|
5.4.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 125/23 |
P9_TA(2022)0310
Een nieuwe EU-bosstrategie voor 2030 — Duurzaam bosbeheer in Europa
Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2022 over een nieuwe EU-bosstrategie voor 2030 — Duurzaam bosbeheer in Europa (2022/2016(INI))
(2023/C 125/02)
Het Europees Parlement,
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 16 juli 2021 getiteld “Nieuwe EU-bosstrategie voor 2030” (COM(2021)0572), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 8 oktober 2020 over de Europese bosbouwstrategie — de weg vooruit (1), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 28 april 2015 over “Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector” (2), |
|
— |
gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 4, |
|
— |
gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties, |
|
— |
gezien de overeenkomst die op de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP21) op 12 december 2015 in Parijs is gesloten (de Overeenkomst van Parijs), |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640) en de daaruit voortvloeiende politieke beleidslijnen van Commissievoorzitter Ursula von der Leyen en de Commissie, |
|
— |
gezien Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (3), |
|
— |
gezien Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 en Besluit nr. 529/2013/EU (4), |
|
— |
gezien Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (richtlijn hernieuwbare energie) (5), |
|
— |
gezien Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (habitatrichtlijn) (6), |
|
— |
gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/268 van de Commissie van 28 oktober 2020 tot wijziging van bijlage IV bij Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de referentieniveaus voor bossen die door de lidstaten moeten worden toegepast voor de periode van 2021 tot en met 2025 (7), |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 — De natuur terug in ons leven brengen” (COM(2020)0380), |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 10 maart 2020 getiteld “Een nieuwe industriestrategie voor Europa” (COM(2020)0102), |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 30 juni 2021 getiteld “Een langetermijnvisie voor de plattelandsgebieden van de EU — Naar sterkere, verbonden, veerkrachtige en welvarende plattelandsgebieden in 2040” (COM(2021)0345), |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2020 getiteld “Een renovatiegolf voor Europa — groenere gebouwen, meer banen, hogere levenskwaliteit” (COM(2020)0662), |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 11 oktober 2018 getiteld “Een duurzame bio-economie voor Europa: versterking van de verbinding tussen economie, samenleving en milieu” (COM(2018)0673), |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 23 maart 2022 getiteld “De voedselzekerheid waarborgen en de veerkracht van voedselsystemen versterken” (COM(2022)0133), |
|
— |
gezien het Nieuw Europees Bauhaus-initiatief, |
|
— |
gezien de ontwerpverordening van de Commissie waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie (8), |
|
— |
gezien de conclusies van de Raad van 5 november 2021 over de nieuwe EU-bosstrategie voor 2030, |
|
— |
gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 8 december 2021 over de mededeling van de Commissie getiteld “Nieuwe EU-bosstrategie voor 2030” (9), |
|
— |
gezien het advies van het Europees Comité van de Regio’s van 28 april 2022 over de mededeling van de Commissie getiteld “Nieuwe EU-bosstrategie voor 2030”, |
|
— |
gezien de verantwoordelijkheden van de lidstaten uit hoofde van het VN-Verdrag ter bestrijding van woestijnvorming, |
|
— |
gezien het verslag van de Europese Rekenkamer van 2021 getiteld “Speciaal verslag nr. 21/2021: EU-financiering voor biodiversiteit en klimaatverandering in de bossen van de EU: positieve, maar beperkte resultaten”, |
|
— |
gezien de publicatie van de Commissie van 2018 getiteld “Richtsnoeren inzake de cascadering van biomassa, met voorbeelden van goede praktijken inzake houtachtige biomassa”, |
|
— |
gezien het verslag van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie van 2020 getiteld “Mapping and Assessment of Ecosystems and their Services: An EU ecosystem assessment” (Ecosystemen en hun diensten in kaart brengen en beoordelen: een EU-ecosysteembeoordeling), |
|
— |
gezien het verslag van het Europees Milieuagentschap van 2020 getiteld “State of nature in the EU — Results from reporting under the nature directives 2013-2018” (De toestand van de natuur in de EU — Resultaten van de rapportering in het kader van de natuurrichtlijnen 2013-2018), |
|
— |
gezien het verslag van Forest Europe van 2020 getiteld “State of Europe’s Forests 2020” (Toestand van de bossen in Europa in 2020), |
|
— |
gezien het mondiaal evaluatieverslag over biodiversiteit en ecosysteemdiensten van het intergouvernementeel platform voor biodiversiteit en ecosysteemdiensten (IPBES), |
|
— |
gezien de Verklaring van Kunming getiteld “Ecological Civilization: Building a Shared Future for All Life on Earth” (Ecologische civilisatie: werken aan een gezamenlijke toekomst voor al het leven op aarde), |
|
— |
gezien het rapport van werkgroep II van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) getiteld “Climate Change 2022: Impacts, Adaptation and Vulnerability” (Klimaatverandering 2022: gevolgen, aanpassing en zwakke plekken), |
|
— |
gezien het speciaal rapport van de IPCC over klimaatverandering, woestijnvorming, bodemdegradatie, duurzaam landbeheer, voedselzekerheid en broeikasgasstromen in terrestrische ecosystemen, |
|
— |
gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 april 2018 in zaak C-441/17, Commissie/Polen (10), |
|
— |
gezien de projecten en praktijken om informatie inzake bossen in Europa te coördineren (het European National Forest Inventory Network (ENFIN), het FutMon-project, het Diabolo-project, de European Atlas of Forest Tree Species en het MAES-programma om ecosystemen en hun diensten in kaart te brengen en te beoordelen), |
|
— |
gezien het verslag van de door het IPBES en de IPCC gezamenlijk georganiseerde workshop over biodiversiteit en klimaatverandering van 10 juni 2021, |
|
— |
gezien artikel 54 van zijn Reglement, |
|
— |
gezien de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie ontwikkelingssamenwerking, |
|
— |
gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A9-0225/2022), |
|
A. |
overwegende dat de EU de bindende streefdoelen heeft vastgesteld om tegen 2030 de uitstoot van broeikasgassen met ten minste 55 % te verminderen en uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken (11); overwegende dat de EU een verbintenis is aangegaan met betrekking tot de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de VN, met inbegrip van SDG 15 om terrestrische ecosystemen te beschermen en te herstellen en het duurzame gebruik ervan te bevorderen, bossen duurzaam te beheren, woestijnvorming tegen te gaan, bodemdegradatie te stoppen en ongedaan te maken en biodiversiteitsverlies een halt toe te roepen, alsook met betrekking tot de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en het nakomen van de toezeggingen die tijdens de VN-klimaatconferentie van 2021 (COP26) zijn gedaan; overwegende dat bossen en bosgebaseerde bedrijfstakken en diensten, evenals eigenaren en werknemers, een belangrijke en onvervangbare rol zullen spelen bij de verwezenlijking van de SDG’s en de streefdoelen van de Overeenkomst van Parijs, en dat bosecosystemen en hun koolstofreservoirs van essentieel belang zijn voor klimaatmitigatie en -adaptatie, aangezien zij ongeveer 10 % van de broeikasgasemissies in Europa opnemen en opslaan (12) en belangrijke dragers van biodiversiteit zijn; |
|
B. |
overwegende dat in artikel 4 VWEU is voorzien in gedeelde bevoegdheden en verantwoordelijkheid met betrekking tot bossen, met name in het kader van het milieubeleid van de EU, maar dat er geen sprake is van een gemeenschappelijk EU-bosbeleid, waardoor bosbeleid een bevoegdheid van de lidstaten blijft; overwegende dat de bossen in de EU een grote diversiteit kennen wat betreft biogeografie, structuur, omvang, biodiversiteit, eigendomspatronen en bestaand beleid, en dat het daarom bij de ontwikkeling en uitvoering van de nieuwe EU-bosstrategie (“de strategie”) en de desbetreffende EU-wetgeving noodzakelijk is, wanneer beleidsmaatregelen inzake milieu, klimaat en andere relevante kwesties betrekking hebben op bossen, de beginselen inzake subsidiariteit en evenredigheid naar behoren toe te passen; overwegende dat specificaties met betrekking tot bosbeheer op nationaal en regionaal niveau moeten worden aangepast aan de hand van een bottom-upbenadering; overwegende dat verdere coördinatie op EU-niveau noodzakelijk is om de doelstellingen van de Europese Green Deal beter te kunnen verwezenlijken en om potentiële emissiereducties en de grenzen van het bosgebruik nauwkeuriger te kunnen berekenen, gezien de belangrijke rol die bossen spelen bij de verwezenlijking van de Europese klimaatdoelstellingen; |
|
C. |
overwegende dat het beginsel van de Europese Green Deal als horizontale benadering om de klimaat- en milieu-uitdagingen aan te pakken, waarbij wordt gewaarborgd dat de natuur en de biodiversiteit naar behoren kunnen worden beschermd op een manier die duurzame groei en banen creëert in een hulpbronnenefficiënte, koolstofneutrale en volledig circulaire en concurrerende economie die de grenzen van de planeet eerbiedigt, als leidraad moet dienen bij de uitvoering van de strategie wat betreft het afwegen van compromissen, het creëren van synergieën en het vinden van het juiste evenwicht tussen de vele functies van bossen, waaronder de sociaal-economische, de milieu- en de klimaatfunctie; overwegende dat een “ecosysteem” een fysieke omgeving is die bestaat uit levende en niet-levende componenten die in wisselwerking met elkaar staan; overwegende dat ecosystemen vanuit deze wisselwerking een hele reeks voordelen aan mensen en de economie bieden die “ecosysteemdiensten” worden genoemd; overwegende dat klimaatverandering en het verlies aan biodiversiteit en de bijbehorende ecosysteemdiensten een systemische bedreiging voor de samenleving vormen; overwegende dat bossen een brede waaier aan ecosysteemdiensten verlenen, onder meer door te voorzien in hout- en andere producten, voedsel, koolstofvastlegging, een beschermde omgeving voor biodiversiteit, schone lucht en schoon water, voordelen voor het plaatselijke klimaat en bescherming tegen natuurlijke gevaren zoals lawines, overstromingen, droogte en vallende stenen, en daarnaast ook recreatieve, culturele en historische waarde bieden; overwegende dat duurzaam bosbeheer tot doel heeft een evenwichtige verlening van de diverse ecosysteemdiensten te waarborgen en de inspanningen op het gebied van klimaatmitigatie en -adaptatie te ondersteunen; |
