsplannen en het bepalen van de locatie van bemonsteringspunten ⇦. Dit kan de basis vormen voor de berekening van de collectieve blootstelling van de bevolking van het gebied. ⇨ Naast de in deze richtlijn vastgestelde eisen voor de monitoring van de luchtkwaliteit, worden de lidstaten aangemoedigd om voor monitoringdoeleinden gebruik te maken van de informatieproducten en aanvullende instrumenten (bv. regelmatige evaluatie- en kwaliteitsbeoordelingsverslagen, online beleidstoepassingen) die worden verstrekt door de aardobservatiecomponent van het ruimtevaartprogramma van de EU, met name de atmosfeermonitoringdienst van Copernicus (CAMS). ⇦
⇩ nieuw
(11)Het is belangrijk dat verontreinigende stoffen waarover de bezorgdheid toeneemt, zoals ultrafijne deeltjes, zwarte koolstof en elementair koolstof, alsook ammoniak en het oxidatiepotentieel van zwevende deeltjes, worden gemonitord om het wetenschappelijke inzicht in de gevolgen ervan voor de gezondheid en het milieu te ondersteunen, zoals aanbevolen door de WHO.
🡻 2008/50 overweging 8 (aangepast)
⇨ nieuw
(12)Gedetailleerde metingen van fijne zwevende deeltjes op ⌦ plattelands ⌫achtergrondlocaties op het platteland dienen te worden uitgevoerd met het oog op een beter begrip van de gevolgen van deze verontreinigende stof en ter ontwikkeling van een passend beleid. Deze metingen dienen te worden uitgevoerd op een wijze die consistent is met die van het Samenwerkingsprogramma voor de bewaking en evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa (EMEP), tot stand gekomen op basis van het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand van 1979 ⌦ van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (VN/ECE) ⌫, dat de Raad heeft goedgekeurd bij Besluit 81/462/EEG van 11 juni 1981 ⇨ , en de protocollen daarbij, waaronder het Protocol inzake vermindering van verzuring, eutrofiëring en ozon op leefniveau van 1999, dat in 2012 is herzien ⇦.
🡻 2008/50 overweging 7 (aangepast)
(13)Ter verzekering dat de verzamelde gegevens over luchtverontreiniging voldoende representatief en over de hele ⌦ Unie ⌫ Gemeenschap vergelijkbaar zijn, is het van belang dat bij de beoordeling van de luchtkwaliteit gestandaardiseerde meettechnieken en gemeenschappelijke criteria met betrekking tot het aantal en de plaats van de meetstations worden toegepast. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit kunnen andere technieken dan meting worden toegepast, en het is daarom noodzakelijk dat criteria voor de toepassing en de vereiste nauwkeurigheid van die technieken worden vastgesteld.
🡻 2004/107 overweging 12
⇨ nieuw
(14)Met het oog op het verkrijgen van voor de hele Gemeenschap vergelijkbare gegevens spelen gestandaardiseerde nauwkeurige meettechnieken en gemeenschappelijke criteria voor de plaatsing van meetstations een belangrijke rol bij de beoordeling van de luchtkwaliteit. Het verstrekken van referentiemethodes voor metingen wordt als belangrijk erkend. Met het oog op een snelle ontwikkeling en aanneming daarvan heeft de Commissie al opdracht gegeven voor werkzaamheden ter voorbereiding van CEN-standaarden voor de meting van ⇨ polycyclische aromatische koolwaterstoffen en voor de evaluatie van de prestaties van sensorsystemen voor de bepaling van de concentraties van gasvormige verontreinigende stoffen en zwevende deeltjes in de lucht ⇦ de in lucht voorkomende stoffen waarvoor streefwaarden zijn vastgesteld (arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen) en voor de depositie van zware metalen. Zolang er geen door de CEN gestandaardiseerde methode is, kunnen internationale of nationale standaardreferentiemethoden voor metingen worden gebruikt.
🡻 2008/50 overweging 2 (aangepast)
⇨ nieuw
(15)Ter bescherming van de menselijke gezondheid ⌦ van de mens ⌫ en het milieu als geheel, is het van bijzonder belang dat de uitstoot van verontreinigende stoffen bij de bron wordt bestreden en dat op lokaal, nationaal en communautair ⌦ Unie ⌫niveau wordt bepaald wat de beste uitstootverminderende maatregelen vervolgens zijn, en dat deze maatregelen worden uitgevoerd ⇨ , met name wat de uitstoot door landbouw, industrie, transport en energieopwekking betreft ⇦. Daarom dient de uitstoot van schadelijke luchtverontreinigende stoffen te worden vermeden, voorkomen of verminderd en dienen passende ⇨ normen ⇦ doelstellingen inzake de luchtkwaliteit te worden vastgesteld, rekening gehouden met de toepasselijke normen, richtsnoeren en programma’s van de Wereldgezondheidsorganisatie.
🡻 2004/107 overweging 3 (aangepast)
⇨ nieuw
(16)Wetenschappelijk bewijsmateriaal toont aan dat ⇨ zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes, lood, benzeen, koolmonoxide, ⇦ arseen, cadmium, nikkel, en bepaalde polycyclische aromatische koolwaterstoffen ⇨ en ozon verantwoordelijk zijn voor ernstige negatieve effecten op ⇦ genotoxische carcinogenen voor de mens zijn en dat er geen drempel kan worden vastgesteld, waaronder deze stoffen geen risico voor de gezondheid van de mens vormen. De beïnvloeding van de menselijke gezondheid ⌦ van de mens ⌫ en het milieu vindt plaats via concentraties in de lucht en via depositie. Met het oog op de kosteneffectiviteit kunnen in bepaalde gebieden geen luchtconcentraties van arseen, cadmium, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen worden bereikt, die geen aanmerkelijk risico voor de gezondheid van de mens vormen.
🡻 2004/107 overweging 11 (aangepast)
⇨ nieuw
(17)Omdat de gevolgen van ⇨ lood, ⇦ arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen voor de gezondheid van de mens, onder meer door opname via de voedselketen, en voor het milieu in zijn geheel ⌦ ook ⌫ waarneembaar zijn door concentraties in de lucht en deposities, dient rekening te worden gehouden met de accumulatie van deze stoffen in de bodem en met de bescherming van het grondwater. De Commissie en de lidstaten dienen met het oog op de herziening van de onderhavige richtlijn in 2010 te overwegen om onderzoek naar de gevolgen van arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu, in het bijzonder via depositie, te bevorderen.
⇩ nieuw
(18)De gemiddelde blootstelling van de bevolking aan de verontreinigende stoffen met de grootste gedocumenteerde gevolgen voor de gezondheid van de mens, namelijk fijne zwevende deeltjes (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2), moet op basis van de aanbevelingen van de WHO worden verminderd. Daartoe moet voor deze verontreinigende stoffen, naast grenswaarden, een gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichting worden ingevoerd.
🡻 2004/107 overweging 4 (aangepast)
⇨ nieuw
(19)⇨ Uit de geschiktheidscontrole van de richtlijnen inzake luchtkwaliteit (Richtlijnen 2004/107/EG en 2008/50/EG) is gebleken dat grenswaarden doeltreffender zijn om de concentraties van verontreinigende stoffen te verlagen dan streefwaarden. ⇦ Om de schadelijke gevolgen van door de lucht getransporteerd arseen, cadmium, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen voor de gezondheid van de mens, met name de gezondheid van kwetsbare bevolkingsgroepen ⇨ en gevoelige bevolkingsgroepen ⇦, en voor het milieu in zijn geheel zo beperkt mogelijk te houden, worden streef ⌦ moeten ⌫ ⇨ grens ⇦waarden ⌦ worden ⌫ bepaald ⇨ voor de concentratie van zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes, lood, benzeen, koolmonoxide, arseen, cadmium, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht ⇦ die zoveel mogelijk moeten worden bereikt. Benzo(a)pyreen dient te worden gebruikt als marker voor het carcinogene risico van polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht.
⇩ nieuw
(20)Om de lidstaten in staat te stellen zich voor te bereiden op de bij deze richtlijn vastgestelde herziene luchtkwaliteitsnormen en om de juridische continuïteit te waarborgen, moeten de grenswaarden gedurende een overgangsperiode gelijk zijn aan die welke in de ingetrokken richtlijnen zijn vastgesteld, totdat de nieuwe grenswaarden van toepassing worden.
🡻 2008/50 overweging 13 (aangepast)
⇨ nieuw
(21)Ozon is een grensoverschrijdende verontreinigende stof, die in de atmosfeer wordt gevormd door de uitstoot van de primaire verontreinigende stoffen waarop Richtlijn 2016/2284/EU2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen
betrekking heeft. De vooruitgang ten opzichte van de in deze richtlijn vastgestelde luchtkwaliteitsstreefwaarden en langetermijndoelstellingen voor ozon dient te worden bepaald in het licht van de in Richtlijn 2016/2284/EU2001/81/EG vastgestelde streefwaarden en emissie⇨ reductieverbintenissen ⇦plafonds en , indien nodig, middels de uitvoering van ⇨ kosteneffectieve maatregelen en ⇦ luchtkwaliteitsplannen, zoals vervat in deze richtlijn.
🡻 2008/50 overweging 12 (aangepast)
⇨ nieuw
(22)De bestaande streefwaarden ⇨ voor ozon ⇦ en langetermijndoelstellingen ter garantie van een doeltreffende bescherming tegen schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid ⌦ van de mens ⌫, de vegetatie en de ecosystemen door blootstelling aan ozon, dienen ongewijzigd te blijven ⇨ moeten worden bijgewerkt in het licht van de meest recente aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie ⇦.
(23)Een alarmdrempel ⇨ voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5) en ozon ⇦ en een informatiedrempel voor ozon dienen te worden vastgesteld ter bescherming van de gehele bevolking en ⇨ kwetsbare en ⇦ gevoelige groepen daarvan tegen kortstondige blootstelling aan hoge ozonconcentraties. Het bereiken van die drempelwaarden moet het signaal vormen voor de mededeling aan de bevolking van gegevens over het blootstellingsrisico en de tenuitvoerlegging, indien passend, van kortetermijnmaatregelen om het ozonniveau ⇨ de verontreinigingsniveaus ⇦ te verminderen waar de alarmdrempel is overschreden.
🡻 2004/107 overweging 7 (aangepast)
(24)Overeenkomstig artikel ⌦ 193 ⌫ 176 van het Verdrag kunnen de lidstaten verdergaande beschermingsmaatregelen met betrekking tot arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen handhaven of treffen, mits deze verenigbaar zijn met het Verdrag en aan de Commissie kenbaar worden gemaakt.
🡻 2008/50 overweging 9
⇨ nieuw
(25)De toestand van de luchtkwaliteit dient te worden gehandhaafd, waar deze reeds goed is, of verbeterd. Wanneer de ⇨ normen ⇦ doelstellingen voor luchtkwaliteit van deze richtlijn niet worden gehaald ⇨ niet gehaald dreigen te worden, of niet zijn gehaald, ⇦, dienen de lidstaten ⇨ onmiddellijk ⇦ maatregelen te nemen, teneinde te voldoen aan de grenswaarden ⇨ , gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichtingen ⇦ en kritische niveaus en, waar mogelijk, de streefwaarden ⇨voor ozon⇦ en langetermijndoelstellingen te halen.
🡻 2004/107 overweging 9 (aangepast)
(26)Kwik is een voor de menselijke gezondheid ⌦ van de mens ⌫ en het milieu zeer gevaarlijke stof. Het is overal in het milieu aanwezig en in de vorm van methylkwik kan het zich in organismen opstapelen en zich in het bijzonder concentreren in organismen die zich hoger in de voedselketen bevinden. In de atmosfeer vrijgekomen kwik kan over lange afstanden worden getransporteerd.
🡻 2004/107 overweging 10 (aangepast)
⇨ nieuw
(27)De Commissie is voornemens om in 2005 een samenhangende strategie te presenteren met maatregelen die ⌦ Verordening 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad heeft tot doel ⌫ de gezondheid van de mens en het milieu moeten ⌦ te ⌫ beschermen tegen het vrijkomen van kwik, welke zal gebaseerd zijn op ⌦ basis van ⌫ een levenscyclus-benadering, met aandacht voor de productie, het gebruik, de afvalbehandeling en de uitstoot. In dit verband dient de Commissie alle passende maatregelen te overwegen waardoor de hoeveelheid kwik in terrestrische en aquatische ecosystemen, en bijgevolg ook de ingestie van kwik via voedingsmiddelen, kan worden verminderd en de aanwezigheid van kwik in bepaalde producten kan worden vermeden. ⇨ De bepalingen inzake de monitoring van kwik in deze richtlijn vormen een aanvulling op en input voor die verordening. ⇦
🡻 2008/50 overweging 10
⇨ nieuw
(28)Het risico dat luchtverontreiniging vormt voor de vegetatie en de natuurlijke ecosystemen is het belangrijkst op plaatsen die op afstand van stedelijke gebieden zijn gelegen. De vaststelling van deze risico’s en van de naleving van de kritische niveaus ter bescherming van de vegetatie dient daarom geconcentreerd te worden op plaatsen die op afstand van bebouwde gebieden zijn gelegen. ⇨ Deze beoordeling moet rekening houden met en een aanvulling vormen op de voorschriften van Richtlijn (EU) 2016/2284 om de effecten van luchtverontreiniging op terrestrische en aquatische ecosystemen te monitoren en dergelijke effecten te rapporteren. ⇦
🡻 2008/50 overweging 15
⇨ nieuw
(29)Bijdragen uit natuurlijke bronnen kunnen worden beoordeeld, maar kunnen niet worden beheerst. Indien natuurlijke bijdragen aan verontreinigende stoffen in de lucht met voldoende nauwkeurigheid kunnen worden bepaald, en indien overschrijdingen geheel of gedeeltelijk te wijten zijn aan deze natuurlijke bijdragen, mogen ze, wanneer wordt beoordeeld of de grenswaarden voor de luchtkwaliteit ⇨ en de gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichtingen ⇦ worden nageleefd, onder de in deze richtlijn beschreven voorwaarden, buiten beschouwing worden gelaten. Overschrijdingen van grenswaarden van zwevende deeltjes PM10 die toe te schrijven zijn aan het strooien van zand of zout op de wegen in de winter kunnen, wanneer wordt beoordeeld of de grenswaarden voor de luchtkwaliteit worden nageleefd, ook buiten beschouwing worden gelaten, op voorwaarde dat er redelijke maatregelen zijn getroffen om de concentraties te verlagen.
🡻 2008/50 overweging 16
(30)Voor zones en agglomeraties met bijzonder moeilijke omstandigheden moet het mogelijk zijn de nalevingstermijn voor de grenswaarden voor de luchtkwaliteit op te schorten in gevallen waarin zich, ondanks de tenuitvoerlegging van passende maatregelen ter bestrijding van de verontreiniging, in specifieke zones en agglomeraties acute nalevingsproblemen voordoen. Elke opschorting voor een bepaalde zone of agglomeratie dient vergezeld te gaan van een door de Commissie te beoordelen uitvoerig plan dat de naleving tegen het einde van de herziene nalevingstermijn garandeert. Het bestaan van de nodige communautaire maatregelen die het in de Thematische Strategie ter vermindering van emissies aan de bron gekozen streefniveau weerspiegelen is van belang voor een doeltreffende uitstootvermindering binnen het tijdskader dat in deze richtlijn wordt vastgesteld in verband met de naleving van de grenswaarden en er moet rekening mee worden gehouden bij de beoordeling van verzoeken tot uitstel van de nalevingstermijnen.
🡻 2008/50 overweging 18
⇨ nieuw
(31)Er dienen luchtkwaliteitsplannen te worden ontwikkeld ⇨ en bijgewerkt ⇦ voor zones en agglomeraties waar de concentraties van verontreinigde stoffen in de lucht de geldende streefwaarden voor luchtkwaliteit of grenswaarden ⇨ voor de luchtkwaliteit, streefwaarden voor ozon of gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichtingen ⇦ , verhoogd met tijdelijke overschrijdingsmarges, overschrijden. Stoffen die de lucht verontreinigen komen uit allerlei bronnen en activiteiten. Ter garantie van een goede samenhang tussen de diverse beleidslijnen dienen deze luchtkwaliteitsplannen, waar mogelijk, samenhangend te zijn en te worden geïntegreerd met de plannen en programma’s die zijn voorbereid krachtens Richtlijn 2010/75/EU 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties
, Richtlijn (EU) 2016/2284Richtlijn 2001/81/EG en Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai
. Er zal tevens terdege rekening worden gehouden met de doelstellingen voor de luchtkwaliteit in deze richtlijn wanneer vergunningen voor industriële activiteiten worden verleend ingevolge Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging
.
⇩ nieuw
(32)Wanneer het risico bestaat dat lidstaten de grenswaarden of de streefwaarde voor ozon in 2030 niet zullen hebben bereikt, moeten er ook vóór 2030 luchtkwaliteitsplannen worden opgesteld om ervoor te zorgen dat de niveaus van verontreinigende stoffen dienovereenkomstig worden verlaagd.
🡻 2008/50 overweging 19
⇨ nieuw
(33)Er moeten actieplannen worden opgesteld die de maatregelen aangeven die op korte termijn dienen te worden genomen wanneer er gevaar bestaat voor overschrijding van één of meer alarmdrempels, teneinde dat gevaar te verkleinen en de duur van een dergelijk voorval te beperken. Wanneer dit gevaar bestaat voor één of meer grens- of streefwaarden kunnen de lidstaten, zo nodig, actieplannen voor de korte termijn opstellen. Wat ozon betreft, moeten deze kortetermijnactieplannen rekening houden met Beschikking 2004/279/EG van de Commissie van 19 maart 2004 betreffende een leidraad voor de uitvoering van Richtlijn 2002/3/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende ozon in de lucht.
🡻 2008/50 overweging 20
⇨ nieuw
(34)De lidstaten dienen elkaar te raadplegen ⇨ samen te werken ⇦wanneer het niveau van een verontreinigende stof ten gevolge van aanzienlijke verontreiniging die in een andere lidstaat haar oorsprong vindt, de eventueel met de overschrijdingsmarge verhoogde, toepasselijke luchtkwaliteitsdoelstellingen ⇨ een grenswaarde, streefwaarde voor ozon, gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichting ⇦ of, naar gelang van het geval, de alarmdrempel overschrijdt of waarschijnlijk zal overschrijden. De grensoverschrijdende aard van specifieke verontreinigende stoffen, zoals ozon en zwevende deeltjes, kan van naburige lidstaten een zekere mate van coördinatie vergen bij het opstellen en uitvoeren van luchtkwaliteitsplannen en kortetermijnactieplannen en bij het inlichten van de bevolking. De betrokken lidstaten dienen zo nodig te streven naar samenwerking met derde landen, met een bijzondere klemtoon op vroegtijdige participatie van kandidaat-lidstaten. ⇨ De Commissie moet tijdig op de hoogte worden gebracht van en worden uitgenodigd om bijstand te verlenen bij een dergelijke samenwerking. ⇦
🡻 2008/50 overweging 21
⇨ nieuw
(35)Het is noodzakelijk dat de lidstaten en de Commissie gegevens over de luchtkwaliteit verzamelen, uitwisselen en verspreiden om een beter inzicht te verkrijgen in de gevolgen van de luchtverontreiniging en om een passend beleid te ontwikkelen. Ook dient het publiek gemakkelijk te kunnen beschikken over bijgewerkte gegevens over de concentraties van alle gereguleerde verontreinigende stoffen in de lucht ⇨ alsook over luchtkwaliteitsplannen en kortetermijnactieplannen ⇦.
🡻 2008/50 overweging 22
⇨ nieuw
(36)⇨ Als basis voor een regelmatige verslaglegging moeten bij de Commissie gegevens over de concentraties en depositie van de gereguleerde verontreinigende stoffen worden ingediend. ⇦ Om de verwerking en vergelijking van gegevens over de luchtkwaliteit te vergemakkelijken, dienen de gegevens in gestandaardiseerde vorm aan de Commissie te worden verstrekt.
🡻 2008/50 overweging 23
(37)Het is noodzakelijk de procedures voor de gegevensverstrekking, de beoordeling en het doen van verslagen over de luchtkwaliteit aan te passen, zodat elektronische hulpmiddelen en het internet als de belangrijkste instrumenten voor de terbeschikkingstelling van gegevens kunnen worden gebruikt en deze procedures in overeenstemming zullen zijn met Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire).
🡻 2008/50 overweging 24
(38)De mogelijkheid dient te worden gegeven, de criteria en technieken ter beoordeling van de luchtkwaliteit alsmede het verstrekken van gegevens aan te passen aan de wetenschappelijke en technologische vooruitgang.
⇩ nieuw
(39)Zoals verduidelijkt door de jurisprudentie van het Hof van Justitie, mogen de lidstaten de procesbevoegdheid (locus standi) tegen een beslissing van een overheidsinstantie niet beperken tot de leden van het betrokken publiek die aan de voorafgaande administratieve procedure tot vaststelling van die beslissing hebben deelgenomen. Zoals eveneens verduidelijkt door de jurisprudentie van het Hof van Justitie, vereisen daadwerkelijke toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden en doeltreffende rechtsmiddelen onder meer dat leden van het betrokken publiek het recht hebben om de rechter of een bevoegde onafhankelijke en onpartijdige instantie te verzoeken voorlopige maatregelen te gelasten om een bepaald geval van verontreiniging te voorkomen. Daarom moet worden gespecificeerd dat de juridische status niet afhankelijk mag worden gemaakt van de rol die het betrokken lid van het publiek heeft gespeeld tijdens een inspraakfase van de besluitvormingsprocedures krachtens deze richtlijn. Voorts moet elke beroepsprocedure eerlijk, billijk, tijdig en niet buitensporig kostbaar zijn, en voorzien in adequate en doeltreffende verhaalmechanismen, met inbegrip van een rechterlijk bevel waar zulks passend is.
🡻 2008/50 overweging 30
⇨ nieuw
(40)Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend. Deze richtlijn streeft met name naar de integratie in het beleid van de Unie van een hoog niveau van milieubescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, overeenkomstig het in artikel 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde beginsel van duurzame ontwikkeling. ⇨ Wanneer schade aan de gezondheid van de mens is ontstaan als gevolg van een schending van artikel 19, 20 of 21 van deze richtlijn, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de personen die door dergelijke schendingen zijn getroffen, van de betrokken bevoegde autoriteit een vergoeding voor die schade kunnen vorderen en verkrijgen. De in deze richtlijn vastgestelde regels inzake schadevergoedingen, toegang tot de rechter en sancties hebben tot doel de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging voor de gezondheid van de mens en het milieu te vermijden, te voorkomen en te verminderen, overeenkomstig artikel 191, lid 1, VWEU. Zij beogen aldus in het beleid van de Unie een hoog niveau van milieubescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu te integreren in overeenstemming met het beginsel van duurzame ontwikkeling zoals vastgesteld in artikel 37 van het handvest, en brengen de in de artikelen 2 en 3 van het handvest vastgestelde verplichting tot bescherming van het recht op leven en de menselijke integriteit concreet tot uitdrukking. Deze richtlijn draagt ook bij tot het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, zoals neergelegd in artikel 47 van het handvest, in verband met de bescherming van de gezondheid van de mens.⇦
🡻 2008/50 overweging 28 (aangepast)
De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot die bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijnen materieel zijn gewijzigd.
🡻 2008/50 overweging 29 (aangepast)
Overeenkomstig punt 34 van het interinstitutioneel akkoord „Beter wetgeven”
worden de lidstaten ertoe aangespoord, voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap, hun eigen tabellen op te stellen die, voor zover mogelijk, het verband weergeven tussen de richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken.
⇩ nieuw
(41)Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de vereisten voor de lidstaten inzake de toezending van informatie en de rapportage over de luchtkwaliteit uit hoofde van deze richtlijn, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot i) de vaststelling van regels met betrekking tot de informatie over de luchtkwaliteit die de lidstaten aan de Commissie ter beschikking moeten stellen, alsmede de termijnen waarbinnen die informatie moet worden meegedeeld, en ii) het stroomlijnen van de wijze waarop gegevens worden gerapporteerd en de wederzijdse uitwisseling van informatie en gegevens afkomstig van netwerken en individuele bemonsteringspunten waar de luchtverontreiniging in de lidstaten wordt gemeten. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad.
(42)Teneinde ervoor te zorgen dat deze richtlijn blijft voldoen aan haar doelstellingen, met name om schadelijke effecten van de luchtkwaliteit op de gezondheid van de mens en het milieu te voorkomen, te vermijden en te verminderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijziging van de bijlagen bij deze richtlijn om rekening te houden met technische en wetenschappelijke ontwikkelingen met betrekking tot luchtverontreinigende stoffen, de beoordeling en het beheer daarvan, de effecten daarvan op de gezondheid van de mens en het milieu, en passende voorlichting van het publiek. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(43)De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in intern recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijnen materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de vorige richtlijnen.
(44)Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in deel B van bijlage X genoemde termijnen voor omzetting in intern recht van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,
🡻 2004/107 overweging 1 (aangepast)
Overeenkomstig de beginselen van artikel 175, lid 3, van het Verdrag is in het Zesde Milieuactieprogramma van de Gemeenschap, vastgesteld bij Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en van de Raad
, bepaald dat een verontreinigingsgraad moet worden bereikt die de schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens, waaronder met name de gezondheid van kwetsbare bevolkingsgroepen, en voor het milieu in zijn geheel zo beperkt mogelijk houdt, dat de monitoring en beoordeling van luchtkwaliteit, met inbegrip van de depositie van verontreinigende stoffen, moet worden verbeterd en dat de bevolking moet worden voorgelicht.
🡻 2004/107 overweging 2 (aangepast)
Artikel 4, lid 1, van Richtlijn 96/62/EG van de Raad van 27 september 1996 betreffende beoordeling en beheer van luchtkwaliteit
, bepaalt dat de Commissie voorstellen moet indienen voor het reguleren van de verontreinigende stoffen zoals vermeld in bijlage I bij die richtlijn, rekening houdend met de bepalingen zoals vervat in de leden 3 en 4 van dat artikel.
🡻 2004/107 overweging 5
De streefwaarden zouden geen maatregelen vereisen die onevenredige kosten met zich meebrengen. Voor industriële installaties zouden de streefwaarden geen maatregelen vereisen die verder gaan dan de toepassing van de beste beschikbare technieken (BBT), zoals vereist krachtens Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging
, en zouden deze met name niet leiden tot de sluiting van installaties. Zij zouden de lidstaten echter wel verplichten tot het nemen van alle kosteneffectieve bestrijdingsmaatregelen in de relevante sectoren.
🡻 2004/107 overweging 6
De streefwaarden van deze richtlijn mogen in het bijzonder niet worden beschouwd als milieukwaliteitsnormen als omschreven in artikel 2, lid 7 van Richtlijn 96/61/EG, waarvoor overeenkomstig artikel 10 van voornoemde richtlijn strengere voorwaarden gelden dan die welke door toepassing van de BBT haalbaar zijn.
🡻 2004/107 overweging 8
Waar de concentraties bepaalde beoordelingsdrempels overschrijden, is monitoring van arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen verplicht. Bijkomende beoordelingsmiddelen kunnen het vereiste aantal bemonsteringspunten voor vaste metingen reduceren. Daarnaast dient monitoring van achtergrondconcentraties in de lucht en van depositie plaats te vinden.
🡻 2004/107 overweging 13
Als basis voor een regelmatige verslaglegging moeten bij de Commissie gegevens over de concentraties en depositie van de gereguleerde verontreinigende stoffen worden ingediend.
🡻 2004/107 overweging 14
De bevolking moet gemakkelijk toegang hebben tot recente gegevens over de luchtconcentraties en depositie van de gereguleerde verontreinigende stoffen.
🡻 2004/107 overweging 15
De lidstaten dienen regelgeving vast te stellen inzake sancties op overtreding van de voorschriften van deze richtlijn en dragen zorg voor de naleving van deze sancties. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn.
🡻 2004/107 overweging 16
De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden
.
🡻 2004/107 overweging 17
De benodigde wijzigingen voor aanpassing aan de vooruitgang van wetenschap en techniek dienen uitsluitend betrekking te hebben op criteria en technieken voor het beoordelen van concentraties en depositie van gereguleerde verontreinigende stoffen of gedetailleerde regelingen voor het verstrekken van informatie aan de Commissie. Zij dienen geen directe of indirecte wijziging van de streefwaarde of de beoordelingsdrempels in te houden,
🡻 2008/50 overweging 1 (aangepast)
Volgens het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap, dat is vastgesteld bij Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002
, is het noodzakelijk om de verontreiniging te verminderen tot niveaus waarbij de schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid, met bijzondere aandacht voor gevoelige bevolkingsgroepen, en voor het milieu als geheel zo gering mogelijk zijn, om de bewaking en beoordeling van de luchtkwaliteit te verbeteren, met inbegrip van de depositie van verontreinigende stoffen, en de bevolking te informeren.
🡻 2008/50 overweging 2
Ter bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu als geheel, is het van bijzonder belang dat de uitstoot van verontreinigende stoffen bij de bron wordt bestreden en dat op lokaal, nationaal en communautair niveau wordt bepaald wat de beste uitstootverminderende maatregelen vervolgens zijn, en dat deze maatregelen worden uitgevoerd. Daarom dient de uitstoot van schadelijke luchtverontreinigende stoffen te worden vermeden, voorkomen of verminderd en dienen passende doelstellingen inzake de luchtkwaliteit te worden vastgesteld, rekening gehouden met de toepasselijke normen, richtsnoeren en programma’s van de Wereldgezondheidsorganisatie.
🡻 2008/50 overweging 3 (aangepast)
Richtlijn 96/62/EG van de Raad van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit
, Richtlijn 1999/30/EG van de Raad van 22 april 1999 betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht
, Richtlijn 2000/69/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000 betreffende grenswaarden voor benzeen en koolmonoxide in de lucht
, Richtlijn 2002/3/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2002 betreffende ozon in de lucht
en Beschikking 97/101/EG van de Raad van 27 januari 1997 tot invoering van een regeling voor de onderlinge uitwisseling van informatie over en gegevens van meetnetten en meetstations voor luchtverontreiniging in de lidstaten
dienen grondig te worden herzien teneinde de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van de volksgezondheid en de wetenschappelijke kennis alsook de door de lidstaten opgedane ervaring daarin te verwerken. Ten behoeve van de duidelijkheid, de vereenvoudiging en de administratieve efficiëntie is het daarom passend dat deze vijf besluiten door één enkele richtlijn en, waar nodig, door uitvoeringsmaatregelen, worden vervangen.
🡻 2008/50 overweging 4 (aangepast)
Zodra in verband met de uitvoering van Richtlijn 2004/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht
voldoende ervaring is opgedaan, kan de mogelijkheid worden overwogen, de bepalingen van die richtlijn samen te smelten met de bepalingen van deze richtlijn.
🡻 2008/50 overweging 11
Fijne zwevende deeltjes (PM2,5) zijn verantwoordelijk voor aanzienlijke ongunstige gevolgen voor de menselijke gezondheid. Voorts kan er nog geen drempelwaarde worden bepaald waaronder PM2,5 geen risico vormt. Bijgevolg dient deze verontreinigende stof niet op dezelfde wijze te worden gereguleerd als andere luchtverontreinigende stoffen. De aanpak dient een algemene vermindering van de concentraties in de stedelijke achtergrond te beogen, om te garanderen dat de verbeterde luchtkwaliteit grote groepen van de bevolking ten goede komt. Om evenwel overal een minimale bescherming van de gezondheid te garanderen, moet deze aanpak worden gecombineerd met een grenswaarde, in een eerste fase voorafgegaan door een streefwaarde.
🡻 2008/50 overweging 17
De nodige communautaire maatregelen ter vermindering van de uitstoot aan de bron, met name maatregelen ter vergroting van de doeltreffendheid van communautaire wetgeving inzake industriële emissies ter begrenzing van uitlaatemissies van motoren in zware bedrijfsvoertuigen, de verdere vermindering van de in de lidstaten toegelaten emissies van de belangrijkste verontreinigende stoffen en de emissies die samenhangen met het tanken van benzineauto’s bij tankstations, alsmede de aanpak van het zwavelgehalte van brandstoffen, waaronder scheepsbrandstof, moeten bij voorrang door alle betrokken instellingen grondig worden onderzocht.
🡻 2008/50 overweging 18
Er dienen luchtkwaliteitsplannen te worden ontwikkeld voor zones en agglomeraties waar de concentraties van verontreinigde stoffen in de lucht de geldende streefwaarden voor luchtkwaliteit of grenswaarden, verhoogd met tijdelijke overschrijdingsmarges, overschrijden. Stoffen die de lucht verontreinigen komen uit allerlei bronnen en activiteiten. Ter garantie van een goede samenhang tussen de diverse beleidslijnen dienen deze luchtkwaliteitsplannen, waar mogelijk, samenhangend te zijn en te worden geïntegreerd met de plannen en programma’s die zijn voorbereid krachtens Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties
, Richtlijn 2001/81/EG en Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai
. Er zal tevens terdege rekening worden gehouden met de doelstellingen voor de luchtkwaliteit in deze richtlijn wanneer vergunningen voor industriële activiteiten worden verleend ingevolge Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging
.
🡻 2008/50 overweging 25 (aangepast)
Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege de grensoverschrijdende aard van luchtverontreinigende stoffen, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
🡻 2008/50 overweging 26
De lidstaten dienen regels vast te stellen inzake sancties op inbreuken op de bepalingen van deze richtlijn en ervoor te zorgen dat deze worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
🡻 2008/50 overweging 27 (aangepast)
Sommige bepalingen van de bij deze richtlijn ingetrokken besluiten dienen van kracht te blijven om te zorgen voor de continuering van de bestaande luchtkwaliteitsgrenswaarden voor stikstofdioxide totdat deze met ingang van 1 januari 2010 worden vervangen, voor de continuering van de rapportagevoorschriften inzake luchtkwaliteit tot nieuwe uitvoeringsmaatregelen zijn aangenomen, en voor de continuering van de verplichtingen inzake voorafgaande beoordeling van de luchtkwaliteit uit hoofde van Richtlijn 2004/107/EG.
🡻 2008/50 overweging 31
De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden
.
🡻 2008/50 overweging 32
De Commissie moet de bevoegdheid worden gegeven de bijlagen I tot en met VI, VIII tot en met X en XV, te wijzigen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing.
🡻 2008/50 overweging 33 (aangepast)
De omzettingsclausule verlangt van de lidstaten dat zij ervoor zorgen dat de noodzakelijke stedelijkeachtergrondmetingen tijdig klaar zijn voor het bepalen van de gemiddelde-blootstellingsindex, zodat wordt voldaan aan de eisen in verband met de beoordeling van de nationale streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling en de berekening van de gemiddelde-blootstellingsindex,
🡻 2008/50
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
🡻 2004/107
Artikel 1
Doelstellingen
Deze richtlijn:
a)
stelt een streefwaarde vast voor de concentratie van arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen in de lucht, teneinde schadelijke gevolgen van arseen, cadmium, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu in zijn geheel te vermijden, te voorkomen of te verminderen;
b)
waarborgt dat, wat arseen, cadmium, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen betreft, de luchtkwaliteit, waar deze goed is, behouden blijft en elders wordt verbeterd;
c)
stelt gemeenschappelijke methoden en criteria vast voor de beoordeling van de concentratie van arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht en van de depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen;
d)
waarborgt dat adequate informatie inzake de concentratie van arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht en inzake de depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen wordt verkregen en voor de bevolking beschikbaar wordt gesteld.
⇩ nieuw
Artikel 1
Doelstellingen
1.Deze richtlijn bevat een doelstelling om de luchtverontreiniging tot nul terug te dringen, zodat de luchtkwaliteit in de Unie geleidelijk wordt verbeterd tot zij niveaus bereikt die niet langer als schadelijk voor de gezondheid van de mens en natuurlijke ecosystemen worden beschouwd, zoals bepaald door wetenschappelijke gegevens, en om zo te helpen uiterlijk in 2050 een gifvrij milieu te verwezenlijken.
2.Bij deze richtlijn worden tussentijdse grenswaarden, streefwaarden, gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichtingen, gemiddeldeblootstellingsconcentratiedoelstellingen, kritieke niveaus, informatiedrempels, alarmdrempels en langetermijndoelstellingen (“luchtkwaliteitsnormen”) vastgesteld waaraan uiterlijk in 2030 moet worden voldaan en die vervolgens overeenkomstig artikel 3 regelmatig moeten worden herzien.
3.Daarnaast draagt deze richtlijn bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie inzake de vermindering van verontreiniging, inzake biodiversiteit en inzake ecosystemen, overeenkomstig het achtste milieuactieprogramma zoals uiteengezet in Besluit (EU) 2022/591 van het Europees Parlement en de Raad.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
Artikel 2
⌦ Onderwerp ⌫
Deze richtlijn voorziet in ⌦ de volgende ⌫ maatregelen die erop gericht zijn:
1.⌦ maatregelen die ⌫ doelstellingen voor de luchtkwaliteit te omschrijven en vast te stellen die bedoeld zijn om de schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid ⌦ van de mens ⌫ en het milieu als geheel te vermijden, te voorkomen of te verminderen;
2.⌦ maatregelen die gemeenschappelijke methoden en criteria vaststellen om ⌫ de luchtkwaliteit in de lidstaten op basis van gemeenschappelijke methoden en criteria te beoordelen;
3.⇨ maatregelen voor de monitoring van ⇦ gegevens over de ⌦ langetermijntrends van de ⌫ luchtkwaliteit te verkrijgen, teneinde luchtverontreiniging en hinder te helpen bestrijden en de langetermijntrends en -verbeteringen die het gevolg zijn van ⇨ de gevolgen van ⇦ nationale en communautaire maatregelen ⌦ van de Unie en de lidstaten ⌫ ⇨ op de luchtkwaliteit ⇦ te bewaken;
4.⌦ maatregelen die ⌫ ervoor te zorgen, dat deze ⌦ de ⌫ gegevens over de luchtkwaliteit aan de bevolking ter beschikking worden gesteld;
5.⌦ maatregelen die ⌫ de luchtkwaliteit waar zij goed is in stand te houden en in andere gevallen te verbeteren;
6.⌦ maatregelen die ⌫ een verhoogde samenwerking tussen de lidstaten bij de vermindering van de luchtverontreiniging te bevorderen.
⇩ nieuw
Artikel 3
Regelmatige evaluatie
1.
Uiterlijk tegen 31 december 2028, en vervolgens om de vijf jaar, en vaker indien uit substantiële nieuwe wetenschappelijke bevindingen blijkt dat dit nodig is, evalueert de Commissie de wetenschappelijke gegevens met betrekking tot luchtverontreinigende stoffen en de effecten daarvan op het milieu en de gezondheid van de mens die relevant zijn voor de verwezenlijking van de doelstelling van artikel 1, en dient zij bij het Europees Parlement en de Raad een verslag met de belangrijkste bevindingen in.
2.
Bij de evaluatie wordt beoordeeld of de geldende luchtkwaliteitsnormen nog steeds geschikt zijn om de doelstelling van het vermijden, voorkomen of verminderen van schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens en het milieu te verwezenlijken en of ook andere luchtverontreinigende stoffen in de normen moeten worden opgenomen.
Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 1 wordt bij de evaluatie nagegaan of deze richtlijn moet worden herzien om haar in overeenstemming te brengen met de richtsnoeren inzake luchtkwaliteit van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de meest recente wetenschappelijke informatie.
Bij de evaluatie houdt de Commissie onder meer rekening met het volgende:
a)de meest recente wetenschappelijke informatie van de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) en andere relevante organisaties;
b)technologische ontwikkelingen die van invloed zijn op de luchtkwaliteit en de beoordeling daarvan;
c)de situatie wat betreft de luchtkwaliteit in de lidstaten en de gevolgen daarvan voor de gezondheid van de mens en het milieu;
d)de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van nationale en Unie-maatregelen voor de vermindering van verontreinigende stoffen en bij de verbetering van de luchtkwaliteit.
