EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 27.6.2022
COM(2022) 311 final
2022/0197(NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Subcomité douane van de EU en de Republiek Moldavië ten aanzien van de vaststelling van het besluit betreffende de wederzijdse erkenning van het programma van geautoriseerde marktdeelnemers van de Republiek Moldavië en het programma van geautoriseerde marktdeelnemers van de Europese Unie
TOELICHTING
1.Onderwerp van het voorstel
Dit voorstel betreft een besluit tot vaststelling van het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Subcomité douane van de Europese Unie en de Republiek Moldavië in verband met de voorgenomen vaststelling van een besluit inzake de wederzijdse erkenning van geautoriseerde marktdeelnemers tussen de Europese Unie en de Republiek Moldavië.
1.1.Achtergrond van het voorstel
De associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds (hierna “de overeenkomst” genoemd) heeft onder meer tot doel de tarieven te verlagen waarmee Europese bedrijven bij uitvoer naar de Republiek Moldavië worden geconfronteerd, en de douaneprocedures efficiënter te maken. Verder vergemakkelijkt de overeenkomst de handel ook door de geleidelijke aanpassing van de Moldavische wetgeving, regels en procedures, met inbegrip van normen, aan die van de EU. De overeenkomst is in juli 2016 in werking getreden.
Het bij artikel 200, lid 1, van de overeenkomst opgerichte Subcomité douane voert zijn taken uit overeenkomstig artikel 200, leden 2 en 3, van de overeenkomst. Het Subcomité douane neemt onder meer praktische regelingen, maatregelen en besluiten aan voor de tenuitvoerlegging van hoofdstuk V en de protocollen II en III bij de overeenkomst, met inbegrip van de uitwisseling van informatie en gegevens, wederzijdse erkenning van douanecontroles en partnerschapsprogramma’s op handelsgebied, en wederzijds overeengekomen voordelen. Het Subcomité douane bestaat uit vertegenwoordigers van de Europese Commissie en van de Republiek Moldavië die verantwoordelijk zijn voor douane en douanegerelateerde aangelegenheden. Een vertegenwoordiger van de Europese Commissie of van de Republiek Moldavië die verantwoordelijk is voor douanegerelateerde aangelegenheden, fungeert als voorzitter.
1.2.De beoogde handeling van het Subcomité douane
Het Subcomité douane stelt praktische regelingen, maatregelen, besluiten en aanbevelingen vast als bedoeld in artikel 200 van de overeenkomst. Deze worden door de partijen bij consensus aangenomen na voltooiing van artikel 11, lid 3, van het reglement van orde van het Subcomité douane van de EU en de Republiek Moldavië ter goedkeuring daarvan. De besluiten zijn bindend voor de partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan.
Het Subcomité douane kan het besluit nemen via een schriftelijke procedure indien de partijen dat overeenkomen. De schriftelijke procedure bestaat uit een uitwisseling van nota’s tussen de twee voorzitters, die in overleg met de partijen handelen. Na goedkeuring van de tekst wordt het besluit los van elkaar en achtereenvolgens ondertekend door een vertegenwoordiger van elke partij.
Zowel in de EU als in de Republiek Moldavië bestaat er een programma van geautoriseerde marktdeelnemers (“AEO-programma”) dat faciliteiten biedt aan marktdeelnemers die in de veiligheid van hun toeleveringsketen hebben geïnvesteerd en als dusdanig door de douanediensten van het betrokken land zijn gecertificeerd.
De beoogde handeling heeft tot doel te voorzien in de wederzijdse erkenning van de AEO-programma’s tussen de Europese Unie en de Republiek Moldavië.
Het besluit is bindend voor de partijen op de datum waarop het wordt vastgesteld. Namens de Unie in te nemen standpunt.
Het onderhavige voorstel erkent dat de Europese Unie en Moldavië (de “partijen”) zich ertoe hebben verbonden hun douanesamenwerking overeenkomstig de overeenkomst te intensiveren. Het bevestigt dat de partijen zich ertoe hebben verbonden de handel te bevorderen en de veiligheid van de toeleveringsketen te vergroten door middel van partnerschapsprogramma’s met het bedrijfsleven.