|
D. |
overwegende dat producten op basis van hout bijdragen tot klimaatmitigatie door koolstofopslag en door een alternatief te bieden voor producten met een grote koolstofvoetafdruk, waaronder bouw- en verpakkingsmaterialen, textiel, chemische stoffen en brandstoffen; overwegende dat producten op basis van hout hernieuwbaar en in grote mate recycleerbaar zijn en daardoor een enorm potentieel bieden om een circulaire bio-economie tot stand te helpen brengen; overwegende dat de bosbouwsector en de bosgebaseerde bedrijfstakken daarom een sleutelrol spelen in een groene economie; |
|
E. |
overwegende dat in het kader van het “Fit for 55”-pakket en het streefdoel om het klimaatbeleid in overeenstemming te brengen met de Overeenkomst van Parijs wordt gewerkt aan een herziening van de richtlijn hernieuwbare energie en de verordening inzake de opname van broeikasgasemissies door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (13); overwegende dat de Commissie een verordening inzake ontbossingsvrije producten heeft voorgesteld; overwegende dat deze initiatieven in het licht van het Europese concept van multifunctionele bossen moeten stroken met de politieke doelstellingen op hoog niveau van de Green Deal, het actieplan voor de bio-economie, de strategie voor een circulaire economie, de bosstrategie, de biodiversiteitsstrategie en de langetermijnvisie voor de plattelandsgebieden; |
|
F. |
overwegende dat bosbezit in Europa divers van aard is wat omvang en eigendomsstructuur betreft, met een grote verscheidenheid aan beheermodellen tot gevolg; overwegende dat ongeveer 60 % van de bossen in de EU eigendom is van 16 miljoen particuliere boseigenaren (14), waarbij het voor een aanzienlijk deel om klein grondbezit gaat (15), en dat ongeveer 40 % van de bossen in de EU in een of andere vorm in openbare handen is; overwegende dat een klein aantal boseigenaren een aanzienlijk deel van het totale bosareaal bezit en dat sommigen onder hen eigenaar zijn van de belangrijkste houtverwerkende bedrijven in de EU; overwegende dat het voor het bereiken van de doelstellingen van de strategie, waaronder de levering van klimaat- en andere ecosysteemdiensten, van essentieel belang zal zijn deze eigenaren inspraak te geven, te ondersteunen en aan te moedigen voordat aan bestraffing wordt gedacht, door middel van een alomvattend beleids- en wetgevingskader dat rechtszekerheid biedt en gebaseerd is op de erkenning van hun eigendomsrechten, hun ervaring als beheerders, het belang van de inkomsten uit bosbeheer en specifieke uitdagingen; overwegende dat het in dit opzicht belangrijk is ervoor te zorgen dat dit kader duidelijk en transparant is en dat het voor geen van de betrokken actoren buitensporige administratieve lasten met zich meebrengt; |
|
G. |
overwegende dat de EU ongeveer 5 % van het totale bosareaal in de wereld herbergt en dat bossen 43 % van het landoppervlak van de EU beslaan — een iets hoger percentage dan het landoppervlak dat voor landbouw wordt gebruikt — en 80 % van de terrestrische biodiversiteit in de EU herbergen (16); overwegende dat volgens het verslag van het Europees Milieuagentschap getiteld “The European environment — state and outlook 2020: knowledge for transition to a sustainable Europe” (17) de biodiversiteit in Europa drastisch is afgenomen; overwegende dat bijna 23 % van de Europese bossen te vinden is in Natura 2000-gebieden en dat dit aandeel in sommige lidstaten meer dan 50 % bedraagt; overwegende dat bijna de helft van de natuurlijke habitats in Natura 2000-gebieden bossen zijn; |
|
H. |
overwegende dat de meest recente gegevens die in het kader van artikel 17 van de habitatrichtlijn zijn verzameld, aangeven dat uit de staat van habitatparameters blijkt dat slechts 49 % van de boshabitats in goede staat verkeert (18), terwijl de staat van 29,6 % van de habitats onbekend is en bij 21,1 % slecht is en moet worden verbeterd; overwegende dat een loutere toespitsing op geaggregeerde gegevens mogelijk ontoereikend is om essentiële informatie over de meest urgente problemen te inventariseren en aan de orde te stellen, en dat het daarom noodzakelijk is een beroep te doen op meer specifieke indicatoren om zicht te krijgen op trends met betrekking tot de toestand en de factoren van druk en ervoor te zorgen dat ontbrekende gegevens in de toekomst beschikbaar zijn; overwegende dat op basis van deze indicatoren geen algemeen negatief oordeel over de staat van de bossen in de EU wordt geveld, maar dat er zowel positieve als negatieve trends te zien zijn (19) die om een genuanceerde respons per geval vragen; overwegende dat bossen steeds kwetsbaarder worden voor de gevolgen van klimaatverandering, met name door de toename van het aantal bosbranden; overwegende dat het op grote schaal kwantificeren van de effecten die dergelijke verstoringen hebben op de veerkracht en productiviteit van bossen nog steeds een grote uitdaging vormt; |
|
I. |
overwegende dat een beter inzicht in potentiële door het klimaat veroorzaakte natuurlijke verstoringen in Europese bossen verder richting moet geven aan het bosbeheer en moet dienen als input voor aanpassingsmaatregelen om deze kwetsbaarheden aan te pakken; |
|
J. |
overwegende dat het verzamelen en bijhouden van transparante en betrouwbare gegevens van hoge kwaliteit, de uitwisseling van kennis en beste praktijken, en adequaat gefinancierd en goed gecoördineerd onderzoek van cruciaal belang zijn om de uitdagingen aan te pakken en kansen te creëren, alsook om de vele functies van bossen tot hun recht te laten komen, met inbegrip van de diverse voordelen van de producten van bosgebaseerde bedrijfstakken, in een steeds complexere omgeving; overwegende dat de informatie over bossen die op EU-niveau beschikbaar is onvolledig en van wisselende kwaliteit is, hetgeen de onderlinge afstemming van het beheer en de instandhouding van bossen door de EU en de lidstaten belemmert; overwegende dat er met name een betere monitoring moet komen van de toestand van bosecosystemen, alsook van de gevolgen van bosbouwmaatregelen voor de biodiversiteit en het klimaat; |
|
K. |
overwegende dat de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) op internationaal niveau het belangrijkste forum is voor de ontwikkeling van internationaal erkende definities met betrekking tot bossen en bosbouw; overwegende dat de FAO gegevens inzake bossen en bosbouw verzamelt en verstrekt; overwegende dat de Commissie en de lidstaten een bijdrage leveren aan de werkzaamheden van de FAO; |
|
L. |
overwegende dat de verlening van de diverse bosecosysteemdiensten via de bosbouwsector en de bosgebaseerde bedrijfstakken een belangrijke inkomens- en werkgelegenheidspijler vormt, met name op het platteland, maar ook in stedelijke gebieden door downstreamgebruik van deze diensten; overwegende dat bij de uitvoering van de strategie naar behoren rekening moet worden gehouden met de ontwikkeling van inkomen en werkgelegenheid, maar ook met de aantrekkelijkheid van de werkgelegenheid in de sector door middel van kwaliteitsvolle banen, sociale bescherming, normen inzake gezondheid en veiligheid, de voortdurende ontwikkeling van vaardighedenpartnerschappen met belanghebbenden en passende opleidingsmogelijkheden voor leidinggevenden en werknemers; overwegende dat de werkgelegenheid in de Europese bosbouw tussen 2000 en 2015 met een derde is gedaald — hoofdzakelijk vanwege de toegenomen mechanisatie in de hout- en papierindustrie (20); overwegende dat een beter ontwerp van bosbouwmachines de bescherming van werknemers ten goede kan komen en de impact op bodem en water kan verminderen; overwegende dat houtkap en de houtsector tot de gevaarlijkste industriesectoren behoren en gekenmerkt worden door een groot aantal arbeidsongevallen, beroepsziekten en gevallen van vroegtijdige pensionering; |
|
M. |
overwegende dat het areaal en het biomassavolume van Europese bossen toenemen (21), in tegenstelling tot de verontrustende ontbossingstrends wereldwijd; overwegende dat de EU een belangrijke rol kan spelen bij het aanpakken van wereldwijde ontbossing, hetgeen wordt benadrukt door het voorstel van de Commissie voor een verordening inzake ontbossingsvrije producten; overwegende dat, naast het reguleren van de invoer, een Europese bosstrategie die de beste praktijken voor economisch levensvatbaar, duurzaam bosbeheer onder de aandacht brengt, een bijdrage kan leveren aan een verbetering van het bosbeheer wereldwijd; |
|
N. |
overwegende dat er momenteel wereldwijde vrijwillige certificeringsregelingen voor duurzaam bosbeheer bestaan; overwegende dat certificeringsregelingen een essentieel instrument zijn om te voldoen aan de zorgvuldigheidsvereisten (22) van de EU-houtverordening (23); |
|
O. |
overwegende dat het proces van duurzaam bosbeheer in Europa ervoor moet zorgen dat het juiste evenwicht wordt bereikt tussen de drie pijlers van duurzaamheid, namelijk milieubescherming, sociale ontwikkeling en economische ontwikkeling; |
|
P. |