3.
Het Europees Milieuagentschap helpt de Commissie met de evaluatie.
4.
Indien de Commissie dit naar aanleiding van de evaluatie passend acht, dient zij een voorstel in om de luchtkwaliteitsnormen te herzien of er andere luchtverontreinigende stoffen in op te nemen.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
Artikel 42
Definities
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
(1)“lucht”: de buitenlucht in de troposfeer, met uitsluiting van plaatsen als gedefinieerd in ⌦ artikel 2 van ⌫ Richtlijn 89/654/EEG ⌦ van de Raad ⌫
waarop bepalingen betreffende gezondheid en veiligheid op de arbeidsplaats van toepassing zijn en waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben;
(2)“verontreinigende stof”: een stof die zich in de lucht bevindt en die waarschijnlijk schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid ⌦ van de mens ⌫ en/of het milieu als geheel heeft;
(3)“niveau”: de concentratie van een verontreinigende stof in de lucht of de depositie daarvan op oppervlakken binnen een bepaalde tijd;
🡻 2004/107 (aangepast)
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze richtlijnen gelden de definities van artikel 2 van Richtlijn 96/62/EG, met uitzondering van de definitie van „streefwaarde”.
Deze richtlijn:
a) “streefwaarde” : een concentratie in de lucht die is vastgesteld om de schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens en het milieu in zijn geheel te vermijden, te verhinderen of te verminderen, en die zoveel mogelijk binnen een gegeven periode dient te worden bereikt;
(4)b) “totale of bulkdepositie”: de totale massa aan verontreinigende stoffen die binnen een gegeven gebied en gegeven tijdspanne van de atmosfeer wordt overgebracht naar oppervlakten ⌦ zoals ⌫ (bijvoorbeeld bodem, vegetatie, water, gebouwen enz.);
🡻 2008/50
(5)18.“PM10”: deeltjes die een op grootte selecterende inlaat als omschreven in de referentiemethode voor bemonsteren en meten van PM10 EN 12341 passeren met een efficiencygrens van 50 % bij een aerodynamische diameter van 10 μm;
(6)19.“PM2,5”: deeltjes die een op grootte selecterende inlaat als omschreven in de referentiemethode voor bemonsteren en meten van PM2,5 EN 14907 passeren met een efficiencygrens van 50 % bij een aerodynamische diameter van 2,5 μm;
(7)24.“stikstofoxiden”: de som van het totaal aantal volumedelen per miljard (ppbv) van stikstofmonoxide en stikstofdioxide, uitgedrukt in massaconcentratie-eenheden van stikstofdioxide (μg/m³);
🡻 2004/107 (aangepast)
c) “bovenste beoordelingsdrempel” : een in bijlage II vermeld niveau beneden hetwelk een combinatie van metingen en modellen kan worden gebruikt voor de beoordeling van de luchtkwaliteit, overeenkomstig artikel 6, lid 3 van Richtlijn 96/62/EG;
d) “onderste beoordelingsdrempel” : een in bijlage II vermeld niveau beneden hetwelk uitsluitend technieken op basis van modellen of objectieve ramingen mogen worden gebruikt voor de beoordeling van de luchtkwaliteit, overeenkomstig artikel 6, lid 4, van Richtlijn 96/62/EG;
e) “vaste metingen” : metingen verricht op vaste meetpunten, hetzij continu, hetzij door middel van aselecte bemonstering, overeenkomstig artikel 6, lid 5, van Richtlijn 96/62/EG;
(8)f)“arseen”, “cadmium”, “nikkel” en “benzo(a)pyreen”: het totale gehalte aan deze elementen en verbindingen in de PM10-fractie;
g) “PM10” : deeltjes die een op grootte selecterende instroomopening, zoals gedefinieerd in EN 12341, passeren met een efficiencygrens van 50 % bij een aërodynamische diameter van 10 μm;
(9)h)“polycyclische aromatische koolwaterstoffen”: organische verbindingen die bestaan uit ten minste twee versmolten aromatische ringen die volledig uit koolstof en waterstof bestaan;
(10)i)“totaal gasvormig kwik”: elementaire kwikdamp (Hg0) en reactief gasvormig kwik, d.w.z. in water oplosbare kwikverbindingen met een voldoende hoge dampdruk om in de gasfase te bestaan;.
🡻 2008/50
(11)27.“vluchtige organische stoffen” (VOS): organische stoffen van antropogene en biogene bronnen, uitgezonderd methaan, die onder invloed van zonlicht door reactie met stikstofoxiden fotochemische oxidanten kunnen produceren;
(12)28.“ozonprecursoren”: stoffen die bijdragen tot de vorming van ozon in de onderste luchtlagen;, waarvan sommige zijn vermeld in bijlage X.
⇩ nieuw
(13)“zwarte koolstof”: zwartekoolstofequivalent bepaald met behulp van optische methoden;
(14)“ultrafijne deeltjes”: de deeltjesaantalconcentraties in cm³ voor een groottebereik met een ondergrens van ≤ 10 nm en voor een groottebereik zonder beperking voor de bovengrens;
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
(15)16.“zone”: een door een lidstaat met het oog op de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit afgebakend gedeelte van zijn grondgebied;
(16)17.“agglomeratie”: een verstedelijkte zone met een bevolking van meer dan 250 000 inwoners of, in het geval van een bevolking van 250 000 inwoners of minder, met een door de lidstaten vast te stellen bevolkingsdichtheid per km2;
(17)4.“beoordeling”: een methode die wordt gebruikt om een niveau te meten, te berekenen, te voorspellen of te ramen;
(18)12.“bovenste beoordelingsdrempel”: een ⌦ het ⌫ niveau waaronder het is toegestaan een combinatie van vaste metingen en modelleringstechnieken en/of indicatieve metingen ⇨ dat bepaalt welk beoordelingsregime moet ⇦ te gebruiken ⌦ worden gebruikt ⌫ ter beoordeling van de luchtkwaliteit;
13.
“onderste beoordelingsdrempel”: een niveau waaronder het is toegestaan uitsluitend modelleringstechnieken of objectieve ramingstechnieken te gebruiken ter beoordeling van de luchtkwaliteit;
(19)25.“vaste metingen”: metingen die ⇨ gedurende ten minste één kalenderjaar op vaste locaties ⇦ worden uitgevoerd op ⇨ bemonsteringspunten ⇦ vaste locaties, hetzij continu, hetzij door aselecte bemonstering, om de niveaus te bepalen overeenkomstig de desbetreffende gegevenskwaliteitsdoelstellingen;
(20)26.“indicatieve metingen”: metingen die aan minder strikte gegevenskwaliteitsdoelstellingen dan vaste metingen voldoen;
⇩ nieuw
(21)“objectieve raming”: een beoordelingsmethode voor het verkrijgen van kwantitatieve of kwalitatieve informatie over het concentratie- of depositieniveau van een verontreinigende stof door middel van een deskundig oordeel, die het gebruik van statistische instrumenten, teledetectie en in-situsensoren kan omvatten;
(22)“ruimtelijke representativiteit”: een beoordelingsbenadering waarbij de op een bemonsteringspunt waargenomen meetgegevens inzake de luchtkwaliteit representatief zijn voor een duidelijk afgebakend geografisch gebied, voor zover het verschil tussen de meetgegevens binnen dat gebied en de op het bemonsteringspunt waargenomen meetgegevens een vooraf bepaald tolerantieniveau niet overschrijdt;
🡻 2008/50
(23)23. “stedelijkeachtergrondlocaties”: plaatsen in stedelijke gebieden waar de niveaus representatief zijn voor de blootstelling van de stedelijke bevolking in het algemeen;
⇩ nieuw
(24)“plattelandsachtergrondlocaties”: plaatsen in landelijke gebieden met een lage bevolkingsdichtheid waar de niveaus representatief zijn voor de blootstelling van de plattelandsbevolking in het algemeen;
(25)“monitoringsupersite”: een meetstation op een stedelijkeachtergrond- of plattelandsachtergrondlocatie dat meerdere bemonsteringspunten combineert om langetermijngegevens over verschillende verontreinigende stoffen te verzamelen;
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
(26)5.“grenswaarde”: een niveau ⌦ dat niet mag worden overschreden en ⌫ dat op basis van wetenschappelijke kennis wordt vastgesteld met als doel schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid ⌦ van de mens ⌫ en/of het milieu als geheel te vermijden, te voorkomen of te verminderen en dat binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt en, wanneer het eenmaal is bereikt, niet meer mag worden overschreden;
(27)9.“streefwaarde ⇨ voor ozon ⇦”: een niveau dat ⇨ op basis van wetenschappelijke kennis ⇦ is vastgesteld met het doel om schadelijke gevolgen ⇨ van ozon ⇦ voor de menselijke gezondheid ⌦ van de mens ⌫ en/of het milieu als geheel te vermijden, te voorkomen of te verminderen en dat voor zover mogelijk binnen een bepaalde termijn moet worden ⌦ nageleefd ⌫ bereikt;
(28)20.“gemiddelde-blootstellingsindex”: een gemiddeld niveau dat wordt bepaald op basis van metingen op stedelijkeachtergrondlocaties verspreid over het gehele grondgebied van een lidstaat ⇨ de territoriale eenheid op het niveau NUTS 1 zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 1059/2003, of, als die territoriale eenheid geen stedelijk gebied omvat, op plattelandsachtergrondlocaties, ⇦ en dat de blootstelling van de bevolking weergeeft; het ⌦ en dat ⌫ wordt gebruikt om ⇨ te controleren of aan ⇦ de nationale streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling ⇨ gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichting ⇦ te berekenen alsmede ⌦ en ⌫ de ⇨ gemiddelde ⇦blootstellingsconcentratieverplichting⇨ doelstelling voor die territoriale eenheid is voldaan ⇦;
(29)22.“nationale streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling ⇨ gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichting ⇦”: een procentuele vermindering van de gemiddelde blootstelling van de bevolking ⇨ , uitgedrukt als de gemiddelde-blootstellingsindex, ⇦ van een ⇨ territoriale eenheid op het niveau NUTS 1 zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad ⇦ lidstaat die voor het referentiejaar wordt vastgesteld met het doel de schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid ⌦ van de mens ⌫ te verminderen en die waar mogelijk binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt;
(30)21.“⇨ gemiddelde ⇦blootstellingsconcentratie⇨ doelstelling ⇦verplichting”: een op grond ⌦ niveau ⌫ van de gemiddelde-blootstellingsindex vastgesteld niveau⌦ waaraan moet worden voldaan ⌫ met het doel de schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens te verminderen en waaraan binnen een bepaalde termijn moet worden voldaan;
(31)6.“kritiek niveau”: een niveau dat op basis van wetenschappelijke kennis wordt vastgesteld waarboven directe ongunstige gevolgen kunnen optreden voor sommige receptoren, zoals bomen, andere planten of natuurlijke ecosystemen, doch niet voor de mens;
(32)11.“informatiedrempel”: een niveau waarboven kortstondige blootstelling een gezondheidsrisico inhoudt voor bijzonder kwetsbare ⌦ gevoelige ⌫ bevolkingsgroepen ⌦ en kwetsbare groepen ⌫, en voor wie ⇨ waarbij ⇦ een onmiddellijke en toereikende informatievoorziening noodzakelijk is;
(33)10.“alarmdrempel”: een niveau waarboven een kortstondige blootstelling risico’s inhoudt voor de gezondheid van de bevolking als geheel, en bij het bereiken waarvan door de lidstaten onmiddellijk stappen dienen te worden ondernomen⌦ moeten ondernemen ⌫;
7.
“overschrijdingsmarge”: het percentage van een grenswaarde waarmee deze onder de in deze richtlijn vastgelegde voorwaarden mag worden overschreden;
(34)14.“langetermijndoelstelling”: een niveau dat op lange termijn zou moeten worden bereikt, behalve waar dit niet door proportionele maatregelen kan worden bereikt, met het doel de menselijke gezondheid ⌦ van de mens ⌫ en het milieu een doeltreffende bescherming te bieden;
(35)15.“bijdragen van natuurlijke bronnen”: emissies van verontreinigende stoffen die niet direct of indirect zijn veroorzaakt door menselijke activiteiten, met inbegrip van natuurverschijnselen zoals vulkanische uitbarstingen, seismische activiteiten, geothermische activiteiten, bosbranden, stormen, zeezout als gevolg van verstuivend zeewater of de atmosferische opwerveling of verplaatsing van natuurlijke deeltjes uit droge regio’s;
(36)8.“luchtkwaliteitsplannen”: plannen betreffende maatregelen om de grenswaarden, of streefwaarden ⇨ voor ozon of gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichtingen ⇦ te bereiken ⌦ na te leven ⌫;
⇩ nieuw
(37)“kortetermijnactieplannen”: plannen betreffende noodmaatregelen die op korte termijn moeten worden genomen om het onmiddellijke risico of de duur van de overschrijding van de alarmdrempels te verminderen;
(38)“het betrokken publiek”: het publiek dat gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van overschrijdingen van luchtkwaliteitsnormen of dat belang heeft bij de besluitvormingsprocedures met betrekking tot de uitvoering van de verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn, met inbegrip van niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor de bescherming van de gezondheid van de mens of het milieu en die aan de vereisten van de nationale wetgeving voldoen;
(39)“gevoelige bevolkingsgroepen en kwetsbare groepen”: de bevolkingsgroepen die gevoeliger zijn voor blootstelling aan luchtverontreiniging dan de gemiddelde bevolking, omdat zij een hogere gevoeligheid of een lagere drempelwaarde voor gezondheidseffecten hebben of minder goed in staat zijn zichzelf te beschermen.
🡻 2008/50 (aangepast)
Artikel 53
Verantwoordelijkheden
De lidstaten wijzen op de passende niveaus de bevoegde ⌦ autoriteiten ⌫ instanties en organen aan, die zijn belast met:
a)de beoordeling van de luchtkwaliteit;
b)de erkenning van de meetsystemen (methoden, apparaten, netwerken en laboratoria);
c)het verzekeren van de nauwkeurigheid van de metingen;
⇩ nieuw
d)het verzekeren van de nauwkeurigheid van modelleringsapplicaties;
🡻 2008/50 (aangepast)
ed)de analyse van de beoordelingsmethoden;
fe)de coördinatie op hun grondgebied van eventuele door de Commissie georganiseerde communautaire kwaliteitsborgingsprogramma’s ⌦ van de Unie ⌫;
gf)de samenwerking met de andere lidstaten en de Commissie;.
⇩ nieuw
h)het opstellen van luchtkwaliteitsplannen;
i)het opstellen van kortetermijnactieplannen.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
De bevoegde instanties en organen voldoen, indien van toepassing, aan het bepaalde in bijlage I, deel C.
Artikel 64
Aanwijzing van zones en agglomeraties
De lidstaten wijzen voor hun hele grondgebied zones en agglomeraties aan ⇨ , ook op het niveau van agglomeraties indien dat met het oog op de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit passend is ⇦. In alle zones en agglomeraties vinden luchtkwaliteitsbeoordeling en luchtkwaliteitsbeheer plaats.
HOOFDSTUK II
DE BEOORDELING VAN DE LUCHTKWALITEIT ⌦ EN DEPOSITIES ⌫
AFDELING 1
Luchtkwaliteitsbeoordeling met betrekking tot zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes, lood, benzeen en koolmonoxide
Artikel 75
Beoordelingsregime
1.
Met betrekking tot zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, benzeen, en koolmonoxide ⌦ arseen, cadmium, nikkel, benzo(a)pyreen en ozon in de lucht ⌫ gelden de in bijlage II, deel A, genoemde bovenste en onderste beoordelingsdrempels.
Elke zone en agglomeratie wordt op basis van deze beoordelingsdrempels ingedeeld.
2.
⌦ De lidstaten bekijken ⌫ dDe in lid 1 bedoelde indeling wordt ten minste om de vijf jaar opnieuw bekeken volgens de in ⌦ dit lid ⌫ bijlage II, deel B, vastgestelde procedure. De indeling wordt evenwel frequenter opnieuw bekeken wanneer er aanzienlijke veranderingen optreden in de activiteiten die relevant zijn voor ⇨ waarbij luchtverontreinigende stoffen worden uitgestoten en de resultaten worden gewijzigd voor ⇦ de concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide ⌦ en ⌫ of, indien van toepassing, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, benzeen, of koolmonoxide ⌦ ,arseen, cadmium, nikkel, benzo(a)pyreen of ozon ⌫.
B. Vaststelling van overschrijdingen van de bovenste en onderste beoordelingsdrempels
Of de bovenste en onderste beoordelingsdrempels zijn overschreden, wordt, wanneer voldoende gegevens beschikbaar zijn, bepaald op basis van de concentraties gedurende de voorgaande vijf jaar. Een beoordelingsdrempel wordt geacht te zijn overschreden indien zich gedurende ten minste drie afzonderlijke jaren van de bedoelde vijf voorgaande jaren een overschrijding heeft voorgedaan.
Wanneer over minder dan vijf jaar gegevens beschikbaar zijn, kunnen de lidstaten de gegevens van meetcampagnes van korte duur gedurende de periode van het jaar waarin en op de plaatsen waar zich naar alle waarschijnlijkheid de hoogste verontreiniging voordoet, combineren met gegevens uit emissie-inventarissen en modellering om te bepalen of de bovenste en onderste beoordelingsdrempels zijn overschreden.
Artikel 86
Beoordelingscriteria
1.
De lidstaten voeren in al hun zones en agglomeraties beoordelingen uit van de luchtkwaliteit met betrekking tot de in artikel 75 genoemde verontreinigende stoffen, overeenkomstig de in de leden 2, 3 en 4 ⇨ tot en met 6 ⇦ van dit artikel vastgestelde criteria en overeenkomstig de criteria opgenomen in bijlage IVIII.
2.
In alle zones en agglomeraties waar het niveau van de in lid 1 bedoelde verontreinigende stoffen de voor die verontreinigende stoffen vastgestelde bovenste beoordelingsdrempel overschrijdt, worden vaste metingen gebruikt ter beoordeling van de luchtkwaliteit. Die vaste metingen kunnen worden aangevuld met modelleringstechnieken⇨ applicaties ⇦ en/of indicatieve metingen ⇨ om de luchtkwaliteit te beoordelen en ⇦ om adequate informatie over de ruimtelijke spreiding van de luchtkwaliteit ⇨ luchtvervuilende stoffen en de ruimtelijke representativiteit van vaste metingen ⇦ te verkrijgen.
3.
In alle zones en agglomeraties waar het niveau van de in lid 1 bedoelde verontreinigende stoffen lager is dan de ⇨ een ⇦ voor die verontreinigende stoffen ⇨ in tabel 1 van afdeling 1 van bijlage I ⇦ vastgestelde ⇨ grenswaarde of een in afdeling 2 van bijlage I vastgestelde streefwaarde voor ozon overschrijdt, ⇦ bovenste beoordelingsdrempel, mag een combinatie van vaste metingen en ⇨ worden naast vaste metingen ⇦ modelleringstechnieken⇨ applicaties ⇦ en/of indicatieve metingen worden gebruikt ter beoordeling van de luchtkwaliteit.
⇩ nieuw
Die modelleringsapplicaties verschaffen ook informatie over de ruimtelijke spreiding van verontreinigende stoffen en over de ruimtelijke representativiteit van vaste metingen.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
4.
In alle zones en agglomeraties waar het niveau van de in lid 1 bedoelde verontreinigende stoffen lager is dan de voor die verontreinigende stoffen vastgestelde onderste beoordelingsdrempel, volstaan modelleringstechnieken⇨ applicaties, indicatieve metingen, ⇦ of objectieve-ramingstechnieken of ⇨ een combinatie daarvan ⇦ beide ter beoordeling van de luchtkwaliteit.
⇩ nieuw
5. Indien uit de modellen blijkt dat een grenswaarde of een streefwaarde voor ozon wordt overschreden in een gebied van de zone dat niet door vaste metingen wordt bestreken, worden gedurende ten minste één kalenderjaar na de vaststelling van de overschrijding aanvullende vaste of indicatieve metingen gebruikt om het concentratieniveau van de desbetreffende verontreinigende stof te bepalen.
🡻 2004/107
⇨ nieuw
Artikel 4
Beoordeling van concentraties in de buitenlucht en van deposities
1.
De luchtkwaliteit van arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen wordt op het gehele grondgebied van de lidstaten beoordeeld.
2.
Overeenkomstig de criteria in lid 7 is meting verplicht in de volgende zones:
a)
zones en agglomeraties waar de niveaus tussen de bovenste en de onderste beoordelingsdrempel liggen, en
b)
andere zones en agglomeraties waar de niveaus de bovenste beoordelingsdrempel overschrijden.
De voorziene metingen kunnen worden aangevuld met modellen die een adequaat niveau van informatie over de luchtkwaliteit bieden.
3.
Er kan een combinatie van metingen, inclusief indicatieve metingen overeenkomstig bijlage IV, deel I, en modellen worden gebruikt om de luchtkwaliteit te beoordelen in zones en agglomeraties waar de niveaus gedurende een representatieve periode tussen de bovenste en onderste beoordelingsdrempel liggen, een en ander vast te stellen volgens de bepalingen, bedoeld in bijlage II, deel II.
4.
In zones en agglomeraties waar de niveaus onder de onderste beoordelingsdrempel liggen, vast te stellen volgens de bepalingen bedoeld in bijlage II, deel II, mag voor het beoordelen van de niveaus uitsluitend gebruik worden gemaakt van modellen of technieken op basis van objectieve ramingen.
5.
Wanneer verontreinigende stoffen moeten worden gemeten, worden de metingen op vaste meetpunten verricht, hetzij continu, hetzij door middel van aselecte bemonstering; het aantal metingen is groot genoeg om de niveaus te kunnen vaststellen.
6.
Voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen in de lucht gelden de in bijlage II, deel I vastgestelde bovenste en onderste beoordelingsdrempels. De indeling van elke zone of agglomeratie voor de toepassing van dit artikel wordt ten minste om de vijf jaar volgens de in bijlage II, deel II, vastgestelde procedure geëvalueerd. De indeling wordt eerder geëvalueerd wanneer significante wijzigingen optreden in activiteiten die relevant zijn voor de concentraties van arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen in de lucht.
7.
De criteria voor de bepaling van de plaats van de monsternemingspunten waar de concentraties arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen in de lucht worden gemeten teneinde te beoordelen of de streefwaarden worden nageleefd, zijn vermeld in bijlage III, delen I en II. Het minimumaantal monsternemingspunten voor vaste metingen van de concentraties van elke verontreinigende stof is vastgesteld in bijlage III, deel IV. De monsternemingspunten worden geïnstalleerd in elke zone of agglomeratie waar metingen moeten worden uitgevoerd indien vaste metingen de enige bron van gegevens zijn over de concentraties binnen die zone of agglomeratie.
68.
Teneinde de bijdrage van benzo(a)pyreen in de lucht te beoordelen, zorgt iedere lidstaat voor de monitoring van andere relevante polycyclische aromatische koolwaterstoffen op een beperkt aantal meetpunten ⇨ bemonsteringspunten ⇦. Deze verbindingen omvatten ten minste: benzo(a)antraceen, benzo(b)fluorantheen, benzo(j)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, indeno(1,2,3-cd)pyreen en dibenzo(a,h)antraceen. Meetpunten ⇨ Bemonsteringspunten ⇦ voor deze polycyclische aromatische koolwaterstoffen worden op dezelfde locatie geplaatst als de ⇨ be ⇦monsternemingspunten voor benzo(a)pyreen en moeten zodanig worden geselecteerd dat geografische variatie en langetermijntendensen kunnen worden vastgesteld. Bijlage III, delen I, II en III zijn van toepassing.
⇩ nieuw
7. Naast de krachtens artikel 10 vereiste monitoring, monitoren de lidstaten, indien van toepassing, ook de niveaus van ultrafijne deeltjes overeenkomstig punt D van bijlage III en afdeling 3 van bijlage VII.
🡻 2008/50
5.
Naast de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde beoordelingen worden metingen op een zich op zekere afstand van belangrijke bronnen van luchtverontreiniging bevindende achtergrondlocaties op het platteland uitgevoerd, die ten minste gegevens moeten opleveren over de totale massaconcentratie en de concentraties van de chemische samenstellingen van fijne zwevende deeltjes (PM2,5) in termen van het jaargemiddelde, en die worden uitgevoerd overeenkomstig de volgende criteria:
a)er wordt per 100 000 km2 een bemonsteringspunt ingericht;
b)elke lidstaat richt ten minste één meetstation in of mag, bij onderlinge afspraak met aangrenzende lidstaten, één of meer gemeenschappelijke meetstations inrichten die de relevante naburige zones bestrijkt of bestrijken, teneinde de vereiste ruimtelijke resolutie te garanderen;
c)indien van toepassing, wordt de bewaking gecoördineerd met de bewakingsstrategie en het meetprogramma van het Samenwerkingsprogramma voor de bewaking en evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa (EMEP);
d)bijlage I, delen A en C, zijn van toepassing ten aanzien van de gegevenskwaliteitsdoelstellingen voor metingen van massaconcentraties van zwevende deeltjes en bijlage IV is in haar geheel van toepassing.
De lidstaten informeren de Commissie ook van de meetmethoden die zij gebruikt hebben bij het meten van de chemische samenstelling van fijne zwevende deeltjes (PM2,5).
🡻 219/2009 artikel 1 en bijlage, punt 3.8 (aangepast)
9. Ongeacht de concentratieniveaus dient voor achtergrondwaarden op iedere 100 000 km2 een monsternemingspunt te worden geïnstalleerd voor de indicatieve meting in de lucht van arseen, cadmium, totaal gasvormig kwik, nikkel, benzo(a)pyreen en de overige polycyclische aromatische koolwaterstofverbindingen bedoeld in lid 8 en van de totale depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel, benzo(a)pyreen en de overige polycyclische aromatische koolwaterstoffen bedoeld in lid 8. Elke lidstaat plaatst ten minste één meetstation; de lidstaten mogen echter met onderlinge instemming en overeenkomstig richtsnoeren die moeten worden opgesteld volgens de regelgevingsprocedure van artikel 6, lid 2, een of meer gemeenschappelijke meetstations plaatsen, die naburige zones in aangrenzende lidstaten bestrijken, teneinde de nodige ruimtelijke resolutie te verkrijgen. De meting van tweewaardig kwik in deeltjes en als gas wordt eveneens aanbevolen. De meting van tweewaardig kwik in deeltjes en als gas wordt eveneens aanbevolen. Waar dienstig, zou de monitoring dienen te worden gecoördineerd met de monitoringstrategie en het meetprogramma van het Programma voor samenwerking inzake de bewaking en de evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa (European Monitoring and Evaluation of Pollutants, EMEP). De monsternemingspunten voor deze verontreinigende stoffen moeten zodanig worden geselecteerd dat geografische variatie en langetermijntendensen kunnen worden vastgesteld. Bijlage III, delen I, II en III zijn van toepassing.
🡻 2004/107
⇨ nieuw
810.
Waar regionale patronen van de invloed op ecosystemen worden beoordeeld, kan ⇨ wordt ⇦ het gebruik van bio-indicatoren worden overwogen⇨ , ook in overeenstemming met de monitoring in het kader van Richtlijn (EU) 2016/2284 ⇦.
11.
In zones en agglomeraties waarin de informatie uit vaste meetstations wordt aangevuld met informatie uit andere bronnen, zoals emissie-inventarissen, indicatieve meetmethoden of luchtkwaliteitsmodellen, dient het aantal geïnstalleerde vaste meetstations en de ruimtelijke resolutie van andere technieken toereikend te zijn om de concentraties van verontreinigende stoffen in de lucht overeenkomstig bijlage III, deel I, en bijlage IV, deel I, te kunnen bepalen.
12.
De kwaliteitsdoelstellingen voor de gegevens zijn vastgelegd in bijlage IV, deel I. Indien voor de beoordeling gebruik wordt gemaakt van luchtkwaliteitsmodellen, is bijlage IV, deel II van toepassing.
13.
De referentiemethoden voor de bemonstering en analyse van arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht staan vermeld in bijlage V, delen I, II en III. De referentietechnieken voor het meten van de totale depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel en de polycyclische aromatische koolwaterstoffen staan vermeld in bijlage V, deel IV en de referentietechnieken voor modellen voor de luchtkwaliteit worden in bijlage V, deel V vastgesteld wanneer die technieken beschikbaar zijn.
14.
De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op de in artikel 10 vermelde datum in kennis van de methoden voor de voorafgaande beoordeling van de luchtkwaliteit volgens artikel 11, lid 1, onder d), van Richtlijn 96/62/EG.
🡻 219/2009 artikel 1 en bijlage, punt 3.8
15.
De wijzigingen die nodig zijn om dit artikel en bijlage II, deel II, en de bijlagen III tot en met V aan te passen aan de vooruitgang van wetenschap en techniek, worden vastgesteld door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 6, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Zij mogen geen directe of indirecte wijzigingen van de streefwaarden tot gevolg hebben.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
Artikel 97
Bemonsteringspunten
1.
De plaats van de bemonsteringspunten voor de meting van zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, benzeen, en koolmonoxide ⌦ , arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen ⌫ in de lucht wordt bepaald overeenkomstig de in bijlage IVIII genoemde criteria.
⌦ De locatie van de bemonsteringspunten voor ozonmetingen wordt bepaald overeenkomstig bijlage IV. ⌫
2.
In elke zone of agglomeratie waar ⇨ het niveau van verontreinigende stoffen de in bijlage II gespecificeerde beoordelingsdrempel overschrijdt ⇦ vaste metingen de enige gegevensbron zijn ter beoordeling van de luchtkwaliteit, mag het aantal bemonsteringspunten voor elke betrokken verontreinigende stof niet kleiner zijn dan het in de tabellen 3 en 4 van de punten A en C van bijlage IIIV, deel A, genoemde minimumaantal bemonsteringspunten.
3.
In zones en agglomeraties waar ⇨ het niveau van verontreinigende stoffen de desbetreffende in bijlage II gespecificeerde beoordelingsdrempel overschrijdt, maar niet de respectieve in tabel 1 van afdeling 1 van bijlage I gespecificeerde grenswaarden, de in afdeling 2 van bijlage I gespecificeerde streefwaarden voor ozon of de in afdeling 3 van bijlage I gespecificeerde kritieke niveaus, ⇦ de gegevens van bemonsteringspunten voor vaste metingen worden aangevuld met door modellering en/of indicatieve metingen verkregen gegevens, mag het in bijlage V, deel A, genoemde totale ⇨ minimum ⇦aantal bemonsteringspunten evenwel met ten hoogste 50 % worden verminderd ⇨ overeenkomstig de punten A en C van bijlage III ⇦, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a)de aanvullende methoden ⇨ de indicatieve metingen en modellering ⇦ leveren voldoende gegevens op ter beoordeling van de luchtkwaliteit ten aanzien van grenswaarden ⇨ , streefwaarden voor ozon, kritieke niveaus, informatiedrempels en ⇦ of alarmdrempels, evenals adequate gegevens ten behoeve van de bevolking ⇨ , naast de gegevens van de vaste bemonsteringspunten ⇦;
b)het aantal in te richten bemonsteringspunten en de ruimtelijke resolutie van de andere ⇨ indicatieve metingen en modellerings ⇦technieken volstaan om de concentratie van de betrokken verontreinigende stof vast te stellen overeenkomstig de in de punten A en B vanbijlage VI, deel A, genoemde gegevenskwaliteitsdoelstellingen, en maken beoordelingsresultaten mogelijk die voldoen aan de in punt D van bijlage VI, deel B, genoemde criteria ⌦ vereisten ⌫.;
⇩ nieuw
c) het aantal indicatieve metingen is gelijk aan het aantal te vervangen vaste metingen en de indicatieve metingen hebben een minimumduur van twee maanden per kalenderjaar;
d) voor ozon wordt stikstofdioxide gemeten op alle resterende bemonsteringspunten waar ozon wordt gemeten, uitgezonderd op plattelandsachtergrondlocaties voor beoordeling ten aanzien van ozon als bedoeld in punt B van bijlage IV.
4. Op het grondgebied van een lidstaat worden een of meer bemonsteringspunten geïnstalleerd die zijn aangepast aan de in afdeling 2, punt A, van bijlage VII bepaalde bemonsteringsdoelstelling, teneinde gegevens te verstrekken over de concentraties van de in punt B van die afdeling vermelde ozonprecursoren op locaties die overeenkomstig punt C van die afdeling zijn bepaald.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
54.
Elke lidstaat zorgt er overeenkomstig bijlage IVIII voor, dat de spreiding en het aantal van de bemonsteringspunten waarop ⌦ die wordt gebruikt voor de berekening van ⌫ de gemiddelde-blootstellingsindex⌦ indexen ⌫ voor PM2,5 ⇨ en NO2, ⇦ wordt gebaseerd, zodanig zijn ⌦ is ⌫ dat een juist beeld wordt verkregen van de blootstelling van de bevolking in het algemeen. Het aantal bemonsteringspunten mag niet kleiner zijn dan het aantal dat wordt verkregen door toepassing van punt B van bijlage IIIV, deel B.
6. De resultaten van modellering⇨ sapplicaties ⇦ en/of indicatieve metingen worden in aanmerking genomen bij het beoordelen van de luchtkwaliteit ten aanzien van de grenswaarden ⇨ en de streefwaarden voor ozon ⇦.
⇩ nieuw
7.
Bemonsteringspunten waar in de voorgaande drie jaar overschrijdingen van een of meer van de in afdeling 1 van bijlage I bepaalde grenswaarden zijn geregistreerd, mogen niet worden verplaatst, tenzij een verplaatsing noodzakelijk is vanwege bijzondere omstandigheden, waaronder ruimtelijke ontwikkeling. De verplaatsing van bemonsteringspunten gebeurt binnen hun gebied van ruimtelijke representativiteit en is gebaseerd op modelleringsresultaten.
🡻 2008/50
4.
De Commissie houdt toezicht op de toepassing door de lidstaten van de criteria voor de keuze van bemonsteringspunten, zodat de geharmoniseerde toepassing van deze criteria in de gehele Europese Unie wordt bevorderd.
⇩ nieuw
Artikel 10
Monitoringsupersites
1.
Elke lidstaat stelt ten minste één monitoringsupersite per tien miljoen inwoners op een stedelijkeachtergrondlocatie in. Lidstaten met minder dan tien miljoen inwoners stellen ten minste één monitoringsupersite op een stedelijkeachtergrondlocatie in.
Elke lidstaat stelt ten minste één monitoringsupersite per 100 000 km² op een plattelandsachtergrondlocatie in. Lidstaten waarvan het grondgebied kleiner dan 100 000 km² is, stellen ten minste één monitoringsupersite op een plattelandsachtergrondlocatie in.
2.
De locatie van monitoringsupersites wordt voor stedelijkeachtergrondlocaties en plattelandsachtergrondlocaties bepaald overeenkomstig punt B van bijlage IV.
3.
Alle bemonsteringspunten die aan de vereisten van de punten B en C van bijlage IV voldoen en die op monitoringsupersites zijn geïnstalleerd, mogen in aanmerking worden genomen voor de naleving van de voorschriften inzake het minimumaantal bemonsteringspunten voor de desbetreffende verontreinigende stoffen zoals gespecificeerd in bijlage III.
4.
Een lidstaat mag in overleg met een of meer aangrenzende lidstaten een of meer gezamenlijke monitoringsupersites instellen om aan de vereisten van lid 1 te voldoen. Dit doet geen afbreuk aan de verplichting van elke lidstaat om ten minste één monitoringsupersite op een stedelijkeachtergrondlocatie en één monitoringsupersite op een plattelandsachtergrondlocatie in te stellen.
5.
Metingen op alle monitoringsupersites op stedelijkeachtergrondlocaties omvatten vaste of indicatieve metingen van de grootteverdeling van ultrafijne deeltjes en het oxidatiepotentieel van zwevende deeltjes.
6.
Metingen op alle monitoringsupersites op stedelijkeachtergrondlocaties en plattelandsachtergrondlocaties omvatten ten minste het volgende:
a) vaste metingen van zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), stikstofdioxide (NO2), ozon (O3), zwarte koolstof, ammoniak (NH3) en ultrafijne deeltjes;
b) vaste of indicatieve metingen van fijne zwevende deeltjes (PM2,5) om ten minste informatie te verstrekken over hun totale massaconcentratie en de concentraties van de chemische samenstellingen in termen van het jaargemiddelde, overeenkomstig afdeling 1 van bijlage VII;
c) vaste of indicatieve metingen van arseen, cadmium, nikkel, totaal gasvormig kwik, benzo(a)pyreen en de overige polycyclische aromatische koolwaterstoffen zoals bedoeld in artikel 8, lid 6, en van de totale depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel, benzo(a)pyreen en de overige polycyclische aromatische koolwaterstoffen zoals bedoeld in artikel 8, lid 6, ongeacht de concentratieniveaus.
7. Op monitoringsupersites op stedelijkeachtergrondlocaties en plattelandsachtergrondlocaties kunnen ook metingen van tweewaardig kwik in deeltjes en als gas worden verricht.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
8.c)
iIndien van toepassing, wordt de ⌦ monitoring ⌫ bewaking gecoördineerd met de bewakingsstrategie en het meetprogramma van het Samenwerkingsprogramma voor de bewaking en evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa (EMEP) ⇨ , de onderzoeksinfrastructuur voor aerosolen, wolken en sporengassen (Actris) en de monitoring van de gevolgen van luchtverontreiniging in het kader van Richtlijn (EU) 2016/2284 ⇦;.
Artikel 11 8
Referentiemeetmethoden ⌦ en kwaliteitsdoelstellingen voor gegevens ⌫
1.
De lidstaten passen de in de punten A en C van bijlage VI, delen A en C, genoemde referentiemeetmethoden en -criteria toe.
2.
Onder de in de punten B, C, D en E van bijlage VI, deel B, omschreven voorwaarden mogen ⌦ echter ⌫ andere meetmethoden worden gebruikt.
⇩ nieuw
2.
De gegevens over de luchtkwaliteit voldoen aan de in bijlage V vastgestelde kwaliteitsdoelstellingen voor gegevens.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
AFDELING 2
Luchtkwaliteitsbeoordeling met betrekking tot ozon
Artikel 9
Beoordelingscriteria
1.
Wanneer, in een zone of agglomeratie de ozonconcentraties tijdens één van de laatste vijf jaar van meting de in bijlage VII, deel C, genoemde langetermijndoelstellingen hebben overschreden, worden vaste metingen uitgevoerd.
2.
Wanneer over minder dan vijf jaar gegevens beschikbaar zijn, kunnen de lidstaten ter beantwoording van de vraag of de in lid 1 bedoelde langetermijndoelstellingen gedurende die vijf jaar zijn overschreden, de resultaten van meetcampagnes van korte duur die zijn uitgevoerd op tijden en plaatsen waar de niveaus naar alle waarschijnlijkheid het hoogst waren, combineren met de gegevens uit emissie-inventarissen en modellering.
Artikel 10
Bemonsteringspunten
1.
De plaats van de bemonsteringspunten voor ozonmetingen wordt bepaald overeenkomstig de in bijlage VIII genoemde criteria.
2.
In zones of agglomeraties waar metingen de enige bron van gegevens zijn ter beoordeling van de luchtkwaliteit, mag het aantal bemonsteringspunten voor vaste metingen van ozon niet kleiner zijn dan het in bijlage IX, deel A, genoemde minimumaantal bemonsteringspunten.
3.