De veiligheid en de facilitatie van de toeleveringsketen in de internationale handel kunnen aanzienlijk worden verbeterd door de wederzijdse erkenning van de respectieve partnerschapsprogramma’s met het bedrijfsleven, te weten het AEO-programma van de Republiek Moldavië en het AEO-programma van de EU. Daarom wordt voorgesteld dat de Unie het AEO-programma van de Republiek Moldavië erkent en dat de Republiek Moldavië het AEO-programma van de EU erkent.
2.Rechtsgrondslag
2.1.Procedurele rechtsgrondslag
2.1.1.Beginselen
Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.
Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed kunnen hebben op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt”.
2.1.2.Toepassing op het onderhavige geval
Het Subcomité douane is een lichaam dat is opgericht bij de overeenkomst.
De door het Subcomité douane vast te stellen handeling is een handeling met rechtsgevolgen. De beoogde handeling zal voor de partijen bindend zijn uit hoofde van het internationale recht overeenkomstig artikel 200 van de associatieovereenkomst.
De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst.
De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.
2.2.Materiële rechtsgrondslag
2.2.1.Beginselen
De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of overwegende component, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is gelet op de hoofddoelstelling of de overwegende component.
2.2.2.Toepassing op het onderhavige geval
De doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling strekken in de eerste plaats tot bevordering van de handel tussen de partijen door de wederzijdse erkenning van de geautoriseerde marktdeelnemers overeenkomstig artikel 197, punt j), en artikel 200, lid 3, punt b), van hoofdstuk 5 “Douane en handelsbevordering” van titel V “Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden” van de overeenkomst. De beoogde handeling valt dus binnen het toepassingsgebied van de in artikel 207 genoemde gemeenschappelijke handelspolitiek.
De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 207 VWEU. Conclusie
De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 207 in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.
2022/0197 (NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Subcomité douane van de EU en de Republiek Moldavië ten aanzien van de vaststelling van het besluit betreffende de wederzijdse erkenning van het programma van geautoriseerde marktdeelnemers van de Republiek Moldavië en het programma van geautoriseerde marktdeelnemers van de Europese Unie
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207 in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)De associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds, is gesloten bij Besluit 2014/493/EU van de Raad op 30 augustus 2014 en is in werking getreden op 1 juli 2016.
(2)In artikel 192 van de associatieovereenkomst worden de douaneautoriteiten opgeroepen een zo breed mogelijke samenwerking op douanegebied op te zetten.
(3)Bij artikel 200 van de associatieovereenkomst is een Subcomité douane opgericht dat de voor douanesamenwerking noodzakelijke maatregelen kan nemen.
(4)Overeenkomstig artikel 200, lid 3, punt b), van de associatieovereenkomst kan het bij die overeenkomst opgerichte Subcomité douane een besluit aannemen betreffende wederzijdse erkenning van douanecontroles en partnerschapsprogramma’s op handelsgebied, en wederzijds overeengekomen voordelen.
(5)Het Subcomité douane zal op zijn achtste vergadering in 2022 dan wel via schriftelijke procedure indien de partijen dat overeenkomen, een besluit aannemen betreffende wederzijdse erkenning van het programma van geautoriseerde marktdeelnemers van de Republiek Moldavië en het programma van geautoriseerde marktdeelnemers van de Europese Unie.
(6)Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Subcomité douane, aangezien het besluit betreffende wederzijdse erkenning van de programma’s van geautoriseerde marktdeelnemers voor de Unie bindend zal zijn.