overwegende dat criteria en indicatoren om duurzaam bosbeheer te definiëren die vaak worden gebruikt in de EU gebaseerd zijn op pan-Europese samenwerking in het kader van het Forest Europe-proces waarbij alle lidstaten en de Commissie ondertekenende partij zijn; overwegende dat in het kader van het lopende werkprogramma van Forest Europe een herbeoordeling van de definitie van duurzaam bosbeheer wordt verricht; overwegende dat Forest Europe informatie verzamelt en verstrekt over de toestand en trends in verband met bossen en bosbouw op basis van de criteria voor duurzaam bosbeheer; overwegende dat het noodzakelijk is ervoor te zorgen dat indicatoren en drempelwaarden empirisch onderbouwd zijn en dat in dit verband nauw met de lidstaten moet worden samengewerkt; overwegende dat met nieuwe transparante indicatoren en drempelwaarden de duurzaamheid van de sector zou kunnen worden verbeterd, gezien het belang van de sector wat milieu-, economische en sociale waarden betreft; overwegende dat het kader voor duurzaam bosbeheer duidelijk moet worden omschreven, met name wat betreft de criteria, indicatoren en drempelwaarden met betrekking tot de gezondheid van ecosystemen, biodiversiteit en klimaatverandering, zodat het een gedetailleerder en nuttiger screeninginstrument kan worden om de verschillende beheerbenaderingen, de impact ervan en de algemene toestand en instandhouding van de Europese bossen te bepalen en te vergelijken; overwegende dat duurzaam bosbeheer hand in hand moet gaan met de bevordering van de multifunctionele rol van bossen om ervoor te zorgen dat dit volledig wordt afgestemd op de diversiteit van bossen en de specifieke kenmerken van elke regio; |
|
Q. |
overwegende dat agrobosbouw, gedefinieerd als grondgebruikstelsels waarbij de teelt van bomen wordt gecombineerd met landbouw op hetzelfde perceel, bestaat uit een reeks landbeheersystemen die de algehele productiviteit kunnen vergroten, meer biomassa kunnen opleveren, de bodem in stand kunnen houden en kunnen herstellen, woestijnvorming kunnen tegengaan en een aantal waardevolle ecosysteemdiensten kunnen verstrekken; overwegende dat er in de EU twee belangrijke soorten agrobosbouw bestaan: silvopastorale agrobosbouw (grazende dieren of de productie van diervoeder onder bomen) en silviculturele agrobosbouw (gewasteelt onder bomen, met tussenruimte voor tractoren); overwegende dat de bestaande agrobosbouwsystemen in de EU voor het grootste deel silvopastorale systemen zijn en dat de opschaling van agrobosbouw meerdere voordelen kan opleveren in het licht van de druk op het milieu; |
|
R. |
overwegende dat de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 het streven inhoudt om “alle resterende oerbossen in de EU te identificeren, in kaart te brengen, te monitoren en strikt te beschermen”; overwegende dat de bescherming van bossen, met inbegrip van alle resterende primaire en oerbossen in de EU, van cruciaal belang is voor het behoud van de biodiversiteit en het beperken van de klimaatverandering; overwegende dat uit een verslag van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van 2021 (24) blijkt dat er van de primaire en oude bossen van Europa slechts 4,9 miljoen hectare overblijft, wat neerkomt op amper 3 % van het totale bosareaal van de Unie en 1,2 % van de landmassa van de Unie; overwegende dat primaire en oerbossen een essentiële rol spelen bij het behoud van de biodiversiteit; overwegende dat zij vaak een zeer grote biodiversiteit kennen in vergelijking met andere bossen in hetzelfde ecologische gebied, rijk zijn aan soorten en speciale flora en fauna herbergen; overwegende dat primaire en oerbossen ook een breed scala aan andere kritieke ecosysteemdiensten verlenen; overwegende dat er pas sprake kan zijn van een goed ontwerp en een behoorlijke uitvoering en monitoring van het beleid als er een operationele definitie van primaire en oerbossen voorhanden is; |
|
S. |
overwegende dat Integrate Network een platform is van vertegenwoordigers van verschillende Europese landen, opgezet door een aantal regeringen van de lidstaten en ondersteund door het Permanent Comité voor de bosbouw van de Commissie, dat wetenschappelijk advies verstrekt en tot op heden heeft gefunctioneerd als een belangrijke motor voor het in kaart brengen van manieren om natuurbehoud te integreren in duurzaam bosbeheer; overwegende dat het platform met zijn werkzaamheden een belangrijke rol heeft gespeeld bij de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken; |
|
T. |
overwegende dat in het kader van het door Horizon 2020 gefinancierde Alterfor-project is gekeken naar het potentieel om de momenteel gebruikte bosbeheermethoden te optimaliseren en alternatieve bosbeheermodellen zijn voorgesteld, waarbij voor elk alternatief de kansen en uitdagingen werden vermeld; |
|
U. |
overwegende dat in het kader van het door Horizon 2020 gefinancierde Sincere-project nieuwe beleidsmaatregelen en nieuwe bedrijfsmodellen zijn ontwikkeld door een bundeling van de kennis en deskundigheid uit de praktijk, de wetenschap en het beleid in heel Europa en daarbuiten, met als doel nieuwe mogelijkheden te onderzoeken om bosecosysteemdiensten te versterken op manieren die zowel voordelen bieden voor boseigenaren als inspelen op de brede maatschappelijke behoeften; |
|
V. |
overwegende dat de oorlog in Oekraïne grote gevolgen zal hebben voor de invoer van hout, met name berkenhout, waarvan Rusland 80 % van de wereldwijde productie voor zijn rekening neemt, alsook voor de Europese houtverwerkende industrie en de uitvoer van verwerkte producten; overwegende dat de legitieme sancties die aan Rusland zijn opgelegd vragen doen rijzen over de afhankelijkheid van de EU van houtinvoer uit Rusland; overwegende dat de EU ongeveer 80 % van haar vraag naar hout intern betrekt en dat de invoer uit Rusland slechts zo’n 2 % van het totale verbruik vertegenwoordigt; overwegende dat Finland en Zweden de belangrijkste importeurs van onbewerkt rondhout uit Rusland zijn en gevolgen zullen ondervinden van handelsverboden (25); |
|
W. |
overwegende dat illegale houtkap, waaronder houtkap in beschermde gebieden zoals Natura 2000-gebieden, in een aantal lidstaten een aanhoudend en onopgelost probleem vormt; |
|
X. |
overwegende dat bossen essentieel zijn voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid en het welzijn van mensen, de transitie naar een fossielvrije economie stimuleren en een belangrijke rol spelen in het leven van lokale gemeenschappen, met name in plattelandsgebieden, waar zij een belangrijke bijdrage leveren aan lokale bestaansmiddelen; |
1.
is ingenomen met de nieuwe EU-bosstrategie en de daarin vervatte ambitie om de evenwichtige bijdrage van multifunctionele bossen aan de streefdoelen van de Green Deal en de bijbehorende EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 te vergroten, met name de doelen gericht op het creëren van duurzame groene groei en groene banen en op de totstandbrenging van een koolstofneutrale, ecologisch duurzame en volledig circulaire economie die rekening houdt met de grenzen van onze planeet, en het bereiken van klimaatneutraliteit uiterlijk in 2050; benadrukt het belang van een solide, wetenschappelijk onderbouwde strategie, waarin de ecologische, sociale en economische dimensies van duurzaamheid op geïntegreerde en evenwichtige wijze in aanmerking worden genomen, aangezien bossen niet alleen bijdragen aan klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen, onder meer door de bescherming van bodem en water, maar ook economische en sociale voordelen en een brede waaier aan diensten bieden, van bestaansmiddelen tot recreatie;
2.
betreurt dat de nieuwe EU-bosstrategie niet zoals het hoort samen met het Europees Parlement, de lidstaten en de belanghebbenden is ontwikkeld en dat er niet op passende wijze rekening is gehouden met de standpunten van de medewetgevers; benadrukt het belang van versterkte samenwerking wat de uitvoering van de nieuwe EU-bosstrategie voor 2030 betreft;
3.
erkent dat in overeenstemming met duurzaam bosbeheer en ter verhoging van de kwaliteit en diversiteit van bosecosystemen, het behoud, de bescherming, de versterking, het herstel en het duurzame gebruik van gezonde en veerkrachtige bossen fundamentele doelstellingen zijn van de EU-bosstrategie en van alle actoren in de bosbouw en de bosgebaseerde waardeketen, waarbij hout wordt gebruikt als veelzijdige, hernieuwbare grondstof om zelfvoorziening in de EU te maximaliseren; merkt bovendien op dat deze doelstellingen in overeenstemming zijn met de verwachtingen en eisen van de samenleving en met de belangrijkste prioriteiten van de EU-bevolking; benadrukt dat bosbouw dicht bij de natuur en duurzaam bosbeheer het potentieel hebben om vergelijkbare of betere economische voordelen te bieden, en tegelijkertijd de integriteit en veerkracht van ecosystemen in stand kunnen houden en kunnen bevorderen, alsook het potentieel van bossen als koolstofputten en beschermde omgeving voor biodiversiteit en het herstel daarvan kunnen vergroten;
4.
erkent dat bossen en de biodiversiteit en unieke ecosystemen die zij herbergen van vitaal belang zijn door hun bijdrage aan de gezondheid van het milieu, maatregelen ter beperking van de klimaatverandering, de voorziening van schone lucht, water- en bodemstabiliteit en vruchtbaarheid, en dat zij tegelijk diverse habitats en microhabitats bieden aan tal van soorten en zo een rijke biodiversiteit ondersteunen; wijst op de essentiële rol van bossen voor de gezondheid en het welzijn van de mens, met inbegrip van bosgebieden in en rond steden die toegankelijk zijn voor mensen die het contact met de natuur het meest moeten missen, alsook voor het leveren van educatieve en toeristische diensten; benadrukt dat het noodzakelijk is de “één gezondheid”-benadering te bevorderen, waarmee de intrinsieke band tussen menselijke gezondheid, diergezondheid en een gezonde natuur wordt erkend; benadrukt dat een goed beheer van Natura 2000-gebieden van essentieel belang is om de Europese biodiversiteit en ecosystemen en de diensten die deze leveren te behouden en te verbeteren;
5.