In zones en agglomeraties waar de gegevens van bemonsteringspunten voor vaste metingen worden aangevuld met door modellering en/of indicatieve metingen verkregen gegevens, mag het in bijlage IX, deel A, genoemde aantal bemonsteringspunten evenwel worden verminderd, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a)
de aanvullende methoden leveren voldoende gegevens op voor het beoordelen van de luchtkwaliteit ten aanzien van streefwaarden, langetermijndoelstellingen en informatie- en alarmdrempels;
b)
het aantal in te richten bemonsteringspunten en de ruimtelijke resolutie van de andere technieken volstaan om de ozonconcentratie vast te stellen overeenkomstig de in bijlage I, deel A, genoemde gegevenskwaliteitsdoelstellingen, en maken beoordelingsresultaten mogelijk die voldoen aan de in bijlage I, deel B, genoemde criteria;
c)
het aantal bemonsteringspunten in elke zone of agglomeratie is zodanig dat er ten minste één bemonsteringspunt per twee miljoen inwoners is, of ten minste één bemonsteringspunt per 50 000 km2 indien dit criterium een groter aantal bemonsteringspunten oplevert; in elke zone of agglomeratie moet zich ten minste één bemonsteringspunt bevinden;
d)
stikstofdioxide wordt gemeten op alle resterende bemonsteringspunten, uitgezonderd de meetstations voor de bepaling van de plattelandsachtergrondwaarden als bedoeld in bijlage VIII, deel A.
De resultaten van modellering en/of indicatieve metingen worden in aanmerking genomen bij het beoordelen van de luchtkwaliteit ten aanzien van de streefwaarden.
5.
In zones en agglomeraties waar de concentraties in elk van de laatste vijf jaar van meting beneden de langetermijndoelstellingen lagen, wordt het aantal bemonsteringspunten voor vaste metingen bepaald overeenkomstig bijlage IX, deel B.
6.
Elke lidstaat zorgt ervoor, dat op zijn grondgebied ten minste één bemonsteringspunt wordt ingericht en gebruikt ter verkrijging van gegevens over de concentraties van de in bijlage X genoemde ozonprecursoren. Elke lidstaat bepaalt het aantal en de plaats van de stations waar de ozonprecursoren moeten worden gemeten, rekening houdende met de in bijlage X vastgestelde doelstellingen en methoden.
Artikel 11
Referentiemeetmethoden
1.
De lidstaten passen de in bijlage VI, deel A, punt 8, genoemde referentiemethode voor de meting van ozon toe. Onder de in bijlage VI, deel B, omschreven voorwaarden mogen andere meetmethoden worden gebruikt.
2.
Elke lidstaat stelt de Commissie in kennis van de methoden die hij hanteert voor de bemonstering en de meting van de in bijlage X genoemde vluchtige organische stoffen (VOS).
HOOFDSTUK III
BEHEER VAN DE LUCHTKWALITEIT
Artikel 12
Voorschriften ingeval de niveaus lager zijn dan de grenswaarden⌦ , de streefwaarde voor ozon en de gemiddeldeblootstellingsconcentratiedoelstellingen, maar hoger dan de beoordelingsdrempels ⌫
1. In zones en agglomeraties waar de niveaus van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ⌦ zwevende deeltjes ( ⌫ PM10, PM2,5), lood, benzeen, en koolmonoxide ⇨ , arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen ⇦ in de lucht lager zijn dan de respectieve grenswaarden genoemd in afdeling 1 van bijlage I de bijlagen XI en XIV, houden de lidstaten de niveaus van die stoffen beneden de grenswaarden en streven zij ernaar de beste met duurzame ontwikkeling verenigbare luchtkwaliteit te beschermen.
Artikel 18
Voorschriften in zones en agglomeraties waar de ozonconcentraties aan de langetermijndoelstellingen beantwoorden
2. In zones en agglomeraties waar de ozonniveaus ⇨ lager zijn dan de streefwaarde voor ozon ⇦ aan de langetermijndoelstellingen beantwoorden, houden ⌦ nemen ⌫ de lidstaten ⇨ de nodige maatregelen om die niveaus onder de streefwaarde voor ozon te houden en streven zij ernaar de in afdeling 2 van bijlage I vastgestelde langetermijndoelstellingen te bereiken ⇦ die niveaus beneden de langetermijndoelstellingen, voor zover factoren zoals de grensoverschrijdende aard van ozonverontreiniging en de meteorologische omstandigheden zulks toelaten ⇨ en op voorwaarde dat eventuele noodzakelijke maatregelen geen onevenredige kosten met zich meebrengen. ⇦
⇩ nieuw
3. In territoriale eenheden op het niveau NUTS 1 zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 1059/2003 waar de gemiddelde-blootstellingsindexen voor PM2,5 en NO2 lager zijn dan de respectieve waarde van de in afdeling 5 van bijlage I vastgestelde gemiddeldeblootstellingsconcentratiedoelstellingen voor die verontreinigende stoffen, houden de lidstaten de niveaus van die verontreinigende stoffen onder de gemiddeldeblootstellingsconcentratiedoelstellingen.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
4. en ⌦ De lidstaten ⌫ ⇨ streven ernaar ⇦ houden zij door evenredige maatregelen de best mogelijke luchtkwaliteit in stand die verenigbaar is met duurzame ontwikkeling en een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid ⌦ van de mens ⌫ en van het milieu ⇨ te bereiken en ⇦ ⌦ in stand te houden ⌫ ⇨ , overeenkomstig de door de WHO gepubliceerde richtsnoeren inzake luchtkwaliteit en onder de in bijlage II vastgestelde beoordelingsdrempels ⇦.
Artikel 13
Grenswaarden ⌦ , streefwaarden voor ozon ⌫ en ⌦ gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichting ⌫ alarmdrempels voor de bescherming van de menselijke gezondheid ⌦ van de mens ⌫
1.
De lidstaten zorgen ervoor, dat de niveaus van zwaveldioxide, ⇨ stikstofdioxide, zwevende deeltjes ( ⇦PM10, ⇨ en PM2,5), ⇦ lood ⇨ , benzeen, ⇦ en koolmonoxide ⇨ , arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen ⇦ in de lucht in de gehele zones en agglomeraties de in afdeling 1 van bijlage I XI vastgestelde grenswaarden niet overschrijden.
Wat stikstofdioxide en benzeen betreft, mogen de in bijlage XI genoemde grenswaarden vanaf de daar genoemde data niet worden overschreden.
Artikel 17
Voorschriften in zones en agglomeraties waar de ozonconcentraties de streefwaarden en langetermijndoelstellingen overschrijden
21. ⇨ Wat ozon betreft, ⇦ De lidstaten nemen ⌦ de lidstaten ⌫ alle nodige maatregelen die geen buitensporige kosten meebrengen om ervoor te zorgen dat de ⌦ in afdeling 2, punt B, van bijlage I vastgestelde ⌫ streefwaarden ⇨ voor ozon ⇦ ⌦ nergens in de zone worden overschreden ⌫ en langetermijndoelstellingen worden bereikt.
Artikel 15
Nationale streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling aan PM2,5 voor de bescherming van de menselijke gezondheid
31.
De lidstaten ⌦ zorgen ervoor dat ⌫ nemen alle nodige maatregelen die geen buitensporige kosten met zich brengen om de blootstelling aan PM2,5 te verminderen teneinde de in ⌦ afdeling 5, punt B, van bijlage I ⌫ bijlage XIV, deel B, opgenomen nationale streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling ⇨ gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichtingen voor PM2,5 en NO2 worden nageleefd in al hun territoriale eenheden op het niveau NUTS 1 waar de in afdeling 5, punt C, van bijlage I vastgestelde gemiddeldeblootstellingsconcentratiedoelstellingen worden overschreden ⇦ voor het daar genoemde jaar te bereiken.
4. De naleving van deze voorschriften ⌦ de leden 1, 2 en 3 ⌫ wordt beoordeeld overeenkomstig bijlage IV III.
5. De gemiddelde-blootstellingsindex⌦ indexen ⌫ voor PM2,5 wordt ⌦ worden ⌫ beoordeeld overeenkomstig afdeling 5, punt A, van bijlage I XIV, deel A.
6. De in tabel 1 van afdeling 1 van bijlage IXI vastgestelde ⇨ termijn voor het bereiken van de grenswaarden mag worden verlengd ⇦ overschrijdingsmarges worden toegepast overeenkomstig artikel 1822, lid 3, en artikel 23, lid 1.
⇩ nieuw
7.
Lidstaten die overeenkomstig artikel 193 VWEU strengere luchtkwaliteitsnormen invoeren, stellen de Commissie daarvan binnen drie maanden na de vaststelling ervan in kennis. Deze kennisgeving gaat vergezeld van een toelichting over de wijze waarop die luchtkwaliteitsnormen zijn vastgesteld en de gebruikte wetenschappelijke gegevens.
🡻 2008/50 (aangepast)
Artikel 14
Kritieke niveaus ⌦ voor de bescherming van vegetatie en natuurlijke ecosystemen ⌫
1. De lidstaten zorgen ervoor, dat de in afdeling 3 van bijlage IXIII genoemde kritieke niveaus als beoordeeld overeenkomstig punt A van bijlage IVIII, deel A, worden nageleefd.
2.
Wanneer vaste metingen de enige bron van gegevens zijn ter beoordeling van de luchtkwaliteit, mag het aantal bemonsteringspunten niet kleiner zijn dan het in bijlage V, deel C, genoemde minimumaantal. Wanneer die gegevens worden aangevuld met door indicatieve metingen en/of modellering verkregen gegevens, mag het minimumaantal bemonsteringspunten evenwel met ten hoogste 50 % worden verminderd, mits de beoordeelde concentraties van de betrokken verontreinigende stof kunnen worden vastgesteld overeenkomstig de in bijlage I, deel A, genoemde gegevenskwaliteitsdoelstellingen.
🡻 2004/107
Artikel 3
Streefwaarden
1.
De lidstaten nemen alle nodige maatregelen die geen onevenredige kosten meebrengen om ervoor te zorgen dat, vanaf 31 december 2012, concentraties van arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen, gebruikt als marker voor het carcinogene risico van polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht, beoordeeld overeenkomstig artikel 4, de streefwaarden van bijlage I niet overschrijden.
2.
De lidstaten stellen een lijst op van de zones en agglomeraties waar de niveaus van arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen onder de respectieve streefwaarden liggen. In die zones en agglomeraties houden zij de niveaus van deze verontreinigende stoffen beneden de respectieve streefwaarden en streven zij ernaar de met duurzame ontwikkeling verenigbare optimale luchtkwaliteit te handhaven.
3.
De lidstaten stellen een lijst op van de zones en agglomeraties waar de in bijlage I vastgestelde streefwaarden worden overschreden.
Voor deze zones en agglomeraties specificeren zij de overschrijdingsgebieden en de bronnen die aan deze overschrijding bijdragen. Zij moeten aantonen dat in de betrokken gebieden alle noodzakelijke maatregelen die geen onevenredige kosten meebrengen, met name gericht op de grootste emissiebronnen, worden toegepast om de streefwaarden te bereiken. In het geval van industriële installaties die onder Richtlijn 96/61/EG vallen, is dit de toepassing van de BBT zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 11 van Richtlijn 96/61/EG.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
Artikel 16
Streefwaarden en grenswaarden inzake PM2,5 voor de bescherming van de menselijke gezondheid
1.
De lidstaten nemen alle nodige maatregelen die geen buitensporige kosten meebrengen om ervoor te zorgen dat de concentraties van PM2,5 in de lucht de in bijlage XIV, deel D, opgenomen streefwaarde vanaf de daar genoemde datum niet overschrijden.
2.
De lidstaten zorgen ervoor, dat de concentraties van PM2,5 in de lucht de in bijlage XIV, deel E, vastgestelde grenswaarde vanaf de daar genoemde datum in hun gehele zones en agglomeraties niet overschrijden. De naleving van dit voorschrift wordt beoordeeld overeenkomstig bijlage III.
3.
De in bijlage XIV, deel E, vastgestelde overschrijdingsmarges worden overeenkomstig artikel 23, lid 1, toegepast.
Artikel 1519
Vereiste maatregelen ingeval een informatie- of ⌦ Overschrijding van een ⌫ alarm- ⌦ of informatie ⌫drempel wordt overschreden
12. Voor de concentraties van zwaveldioxide, en stikstofdioxide ⇨ en zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5) ⇦ in de lucht gelden de in afdeling 4, punt A, van bijlage IXII, deel A, vastgestelde alarmdrempels.
⇩ nieuw
2. Voor ozon gelden de in afdeling 4, punt B, van bijlage I vastgestelde alarm- en informatiedrempels.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
3. Wanneer de in bijlage XII genoemde informatiedrempel of een van de in die bijlage genoemde ⌦ in afdeling 4 van bijlage I vastgestelde ⌫ alarmdrempels ⌦ of informatiedrempel ⌫ wordt overschreden, nemen de lidstaten de nodige stappen om de bevolking ⇨ uiterlijk enkele uren later via verschillende media- en communicatiekanalen ⇦ via de radio, televisie, kranten of het internet daarover in te lichten ⇨ , waarbij ervoor wordt gezorgd dat een zo groot mogelijk publiek wordt bereikt ⇦.
⇩ nieuw
4. De lidstaten zorgen ervoor dat informatie over daadwerkelijke of voorspelde overschrijdingen van alarmdrempels of informatiedrempels zo spoedig mogelijk aan het publiek wordt verstrekt overeenkomstig de punten 2 en 3 van bijlage IX.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
Artikel 1620
Bijdragen van natuurlijke bronnen
1.
De lidstaten ⇨ mogen ⇦ verstrekken de Commissie, voor een bepaald jaar, een lijst van ⇨ het volgende aangeven ⇦:
a) zones en agglomeraties waar overschrijdingen van grenswaarden voor een bepaalde verontreinigende stof toe te schrijven zijn aan natuurlijke bronnen,⌦ en ⌫
⇩ nieuw
b) territoriale eenheden op het niveau NUTS 1 waar overschrijdingen van het door de gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichtingen bepaalde niveau toe te schrijven zijn aan natuurlijke bronnen.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
2. De lidstaten verstrekken ⇨ de Commissie lijsten van die in lid 1 bedoelde zones en territoriale eenheden op het niveau NUTS 1, samen met ⇦ gegevens over de concentraties en bronnen en het bewijsmateriaal dat aantoont dat de overschrijdingen aan natuurlijke bronnen zijn toe te schrijven.
32.
Wanneer de Commissie overeenkomstig lid 21 in kennis is gesteld van een aan natuurlijke bronnen toe te schrijven overschrijding, wordt die overschrijding niet als een overschrijding in de zin van deze richtlijn aangemerkt.
3.
De Commissie publiceert uiterlijk 11 juni 2010 richtsnoeren voor het aantonen en in mindering brengen van overschrijdingen die toe te schrijven zijn aan natuurlijke bronnen.
Artikel 1721
Overschrijdingen door het strooien van zand en zout op wegen in de winter
1.
De lidstaten mogen ⇨ , voor een bepaald jaar, ⇦ zones of agglomeraties aanwijzen ⌦ aangeven ⌫ waar de grenswaarden worden overschreden door concentraties van PM10 in de lucht die toe te schrijven zijn aan de opwerveling van deeltjes ten gevolge van het strooien van zand en zout op de wegen in de winter.
2.
De lidstaten verstrekken de Commissie een lijst van al deze ⇨ in lid 1 bedoelde ⇦ zones of agglomeraties alsmede gegevens over de ⇨ in die zones ⇦ daar aanwezige PM10-concentraties en -bronnen.
3.
Wanneer de lidstaten de Commissie daarvan overeenkomstig artikel 27 in kennis stellen, ⌦ De lidstaten ⌫ leveren zij ⌦ ook ⌫ de nodige bewijzen dat deze overschrijdingen veroorzaakt zijn door dergelijke opgewervelde deeltjes, en dat in redelijke mate is getracht ⌦ die ⌫ de concentraties te verlagen.
34.
Onverminderd artikel 1620 behoeven de lidstaten voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde zones en agglomeraties het in artikel 1923 bedoelde luchtkwaliteitsplan slechts vast te stellen voor zover de overschrijdingen zijn toe te schrijven aan andere PM10-bronnen dan het strooien van zand en zout op de wegen in de winter.
5.
De Commissie publiceert uiterlijk 11 juni 2010, richtsnoeren voor het bepalen van bijdragen van de opwerveling van deeltjes door het strooien van zand en zout op de wegen in de winter.
Artikel 1822
Uitstel van de tijdstippen waarop aan de grenswaarden moet worden voldaan en vrijstelling van de verplichting bepaalde grenswaarden toe te passen
1.
Wanneer in een bepaalde zone of agglomeratie, ⇨ wegens locatiespecifieke dispersiekarakteristieken, orografische grensomstandigheden, ongunstige klimaatomstandigheden of grensoverschrijdende bijdragen ⇦ overeenstemming met de grenswaarden voor ⇨ zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5) of ⇦ stikstofdioxide of benzeen niet kan worden bereikt op ⌦ het ⌫ de in tabel 1 van afdeling 1 van bijlage IXI genoemde uiterste tijdstippen, mag een lidstaat deze ⌦ dat ⌫ tijdstippen voor die specifieke zone of agglomeratie ⇨ eenmaal ⇦ met ten hoogste vijf jaar uitstellen, mits voldaan is aan de ⌦ volgende voorwaarden: ⌫ voorwaarde
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
a)dat voor de zone of agglomeratie waarvoor het uitstel zou gaan gelden, ⌦ wordt overeenkomstig ⌫ artikel 19, lid 4, een luchtkwaliteitsplan wordt opgesteld overeenkomstig artikel 23 ⌦ dat aan de vereisten van artikel 19, leden 5 tot en met 7 voldoet ⌫;
b)een dergelijk ⌦ het in punt a) bedoelde ⌫ luchtkwaliteitsplan wordt aangevuld met de in punt B van bijlage VIIIXV, deel B, opgesomde gegevens die verband houden met de betrokken verontreinigende stoffen en toont aan hoe ⇨ perioden van overschrijding van de grenswaarden zo kort mogelijk zullen worden gehouden ⇦ overeenstemming met de grenswaarden vóór het nieuwe uiterste tijdstip kan worden bereikt;.
⇩ nieuw
c)in het in punt a) bedoelde luchtkwaliteitsplan wordt uiteengezet hoe het publiek, en met name gevoelige bevolkingsgroepen en kwetsbare groepen, zullen worden geïnformeerd over de gevolgen van het uitstel voor de gezondheid van de mens en het milieu;
d)in het in punt a) bedoelde luchtkwaliteitsplan wordt uiteengezet hoe aanvullende financiering, onder meer via relevante nationale en Uniefinancieringsprogramma’s, zal worden gemobiliseerd om de verbetering van de luchtkwaliteit in de zone waarop het uitstel van toepassing zou zijn, te versnellen.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
2.
Wanneer in een bepaalde zone of agglomeratie overeenstemming met de in bijlage XI genoemde grenswaarden voor PM10 niet kan worden bereikt wegens locatiespecifieke dispersiekarakteristieken, ongunstige klimaatomstandigheden of grensoverschrijdende bijdragen, is de lidstaat uiterlijk tot 11 juni 2011 vrijgesteld van de verplichting om die grenswaarden toe te passen, mits aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan en de betreffende lidstaat aantoont dat op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau alle passende maatregelen genomen zijn om de uiterste tijdstippen na te leven.
3.
Wanneer een lidstaat lid 1 of lid 2 toepast, zorgt hij ervoor dat de overschrijding van de grenswaarde voor elke verontreinigende stof niet meer bedraagt dan de maximale overschrijdingsmarge die voor de betrokken verontreinigende stof in bijlage XI is vastgesteld.
24.
Wanneer lid 1 of lid 2 volgens een lidstaat van toepassing is, stelt hij de Commissie daarvan in kennis en deelt hij het in lid 1 bedoelde luchtkwaliteitsplan mede , met inbegrip ⌦ alsook ⌫ van alle relevante gegevens die de Commissie nodig heeft om te beoordelen of aan de ⇨ aangehaalde reden voor het uitstel en ⇦ desbetreffende ⌦ de in dat lid vastgestelde ⌫ voorwaarden is voldaan. Bij haar beoordeling houdt de Commissie rekening met de geraamde effecten op de luchtkwaliteit in de lidstaten, nu en in de toekomst, van door de lidstaten genomen maatregelen en met de geraamde effecten op de luchtkwaliteit van bestaande communautaire maatregelen ⌦ van de Unie ⌫ en van toekomstige communautaire maatregelen die door de Commissie worden voorgesteld.
Wanneer de Commissie binnen negen maanden na de ontvangst van de kennisgeving geen bezwaren heeft gemaakt, wordt aan de desbetreffende voorwaarden voor toepassing van lid 1 of lid 2 geacht te zijn voldaan.
Indien bezwaren worden gemaakt, kan de Commissie van lidstaten verlangen dat luchtkwaliteitsplannen worden aangepast of vervangen door nieuwe.
HOOFDSTUK IV
PLANNEN
Artikel 1923
Luchtkwaliteitsplannen
1.
Wanneer het niveau van verontreinigende stoffen in de lucht in bepaalde zones of agglomeraties een ⇨ in afdeling 1 van bijlage I vastgestelde ⇦ grenswaarde of streefwaarde, in beide gevallen verhoogd met de toepasselijke overschrijdingsmarge, overschrijdt, zorgen ⌦ stellen ⌫ de lidstaten ervoor dat voor die zones en agglomeraties ⇨ zo snel mogelijk en ten laatste twee jaar na het kalenderjaar waarin die overschrijding van een grenswaarde is geregistreerd ⇦luchtkwaliteitsplannen worden vastgesteld. ⇨ Die luchtkwaliteitsplannen bevatten passende maatregelen ⇦ om de desbetreffende , in de bijlagen XI en XIV genoemde grenswaarde of streefwaarde te bereiken. ⇨ en om de periode van overschrijding zo kort mogelijk te houden, en in elk geval korter dan drie jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de eerste overschrijding is gemeld. ⇦
⇩ nieuw
Wanneer in het derde kalenderjaar na de vaststelling van het luchtkwaliteitsplan nog steeds grenswaarden worden overschreden, werken de lidstaten het luchtkwaliteitsplan en de daarin vervatte maatregelen bij en nemen zij in het daaropvolgende kalenderjaar aanvullende en doeltreffendere maatregelen om de periode van overschrijding zo kort mogelijk te houden.
2. Wanneer in een bepaalde territoriale eenheid op het niveau NUTS 1 de niveaus van verontreinigende stoffen in de lucht de in afdeling 2 van bijlage I vastgestelde streefwaarde voor ozon overschrijden, stellen de lidstaten zo spoedig mogelijk en uiterlijk twee jaar na het kalenderjaar waarin de overschrijding van de streefwaarde voor ozon is geregistreerd, luchtkwaliteitsplannen op voor die territoriale eenheden op het niveau NUTS 1. Die luchtkwaliteitsplannen bevatten passende maatregelen om de streefwaarde voor ozon te bereiken en de periode van overschrijding zo kort mogelijk te houden.
Wanneer de streefwaarde voor ozon in het vijfde kalenderjaar na de vaststelling van het luchtkwaliteitsplan nog steeds wordt overschreden in de desbetreffende territoriale eenheid op het niveau NUTS 1, werken de lidstaten het luchtkwaliteitsplan en de daarin vervatte maatregelen bij en nemen zij in het daaropvolgende kalenderjaar aanvullende en doeltreffendere maatregelen om de periode van overschrijding zo kort mogelijk te houden.
Voor territoriale eenheden op het niveau NUTS 1 waar de streefwaarde voor ozon wordt overschreden, zorgen de lidstaten ervoor dat het desbetreffende nationale programma ter beheersing van de luchtverontreiniging dat overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn (EU) 2016/2284 is opgesteld, maatregelen bevat om die overschrijdingen aan te pakken.
3. Wanneer in een bepaalde territoriale eenheid op het niveau NUTS 1 de in afdeling 5 van bijlage I vastgestelde gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichting wordt overschreden, stellen de lidstaten zo spoedig mogelijk en uiterlijk twee jaar na het kalenderjaar waarin de overschrijding van de gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichting is geregistreerd, luchtkwaliteitsplannen op voor die territoriale eenheden op het niveau NUTS 1. Die luchtkwaliteitsplannen bevatten passende maatregelen om de gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichting te bereiken en de periode van overschrijding zo kort mogelijk te houden.
Wanneer de gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichting in het vijfde kalenderjaar na de vaststelling van het luchtkwaliteitsplan nog steeds wordt overschreden, werken de lidstaten het luchtkwaliteitsplan en de daarin vervatte maatregelen bij en nemen zij in het daaropvolgende kalenderjaar aanvullende en doeltreffendere maatregelen om de periode van overschrijding zo kort mogelijk te houden.
4. Indien vanaf [datum invoegen: twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] tot en met 31 december 2029 in een zone of een territoriale eenheid op het niveau NUTS 1 de niveaus van verontreinigende stoffen boven een grenswaarde liggen die uiterlijk op 1 januari 2030 moet worden bereikt zoals vastgesteld in tabel 1 van afdeling 1 van bijlage I, stellen de lidstaten zo spoedig mogelijk en uiterlijk twee jaar na het kalenderjaar waarin de overschrijding is geregistreerd, een luchtkwaliteitsplan voor de betrokken verontreinigende stof op om de respectieve grenswaarden of streefwaarde voor ozon te bereiken vóór het verstrijken van de termijn waarbinnen aan de waarden moet worden voldaan.
Indien de lidstaten voor dezelfde verontreinigende stof overeenkomstig dit lid alsook overeenkomstig artikel 19, lid 1, een luchtkwaliteitsplan moeten opstellen, mogen zij een gecombineerd luchtkwaliteitsplan opstellen overeenkomstig artikel 19, leden 5, 6 en 7, en informatie verstrekken over het verwachte effect van maatregelen om aan elke grenswaarde waarop het betrekking heeft te voldoen, zoals vereist in de punten 5 en 6 van bijlage VIII. Gecombineerde luchtkwaliteitsplannen bevatten passende maatregelen om alle gerelateerde grenswaarden te bereiken en alle perioden van overschrijding zo kort mogelijk te houden.
5. Luchtkwaliteitsplannen bevatten ten minste de volgende gegevens:
a)de in punt A.1 tot en met A.6 van bijlage VIII bedoelde gegevens;
b)indien van toepassing, de in punt A.7 en A.8, van bijlage VIII bedoelde gegevens;
c)in voorkomend geval, gegevens over de in punt B.2 van bijlage VIII opgenomen bestrijdingsmaatregelen.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
⇨ De lidstaten overwegen om maatregelen zoals bedoeld in artikel 20, lid 2, en ⇦ De luchtkwaliteitsplannen kunnen bovendien maatregelen omvatten die gericht zijn op de bescherming van ⇨ gevoelige bevolkingsgroepen en ⇦ kwetsbare bevolkingsgroepen zoals kinderen ⌦ in hun luchtkwaliteitsplannen op te nemen ⌫.
⇩ nieuw
Wat de betrokken verontreinigende stoffen betreft, beoordelen de lidstaten bij het opstellen van luchtkwaliteitsplannen het risico dat de respectieve alarmdrempels worden overschreden. Die analyse wordt in voorkomend geval voor het opstellen van kortetermijnactieplannen gebruikt.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
Wanneer voor verscheidene verontreinigende stoffen ⌦ of luchtkwaliteitsnormen ⌫ een ⌦ luchtkwaliteits ⌫plan ⌦ wordt vastgesteld ⌫ moet worden opgesteld of uitgevoerd, stellen de lidstaten, waar passend, geïntegreerde luchtkwaliteitsplannen ⌦ vast ⌫ op voor alle betrokken verontreinigende stoffen ⇨ en luchtkwaliteitsnormen ⇦ en voeren zij deze uit.
2.
De lidstaten zorgen, voor zover uitvoerbaar, voor samenhang ⇨ van hun luchtkwaliteitsplannen ⇦ met andere, ⇨ plannen die een aanzienlijk effect op de luchtkwaliteit hebben, waaronder ⇦ ⌦ de plannen die vereist zijn ⌫ krachtens Richtlijn 2001/80/EG2010/75/ EU van het Europees Parlement en de Raad
, Richtlijn (EU) 2016/22842001/81/EG of ⌦ en ⌫ Richtlijn 2002/49/EG ⇨ en krachtens de wetgeving inzake klimaat, energie, transport en landbouw ⇦ vereiste plannen teneinde de relevante milieudoelstellingen te bereiken.
⇩ nieuw
6. De lidstaten raadplegen het publiek, overeenkomstig Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad, en de bevoegde autoriteiten die op grond van hun verantwoordelijkheden op het gebied van luchtverontreiniging en luchtkwaliteit waarschijnlijk bij de uitvoering van de luchtkwaliteitsplannen betrokken zullen zijn, over ontwerpluchtkwaliteitsplannen en alle belangrijke bijwerkingen van luchtkwaliteitsplannen voordat deze worden afgerond.
Bij het opstellen van luchtkwaliteitsplannen zorgen de lidstaten ervoor dat belanghebbenden wier activiteiten aan de overschrijdingen bijdragen, worden aangemoedigd om maatregelen voor te stellen die zij kunnen nemen om een einde te helpen maken aan de overschrijdingen, en dat niet-gouvernementele organisaties, zoals milieuorganisaties, consumentenorganisaties, organisaties die de belangen van gevoelige bevolkingsgroepen en kwetsbare groepen behartigen, andere relevante bij de gezondheidszorg betrokken organen en de relevante vakverenigingen aan die raadplegingen mogen deelnemen.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
7. Die ⌦ Luchtkwaliteits ⌫plannen worden ⇨ binnen twee maanden na de vaststelling ervan ⇦ onverwijld, maar uiterlijk twee jaar na het einde van het jaar waarin de eerste overschrijding is geconstateerd aan de Commissie meegedeeld.
Artikel 2024
Kortetermijnactieplannen
1.
Wanneer in een bepaalde zone of agglomeratie het risico bestaat dat de niveaus van verontreinigende stoffen een of meer van de in afdeling 4 van de bijlage IXII genoemde alarmdrempels ⌦ zullen ⌫ zal overschrijden, stellen de lidstaten ⌦ kortetermijn ⌫actieplannen op, die op korte termijn te nemen ⇨ nood ⇦maatregelen aanduiden om het risico van overschrijding of de duur van een dergelijke overschrijding te beperken. Wanneer dit risico geldt voor een of meer van de in de bijlagen VII, XI en XIV genoemde grenswaarden of streefwaarden, kunnen de lidstaten indien dat passend is dergelijke kortetermijnactieplannen opstellen.
Wanneer evenwel een risico bestaat dat de in bijlage XII, deel B, genoemde alarmdrempel voor ozon zal worden overschreden, stellen ⇨ mogen ⇦ de lidstaten ⇨ ervan afzien ⇦ dergelijke kortetermijnactieplannen ⇨ op te stellen ⇦ alleen op indien zij van oordeel zijn dat er, rekening houdend met de nationale geografische, meteorologische en economische omstandigheden, ⇨ geen ⇦ substantiële mogelijkheden bestaan om het risico, de duur of de ernst van een dergelijke overschrijding te verminderen. Wanneer zij een dergelijk kortetermijnactieplan opstellen, houden de lidstaten rekening met Beschikking 2004/279/EG.
2.
⌦ Bij het opstellen van de ⌫ De in lid 1 bedoelde kortetermijnactieplannen kunnen ⌦ de lidstaten ⌫, naar gelang van het geval, voorzien in effectieve maatregelen om activiteiten die bijdragen tot het risico op overschrijding van de respectieve grenswaarden, streefwaarden of alarmdrempels, te beheersen en indien nodig ⇨ tijdelijk ⇦ op te schorten. Deze ⇨ Afhankelijk van het aandeel van de belangrijkste bronnen van verontreiniging aan de aan te pakken overschrijdingen, kunnen die kortetermijn⇦actieplannen ⇨ eventueel ⇦ kunnen maatregelen ten aanzien van ⇨ vervoer ⇦ het verkeer van motorvoertuigen, bouwwerkzaamheden, voor anker liggende schepen en het gebruik van industriële installaties of ⇨ en het gebruik van ⇦ producten en de verwarming van woningen behelzen. In het kader van deze plannen ⇨ worden ⇦ kunnen ook specifieke acties voor de bescherming van ⇨ gevoelige bevolkingsgroepen en ⇦ kwetsbare bevolkingsgroepen, zoals kinderen, in overweging worden genomen.
⇩ nieuw
3. De lidstaten raadplegen het publiek, overeenkomstig Richtlijn 2003/35/EG, en de bevoegde autoriteiten die op grond van hun verantwoordelijkheden op het gebied van luchtverontreiniging en luchtkwaliteit waarschijnlijk bij de uitvoering van de kortetermijnactieplannen betrokken zullen zijn, over ontwerpkortetermijnactieplannen en alle belangrijke bijwerkingen daarvan voordat deze worden afgerond.
🡻 2008/50
⇨ nieuw
43.
Wanneer de lidstaten een kortetermijnactieplan hebben opgesteld, stellen zij de resultaten van hun onderzoeken betreffende de haalbaarheid en de inhoud van de specifieke kortetermijnactieplannen, alsmede gegevens over de uitvoering van die plannen, beschikbaar voor de bevolking en voor belanghebbende organisaties zoals milieuorganisaties, consumentenorganisaties, organisaties die de belangen van ⇨ gevoelige bevolkingsgroepen en ⇦ kwetsbare bevolkingsgroepen behartigen, andere relevante bij de gezondheidszorg betrokken organen en de belanghebbende vakverenigingen.
⇩ nieuw
5. De lidstaten dienen kortetermijnactieplannen binnen twee maanden na de vaststelling ervan in bij de Commissie.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
4.
De Commissie publiceert, voor het eerst uiterlijk 11 juni 2010, en daarna regelmatig voorbeelden van beste praktijken voor de opstelling van kortetermijnactieplannen., zoals voorbeelden van beste praktijken voor de bescherming van kwetsbare bevolkingsgroepen zoals kinderen.
Artikel 2125
Grensoverschrijdende luchtverontreiniging
1.
Wanneer ⇨ grensoverschrijdend transport van luchtverontreiniging vanuit één of meer lidstaten in aanzienlijke mate bijdraagt aan de overschrijding van ⇦ een alarmdrempel, grenswaarde, of streefwaarde ⌦ voor ozon ⌫, verhoogd met de toepasselijke overschrijdingsmarge, ⇨ gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichting of ⇦ ⌦ alarmdrempel ⌫ of een langetermijndoelstelling ten gevolge van aanzienlijk grensoverschrijdend transport van verontreinigende stoffen of de precursoren daarvan wordt overschreden, ⇨ in een andere lidstaat, stelt die laatste de lidstaat waaruit de luchtverontreiniging afkomstig is en de Commissie daarvan in kennis. ⇦
werken Dde betrokken lidstaten ⌦ werken ⌫ samen ⇨ om de bronnen van de luchtverontreiniging op te sporen en de maatregelen om die bronnen aan te pakken te bepalen ⇦ en ⌦ zij ⌫ ontplooien zij, indien passend, gezamenlijke activiteiten, zoals het opstellen van gezamenlijke of gecoördineerde luchtkwaliteitsplannen overeenkomstig artikel 1923, teneinde zulke overschrijdingen op te heffen door de uitvoering van passende maar evenredige maatregelen.
⇩ nieuw
De lidstaten reageren tijdig en uiterlijk drie maanden nadat een andere lidstaat hen overeenkomstig de eerste alinea in kennis heeft gesteld.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
2.
De Commissie wordt ⇨ in kennis gesteld van en ⇦ uitgenodigd om ⌦ aanwezig te zijn ⌫ bij ⌦ en haar medewerking te verlenen aan ⌫ de in lid 1 ⌦ van dit artikel ⌫ bedoelde samenwerkingsactiviteiten aanwezig te zijn en daaraan haar medewerking te verlenen. Indien opportuun onderzoekt de Commissie, rekening houdend met de uit hoofde van artikel 119 van Richtlijn (EU) 2016/22842001/81/EG opgestelde verslagen, of op ⌦ het niveau van de Unie ⌫ Gemeenschapsniveau nadere actie moet worden ondernomen om de voor de grensoverschrijdende verontreiniging verantwoordelijke uitstoot van precursoren te verminderen.
3.
Indien opportuun overeenkomstig artikel 2024 gaan de lidstaten over tot het opstellen en uitvoeren van gezamenlijke kortetermijnactieplannen die naburige zones in andere lidstaten bestrijken. De lidstaten zorgen ervoor, dat wanneer naburige zones in andere lidstaten kortetermijnactieplannen hebben ontwikkeld, zij alle relevante gegevens ⇨ over deze kortetermijnactieplannen onverwijld ⇦ ontvangen.
4.
Wanneer de informatiedrempel of alarmdrempels worden overschreden in zones of agglomeraties in de nabijheid van nationale grenzen, worden zo snel mogelijk gegevens ⌦ over die overschrijdingen ⌫ verstrekt aan de bevoegde ⌦ autoriteiten ⌫ instanties van de betrokken naburige lidstaten. Deze gegevens worden ook aan de bevolking ter beschikking gesteld.
5.
Bij het opstellen van plannen overeenkomstig de leden 1 en 3 en bij het verstrekken van informatie aan de bevolking overeenkomstig lid 4 streven de lidstaten, indien opportuun, naar samenwerking met derde landen en met name met kandidaat-lidstaten.
HOOFDSTUK V
INFORMATIE EN VERSLAGLEGGING
Artikel 2226
Mededeling van gegevens aan de bevolking
1.
De lidstaten zorgen ervoor, dat de bevolking alsook belanghebbende organisaties, zoals milieuorganisaties, consumentenorganisaties, organisaties die de belangen van kwetsbare ⇨ gevoelige ⇦ bevolkingsgroepen ⇨ en kwetsbare groepen ⇦ behartigen, andere bij de gezondheidszorg betrokken organen en de belanghebbende vakverenigingen adequaat en tijdig het volgende wordt meegedeeld:
a)de luchtkwaliteit, overeenkomstig ⇨ de punten 1 en 3 van ⇦ bijlage IXXVI;
🡻 2008/50
⇨ nieuw
b)de in artikel 1822, lid 1, bedoelde besluiten tot uitstel;
c) de vrijstellingen overeenkomstig artikel 22, lid 2;
c)d) de in artikel 1922, lid 1, en artikel 23 bedoelde luchtkwaliteitsplannen; en de in artikel 17, lid 2, bedoelde programma’s.
⇩ nieuw
d)de in artikel 20 bedoelde kortetermijnactieplannen;
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
e)2. De lidstaten stellen de bevolking jaarverslagen met betrekking tot alle onder deze richtlijn vallende verontreinigende stoffen ter beschikking.
Deze verslagen bevatten een samenvatting van de niveaus die de grenswaarden, streefwaarden, langetermijndoelstellingen, informatiedrempels en alarmdrempels gedurende de vastgestelde middelingstijden hebben overschreden. Deze gegevens gaan vergezeld van een beknopte beoordeling van de gevolgen van deze overschrijdingen ⇨ van grenswaarden, streefwaarden voor ozon, gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichtingen, informatiedrempels en alarmdrempels, in een beknopte beoordeling ⇦;. De verslagen kunnen ⇨de beknopte beoordeling omvat ⇦ in voorkomend geval nadere gegevens en beoordelingen met betrekking tot de bosbescherming omvatten, evenals gegevens over andere verontreinigende stoffen ⇨ die onder artikel 10 en bijlage VII vallen. ⇦ waarvoor in deze richtlijn bepalingen inzake bewaking zijn opgenomen, zoals onder andere diverse, niet-gereguleerde ozonprecursoren die in bijlage X, deel B, worden genoemd.
⇩ nieuw
2. De lidstaten voorzien in een luchtkwaliteitsindex die betrekking heeft op zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5) en ozon, maken die index openbaar toegankelijk en werken hem elk uur bij. In de luchtkwaliteitsindex wordt rekening gehouden met de aanbevelingen van de WHO en wordt voortgebouwd op de luchtkwaliteitsindexen op Europese schaal die door het Europees Milieuagentschap worden verstrekt.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
3. De lidstaten delen aan de bevolking mee welke bevoegde ⌦ autoriteiten ⌫ instanties of organen met de in artikel 53 bedoelde taken zijn belast.