(7)Met het oog op een snelle toepassing van de maatregelen waarin het besluit betreffende wederzijdse erkenning van geautoriseerde marktdeelnemers voorziet, moet dit besluit in werking treden op de datum waarop het wordt vastgesteld,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen op de achtste vergadering van het bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds, opgerichte Subcomité douane dan wel via schriftelijke procedure indien de partijen dat overeenkomen, ten aanzien van de wederzijdse erkenning van de programma’s van geautoriseerde marktdeelnemers van de Republiek Moldavië en de Europese Unie, is gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Subcomité douane.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de Commissie.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De voorzitter
EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 27.6.2022
COM(2022) 311 final
BIJLAGE
bij
Voorstel voor een besluit van de Raad
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Subcomité douane van de EU en de Republiek Moldavië ten aanzien van de vaststelling van het besluit betreffende de wederzijdse erkenning van het programma van geautoriseerde marktdeelnemers van de Republiek Moldavië en het programma van geautoriseerde marktdeelnemers van de Europese Unie
ONTWERP VAN
BESLUIT NR. [.../2022] VAN HET SUBCOMITÉ DOUANE VAN DE EUROPESE UNIE EN DE REPUBLIEK MOLDAVIË BETREFFENDE DE WEDERZIJDSE ERKENNING VAN HET PROGRAMMA VAN GEAUTORISEERDE MARKTDEELNEMERS VAN MOLDAVIË EN HET PROGRAMMA VAN GEAUTORISEERDE MARKTDEELNEMERS VAN DE EUROPESE UNIE
HET SUBCOMITÉ DOUANE,
Gezien de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie (hierna “de EU” genoemd) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds (hierna “de overeenkomst” genoemd), gedaan te Brussel op 27 juni 2014, en met name het hoofdstuk over douane en handelsbevordering, dat ertoe strekt de samenwerking op douanegebied te versterken ten behoeve van de implementatie van de doelstellingen van dit hoofdstuk teneinde de handel verder te bevorderen en te zorgen voor doeltreffende controle, veiligheid en fraudebestrijding,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Krachtens artikel 197, punt j), van de overeenkomst verplichten de partijen zich ertoe om, waar nodig en passend, over te gaan tot wederzijdse erkenning van partnerschapsprogramma’s op handelsgebied en douanecontroles, met inbegrip van gelijkwaardige maatregelen voor handelsbevordering.
(2)De veiligheid en de facilitatie van de toeleveringsketen in de internationale handel kunnen aanzienlijk worden verbeterd door de wederzijdse erkenning van de respectieve partnerschapsprogramma’s met het bedrijfsleven, te weten het nationale programma van geautoriseerde marktdeelnemers (AEO) van Moldavië en het AEO-programma van de EU.
(3)Deze beide AEO-programma’s zijn gebaseerd op internationaal erkende veiligheidsnormen zoals voorgestaan door het SAFE-Framework of Standards to Secure and Facilitate Global Trade, dat in juni 2005 door de Werelddouaneorganisatie is vastgesteld (SAFE-Framework).
(4)Wederzijdse erkenning stelt de partijen in staat faciliteiten te verlenen aan marktdeelnemers die inspanningen hebben geleverd op het gebied van de veiligheid van de toeleveringsketen en als dusdanig in hun respectieve programma's zijn gecertificeerd.
(5)Uit bezoeken ter plaatse en een gezamenlijke evaluatie van de AEO-programma’s van de EU en van Moldavië is gebleken dat de veiligheidsnormen waaraan moet worden voldaan, met elkaar verenigbaar zijn en tot gelijkwaardige resultaten leiden.
(6)Bij artikel 200, lid 1, van de overeenkomst is een Subcomité douane opgericht. Overeenkomstig artikel 200, lid 3, punt b), van de overeenkomst kan dit subcomité besluiten aannemen betreffende wederzijdse erkenning van douanecontroles en partnerschapsprogramma’s op handelsgebied, en wederzijds overeengekomen voordelen,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Definities
In dit besluit wordt verstaan onder
“douaneautoriteit”: een douaneautoriteit van een lidstaat van de EU en de douaneautoriteit van Moldavië, hierna gezamenlijk “douaneautoriteiten” en afzonderlijk “douaneautoriteit” genoemd;
“marktdeelnemer”: een partij die betrokken is bij het internationale goederenverkeer;
“persoonsgegevens”: alle informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;
“programma”:
a) in de Unie: de overeenkomstig artikel 38, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 952/2013 verleende status van geautoriseerde marktdeelnemer (AEO) voor veiligheid in de Europese Unie;
b) in Moldavië: het AEO-programma dat de (vergunning) AEO-veiligheid en de gecombineerde (vergunning) AEO-douanevereenvoudigingen/veiligheid (AEOC/AEOS) omvat; marktdeelnemers van gebieden die niet onder het gezag van de overheid staan, komen slechts in aanmerking voor een AEO-vergunning als alle AEO-criteria kunnen worden getoetst en beoordeeld door de centrale bevoegde autoriteiten.