benadrukt de essentiële rol van bosecosystemen voor klimaatmitigatie en -adaptatie en de EU-doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken; erkent dat klimaatverandering de groeicapaciteit van bossen in bepaalde gebieden beïnvloedt, frequentere en ernstigere droogte, overstromingen en branden tot gevolg heeft en de verspreiding van nieuwe plagen en ziekten die bossen aantasten in de hand werkt; merkt op dat intacte ecosystemen beter dan aangetaste ecosystemen in staat zijn om milieugerelateerde stressfactoren, waaronder veranderingen in het klimaat, te ondervangen dankzij inherente eigenschappen die ervoor zorgen dat zij hun aanpassingsvermogen kunnen maximaliseren; onderstreept dat de klimaatverandering de komende jaren een nog grotere negatieve invloed op de Europese bossen zal hebben en met name gevolgen zal hebben voor gebieden met monospecifieke en gelijkjarige bosopstanden; onderstreept in dit verband dat de veerkracht van de Europese bossen moet worden versterkt, met name door de diversiteit van hun structuur, functies en samenstelling te vergroten; benadrukt dat structureel rijke, gemengde bossen met een brede ecologische amplitude meer veerkracht en een groter aanpassingsvermogen hebben in deze context; wijst erop dat stabiel gemengd bos in bepaalde omstandigheden soms van nature een beperkt aantal soorten bevat; onderstreept dat bosgebieden met hun respectieve koolstofreservoirs van levende bomen en dood hout een cruciale factor zijn om de opwarming van de aarde te beperken, bij te dragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU inzake klimaatneutraliteit en de biodiversiteit te vergroten; is van mening dat het bevorderen van biologisch diverse bossen de meest doeltreffende garantie is tegen klimaatverandering en biodiversiteitsverlies;
6.
wijst erop dat de bedekkingsgraad en het volume (26) van bossen in de EU voortdurend toenemen, ondanks een vertraging in de afgelopen jaren, hetgeen in contrast staat met de wereldwijde ontbossingstrend (27); erkent de inspanningen van alle actoren in de bosgebaseerde waardeketen die hebben bijgedragen aan deze ontwikkeling; is bezorgd over de toenemende druk op de bossen in de EU en op hun habitats, die is verergerd door de effecten van de klimaatverandering, en benadrukt dat de veerkracht van bossen en ecosystemen dringend moet worden beschermd en vergroot, onder meer door middel van maatregelen ter vergroting van het vermogen om zich aan te passen aan de klimaatverandering en ter beperking van factoren van druk waar dat haalbaar is, rekening houdend met de kenmerken van het bos; merkt met bezorgdheid op dat de kwetsbaarheid van bossen in de EU voor invasieve plagen en ziekteverwekkers lijkt te zijn gestegen en dat uitbraken een bedreiging vormen voor vastgelegde koolstof (28), de biodiversiteit en de houtkwaliteit;
7.
roept de lidstaten ertoe op om bossen in het kader van hun wetgeving optimaal te beschermen tegen verontreiniging en beschadiging; verwijst met name naar de bescherming tegen verontreiniging door bijvoorbeeld loodhoudende munitie of pesticiden, extreme bodemdruk als gevolg van oneigenlijk gebruik van machines, en bescherming tegen wildvraat of schade als gevolg van een te grote populatie van evenhoevig wild;
8.
wijst op de specifieke en diverse kenmerken van de bosbouwsectoren in de lidstaten en benadrukt dat de bossen van de EU worden gekenmerkt door uiteenlopende natuurlijke omstandigheden zoals biogeografie, omvang, structuur en biodiversiteit, en verschillende eigendomspatronen, governancevormen, uitdagingen en kansen, en dat de meeste bossen gevormd zijn door eeuwen van interactie, ingrijpen en beheer met en door mensen en dus een vorm van cultureel erfgoed zijn; herinnert er tevens aan dat primaire en oerbossen gebieden zijn die zich met weinig tot geen menselijk ingrijpen en beheer hebben ontwikkeld; beklemtoont dat er in sommige gevallen aangepaste benaderingen wat betreft bosbeheer en de levering van ecosysteemdiensten nodig zijn om ervoor te zorgen dat de strategie kan worden uitgevoerd in alle soorten bossen en situaties;
9.
erkent dat bosbeheer locatiespecifiek is en dat er naargelang de toestand van een bos en het soort bos verschillende beheerbenaderingen nodig kunnen zijn, gebaseerd op de verschillende ecologische behoeften en de kenmerken van het bosgebied, en dat er rekening moet worden gehouden met de rechten en belangen van werknemers in de bosbouwsector, eigenaren en andere betrokkenen;
10.
benadrukt de bijdrage die boseigenaren en actoren in de gehele bosgebaseerde waardeketen tot dusver hebben geleverd aan de inspanningen om uiterlijk in 2050 een duurzame en klimaatneutrale economie tot stand te brengen en aan de waarde van historische en van generatie op generatie overgedragen kennis en deskundigheid op het gebied van bosbouw en duurzaam bosbeheer;
11.
erkent dat de beoordeling van de toestand van bossen een complexe zaak is en dat er sprake is van een ongelijke beschikbaarheid, diversiteit en kwaliteit van gegevens, en benadrukt daarom dat een permanente beleids- en wetenschappelijke dialoog en meer financiering op alle niveaus noodzakelijk zijn, beginnende met overleg met de lidstaten en met name met bosbeheerders en -eigenaren, om de gegevensverzameling met betrekking tot de toestand van bossen te verbeteren en de gegevens in voorkomend geval beter te harmoniseren; benadrukt dat ook rekening moet worden gehouden met financiële en personele middelen, met name om hulpbronnenefficiënt gebruik van bossen en de grenzen voor het gebruik van bossen in een vroeg stadium te kunnen aanwijzen;
12.
beklemtoont dat de nadruk van de strategie weliswaar ligt op bossen in de EU, maar dat de strategie en de uitvoering ervan in overeenstemming moeten zijn met de werkzaamheden op pan-Europees niveau van Forest Europe en internationale organisaties zoals de FAO en rekening moeten houden met de standpunten van deskundigengroepen en de werkzaamheden die op het niveau van de lidstaten worden verricht; benadrukt dat de strategie en de uitvoering ervan dubbel werk en een toename van de administratieve lasten moeten voorkomen; is voorts van mening dat, gezien de grote inzet van de EU om wereldwijd de biodiversiteit en koolstofputten te beschermen en het duurzaam winnen, produceren en gebruiken van hulpbronnen te bevorderen, zoals nadrukkelijk blijkt uit het voorstel van de Commissie voor een verordening inzake ontbossingsvrije producten, de strategie moet worden uitgevoerd op een wijze die ervoor zorgt dat zij als model voor beste praktijken kan dienen, waarbij de diverse uitgangsposities worden erkend, en tegelijk een stimulans vormt voor de toepassing van vergelijkbare benaderingen in andere regio’s;
13.
benadrukt dat de diverse doelstellingen van de strategie alleen kunnen worden waargemaakt als de uitvoering van de strategie wordt afgestemd op het beoogde gebruik op regionaal en lokaal niveau, met aandacht voor de sociaal-economische impact die ermee gepaard kan gaan, onder meer door de uitvoering aan te passen aan plaatselijke omstandigheden en ervaringen en traditionele kennis en gebruiken, rekening houdend met de huidige wetenschappelijke inzichten, en door ervoor te zorgen dat belanghebbenden over de nodige vaardigheden beschikken; merkt op dat de strategie gebaseerd moet zijn op de volledige erkenning van eigendomsrechten, een economisch, ecologisch en sociaal levensvatbare bosbouwsector en het beginsel dat de vervuiler betaalt, als essentiële elementen voor de verlening van de diverse bosdiensten en een verbetering van de veerkracht;
14.