4. De ⇨ in dit artikel bedoelde ⇦ gegevens worden kosteloos ter beschikking ⌦ van het publiek ⌫ gesteld via algemeen toegankelijke media ⇨ en communicatiekanalen ⇦ , waaronder het internet of andere geschikte vormen van telecommunicatie. Hierbij wordt rekening gehouden met de bepalingen van ⌦ overeenkomstig ⌫ Richtlijn 2007/2/EG ⇨ en Richtlijn (EU) 2019/1024 van het Europees Parlement en de Raad ⇦.
🡻 2004/107
Artikel 7
Mededeling van gegevens aan de bevolking
1.
De lidstaten zorgen ervoor dat voor het publiek en de in aanmerking komende organisaties zoals milieuorganisaties, consumentenorganisaties, organisaties die de belangen van kwetsbare bevolkingsgroepen behartigen en andere relevante instanties voor de gezondheidszorg, duidelijke en begrijpelijke informatie toegankelijk is en regelmatig ter beschikking wordt gesteld over de concentraties van arseen, cadmium, kwik, nikkel en benzo(a)pyreen en de overige in artikel 4, lid 8, bedoelde polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht, evenals over de depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel en benzo(a)pyreen en de overige in artikel 4, lid 8, bedoelde polycyclische aromatische koolwaterstoffen.
2.
In deze informatie worden ook de jaarlijkse overschrijdingen vermeld van de streefwaarden voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen, overeenkomstig bijlage I. De informatie vermeldt tevens de redenen voor de overschrijding en het gebied waarop deze van toepassing is. Voorts omvat de informatie een korte beoordeling in verband met de streefwaarde en passende gegevens over de gevolgen voor de gezondheid en over de milieueffecten.
Gegevens over eventuele maatregelen die genomen zijn krachtens artikel 3, worden beschikbaar gesteld aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde organisaties.
3.
De informatie wordt beschikbaar gesteld via bijvoorbeeld Internet, de pers en andere gemakkelijk toegankelijke media.
Artikel 5
Indiening van informatie en verslagen
1.
Met betrekking tot de zones en agglomeraties waar één van de streefwaarden van bijlage I wordt overschreden, verstrekken de lidstaten de volgende informatie aan de Commissie:
a)
de lijsten van de desbetreffende zones en agglomeraties,
b)
de overschrijdingsgebieden,
c)
de vastgestelde concentratiewaarden,
d)
de redenen voor de overschrijding en in het bijzonder de bronnen die ertoe bijdragen,
e)
de bevolking die wordt blootgesteld aan de overschrijding.
De lidstaten verstrekken verder alle gegevens die beoordeeld zijn overeenkomstig artikel 4, tenzij dit al is gebeurd uit hoofde van Beschikking 97/101/EG van de Raad van 27 januari 1997 tot invoering van een regeling voor de onderlinge uitwisseling van informatie over en gegevens van meetnetten en individuele meetstations voor luchtverontreiniging in de lidstaten
inzake de onderlinge uitwisseling van informatie.
De informatie wordt voor elk kalenderjaar uiterlijk op 30 september van het volgende jaar en de eerste keer voor het kalenderjaar volgend op 15 februari 2007.
2.
Naast de in lid 1 vermelde eisen rapporteren de lidstaten ook alle maatregelen die genomen zijn ingevolge artikel 3.
3.
De Commissie ziet erop toe dat alle informatie die krachtens lid 1 wordt verstrekt, onverwijld via de daartoe geëigende middelen, zoals internet, de pers en andere gemakkelijk toegankelijke mediaaan de bevolking beschikbaar wordt gesteld.
ê 219/2009 artikel 1 and bijlage, punt 3.8
4.
De Commissie stelt volgens de in artikel 6, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure gedetailleerde regelingen vast voor het indienen van de informatie die krachtens lid 1 van dit artikel dient te worden verstrekt.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
Artikel 2327
Indiening van informatie en verslagen
1.
De lidstaten zorgen ervoor, dat de Commissie gegevens over de luchtkwaliteit ter beschikking worden gesteld binnen de vereiste termijn ⇨ overeenkomstig de in lid 5 bedoelde uitvoeringshandelingen en ongeacht de naleving van de in bijlage V vastgestelde gegevenskwaliteitsdoelstellingen ⇦ als bepaald in de in artikel 28, lid 2, bedoelde uitvoeringsmaatregelen.
2.
Met het oog op het toetsen aan de grenswaarden, ⇨ de streefwaarden voor ozon, de gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichtingen en ⇦ de kritieke niveaus en de streefwaarden, worden dergelijke ⌦ de ⌫ ⇨ in lid 1 bedoelde ⇦ gegevens uiterlijk ⇨ vier ⇦ negen maanden na het einde van elk jaar ter beschikking van de Commissie gesteld en bevatten zij in elk geval:
a)de wijzigingen die dat jaar zijn aangebracht in de uit hoofde van artikel 64 opgestelde lijst en afbakening van zones en agglomeraties ⇨ of territoriale eenheden op het niveau NUTS 1 ⇦;
b)de lijst van zones en agglomeraties ⇨ en territoriale eenheden op het niveau NUTS 1 en de beoordeelde niveaus van verontreinigende stoffen. Voor zones ⇦ waarin de niveaus van een of meer verontreinigende stoffen hoger zijn dan de grenswaarden verhoogd, in voorkomend geval, met de overschrijdingsmarge, of hoger dan de streefwaarden of kritieke niveaus ⇨ en voor territoriale eenheden op het niveau NUTS 1 waar de niveaus van een of meer verontreinigende stoffen hoger zijn dan de streefwaarden of gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichtingen ⇦ , alsmede voor de desbetreffende zones en agglomeraties:
i)de beoordeelde niveaus en, in voorkomend geval, de data ⌦ waarop ⌫ en perioden waarin deze niveaus zijn geconstateerd;
ii)indien van toepassing, een beoordeling betreffende de bijdragen van natuurlijke bronnen en opgewervelde deeltjes na het strooien van zand en zout op de wegen in de winter aan de beoordeelde niveaus, zoals opgegeven aan de Commissie uit hoofde van de artikelen 16 en 1720 en 21.
3.
De leden 1 en 2 zijn van toepassing op informatie die is verzameld vanaf het begin van het tweede kalenderjaar na de inwerkingtreding van de in artikel 28, lid 2, bedoelde uitvoeringsmaatregelen.
3. De lidstaten delen de Commissie voorts, op voorlopige basis, ⇨ overeenkomstig lid 1 ⇦ gegevens mee over de geregistreerde niveaus en de duur van de periodes tijdens welke de alarmdrempel of de informatiedrempel is overschreden.
⇩ nieuw
4. De lidstaten verstrekken de Commissie binnen drie maanden nadat zij daarom zijn verzocht de in punt D van bijlage IV vermelde gegevens.
5. De Commissie stelt in voorkomend geval door middel van uitvoeringshandelingen maatregelen vast:
a)
betreffende de bijkomende gegevens die de lidstaten uit hoofde van dit artikel ter beschikking moeten stellen, alsook de termijn waarbinnen dergelijke gegevens moeten worden meegedeeld;
b)
betreffende manieren waarop het doen van verslag van de gegevens alsook de onderlinge uitwisseling van informatie en gegevens van netwerken en individuele bemonsteringspunten voor luchtverontreiniging in de lidstaten kunnen worden gestroomlijnd.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
HOOFDSTUK VI
GEDELEGEERDE HANDELINGEN EN UITVOERINGSHANDELINGEN
🡻 2008/50 (aangepast)
Artikel 2428
Uitvoeringsmaatregelen ⌦ Wijziging van de bijlagen ⌫
⇩ nieuw
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 25 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen II tot en met IX teneinde rekening te houden met technische en wetenschappelijke ontwikkelingen op het gebied van de beoordeling van de luchtkwaliteit, in luchtkwaliteitsplannen op te nemen gegevens en de mededeling van gegevens aan de bevolking.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
De maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, en die de bijlagen I tot en met VI, de bijlagen VIII tot en met X en bijlage XV betreffen, worden vastgesteld volgens de in artikel 29, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Deze wijzigingen mogen evenwel direct noch indirect resulteren in een wijziging van:
a)
de in bijlage IVII en de bijlagen XI tot en met XIV genoemde grenswaarden, ⇨ streefwaarden voor ozon ⇦ ⌦ en langetermijndoelstellingen ⌫ streefwaarden inzake vermindering van de blootstelling, kritieke niveaus, streefwaarden, informatie- of alarmdrempels ⌦ en informatiedrempels ⌫ ⇨ , gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichtingen en gemiddeldeblootstellingsconcentratiedoelstellingen ⇦ of langetermijndoelstellingen;
b)
de nalevingstermijnen voor de ⌦ in punt ⌫ onder a) genoemde parameters.
2.
De Commissie bepaalt overeenkomstig de in artikel 29, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure welke bijkomende gegevens de lidstaten uit hoofde van artikel 27 ter beschikking moeten stellen, alsook de termijn waarbinnen dergelijke gegevens moeten worden meegedeeld.
De Commissie geeft voorts overeenkomstig de in artikel 29, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure aan, op welke manieren het doen van verslag van de gegevens alsook de onderlinge uitwisseling van informatie en gegevens van netwerken en individuele meetstations voor luchtverontreiniging in de lidstaten kunnen worden gestroomlijnd.
3.
De Commissie stelt richtsnoeren op voor overeenkomsten over het inrichten van de in artikel 6, lid 5, bedoelde gemeenschappelijke meetstations.
4.
De Commissie publiceert richtsnoeren inzake het in bijlage VI, deel B, bedoelde aantonen van gelijkwaardigheid.
⇩ nieuw
Artikel 25
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1.
De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.
De in artikel 24 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van ... [de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].
3.
Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 24 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.
Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven.
5.
Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
Een overeenkomstig artikel 24 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
Artikel 2629
Comité⌦ procedure ⌫
1.
De Commissie wordt bijgestaan door een comité, ⌦ het ⌫ “Comité voor de luchtkwaliteit” genoemd. ⇨ Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011. ⇦
2.
Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG ⌦ is ⌫ ⇨ artikel 5 van Verordening (EU) 182/2011 ⇦ van toepassing , met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.
De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.
3.
Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.
🡻 2004/107
Artikel 6
Comité
1.
De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 12, lid 2, van Richtlijn 96/62/EG ingestelde comité.
2.
Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.
De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.
ê 219/2009 artikel 1 en bijlage, punt 3.8
3.
Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.
⇩ nieuw
HOOFDSTUK VII
TOEGANG TOT DE RECHTER, SCHADEVERGOEDING EN SANCTIES
Artikel 27
Toegang tot de rechter
1. De lidstaten zorgen ervoor dat, overeenkomstig hun nationale rechtsstelsel, de leden van het betrokken publiek in beroep kunnen gaan bij een rechtbank of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan om de materiële of formele rechtmatigheid van elk besluit, handelen of nalaten met betrekking tot de in artikel 19 bedoelde luchtkwaliteitsplannen en de in artikel 20 bedoelde kortetermijnactieplannen van de lidstaat aan te vechten, mits aan een of meer van de volgende voorwaarden is voldaan:
a) de leden van het publiek, namelijk één of meer natuurlijke of rechtspersonen en, in overeenstemming met de nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen, hebben een voldoende belang;
b) indien de toepasselijke wetgeving van de lidstaat dit als voorwaarde stelt, stellen de leden van het publiek dat inbreuk is gemaakt op een recht.
De lidstaten bepalen wat voldoende belang en inbreuk op een recht vormt, in overeenstemming met de doelstelling om het betrokken publiek ruime toegang tot de rechter te bieden.
Het belang van een niet-gouvernementele organisatie die deel uitmaakt van het betrokken publiek, wordt geacht voldoende te zijn in de zin van de eerste alinea, punt a). Tevens worden die organisaties geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van lid 1, punt b).
2. Het recht om deel te nemen aan de beroepsprocedure is niet afhankelijk van de rol die het lid van het betrokken publiek heeft gespeeld tijdens een inspraakfase van de besluitvormingsprocedures met betrekking tot artikel 19 of 20.
3. De beroepsprocedure moet eerlijk, billijk, tijdig en niet buitensporig kostbaar zijn, en voorzien in adequate en doeltreffende verhaalmechanismen, met inbegrip van een rechterlijk bevel waar zulks passend is.
4. Dit artikel belet de lidstaten niet een voorafgaande toetsingsprocedure voor een bestuursorgaan te vereisen en laten het vereiste onverlet dat de administratieve toetsingsprocedures doorlopen moeten zijn alvorens beroep bij een rechterlijke instantie kan worden ingesteld, voor zover een dergelijk vereiste geldt naar nationaal recht.
5. De lidstaten zorgen ervoor dat het publiek praktische informatie wordt verstrekt over de toegang tot de in dit artikel bedoelde administratieve en gerechtelijke beroepsprocedures.
Artikel 28
Vergoeding van schade aan de gezondheid van de mens
1. De lidstaten zorgen ervoor dat natuurlijke personen die gezondheidsschade lijden als gevolg van een schending van artikel 19, leden 1 tot en met 4, artikel 20, leden 1 en 2, artikel 21, lid 1, tweede alinea, en artikel 21, lid 3, van deze richtlijn door de bevoegde autoriteiten, recht hebben op schadevergoeding overeenkomstig dit artikel.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor de bescherming van de gezondheid van de mens of het milieu en die aan alle eisen krachtens het nationaal recht voldoen, natuurlijke personen zoals bedoeld in lid 1 mogen vertegenwoordigen en collectieve vorderingen voor schadevergoeding mogen instellen. De vereisten van artikel 10 en artikel 12, lid 1, van Richtlijn (EU) 2020/1828 zijn van overeenkomstige toepassing op dergelijke collectieve acties.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat een vordering tot schadevergoeding voor een schending slechts eenmaal kan worden ingesteld door een in lid 1 bedoelde natuurlijke persoon en door de in lid 2 bedoelde niet-gouvernementele organisaties die de persoon vertegenwoordigen. De lidstaten stellen regels vast om ervoor te zorgen dat de getroffen personen niet meer dan één keer een schadevergoeding ontvangen voor dezelfde vordering tegen dezelfde bevoegde autoriteit.
4. Wanneer een schadevordering wordt gestaafd met bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de in lid 1 bedoelde schending de meest plausibele verklaring is voor het ontstaan van de schade bij die persoon, wordt het oorzakelijke verband tussen de schending en het ontstaan van de schade voorondersteld.
De verwerende overheidsinstantie kan deze vooronderstelling weerleggen. De verweerder heeft met name het recht om de relevantie van het door de natuurlijke persoon aangevoerde bewijs en de plausibiliteit van de verstrekte uitleg te betwisten.
5. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regels en procedures in verband met eisen tot schadevergoeding, onder andere wat de bewijslast betreft, zodanig worden opgesteld en toegepast dat zij de uitoefening van het recht op vergoeding van schade krachtens lid 1 niet onmogelijk of buitensporig moeilijk maken.
6. De lidstaten zorgen ervoor dat de verjaringstermijnen voor het instellen van vorderingen voor schadevergoeding zoals bedoeld in lid 1 niet korter zijn dan vijf jaar. Dergelijke perioden beginnen pas te lopen wanneer de schending is beëindigd en de persoon die schadevergoeding eist, weet, of redelijkerwijs geacht kan worden te weten, dat hij of zij schade heeft geleden als gevolg van een schending zoals bedoeld in lid 1.
🡻 2004/107 (aangepast)
Artikel 9
Sancties
De lidstaten stellen de sancties vast die van toepassing zijn op inbreuken op de tot uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale voorschriften en nemen alle nodige maatregelen om te waarborgen dat zij worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
Artikel 2930
Sancties
⇨ 1.
Onverminderd de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad, ⇦ ⌦ stellen ⌫ Dde lidstaten stellen voorschriften vast inzake de bij overtredingen ⌦ schendingen ⌫ ⇨ door natuurlijke en rechtspersonen ⇦ van ingevolge deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen toe te passen sancties, en ⌦ zorgen zij ervoor dat die voorschriften ⌫ nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties ook worden toegepast. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. ⇨ De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van die voorschriften en van elke wijziging daarvan. ⇦
⇩ nieuw
2.
De in lid 1 bedoelde sancties omvatten boetes die evenredig zijn met de omzet van de rechtspersoon of met het inkomen van de natuurlijke persoon die de schending heeft begaan. Het niveau van de boetes wordt zo berekend dat zij de voor de schending verantwoordelijke persoon daadwerkelijk de economische voordelen ontnemen die uit die schending voortvloeien. In het geval van een door een rechtspersoon begane schending zijn dergelijke boetes evenredig aan de jaaromzet van de rechtspersoon in de betrokken lidstaat, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s).
3.
De lidstaten zorgen ervoor dat bij de in lid 1 bedoelde sancties, waar van toepassing, naar behoren rekening wordt gehouden met het volgende:
a)
de aard, de ernst, de omvang en de duur van de schending;
b)
de opzettelijke of nalatige aard van de schending;
c)
de bevolking, met inbegrip van gevoelige bevolkingsgroepen en kwetsbare groepen, of het milieu die/dat door de schending is getroffen, rekening houdend met de doelstelling om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu te bereiken;
d)
of de schending herhaaldelijk of eenmalig heeft plaatsgevonden.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
HOOFDSTUK VIII
COMITÉPROCEDURES EN OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 3031
Intrekking en overgangsbepalingen
1.
De Richtlijnen 96/62/EG, 1999/30/EG, 2000/69/EG en 2002/3/EG ⌦ 2004/107/EG en 2008/50/EG, zoals gewijzigd bij de in deel A van bijlage X vermelde richtlijnen, ⌫ worden met ingang van ⇨ [datum invoegen: één dag na het verstrijken van de termijn voor omzetting] ⇦ 11 juni 2010 ingetrokken. Deze intrekking laat de op de lidstaten rustende verplichtingen inzake de termijnen voor ⌦ de ⌫ omzetting ⌦ in nationaal recht ⌫ of toepassing van die ⌦ de in deel B van bijlage X vermelde ⌫ richtlijnen onverlet.
Met ingang van 11 juni 2008 evenwel, is het volgende van toepassing:
a)
artikel 12, lid 1, van Richtlijn 96/62/EG wordt vervangen door:
“1.
De gedetailleerde regelingen voor het verzenden van informatie, die volgens artikel 11 moet worden verstrekt, worden vastgesteld volgens de in lid 3 bedoelde procedure.”;
b)
in Richtlijn 1999/30/EG worden artikel 7, lid 7, voetnoot 1 in punt 1 van bijlage VIII en punt VI van bijlage IX geschrapt;
c)
in Richtlijn 2000/69/EG worden artikel 5, lid 7, en punt III van bijlage VII geschrapt;
d)
in Richtlijn 2002/3/EG worden artikel 9, lid 5, en punt II van bijlage VIII geschrapt.
2.
Ongeacht de eerste alinea van lid 1 blijven de volgende artikelen van toepassing:
a)
artikel 5 van Richtlijn 96/62/EG, tot 31 december 2010;
b)
artikel 11, lid 1, van Richtlijn 96/62/EG en artikel 10, leden 1, 2 en 3, van Richtlijn 2002/3/EG, tot het einde van het tweede kalenderjaar volgend op de inwerkingtreding van de in artikel 28, lid 2, bedoelde uitvoeringsmaatregelen;
c)
artikel 9, leden 3 en 4, van Richtlijn 1999/30/EG, tot 31 december 2009.
23.
Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen worden beschouwd als verwijzingen naar deze richtlijn, en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage XIXVII.
4.
Beschikking 97/101/EG wordt ingetrokken met ingang van het einde van het tweede kalenderjaar volgend op de datum van inwerkingtreding van de in artikel 28, lid 2, bedoelde uitvoeringsmaatregelen.
Het derde, vierde en vijfde streepje van artikel 7 van Beschikking 97/101/EG worden met ingang van 11 juni 2008 geschrapt.
🡻 2004/107 (aangepast)
Artikel 8
Rapportage en toetsing
1.
De Commissie brengt uiterlijk op 31 december 2010 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit op basis van:
a)
de bij de toepassing van deze richtlijn opgedane ervaring,
b)
inzonderheid, de resultaten van het meest recente wetenschappelijke onderzoek naar de gevolgen van de blootstelling aan arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen voor de gezondheid van de mens, waaronder met name de gezondheid van kwetsbare bevolkingsgroepen, en het milieu in zijn geheel, en
c)
de technologische ontwikkelingen, onder meer de vorderingen ten aanzien van de methoden om de concentratie en depositie van deze verontreinigende stoffen in de lucht te meten of anderszins te beoordelen.
2.
In het in lid 1 bedoelde verslag wordt rekening gehouden met:
a)
de huidige luchtkwaliteit, de tendensen en de ramingen tot het jaar 2015 en daarna;
b)
de mogelijkheden om de uitstoot van verontreinigende stoffen uit alle relevante bronnen verder terug te dringen, en met de vraag of het zin heeft om voor de in bijlage I genoemde verontreinigende stoffen grenswaarden in te voeren om de risico's voor de menselijke gezondheid te verminderen, rekening houdend met de technische haalbaarheid en de kosteneffectiviteit daarvan en eventuele daaruit voortvloeiende beduidende aanvullende bescherming van de gezondheid en het milieu;
c)
de verhouding tussen verontreinigende stoffen en de mogelijkheden voor gecombineerde strategieën om de doelstellingen van de Gemeenschap inzake de luchtkwaliteit en daaraan verwante doelstellingen te verbeteren;
d)
de huidige en toekomstige voorschriften inzake de voorlichting van het publiek en de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de Commissie;
e)
de ervaring die met de toepassing van deze richtlijn in de lidstaten is opgedaan met name met de in bijlage III vastgestelde omstandigheden waaronder de metingen zijn uitgevoerd.
f)
bijkomende economische voordelen voor het milieu en de gezondheid in termen van vermindering van de uitstoot van arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen, voor zover deze kunnen worden beoordeeld;
g)
de adequaatheid van de voor bemonstering gebruikte kleine-deeltjesfractie met het oog op algemene meetvoorschriften voor deeltjes;
h)
de geschiktheid van benzo(a)pyreen als marker voor de totale carcinogene werking van polycyclische aromatische koolwaterstoffen, gelet op de voornamelijk gasvormige vormen van polycyclische aromatische koolwaterstoffen zoals fluorantheen.
In het licht van de meest recente ontwikkelingen van de wetenschap en techniek onderzoekt de Commissie in het bijzonder het effect van arseen, cadmium en nikkel op de gezondheid van de mens met het oog op het kwantificeren van de genotoxische carcinogeniteit ervan. Rekening houdend met de maatregelen die zijn aangenomen in het kader van de kwikstrategie, bekijkt de Commissie ook of het zin heeft verdere maatregelen te nemen in verband met kwik, rekening houdend met de technische haalbaarheid en de kosteneffectiviteit en eventuele daaruit voortvloeiende beduidende aanvullende bescherming van de gezondheid en het milieu.
3.
Teneinde luchtconcentraties te bereiken die de schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens verder beperken en leiden tot een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel, en gelet op de economische en technische haalbaarheid van verdere maatregelen, kan het in lid 1 bedoelde verslag, waar dienstig, vergezeld gaan van voorstellen tot wijziging van deze richtlijn, waarbij in het bijzonder rekening zou moeten worden gehouden met de uit hoofde van lid 2 bekomen resultaten. Daarnaast zal de Commissie de regulering van de depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel en bepaalde polycyclische aromatische koolwaterstoffen overwegen.
🡻 2008/50 (aangepast)
Artikel 32
Evaluatie
1.
De Commissie zal in 2013 de bepalingen met betrekking tot PM2,5 en, waar van toepassing, andere verontreinigende stoffen, opnieuw onderzoeken, en bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel indienen.
Wat PM2,5 betreft, zal de evaluatie worden verricht met het oog op de vaststelling van juridisch bindende nationale verplichtingen inzake blootstellingsvermindering ter vervanging van de in artikel 15 bedoelde nationale streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling en de evaluatie van de blootstellingsconcentratieverplichting, met inachtneming van onder meer de volgende elementen:
- de meest recente wetenschappelijke informatie van de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) en andere relevante organisaties;
- de luchtkwaliteitssituaties en de verminderingsmogelijkheden in de lidstaten;
- de herziening van Richtlijn 2001/81/EG;
- de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van communautaire verminderingsmaatregelen voor verontreinigende stoffen.
2.
De Commissie houdt rekening met de haalbaarheid van een ambitieuzere grenswaarde voor PM2.5, evalueert de indicatieve grenswaarde van de tweede fase voor PM2,5, en beoordeelt of die waarde blijft gehandhaafd of wordt gewijzigd.
3.
Als onderdeel van de evaluatie stelt de Commissie tevens een verslag op over de ervaringen bij en de noodzaak van het toezicht op PM10 en PM2,5, rekening houdend met de technische vooruitgang bij de automatische metingstechnieken. In voorkomend geval zullen nieuwe referentiemethoden voor de meting van PM10 en PM2,5 worden voorgesteld.
🡻 2004/107
Artikel 10
Uitvoering
1.
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 15 februari 2007 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie hiervan onverwijld in kennis.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2.
De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van nationaal recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
🡻 2008/50 (aangepast)
⇨ nieuw
Artikel 3133
Omzetting
1.
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk ⇨ op [datum invoegen: twee jaar na de inwerkingtreding] ⇦ 11 juni 2010 aan deze richtlijn ⌦ de artikelen 1, 2 en 3, artikel 4, punten 2, 13, 14, 16, 18, 19, 21, 22, 24 tot en met 30, 36, 37, 38 en 39, de artikelen 5 tot en met 12, artikel 13, leden 1, 2, 3, 6 en 7, artikel 15, artikel 16, leden 1 en 2, de artikelen 17 tot en met 21, artikel 22, leden 1, 2 en 4, de artikelen 23 tot en met 29 en de bijlage I tot en met IX ⌫ te voldoen.
Wanneer de lidstaten die ⌦ de in dit lid bedoelde ⌫ bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. ⌦ In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijnen, gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. De regels voor die verwijzing en de formulering van die vermelding worden vastgesteld door de lidstaten. ⌫ De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2.
De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van nationaal ⌦ intern ⌫ recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 3234
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de ⌦ twintigste ⌫ dag ⌦ na die ⌫ van haar ⌦ de ⌫ bekendmaking ⌦ ervan ⌫ in het Publicatieblad van de Europese Unie.
⇩ nieuw
Artikel 4, leden 1 en 3 tot en met 12, artikel 4, leden 15, 17, 20, 23 en 31 tot en met 35, artikel 13, leden 4 en 5, artikel 14, artikel 16, lid 3, en artikel 22, lid 3, zijn van toepassing met ingang van [de dag na de in artikel 31, lid 1, eerste alinea, vermelde datum].
🡻 2008/50
Artikel 3335
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel,
Voor het Europees Parlement
Voor de Raad
De voorzitter
De voorzitter
EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 26.10.2022
COM(2022) 542 final
BIJLAGEN
bij
Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad
betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (herschikking)
{SEC(2022) 542 final} - {SWD(2022) 345 final} - {SWD(2022) 542 final} - {SWD(2022) 545 final}
⇩ nieuw
BIJLAGE I
LUCHTKWALITEITSNORMEN
Afdeling 1 — Grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens
Tabel 1 — Grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens die uiterlijk op 1 januari 2030 moeten zijn bereikt
|
Middelingstijd
|
Grenswaarde
|
|
|
PM2,5
|
|
|
|
1 dag
|
25 μg/m3
|
mag niet vaker dan 18 keer per kalenderjaar worden overschreden
|
|
Kalenderjaar
|
10 µg/m³
|
|
|
PM10
|
|
|
|
1 dag
|
45 μg/m3
|
mag niet vaker dan 18 keer per kalenderjaar worden overschreden
|
|
Kalenderjaar
|
20 μg/m3
|
|
|
Stikstofdioxide (NO2)
|
|
1 uur
|
200 μg/m3
|
mag niet vaker dan één keer per kalenderjaar worden overschreden
|
|
1 dag
|
50 µg/m3
|
mag niet vaker dan 18 keer per kalenderjaar worden overschreden
|
|
Kalenderjaar
|
20 μg/m3
|
|
|
Zwaveldioxide (SO2)
|
|
1 uur
|
350 μg/m3
|
mag niet vaker dan één keer per kalenderjaar worden overschreden
|
|
1 dag
|
50 μg/m3
|
mag niet vaker dan 18 keer per kalenderjaar worden overschreden
|
|
Kalenderjaar
|
20 μg/m3
|
|
|
Benzeen
|
|
|
|
Kalenderjaar
|
3,4 μg/m3
|
|
|
Koolmonoxide (CO)
|
|
Hoogste 8-uurgemiddelde
van een dag(1)
|
10 mg/m3
|
|
|
1 dag
|
4 mg/m3
|
mag niet vaker dan 18 keer per kalenderjaar worden overschreden
|
|
Lood (Pb)
|
|
|
|
Kalenderjaar
|
0,5 μg/m3
|
|
|
Arseen (As)
|
|
|
|
Kalenderjaar
|
6,0 ng/m³
|
|
|
Cadmium (Cd)
|
|
|
|
Kalenderjaar
|
5,0 ng/m³
|
|
|
Nikkel (Ni)
|
|
|
|
Kalenderjaar
|
20 ng/m³
|
|
|
Benzo(a)pyreen
|
|
|
|
Kalenderjaar
|
1,0 ng/m³
|
|
|
(1)De hoogste 8-uurgemiddelde concentratie per dag wordt bepaald door analyse van de voortschrijdende gemiddelden over perioden van 8 uur, die ieder uur worden berekend op basis van de uurwaarden. Elk aldus berekend gemiddelde over 8 uur telt voor de dag waarop de periode van 8 uur eindigt, d.w.z. dat de eerste berekeningsperiode voor een bepaalde dag loopt van 17.00 uur op de dag daarvoor tot 1.00 uur op die dag; de laatste berekeningsperiode loopt van 16.00 uur tot 24.00 uur op die dag.
|
Tabel 2 — Grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens die uiterlijk op [UITERLIJKE DATUM VOOR OMZETTING INVOEGEN] moeten zijn bereikt
|
Middelingstijd
|
Grenswaarde
|
|
|
PM2,5
|
|
|
|
Kalenderjaar
|
25 µg/m³
|
|
|
PM10
|
|
|
|
1 dag
|
50 μg/m3
|
mag niet vaker dan 35 keer per kalenderjaar worden overschreden
|
|
Kalenderjaar
|
40 μg/m3
|
|
|
Stikstofdioxide (NO2)
|
|
1 uur
|
200 μg/m3
|
mag niet vaker dan 18 keer per kalenderjaar worden overschreden
|
|
Kalenderjaar
|
40 μg/m3
|
|
|
Zwaveldioxide (SO2)
|
|
1 uur
|
350 μg/m3
|
mag niet vaker dan 24 keer per kalenderjaar worden overschreden
|
|
1 dag
|
125 μg/m3
|
mag niet vaker dan 3 keer per kalenderjaar worden overschreden
|
|
Benzeen
|
|
|
|
Kalenderjaar
|
5 μg/m3
|
|
|
Koolmonoxide (CO)
|
|
Hoogste 8-uurgemiddelde
van een dag(1)
|
10 mg/m3
|
|
|
Lood (Pb)
|
|
|
|
Kalenderjaar
|
0,5 μg/m3
|
|
|
Arseen (As)
|
|
|
|
Kalenderjaar
|
6,0 ng/m³
|
|
|
Cadmium (Cd)
|
|
|
|
Kalenderjaar
|
5,0 ng/m³
|
|
|
Nikkel (Ni)
|
|
|
|
Kalenderjaar
|
20 ng/m³
|
|
|
Benzo(a)pyreen
|
|
|
|
Kalenderjaar
|
1,0 ng/m³
|
|
|
(1)De hoogste 8-uurgemiddelde concentratie per dag wordt bepaald door analyse van de voortschrijdende gemiddelden over perioden van 8 uur, die ieder uur worden berekend op basis van de uurwaarden. Elk aldus berekend gemiddelde over 8 uur telt voor de dag waarop de periode van 8 uur eindigt, d.w.z. dat de eerste berekeningsperiode voor een bepaalde dag loopt van 17.00 uur op de dag daarvoor tot 1.00 uur op die dag; de laatste berekeningsperiode loopt van 16.00 uur tot 24.00 uur op die dag.
|
Afdeling 2 — Streefwaarden en langetermijndoelstellingen voor ozon
A.
Definities en criteria
De geaccumuleerde blootstelling aan ozon boven een drempel van 40 deeltjes per miljard (AOT40), uitgedrukt in “(μg/m3) × uur”, staat voor het gesommeerde verschil tussen de uurconcentraties boven 80 μg/m3 (= 40 deeltjes per miljard) en 80 μg/m3 over een bepaalde periode, waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van de uurwaarden die elke dag tussen 8.00 uur en 20.00 uur Midden-Europese tijd worden gemeten.
B.
Streefwaarden voor ozon
|
Onderwerp
|
Middelingstijd
|
Streefwaarde
|
|
|
Bescherming van de gezondheid van de mens
|
Hoogste 8-uurgemiddelde van een dag(1)
|
120 μg/m3
|
mag, gemiddeld over drie jaar, niet vaker dan 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden
|
|
Bescherming van het milieu
|
Mei tot en met juli
|
AOT40 (berekend op basis van uurwaarden)
|
18 000 μg/m3 × u gemiddeld over 5 jaar
|
|
(1) De hoogste 8-uurgemiddelde concentratie per dag wordt bepaald door analyse van de voortschrijdende gemiddelden over perioden van 8 uur, die ieder uur worden berekend op basis van de uurwaarden. Elk aldus berekend gemiddelde over 8 uur telt voor de dag waarop de periode van 8 uur eindigt, d.w.z. dat de eerste berekeningsperiode voor een bepaalde dag loopt van 17.00 uur op de dag daarvoor tot 1.00 uur op die dag; de laatste berekeningsperiode loopt van 16.00 uur tot 24.00 uur op die dag.
|
C.
Langetermijndoelstellingen voor ozon (O3)
|
Onderwerp
|
Middelingstijd
|
Langetermijndoelstelling
|
|
Bescherming van de gezondheid van de mens
|
Hoogste 8-uurgemiddelde van een dag gedurende een kalenderjaar
|
100 μg/m3(1)
|
|
|
Bescherming van de vegetatie
|
Mei tot en met juli
|
AOT40 (berekend op basis van uurwaarden)
|
6 000 μg/m3 × u
|
|
(1) 99e percentiel (d.w.z. drie dagen met een overschrijding per jaar).
|
Afdeling 3 — Kritieke niveaus voor de bescherming van de vegetatie en de natuurlijke ecosystemen
|
Middelingstijd
|
Kritiek niveau
|
|
Zwaveldioxide (SO2)
|
|
Kalenderjaar en winterseizoen (1 oktober tot en met 31 maart)
|
20 μg/m3
|
|
Stikstofoxiden (NOx)
|
|
Kalenderjaar
|
30 μg/m3 NOx
|
Afdeling 4 — Alarmdrempels en informatiedrempels
A.
Alarmdrempels voor andere verontreinigende stoffen dan ozon
Meting gedurende drie opeenvolgende uren voor zwaveldioxide en stikstofdioxide en gedurende drie opeenvolgende dagen voor PM10 en PM2,5, op plaatsen die representatief zijn voor de luchtkwaliteit boven minimaal 100 km² of boven een volledige zone indien deze een kleinere oppervlakte beslaat.
|
Verontreinigende stof
|
Alarmdrempel
|
|
Zwaveldioxide (SO2)
|
500 μg/m3
|
|
Stikstofdioxide (NO2)
|
400 μg/m3
|
|
PM2,5
|
50 μg/m3
|
|
PM10
|
90 μg/m3
|
B.
Informatiedrempel en alarmdrempel voor ozon
|
Doel
|
Middelingstijd
|
Drempel
|
|
Informatie
|
1 uur
|
180 μg/m3
|
|
Alarm
|
1 uur(1)
|
240 μg/m3
|
|
(1)Voor de toepassing van artikel 20 moet gedurende drie opeenvolgende uren een overschrijding van de drempelwaarde worden gemeten of voorspeld.
|
Afdeling 5 — Gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichting voor PM2,5 en NO2
A.
Gemiddelde-blootstellingsindex
De in μg/m3 uitgedrukte gemiddelde-blootstellingsindex (GBI) wordt gebaseerd op metingen op stedelijkeachtergrondlocaties in over het hele grondgebied van de lidstaat verspreide territoriale eenheden op het niveau NUTS 1. De GBI wordt uitgedrukt als het over drie kalenderjaren berekende voortschrijdend gemiddelde van de jaargemiddelden van de concentraties die op alle overeenkomstig deel B van bijlage III in elke territoriale eenheid op het niveau NUTS 1 ingerichte bemonsteringspunten voor de desbetreffende verontreinigende stof zijn gemeten. De GBI voor een bepaald jaar is de gemiddelde concentratie over dat jaar en de twee voorgaande jaren.
Wanneer de lidstaten overschrijdingen vaststellen die aan natuurlijke bronnen toe te schrijven zijn, worden de bijdragen van natuurlijke bronnen afgetrokken voordat de GBI wordt berekend.
De GBI wordt gebruikt om na te gaan of aan de gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichting is voldaan.
B.
Gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichtingen
Vanaf 2030 mag de GBI geen niveau overschrijden dat:
–voor PM2,5, 25 % lager ligt dan de GBI tien jaar eerder, tenzij het al niet hoger ligt dan de in afdeling C vastgestelde gemiddeldeblootstellingsconcentratiedoelstelling voor PM2,5;
–voor NO2, 25 % lager ligt dan de GBI tien jaar eerder, tenzij het al niet hoger ligt dan de in afdeling C vastgestelde gemiddeldeblootstellingsconcentratiedoelstelling voor NO2.
C.
Gemiddeldeblootstellingsconcentratiedoelstellingen
De gemiddeldeblootstellingsconcentratiedoelstelling is het volgende GBI-niveau:
|
Verontreinigende stof
|
Gemiddeldeblootstellingsconcentratiedoelstelling
|
|
PM2,5
|
GBI = 5 µg/m3
|
|
NO2
|
GBI = 10 µg/m3
|
BIJLAGE II
Beoordelingsdrempels
Afdeling 1 — Beoordelingsdrempels voor de bescherming van de gezondheid
|
Verontreinigende stof
|
Beoordelingsdrempel (jaargemiddelde, tenzij gespecificeerd)
|
|
PM2,5
|
5 µg/m3
|
|
PM10
|
15 µg/m3
|
|
Stikstofdioxide (NO2)
|
10 µg/m3
|
|
Zwaveldioxide (SO2)
|
40 µg/m³ (24-uurgemiddelde)(1)
|
|
Benzeen
|
1,7 µg/m3
|
|
Koolmonoxide (CO)
|
4 mg/m³ (24-uurgemiddelde)(1)
|
|
Lood (Pb)
|
0,25 µg/m3
|
|
Arseen (As)
|
3,0 ng/m3
|
|
Cadmium (Cd)
|
2,5 ng/m3
|
|
Nikkel (Ni)
|
10 ng/m3
|
|
Benzo(a)pyreen
|
0,12 ng/m3
|
|
Ozon (O3)
|
100 µg/m³ (hoogste 8-uurgemiddelde)(1)
|
|
(1) 99e percentiel (d.w.z. drie dagen met een overschrijding per jaar).
|
Afdeling 2 — Beoordelingsdrempels voor de bescherming van de vegetatie en de natuurlijke ecosystemen
|
Verontreinigende stof
|
Beoordelingsdrempel (jaargemiddelde, tenzij gespecificeerd)
|
|
Zwaveldioxide (SO2)
|
8 μg/m3 (gemiddelde tussen 1 oktober en 31 maart)
|
|
Stikstofoxiden (NOx)
|
19,5 μg/m3
|
BIJLAGE III
Minimumaantal bemonsteringspunten voor vaste metingen
A.