“programmadeelnemers”: marktdeelnemers met een AEO-status in de EU en een deelnemersstatus in Moldavië zoals omschreven in de definitie van “programma” wanneer hier gezamenlijk naar wordt verwezen.
Artikel 2
Wederzijdse erkenning en uitvoering van het besluit
1. De AEO-programma’s van de EU en van de Republiek Moldavië worden wederzijds erkend als met elkaar verenigbaar en gelijkwaardig, en de daarmee overeenkomstige AEO-statussen worden wederzijds aanvaard.
2. Dit besluit wordt door de partijen uitgevoerd via hun respectieve douaneautoriteiten.
Artikel 3
Verenigbaarheid
De douaneautoriteiten werken samen om de verenigbaarheid met en gelijkwaardigheid van hun programma’s te handhaven, met name ten aanzien van:
a) de aanvraagprocedure voor de toekenning van de AEO-status en het deelnemerschap;
b) de beoordeling van de aanvragen;
c) de toekenning van de status en het deelnemerschap;
d) het beheer, de monitoring, de schorsing en de herbeoordeling, en de intrekking van de status en het deelnemerschap;
e) de bevordering van de samenwerking tussen de douane- en de milieuautoriteiten om de status en het deelnemerschap sterker te laten convergeren met internationale milieunormen.
De partijen zorgen ervoor dat hun partnerschapsprogramma’s met het bedrijfsleven aan de relevante normen van het SAFE-Framework voldoen.
Artikel 4
Voordelen
1. Elke douaneautoriteit verleent voordelen aan de programmadeelnemers van de andere douaneautoriteit die vergelijkbaar zijn met de voordelen die zij aan haar eigen programmadeelnemers verleent.
2. Tot de in lid 1 bedoelde voordelen behoren:
a) minder veiligheidsgerelateerde controles: elke douaneautoriteit weegt de door de andere douaneautoriteit toegekende status van programmadeelnemer positief mee bij de risicobeoordeling voor het beperken van inspecties of controles en bij andere veiligheidsgerelateerde maatregelen;
b) erkenning van handelspartners tijdens de aanvraagprocedure: elke douaneautoriteit houdt rekening met de door de andere douaneautoriteit toegekende status van programmadeelnemer in die zin dat een programmadeelnemer als veilige partner wordt aangemerkt bij de beoordeling van de vereisten voor handelspartners in het kader van aanvragen voor het eigen programma;
c) voorrangsbehandeling bij de douaneafwikkeling: elke douaneautoriteit houdt rekening met de door de andere douaneautoriteit toegekende status van programmadeelnemer om de zendingen waar een programmadeelnemer bij betrokken is, voorrang te verlenen, versneld af te handelen, aan vereenvoudigde formaliteiten te onderwerpen en versneld vrij te geven;
d) bedrijfscontinuïteitsmechanisme: beide douaneautoriteiten streven naar een bedrijfscontinuïteitsmechanisme om te kunnen inspelen op verstoringen van het handelsverkeer als gevolg van hogere alarmniveaus, grenssluitingen en/of natuurrampen, noodtoestanden of andere belangrijke gebeurtenissen, in het kader waarvan prioritaire ladingen van programmadeelnemers zo soepel en snel mogelijk door de douaneautoriteiten moeten worden afgehandeld;
e) voorrang bij de controle van zendingen waarvoor een programmadeelnemer een summiere aangifte bij binnenbrengen of uitgaan heeft ingediend, indien de douaneautoriteit heeft besloten om een controle te verrichten.
3. Na de in artikel 7, lid 2, bedoelde toetsing kan elke douaneautoriteit in samenwerking met andere overheden op haar grondgebied verdere faciliteiten verlenen, zoals het stroomlijnen van processen en het vergroten van de voorspelbaarheid van het verkeer aan de grens, voor zover dat mogelijk is.