verzoekt de Commissie een uitgebreide effectbeoordeling van de strategie te verrichten om na te gaan wat de gevolgen ervan zijn voor marktvoorwaarden, plattelandsgebieden en de diverse financieringsbehoeften, onder meer voor onderzoek en innovatie, de ontwikkeling van vaardigheden, infrastructuur, klimaatmitigatie en -adaptatie en de bevordering van biodiversiteit;
Bevordering van een evenwichtige multifunctionaliteit
|
15. |
erkent de essentiële rol van bossen en de gehele bosgebaseerde waardeketen bij de bescherming van het klimaat en de biodiversiteit en bij de beperking van de klimaatverandering om mee bij te dragen tot de totstandbrenging van een duurzame en klimaatneutrale economie uiterlijk in 2050; onderstreept dat de multifunctionele rol van bossen meerdere ecosysteemdiensten en sociaal-economische functies omvat, zoals het behoud en de verbetering van de biodiversiteit en de bodem, de beperking van de klimaatverandering, de vastlegging en opslag van koolstof uit de atmosfeer, het voorkomen van bodemdegradatie, de levering van hernieuwbare en op de natuur gebaseerde grondstoffen en medische, eetbare en culinaire producten, en niet op winning gerichte economische activiteiten, waaronder duurzaam ecotoerisme, die allemaal leiden tot banen en economische groei in plattelands- en stedelijke gebieden, de ontvolking van het platteland tegengaan, bijdragen tot de voorziening van schoon water en schone lucht en tot de bescherming tegen natuurlijke gevaren, en recreatieve, gezondheids-, esthetische en culturele voordelen bieden; benadrukt dat bij de uitvoering van de strategie moet worden gezorgd voor de evenwichtige verlening van alle diensten en voor het behoud en de versterking van concurrentievermogen en innovatie; onderstreept dat voor een succesvolle verlening van diensten een duurzaam actief beheer nodig is; |
|
16. |
is van mening dat het belangrijkste beginsel voor het vinden van een evenwicht tussen de vele functies van bossen en de vaststelling van doelstellingen en maatregelen gericht op de verlening van alle ecosysteemdiensten, moet inhouden dat wordt gestreefd naar een maximale benutting van synergieën en een minimale afweging tussen compromissen, op basis van empirisch onderbouwde informatie; |
|
17. |
benadrukt dat bossen bijdragen tot de beperking van de klimaatverandering via koolstofvastlegging, koolstofopslag en hout en houtproducten als duurzame vervangingsmiddelen voor fossiele brandstoffen, producten van fossiele oorsprong, materialen, energiebronnen en andere producten met een grote milieu- en koolstofvoetafdruk; benadrukt dat hout de enige natuurlijke hernieuwbare hulpbron van betekenis is die een aantal zeer energie-intensieve materialen, zoals cement en kunststoffen, kan vervangen en dat er in de toekomst meer vraag naar zal zijn; stelt vast dat in de strategie bijzondere nadruk wordt gelegd op opslag in de bouwsector en is van oordeel dat bij de uitvoering van de strategie duidelijke steun moet worden gegeven aan een breder gebruik van verschillende opties voor op hout gebaseerde vervangingsmiddelen en dat de uitvoering gebaseerd moet zijn op wetenschappelijke onderbouwde en robuuste levenscyclusbeoordelingen, overeenkomstig de milieudoelstellingen van de EU en de doelstellingen van de strategie voor de bio-economie en de industriële strategie van de EU, teneinde het volledige potentieel van bosgebaseerde producten te benutten ter versterking van de circulaire economie, ter bestrijding van de klimaatverandering en ter verwezenlijking van een economie waarin fossiele brandstoffen geen rol meer spelen; benadrukt de rol van onderzoek inzake de vervanging van fossiele materialen en fossiele brandstoffen; benadrukt dat de consumptie van de EU in het algemeen moet worden verminderd en is ingenomen met de vaststelling van een methode om de klimaatvoordelen van houtbouw te kwantificeren; |
|
18. |
benadrukt dat het aanzienlijke belang van een gezonde en vruchtbare bosbodem niet over het hoofd mag worden gezien, aangezien die onmisbaar is om leven mogelijk te maken, de productiviteit van bossen te verhogen (29), koolstof op te slaan en het essentiële ondergrondse netwerk van schimmeldraden te beschermen waardoor bomen hulpbronnen zoals voedingsstoffen en water of verdedigingssignalen kunnen uitwisselen, zodat ze beter bestand zijn tegen plagen, ziekten en zelfs droogte en extreme weersomstandigheden (30), (31), (32), die waarschijnlijk in intensiteit en frequentie zullen toenemen als gevolg van de klimaatverandering; |
|
19. |
benadrukt dat producten op basis van hout alleen optimaal kunnen bijdragen tot de beperking van de klimaatverandering en een circulaire economie als zij op de meest efficiënte en duurzame manier worden gebruikt; is van mening dat de verwijdering van hout moet worden beperkt aan de hand van duurzaamheidsgrenzen en dat de beginselen van de richtsnoeren inzake cascadering (33) een goede norm zijn voor efficiënt gebruik, maar alleen als deze niet als een statische benadering worden toegepast en dus regelmatig worden aangepast om rekening te houden met innovatief gebruik, bijvoorbeeld in de bouw, textiel, biochemicaliën, medische toepassingen en batterijmaterialen; benadrukt dat hulpbronnen op basis van hout zo efficiënt mogelijk moeten worden gebruikt en dat bij economische en operationele beslissingen hierover rekening moet worden gehouden met nationale specifieke kenmerken, en benadrukt dat een goed functionerende, niet-verstoorde markt een stimulans kan vormen voor het efficiënt en duurzaam gebruik van hulpbronnen op basis van hout, in combinatie met passende maatregelen om de bescherming van het milieu te waarborgen; |
|
20. |
onderstreept het belang van een betrouwbare en duurzame aanvoer van hout, producten op basis van hout en bosgebaseerde biomassa om de duurzaamheidsdoelstellingen van de EU te kunnen verwezenlijken, waaronder de doelstelling om uiterlijk in 2050 koolstofneutraal te zijn en de doelstelling van de Green Deal inzake groene groei en banen; merkt op dat de vraag naar verwachting zal blijven toenemen (34) en dat het gebruik van lokaal en duurzaam geproduceerd hout moet worden aangemoedigd om te voldoen aan deze vraag; is van mening dat een groot deel van de bosbouwsector in de EU uiterst duurzaam gewonnen grondstoffen levert; verzoekt de Commissie rekening te houden met de weglekeffecten en substitutie-effecten van fossiele brandstoffen en niet-hernieuwbare materialen en met de effecten op het concurrentievermogen van de bosbouwsector en de bosgebaseerde bedrijfstakken, alsook om toezicht te houden op eventuele effecten op de beschikbaarheid van hout als gevolg van de uitvoering van maatregelen in het kader van de strategie; |
|
21. |
wijst erop dat de toenemende vraag naar hout als grondstof, met name naar hout voor gebruik als energiebron, grote uitdagingen met zich meebrengt in de context van politieke crises, zoals de oorlog in Oekraïne, en een voortdurende monitoring van het interne bosbestand vereist om potentiële tekorten te beoordelen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om in het licht van de legitieme sancties die zijn opgelegd na de Russische invasie van Oekraïne de afhankelijkheid van houtinvoer uit Rusland te onderzoeken en duurzame strategieën te ontwikkelen om, indien nodig, verstoringen te beperken, waarbij op EU-niveau wordt voorkomen dat landbouwgronden die geschikt zijn voor voedselproductie worden omgezet; benadrukt het cruciale belang van de voorzieningszekerheid en de productie van eigen grondstoffen in de EU in de bredere context van de doelstellingen van de Green Deal; benadrukt dat de verwaarlozing van bossen in bepaalde omstandigheden kan leiden tot banenverlies in plattelandsgebieden en een grotere afhankelijkheid van de invoer van bosgebaseerde producten uit delen van de wereld waar bosbeheer minder duurzaam is; |
|
22. |
herinnert eraan dat 2,1 miljoen mensen in de bosbouwsector werken, terwijl de uitgebreide bosgebaseerde waardeketen 4 miljoen banen in de groene economie ondersteunt, waarbij geen rekening wordt gehouden met activiteiten in verband met detailhandel en niet-houtgerelateerde activiteiten zoals recreatie in verband met bossen en wetenschappelijk werk inzake bossen; merkt op dat de werkgelegenheid in de bosbouwsector tussen 2000 en 2015 met 33 % is gedaald, met name door toegenomen mechanisatie op een moment dat ook de houtwinning aan het toenemen was; beklemtoont de belangrijke rol van bossen voor het creëren van groene banen in plattelands- en berggebieden; merkt op dat andere bosproducten dan hout, zoals diverse op de natuur gebaseerde levensmiddelen, geneesmiddelen en oplossingen voor basismaterialen, een belangrijke rol spelen als inkomstenbron, met een geraamde waarde van ongeveer 4 miljard EUR in 2015 (35), en sterk verankerd zijn in regionale tradities; verzoekt de Commissie en de lidstaten de economische effecten van een “dichter bij de natuur”-benadering te evalueren, met inbegrip van de directe en indirecte werkgelegenheid; |
|
23. |
verzoekt de Commissie en de lidstaten de effecten van een verschuiving in het evenwicht van bosfuncties op de algemene werkgelegenheidssituatie en de winstgevendheid van de lokale houtsector te monitoren en te beoordelen, met name in plattelands- en berggebieden, alsook in de downstreamonderdelen van de houtverwerkende bedrijfstakken, en beklemtoont dat de aantrekkelijkheid van de banen in de sector en de veiligheid op het werk moeten worden behouden of verbeterd wanneer veranderingen van beheerpraktijken worden overwogen; |
|
24. |