Minimumaantal bemonsteringspunten voor vaste metingen om de naleving te beoordelen van grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens, streefwaarden voor ozon, langetermijndoelstellingen, informatiedrempels en alarmdrempels
1. Diffuse bronnen
Tabel 1 — Minimumaantal bemonsteringspunten voor vaste metingen om de naleving te beoordelen van grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens en alarmdrempels in zones waar vaste metingen de enige bron van gegevens zijn (voor alle verontreinigende stoffen behalve ozon)
|
Bevolking van de zone (× 1 000)
|
Minimumaantal bemonsteringspunten wanneer de concentraties de beoordelingsdrempel overschrijden
|
|
|
NO2, SO2, CO, benzeen
|
Som
PM
|
Minimum PM10
|
Minimum PM2,5
|
Pb, Cd, As, Ni
in PM10
|
Benzo(a)pyreen in PM10
|
|
0 - 249
|
2
|
4
|
2
|
2
|
1
|
1
|
|
250 - 499
|
2
|
4
|
2
|
2
|
1
|
1
|
|
500 - 749
|
2
|
4
|
2
|
2
|
1
|
1
|
|
750 - 999
|
3
|
4
|
2
|
2
|
2
|
2
|
|
1 000 - 1 499
|
4
|
6
|
2
|
2
|
2
|
2
|
|
1 500 - 1 999
|
5
|
7
|
3
|
3
|
2
|
2
|
|
2 000 - 2 749
|
6
|
8
|
3
|
3
|
2
|
3
|
|
2 750 - 3 749
|
7
|
10
|
4
|
4
|
2
|
3
|
|
3 750 - 4 749
|
8
|
11
|
4
|
4
|
3
|
4
|
|
4 750 - 5 999
|
9
|
13
|
5
|
5
|
4
|
5
|
|
6 000 +
|
10
|
15
|
5
|
5
|
5
|
5
|
|
|
Tabel 2 — Minimumaantal bemonsteringspunten voor vaste metingen om de naleving te beoordelen van streefwaarden voor ozon, langetermijndoelstellingen en informatie- en alarmdrempels waar vaste metingen de enige bron van gegevens zijn (uitsluitend voor ozon)
|
Bevolking
(× 1 000)
|
Minimumaantal bemonsteringspunten indien het aantal bemonsteringspunten met maximaal 50 % wordt verminderd(1)
|
|
< 250
|
1
|
|
< 500
|
2
|
|
< 1 000
|
2
|
|
< 1 500
|
3
|
|
< 2 000
|
4
|
|
< 2 750
|
5
|
|
< 3 750
|
6
|
|
≥ 3 750
|
1 extra bemonsteringspunt per 2 miljoen inwoners
|
|
(1)Ten minste 1 bemonsteringspunt in gebieden waar de bevolking vermoedelijk aan de hoogste ozonconcentraties wordt blootgesteld. In agglomeraties moet ten minste 50 % van de bemonsteringspunten zich in voorstedelijk gebied bevinden.
|
Tabel 3 — Minimumaantal bemonsteringspunten voor vaste metingen om de naleving te beoordelen van grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens en alarmdrempels in zones waar een vermindering met 50 % van die metingen wordt toegepast (voor alle verontreinigende stoffen behalve ozon)
|
Bevolking van de zone (× 1 000)
|
Minimumaantal bemonsteringspunten indien het aantal bemonsteringspunten met maximaal 50 % wordt verminderd
|
|
|
NO2, SO2, CO, benzeen
|
Som
PM
|
Minimum PM10
|
Minimum PM2,5
|
Pb, Cd, As, Ni
in PM10
|
Benzo(a)pyreen in PM10
|
|
0 - 249
|
1
|
2
|
1
|
1
|
1
|
1
|
|
250 - 499
|
1
|
2
|
1
|
1
|
1
|
1
|
|
500 - 749
|
1
|
2
|
1
|
1
|
1
|
1
|
|
750 - 999
|
2
|
2
|
1
|
1
|
1
|
1
|
|
1 000 - 1 499
|
2
|
3
|
1
|
1
|
1
|
1
|
|
1 500 - 1 999
|
3
|
4
|
2
|
2
|
1
|
1
|
|
2 000 - 2 749
|
3
|
4
|
2
|
2
|
1
|
2
|
|
2 750 - 3 749
|
4
|
5
|
2
|
2
|
1
|
2
|
|
3 750 - 4 749
|
4
|
6
|
2
|
2
|
2
|
2
|
|
4 750 - 5 999
|
5
|
7
|
3
|
3
|
2
|
3
|
|
6 000 +
|
5
|
8
|
3
|
3
|
3
|
3
|
|
|
Tabel 4 — Minimumaantal bemonsteringspunten voor vaste metingen om de naleving te beoordelen van streefwaarden voor ozon, langetermijndoelstellingen en informatie- en alarmdrempels in zones waar een vermindering met 50 % van die metingen wordt toegepast (uitsluitend voor ozon)
|
Bevolking van de zone
(× 1 000)
|
Minimumaantal bemonsteringspunten indien het aantal bemonsteringspunten met maximaal 50 % wordt verminderd(1)
|
|
< 250
|
1
|
|
< 500
|
1
|
|
< 1 000
|
1
|
|
< 1 500
|
2
|
|
< 2 000
|
2
|
|
< 2 750
|
3
|
|
< 3 750
|
3
|
|
≥ 3 750
|
1 extra bemonsteringspunt per 4 miljoen inwoners
|
|
(1)Ten minste 1 bemonsteringspunt in gebieden waar de bevolking vermoedelijk aan de hoogste ozonconcentraties wordt blootgesteld. In agglomeraties moet ten minste 50 % van de bemonsteringspunten zich in voorstedelijk gebied bevinden.
|
Voor elke zone omvat het in de tabellen in dit punt vermelde minimumaantal bemonsteringspunten voor vaste metingen ten minste één bemonsteringspunt op een achtergrondlocatie en één bemonsteringspunt in het gebied met de hoogste concentraties overeenkomstig bijlage IV, punt B, mits hierdoor het aantal bemonsteringspunten niet wordt verhoogd. Voor stikstofdioxide, zwevende deeltjes, benzeen en koolmonoxide moet dit ten minste één bemonsteringspunt omvatten dat is gericht op het meten van de bijdrage van vervoersemissies. Wanneer echter slechts één bemonsteringspunt vereist is, moet dit zich bevinden in het gebied met de hoogste concentraties waaraan de bevolking rechtstreeks of onrechtstreeks kan worden blootgesteld.
Voor stikstofdioxide, zwevende deeltjes, benzeen en koolmonoxide mogen voor elke zone het totale aantal bemonsteringspunten op stedelijke achtergrondlocaties en het vereiste totale aantal bemonsteringspunten waar de hoogste concentraties voorkomen, met niet meer dan een factor 2 verschillen. Het aantal bemonsteringspunten voor PM2,5 en stikstofdioxide op de stedelijkeachtergrondlocaties moet aan de voorschriften van punt B voldoen.
2. Puntbronnen
Voor de beoordeling van de verontreiniging in de omgeving van puntbronnen moet het aantal bemonsteringspunten voor vaste metingen worden berekend met inachtneming van de emissiedichtheid, de waarschijnlijke distributiepatronen van de luchtverontreiniging en de mogelijke blootstelling van de bevolking. Die bemonsteringspunten moeten zodanig worden gekozen dat de toepassing van de beste beschikbare technieken (BBT) zoals gedefinieerd in Richtlijn 2010/75/EU kan worden gemonitord.
B.
Minimumaantal bemonsteringspunten voor vaste metingen om te beoordelen of de gemiddeldeblootstellingsverminderingsverplichtingen voor PM2,5 en NO2 met het oog op de bescherming van de gezondheid van de mens worden nageleefd
Voor dit doel wordt voor PM2,5 en NO2 telkens één bemonsteringspunt per NUTS 1-regio zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 1059/2003 en telkens ten minste één bemonsteringspunt per miljoen inwoners berekend aan de hand van stedelijke gebieden met meer dan 100 000 inwoners gebruikt. Deze bemonsteringspunten kunnen samenvallen met de in punt A bedoelde bemonsteringspunten.
C.
Minimumaantal bemonsteringspunten voor vaste metingen om de naleving van de kritieke niveaus en de langetermijndoelstellingen voor ozon te beoordelen
1. Kritieke niveaus voor de bescherming van vegetatie en natuurlijke ecosystemen
|
Wanneer de maximumconcentraties de kritieke niveaus overschrijden
|
1 bemonsteringspunt per 20 000 km²
|
|
Wanneer de maximumconcentraties de beoordelingsdrempel overschrijden
|
1 bemonsteringspunt per 40 000 km²
|
In eilandzones moet het aantal bemonsteringspunten voor vaste metingen worden berekend met inachtneming van de waarschijnlijke distributiepatronen van de luchtverontreiniging en de mogelijke blootstelling van de vegetatie.
2. Langetermijndoelstelling voor de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu voor ozon
Voor achtergrondmetingen op het platteland moeten de lidstaten zorgen voor ten minste één bemonsteringspunt per 50 000 km² als gemiddelde dichtheid voor alle zones van het land. Voor gebieden met een complexe topografie wordt één bemonsteringspunt per 25 000 km² aanbevolen.
D.
Minimumaantal bemonsteringspunten voor vaste metingen van ultrafijne deeltjes met hoge concentraties
Ultrafijne deeltjes worden op geselecteerde locaties gemonitord, naast andere luchtverontreinigende stoffen. Bemonsteringspunten voor de monitoring van ultrafijne deeltjes vallen in voorkomend geval samen met de in punt A bedoelde bemonsteringspunten voor zwevende deeltjes of stikstofdioxide en worden gekozen overeenkomstig punt 3 van bijlage VII. Daartoe moet ten minste één bemonsteringspunt per vijf miljoen inwoners worden ingericht op een locatie waar hoge concentraties van ultrafijne deeltjes kunnen voorkomen. Lidstaten met minder dan vijf miljoen inwoners richten ten minste één vast bemonsteringspunt in op een locatie waar hoge concentraties van ultrafijne deeltjes kunnen voorkomen.
Overeenkomstig artikel 10 ingerichte monitoringsupersites op stedelijkeachtergrond- of plattelandsachtergrondlocaties worden niet in aanmerking genomen om te voldoen aan de hier vastgestelde eisen inzake het minimumaantal bemonsteringspunten voor ultrafijne deeltjes.
BIJLAGE IV
Beoordeling van de luchtkwaliteit
en locatie van de bemonsteringspunten
A.
Algemeen
De luchtkwaliteit wordt in alle zones als volgt beoordeeld:
1.De luchtkwaliteit wordt beoordeeld op alle locaties behalve op die welke in punt 2 worden vermeld.
De punten B en C zijn van toepassing op de locatie van de bemonsteringspunten. Voor zover de beginselen van de punten B en C relevant zijn voor het in kaart brengen van de specifieke locaties waar de concentratie van de desbetreffende verontreinigende stoffen wordt vastgesteld, zijn zij ook van toepassing wanneer de luchtkwaliteit wordt beoordeeld door middel van indicatieve metingen of modellering.
2.Op de volgende locaties vindt geen beoordeling plaats van de naleving van de grenswaarden met het oog op de bescherming van de gezondheid van de mens:
a)
locaties die zich bevinden in gebieden waartoe leden van het publiek geen toegang hebben en waar geen vaste bewoning is;
b)
overeenkomstig artikel 4, lid 1, op bedrijfsterreinen of industrieterreinen waarvoor alle relevante bepalingen inzake gezondheid en veiligheid op het werk gelden;
c)
op de rijbaan van wegen; en op de middenberm van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang tot de middenberm hebben.
B.
Situering van de bemonsteringspunten op macroschaal
1.Informatie
Voor de situering van bemonsteringspunten wordt rekening gehouden met nationale rastergegevens van emissies die zijn gerapporteerd uit hoofde van Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad en met emissiegegevens die zijn gerapporteerd in het kader van het Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen.
2.Bescherming van de gezondheid van de mens
a)
De bemonsteringspunten met het oog op de bescherming van de gezondheid van de mens moeten zich op een zodanige plaats bevinden dat gegevens worden verkregen over elk van de volgende aspecten:
i) de concentratieniveaus in de gebieden binnen zones met de hoogste concentraties waaraan de bevolking rechtstreeks of onrechtstreeks kan worden blootgesteld gedurende een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de grenswaarde(n) niet verwaarloosbaar is;
ii) de concentratieniveaus in andere gebieden binnen de zones die representatief zijn voor de blootstelling van de bevolking als geheel, en
iii) voor arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen, de deposities die de onrechtstreekse blootstelling van de bevolking via de voedselketen weergeven;
b)
de bemonsteringspunten moeten zich in het algemeen op een zodanige plaats bevinden dat meting van micromilieus in de nabije omgeving van een bemonsteringspunt wordt voorkomen, wat betekent dat een bemonsteringspunt zich op een zodanige plaats moet bevinden dat de bemonsterde lucht representatief is voor de luchtkwaliteit van een straatsegment met een lengte van minimaal 100 m op locaties waar de bijdrage van het wegverkeer wordt gemeten en van minimaal 250 m × 250 m op locaties waar de bijdrage van industrieterreinen of andere bronnen, zoals havens of luchthavens, wordt gemeten, indien haalbaar;
c)
stedelijkeachtergrondlocaties moeten zich op een zodanige plaats bevinden dat het verontreinigingsniveau ervan wordt beïnvloed door de geïntegreerde bijdrage van alle bronnen die bovenwinds ten opzichte van het bemonsteringspunt liggen. Het verontreinigingsniveau mag niet door één enkele bron worden overheerst, tenzij een dergelijke situatie typisch is voor een groter stedelijk gebied. Die bemonsteringspunten moeten in het algemeen representatief zijn voor een aantal vierkante kilometers;
d)
wanneer het doel is de bijdrage van huishoudelijke verwarming te meten, moet ten minste één bemonsteringspunt in de hoofdwindrichting van deze bronnen worden geïnstalleerd;
e)
wanneer het bemonsteringspunt is bedoeld voor het beoordelen van plattelandsachtergrondniveaus, mag het niet worden beïnvloed door stedelijke gebieden of industrieterreinen in de nabijheid ervan, d.w.z. locaties binnen een straal van 5 km;
f)
wanneer de bijdragen van industriële bronnen, havens of luchthavens moeten worden beoordeeld, moet ten minste één bemonsteringspunt benedenwinds ten opzichte van de bron in het dichtstbijgelegen woongebied worden ingericht. Wanneer de achtergrondconcentratie niet bekend is, moet een aanvullend bemonsteringspunt worden gesitueerd in de hoofdwindrichting. De bemonsteringspunten moeten zodanig worden gekozen, dat monitoring van de toepassing van de BBT mogelijk is;
g)
de bemonsteringspunten moeten zo mogelijk ook representatief zijn voor soortgelijke locaties buiten de onmiddellijke omgeving van de bemonsteringspunten. In de zones waar het niveau van luchtverontreinigende stoffen boven de beoordelingsdrempel ligt, moet het gebied waarvoor elk bemonsteringspunt representatief is, duidelijk worden afgebakend. De hele zone wordt bestreken door de verschillende representatieve gebieden die voor elk bemonsteringspunt zijn vastgesteld;
h)
er moet rekening worden gehouden met de noodzaak bemonsteringspunten op eilanden in te richten wanneer dit voor de bescherming van de gezondheid van de mens nodig is;
i)
de bemonsteringspunten voor het meten van arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen bevinden zich, waar mogelijk, op dezelfde locatie als de bemonsteringspunten voor PM10.
Bij de bepaling van het gebied van ruimtelijke representativiteit worden de volgende gerelateerde kenmerken in aanmerking genomen:
a) het geografische gebied mag niet aan elkaar grenzende gebieden omvatten, maar moet binnen de grenzen van de desbetreffende luchtkwaliteitszone vallen;
b) indien voor de beoordeling modellering wordt gebruikt, moet een geschikt modelleringssysteem worden gebruikt en moeten op de locatie van het station gemodelleerde concentraties worden gebruikt om te voorkomen dat de systematische bias van modelmetingen de beoordeling vertekent;
c) er mogen andere maatstaven dan absolute concentraties (bv. percentielen) worden overwogen;
d) de tolerantieniveaus en mogelijke grenzen voor de verschillende verontreinigende stoffen kunnen veranderen afhankelijk van de kenmerken van het station;
e) het jaargemiddelde van de waargenomen concentratie verontreinigende stoffen wordt gebruikt als maatstaf voor de luchtkwaliteit voor een bepaald jaar.
3.Bescherming van de vegetatie en de natuurlijke ecosystemen
Bemonsteringspunten voor de bescherming van de vegetatie en de natuurlijke ecosystemen moeten op meer dan 20 km van stedelijke gebieden of meer dan 5 km van andere bebouwde gebieden, industrieterreinen, autosnelwegen of hoofdwegen waarop meer dan 50 000 voertuigen per dag worden geteld, liggen, wat betekent dat een bemonsteringspunt zich op een zodanige plaats moet bevinden dat de bemonsterde lucht representatief is voor de luchtkwaliteit in een omringend gebied van minimaal 1 000 km². Een lidstaat kan in het licht van de geografische omstandigheden of van de mogelijkheid om bijzonder kwetsbare gebieden te beschermen, bepalen dat een bemonsteringspunt op kortere afstand gelegen mag zijn of representatief mag zijn voor de luchtkwaliteit in een minder groot gebied.
Er moet rekening worden gehouden met de noodzaak de luchtkwaliteit op eilanden te beoordelen.
4.Aanvullende criteria voor bemonsteringspunten voor ozon
Het volgende is van toepassing op vaste en indicatieve metingen:
|
Type bemonsteringspunt
|
Doelstellingen van de meting
|
Representativiteit(1)
|
Criteria voor de situering op macroschaal
|
|
Stedelijkeachtergrondlocaties voor beoordelingen met betrekking tot ozon
|
Bescherming van de gezondheid van de mens:
beoordeling van de blootstelling van de stadsbevolking aan ozon, d.w.z. daar waar de bevolkingsdichtheid en ozonconcentratie relatief hoog en representatief voor de blootstelling van de algemene bevolking zijn.
|
1 tot
10 km²
|
Buiten bereik van de invloed van plaatselijke emissiebronnen zoals verkeer, benzinestations enz.;
locaties met vrije luchtcirculatie, waar goed doorgemengde lucht kan worden bemonsterd;
locaties als woongebieden en winkelbuurten in de stad, parken (op afstand van bomen), brede straten of pleinen met weinig of geen verkeer, open terreinen zoals onderwijs-, sport- en recreatiefaciliteiten.
|
|
Voorstedelijke locaties voor beoordelingen met betrekking tot ozon
|
Bescherming van de gezondheid van de mens en de vegetatie:
beoordeling van de blootstelling van de bevolking en de vegetatie aan de periferie van stedelijke gebieden met de hoogste ozonniveaus waaraan de bevolking en de vegetatie rechtstreeks of onrechtstreeks kunnen blootstaan.
|
10 tot
100 km²
|
Op een bepaalde afstand van het gebied met maximale emissies, benedenwinds bij de heersende windrichting(en) wanneer de omstandigheden ozonvorming in de hand werken;
waar bevolking, kwetsbare gewassen of natuurlijke ecosystemen aan de buitenrand van een stedelijk gebied aan hoge ozonniveaus worden blootgesteld;
zo nodig ook enkele voorstedelijke bemonsteringspunten bovenwinds van het gebied met maximale emissies, om de regionale ozonachtergrondniveaus te bepalen.
|
|
Plattelandslocaties voor beoordelingen met betrekking tot ozon
|
Bescherming van de gezondheid van de mens en de vegetatie:
beoordeling van de blootstelling van bevolking, landbouwgewassen en natuurlijke ecosystemen aan ozonconcentraties op subregionale schaal.
|
Subregionaal niveau
(100 tot
1 000 km²)
|
Bemonsteringspunten mogen zich in kleine woonkernen en/of gebieden met natuurlijke ecosystemen, bossen of landbouwgewassen bevinden;
representatief voor de ozonniveaus buiten het bereik van directe plaatselijke emissiebronnen zoals industrieterreinen en wegen;
op open plekken maar niet op hoge bergtoppen.
|
|
Plattelandsachtergrondlocaties voor beoordelingen met betrekking tot ozon
|
Bescherming van de gezondheid van de mens en de vegetatie:
beoordeling van de blootstelling van landbouwgewassen en natuurlijke ecosystemen aan ozonconcentraties op regionale schaal, alsmede beoordeling van de blootstelling van de bevolking.
|
Regionaal/nationaal/continentaal niveau
(1 000 tot
10 000 km²)
|
Bemonsteringspunten in gebieden met een geringere bevolkingsdichtheid, bv. met natuurlijke ecosystemen, bossen, ten minste 20 km verwijderd van stads- en industriegebieden en verwijderd van plaatselijke emissiebronnen;
locaties die vaak te kampen hebben met plaatselijke inversieomstandigheden nabij de grond, alsook toppen van hoge bergen, moeten worden vermeden;
kustlocaties met een uitgesproken dagelijkse windcyclus van plaatselijke aard zijn niet aan te bevelen.
|
|
(1)Bemonsteringspunten moeten zo mogelijk representatief zijn voor soortgelijke locaties buiten de onmiddellijke omgeving van de bemonsteringspunten.
|
De locaties van bemonsteringspunten voor plattelandslocaties en plattelandsachtergrondlocaties voor beoordelingen met betrekking tot ozon worden waar nodig afgestemd op de bewakingsvoorschriften van Verordening (EG) nr. 1737/2006 van de Commissie.
C.
Situering van de bemonsteringspunten op microschaal
Voor zover uitvoerbaar is het volgende van toepassing:
a) de luchtstroom rond de inlaat van het bemonsteringspunt moet onbelemmerd zijn (in het algemeen binnen een hoek van ten minste 270° of, voor bemonsteringspunten aan de rooilijn, 180°), zonder enige verstoring van de luchtstroom in de omgeving van de inlaat (er moet ten minste 1,5 m afstand worden gehouden van gebouwen, balkons, bomen en andere obstakels en bemonsteringspunten die representatief zijn voor de luchtkwaliteit aan de rooilijn moeten zich minimaal op een afstand van 0,5 m van het dichtstbijzijnde gebouw bevinden);
b) de hoogte van de inlaat van het bemonsteringspunt boven de grond moet in het algemeen tussen 0,5 m (ademhalingshoogte) en 4 m liggen. Een grotere hoogte (maximaal 8 m) kan passend zijn als het bemonsteringspunt representatief is voor een groot gebied (een achtergrondlocatie) of in andere specifieke omstandigheden, en eventuele afwijkingen moeten nauwkeurig worden gedocumenteerd;
c) de inlaat mag zich niet in de directe nabijheid van bronnen bevinden om te voorkomen dat emissies waaraan de bevolking waarschijnlijk niet wordt blootgesteld zonder menging met de buitenlucht rechtstreeks in de inlaat terechtkomen;
d) de uitlaat van het bemonsteringsapparaat moet zich op een zodanige plaats bevinden dat de lucht daaruit niet opnieuw in de inlaatbuis terecht kan komen;
e) voor alle verontreinigende stoffen moeten de bemonsteringsbuizen ten minste 25 m van de rand van grote kruispunten en niet meer dan 10 m van de wegrand verwijderd zijn. Voor de toepassing van dit punt wordt onder “wegrand” de lijn verstaan die gemotoriseerd verkeer scheidt van andere gebieden en onder “groot kruispunt” een kruispunt waardoor de verkeersstroom wordt onderbroken en de uitstoot verschilt (stop-and-goverkeer) ten opzichte van het overige gedeelte van de weg;
f) voor de meting van deposities op plattelandsachtergrondlocaties zijn de richtsnoeren en criteria van het EMEP voor zover praktisch mogelijk van toepassing;
g) voor de meting van ozon zorgen de lidstaten ervoor dat het bemonsteringspunt ver verwijderd is van bronnen zoals schoorstenen van ovens en verbrandingsinstallaties en meer dan 10 m van de dichtstbijgelegen weg, en op grotere afstand naarmate de verkeersdrukte groter is.
Ook met de volgende factoren kan rekening worden gehouden:
a) storende bronnen;
b) veiligheid;
c) toegankelijkheid;
d) beschikbaarheid van elektriciteit en telefoonlijnen;
e) zichtbaarheid van de locatie ten opzichte van de omgeving;
f) veiligheid van publiek en bedieners;
g) wenselijkheid om bemonsteringspunten voor verschillende verontreinigende stoffen op dezelfde plaats onder te brengen;
h) eisen in verband met ruimtelijke ordening.
D.
Keuze, toetsing en documentatie van locaties
1.De bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de beoordeling van de luchtkwaliteit, documenteren voor alle zones de procedures voor de keuze van de locaties volledig en registreren informatie om het ontwerp van het netwerk en de keuze van de locaties voor alle monitoringsites te ondersteunen. Het ontwerp van het monitoringnetwerk wordt ten minste ondersteund door modellering of indicatieve metingen.
2.De documentatie omvat de ruimtelijke coördinaten van de bemonsteringspunten, gedetailleerde kaarten en informatie over de ruimtelijke representativiteit van alle bemonsteringspunten.
3.De documentatie omvat elke afwijking van de criteria voor de situering op microschaal, de redenen daarvoor en de waarschijnlijke gevolgen voor de gemeten niveaus.
4.Indien in een zone indicatieve metingen, modellering, objectieve ramingen of een combinatie daarvan worden toegepast, omvat de documentatie bijzonderheden van deze methoden en informatie over hoe aan de in artikel 9, lid 3, genoemde criteria wordt voldaan.
5.Indien indicatieve metingen, modellering of objectieve ramingen worden toegepast, gebruiken de bevoegde autoriteiten de uit hoofde van Richtlijn (EU) 2016/2284 gerapporteerde rastergegevens en de uit hoofde van Richtlijn 2010/75/EU gerapporteerde emissiegegevens.
6.Voor het meten van ozon moeten de lidstaten de meetgegevens naar behoren screenen en interpreteren in het licht van de meteorologische en fotochemische processen die het meten van de ozonconcentraties op de respectieve locaties beïnvloeden.
7.Indien van toepassing omvat de documentatie de lijst van ozonprecursoren, de reden om deze stoffen te meten en de voor de bemonstering en meting gebruikte methoden.
8.Indien van toepassing omvat de documentatie ook informatie over de meetmethoden die voor het meten van de chemische samenstelling van PM2,5 worden gebruikt.
9.Ten minste om de vijf jaar worden de selectiecriteria, het ontwerp van het netwerk en de monitoringlocaties, zoals door de bevoegde autoriteiten bepaald in het licht van de eisen van deze bijlage, geëvalueerd om ervoor te zorgen dat zij te allen tijde geldig en optimaal blijven. De evaluatie wordt ten minste ondersteund door modellering of indicatieve metingen.
10.De documentatie wordt na elke evaluatie en naar aanleiding van andere relevante wijzigingen van het monitoringnetwerk bijgewerkt en wordt via passende communicatiekanalen openbaar gemaakt.
BIJLAGE V
Gegevenskwaliteitsdoelstellingen
A. Onzekerheid van metingen en modellering voor de beoordeling van de luchtkwaliteit
1. Onzekerheid voor het meten en modelleren van gemiddelde concentraties op lange termijn (jaargemiddelde)
|
Luchtverontreinigende stof
|
Maximale onzekerheid van vaste metingen
|
Maximale onzekerheid van indicatieve metingen(1)
|
Maximumverhouding tussen de onzekerheid van modellering en objectieve raming en de onzekerheid van vaste metingen
|
|
|
Absolute waarde
|
Relatieve waarde
|
Absolute waarde
|
Relatieve waarde
|
Maximumverhouding
|
|
PM2,5
|
3,0 µg/m3
|
30 %
|
4,0 µg/m3
|
40 %
|
1,7
|
|
PM10
|
4,0 µg/m3
|
20 %
|
6,0 µg/m3
|
30 %
|
1,3
|
|
NO2 / NOx
|
6,0 µg/m3
|
30 %
|
8,0 µg/m3
|
40 %
|
1,4
|
|
Benzeen
|
0,75 µg/m3
|
25 %
|
1,2 µg/m3
|
35 %
|
1,7
|
|
Lood
|
0.125 µg/m3
|
25 %
|
0.175 µg/m3
|
35 %
|
1,7
|
|
Arseen
|
2,4 ng/m3
|
40 %
|
3,0 ng/m3
|
50 %
|
1,1
|
|
Cadmium
|
2,0 ng/m3
|
40 %
|
2,5 ng/m3
|
50 %
|
1,1
|
|
Nikkel
|
8,0 ng/m3
|
40 %
|
10,0 ng/m3
|
50 %
|
1,1
|
|
Benzo(a)pyreen
|
0,5 ng/m3
|
50 %
|
0,6 ng/m3
|
60 %
|
1,1
|
|
(1)Wanneer indicatieve metingen worden gebruikt voor andere doeleinden dan de beoordeling van de naleving (bijvoorbeeld voor het ontwerpen of evalueren van het netwerk of het kalibreren en valideren van modellen), mag de onzekerheid die zijn welke voor modelleringsapplicaties is vastgesteld.
|
2. Onzekerheid voor het meten en modelleren van gemiddelde concentraties op korte termijn
|
Luchtverontreinigende stof
|
Maximale onzekerheid van vaste metingen
|
Maximale onzekerheid van indicatieve metingen(1)
|
Maximumverhouding tussen de onzekerheid van modellering en objectieve raming en de onzekerheid van vaste metingen
|
|
|
Absolute waarde
|
Relatieve waarde
|
Absolute waarde
|
Relatieve waarde
|
Maximumverhouding
|
|
PM2,5 (24 uur)
|
6,3 µg/m³
|
25 %
|
8,8 µg/m³
|
35 %
|
2,5
|
|
PM10 (24 uur)
|
11,3 µg/m³
|
25 %
|
22,5 µg/m³
|
50 %
|
2,2
|
|
NO2 (dagelijks)
|
7,5 µg/m³
|
15 %
|
12,5 µg/m³
|
25 %
|
3,2
|
|
NO2 (uurlijks)
|
30 µg/m³
|
15 %
|
50 µg/m³
|
25 %
|
3,2
|
|
SO2 (dagelijks)
|
7,5 µg/m³
|
15 %
|
12,5 µg/m³
|
25 %
|
3,2
|
|
SO2 (uurlijks)
|
52,5 µg/m³
|
15 %
|
87,5 µg/m³
|
25 %
|
3,2
|
|
CO (24 uur)
|
0,6 mg/m³
|
15 %
|
1,0 mg/m3
|
25 %
|
3,2
|
|
CO (8 uur)
|
1,0 mg/m3
|
10 %
|
2,0 mg/m3
|
20 %
|
4,9
|
|
Ozon (piekseizoen): onzekerheid van de 8-uurwaarden
|
10,5 µg/m³
|
15 %
|
17,5 µg/m³
|
25 %
|
1,7
|
|
Ozon (8-uurgemiddelde)
|
18 µg/m³
|
15 %
|
30 µg/m³
|
25 %
|
2,2
|
|
(1)Wanneer indicatieve metingen worden gebruikt voor andere doeleinden dan de beoordeling van de naleving (bijvoorbeeld voor het ontwerpen of evalueren van het netwerk of het kalibreren en valideren van modellen), mag de onzekerheid die zijn welke voor modelleringsapplicaties is vastgesteld.
|
Voor elke verontreinigende stof wordt de onzekerheid voor metingen (met een betrouwbaarheidsniveau van 95 %) van de beoordelingsmethoden berekend overeenkomstig de desbetreffende EN-norm. Voor methoden waarvoor geen norm beschikbaar is, wordt de onzekerheid van de beoordelingsmethode geëvalueerd volgens de beginselen in “ Evaluation of measurement data - Guide to the Expression of Uncertainty in Measurement ” van het Joint Committee for Guidance in Metrology (JCGM) (100:2008) en de methodologie in deel 5 van ISO 5725:1998. Voor indicatieve metingen wordt de onzekerheid berekend volgens de richtsnoeren voor het aantonen van gelijkwaardigheid van punt B van bijlage VI.
De onzekerheidspercentages in de tabellen in deze afdeling gelden voor alle grenswaarden (en de streefwaarde voor ozon) die worden berekend door het rekenkundige gemiddelde te nemen van afzonderlijke metingen, zoals uurgemiddelden, daggemiddelden of jaargemiddelden, zonder rekening te houden met de extra onzekerheid voor de berekening van het aantal overschrijdingen. De onzekerheid wordt geïnterpreteerd als geldend voor het bereik van de toepasselijke grenswaarden (of de streefwaarde voor ozon). De berekening van de onzekerheid is niet van toepassing op de AOT40 noch op waarden die meer dan één jaar, meer dan één station (bv. de GBI) of meer dan één component omvatten. Zij is ook niet van toepassing op informatiedrempels, alarmdrempels en kritieke niveaus voor de bescherming van de vegetatie en natuurlijke ecosystemen.
De onzekerheid van de meetgegevens die voor de beoordeling van de luchtkwaliteit worden gebruikt, mag niet groter zijn dan de absolute waarde of relatieve waarde zoals vermeld in deze afdeling.
De maximale onzekerheid van modellering is vastgesteld als de onzekerheid voor vaste metingen vermenigvuldigd met de toepasselijke maximumverhouding. De kwaliteitsdoelstelling voor modellering (d.w.z. een kwaliteitsindicator voor modellering kleiner dan of gelijk aan 1) moet worden geverifieerd op ten minste 90 % van de beschikbare monitoringpunten, in het beoordelingsgebied en gedurende de beoordelingsperiode. Op een bepaald monitoringpunt wordt de kwaliteitsindicator voor modellering berekend als de verhouding tussen de gemiddelde gekwadrateerde fout(en)van de modelleringsresultaten en de metingen, en de vierkantswortel van de som van de kwadraten van de modellerings- en meetonzekerheden, gedurende een volledige beoordelingsperiode. Bij de beoordeling van jaargemiddelden wordt de som teruggebracht tot één enkele waarde. Voor de evaluatie van de onzekerheid van de modellering worden alle vaste metingen gebruikt die voldoen aan de gegevenskwaliteitsdoelstellingen (d.w.z. de onzekerheid en gegevensdekking van metingen zoals gespecificeerd in respectievelijk afdeling A en afdeling B van deze bijlage) en die in het gebied voor de beoordeling van de modellering zijn verricht. De maximumverhouding moet worden geïnterpreteerd als geldend voor het gehele concentratiebereik.
Voor gemiddelde concentraties op korte termijn is de maximale onzekerheid van de meetgegevens die worden gebruikt om de kwaliteitsdoelstelling voor modellering te beoordelen, de absolute onzekerheid berekend aan de hand van de in deze afdeling vermelde relatieve waarde, boven de grenswaarde, en neemt deze lineair af van de absolute waarde bij de grenswaarde tot een drempelwaarde bij nulconcentratie. Er moet aan de kwaliteitsdoelstellingen voor modellering op zowel korte als lange termijn worden voldaan.
Voor het modelleren van de jaargemiddelden van de concentraties van benzeen, lood, arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen mag de maximale onzekerheid van de meetgegevens die voor de beoordeling van de kwaliteitsdoelstelling voor modellering worden gebruikt, de in deze afdeling vermelde relatieve waarde niet overschrijden.
Voor het modelleren van de jaargemiddelden van de concentraties van PM2,5, PM10 en stikstofdioxide mag de maximale onzekerheid van de meetgegevens die voor de beoordeling van de kwaliteitsdoelstelling voor modellering worden gebruikt, de absolute waarde of relatieve waarde zoals vermeld in deze afdeling niet overschrijden.
Wanneer voor de beoordeling een luchtkwaliteitsmodel wordt gebruikt, moeten verwijzingen naar de beschrijvingen van het model en gegevens over de berekening van de kwaliteitsdoelstelling voor modellering worden verzameld.
De onzekerheid van objectieve ramingen mag de onzekerheid voor indicatieve metingen met niet meer dan de toepasselijke maximumverhouding overschrijden en mag niet meer dan 85 % bedragen. De onzekerheid voor objectieve ramingen wordt gedefinieerd als de maximale afwijking van de gemeten en berekende concentratieniveaus over het tijdvak voor de grenswaarde (of streefwaarde voor ozon), waarbij geen rekening wordt gehouden met het tijdstip waarop de gebeurtenissen zich voordoen.
B.
Gegevensdekking van metingen voor de beoordeling van de luchtkwaliteit
“Gegevensdekking” verwijst naar het deel van de meetperiode waarvoor geldige meetgegevens beschikbaar zijn, uitgedrukt als percentage.
|
Luchtverontreinigende stof
|
Minimale gegevensdekking
|
|
|
Vaste metingen
|
Indicatieve metingen
|
|
|
Jaargemiddelden
|
1-uur-, 8-uur- of 24-uurgemiddelden(1)
|
Jaargemiddelden
|
1-uur-, 8-uur- of 24-uurgemiddelden(1)
|
|
SO2, NO2/NOx, CO, O3
|
85 % (2)
|
75 % (3)
|
13 %
|
50 % (4)
|
|
PM10, PM2,5
|
85 %
|
75 %
|
13 %
|
50 %
|
|
Benzeen
|
85 %
|
-
|
13 %
|
-
|
|
Benzo(a)pyreen, polycyclische aromatische koolwaterstoffen, totaal gasvormig kwik
|
30 %
|
-
|
13 %
|
-
|
|
As, Cd, Ni, Pb
|
45 %
|
-
|
13 %
|
-
|
|
Zwarte koolstof, ammoniak (NH3), ultrafijne deeltjes, deeltjesgrootteverdeling naar aantal van ultrafijne deeltjes
|
80 %
|
-
|
13 %
|
-
|
|
Totale depositie
|
-
|
-
|
30 %
|
-
|
|
|
Voor SO2, NO2, CO, O3, PM10, PM2,5 en benzeen moeten gedurende het volledige kalenderjaar continu vaste metingen worden verricht.
Voor de andere gevallen moeten de metingen gelijkmatig over het kalenderjaar worden verdeeld (of over de periode van april tot en met september voor indicatieve metingen van O3). Om aan deze vereisten te voldoen en ervoor te zorgen dat potentiële verliezen van gegevens de resultaten niet vertekenen, moet voor specifieke perioden (kwartaal, maand, weekdag) van het hele jaar, afhankelijk van de verontreinigende stof en de meetmethode/frequentie, aan de vereisten inzake minimale gegevensdekking worden voldaan.
Voor de beoordeling van jaargemiddelden door middel van indicatieve metingen mogen de lidstaten aselecte metingen in plaats van continue metingen verrichten indien zij kunnen aantonen dat de onzekerheid, met inbegrip van de onzekerheid die het gevolg is van de aselecte bemonstering, in overeenstemming is met de vereiste gegevenskwaliteitsdoelstellingen en minimale gegevensdekking voor indicatieve metingen. De aselecte bemonstering moet gelijkmatig over het jaar worden gespreid om vertekening van de resultaten te vermijden. De onzekerheid die het gevolg is van de aselecte bemonstering mag worden bepaald met de procedure van ISO 11222 (2002) “Air Quality — Determination of the Uncertainty of the Time Average of Air Quality Measurements”.
In de vereisten voor de minimale gegevensdekking wordt geen rekening gehouden met het verlies van gegevens door de periodieke kalibratie of het normale onderhoud van de apparatuur. Dit onderhoud mag niet plaatsvinden tijdens perioden met verontreinigingspieken.
Bemonstering gedurende 24 uur is vereist voor het meten van benzo(a)pyreen en andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen. Individuele monsters die over een periode van maximaal een maand zijn genomen, mogen worden gecombineerd en geanalyseerd als een samengesteld monster, mits de methode waarborgt dat de monsters voor die periode stabiel zijn. De drie congeneren benzo(b)fluorantheen, benzo(j)fluorantheen en benzo(k)fluorantheen kunnen analytisch moeilijk op te lossen zijn. In die gevallen kunnen zij samen als totaal worden gerapporteerd. De bemonstering moet gelijkmatig over de weekdagen en het jaar gespreid zijn. Voor het meten van deposities worden maandelijkse of wekelijkse monsternemingen gedurende het hele jaar aanbevolen.