4. Elke douaneautoriteit:
a) kan de op grond van dit besluit verleende voordelen aan programmadeelnemers van de andere douaneautoriteit schorsen;
b) deelt de schorsing als bedoeld in punt a) en de redenen daarvoor binnen een redelijke termijn aan de andere douaneautoriteit mee;
c) mag alleen overgaan tot een schorsing als bedoeld in punt a) om redenen die vergelijkbaar zijn met die waarvoor zij de programmadeelnemers van haar eigen programma zou schorsen.
5. Elke douaneautoriteit meldt, wanneer zij dit passend acht, onregelmatigheden waarbij programmadeelnemers van het programma van de andere douaneautoriteit betrokken zijn, aan die douaneautoriteit, zodat onmiddellijk kan worden onderzocht of de door de andere douaneautoriteit toegekende voordelen en status nog passend zijn.
6. Om meer zekerheid te bieden, weerhoudt dit besluit een partij of douaneautoriteit er niet van om informatie te vragen op grond van de in artikel 198 van de overeenkomst bedoelde wederzijdse administratieve bijstand of een ander toepasselijk instrument tussen de partijen of tussen de douaneautoriteiten.
Artikel 5
Uitwisseling van informatie en communicatie
1. Om doeltreffend uitvoering te geven aan dit besluit, intensiveren de douaneautoriteiten hun communicatie door:
a) elkaar de gegevens van hun programmadeelnemers te verstrekken, conform artikel 5, lid 3;
b) elkaar tijdig de laatste gegevens over de werking en ontwikkeling van hun respectieve programma te verstrekken;
c) inlichtingen over het beleid en de ontwikkelingen op het gebied van de veiligheid van de toeleveringsketen uit te wisselen; en
d) te zorgen voor doeltreffende communicatie via de bevoegde diensten van de Europese Commissie en de douanedienst van de Republiek Moldavië om de risicobeheerprakijken in verband met de veiligheid van de toeleveringsketen te versterken.
2. De inlichtingenuitwisseling en communicatie in het kader van dit besluit vinden plaats tussen de bevoegde diensten van de Europese Commissie en de douaneautoriteit van de Republiek Moldavië.
3. Na ontvangst van instemming van haar programmadeelnemer zendt elke douaneautoriteit de andere douaneautoriteit uitsluitend de volgende gegevens over die programmadeelnemer toe:
a) naam;
b) adres;
c) deelnemersstatus, te weten toegekend, geschorst, ingetrokken of geannuleerd;
d) validerings- of toekenningsdatum, indien beschikbaar;
e) uniek identificatienummer (bijvoorbeeld: EORI- of AEO-nummer); en
f) andere gegevens die gezamenlijk door de douaneautoriteiten kunnen worden bepaald, met inachtneming van, in voorkomend geval, noodzakelijke waarborgen.
Om meer zekerheid te bieden, bevatten de gegevens in punt c) niet de redenen voor een schorsing, intrekking of annulering.
4. De douaneautoriteiten wisselen de in lid 3 bedoelde gegevens op systematische wijze langs elektronische weg uit.
Artikel 6
Behandeling van informatie
1. Elke douaneautoriteit:
a) gebruikt, tenzij anders aangegeven in dit besluit, alle informatie die krachtens dit besluit is verkregen, met inbegrip van persoonsgegevens, uitsluitend voor de uitvoering ervan, inclusief het toezicht erop en de verslaglegging; en
b) verkrijgt, niettegenstaande het bepaalde in punt a), de voorafgaande schriftelijke toestemming van de douaneautoriteit die de informatie heeft verzonden, om deze informatie voor andere doeleinden te gebruiken. Voor dit gebruik gelden dan de eventueel door die autoriteit vastgestelde beperkingen.
2. Elke douaneautoriteit:
a) behandelt de krachtens dit besluit verkregen informatie vertrouwelijk; en
b) biedt ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor de krachtens dit besluit verkregen informatie als voor de informatie die zij heeft verkregen van programmadeelnemers van haar eigen programma.