erkent dat herbebossing en bebossing verschillende bijkomende voordelen met zich meebrengen, zoals waterfiltering, grotere beschikbaarheid van water, beperking van droogte, beheersing van overstromingen, vermeden sedimentatie, het creëren van habitats voor wilde dieren, een toename van de bodemfauna, verbeterde bodemvruchtbaarheid en luchtfiltering; is ingenomen met de routekaart voor herbebossing en bebossing om tegen 2030 minimaal 3 miljard extra bomen in de EU te planten; benadrukt dat dergelijke initiatieven moeten worden uitgevoerd in overeenstemming met duidelijke milieubeginselen en volledig verenigbaar moeten zijn met de biodiversiteitsdoelstelling, waarbij prioriteit wordt gegeven aan het herstel van bosecosystemen; wijst erop dat het planten van bomen steun van lokale belanghebbenden en ruimtelijke ordening vergt; verzoekt de Commissie en de lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan het planten van geschikte bomen in gebieden met aangetaste grond en gebieden waar sprake is van woestijnvorming, en wijst nogmaals op het belang van de bescherming van primaire en oerbossen; wijst erop dat de vergroting van het areaal van beboste gronden doeltreffend kan bijdragen tot de bestrijding van klimaatverandering en tot de natuurlijke regeneratie van aangetaste bossystemen, hetgeen op middellange en lange termijn tot economische en sociale ontwikkeling en tot het scheppen van nieuwe banen leidt; verzoekt de Commissie om haar additionaliteitsbeginselen ook te laten gelden voor de bomen die geplant zijn in het kader van de ecoregelingen van het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en de milieu-, klimaat- en andere beheersverbintenissen, evenals de bomen die in het kader van de nationale herstel- en veerkrachtplannen zijn geplant, aangezien zowel het nieuwe GLB als de herstel- en veerkrachtfaciliteit zullen zijn uitgevoerd na de goedkeuring van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030; benadrukt dat grond een eindige hulpbron is en dat het planten van bomen in bestaande bossen, op marginale gronden en in stedelijke gebieden dan ook prioriteit moet krijgen boven de omzetting van productieve landbouwgrond, vooral gezien de nieuwe geopolitieke omstandigheden, alsook boven de omzetting van weiden en natuurlijke graslanden, aangezien hiermee geen aanzienlijke veranderingen in de organische koolstof in de grond teweeg worden gebracht (36); wijst op de mogelijkheid voor de ontwikkeling van stadsbossen op dit gebied; herinnert er echter aan dat bij herbebossing en bebossing ook sprake kan zijn van een afweging van compromissen met het oog op biodiversiteit, bijvoorbeeld op biodiverse graslanden; |
Bescherming, herstel, herbebossing en bebossing, en duurzaam beheer
|
25. |
wijst op de veelzijdige rol van bossen en op het belang van gezonde, ecologisch veerkrachtige bosecosystemen die een veelvoud aan diensten leveren aan de samenleving, zoals het behoud van de biodiversiteit en de levering van hernieuwbare grondstoffen, en zo bijdragen tot het scheppen van banen en het stimuleren van economische groei in plattelandsgebieden; benadrukt dat beleid dat de bescherming en het herstel van de biodiversiteit bevordert, ook zal helpen in de strijd tegen de klimaatverandering; dringt aan op duurzaam bosbeheer bij de uitvoering van de klimaatdoelstellingen, aangezien dit van cruciaal belang is om ontbossing en bosdegradatie tegen te gaan, en benadrukt dat het behoud van de biodiversiteit en de bescherming en instandhouding van habitats deel moeten uitmaken van duurzaam bosbeheer; |
|
26. |
benadrukt hoe belangrijk het is dat de EU het behoud, de instandhouding en het herstel van bosecosystemen bevordert en dat zij hierbij rekening houdt met de komende EU-wet inzake natuurherstel en een verbetering van hun veerkracht teweegbrengt, en tegelijkertijd de ontwikkeling van een economisch levensvatbare, dynamische bosbouwsector en lokale gemeenschappen ondersteunt; dringt aan op een langetermijnvisie voor de bescherming en het herstel van de Europese bossen; |
|
27. |
neemt nota van de aankondiging van de Commissie over de ontwikkeling van aanvullende indicatoren en drempelwaarden voor duurzaam bosbeheer, die de lidstaten vrijwillig kunnen toepassen op nationaal en regionaal niveau; is van mening dat deze indicatoren en drempelwaarden een beter inzicht moeten geven in de vraag of een bos al dan niet duurzaam wordt beheerd op het niveau van de bosopstand, of ten minste op landschapsniveau, en gebruikt moeten worden om te bepalen welke herstelinspanningen succesvol zijn geweest; verzoekt de Commissie empirisch onderbouwde indicatoren en drempelwaarden te ontwikkelen ter aanvulling van het kader voor duurzaam bosbeheer, met name wat betreft de ontwikkeling van duidelijke criteria met betrekking tot de gezondheid van ecosystemen, biodiversiteit en klimaatverandering, met als doel deze tot een efficiënt instrument te maken om de duurzaamheid van de bossen in de EU te verbeteren en ervoor te zorgen dat bosbeheer bijdraagt tot de verwezenlijking van de klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen van de EU; beschouwt deze aanvullende indicatoren en drempelwaarden als cruciale hulpmiddelen voor de bescherming en het herstel van de biodiversiteit, alsook voor klimaatmitigatie en -adaptatie in de bosbouwsector; benadrukt dat een definitie van duurzaam bosbeheer is overeengekomen als onderdeel van het pan-Europese Forest Europe-proces en dat deze definitie is opgenomen in nationale wetgeving en vrijwillige regelingen, zoals boscertificeringen, in de lidstaten; onderstreept daarom dat moet worden gezorgd voor samenhang tussen het werk van de Commissie en dat van Forest Europe en de FAO, dat dubbel werk of een onevenredige toename van de administratieve lasten moet worden voorkomen, en dat er overleg moet worden gepleegd met nationale en regionale bevoegde autoriteiten, openbare en particuliere bosbeheerders en boseigenaren, en andere relevante belanghebbenden om ervoor te zorgen dat de indicatoren en het bereik van de waarden geschikt zijn voor toepassing op lokaal en regionaal niveau onder specifieke biogeografische omstandigheden; wijst erop dat Forest Europe is begonnen met een herziening van de definitie van duurzaam bosbeheer en de bijbehorende instrumenten; roept de lidstaten op zich te blijven inspannen om nationale strategieën en wetgeving met betrekking tot duurzaam bosbeheer naar behoren uit te voeren en aan te passen aan hun nationale, regionale en lokale omstandigheden; verzoekt de lidstaten de EU-wetgeving en bindende doelstellingen inzake bossen naar behoren om te zetten en uit te voeren, en verzoekt de Commissie en de lidstaten de uitvoering en handhaving van de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn, met inbegrip van Natura 2000, te waarborgen; |
|
28. |
benadrukt dat de druk op bossen als gevolg van plagen, ziekten en parasieten, natuurrampen, een gewijzigde waterbalans, toegenomen gemiddelde temperaturen en andere verstoringen steeds groter wordt door de klimaatverandering en dat het aanpassingsvermogen en de veerkracht van de ecosystemen van bossen dringend moeten worden versterkt; wijst op de economische gevolgen van deze verstoringen voor de bosbouwsector als geheel; merkt op dat het op grotere schaal inzetten van duurzame innovatieve technologieën en beheerpraktijken op het gebied van herstel, bebossing en herbebossing kan bijdragen tot de versterking van de veerkracht en een verbetering van de biodiversiteit; verzoekt de Commissie om onder de lidstaten informatie in te winnen en te verspreiden over de wijze waarop bossen kunnen worden aangepast aan de huidige en verwachte klimaatverandering, in overeenstemming met de nieuwe aanpassingsstrategie en biodiversiteitsstrategie van de EU; merkt op dat duurzaam bosbeheer als dynamisch concept bestaat uit een brede waaier aan acties en aanpassingspraktijken, waarvan er vele een sleutelrol kunnen spelen bij het potentieel van bossen voor de beperking van de klimaatverandering, en dat dit onder meer maatregelen omvat om beter aangepaste Europese soorten en verbeterde herkomsten te introduceren, de bijdrage van bossen aan de waterkringloop te versterken, bomen te kappen om plagen, ziekteverwekkers en invasieve soorten in te dammen, te voorzien in bosbrandpreventie en beschermende functies te behouden, terwijl de multifunctionele rollen van bossen worden ondersteund; benadrukt dat de aanleg van grotere, veerkrachtige en gevarieerde bosgebieden tevens toegang tot genetische hulpbronnen vereist; benadrukt dat het belangrijk is nationale genenbanken van zaailingen te ondersteunen om lokale en regionale herbebossings- en bebossingsinitiatieven te voorzien van voldoende inheemse boomsoorten; wijst op de belangrijke rol van natuurlijke regeneratie voor de toekomst van bossen, aangezien hiermee een ongestoorde wortelontwikkeling, verbeterde vitaliteit en stabiliteit van bomen en lagere aanplantingskosten kunnen worden bevorderd, maar merkt op dat natuurlijke regeneratie niet altijd mogelijk is vanwege de specifieke omstandigheden in een bos; wijst erop dat de diverse bossen en klimaatomstandigheden in de EU gedifferentieerde duurzame bosbeheerpraktijken vereisen die op nationaal, regionaal en lokaal niveau verder moeten worden ontwikkeld, uitgaande van een sterke gemeenschappelijke basis; |
|
29. |
stelt met grote bezorgdheid vast dat grootschalige en hevigere natuurbranden overal in de Europese Unie een steeds grotere uitdaging vormen, en met name dat het seizoen van bosbranden in de EU in 2021 ongekend was, waarbij zo’n 0,5 miljoen ha in vlammen is opgegaan, met name in de regio’s van Europa die geconfronteerd worden met de hoogste gemiddelde temperatuurstijgingen, zoals het Middellandse Zeegebied; onderstreept dat “megabranden” wereldwijd in intensiteit en frequentie toenemen; herinnert eraan dat een divers landschap met gevarieerde bossen een grotere verdedigingsmuur of natuurlijke barrière vormt tegen grootschalige en onbeheersbare bosbranden; benadrukt dat het herstel van gevarieerde bossen een hulp zou zijn bij brandpreventie en -beheersing; onderstreept dat er behoefte is aan de ontwikkeling van wetenschappelijk onderbouwd brandbeheer en ondersteuning van capaciteitsopbouw door middel van adviesdiensten om de gevolgen van de klimaatverandering in bossen aan te pakken, en dat hier meer middelen voor moeten worden uitgetrokken; verzoekt de Commissie en de lidstaten het concept van geïntegreerd brandbeheer meer naar voren te schuiven en te gebruiken en merkt op dat hiervoor mogelijk een betere regelgevende capaciteit in de lidstaten nodig is, evenals de versterking van overheidsdiensten en specifieke steun en intensievere samenwerking op het gebied van rampenpreventie, -paraatheid en -respons; wijst op het belang van de verdere ontwikkeling en volledige benutting van het Uniemechanisme voor civiele bescherming in verband met bosbranden en andere natuurrampen; verzoekt de Commissie om onder de lidstaten informatie in te winnen en te verspreiden over de wijze waarop bossen kunnen worden aangepast aan de huidige en verwachte klimaatverandering, in overeenstemming met de nieuwe aanpassingsstrategie van de EU; verzoekt de Commissie om ter ondersteuning van preventieve maatregelen risicobeoordelingen voor bosbranden te ontwikkelen en kaarten op te stellen op basis van verbeterde Copernicus-producten, artificiële intelligentie en andere met behulp van teledetectie verzamelde gegevens; |