Daarnaast gelden die bepalingen inzake individuele monsters ook voor arseen, cadmium, nikkel en totaal gasvormig kwik. Bovendien is het toegestaan deelmonsters te nemen met behulp van PM10-filters voor de bemonstering en analyse van metalen, mits bewijs wordt geleverd dat het deelmonster representatief is voor het geheel en dat de detectiegevoeligheid in overeenstemming is met de relevante doelstellingen voor de kwaliteit van de gegevens. PM10-bemonstering mag per week in plaats van per dag plaatsvinden op voorwaarde dat de kenmerken van de verzameling hierdoor niet worden aangetast.
De lidstaten mogen “wet sampling” toepassen in plaats van bulkmonsterneming indien zij kunnen aantonen dat de verschillen daartussen binnen een marge van 10 % liggen. De deposities moeten in de regel worden gegeven als μg/m² per dag.
C.
Methoden voor het beoordelen van de naleving en het ramen van statistische parameters om rekening te houden met een lage gegevensdekking of significante gegevensverliezen
Er wordt een beoordeling van de naleving van de desbetreffende grenswaarde of streefwaarde voor ozon uitgevoerd, ongeacht of de gegevenskwaliteitsdoelstellingen zijn bereikt, op voorwaarde dat de beschikbare gegevens een sluitende beoordeling mogelijk maken. Wat de grenswaarden en de streefwaarde voor ozon op de korte termijn betreft, kunnen metingen die slechts een fractie van het kalenderjaar bestrijken en die onvoldoende geldige gegevens, zoals vastgesteld in punt B, hebben opgeleverd, nog steeds als gevallen van niet-naleving worden beschouwd. Indien dit het geval is en er geen duidelijke redenen zijn om te twijfelen aan de kwaliteit van de verkregen geldige gegevens, moet dit worden beschouwd als een overschrijding van de grens- of streefwaarde en als zodanig worden gerapporteerd.
D.
Resultaten van de beoordeling van de luchtkwaliteit
Voor zones waar luchtkwaliteitsmodellen of objectieve ramingen worden gebruikt, wordt de volgende informatie verzameld:
a)een beschrijving van de uitgevoerde beoordelingsactiviteiten;
b)de gebruikte specifieke methoden, met een verwijzing naar beschrijvingen van de methode;
c)de bronnen van de gegevens en de informatie;
d)een beschrijving van de resultaten, met inbegrip van de onzekerheden en met name de omvang van elk gebied of, indien van toepassing, de lengte van wegen binnen de zone waar de concentraties een grenswaarde, streefwaarde voor ozon of langetermijndoelstelling overschrijden en van elk gebied waar de concentraties de beoordelingsdrempel overschrijden;
e)de omvang van de bevolking die mogelijk wordt blootgesteld aan niveaus die een grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens overschrijden.
E.
Kwaliteitsborging voor de beoordeling van de luchtkwaliteit Validatie van gegevens
1. Om de nauwkeurigheid van de metingen en de naleving van de in punt A vastgestelde gegevenskwaliteitsdoelstellingen te garanderen, zien de krachtens artikel 5 aangewezen bevoegde autoriteiten en organen erop toe dat:
a)alle metingen die worden uitgevoerd in samenhang met de beoordeling van de luchtkwaliteit overeenkomstig artikel 8, traceerbaar zijn overeenkomstig de voorschriften van de geharmoniseerde norm voor beproevings- en kalibratielaboratoria;
b)de instellingen die netwerken en individuele bemonsteringspunten beheren, beschikken over een functionerend kwaliteitsborgings- en kwaliteitscontrolesysteem dat voorziet in geregeld onderhoud om de voortdurende nauwkeurigheid van de meetapparaten te garanderen. Het kwaliteitssysteem wordt wanneer dat nodig is, maar ten minste om de vijf jaar, geëvalueerd door het betrokken nationale referentielaboratorium;
c)er een kwaliteitsborgings-/kwaliteitscontroleproces wordt ingevoerd voor de gegevensvergaring en -rapportage en dat de met die taak belaste organisaties actief deelnemen aan de desbetreffende EU-brede kwaliteitsborgingsprogramma’s;
d)de nationale referentielaboratoria worden aangewezen door de krachtens artikel 5 van deze richtlijn aangewezen bevoegde autoriteiten of organen en geaccrediteerd zijn voor de in bijlage VI bij deze richtlijn bedoelde referentiemethoden, ten minste voor die verontreinigende stoffen waarvoor de concentraties boven de beoordelingsdrempel liggen, overeenkomstig de desbetreffende geharmoniseerde norm voor beproevings- en kalibratielaboratoria, waarvan de referentie in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt, overeenkomstig artikel 2, lid 9, van Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht. Deze laboratoria zijn ook verantwoordelijk voor de coördinatie, op het grondgebied van de lidstaat, van de EU-brede kwaliteitsborgingsprogramma’s die door het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie zullen worden georganiseerd, en zij zijn tevens verantwoordelijk voor de coördinatie op nationaal niveau van de correcte toepassing van referentiemethoden en het bewijs van de gelijkwaardigheid van niet-referentiemethoden. Nationale referentielaboratoria die nationaal ringonderzoek organiseren, moeten ook geaccrediteerd zijn overeenkomstig de desbetreffende geharmoniseerde norm voor bekwaamheidstests;
e)de nationale referentielaboratoria ten minste om de drie jaar deelnemen aan de Uniebrede kwaliteitsborgingsprogramma’s die door het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek worden georganiseerd voor ten minste die verontreinigende stoffen waarvan de concentraties boven de beoordelingsdrempel liggen. Deelname voor andere verontreinigende stoffen wordt aanbevolen. Indien deze deelname onbevredigende resultaten oplevert, moet het nationale laboratorium bij zijn volgende deelname aan een ringonderzoek aantonen dat het bevredigende herstelmaatregelen heeft genomen en hierover aan het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek rapporteren;
f)de nationale referentielaboratoria de werkzaamheden van het door het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie opgerichte Europese netwerk van nationale referentielaboratoria ondersteunen;
g)het Europees netwerk van nationale referentielaboratoria verantwoordelijk is voor de periodieke evaluatie, ten minste om de vijf jaar, van de meetonzekerheden die zijn opgenomen in de eerste twee kolommen van de tabellen 1 en 2 van deze bijlage en voor het daaropvolgende voorstel voor eventuele noodzakelijke wijzigingen aan de Commissie.
2.
Alle uit hoofde van artikel 23 gerapporteerde gegevens worden geacht geldig te zijn, behalve gegevens die als voorlopig worden aangemerkt.
F.
Bevordering van geharmoniseerde benaderingen van luchtkwaliteitsmodellen
1. Ter bevordering en ondersteuning van het geharmoniseerde gebruik van wetenschappelijk verantwoorde benaderingen van luchtkwaliteitsmodellen door de bevoegde autoriteiten, met de nadruk op modelleringsapplicaties, zorgen de overeenkomstig artikel 5 aangewezen bevoegde autoriteiten en organen ervoor dat:
a)
de aangewezen referentie-instellingen deelnemen aan het door het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie opgezette Europees netwerk voor luchtkwaliteitsmodellering;
b)
de beste praktijken op het gebied van luchtkwaliteitsmodellering die door het netwerk via wetenschappelijke consensus zijn vastgesteld, worden toegepast in relevante applicaties voor luchtkwaliteitsmodellering met het oog op de naleving van de wettelijke vereisten uit hoofde van de wetgeving van de Unie, onverminderd de aanpassingen van modellen die wegens specifieke omstandigheden noodzakelijk zijn;
c)
de kwaliteit van de desbetreffende applicaties voor luchtkwaliteitsmodellering periodiek wordt gecontroleerd en verbeterd door middel van door het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie georganiseerde onderlinge vergelijkingen;
d)
het Europees netwerk voor luchtkwaliteitsmodellering verantwoordelijk is voor de periodieke evaluatie, ten minste om de vijf jaar, van de ratio van modelleringsonzekerheden die zijn opgenomen in de laatste kolommen van de tabellen 1 en 2 van deze bijlage en voor het daaropvolgende voorstel voor eventuele noodzakelijke wijzigingen aan de Commissie.
BIJLAGE VI
Referentiemethoden voor de beoordeling van concentraties in de lucht en deposities
A.
Referentiemethoden voor de beoordeling van concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, benzeen, koolmonoxide, arseen, cadmium, kwik, nikkel, polycyclische aromatische koolwaterstoffen, ozon en andere verontreinigende stoffen in de lucht en van deposities
1.
Referentiemethode voor het meten van zwaveldioxide in de lucht
De referentiemethode voor het meten van zwaveldioxide is die welke beschreven staat in EN 14212:2012 “Ambient air — Standard method for the measurement of the concentration of sulphur dioxide by ultraviolet fluorescence”.
2.
Referentiemethode voor het meten van stikstofdioxide en stikstofoxiden in de lucht
De referentiemethode voor het meten van stikstofdioxide en stikstofoxiden is die welke beschreven staat in EN 14211:2012 “Ambient air — Standard method for the measurement of the concentration of nitrogen dioxide and nitrogen monoxide by chemiluminescence”.
3.
Referentiemethode voor het bemonsteren en meten van PM10 in de lucht
De referentiemethode voor het bemonsteren en het meten van PM10 is die welke beschreven staat in EN 12341:2014 “Ambient Air — Standard gravimetric measurement method for the determination of the PM10 or PM2,5 mass concentration of suspended particulate matter”.
4.
Referentiemethode voor het bemonsteren en meten van PM2,5 in de lucht
De referentiemethode voor het bemonsteren en het meten van PM2,5 is die welke beschreven staat in EN 12341:2014 “Ambient Air — Standard gravimetric measurement method for the determination of the PM10 or PM2,5 mass concentration of suspended particulate matter”.
5.
Referentiemethode voor het bemonsteren en meten van lood, arseen, cadmium en nikkel in de lucht
De referentiemethode voor het bemonsteren van lood, arseen, cadmium en nikkel is die welke beschreven staat in EN 12341:2014 “Ambient Air — Standard gravimetric measurement method for the determination of the PM10 or PM2.5 mass concentration of suspended particulate matter”. De referentiemethode voor het meten van lood, arseen, cadmium en nikkel is die welke beschreven staat in EN 14902:2005 “Standard method for the measurement of Pb, Cd, As and Ni in the PM10 fraction of suspended particulate matter”.
6.
Referentiemethode voor het bemonsteren en meten van benzeen in de lucht
De referentiemethode voor het bemonsteren en het meten van benzeen is die welke beschreven staat in EN 14662, deel 1 (2005), 2 (2005) en 3 (2016), “Ambient air quality — Standard method for measurement of benzene concentrations”.
7.
Referentiemethode voor het meten van koolmonoxide in de lucht
De referentiemethode voor het meten van koolmonoxide is die welke beschreven staat in EN 14626:2012 “Ambient air — Standard method for the measurement of the concentration of carbon monoxide by non-dispersive infrared spectroscopy”.
8.
Referentiemethode voor het bemonsteren en meten van polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht
De referentiemethode voor het bemonsteren van polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht is die welke beschreven staat in EN 12341:2014 “Ambient Air — Standard gravimetric measurement method for the determination of the PM10 or PM2.5 mass concentration of suspended particulate matter”. De referentiemethode voor de meting van benzo(a)pyreen in de lucht is die welke beschreven staat in EN 15549:2008 “Air quality — Standard method for the measurement of concentration of benzo[a]pyrene in ambient air”. Zolang er geen door de CEN gestandaardiseerde methode is voor de andere in artikel 8, lid 6, vermelde polycyclische aromatische koolwaterstoffen, kunnen de lidstaten nationale standaardmethoden of ISO-methoden zoals ISO-norm 12884 gebruiken.
9.
Referentiemethode voor het bemonsteren en meten van kwik in de lucht
De referentiemethode voor het meten van de concentraties van totaal gasvormig kwik in de lucht is die welke beschreven staat in EN 15852:2010 “Ambient air quality — Standard method for the determination of total gaseous mercury”.
10.
Referentiemethode voor het bemonsteren en analyseren van de depositie van arseen, cadmium, nikkel, kwik en polycyclische aromatische koolwaterstoffen
De referentiemethode voor de bepaling van de depositie van arseen, cadmium en nikkel is die welke beschreven staat in EN 15841:2009 “Ambient air quality — Standard method for determination of arsenic, cadmium, lead and nickel in atmospheric deposition”.
De referentiemethode voor de bepaling van de depositie van kwik is die welke beschreven staat in EN 15853:2010 “Ambient air quality — Standard method for determination of mercury deposition”.
De referentiemethode voor de bepaling van de depositie van benzo(a)pyreen en de andere in artikel 8, lid 6, vermelde polycyclische aromatische koolwaterstoffen is die welke beschreven staat in EN 15980:2011 “Air quality - Determination of the deposition of benz[a]anthracene, benzo[b]fluoranthene, benzo[j]fluoranthene, benzo[k]fluoranthene, benzo[a]pyrene, dibenz[a,h]anthracene and indeno[1,2,3-cd]pyrene”.
11.
Referentiemethode voor het meten van ozon in de lucht
De referentiemethode voor het meten van ozon is die welke beschreven staat in EN 14625:2012 “Ambient air — Standard method for the measurement of the concentration of ozone by ultraviolet photometry”.
12.
Referentiemethode voor het bemonsteren en meten van vluchtige organische stoffen die ozonprecursoren zijn in de lucht
Zolang er geen door het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) gestandaardiseerde methode is voor het bemonsteren en meten van vluchtige organische stoffen die ozonprecursoren in de lucht zijn, met uitzondering van benzeen, mogen de lidstaten kiezen welke bemonsterings- en meetmethoden zij gebruiken, overeenkomstig bijlage V en rekening houdend met de meetdoelstellingen van bijlage VII, afdeling 2, punt A.
13.
Referentiemethode voor het bemonsteren en meten van elementaire koolstof en organische koolstof in de lucht
De referentiemethode voor het bemonsteren van elementaire koolstof en organische koolstof is die welke beschreven staat in EN 12341:2014 “Ambient Air — Standard gravimetric measurement method for the determination of the PM10 or PM2.5 mass concentration of suspended particulate matter”. De referentiemethode voor het meten van elementaire koolstof en organische koolstof in de lucht is die welke beschreven staat in EN 16909:2017 “Ambient air - Measurement of elemental carbon (EC) and organic carbon (OC) collected on filters”.
14.
Referentiemethode voor het bemonsteren en het meten van NO3-, SO4²-, Cl-, NH4+, Na+, K+, Mg²+, Ca²+ in PM2,5 in de lucht
De referentiemethode voor het bemonsteren van elementaire koolstof en organische koolstof is die welke beschreven staat in EN 12341:2014 “Ambient Air — Standard gravimetric measurement method for the determination of the PM10 or PM2.5 mass concentration of suspended particulate matter”. De referentiemethode voor het meten van NO3-, SO4²-, Cl-, NH4+, Na+, K+, Mg²+, Ca²+ in PM2,5 in de lucht is die welke beschreven staat in EN 16913:2017 “Ambient air - Standard method for measurement of NO3-, SO4²-, Cl-, NH4+, Na+, K+, Mg²+, Ca²+ in PM2.5 as deposited on filters”.
B.
Aantonen van gelijkwaardigheid
1. De lidstaten mogen zich bedienen van elke andere methode waarvan zij kunnen aantonen dat zij gelijkwaardige resultaten oplevert in vergelijking met de in punt A bedoelde referentiemethoden, alsook, in het geval van zwevende deeltjes, van elke andere methode waarvan de betrokken lidstaat kan aantonen dat er een consistent verband bestaat met de referentiemethode. In dat geval moeten de met die andere methode verkregen resultaten worden gecorrigeerd zodat er resultaten worden gegenereerd die gelijkwaardig zijn aan die welke door het toepassen van de referentiemethode zouden zijn verkregen.
2. De Commissie kan van de lidstaten verlangen dat zij een verslag opstellen en overleggen dat de gelijkwaardigheid overeenkomstig punt 1 aantoont.
3. Bij het beoordelen van de aanvaardbaarheid van het in punt 2 bedoelde verslag maakt de Commissie gebruik van haar richtsnoeren inzake het aantonen van gelijkwaardigheid. Als de lidstaten tussentijdse oplossingen hebben gebruikt om bij benadering tot gelijkwaardigheid te komen, moet het feit dat er bij benadering sprake is van gelijkwaardigheid worden bevestigd of gewijzigd in het licht van die richtsnoeren.
4. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat in alle passende gevallen een correctie wordt toegepast, ook met terugwerkende kracht op oudere meetgegevens, teneinde de gegevens beter vergelijkbaar te maken.
C.
Normalisatie
Voor gasvormige verontreinigende stoffen moet het volume worden gestandaardiseerd naar een temperatuur van 293 K en een atmosferische druk van 101,3 kPa. Voor zwevende deeltjes en voor stoffen die in deeltjes worden geanalyseerd (waaronder lood, arseen, cadmium en benzo(a)pyreen) wordt het volume van het monster bepaald in de omgevingsomstandigheden met betrekking tot temperatuur en atmosferische druk op de dag van de metingen.
Om aan te tonen dat de uitrusting aan de in punt A opgesomde prestatievereisten van de referentiemethoden voldoet, moeten de krachtens artikel 5 aangewezen bevoegde autoriteiten en organen de testverslagen aanvaarden die in andere lidstaten zijn opgesteld mits de beproevingslaboratoria overeenkomstig de desbetreffende geharmoniseerde norm voor beproevings- en kalibratielaboratoria zijn geaccrediteerd.
De gedetailleerde testverslagen en alle testresultaten worden ter beschikking gesteld van de andere bevoegde autoriteiten of de aangewezen organen daarvan. Uit de testverslagen moet blijken dat de uitrusting aan alle prestatievereisten voldoet, ook indien bepaalde milieu- of plaatselijke omstandigheden specifiek zijn voor een lidstaat en niet overeenstemmen met de omstandigheden waarin de uitrusting reeds is getest en waarin reeds een typetest is uitgevoerd in een andere lidstaat.
D.
Wederzijdse erkenning van gegevens
Om aan te tonen dat de uitrusting aan de in punt A opgesomde prestatievereisten van de referentiemethoden voldoet, moeten de krachtens artikel 5 aangewezen bevoegde autoriteiten en organen de testverslagen aanvaarden die in andere lidstaten zijn opgesteld mits de beproevingslaboratoria overeenkomstig de desbetreffende geharmoniseerde norm voor beproevings- en kalibratielaboratoria zijn geaccrediteerd.
De gedetailleerde testverslagen en alle testresultaten worden ter beschikking gesteld van de andere bevoegde autoriteiten of de aangewezen organen daarvan. Uit de testverslagen moet blijken dat de uitrusting aan alle prestatievereisten voldoet, ook indien bepaalde milieu- of plaatselijke omstandigheden specifiek zijn voor een lidstaat en niet overeenstemmen met de omstandigheden waarin de uitrusting reeds is getest en waarin reeds een typetest is uitgevoerd in een andere lidstaat.
E.
Referentie-applicaties voor modellering van de luchtkwaliteit
Zolang er geen door de CEN gestandaardiseerde kwaliteitsdoelstellingen voor modellen zijn, mogen de lidstaten kiezen welke modelleringsapplicaties zij gebruiken, overeenkomstig bijlage V, afdeling F.
BIJLAGE VII
MONITORING VAN DE MASSACONCENTRATIE EN CHEMISCHE SAMENSTELLING VAN PM2,5, OZONPRECURSOREN EN ULTRAFIJNE DEELTJES
AFDELING 1 — Metingen van de MASSACONCENTRATIE EN chemische samenstelling van PM2,5
A.
Doelen
Het belangrijkste doel van dergelijke metingen is ervoor te zorgen dat er adequate gegevens over de niveaus op stedelijkeachtergrondlocaties en plattelandsachtergrondlocaties beschikbaar komen. Deze gegevens zijn van essentieel belang om verhoogde niveaus in meer verontreinigde gebieden (zoals stedelijkeachtergrondgebieden, industriegebieden en door het verkeer beïnvloede plaatsen) te beoordelen, de eventuele bijdrage van het transport van verontreinigende stoffen over lange afstand te evalueren, ondersteuning te bieden bij de toewijzing van verontreiniging aan specifieke bronnen, en voor een goed begrip van specifieke verontreinigende stoffen zoals zwevende deeltjes. Voorts zijn deze gegevens van fundamenteel belang voor het toenemende gebruik van modellering, ook in stedelijke gebieden.
B.
Stoffen
De meting van PM2,5 moet ten minste betrekking hebben op de totale massaconcentratie en de concentratie van verbindingen die relevant zijn om de chemische samenstelling ervan te karakteriseren. Ten minste de hieronder vermelde chemische stoffen moeten worden gemeten.
|
SO42–
|
Na+
|
NH4+
|
Ca2+
|
elementair koolstof (EC)
|
|
NO3–
|
K+
|
Cl–
|
Mg2+
|
organisch koolstof (OC)
|
C.
Plaats van de bemonsteringspunten
Metingen moeten plaatsvinden op stedelijkeachtergrondlocaties en plattelandsachtergrondlocaties overeenkomstig bijlage IV.
Afdeling 2 — Metingen van ozonprecursoren
A.
Doelen
De belangrijkste doelstellingen van metingen van ozonprecursoren zijn het analyseren van de tendens inzake ozonprecursoren, het controleren van de doeltreffendheid van strategieën voor emissiereductie, het controleren van de consistentie van emissie-inventarissen, het bevorderen van de kennis over ozonvorming en de verspreidingsprocessen van ozonprecursoren alsmede de toepassing van fotochemische modellen, en het helpen aanwijzen van verbanden tussen emissiebronnen en waargenomen concentraties van verontreinigende stoffen.
B.
Stoffen
De metingen van ozonprecursoren moeten ten minste betrekking hebben op stikstofoxiden (NO en NO2) en de passende vluchtige organische stoffen (VOS). De keuze van de specifieke te meten stoffen, aangevuld met andere relevante stoffen, hangt af van het nagestreefde doel.
a)
De lidstaten mogen de methode gebruiken die zij geschikt achten voor het nagestreefde doel;
b)
de in bijlage VI gespecificeerde referentiemethode is van toepassing op stikstofdioxide en stikstofoxiden;
c)
methoden die door het CEN worden gestandaardiseerd, moeten worden gebruikt zodra zij beschikbaar zijn.
Hieronder volgt een lijst van vluchtige organische stoffen waarvoor metingen worden aanbevolen.
|
Chemische familie
|
Stof
|
|
|
Triviale naam
|
IUPAC-benaming
|
Formule
|
CAS-nummer
|
|
Alcoholen
|
methanol
|
methanol
|
CH4O
|
67-56-1
|
|
|
ethanol
|
ethanol
|
C2H6O
|
64-17-5
|
|
Aldehyden
|
formaldehyde
|
methanal
|
CH2O
|
50-00-0
|
|
|
acetaldehyde
|
ethanal
|
C2H4O
|
75-07-0
|
|
|
methacroleïne
|
2-methylprop-2-enal
|
C4H6O
|
78-85-3
|
|
Alkynen
|
acetyleen
|
ethyn
|
C2H2
|
74-86-2
|
|
Alkanen
|
ethaan
|
ethaan
|
C2H6
|
74-84-0
|
|
|
propaan
|
propaan
|
C3H8
|
74-98-6
|
|
|
n-butaan
|
butaan
|
C4H10
|
106-97-8
|
|
|
i-butaan
|
2-methylpropaan
|
C4H10
|
75-28-5
|
|
|
n-pentaan
|
pentaan
|
C5H12
|
109-66-0
|
|
|
i-pentaan
|
2-methylbutaan
|
C5H12
|
78-78-4
|
|
|
n-hexaan
|
hexaan
|
C6H14
|
110-54-3
|
|
|
i-hexaan
|
2-methylpentaan
|
C6H14
|
107-83-5
|
|
|
n-heptaan
|
heptaan
|
C7H16
|
142-82-5
|
|
|
n-octaan
|
octaan
|
C8H18
|
111-65-9
|
|
|
i-octaan
|
2,2,4-trimethylpentaan
|
C8H18
|
540-84-1
|
|
Alkenen
|
ethyleen
|
etheen
|
C2H4
|
75-21-8
|
|
|
propeen / propyleen
|
propeen
|
C3H6
|
115-07-1
|
|
|
1,3-butadieen
|
buta-1,3-dieen
|
C4H6
|
106-99-0
|
|
|
1-buteen
|
but-1-een
|
C4H8
|
106-98-9
|
|
|
trans-2-buteen
|
(E)-but-2-een
|
C4H8
|
624-64-6
|
|
|
cis-2-buteen
|
(Z)-but-2-een
|
C4H8
|
590-18-1
|
|
|
1-penteen
|
pent-1-een
|
C5H10
|
109-67-1
|
|
|
2-penteen
|
(Z)-pent-2-een
|
C5H10
|
627-20-3 (cis-2-penteen)
|
|
|
|
(E)-pent-2-een
|
|
646-04-8 (trans-2-penteen)
|
|
Aromatische koolwaterstoffen
|
Benzeen
|
Benzeen
|
C6H6
|
71-43-2
|
|
|
tolueen/methylbenzeen
|
tolueen
|
C7H8
|
108-88-3
|
|
|
ethylbenzeen
|
ethylbenzeen
|
C8H10
|
100-41-4
|
|
|
m + p-xyleen
|
1,3-dimethylbenzeen
(m-xyleen)
|
C8H10
|
108-38-3
(m-xyleen)
|
|
|
|
1,4-dimethylbenzeen
(p-xyleen)
|
|
106-42-3
(p-xyleen)
|
|
|
o-xyleen
|
1,2-dimethylbenzeen
(o-xyleen)
|
C8H10
|
95-47-6
|
|
|
1,2,4-trimethylbenzeen
|
1,2,4-trimethylbenzeen
|
C9H12
|
95-63-6
|
|
|
1,2,3-trimethylbenzeen
|
1,2,3-trimethylbenzeen
|
C9H12
|
526-73-8
|
|
|
1,3,5-trimethylbenzeen
|
1,3,5-trimethylbenzeen
|
C9H12
|
108-67-8
|
|
Ketonen
|
aceton
|
propaan-2-on
|
C3H6O
|
67-64-1
|
|
|
methylethylketon
|
butaan-2-on
|
C4H8O
|
78-93-3
|
|
|
methylvinylketon
|
3-buteen-2-on
|
C4H6O
|
78-94-4
|
|
Terpenen
|
isopreen
|
2-methylbut-1,3-dieen
|
C5H8
|
78-79-5
|
|
|
p-cymeen
|
1-methyl-4-(1-methylethyl)benzeen
|
C10H14
|
99-87-6
|
|
|
limoneen
|
1-methyl-4-(1-methylethenyl)-cyclohexeen
|
C10H16
|
138-86-3
|
|
|
-myrceen
|
7-methyl-3-methyleen-1,6-octadieen
|
C10H16
|
123-35-3
|
|
|
-pineen
|
2,6,6-trimethylbicyclo[3.1.1]hept-2-een
|
C10H16
|
80-56-8
|
|
|
-pineen
|
6,6-dimethyl-2-methyleenbicyclo[3.1.1]heptaan
|
C10H16
|
127-91-3
|
|
|
kamfeen
|
2,2-dimethyl-3-methyleenbicyclo[2.2.1]heptaan
|
C10H16
|
79-92-5
|
|
|
3-careen
|
3,7,7-trimethylbicyclo[4.1.0]hept-3-een
|
C10H16
|
13466-78-9
|
|
|
1,8-cineool
|
1,3,3-trimethyl2-oxabicyclo[2.2.2]octaan
|
C10H18O
|
470-82-6
|
C.
Plaats van de bemonsteringspunten
Metingen moeten worden verricht op bemonsteringspunten die overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn zijn ingericht en voor de in afdeling A van deze afdeling bedoelde monitoringsdoelstellingen geschikt worden geacht.
Afdeling 3 — Meting van ultrafijne deeltjes
A.
Doelen
Het doel van dergelijke metingen is ervoor te zorgen dat er adequate informatie beschikbaar is op locaties waar hoge concentraties van ultrafijne deeltjes voorkomen die voornamelijk worden beïnvloed door bronnen die verband houden met vervoer door de lucht, over het water of over de weg (zoals luchthavens, havens, wegen), industrieterreinen of huishoudelijke verwarming. De gegevens moeten geschikt zijn om de uit die bronnen afkomstige verhoogde concentraties van ultrafijne deeltjes te kunnen beoordelen.
B.
Stoffen
Ultrafijne deeltjes.
C.
Plaats van de bemonsteringspunten
Bemonsteringspunten moeten overeenkomstig de bijlagen IV en V worden ingericht op een plaats waar hoge concentraties van ultrafijne deeltjes kunnen voorkomen en die zich in de hoofdwindrichting bevindt.
BIJLAGE VIII
Gegevens die moeten worden opgenomen in de luchtkwaliteitsplannen ter verbetering van de luchtkwaliteit
A. Gegevens die moeten worden verstrekt krachtens artikel 19, lid 5
1.
Plaats van de bovenmatige verontreiniging
a)regio;
b)stad (kaart);
c)bemonsteringspunt(en) (kaart, geografische coördinaten).
2.
Algemene gegevens
a)soort zone (stedelijk, industrieel of landelijk gebied) of kenmerken van de territoriale eenheid op het niveau NUTS 1 (met inbegrip van stedelijke, industriële of landelijke gebieden);
b)raming van de omvang van het verontreinigde gebied (in km2) en van de bevolking die aan de verontreiniging is blootgesteld;
c)concentraties of gemiddelde-blootstellingsindex van de desbetreffende verontreinigende stof die ten minste vijf jaar vóór de overschrijding zijn/is vastgesteld.
3.
Verantwoordelijke autoriteiten
Naam en adres van de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het ontwikkelen en uitvoeren van luchtkwaliteitsplannen.
4.
Oorsprong van de verontreiniging rekening houdend met de rapportage uit hoofde van Richtlijn (EU) 2016/2284 en de informatie in het nationale programma ter beheersing van de luchtverontreiniging
a)lijst van de belangrijkste emissiebronnen die de oorzaak zijn van de verontreiniging;
b)totale emissie van deze bronnen (in ton/jaar);
c)beoordeling van het niveau van de emissies (bv. stadsniveau, regionaal niveau, nationaal niveau en grensoverschrijdende bijdragen);
d)toewijzing van verontreiniging aan specifieke bronnen volgens relevante sectoren die bijdragen een de overschrijding zoals vastgesteld in het nationale programma ter beheersing van de luchtverontreiniging.
5.
Verwacht effect van de maatregelen om binnen drie jaar na de goedkeuring van het luchtkwaliteitsplan aan de voorschriften te voldoen
a)verwachte gekwantificeerde vermindering van de concentratie (in µg/m³) op elk bemonsteringspunt waar de grenswaarden, de streefwaarde voor ozon of, in geval van overschrijding van de gemiddeldeblootstellingsverminderings-verplichting, de gemiddelde-blootstellingsindex worden overschreden, op basis van de in punt 6 bedoelde maatregelen;
b)jaar waarin naar verwachting naleving zal worden bereikt voor elke luchtverontreinigende stof die onder het luchtkwaliteitsplan valt, rekening houdend met de in punt 6 bedoelde maatregelen.
6. Bijlage 1: nadere bijzonderheden van de maatregelen om de luchtverontreiniging te verminderen zoals bedoeld in punt 5
a)een lijst met en een beschrijving van alle maatregelen in het luchtkwaliteitsplan, met inbegrip van de identificatie van de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de uitvoering ervan;
b)een kwantificering van de emissievermindering (in ton/jaar) ten gevolge van elke maatregel zoals bedoeld in punt a);
c)een tijdschema voor de uitvoering van elke maatregel en verantwoordelijke actoren;
d)een raming van de verlaging van de concentratie ten gevolge van elke luchtkwaliteitsmaatregel, in verhouding tot de desbetreffende overschrijding;
e)een lijst van de gegevens (met inbegrip van modellering en evaluatieresultaten van de maatregelen) om te voldoen aan de desbetreffende luchtkwaliteitsnorm overeenkomstig bijlage I.
7.
Bijlage 2: aanvullende achtergrondinformatie
a)klimatologische gegevens;
b)topografische gegevens;
c)gegevens over de beschermingsbehoeften in het betrokken gebied (indien van toepassing);
d)een lijst met en een beschrijving van alle aanvullende maatregelen waarvan het effect op de concentraties van luchtverontreinigende stoffen pas na drie jaar of meer volledig is.
8.
Bijlage 3: evaluatie van de maatregelen (in het geval van een bijwerking van het luchtkwaliteitsplan)
a)evaluatie van het tijdschema van de maatregelen uit het vorige luchtkwaliteitsplan;
b)raming van het effect van de maatregelen uit het vorige luchtkwaliteitsplan op de emissievermindering en de concentraties van verontreinigende stoffen.
B. Indicatieve lijst van maatregelen ter bestrijding van luchtverontreiniging
1.
Gegevens over de stand van de uitvoering van de in artikel 14, lid 3, punt b), van Richtlijn (EU) 2016/2284 bedoelde richtlijnen.
2.
Gegevens over alle maatregelen ter bestrijding van luchtverontreiniging die op het plaatselijke, regionale of nationale niveau in overweging zijn genomen voor de uitvoering met het oog op het verwezenlijken van de luchtkwaliteitsdoelstellingen, inclusief maatregelen die betrekking hebben op:
a)het verminderen van emissies uit stationaire bronnen door ervoor te zorgen dat verontreinigende kleine en middelgrote stationaire stookinstallaties (ook voor biomassa) worden voorzien van emissiebeperkende apparatuur of worden vervangen en dat de energie-efficiëntie van gebouwen wordt verbeterd;
b)het verminderen van door bestaande voertuigen veroorzaakte emissies door deze alsnog te voorzien van emissievrije aandrijftechnologie en emissiebeperkende apparatuur. Het gebruik van economische prikkels om de uitvoering van dergelijke aanpassingen te versnellen, moet worden overwogen;
c)de aankoop door de overheid van emissievrije wegvoertuigen en uitstootverlagende brandstoffen en stookapparatuur overeenkomstig het handboek inzake milieuvriendelijke overheidsopdrachten;
d)maatregelen ter beperking van door het vervoer veroorzaakte emissies via verkeersplanning en verkeersbeheersing (inclusief rekeningrijden, gedifferentieerde parkeertarieven of andere economische prikkels; de invoering van regelingen voor de beperking van de toegang van voertuigen tot steden, met inbegrip van lage-emissiezones);
e)maatregelen om een verschuiving naar minder vervuilende vormen van vervoer aan te moedigen;
f)maatregelen om een verschuiving naar emissievrije voertuigen en niet voor de weg bestemde machines voor zowel particuliere als commerciële toepassingen aan te moedigen;
g)maatregelen om ervoor te zorgen dat in kleine, middelgrote en grote stationaire bronnen en in mobiele bronnen bij voorkeur brandstoffen met een lage emissie worden gebruikt;
h)maatregelen ter vermindering van de luchtverontreiniging door industriële bronnen in het kader van Richtlijn 2010/75/EU, en door middel van het gebruik van economische instrumenten zoals belastingen, heffingen of emissiehandel, rekening houdend met de specifieke kenmerken van kmo’s;
i)maatregelen ter bescherming van de gezondheid van kinderen of andere gevoelige bevolkingsgroepen.
BIJLAGE IX
MEDEDELING VAN GEGEVENS AAN DE BEVOLKING
1.De lidstaten verstrekken ten minste de volgende gegevens:
a)uurlijks bijgewerkte gegevens per bemonsteringspunt voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), koolmonoxide en ozon. Dit geldt voor gegevens afkomstig van alle bemonsteringspunten waarvan actuele gegevens beschikbaar zijn en ten minste voor gegevens van het op grond van bijlage III vereiste minimumaantal bemonsteringspunten. Indien er actuele gegevens verkregen door modellering beschikbaar zijn, worden die ook meegedeeld;
b)gemeten concentraties van alle verontreinigende stoffen, verstrekt in overeenstemming met de in bijlage I vastgestelde passende perioden;
c)gegevens over waargenomen overschrijdingen van grenswaarden, de streefwaarde voor ozon en de gemiddeldeblootstellingsverminderings-verplichting, met inbegrip van ten minste:
i) de plaats of het gebied van overschrijding;
ii) het tijdstip van aanvang en de duur van de overschrijding;
iii) de gemeten concentratie in vergelijking met de luchtkwaliteitsnormen, of de gemiddelde-blootstellingsindex in geval van overschrijding van de gemiddeldeblootstellingsverminderings-verplichting;
d)gegevens betreffende gezondheid en vegetatie, met inbegrip van ten minste:
i) de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging voor de algemene bevolking;
ii) de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging voor kwetsbare groepen;
iii) een beschrijving van de te verwachten symptomen;
iv) de aanbevolen voorzorgsmaatregelen;
v) verwijzingen naar de vindplaats van nadere gegevens;
e)gegevens over preventieve acties ter vermindering van de verontreiniging en/of de blootstelling daaraan: vermelding van de belangrijkste bronsectoren; aanbevelingen voor maatregelen om de uitstoot te verminderen;
f)informatie over meetcampagnes of soortgelijke activiteiten en de resultaten daarvan.
2.De lidstaten zorgen ervoor dat de bevolking tijdig wordt ingelicht over daadwerkelijke of voorspelde overschrijdingen van de alarmdrempels en de informatiedrempels. De lidstaten verstrekken in dit verband ten minste de volgende gegevens:
a)
Gegevens over de waargenomen overschrijding(en):
–plaats of gebied van overschrijding;
–soort drempel die is overschreden (informatiedrempel of alarmdrempel);
–tijdstip van aanvang en duur van de overschrijding;
–hoogste uurgemiddelde en hoogste 8-uurgemiddelde concentratie in het geval van ozon.
b)
Prognoses voor de volgende middag/dag(en):
–geografisch gebied van de verwachte overschrijding van de informatie- en/of alarmdrempel;
–de verwachte veranderingen in de verontreiniging (verbetering, stabilisatie of verslechtering), samen met de redenen voor die veranderingen.
c)
Gegevens over de betrokken bevolkingsgroep, mogelijke gevolgen voor de gezondheid en aanbevolen gedrag:
–gegevens over de risicogroepen binnen de bevolking;
–beschrijving van de te verwachten symptomen;
–aanbevelingen voor de door de betrokken bevolkingsgroep te nemen voorzorgsmaatregelen;
–verwijzingen naar de vindplaats van nadere gegevens.
d)
Gegevens over preventieve acties ter vermindering van de verontreiniging en/of de blootstelling daaraan: vermelding van de belangrijkste bronsectoren; aanbevelingen voor maatregelen om de uitstoot te verminderen.
e)
Met betrekking tot voorspelde overschrijdingen nemen de lidstaten maatregelen om ervoor te zorgen dat dergelijke gegevens voor zover mogelijk ter beschikking worden gesteld.
3.Wanneer er sprake is van een overschrijding of een risico van overschrijding van een grenswaarde, streefwaarde voor ozon, gemiddeldeblootstellingsverminderings-verplichting, alarmdrempel of informatiedrempel, zorgen de lidstaten ervoor dat de in deze bijlage bedoelde gegevens ook onder het publiek worden verspreid.