3. Niettegenstaande lid 1, punt a), kan een douaneautoriteit de krachtens dit besluit verkregen informatie gebruiken in gerechtelijke of administratieve procedures die zijn ingeleid wegens niet-naleving van haar douanewetgeving, ook in haar bewijsvoering, verslagen en getuigenissen. De douaneautoriteit die de informatie heeft verkregen, brengt de douaneautoriteit die deze informatie heeft verzonden voorafgaand aan dergelijk gebruik op de hoogte.
4. Elke douaneautoriteit:
a) maakt de krachtens dit besluit verkregen informatie alleen openbaar voor het doel waarvoor zij is verkregen; en
b) informeert, niettegenstaande het bepaalde in punt a), wanneer een douaneautoriteit verplicht is informatie openbaar te maken in gerechtelijke of administratieve procedures of wanneer zij bij wet verplicht is dit te doen, de verzendende douaneautoriteit vooraf en schriftelijk over de openbaarmaking, tenzij zij bij wet of in het kader van een lopend onderzoek verhinderd is om dit te doen. In dat geval informeert zij de verzendende douaneautoriteit zo snel mogelijk na de openbaarmaking.
5. Elke douaneautoriteit:
a) zorgt ervoor dat de informatie die zij verzendt, juist is en regelmatig wordt bijgewerkt;
b) stelt passende verwijderingsprocedures vast of onderhoudt deze;
c) stelt de andere douaneautoriteit onverwijld in kennis als zij vaststelt dat de informatie die zij naar de andere douaneautoriteit heeft verzonden, onjuist, onvolledig of onbetrouwbaar is of als de ontvangst of het verdere gebruik ervan in strijd is met dit besluit;
d) neemt alle maatregelen die zij passend acht, waaronder het aanvullen, wissen of corrigeren van de in punt c) bedoelde informatie, om te voorkomen dat er nog langer ten onrechte gebruik van wordt gemaakt; en
e) houdt de krachtens dit besluit verkregen informatie niet langer bij dan nodig is voor de uitvoering van dit besluit, behalve indien anders vereist krachtens haar wetgeving of ten behoeve van gerechtelijke of administratieve procedures.
6. In aanvulling op de leden 4 en 5 zorgt elke douaneautoriteit er met name voor dat:
a) er beveiligingswaarborgen zijn (inclusief elektronische waarborgen) om de toegang tot de informatie die op grond van dit besluit van de andere douaneautoriteit is verkregen, op een “need-to-know”-basis te bewaken;
b) informatie die op grond van dit besluit van de andere douaneautoriteit is verkregen, tegen ongeoorloofde toegang, verspreiding, wijziging, verwijdering of vernietiging wordt beschermd;
c) informatie die op grond van dit besluit van de andere douaneautoriteit is verkregen, niet openbaar wordt gemaakt aan een natuurlijke of rechtspersoon, aan een staat die of internationaal lichaam dat geen partij is bij de overeenkomst, of aan een andere overheidsinstantie van de EU of de Republiek Moldavië, behalve indien dit in gerechtelijke of administratieve procedures of bij wet vereist is; en
d) informatie die op grond van dit besluit van de andere douaneautoriteit is verkregen, te allen tijde in veilige elektronische of papieren opslagsystemen wordt bewaard en dat elke toegang alsmede elke verwerking en elk gebruik van informatie die van de andere douaneautoriteit is verkregen, wordt geregistreerd of gedocumenteerd.
7. Elke douaneautoriteit:
a) zorgt ervoor dat de persoonsgegevens van een programmadeelnemer van de andere douaneautoriteit, voor zover het de toegang, de correctie en het tijdstip daarvan, of de tijdelijke schorsing van het gebruik betreft, op een wijze wordt behandeld die ten minste gelijkwaardig is aan die van de persoonsgegevens van haar eigen programmadeelnemers; en
b) maakt informatie bekend om haar programmadeelnemers te informeren over het toepasselijke proces voor verzoeken als bedoeld in punt a) in het kader van haar wetgeving.