|
30. |
onderstreept dat verschillende beschermingsniveaus deel uitmaken van de toolbox voor duurzaam bosbeheer; benadrukt dat zelfs bij bosbescherming in veel gevallen nog bepaalde vormen van ingrijpen nodig zijn, bijvoorbeeld om natuurlijke gevaren of aanpassingsbehoeften aan te pakken; merkt op dat bossen met bomen van verschillende leeftijden en soorten en met ononderbroken bedekking beter bestand zijn tegen klimaateffecten zoals brand, droogte en niet-seizoensgebonden weersomstandigheden, onder meer in het kader van duurzaam bosbeheer, en als zodanig een belangrijke investering voor de toekomst vormen; dringt erop aan monoculturen, die minder goed bestand zijn tegen plagen, ziekten, droogte, wind, stormen en branden, niet te ondersteunen met EU-middelen; |
|
31. |
erkent dat niet alle beheerpraktijken bijdragen tot koolstofvastlegging in bossen, maar benadrukt dat praktijken en de mensen die deze uitvoeren aanpassingen en moderniseringen kunnen ondergaan de afweging van compromissen zo goed mogelijk in balans te brengen, hun aanpak voor het bereiken van verscheidene doelstellingen te optimaliseren en synergieën te creëren met doelstellingen inzake klimaatmitigatie en -adaptatie en de vele andere functies van bussen; wijst er in dit verband op dat moet worden nagedacht over compromissen en synergieën tussen de vraag naar hout en de verwachting dat bossen dienst zullen doen als koolstofputten en habitats voor flora en fauna; verzoekt de Commissie en haar diensten om in dit verband strategisch te werk te gaan om te zorgen voor samenhang in alle bosbouwgerelateerde werkzaamheden en het duurzame beheer van bossen te verbeteren, met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel; wijst erop dat bepaalde beheerpraktijken, waaronder met name vrijwillige braaklegging, kunnen bijdragen tot het herstel van bossen en een positief effect kunnen hebben op koolstofvastlegging, biodiversiteit en ecologische toestand; merkt op dat het niveau van biodiversiteit en de capaciteit voor koolstofvastlegging en -opslag van bossen erg verschillend kan zijn afhankelijk van het beheer, de gebruikte machines, de intensiteit en frequentie van het kappen, de toestand van de bodem, de intensiteit van parasieten en ziekten, de leeftijd van de bosopstanden enz.; wijst erop dat sommige bossen nu meer koolstof afgeven dan ze opnemen; merkt op dat bossen niet uitsluitend als CO2-putten en als oplossing voor het gebrek aan emissiereducties in andere sectoren mogen worden beschouwd; |
|
32. |
is ingenomen met de huidige samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten met betrekking tot vrijwillige richtsnoeren voor “dichter bij de natuur”-bosbouw die worden ontwikkeld door de werkgroep Bosbouw en Natuur; is van mening dat richtsnoeren over dit concept alleen een toegevoegde waarde kunnen hebben als het subsidiariteitsbeginsel volledig wordt geëerbiedigd en als hierin een brede waaier aan resultaatgerichte, wetenschappelijk beproefde duurzame instrumenten en bosbeheerpraktijken aan bod komt, waarbij met name aandacht wordt besteed aan de behoeften op lokaal en regionaal niveau, zodat boseigenaren en -beheerders de instrumenten en de nodige financiële stimulansen krijgen aangereikt om betere banden en samenwerking tot stand te brengen met het oog op een betere integratie van biodiversiteitsbescherming in verbeterde beheerpraktijken die tegelijkertijd gericht zijn op het leveren van andere ecosysteemdiensten en -producten, naar het voorbeeld van het platform Integrate Network; wijst erop dat bossen in de Unie wel degelijk zeer uiteenlopende kenmerken hebben en dat er daarom een grote behoefte is aan diverse beleids- en beheerbenaderingen, waarbij wordt uitgegaan van een sterke gemeenschappelijke basis; |
|
33. |
benadrukt het belang van primaire en oerbossen, die een rijke biodiversiteit kennen en een grote verscheidenheid aan microhabitats herbergen die essentieel zijn voor het behoud van een hoog biodiversiteitsniveau, en wijst op hun cruciale rol bij de bescherming van de biodiversiteit, koolstofvastlegging en -opslag en zoetwatervoorziening; roept er nogmaals toe op om alle resterende oerbossen en primaire bossen strikt te beschermen in overeenstemming met de biodiversiteitsstrategie van de EU voor 2030; dringt erop aan dat er ook bescherming wordt geboden aan de bufferzones die grenzen aan primaire en oerbossen om de ontwikkeling van de kenmerken van oerbossen te ondersteunen; benadrukt dat de uitbreiding van passende bescherming tot bufferzones de verbindingen tussen habitats met een hoge ecologische waarde zal versterken, wat aanzienlijk zal bijdragen tot natuurbehoud en de negatieve gevolgen van versnippering zal beperken; merkt op dat bijna alle primaire bossen verloren zijn gegaan en uit zijn bezorgdheid over de illegale houtkap in sommige lidstaten van de EU; wijst op de diverse definities van primaire en oerbossen die op internationaal niveau zijn vastgesteld en benadrukt dat de lidstaten, boseigenaren en -beheerders en andere belanghebbenden eerst overeenstemming moeten bereiken over een reeks definities van wat onder primaire en oerbossen wordt verstaan, voortbouwend op de bestaande definities, voordat er sprake kan zijn van enige verdere aanduiding met deze namen; betreurt dat de Commissie de richtsnoeren over de definitie van oerbossen en primaire bossen niet heeft vastgesteld in 2021, zoals aangegeven in de biodiversiteitsstrategie van de EU voor 2030, maar is ingenomen met het werk dat momenteel door de werkgroep Bosbouw en Natuur wordt verricht in verband met deze definities; onderstreept dat rekening moet worden gehouden met een diverse en uitgebreide reeks kenmerken, dat flexibiliteit moet worden gewaarborgd om rekening te houden met specifieke omstandigheden in biogeografische regio’s en specifieke soorten bossen, en dat terdege onderscheid moet worden gemaakt tussen oerbossen en oudere bosopstanden die worden beheerd met het oog op een lange rotatieperiode; benadrukt dat deze definities dringend moeten worden overeengekomen, gebaseerd moeten zijn op ecologische beginselen en rekening moeten houden met de diversiteit van Europese bossen, eigenaren, beheertradities, natuurtypes en verschuivende klimaatzones, en dat onevenredige eisen voor het beheer van aangrenzende bossen en bosgebieden moeten worden voorkomen en ruimte moet worden gelaten voor beheermaatregelen in verband met kwesties als rampenpreventie; wijst op het belang van financiële stimulansen voor de vrijwillige ontwikkeling in de toekomst van bepaalde oude bossen op braakgelegde grond; benadrukt dat de verdeling van primaire en oerbossen in de EU ongelijk is en dat 90 % van deze bossen zich in slechts vier lidstaten bevindt (37); |
|
34. |
stelt tevreden vast dat in de richtsnoeren van de Commissie voor nieuwe beschermde gebieden wordt erkend dat bepaalde activiteiten moeten worden voortgezet, bijvoorbeeld het beheer van hoefdieren door middel van jacht ter bescherming van een brede waaier aan soorten boshabitats; |
|
35. |
wijst op de aanzienlijke tekortkomingen bij het in kaart brengen van primaire en oerbossen en benadrukt dat het dringend noodzakelijk is het kader te vervolledigen om te zorgen voor een alomvattende en geharmoniseerde kartering op basis van duidelijke operationele criteria en definities; verzoekt de Commissie het werk dat tot dusver in sommige lidstaten is verricht met betrekking tot het identificeren, in kaart brengen en beoordelen van deze bossen te erkennen en de uitwisseling van beste praktijken en kennis aan te moedigen; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de lidstaten om de bestaande gegevens te harmoniseren, de leemten met betrekking tot de ligging van primaire en oerbossen op te vullen en een databank op te zetten van alle potentiële locaties die aan de criteria voor oerbossen en primaire bossen voldoen; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit verband een transparante en gemakkelijk toegankelijke databank op te zetten van alle potentiële locaties die voldoen aan de criteria om te worden ingedeeld als oerbossen en primaire bossen; |
|
36. |
neemt kennis van de werkzaamheden van de Commissie met betrekking tot de ontwikkeling van richtsnoeren voor biodiversiteitvriendelijke bebossing en herbebossing; benadrukt dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de lidstaten met een geringe bosbedekking en — waar passend en zonder de biodiversiteitsdoelstellingen te schaden — aan marginale gronden en andere terreinen die niet geschikt zijn voor voedselproductie, dicht bij stedelijke en peri-urbane gebieden en in berggebieden, en aan de ondersteuning van de ontwikkeling van bossen die veerkrachtig, gemengd en gezond zijn; benadrukt dat de definities en richtsnoeren met betrekking tot biodiversiteitvriendelijke bebossing wetenschappelijk onderbouwd moeten zijn, rekening moeten houden met de diversiteit van de Europese bossen, soorten eigenaarschap, beheertradities en soorten natuur, alsook met verschuivende klimaatzones, en moeten worden vastgesteld in nauwe samenwerking met de lidstaten en relevante belanghebbenden; benadrukt bovendien dat er geen niet-ontwaterde wetlands of veengebieden mogen worden ontwaterd met het oog op bebossing en, in het geval van in het verleden ontwaterde gebieden, dat er geen verdere of bijkomende ontwatering mag worden toegestaan; wijst er bovendien op dat er bijzondere aandacht moet uitgaan naar het voorkomen van erosie in bossen in berggebieden; |
Bossen en bosbeheerders in staat stellen meerdere doelstellingen te verwezenlijken
|
37. |