BIJLAGE X
Deel A
Ingetrokken richtlijnen met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan
(bedoeld in artikel 30)
|
Richtlijn 2004/107/EG van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 23 van 26.1.2005, blz. 3)
|
|
|
Verordening (EG) nr. 219/2009 van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 87 van 31.3.2009, blz. 109)
|
uitsluitend punt 3.8 van de bijlage
|
|
Richtlijn (EU) 2015/1480 van de Commissie
(PB L 226 van 29.8.2015, blz. 4)
|
uitsluitend artikel 1
|
|
Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 152 van 11.6.2008, blz. 1)
|
|
|
Richtlijn (EU) 2015/1480 van de Commissie
(PB L 226 van 29.8.2015, blz. 4)
|
uitsluitend artikel 2
|
Deel B
Termijn voor omzetting in intern recht
(bedoeld in artikel 30)
|
Richtlijn
|
Omzettingstermijn
|
|
2004/107/EG
|
15 februari 2007
|
|
2008/50/EG
|
11 juni 2010
|
|
(EU) 2015/1480
|
31 december 2016
|
_____________
BIJLAGE XI
CONCORDANTIETABEL
|
Deze richtlijn
|
Richtlijn 2008/50/EG
|
Richtlijn 2004/107/EG
|
|
Artikel 1
|
—
|
—
|
|
Artikel 2
|
Artikel 1
|
Artikel 1
|
|
Artikel 3
|
Artikel 32
|
Artikel 8
|
|
Artikel 4
|
Artikel 2
|
Artikel 2
|
|
Artikel 5
|
Artikel 3
|
—
|
|
Artikel 6
|
Artikel 4
|
Artikel 4, lid 1
|
|
Artikel 7
|
Artikel 5 en artikel 9, lid 2
|
Artikel 4, leden 2, 3 en 6
|
|
Artikel 8
|
Artikel 6 en artikel 9, lid 1
|
Artikel 4, leden 1 tot en met 5, 8 en 10
|
|
Artikel 9
|
Artikelen 7 en 10
|
Artikel 4, leden 7 en 11
|
|
Artikel 10
|
—
|
Artikel 4, lid 9
|
|
Artikel 11
|
Artikelen 8 en 11
|
Artikel 4, leden 12 en 13
|
|
Artikel 12
|
Artikel 12, artikel 17, leden 1 en 3, en artikel 18
|
Artikel 3, lid 2
|
|
Artikel 13
|
Artikelen 13 en 15 en artikel 17, lid 1
|
Artikel 3, leden 1 en 3
|
|
Artikel 14
|
Artikel 14
|
—
|
|
Artikel 15
|
Artikel 19
|
—
|
|
Artikel 16
|
Artikel 20
|
—
|
|
Artikel 17
|
Artikel 21
|
—
|
|
Artikel 18
|
Artikel 22
|
|
|
Artikel 19
|
Artikel 17, lid 2, en artikel 23
|
Artikel 3, lid 3
|
|
Artikel 20
|
Artikel 24
|
—
|
|
Artikel 21
|
Artikel 25
|
—
|
|
Artikel 22
|
Artikel 26
|
Artikel 7
|
|
Artikel 23
|
Artikel 27
|
Artikel 5
|
|
Artikel 24
|
Artikel 28
|
Artikel 4, lid 15
|
|
Artikel 25
|
—
|
—
|
|
Artikel 26
|
Artikel 29
|
Artikel 6
|
|
Artikel 27
|
—
|
—
|
|
Artikel 28
|
—
|
—
|
|
Artikel 29
|
Artikel 30
|
Artikel 9
|
|
Artikel 30
|
Artikel 31
|
—
|
|
Artikel 31
|
—
|
—
|
|
Artikel 32
|
Artikel 33
|
Artikel 10
|
|
Artikel 33
|
Artikel 34
|
Artikel 11
|
|
Artikel 34
|
Artikel 35
|
Artikel 12
|
🡻 2004/107
BIJLAGE IV
Kwaliteitsdoelstellingen voor de gegevens en eisen ten aanzien van luchtkwaliteitsmodellen
I.Gegevenskwaliteitsdoelstellingen
De volgende kwaliteitsdoelstellingen voor de gegevens gelden als richtsnoer voor kwaliteitsborging.
🡻 2015/1480 artikel 1 en bijlage I, punt 1, a)
|
|
Benzo(a)pyreen
|
Arseen, cadmium en nikkel
|
Andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen dan benzo(a)pyreen, totaal gasvormig kwik
|
Totale depositie
|
|
—
Onzekerheid
|
|
|
|
|
|
Vaste en indicatieve metingen
|
50 %
|
40 %
|
50 %
|
70 %
|
|
Modellen
|
60 %
|
60 %
|
60 %
|
60 %
|
|
—
Minimale gegevensvastlegging
|
90 %
|
90 %
|
90 %
|
90 %
|
|
—
Minimaal bestreken tijd
|
|
|
|
|
|
Vaste metingen
|
33 %
|
50 %
|
|
|
|
Indicatieve metingen
|
14 %
|
14 %
|
14 %
|
33 %
|
🡻 2004/107/EG
🡺1 2015/1480 artikel 1 en bijlage I, punt 1, b)
De onzekerheid (uitgedrukt met een betrouwbaarheidsniveau van 95 %) van de gebruikte methoden voor het beoordelen van luchtconcentraties zal beoordeeld worden in overeenstemming met de principes van de CEN-richtsnoeren voor de uitdrukking van de onzekerheid in metingen (ENV 13005-1999), de methodologie van ISO 5725:1994 en de richtsnoeren in CEN-rapport Air Quality — Approach to uncertainty estimation for ambient air reference measurement methods (CR 14377:2002E). De vermelde percentages voor onzekerheden zijn gegeven voor afzonderlijke metingen, gemiddeld over gangbare bemonsteringstijden, bij een betrouwbaarheidsinterval van 95 %. De onzekerheid voor de metingen moet worden geïnterpreteerd als geldend in de omgeving van de toepasselijke streefwaarde. De vaste en indicatieve metingen moeten gelijkmatig over het jaar gespreid zijn om een vertekening van de resultaten te voorkomen.
In de eisen voor de minimale gegevensvastlegging en de minimaal bestreken tijd wordt geen rekening gehouden met het verlies van gegevens door de periodieke kalibratie of het normale onderhoud van de apparatuur. Bemonstering gedurende 24 uur is vereist voor het meten van benzo(a)pyreen en andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen. Met zorgvuldigheid kunnen individuele monsters die over een periode van maximaal een maand zijn genomen, worden gecombineerd en geanalyseerd als een samengesteld monster, mits de methode waarborgt dat de monsters voor die periode stabiel zijn. De drie congeneren benzo(b)fluorantheen, benzo(j)fluorantheen en benzo(k)fluorantheen kunnen analytisch moeilijk op te lossen zijn. In die gevallen kunnen zij als totaal worden gerapporteerd.🡺1 --- 🡸 De bemonstering moet gelijkmatig over de weekdagen en het jaar gespreid zijn. Voor het meten van deposities worden maandelijkse of wekelijkse monsternemingen gedurende het hele jaar aanbevolen.
🡻 2015/1480 artikel 1 en bijlage I, punt 1, c)
De bepalingen inzake individuele monsters van de vorige alinea gelden ook voor arseen, cadmium, nikkel en totaal gasvormig kwik. Bovendien is het toegestaan deelmonsters te nemen met behulp van PM10-filters voor de bemonstering en analyse van metalen, mits bewijs wordt geleverd dat het deelmonster representatief is voor het geheel en dat de detectiegevoeligheid in overeenstemming is met de relevante doelstellingen voor de kwaliteit van de gegevens. PM10-bemonstering mag per week in plaats van per dag plaatsvinden op voorwaarde dat de kenmerken van de verzameling hierdoor niet worden aangetast.
🡻 2004/107/EG
De lidstaten mogen wet-only- in plaats van bulkmonsterneming toepassen indien zij kunnen aantonen dat de verschillen daartussen binnen een marge van 10 % liggen. De deposities moeten in de regel worden gegeven als μg/m2 per dag.
De lidstaten mogen een minimaal bestreken tijd toepassen die lager is dan in de tabel is aangegeven, doch niet minder dan 14 % voor de vaste metingen en 6 % voor de indicatieve metingen bedraagt, mits zij kunnen aantonen dat de uitgebreide onzekerheid van 95 % voor het jaarlijkse gemiddelde, berekend uit de kwaliteitsdoelstellingen voor de gegevens in de tabel overeenkomstig ISO 11222:2002 — „Determination of the uncertainty of the time average of air quality measurements”, wordt nageleefd.
II.Eisen ten aanzien van luchtkwaliteitsmodellen
Wanneer voor de beoordeling een luchtkwaliteitsmodel wordt gebruikt, dienen verwijzingen naar de beschrijvingen van het model en gegevens inzake de onzekerheid te worden verzameld. De onzekerheid voor modellen wordt gedefinieerd als de maximale afwijking van de gemeten en berekende concentratieniveaus over een geheel jaar, waarbij geen rekening wordt gehouden met het tijdstip waarop de gebeurtenissen zich voordoen.
III.Eisen ten aanzien van objectieve ramingstechnieken
Wanneer er objectieve ramingstechnieken worden gebruikt, mag de onzekerheid niet meer dan 100 % bedragen.
IV.Normalisatie
Voor stoffen die in de PM10-fractie moeten worden geanalyseerd, verwijst het monstervolume naar de milieuvoorwaarden.
🡻 2004/107
BIJLAGE V
Referentiemethoden voor de beoordeling van concentraties in de lucht en deposities
🡻 2015/1480 artikel 1 en bijlage I, punt 2
I.Referentiemethode voor de bemonstering en analyse van arseen, cadmium en nikkel in de lucht
De referentiemethode voor de bemonstering van arseen, cadmium en nikkel in de lucht staat beschreven in EN 12341:2014. De referentiemethode voor het meten van arseen, cadmium en nikkel in de lucht is die welke beschreven staat in EN 14902:2005 „Ambient air quality — Standard method for the measurement of Pb, Cd, As and Ni in the PM10 fraction of suspended particulate matter”.
Een lidstaat mag ook andere methoden toepassen waarvan de lidstaat kan aantonen dat de resultaten gelijkwaardig zijn aan die van bovengenoemde methode.
II.Referentiemethode voor de bemonstering en analyse van polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht
De referentiemethode voor de bemonstering van polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht staat beschreven in EN 12341:2014. De referentiemethode voor de meting van benzo(a)pyreen in de lucht is die welke beschreven staat in EN 15549:2008 “Air quality — Standard method for the measurement of concentration of benzo[a]pyrene in ambient air”. Zolang er geen door de CEN gestandaardiseerde methode is voor de andere in artikel 4, lid 8, vermelde polycyclische aromatische koolwaterstoffen, kunnen de lidstaten nationale standaardmethoden of ISO-methoden zoals ISO-norm 12884 gebruiken.
Een lidstaat mag ook andere methoden toepassen waarvan de lidstaat kan aantonen dat de resultaten gelijkwaardig zijn aan die van bovengenoemde methode.
III.Referentiemethode voor de bemonstering en analyse van kwik in de lucht
De referentiemethode voor het meten van concentraties van totaal gasvormig kwik in de lucht is die welke beschreven staat in EN 15852:2010 „Ambient air quality — Standard method for the determination of total gaseous mercury”.
Een lidstaat mag ook andere methoden toepassen waarvan de lidstaat kan aantonen dat de resultaten gelijkwaardig zijn aan die van bovengenoemde methode.
IV.Referentiemethode voor de bemonstering en analyse van de depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen
De referentiemethode voor de bepaling van de depositie van arseen, cadmium en nikkel is die welke beschreven staat in EN 15841:2009 “Ambient air quality — Standard method for determination of arsenic, cadmium, lead and nickel in atmospheric deposition”.
De referentiemethode voor de bepaling van de depositie van kwik is die welke beschreven staat in EN 15853:2010 “Ambient air quality — Standard method for determination of mercury deposition”.
De referentiemethode voor de bepaling van de depositie van benzo(a)pyreen en de andere in artikel 4, lid 8, vermelde polycyclische aromatische koolwaterstoffen is die welke beschreven staat in EN 15980:2011 „Air quality. Determination of the deposition of benz[a]anthracene, benzo[b]fluoranthene, benzo[j]fluoranthene, benzo[k]fluoranthene, benzo[a]pyrene, dibenz[a,h]anthracene and indeno[1,2,3-cd]pyrene”.”.
🡻 219/2009 artikel 1 en de bijlage, punt 3.8
V. Referentietechnieken voor luchtkwaliteitsmodellen
Er kunnen momenteel geen referentietechnieken voor luchtkwaliteitsmodellen worden gespecificeerd. De Commissie kan wijzigingen vaststellen om dit punt aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 6, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
🡻 2008/50
BIJLAGE I
GEGEVENSKWALITEITSDOELSTELLINGEN
A. Gegevenskwaliteitsdoelstellingen voor de beoordeling van de luchtkwaliteit
|
|
Zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden en koolmonoxide
|
Benzeen
|
Zwevende deeltjes (PM10/PM2,5) en lood
|
Ozon en daarmee samenhangend NO en NO2
|
|
Vaste metingen
|
|
|
|
|
|
Onzekerheid
|
15 %
|
25 %
|
25 %
|
15 %
|
|
Minimale gegevensvastlegging
|
90 %
|
90 %
|
90 %
|
90 % gedurende het zomerseizoen
75 % gedurende het winterseizoen
|
|
Minimaal bestreken tijd:
|
|
|
|
|
|
—
stedelijke achtergrond en verkeer
|
—
|
35 %
|
—
|
—
|
|
—
industriële locaties
|
—
|
90 %
|
—
|
—
|
|
Indicatieve metingen
|
|
|
|
|
|
Onzekerheid
|
25 %
|
30 %
|
50 %
|
30 %
|
|
Minimale gegevensvastlegging
|
90 %
|
90 %
|
90 %
|
90 %
|
|
Minimaal bestreken tijd
|
14 %
|
14 %
|
14 %
|
> 10 % gedurende het zomerseizoen
|
|
Modelonzekerheid:
|
|
|
|
|
|
Uurwaarden
|
50 %
|
—
|
—
|
50 %
|
|
8-uurgemiddelden
|
50 %
|
—
|
—
|
50 %
|
|
Daggemiddelden
|
50 %
|
—
|
nog niet vastgesteld
|
—
|
|
Jaargemiddelden
|
30 %
|
50 %
|
50 %
|
—
|
|
Objectieve raming
|
|
|
|
|
|
Onzekerheid
|
75 %
|
100 %
|
100 %
|
75 %
|
De onzekerheid (met een betrouwbaarheidsniveau van 95 %) van de beoordelingsmethoden wordt geëvalueerd volgens de beginselen van de Leidraad voor de bepaling en aanduiding van de meetonzekerheid van het CEN (ENV 13005-1999), de methodiek van ISO 5725:1994 en de richtsnoeren in het CEN-verslag „Luchtkwaliteit — Benadering van de onzekerheid bij referentiemeetmethoden van buitenlucht” (CR 14377:2002E). De onzekerheidspercentages in de bovenstaande tabel gelden voor afzonderlijke metingen, gemiddeld over het tijdvak voor de grenswaarde (of streefwaarde in het geval van ozon), bij een betrouwbaarheidsinterval van 95 %. De onzekerheid ten aanzien van de vaste metingen wordt geïnterpreteerd als geldend voor het bereik van de toepasselijke grenswaarde (of streefwaarde in het geval van ozon).
De onzekerheid voor modellen wordt gedefinieerd als de maximale afwijking van de gemeten en berekende concentratieniveaus voor 90 % van de afzonderlijke controlepunten over het tijdvak voor de grenswaarde (of streefwaarde in het geval van ozon), waarbij geen rekening wordt gehouden met het tijdstip waarop de gebeurtenissen zich voordoen. De onzekerheid ten aanzien van modellen wordt geïnterpreteerd als geldend voor het bereik van de toepasselijke grenswaarde (of streefwaarde in het geval van ozon). De vaste metingen die moeten worden geselecteerd voor de vergelijking met de resultaten van modellen zijn representatief voor de schaal die door het model wordt bestreken.
De onzekerheid voor objectieve ramingen wordt gedefinieerd als de maximale afwijking van de gemeten en berekende concentratieniveaus over het tijdvak voor de grenswaarde (of streefwaarde in het geval van ozon), waarbij geen rekening wordt gehouden met het tijdstip waarop de gebeurtenissen zich voordoen.
In de vereisten voor de minimale gegevensvastlegging en bestreken tijd wordt geen rekening gehouden met het verlies van gegevens door de periodieke kalibratie of het normale onderhoud van de apparatuur.
B.Resultaten van de beoordeling van de luchtkwaliteit
De volgende gegevens worden verzameld voor zones of agglomeraties waar gegevens uit andere bronnen dan metingen worden gebruikt als aanvulling op de gegevens van metingen of als het enige middel ter beoordeling van de luchtkwaliteit:
–een beschrijving van de uitgevoerde beoordelingsactiviteiten;
–de gebruikte specifieke methoden, met een verwijzing naar beschrijvingen van de methode;
–de bronnen van de gegevens en de informatie;
–een beschrijving van de resultaten, met inbegrip van de onzekerheden en met name de omvang van elk gebied of, indien van toepassing, de lengte van wegen binnen de zone of agglomeratie waar de concentraties een grenswaarde, streefwaarde of langetermijndoelstelling, verhoogd met de overschrijdingsmarge, overschrijden, in voorkomend geval, en elk gebied waar de concentraties de bovenste beoordelingsdrempel of de onderste beoordelingsdrempel overschrijden;
–de omvang van de bevolking die mogelijk wordt blootgesteld aan niveaus die een grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens overschrijden.
🡻 2015/1480 artikel 2 en bijlage II, punt 1
C.Kwaliteitsborging voor de beoordeling van de luchtkwaliteit Validatie van gegevens
1.
Om de nauwkeurigheid van de metingen en de naleving van de in deel A vastgestelde gegevenskwaliteitsdoelstellingen te garanderen, zien de krachtens artikel 3 aangewezen bevoegde instanties en organen erop toe dat:
i)alle metingen die worden uitgevoerd in samenhang met de beoordeling van de luchtkwaliteit overeenkomstig de artikelen 6 en 9, traceerbaar zijn overeenkomstig de voorschriften van de geharmoniseerde norm voor beproevings- en kalibratielaboratoria;
ii)de instellingen die netwerken en individuele stations beheren, beschikken over een functionerend kwaliteitsborgings- en kwaliteitscontrolesysteem dat voorziet in geregeld onderhoud om de voortdurende nauwkeurigheid van de meetapparaten te garanderen. Het kwaliteitssysteem wordt wanneer dat nodig is, maar ten minste om de vijf jaar geëvalueerd door het betrokken nationale referentielaboratorium;
iii)er een kwaliteitsborgings-/kwaliteitscontroleproces wordt ingevoerd voor de gegevensvergaring en -rapportage en dat de met die taak belaste instellingen actief deelnemen aan de desbetreffende EU-brede kwaliteitsborgingsprogramma's;
iv)de nationale referentielaboratoria worden aangewezen door de krachtens artikel 3 aangewezen bevoegde instanties of organen en geaccrediteerd zijn voor de in bijlage VI bedoelde referentiemethoden, ten minste voor die verontreinigende stoffen waarvoor de concentraties boven de onderste beoordelingsdrempel liggen, overeenkomstig de desbetreffende geharmoniseerde norm voor beproevings- en kalibratielaboratoria, waarvan de referentie in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt, overeenkomstig artikel 2, lid 9, van Verordening (EG) nr. 765/2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht. Deze laboratoria zijn ook verantwoordelijk voor de coördinatie, op het grondgebied van de lidstaat, van de EU-brede kwaliteitsborgingsprogramma’s die door het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie zullen worden georganiseerd, en zij zijn tevens verantwoordelijk voor de coördinatie op nationaal niveau van de correcte toepassing van referentiemethoden en het bewijs van de gelijkwaardigheid van niet-referentiemethoden. Nationale referentielaboratoria die nationaal ringonderzoek organiseren, moeten ook geaccrediteerd zijn overeenkomstig de desbetreffende geharmoniseerde norm voor bekwaamheidstests;
v)de nationale referentielaboratoria ten minste om de drie jaar deelnemen aan de EU-brede kwaliteitsborgingsprogramma's die door het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie worden georganiseerd. Indien deze deelname onbevredigende resultaten oplevert, moet het nationale laboratorium bij zijn volgende deelname aan een ringonderzoek aantonen dat het bevredigende herstelmaatregelen heeft genomen en hierover aan het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek rapporteren;
vi)de nationale referentielaboratoria de werkzaamheden van het door de Commissie opgerichte Europese netwerk van nationale referentielaboratoria ondersteunen.
2.
Alle uit hoofde van artikel 27 gerapporteerde gegevens worden geacht geldig te zijn, behalve gegevens die als voorlopig worden aangemerkt.
🡻 2008/50/EG
BIJLAGE II
Vaststelling van eisen inzake de beoordeling van de concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, benzeen en koolmonoxide in de lucht in een zone of agglomeratie
A.Bovenste en onderste beoordelingsdrempels
Als bovenste en onderste beoordelingsdrempels worden vastgesteld:
1.Zwaveldioxide
|
|
Bescherming van de gezondheid
|
Bescherming van de vegetatie
|
|
Bovenste beoordelingsdrempel
|
60 % van de 24-uurgrenswaarde (75 μg/m3; mag niet vaker dan 3 keer per kalenderjaar worden overschreden)
|
60 % van het in de winter geldende kritieke niveau
(12 μg/m3)
|
|
Onderste beoordelingsdrempel
|
40 % van de 24-uurgrenswaarde (50 μg/m3; mag niet vaker dan 3 keer per kalenderjaar worden overschreden)
|
40 % van het in de winter geldende kritieke niveau
(8 μg/m3)
|
2.Stikstofdioxide en stikstofoxiden
|
|
Uurgrenswaarde voor de bescherming van de menselijke gezondheid (NO2)
|
Jaargrenswaarde voor de bescherming van de menselijke gezondheid (NO2)
|
Kritiek niveau over een jaar voor de bescherming van de vegetatie en de natuurlijke ecosystemen (NOx)
|
|
Bovenste beoordelingsdrempel
|
70 % van de grenswaarde (140 μg/m3; mag niet vaker dan 18 keer per kalenderjaar worden overschreden)
|
80 % van de grenswaarde (32 μg/m3)
|
80 % van het kritieke niveau (24 μg/m3)
|
|
Onderste beoordelingsdrempel
|
50 % van de grenswaarde (100 μg/m3; mag niet vaker dan 18 keer per kalenderjaar worden overschreden)
|
65 % van de grenswaarde (26 μg/m3)
|
65 % van het kritieke niveau (19,5 μg/m3)
|
3.Zwevende deeltjes (PM10/PM2,5)
|
|
24-uurgemiddelde PM10
|
Jaargemiddeld PM10
|
Jaargemiddeld PM2,5
|
|
Bovenste beoordelingsdrempel
|
70 % van de grenswaarde (35 μg/m3; mag niet vaker dan 35 keer per kalenderjaar worden overschreden)
|
70 % van de grenswaarde (28 μg/m3)
|
70 % van de grenswaarde (17 μg/m3)
|
|
Onderste beoordelingsdrempel
|
50 % van de grenswaarde (25 μg/m3; mag niet vaker dan 35 keer per kalenderjaar worden overschreden)
|
50 % van de grenswaarde (20 μg/m3)
|
50 % van de grenswaarde (12 μg/m3)
|
4.Lood
|
|
Jaargemiddelde
|
|
Bovenste beoordelingsdrempel
|
70 % van de grenswaarde (0,35 μg/m3)
|
|
Onderste beoordelingsdrempel
|
50 % van de grenswaarde (0,25 μg/m3)
|
5.Benzeen
|
|
Jaargemiddelde
|
|
Bovenste beoordelingsdrempel
|
70 % van de grenswaarde (3,5 μg/m3)
|
|
Onderste beoordelingsdrempel
|
40 % van de grenswaarde (2 μg/m3)
|
6.Koolmonoxide
|
|
8-uurgemiddelde
|
|
Bovenste beoordelingsdrempel
|
70 % van de grenswaarde (7 mg/m3)
|
|
Onderste beoordelingsdrempel
|
50 % van de grenswaarde (5 mg/m3)
|
🡻 2008/50/EG
BIJLAGE III
Beoordeling van de luchtkwaliteit en plaats van de bemonsteringspunten voor het meten van zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, benzeen en koolmonoxide in de lucht
A.Algemeen
Beoordeling van de luchtkwaliteit geschiedt in alle zones en agglomeraties overeenkomstig de volgende criteria:
1.
Met uitzondering van de in punt 2 genoemde locaties, wordt de luchtkwaliteit overal beoordeeld overeenkomstig de in de hiernavolgende delen B en C vastgestelde criteria voor de plaats van de bemonsteringspunten voor vaste metingen. Voor zover de beginselen van de delen B en C relevant zijn voor het in kaart brengen van de specifieke locaties waar de concentratie van de desbetreffende verontreinigende stoffen wordt vastgesteld, zijn zij ook van toepassing wanneer de luchtkwaliteit wordt beoordeeld door middel van indicatieve metingen of modellering.
2.
Op de volgende locaties vindt geen beoordeling plaats van de naleving van de grenswaarden met het oog op de bescherming van de gezondheid van de mens:
a)locaties die zich bevinden in gebieden waartoe leden van het publiek geen toegang hebben en waar geen vaste bewoning is;
b)overeenkomstig artikel 2, lid 1, op bedrijfsterreinen of terreinen van industriële inrichtingen, waarop alle relevante bepalingen inzake gezondheid en veiligheid op het werk gelden;
c)op de rijbaan van wegen; en op de middenberm van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang tot de middenberm hebben.
B.Situering van de bemonsteringspunten op macroschaal
1.
Bescherming van de gezondheid van de mens
a)De bemonsteringspunten met het oog op de bescherming van de menselijke gezondheid dienen zich op een zodanige plaats te bevinden dat gegevens worden verkregen over:
–de gebieden binnen zones en agglomeraties waar de hoogste concentraties voorkomen waaraan de bevolking rechtstreeks of onrechtstreeks kan worden blootgesteld gedurende een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de grenswaarde(n) niet verwaarloosbaar is;
–de concentraties in andere gebieden binnen de zones en agglomeraties die representatief zijn voor de blootstelling van de bevolking als geheel.
b)De bemonsteringspunten moeten zich in het algemeen op een zodanige plaats bevinden dat meting van zeer kleine micromilieus in de directe omgeving wordt voorkomen, wat betekent dat een bemonsteringspunt zich op een zodanige plaats moet bevinden dat het, voor zover mogelijk, representatief is voor de luchtkwaliteit van een straatsegment met een lengte van minimaal 100 m in het geval van verkeersgerichte bemonsteringspunten en minimaal 250 m × 250 m op industrieterreinen.
c)Stedelijkeachtergrondlocaties moeten zich op een zodanige plaats bevinden dat het verontreinigingsniveau ervan wordt beïnvloed door de geïntegreerde bijdrage van alle bronnen die bovenwinds ten opzichte van het meetstation liggen. Het verontreinigingsniveau mag niet door één enkele bron worden overheerst, tenzij een dergelijke situatie typisch is voor een groter stedelijk gebied. Die bemonsteringspunten moeten in het algemeen representatief zijn voor een aantal vierkante kilometers;
d)Wanneer het bemonsteringspunt tot doel heeft plattelandsachtergrondniveaus te beoordelen, mag het niet worden beïnvloed door agglomeraties of industrieterreinen in de nabijheid ervan, d.w.z. locaties binnen een straal van vijf kilometer.
e)Wanneer de bijdragen van industriële bronnen moeten worden beoordeeld, dient ten minste één bemonsteringspunt benedenwinds ten opzichte van de bron in het dichtstbijgelegen woongebied te worden ingericht. Wanneer de achtergrondconcentratie niet bekend is, dient een aanvullend bemonsteringspunt te worden gesitueerd in de hoofdwindrichting.
f)De bemonsteringspunten moeten zo mogelijk ook representatief zijn voor soortgelijke locaties buiten de onmiddellijke omgeving ervan.
g)Er moet rekening worden gehouden met de noodzaak bemonsteringspunten op eilanden in te richten wanneer dit voor de bescherming van de menselijke gezondheid nodig is.
2.
Bescherming van de vegetatie en de natuurlijke ecosystemen
Bemonsteringspunten met het oog op de bescherming van de vegetatie en de natuurlijke ecosystemen dienen op meer dan 20 km van agglomeraties en meer dan 5 km van andere bebouwde gebieden, industriële installaties, autosnelwegen, of hoofdwegen waarop meer dan 50000 voertuigen per dag worden geteld, te liggen, wat betekent dat een bemonsteringspunt zich op een zodanige plaats moet bevinden dat het representatief is voor de luchtkwaliteit in een omringend gebied van minimaal 1 000 km2. Een lidstaat kan in het licht van de geografische omstandigheden of van de mogelijkheid om bijzonder kwetsbare gebieden te beschermen, bepalen dat een bemonsteringspunt op kortere afstand gelegen mag zijn of representatief mag zijn voor de luchtkwaliteit in een minder groot gebied.
Er moet rekening worden gehouden met de noodzaak de luchtkwaliteit op eilanden te beoordelen.
C.Situering van de bemonsteringspunten op microschaal
Voor zover uitvoerbaar is het volgende van toepassing:
🡻 2015/1480 artikel 2 en bijlage II, punt 2, a)
–de luchtstroom rond de inlaat van de bemonsteringsbuis dient onbelemmerd te zijn (in het algemeen binnen een hoek van ten minste 270° of 180° voor monsternemingspunten aan de rooilijn), zonder enige verstoring van de luchtstroom in de omgeving van de inlaat (er moet normaal gesproken enkele meters afstand worden gehouden van gebouwen, balkons, bomen en andere obstakels en monsternemingspunten die representatief zijn voor de luchtkwaliteit aan de rooilijn dienen zich minimaal op een afstand van 0,5 m van het dichtstbijzijnde gebouw te bevinden);
–de hoogte van de inlaat boven de grond moet in het algemeen tussen 1,5 m (ademhalingshoogte) en 4 m liggen. Een grotere hoogte kan ook nuttig zijn als het station representatief voor een groot gebied moet zijn en elke afwijking moet volledig worden gedocumenteerd.
🡻 2008/50/EG
–de inlaat mag zich niet in de directe nabijheid van bronnen bevinden teneinde te voorkomen dat de uitstoot daarvan rechtstreeks en zonder menging met de buitenlucht in de inlaatbuis terechtkomt;
–de uitlaat van het bemonsteringsapparaat moet zich op een zodanige plaats bevinden dat de lucht daaruit niet opnieuw in de inlaatbuis terecht kan komen;
🡻 2015/1480 artikel 2 en bijlage II, punt 2, a)
–voor alle verontreinigende stoffen moeten de verkeersgerichte bemonsteringsbuizen ten minste 25 m van de rand van grote kruispunten en niet meer dan 10 m van de wegrand verwijderd zijn. Een „groot kruispunt” moet hier worden opgevat als een kruispunt waardoor de verkeersstroom wordt onderbroken en de uitstoot verschilt (stop-and-goverkeer) ten opzichte van het overige gedeelte van de weg.
🡻 2008/50/EG
Ook met de volgende factoren kan rekening worden gehouden:
–storende bronnen;
–beveiliging;
–toegankelijkheid;
–beschikbaarheid van elektriciteit en telefoonlijnen;
–zichtbaarheid ten opzichte van de omgeving;
–veiligheid van publiek en bedieners;
–de wenselijkheid om de bemonsteringspunten voor verschillende verontreinigende stoffen op dezelfde plaats onder te brengen;
–eisen in verband met ruimtelijke ordening.
🡻 2015/1480 artikel 2 en bijlage II, punt 2, a)
Elke afwijking van de in dit deel genoemde criteria wordt volledig gedocumenteerd overeenkomstig de in deel D beschreven procedures.
🡻 2015/1480 artikel 2 en bijlage II, punt 2, b)
D.Documentatie en toetsing van de gekozen locaties
De bevoegde instanties die verantwoordelijk zijn voor de beoordeling van de luchtkwaliteit, documenteren voor alle zones en agglomeraties de procedures voor de keuze van de locaties volledig en registreren informatie om het ontwerp van het netwerk en de keuze van de locaties voor alle meetpunten te ondersteunen. De documentatie omvat foto's in verschillende windrichtingen van de omgeving van de meetlocaties en gedetailleerde kaarten. Indien aanvullende methoden worden toegepast in een zone of agglomeratie, omvat de documentatie bijzonderheden van deze methoden en informatie over hoe aan de in artikel 7, lid 3, genoemde criteria wordt voldaan. De documentatie wordt bijgewerkt wanneer dat nodig is en ten minste om de vijf jaar geëvalueerd om te garanderen dat de selectiecriteria, het ontwerp van het netwerk en de locaties van de meetpunten te allen tijde geldig en optimaal blijven. Indien de Commissie documentatie opvraagt, moet deze binnen drie maanden na indiening van het verzoek worden verstrekt.
🡻 2008/50
BIJLAGE IV
METINGEN OP PLATTELANDSACHTERGRONDLOCATIES ONGEACHT DE CONCENTRATIE
A.
Doelen
Het belangrijkste doel van dergelijke metingen is ervoor te zorgen dat er adequate gegevens over achtergrondniveaus beschikbaar komen. Deze gegevens zijn van essentieel belang om verhoogde niveaus in meer verontreinigde gebieden (zoals stedelijkeachtergrondgebieden, industriegebieden en door het verkeer beïnvloede plaatsen) te beoordelen, de eventuele bijdrage van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand te evalueren en ondersteuning te bieden bij de toewijzing van verontreiniging aan specifieke bronnen. Een en ander is essentieel voor een goed begrip van specifieke verontreinigende stoffen zoals zwevende deeltjes. Voorts zijn deze gegevens van fundamenteel belang voor het toenemende gebruik van modellering, ook in stedelijke gebieden.
B.
Stoffen
De meting van PM2,5 moet ten minste betrekking hebben op de totale massaconcentratie en de concentratie van verbindingen die relevant zijn om de chemische samenstelling ervan te karakteriseren. Ten minste de hieronder vermelde chemische stoffen moeten worden gemeten.
|
SO42–
|
Na+
|
NH4+
|
Ca2+
|
elementair koolstof (EC)
|
|
NO3–
|
K+
|
Cl–
|
Mg2+
|
organisch koolstof (OC)
|
C.
Plaats van de bemonsteringspunten
Metingen moeten vooral plaatsvinden in plattelandsachtergrondgebieden, overeenkomstig bijlage III, delen A, B en C.
🡻 2008/50
BIJLAGE V
Criteria voor het bepalen van het minimumaantal bemonsteringspunten voor vaste metingen van de concentraties van zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2) en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, benzeen en koolmonoxide in de lucht
A.
Minimumaantal bemonsteringspunten voor vaste metingen om in zones en agglomeraties waar vaste meting de enige bron van gegevens is, om te beoordelen of de grenswaarden voor de bescherming van de menselijke gezondheid en alarmdrempels worden nageleefd.
1.Diffuse bronnen
|
Bevolking van de agglomeratie of zone
(× 1 000)
|
Wanneer de concentraties hoger liggen dan de bovenste beoordelingsdrempel
|
Als de maximale concentraties tussen de bovenste en de onderste beoordelingsdrempel liggen
|
|
|
Verontreinigende stoffen met uitzondering van PM
|
PM
(som van PM10 en PM2,5)
|
Verontreinigende stoffen met uitzondering van PM
|
PM
(som van PM10 en PM2,5)
|
|
0-249
|
1
|
2
|
1
|
1
|
|
250-499
|
2
|
3
|
1
|
2
|
|
500-749
|
2
|
3
|
1
|
2
|
|
750-999
|
3
|
4
|
1
|
2
|
|
1000-1499
|
4
|
6
|
2
|
3
|
|
1500-1999
|
5
|
7
|
2
|
3
|
|
2000-2749
|
6
|
8
|
3
|
4
|
|
2750-3749
|
7
|
10
|
3
|
4
|
|
3750-4749
|
8
|
11
|
3
|
6
|
|
4750-5999
|
9
|
13
|
4
|
6
|
|
≥ 6 000
|
10
|
15
|
4
|
7
|
2.Puntbronnen
Voor de beoordeling van de verontreiniging in de omgeving van puntbronnen moet het aantal bemonsteringspunten voor vaste metingen worden berekend met inachtneming van de emissiedichtheid, de waarschijnlijke distributiepatronen van de luchtverontreiniging en de mogelijke blootstelling van de bevolking.
B.
Minimumaantal bemonsteringspunten voor vaste metingen om te beoordelen of de streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling aan PM2,5 met het oog op de bescherming van de menselijke gezondheid wordt nageleefd
Voor dit doel dient één bemonsteringspunt per miljoen inwoners gesommeerd over agglomeraties en andere stedelijke gebieden met meer dan 100000 inwoners te worden gebruikt. Deze bemonsteringspunten kunnen samenvallen met de in deel A genoemde bemonsteringspunten.
C.
Minimumaantal bemonsteringspunten voor vaste metingen om in andere zones dan agglomeraties te beoordelen of de kritieke niveaus voor de bescherming van vegetatie worden nageleefd
|
Wanneer de concentraties hoger liggen dan de bovenste beoordelingsdrempel
|
Wanneer de maximale concentraties tussen de bovenste en de onderste beoordelingsdrempel liggen
|
|
1 station per 20 000 km2
|
1 station per 40 000 km2
|
In eilandzones moet het aantal bemonsteringspunten worden berekend met inachtneming van de waarschijnlijke distributiepatronen van de luchtverontreiniging en de mogelijke blootstelling van de vegetatie.
🡻 2008/50/EG
BIJLAGE VI
Referentiemethoden voor het beoordelen van de concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, benzeen, koolmonoxide en ozon
🡻 2015/1480 artikel 2 en bijlage II, punt 3, a)
A.Referentiemethoden voor het beoordelen van de concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, benzeen, koolmonoxide en ozon
1.Referentiemethode voor het meten van zwaveldioxide
De referentiemethode voor het meten van zwaveldioxide is die welke beschreven staat in EN 14212:2012 “Ambient air — Standard method for the measurement of the concentration of sulphur dioxide by ultraviolet fluorescence”.
2.Referentiemethode voor het meten van stikstofdioxide en stikstofoxiden
De referentiemethode voor het meten van stikstofdioxide en stikstofoxiden is die welke beschreven staat in EN 14211:2012 “Ambient air — Standard method for the measurement of the concentration of nitrogen dioxide and nitrogen monoxide by chemiluminescence”.
🡻 2015/1480 artikel 2 en bijlage II, punt 3, a), zoals gewijzigd bij rectificatie, PB L 72 van 14.3.2019, blz. 141
3.Referentiemethode voor het bemonsteren en meten van lood
De referentiemethode voor het bemonsteren van lood is die welke beschreven staat in deel A, punt 4, van deze bijlage. De referentiemethode voor het meten van lood is die welke beschreven staat in EN 14902:2005 „Standard method for the measurement of Pb, Cd, As and Ni in the PM10 fraction of suspended particulate matter”.
🡻 2015/1480 artikel 2 en bijlage II, punt 3, a)
4.Referentiemethode voor het bemonsteren en meten van PM10
De referentiemethode voor het bemonsteren en het meten van PM10 is die welke beschreven staat in EN 12341:2014 „Ambient Air — standard gravimetric measurement method for the determination of the PM10 or PM2,5 mass concentration of suspended particulate matter”.
5.Referentiemethode voor het bemonsteren en meten van PM2,5
De referentiemethode voor het bemonsteren en het meten van PM2,5 is die welke beschreven staat in EN 12341:2014 „Ambient Air — standard gravimetric measurement method for the determination of the PM10 or PM2,5 mass concentration of suspended particulate matter”.
🡻 2015/1480 artikel 2 en bijlage II, punt 3, a), zoals gewijzigd bij rectificatie, PB L 72 van 14.3.2019, blz. 141
6.Referentiemethode voor het bemonsteren en meten van benzeen
De referentiemethode voor het meten van benzeen is die welke beschreven staat in EN 14662:2005, delen 1, 2 en 3 „Ambient air quality — Standard method for measurement of benzene concentrations”.