8. Elke douaneautoriteit zorgt ervoor dat programmadeelnemers, voor zover het hun persoonsgegevens betreft, toegang hebben tot administratieve of gerechtelijke verhaalmogelijkheden, ongeacht hun nationaliteit of land van verblijf.
9. De douaneautoriteiten maken informatie bekend om de programmadeelnemers te informeren over de beschikbare administratieve of gerechtelijke verhaalmogelijkheden.
10. De naleving van de bepalingen van artikel 6 door elke douaneautoriteit is onderworpen aan de beoordeling daarvan door haar respectieve bevoegde autoriteit, zodat klachten over niet-naleving bij de behandeling van informatie worden ontvangen, onderzocht, beantwoord en een passend gevolg krijgen. Deze autoriteiten zijn:
a) in de EU: de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming of de opvolger daarvan en de gegevensbeschermingsautoriteiten van de EU-lidstaten;
b) in de Republiek Moldavië: het nationaal centrum voor persoonsgegevensbescherming of de opvolger daarvan in de douanedienst van Moldavië.
Artikel 7
Overleg, toezicht en toetsing
Alle aangelegenheden in verband met de uitvoering van dit besluit worden geregeld via overleg onder auspiciën van het Subcomité douane van de EU en Moldavië zoals bepaald in artikel 200 van de associatieovereenkomst.
Beide partijen werken nauw samen bij de uitvoering van dit besluit en houden regelmatig toezicht op de uitvoering door middel van gezamenlijke periodieke toezichtbezoeken om sterke en zwakke punten in de AEO-programma’s van beide partijen in kaart te brengen.
Het Subcomité douane van de EU en Moldavië toetst regelmatig de uitvoering van dit besluit zoals bepaald in artikel 200 van de associatieovereenkomst. Deze toetsing kan met name het volgende omvatten:
a) de uitwisseling van standpunten over uitgewisselde gegevens en aan de programmadeelnemers toegekende voordelen als bedoeld in artikel 4, met inbegrip van toekomstige gegevens of AEO-voordelen als bedoeld in artikel 4;
b) de uitwisseling van standpunten over veiligheidsbepalingen zoals te volgen protocollen gedurende en na een ernstig veiligheidsincident (hervatting van de bedrijfsactiviteiten) of wanneer de omstandigheden zodanig zijn dat de wederzijdse erkenning moet worden geschorst;
c) onderzoek van de schorsing van de voordelen als bedoeld in artikel 4; en
d) toetsing van de uitvoering van artikel 6.
Artikel 8
Slotbepalingen
1. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op de datum waarop de Republiek Moldavië de EU in kennis heeft gesteld dat de voor de inwerkingtreding vereiste procedures zijn voltooid.
2. Het Subcomité douane kan dit besluit wijzigen. De wijziging treedt in werking overeenkomstig de in lid 1 bedoelde procedure.
3. Een douaneautoriteit kan de samenwerking op grond van dit besluit te allen tijde schorsen door de andere douaneautoriteit hiervan ten minste dertig (30) dagen van tevoren schriftelijk kennis te geven. Deze kennisgeving wordt ook aan de bevoegde diensten van de Europese Commissie respectievelijk de douanedienst van de Republiek Moldavië gedaan. Niettegenstaande de schorsing van de samenwerking op grond van dit besluit blijven de douaneautoriteiten voldoen aan artikel 6, leden 1, 2, 4 en 6, om de bescherming van informatie te waarborgen.
4. Een partij kan dit besluit te allen tijde beëindigen door de andere partij daarvan langs diplomatieke weg kennis te geven. Het besluit wordt dertig (30) dagen na ontvangst van de schriftelijke kennisgeving door de andere partij beëindigd. Niettegenstaande de beëindiging van dit besluit blijven de douaneautoriteiten voldoen aan artikel 6, leden 2, 4 en 6, om de bescherming van informatie te waarborgen.
Gedaan in tweevoud te..., op ... 20.., in de Engelse en de Roemeense taal, waarbij beide teksten gelijkelijk authentiek zijn.
Door het SUBCOMITÉ DOUANE EU-Moldavië
Namens de EU
Namens de Republiek Moldavië
(De medevoorzitters)