🡻 2015/1480 artikel 2 en bijlage II, punt 3, a)
7.Referentiemethode voor het meten van koolmonoxide
De referentiemethode voor het meten van koolmonoxide is die welke beschreven staat in EN 14626:2012 “Ambient air — Standard method for the measurement of the concentration of carbon monoxide by non-dispersive infrared spectroscopy”.
8.Referentiemethode voor het meten van ozon
De referentiemethode voor het meten van ozon is die welke beschreven staat in EN 14625:2012 “Ambient air — Standard method for the measurement of the concentration of ozone by ultraviolet photometry”.
🡻 2008/50/EG
B.Aantonen van gelijkwaardigheid
1.
De lidstaten mogen zich bedienen van elke andere methode waarvan zij kunnen aantonen dat zij gelijkwaardige resultaten oplevert in vergelijking met de in deel A bedoelde methoden, alsook, in het geval van zwevende deeltjes, van elke andere methode waarvan de betrokken lidstaat kan aantonen dat er een consistent verband bestaat met de referentiemethode. In dat geval moeten de met die methode verkregen resultaten worden gecorrigeerd zodat er resultaten worden gegenereerd die gelijkwaardig zijn aan die welke door het toepassen van de referentiemethode zouden zijn verkregen.
2.
De Commissie kan van de lidstaten verlangen dat zij een verslag opstellen en overleggen dat de gelijkwaardigheid overeenkomstig lid 1 aantoont.
3.
Bij het beoordelen van de aanvaardbaarheid van het in lid 2 genoemde verslag maakt de Commissie gebruik van haar richtsnoeren inzake het aantonen van gelijkwaardigheid (nog te publiceren). Als de lidstaten tussentijdse oplossingen hebben gebruikt om bij benadering tot gelijkwaardigheid te komen, dienen deze te worden bevestigd en/of gewijzigd in het licht van de richtsnoeren van de Commissie.
4.
De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat in alle passende gevallen een correctie wordt toegepast, ook met terugwerkende kracht op oudere meetgegevens, teneinde de gegevens beter vergelijkbaar te maken.
C.Normalisatie
Voor gasvormige verontreinigende stoffen moet het volume worden gestandaardiseerd naar een temperatuur van 293 K en een atmosferische druk van 101,3 kPa. Voor deeltjes en voor stoffen die in deeltjes worden geanalyseerd (bijvoorbeeld lood) wordt het volume van het monster bepaald in de omgevingsomstandigheden met betrekking tot temperatuur en atmosferische druk op de dag van de metingen.
E.Wederzijdse erkenning van gegevens
🡻 2015/1480 artikel 2 en bijlage II, punt 3, c)
Om aan te tonen dat de uitrusting aan de in deel A van deze bijlage opgesomde prestatievereisten van de referentiemethoden voldoet, moeten de krachtens artikel 3 aangewezen bevoegde instanties en organen de testverslagen aanvaarden die in andere lidstaten zijn opgesteld mits de beproevingslaboratoria overeenkomstig de desbetreffende geharmoniseerde norm voor beproevings- en kalibratielaboratoria zijn geaccrediteerd.
De gedetailleerde testverslagen en alle testresultaten worden ter beschikking gesteld van de andere bevoegde autoriteiten of de aangewezen organen daarvan. Uit de testverslagen moet blijken dat de uitrusting aan alle prestatievereisten voldoet, ook indien bepaalde milieu- of plaatselijke omstandigheden specifiek zijn voor een lidstaat en niet overeenstemmen met de omstandigheden waarin de uitrusting reeds is getest en waarin reeds een typetest is uitgevoerd in een andere lidstaat.
🡻 2008/50/EG
BIJLAGE VII
STREEFWAARDEN EN LANGETERMIJNDOELSTELLINGEN VOOR OZON
A.Definities en criteria
1.Definities
AOT40 (uitgedrukt in (μg/m3) · uur) staat voor het gesommeerde verschil tussen de uurconcentraties boven 80 μg/m3 (= 40 deeltjes per miljard) en 80 μg/m3 over een bepaalde periode, waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van de uurwaarden die elke dag tussen 8.00 uur en 20.00 uur Midden-Europese tijd worden gemeten.
2.Criteria
Bij het aggregeren van gegevens en het berekenen van statistische parameters worden ter controle van de validiteit de volgende criteria gehanteerd:
|
Parameter
|
Vereiste proportie geldige gegevens
|
|
Uurwaarden
|
75 % (d.w.z. 45 minuten)
|
|
8-uurwaarden
|
75 % van de waarden (d.w.z. 6 uur)
|
|
Hoogste 8-uurgemiddelde per dag van de uurlijks voortschrijdende 8-uurgemiddelden
|
75 % van de per uur voortschrijdende 8-uurgemiddelden (d.w.z. 18 8-uurgemiddelden per dag)
|
|
AOT40
|
90 % van de uurwaarden gedurende de voor de berekening van de AOT40-waarde vastgestelde periode
|
|
Jaargemiddelde
|
75 % van de uurwaarden gedurende het zomerseizoen (april tot en met september) en 75 % gedurende het winterseizoen (januari tot en met maart, oktober tot en met december), afzonderlijk beschouwd
|
|
Aantal overschrijdingen en maximumwaarden per maand
|
90 % van de dagelijkse hoogste 8-uurgemiddelden (27 beschikbare dagwaarden per maand)
90 % van de uurwaarden tussen 8.00 en 20.00 uur Midden-Europese tijd
|
|
Aantal overschrijdingen en maximumwaarden per jaar
|
5 van de 6 maanden van het zomerseizoen (april tot en met september)
|
B.Streefwaarden
|
Onderwerp
|
Middelingstijd
|
Streefwaarde
|
Datum waarop de streefwaarde zou dienen te zijn bereikt
|
|
Bescherming van de gezondheid van de mens
|
Hoogste 8-uurgemiddelde van een dag
|
120 μg/m3 mag, gemiddeld over drie jaar, niet vaker dan 25 dagen per kalenderjaar worden overschreden
|
1.1.2010
|
|
Bescherming van de vegetatie
|
Mei tot en met juli
|
AOT40 (berekend op basis van uurwaarden)
18000 μg/m3 · u gemiddeld over 5 jaar
|
1.1.2010
|
C.Langetermijndoelstellingen
|
Onderwerp
|
Middelingstijd
|
Langetermijndoelstelling
|
Datum waarop de langetermijndoelstelling zou dienen te zijn bereikt
|
|
Bescherming van de gezondheid van de mens
|
Hoogste 8-uurgemiddelde van een dag gedurende een kalenderjaar
|
120 μg/m3
|
niet bepaald
|
|
Bescherming van de vegetatie
|
Mei tot en met juli
|
AOT40, (berekend op basis van de uurwaarden) 6 000 μg/m3 · u
|
niet bepaald
|
🡻 2008/50
BIJLAGE VIII
Criteria voor het indelen en situeren van meetpunten voor het beoordelen van de ozonconcentraties
Het volgende is van toepassing op vaste metingen:
A.Macroschaal
|
Type station
|
Doelstellingen van de meting
|
Representativiteit
|
Criteria voor de situering op macroniveau
|
|
Stadsgebied
|
Bescherming van de gezondheid van de mens:
beoordeling van de blootstelling van de stadsbevolking aan ozon, d.w.z. daar waar de bevolkingsdichtheid en ozonconcentratie relatief hoog en representatief voor de blootstelling van de algemene bevolking zijn.
|
Enkele km2
|
Buiten bereik van de invloed van plaatselijke emissiebronnen zoals verkeer, benzinestations enz.;
locaties met vrije luchtcirculatie, waar goed doorgemengde lucht kan worden bemonsterd;
locaties als woongebieden en winkelbuurten in de stad, parken (op afstand van bomen), grote straten of pleinen met weinig of geen verkeer, open terreinen zoals onderwijs-, sport- en recreatiefaciliteiten.
|
|
Voorstadsgebied
|
Bescherming van de gezondheid van de mens en de vegetatie:
beoordeling van de blootstelling van de bevolking en de vegetatie aan de periferie van agglomeraties, waar de hoogste ozonniveaus voorkomen waaraan de bevolking en de vegetatie rechtstreeks of onrechtstreeks kunnen blootstaan.
|
Enkele tientallen km2
|
Op een bepaalde afstand van het gebied met maximale emissies, benedenwinds bij de heersende windrichting(en) wanneer de omstandigheden ozonvorming in de hand werken;
waar bevolking, kwetsbare gewassen of natuurlijke ecosystemen aan de buitenrand van een agglomeratie aan hoge ozonniveaus worden blootgesteld;
zo nodig ook enkele voorstedelijke stations bovenwinds van het gebied met maximale emissies, om de regionale ozonachtergrondniveaus te bepalen.
|
|
Platteland
|
Bescherming van de gezondheid van de mens en de vegetatie:
beoordeling van de blootstelling van bevolking, landbouwgewassen en natuurlijke ecosystemen aan ozonconcentraties op subregionale schaal.
|
Subregionaal niveau
(enkele honderden km2)
|
Stations kunnen worden gesitueerd in kleine woonkernen en/of gebieden met natuurlijke ecosystemen, bossen of landbouwgewassen;
representatief voor de ozonniveaus buiten het bereik van directe plaatselijke emissiebronnen zoals bedrijfsinstallaties en wegen;
op open plekken maar niet op hoge bergtoppen.
|
|
Plattelandsachtergrond
|
Bescherming van de vegetatie en de menselijke gezondheid:
beoordeling van de blootstelling van landbouwgewassen en natuurlijke ecosystemen aan ozonconcentraties op regionale schaal, alsmede beoordeling van de blootstelling van de bevolking
|
Regionaal/nationaal/continentaal niveau
(1 000 à 10 000 km2)
|
Stations in gebieden met geringere bevolkingsdichtheid, bv. met natuurlijke ecosystemen, bossen, ten minste 20 km verwijderd van stads- en industriegebieden en verwijderd van plaatselijke emissiebronnen;
locaties die vaak te kampen hebben met plaatselijke inversieomstandigheden nabij de grond, alsook toppen van hoge bergen, moeten worden vermeden;
kustlocaties met een uitgesproken dagelijkse windcyclus van plaatselijke aard zijn niet aan te bevelen.
|
Voor plattelandsstations en plattelandsachtergrondsstations moet in voorkomend geval worden gezorgd voor coördinatie met de bewakingsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1737/2006 van de Commissie van 7 november 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2152/2003 van de Raad inzake de bewaking van bossen en milieu-interacties in de Gemeenschap
.
B. Situering op microschaal
Voor zover haalbaar dient de in bijlage III, deel C, beschreven procedure voor situering op microschaal te worden gevolgd, waarbij de inlaat ver verwijderd is van emissiebronnen zoals schoorstenen van ovens en verbrandingsinstallaties en meer dan 10 m van de dichtstbijgelegen weg, en op grotere afstand naarmate de verkeersdrukte groter is.
C. Documentatie en toetsing van de gekozen locaties
De procedures van bijlage III, deel D, dienen te worden gevolgd waarbij de meetgegevens naar behoren worden gescreend en geïnterpreteerd in het licht van de meteorologische en fotochemische processen die het meten van de ozonconcentraties op de respectieve locaties beïnvloeden.
🡻 2008/50/EG
BIJLAGE IX
Criteria voor het vaststellen van het minimumaantal bemonsteringspunten voor vaste metingen van de ozonconcentraties
🡻 2015/1480 artikel 2 en bijlage II, punt 4
A.Minimumaantal bemonsteringspunten voor vaste metingen van de ozonconcentraties
Minimumaantal bemonsteringspunten voor continue vaste metingen om op plaatsen waar dergelijke metingen de enige bron van gegevens zijn, te beoordelen of de streefwaarden, langetermijndoelstellingen en informatie- en alarmdrempels worden nageleefd.
|
Bevolking (× 1000)
|
Agglomeratie
|
Andere zones
|
Plattelandsachtergrond
|
|
< 250
|
|
1
|
voor alle zones van het land
gemiddeld 1 station/50 000 km2
|
|
< 500
|
1
|
2
|
|
|
< 1000
|
2
|
2
|
|
|
< 1500
|
3
|
3
|
|
|
< 2000
|
3
|
4
|
|
|
< 2750
|
4
|
5
|
|
|
< 3750
|
5
|
6
|
|
|
> 3750
|
1 extra station per 2 miljoen inwoners
|
1 extra station per 2 miljoen inwoners
|
|
🡻 2008/50/EG
B.Minimumaantal bemonsteringspunten voor vaste metingen in de zones en agglomeraties waar de langetermijndoelstellingen worden bereikt
Het aantal bemonsteringspunten voor ozon dient, rekening gehouden met andere aanvullende beoordelingsinstrumenten zoals luchtkwaliteitmodellen en metingen van stikstofdioxide op dezelfde plaats, voldoende te zijn voor het onderzoeken van de tendens inzake ozonverontreiniging en het toetsen aan de langetermijndoelstellingen. Het aantal stations in agglomeraties en andere zones mag worden verminderd tot eenderde van het in deel A genoemde aantal. Wanneer gegevens van vaste meetstations de enige bron van gegevens zijn, moet er ten minste één meetstation blijven. Wanneer een en ander tot gevolg heeft dat er in een zone met aanvullende beoordelingsinstrumenten geen station meer overblijft, dient door coördinatie met de stations in aangrenzende zones een adequate toetsing van de ozonconcentratie aan de langetermijndoelstellingen te worden gegarandeerd. Het aantal plattelandsachtergrondsstations dient 1 per 100 000 km2 te zijn.
🡻 2008/50
BIJLAGE X
METINGEN VAN OZONPRECURSOREN
A.Doelen
De belangrijkste doelstellingen van deze metingen zijn het analyseren van de tendens inzake ozonprecursoren, het controleren van de doeltreffendheid van strategieën voor emissiereductie, het controleren van de consistentie van emissie-inventarissen en het helpen aanwijzen van verbanden tussen emissiebronnen en waargenomen concentraties van verontreinigende stoffen.
Voorts wordt beoogd hiermee een bijdrage te leveren tot de kennis van de vorming van ozon en de verspreidingsprocessen van ozonprecursoren alsmede de toepassing van fotochemische modellen.
B.Stoffen
De metingen van ozonprecursoren moeten ten minste betrekking hebben op stikstofoxiden (NO en NO2) en de passende vluchtige organische stoffen (VOS). Een lijst van vluchtige organische stoffen waarvan de meting wordt aanbevolen volgt hierna.
|
|
1-buteen
|
isopreen
|
ethylbenzeen
|
|
ethaan
|
trans-2-buteen
|
n-hexaan
|
m + p-xyleen
|
|
ethyleen
|
cis-2-buteen
|
i-hexaan
|
o-xyleen
|
|
acetyleen
|
1,3-butadieen
|
n-heptaan
|
1,2,4-trimethylbenzeen
|
|
propaan
|
n-pentaan
|
n-octaan
|
1,2,3-trimethylbenzeen
|
|
propeen
|
i-pentaan
|
i-octaan
|
1,3,5-trimethylbenzeen
|
|
n-butaan
|
1-penteen
|
Benzeen
|
formaldehyde
|
|
i-butaan
|
2-penteen
|
tolueen
|
totaal koolwaterstoffen excl. methaan
|
C.Plaats van de bemonsteringspunten
Metingen dienen met name te worden verricht in stedelijke of voorstedelijke gebieden op alle meetpunten die overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn zijn ingericht en voor de in deel A bedoelde bewakingsdoelstellingen geschikt worden geacht.
🡻 2008/50
BIJLAGE XI
GRENSWAARDEN VOOR DE BESCHERMING VAN DE MENSELIJKE GEZONDHEID
A.Criteria
Onverminderd bijlage I worden bij het aggregeren van gegevens en het berekenen van statistische parameters ter controle van de validiteit de volgende criteria gehanteerd:
|
Parameter
|
Vereiste proportie geldige gegevens
|
|
Uurwaarden
|
75 % (d.w.z. 45 minuten)
|
|
8-uurwaarden
|
75 % van de waarden (d.w.z. 6 uur)
|
|
Hoogste 8-uurgemiddelde van een dag
|
75 % van de uurlijks voortschrijdende 8-uurgemiddelden (d.w.z. 18 8-uurgemiddelden per dag)
|
|
24-uurwaarden
|
75 % van de uurgemiddelden (d.w.z. ten minste 18 uurwaarden)
|
|
Jaargemiddelde
|
90 %
van de uurwaarden of (indien niet beschikbaar) van de 24-uurwaarden over het jaar
|
B.Grenswaarden
|
Middelingstijd
|
Grenswaarde
|
Overschrijdingsmarge
|
Datum waarop de grenswaarde moet zijn bereikt
|
|
Zwaveldioxide
|
|
|
|
|
1 uur
|
350 μg/m3; mag niet vaker dan 24 keer per kalenderjaar worden overschreden
|
150 μg/m3 (43 %)
|
—
|
|
Één dag
|
125 μg/m3; mag niet vaker dan 3 keer per kalenderjaar worden overschreden
|
geen
|
—
|
|
Stikstofdioxide
|
|
|
|
|
1 uur
|
200 μg/m3; mag niet vaker dan 18 keer per kalenderjaar worden overschreden
|
50 % op 19 juli 1999; op 1 januari 2001 en vervolgens iedere 12 maanden met gelijke jaarlijkse percentages te verminderen tot 0 % op 1 januari 2010
|
1 januari 2010
|
|
Kalenderjaar
|
40 μg/m3
|
50 % op 19 juli 1999; op 1 januari 2001 en vervolgens iedere 12 maanden met gelijke jaarlijkse percentages te verminderen tot 0 % op 1 januari 2010
|
1 januari 2010
|
|
Benzeen
|
|
|
|
|
Kalenderjaar
|
5 μg/m3
|
5 μg/m3 (100 %) op 13 december 2000; op 1 januari 2006 en vervolgens iedere 12 maanden met 1 μg/m3 te verminderen tot 0 % op 1 januari 2010
|
1 januari 2010
|
|
Koolmonoxide
|
|
|
|
|
Hoogste 8-uurgemiddelde van een dag
|
10 mg/m3
|
60 %
|
—
|
|
Lood
|
|
|
|
|
Kalenderjaar
|
0,5 μg/m3
|
100 %
|
—
|
|
PM10
|
|
|
|
|
Één dag
|
50 μg/m3; mag niet vaker dan 35 keer per kalenderjaar worden overschreden
|
50 %
|
—
|
|
Kalenderjaar
|
40 μg/m3
|
20 %
|
—
|
🡻 2008/50/EG
BIJLAGE XII
INFORMATIE- EN ALARMDREMPELS
A.Alarmdrempels voor andere verontreinigende stoffen dan ozon
Meting gedurende drie opeenvolgende uren op plaatsen die representatief zijn voor de luchtkwaliteit boven minimaal 100 km2 of boven een volledige zone of agglomeratie indien deze een kleinere oppervlakte beslaat.
|
Verontreinigende stof
|
Alarmdrempel
|
|
Zwaveldioxide
|
500 μg/m3
|
|
Stikstofdioxide
|
400 μg/m3
|
B.Informatiedrempel en alarmdrempel voor ozon
|
Doel
|
Middelingstijd
|
Drempel
|
|
Informatie
|
1 uur
|
180 μg/m3
|
|
Alarm
|
1 uur
|
240 μg/m3
|
🡻 2008/50
BIJLAGE XIII
KRITIEKE NIVEAUS VOOR DE BESCHERMING VAN DE VEGETATIE
|
Middelingstijd
|
Kritiek niveau
|
Overschrijdingsmarge
|
|
Zwaveldioxide
|
|
Kalenderjaar en winterseizoen (1 oktober tot en met 31 maart)
|
20 μg/m3
|
geen
|
|
Stikstofoxiden
|
|
Kalenderjaar
|
30 μg/m3 NOx
|
geen
|
🡻 2008/50/EG
BIJLAGE XIV
NATIONALE DOELSTELLING, STREEFWAARDE EN GRENSWAARDE INZAKE VERMINDERING VAN DE BLOOTSTELLING AAN PM2,5
A.Gemiddelde-blootstellingsindex
De in µg/m3 uitgedrukte gemiddelde-blootstellingsindex (GBI) wordt gebaseerd op metingen op stedelijkeachtergrondlocaties in over het hele grondgebied van de lidstaat verspreide zones en agglomeraties. De GBI wordt uitgedrukt als het over drie kalenderjaren berekende voortschrijdend gemiddelde van de jaargemiddelden van de concentraties die op alle overeenkomstig deel B van bijlage V ingerichte bemonsteringspunten zijn gemeten. De GBI voor het referentiejaar 2010 is de gemiddelde concentratie over 2008, 2009 en 2010.
De lidstaten mogen evenwel, indien gegevens over 2008 niet beschikbaar zijn, de gemiddelde concentratie van 2009 en 2010, of die van 2009, 2010 en 2011, gebruiken. De lidstaten die van deze mogelijkheden gebruikmaken, brengen de Commissie voor 11 september 2008 van hun beslissingen op de hoogte.
De GBI voor 2020 is het over 3 jaar voortschrijdend gemiddelde van de concentraties uitgemiddeld over alle bemonsteringspunten voor de jaren 2018, 2019 en 2020. De GBI wordt gebruikt om na te gaan of de nationale streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling is gehaald.
De GBI voor 2015 is het over 3 jaar voortschrijdend gemiddelde van de concentraties uitgemiddeld over alle bemonsteringspunten voor de jaren 2013, 2014 en 2015. De GBI wordt gebruikt om na te gaan of aan de blootstellingsconcentratieverplichting is voldaan.
B.Nationale streefwaarde inzake vermindering van de lootstelling
|
Streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling ten opzichte van de GBI in 2010
|
Jaar waarin de streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling zou dienen te zijn bereikt
|
|
Aanvankelijke concentratie in μg/m3
|
Streefwaarde voor de vermindering in procenten
|
2020
|
|
< 8,5 = 8,5
|
0 %
|
|
|
> 8,5 — < 13
|
10 %
|
|
|
= 13 — < 18
|
15 %
|
|
|
= 18 — < 22
|
20 %
|
|
|
≥ 22
|
Alle passende maatregelen om 18 g/m3 te bereiken
|
|
Wanneer de GBI in het referentiejaar niet meer bedraagt dan 8,5 μg/m3, wordt de streefwaarde voor de blootstellingsvermindering vastgesteld op nul. De streefwaarde inzake blootstellingsvermindering wordt ook op nul vastgesteld in gevallen waar de GBI op enig tijdstip tijdens de periode van 2010 tot en met 2020 het niveau van 8,5 μg/m3 bereikt en op of beneden dat niveau wordt gehandhaafd.
C.Blootstellingsconcentratieverplichting
|
Blootstellingsconcentratieverplichting
|
Jaar waarin de verplichte waarde dient bereikt
|
|
20 μg/m3
|
2015
|
D.Streefwaarde
|
Middelingstijd
|
Streefwaarde
|
Datum waarop de streefwaarde zou dienen te zijn bereikt
|
|
Kalenderjaar
|
25 μg/m3
|
1 januari 2010
|
E.Grenswaarde
|
Middelingstijd
|
Grenswaarde
|
Overschrijdingsmarge
|
Datum waarop de grenswaarde moet zijn bereikt
|
|
FASE 1
|
|
Kalenderjaar
|
25 μg/m3
|
20 % op 11 juni 2008, op de daaropvolgende eerste januari en vervolgens iedere 12 maanden met gelijke jaarlijkse percentages te verminderen tot 0 % op 1 januari 2015
|
1 januari 2015
|
|
FASE 2
|
|
Kalenderjaar
|
20 μg/m3
|
|
1 januari 2020
|
🡻 2008/50
BIJLAGE XV
Gegevens die moeten worden opgenomen in de plaatselijke, regionale of nationale luchtkwaliteitsplannen ter verbetering van de luchtkwaliteit
A.Gegevens die moeten worden verstrekt krachtens artikel 23 (luchtkwaliteitsplannen)
1.Plaats van de bovenmatige verontreiniging
a)regio;
b)stad (kaart);
c)meetstation (kaart, geografische coördinaten).
2.Algemene gegevens
a)soort gebied (stad, industriezone of landelijk gebied);
b)raming van de omvang van het verontreinigde gebied (km2) en van de bevolking die aan de verontreiniging is blootgesteld;
c)relevante klimatologische gegevens;
d)relevante topografische gegevens;
e)voldoende gegevens over de beschermingsbehoeften in het betrokken gebied.
3.Verantwoordelijke autoriteiten
Naam en adres van de personen die bevoegd zijn voor het ontwikkelen en uitvoeren van verbeteringsplannen.
4.Aard en beoordeling van de verontreiniging
a)in de voorgaande jaren waargenomen concentraties (vóór de tenuitvoerlegging van de maatregelen ter verbetering);
b)sedert de start van het project gemeten concentraties;
c)technieken die voor de beoordeling worden gebruikt.
5.Bron van de verontreiniging
a)lijst van de belangrijkste emissiebronnen die verantwoordelijk zijn voor de verontreiniging (kaart);
b)totale emissie van deze bronnen (ton/jaar);
c)informatie over de verontreiniging vanuit andere gebieden.
6.Analyse van de situatie
a)bijzonderheden over de factoren die verantwoordelijk zijn voor de overschrijding (bv. vervoer, ook grensoverschrijdend; vorming van secundaire verontreinigende stoffen in de atmosfeer);
b)bijzonderheden over mogelijke maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit.
7.Bijzonderheden over de verbeteringsmaatregelen of -projecten die reeds bestonden vóór 11 juni 2008:
a)plaatselijke, regionale, nationale en internationale maatregelen;
b)waargenomen gevolgen van deze maatregelen.
8.Bijzonderheden over na de inwerkingtreding van deze richtlijn goedgekeurde maatregelen of projecten ter beperking van de verontreiniging
a)opsomming en beschrijving van alle maatregelen die zijn opgenomen in het project;
b)tijdschema voor de uitvoering;
c)raming van de verwachte verbetering van de luchtkwaliteit en van de tijd die nodig is om die doelstellingen te realiseren.
9.Bijzonderheden over de maatregelen of projecten die voor de lange termijn worden gepland of onderzocht.
10.Lijst van publicaties, documenten, werkzaamheden enz. ter aanvulling van de in deze bijlage vereiste informatie.
B.Gegevens die moeten worden verstrekt krachtens artikel 22, lid 1
1.
Alle in deel A van deze bijlage bedoelde gegevens.
2.
Gegevens over de stand van de tenuitvoerlegging van de volgende richtlijnen:
1.Richtlijn 70/220/EEG van de Raad van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen
;
2.Richtlijn 94/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende de beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van de opslag van benzine en de distributie van benzine vanaf terminals naar benzinestations
;
3.Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging
;
4.Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines
;
5.Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof
;
6.Richtlijn 1999/13/EG van de Raad van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties
;
7.Richtlijn 1999/32/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen
;
8.Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval
;
9.Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties;
10.Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen;
11.Richtlijn 2004/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 inzake de beperking van emissies van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen in bepaalde verven en vernissen en producten voor het overspuiten van voertuigen
;
12.Richtlijn 2005/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2005 tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG betreffende het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen
;
13.Richtlijn 2005/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 september 2005 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking
;
14.Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten
;
3.
Gegevens over alle maatregelen ter bestrijding van luchtverontreiniging die op het gepaste plaatselijke, regionale of nationale niveau in overweging zijn genomen voor tenuitvoeregging met het oog op het verwezenlijken van de luchtkwaliteitsdoelstellingen, inclusief maatregelen die betrekking hebben op:
a)het verminderen van emissies uit stationaire bronnen met maatregelen om veronteinigende kleine en middelgrote stationaire stookinstallaties (ook voor biomassa) te voorzien van emissiebeperkende apparatuur of te vervangen;
b)het verminderen van door bestaande voertuigen veroorzaakte emissies door deze alsnog te voorzien van emissiebeperkende apparatuur. Het gebruik van economische prikkels om de uitvoering van dergelijke aanpassingen te versnellen, moet worden overwogen;
c)de aankoop door de overheid van uitstootverlagende wegvoertuigen, brandstoffen en stookapparatuur overeenkomstig het handboek inzake milieuvriendelijke overheidsopdrachten, met inbegrip van de aankoop van:
–nieuwe voertuigen, inclusief voertuigen met een lage emissie;
–schonere voor vervoersdiensten bestemde voertuigen;
–stationaire stookinstallaties met een lage emissie;
–brandstoffen met een lage emissie voor stationaire en mobiele bronnen;
d)maatregelen ter beperking van door het vervoer veroorzaakte emissies via verkeersplanning en verkeersbeheersing (inclusief rekeningrijden, gedifferentieerde parkeertarieven of andere economische prikkels, het instellen van „lage-emissiezones”);
e)maatregelen om de omschakeling naar minder verontreinigende vervoersmodi aan te moedigen;
f)maatregelen om ervoor te zorgen dat in kleine, middelgrote en grote stationaire bronnen en in mobiele bronnen brandstoffen met een lage emissie worden gebruikt;
g)maatregelen ter verlaging van de luchtverontreiniging via de vergunningen in het kader van Richtlijn 2008/1/EG, de nationale plannen in het kader van Richtlijn 2001/80/EG en het gebruik van economische instrumenten, zoals belastingen, heffingen of handel in emissierechten;
h)zo nodig maatregelen ter bescherming van de gezondheid van kinderen of andere kwetsbare groepen.
🡻 2008/50/EG
BIJLAGE XVI
MEDEDELING VAN GEGEVENS AAN DE BEVOLKING
1.
De lidstaten zorgen ervoor dat de bevolking stelselmatig toegang heeft tot recente gegevens over de omgevingsconcentraties van de bij deze richtlijn gereguleerde verontreinigende stoffen.
2.
De omgevingsconcentraties worden uitgedrukt als gemiddelde waarden die zijn berekend over de in bijlage VII en de bijlagen XI tot en met XIV vastgestelde middelingstijden. Er dienen ten minste gegevens te worden verstrekt over overschrijdingen van de luchtkwaliteitsdoelstellingen, met inbegrip van grenswaarden, streefwaarden, alarmdrempels, informatiedrempels of langetermijndoelstellingen met betrekking tot de gereguleerde verontreinigende stof. Voorts dient een korte beoordeling in het licht van de luchtkwaliteitsdoelstellingen te worden gegeven en dienen adequate gegevens te worden verstrekt over de gevolgen voor de gezondheid of, in voorkomend geval, voor de vegetatie.
3.
Gegevens over de omgevingsconcentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (ten minste PM10), ozon en koolmonoxide dienen ten minste één keer per dag en, indien mogelijk, van uur tot uur te worden bijgewerkt. Gegevens over de omgevingsconcentraties van lood en benzeen, die als een gemiddelde waarde voor de afgelopen twaalf maanden worden uitgedrukt, worden driemaandelijks en, indien mogelijk, eens per maand bijgewerkt.
4.
De lidstaten zorgen ervoor dat de bevolking tijdig wordt ingelicht over daadwerkelijke of voorspelde overschrijdingen van de alarmdrempels en de informatiedrempels. De lidstaten verstrekken in dit verband ten minste de volgende gegevens:
a)Gegevens over de waargenomen overschrijding(en):
–plaats of gebied van overschrijding;
–soort drempel die is overschreden (informatiedrempel of alarmdrempel);
–tijdstip van aanvang en duur van de overschrijding;
–hoogste uurgemiddelde en hoogste 8-uurgemiddelde concentratie in het geval van ozon.
b)Prognoses voor de volgende middag/dag(en):
–geografisch gebied van de verwachte overschrijding van de informatie- en/of alarmdrempel;
–de verwachte veranderingen in de verontreiniging (verbetering, stabilisatie of verslechtering), samen met de redenen voor die veranderingen.
c)Gegevens over de betrokken bevolkingsgroep, mogelijke gevolgen voor de gezondheid en aanbevolen gedrag:
–gegevens over de risicogroepen binnen de bevolking;
–beschrijving van de te verwachten symptomen;
–aanbevelingen voor de door de betrokken bevolkingsgroep te nemen voorzorgsmaatregelen;
–verwijzingen naar de vindplaats van nadere gegevens.
d)Gegevens over preventieve acties ter vermindering van de verontreiniging en/of de blootstelling daaraan: vermelding van de belangrijkste bronsectoren; aanbevelingen voor maatregelen om de uitstoot te verminderen.
e)Met betrekking tot voorspelde overschrijdingen nemen de lidstaten maatregelen om ervoor te zorgen dat dergelijke gegevens voor zover mogelijk ter beschikking worden gesteld.
🡻 2008/50 (aangepast)
BIJLAGE XVII
CONCORDANTIETABEL
|
Deze richtlijn
|
Richtlijn 96/62/EG
|
Richtlijn 1999/30/EG
|
Richtlijn 2000/69/EG
|
Richtlijn 2002/3/EG
|
|
Artikel 1
|
Artikel 1
|
Artikel 1
|
Artikel 1
|
Artikel 1
|
|
Artikel 2, leden 1 t/m 5
|
Artikel 2, leden 1 t/m 5
|
—
|
—
|
—
|
|
Artikel 2, leden 6 en 7
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
Artikel 2, lid 8
|
Artikel 2, lid 8
|
Artikel 2, lid 7
|
—
|
—
|
|
Artikel 2, lid 9
|
Artikel 2, lid 6
|
—
|
—
|
Artikel 2, lid 9
|
|
Artikel 2, lid 10
|
Artikel 2, lid 7
|
Artikel 2, lid 6
|
—
|
Artikel 2, lid 11
|
|
Artikel 2, lid 11
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 2, lid 12
|
|
Artikel 2, leden 12 en 13
|
—
|
Artikel 2, leden 13 en 14
|
Artikel 2, onder a) en b)
|
—
|
|
Artikel 2, lid 14
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 2, lid 10
|
|
Artikel 2, leden 15 en 16
|
Artikel 2, leden 9 en 10
|
Artikel 2, leden 8 en 9
|
—
|
Artikel 2, leden 7 en 8
|
|
Artikel 2, leden 17 en 18
|
—
|
Artikel 2, leden 11 en 12
|
—
|
—
|
|
Artikel 2, leden 19, 20, 21, 22 en 23
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
Artikel 2, lid 24
|
—
|
Artikel 2, lid 10
|
—
|
—
|
|
Artikel 2, leden 25 en 26
|
Artikel 6, lid 5
|
—
|
—
|
—
|
|
Artikel 2, lid 27
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 2, lid 13
|
|
Artikel 2, lid 28
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 2, lid 3
|
|
Artikel 3, met uitzondering van lid 1, onder f)
|
Artikel 3
|
—
|
—
|
—
|
|
Artikel 3, lid 1, onder f)
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
Artikel 4
|
Artikel 2, leden 9 en 10, en artikel 6, lid 1
|
—
|
—
|
—
|
|
Artikel 5
|
—
|
Artikel 7, lid 1
|
Artikel 5, lid 1
|
—
|
|
Artikel 6, leden 1 t/m 4
|
Artikel 6, leden 1 t/m 4
|
—
|
—
|
—
|
|
Artikel 6, lid 5
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
Artikel 7
|
—
|
Artikel 7, leden 2 en 3, als gewijzigd
|
Artikel 5, leden 2 en 3, als gewijzigd
|
—
|
|
Artikel 8
|
—
|
Artikel 7, lid 5
|
Artikel 5, lid 5
|
—
|
|
Artikel 9
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 9, lid 1, eerste en tweede alinea
|
|
Artikel 10
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 9, leden 1 t/m 3, als gewijzigd
|
|
Artikel 11, lid 1
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 9, lid 4
|
|
Artikel 11, lid 2
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
Artikel 12
|
Artikel 9
|
—
|
—
|
—
|
|
Artikel 13, lid 1
|
—
|
Artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, artikel 5, lid 1, en artikel 6
|
Artikel 3, lid 1, en artikel 4
|
—
|
|
Artikel 13, lid 2
|
—
|
Artikel 3, lid 2, en artikel 4, lid 2
|
—
|
—
|
|
Artikel 13, lid 3
|
—
|
Artikel 5, lid 5
|
—
|
—
|
|
Artikel 14
|
—
|
Artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, als gewijzigd
|
—
|
—
|
|
Artikel 15
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
Artikel 16
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
Artikel 17, lid 1
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1
|
|
Artikel 17, lid 2
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 3, leden 2 en 3
|
|
Artikel 17, lid 3
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 4, lid 2
|
|
Artikel 18
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 5
|
|
Artikel 19
|
Artikel 10, als gewijzigd
|
Artikel 8, lid 3
|
—
|
Artikel 6, als gewijzigd
|
|
Artikel 20
|
—
|
Artikel 3, lid 4, en artikel 5, lid 4, als gewijzigd
|
—
|
—
|
|
Artikel 21
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
Artikel 22
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
Artikel 23
|
Artikel 8, leden 1 t/m 4, als gewijzigd
|
—
|
—
|
—
|
|
Artikel 24
|
Artikel 7, lid 3, als gewijzigd
|
—
|
—
|
Artikel 7, als gewijzigd
|
|
Artikel 25
|
Artikel 8, lid 5, als gewijzigd
|
—
|
—
|
Artikel 8, als gewijzigd
|
|
Artikel 26
|
—
|
Artikel 8, als gewijzigd
|
Artikel 7, als gewijzigd
|
Artikel 6, als gewijzigd
|
|
Artikel 27
|
Artikel 11, als gewijzigd
|
artikel 5, lid 2, tweede alinea
|
—
|
Artikel 10, als gewijzigd
|
|
Artikel 28, lid 1
|
Artikel 12, lid 1, als gewijzigd
|
—
|
—
|
—
|
|
Artikel 28, lid 2
|
Artikel 11, als gewijzigd
|
—
|
—
|
—
|
|
Artikel 28, lid 3
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
Artikel 28, lid 4
|
—
|
Bijlage IX, als gewijzigd
|
—
|
—
|
|
Artikel 29
|
Artikel 12, lid 2
|
—
|
—
|
—
|
|
Artikel 30
|
—
|
Artikel 11
|
Artikel 9
|
Artikel 14
|
|
Artikel 31
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
Artikel 32
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
Artikel 33
|
Artikel 13
|
Artikel 12
|
Artikel 10
|
Artikel 15
|
|
Artikel 34
|
Artikel 14
|
Artikel 13
|
Artikel 11
|
Artikel 17
|
|
Artikel 35
|
Artikel 15
|
Artikel 14
|
Artikel 12
|
Artikel 18
|
|
Bijlage I
|
—
|
Bijlage VIII, als gewijzigd
|
Bijlage VI
|
Bijlage VII
|
|
Bijlage II
|
—
|
Bijlage V, als gewijzigd
|
Bijlage III
|
—
|
|
Bijlage III
|
—
|
Bijlage VI
|
Bijlage IV
|
—
|
|
Bijlage IV
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
Bijlage V
|
—
|
Bijlage VII, als gewijzigd
|
Bijlage V
|
—
|
|
Bijlage VI
|
—
|
Bijlage IX, als gewijzigd
|
Bijlage VII
|
Bijlage VIII
|
|
Bijlage VII
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage I en bijlage III, deel II
|
|
Bijlage VIII
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage IV
|
|
Bijlage IX
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage V
|
|
Bijlage X
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage VI
|
|
Bijlage XI
|
—
|
Bijlage I, deel I, bijlage II, deel I, en bijlage III (als gewijzigd); bijlage IV (ongewijzigd)
|
Bijlage I en bijlage II
|
—
|
|
Bijlage XII
|
—
|
Bijlage I, deel II, en bijlage II, deel II
|
—
|
Bijlage II, deel I
|
|
Bijlage XIII
|
—
|
Bijlage I, deel I, en bijlage II, deel I
|
—
|
—
|
|
Bijlage XIV
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
Bijlage XV, deel A
|
Bijlage IV
|
—
|
—
|
—
|
|
Bijlage XV, deel B
|
—
|
—
|
—
|
—
|
|
Bijlage XVI
|
—
|
Artikel 8
|
Artikel 7
|
Artikel 6, als gewijzigd
|