stelt vast dat het GLB en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) de belangrijkste bron van steun voor bosbouwmaatregelen zijn, goed voor 90 % van de totale EU-financiering voor bosbouw; wijst erop dat de Commissie in haar evaluatie van bosbouwmaatregelen van 2017 heeft geconcludeerd dat het effect van steun voor bossen in het kader van plattelandsontwikkeling over het algemeen positief was en aanzienlijk zou kunnen bijdragen tot het behalen van economische, sociale en milieuvoordelen (38); merkt voorts op dat de lidstaten tussen 2014 en 2020 slechts 49 % van de beschikbare middelen hebben uitgegeven, dat de Commissie administratieve lasten, onvoldoende aantrekkelijkheid van de premies en een gebrek aan adviesdiensten als redenen voor dit lage gebruik heeft genoemd en dat hiermee rekening moet worden gehouden bij de aanpassing van de nieuwe strategische GLB-plannen; verzoekt de lidstaten de administratieve lasten weg te nemen om het gebruik van het Elfpo voor bosbouwmaatregelen efficiënter te maken; is ingenomen met de doelstelling van de Commissie om het gebruik van beschikbare middelen te vergroten en onderstreept dat ervoor moet worden gezorgd dat financiering en subsidies niet worden gebruikt ter ondersteuning van activiteiten die de evenwichtige verlening van de verschillende ecosysteemdiensten ondermijnen; benadrukt dat het noodzakelijk is in de strategische GLB-plannen concrete en voldoende aantrekkelijke maatregelen op te nemen om het gebruik van interventies en maatregelen ter bevordering van duurzaam bosbeheer en de multifunctionele rol van bossen in de EU te waarborgen, om ervoor te zorgen dat steun wordt verleend aan initiatieven die met name verband houden met bosecosystemen teneinde het verlies aan biodiversiteit in bossen te verminderen, om de aanplant van geschikte inheemse boomsoorten te bevorderen wanneer deze geschikt zijn voor het specifieke milieu, om het bosbeheer te verbeteren en om ervoor te zorgen dat de middelen worden gebruikt in overeenstemming met de desbetreffende beleidsdoelstellingen; betreurt dat de Commissie de uitgaven voor bosbouw in het kader van andere maatregelen voor plattelandsontwikkeling niet volgt; onderstreept dat steun voor vrijwillige natuurbeschermingsmaatregelen in overeenstemming moet zijn met eigendomsrechten en het subsidiariteitsbeginsel; |
|
38. |
verzoekt de Commissie om op zoek te gaan naar nieuwe manieren om de combinatie van verschillende fondsen aantrekkelijker en gemakkelijker uitvoerbaar te maken, rekening houdend met de multifunctionele aard van bossen en bosecosystemen en met volledige benutting van dit aspect, alsook om andere financieringsbronnen van de EU, zoals het LIFE-programma, Horizon Europa, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds en de faciliteit voor de financiering van natuurlijk kapitaal van de Europese Investeringsbank, beter te promoten; verzoekt de Commissie te beoordelen of de verschillende financieringsinstrumenten in het kader van de Uniebegroting en het herstelinstrument voor de Europese Unie, met inbegrip van de nationale strategische GLB-plannen, in samenhang zijn met de toezeggingen en streefdoelen van de EU-bosstrategie en de EU-biodiversiteitsstrategie; verzoekt de Commissie om ook de toezeggingen met betrekking tot de bescherming en strikte bescherming van bossen die voortvloeien uit de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 en de nieuwe EU-bosstrategie voor 2030 in aanmerking te laten komen in het kader van steun voor bosmilieu- en klimaatdiensten en bosinstandhouding; verzoekt de Commissie deze toezeggingen te verlengen voor periodes van meer dan zeven jaar, met name in het geval van strikt beschermde bosgebieden; |
|
39. |
wijst erop dat de bosbouwsector in de eerste plaats, en meer dan de landbouwsector, opereert als een marktgebaseerde sector zonder een duidelijke afhankelijkheid van subsidies, en merkt tevens op dat de GLB-financiering voornamelijk gericht moet blijven op voedselproductie en het waarborgen van voedselzekerheid in de Unie; benadrukt dat een sterkere nadruk op andere ecosysteemdiensten niet mag leiden tot een onevenredige afhankelijkheid, en spoort de Commissie en de lidstaten ertoe aan om voort te werken aan de ontwikkeling van vrijwillige op de markt gebaseerde regelingen inzake betaling voor ecosysteemdiensten, zoals voor koolstofvastlegging, de bevordering van biodiversiteit, bodembescherming, waterbeheer, gegevensverzameling en monitoring; onderstreept dat het van belang is het additionaliteitsbeginsel toe te passen en programma’s zodanig te ontwerpen dat het werk van koplopers en andere deelnemers ten volle wordt erkend en tegelijk een brede groep boseigenaren wordt gemotiveerd; onderstreept voorts dat bij de specifieke vereisten van programma’s rekening moet worden gehouden met de grote verscheidenheid aan bossen en de uiteenlopende uitdagingen en kansen waardoor deze worden gekenmerkt; merkt op dat de beschikbaarheid van betrouwbare gegevens over ecosysteemdiensten van essentieel belang is voor elke betalingsregeling; is ingenomen met de mededeling van de Commissie over koolstoflandbouw (39), die tot doel heeft nieuwe bedrijfsmodellen te stimuleren met middelen uit openbare en particuliere bronnen door beheerpraktijken te belonen die resulteren in een toename van de koolstofvastlegging in levende biomassa en de bodem volgens ecologische beginselen; benadrukt dat er op basis van deugdelijke wetenschappelijke methoden initiatieven op het gebied van koolstoflandbouw moeten worden ontwikkeld, met inbegrip van de mogelijkheid om te kiezen voor een benadering waarbij niet wordt ingegrepen, in overeenstemming met de biodiversiteitsstrategie; wijst er in het licht van dit initiatief op dat actief duurzaam bosbeheer zowel kan bijdragen tot het vergroten van koolstofvoorraden als tot bosgroei; benadrukt dat de verwijdering van koolstof door middel van bosbouw gericht moet zijn op stimulansen voor boseigenaren en -beheerders om te investeren in actief duurzaam bosbeheer en waar nodig bescherming, en regeneratie en meer groei te bevorderen; is ingenomen met het plan van de Commissie om uiterlijk eind 2022 een bindend EU-regelgevingskader voor de certificering van koolstofverwijdering voor te stellen om de inspanningen op het gebied van koolstofverwijdering op een correcte manier te kwantificeren, te rapporteren en te certificeren en het risico van een onjuiste voorstelling van zaken en greenwashing te voorkomen; |
|
40. |
erkent de belangrijke rol van bestaande marktgestuurde certificeringsregelingen en de bijdrage daarvan aan de bredere toepassing van duurzaam bosbeheer; merkt op dat van de meeste van deze regelingen is aangetoond dat ze geloofwaardige en doeltreffende instrumenten zijn om duurzame bosbeheerpraktijken in heel Europa te stimuleren; juicht het permanente toezicht daarop door de EU-instellingen toe, aangezien dit bijdraagt tot een voortdurende verbetering; is ingenomen met de aankondiging van de Commissie over de ontwikkeling van een vrijwillige “dichter bij de natuur”-certificeringsregeling; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat deze initiatieven de bosecosystemen verbeteren, de biodiversiteit beschermen en toegevoegde waarde waarborgen door middel van natuurvriendelijke bosbeheerpraktijken; moedigt de Commissie aan samen te werken met bestaande en beproefde certificeringsregelingen en hier lering uit te trekken, en steun te verlenen aan inspanningen om de bestaande regelingen te verbeteren, onder meer met betrekking tot transparantie voor consumenten en rekening houdend met de vraag van de consument; is van mening dat de vrijwillige “dichter bij de natuur”-certificering pas toegevoegde waarde zal hebben als ze gebaseerd wordt op een duidelijk verplicht kader en boseigenaren een toereikende meerprijs biedt voor de levering van ecosysteemdiensten, bijvoorbeeld door een EU-kwaliteitslabel in te voeren met lokaal aangepaste richtsnoeren voor bosbouw die dichter bij de natuur staat, teneinde de meest biodiversiteitsvriendelijke beheerpraktijken te bevorderen; verzoekt de Commissie om, zodra zij klaar is met het opstellen van een definitie van “dichter bij de natuur”, zowel de toegevoegde waarde als de kosten voor boseigenaren van een dergelijke certificeringsregeling te beoordelen; merkt op dat vrijwillige certificering slechts een van de stappen is die nodig zijn voor de ontwikkeling van duurzamer bosbeheer in de EU; |
|
41. |
is ingenomen met het besluit van de Commissie van 4 juni 2021 betreffende de verlening van licenties voor het Natura 2000-logo (40); merkt op dat de regeling voor toekenning van het Natura 2000-label de striktste ecologische normen van de EU voor de bescherming van de kwetsbaarste habitats en soorten op het land moet bevorderen; herinnert eraan dat Natura 2000 circa 18 % van het landoppervlak van de EU beslaat; wijst erop dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat er geen activiteiten plaatsvinden die schade toebrengen aan soorten of die soorten verstoren in habitats die zijn aangewezen als Natura 2000-gebied; dringt aan op de vaststelling van ambitieuze streefdoelen in het kader van de EU-bosstrategie om de ecologische waarde van de aangewezen gebieden te behouden en te herstellen, rekening houdend met de sociale en culturele vereisten en de regionale en lokale kenmerken van het gebied; merkt op dat de instandhoudingsinspanningen in Natura 2000-gebieden volledig in overeenstemming moeten zijn met de habitatrichtlijn, de vogelrichtlijn en de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030; merkt op dat Natura 2000-gebieden waardevolle ecosysteemdiensten leveren aan de bevolking; wijst erop dat de aanwezigheid van het Natura 2000-logo op goederen of diensten moet betekenen dat die goederen en diensten bijdragen tot de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied waarop zij betrekking hebben; |
|
42. |
is ingenomen met het door de Commissie gepubliceerde strategische werkplan voor een EU-milieukeur voor de periode 2020-2024; herinnert eraan dat de EU-milieukeur een vrijwillig keurmerk van ecologische uitmuntendheid is; merkt op dat de milieukeurregeling bedoeld is om de circulaire economie in de EU te bevorderen en bij te dragen tot duurzame consumptie- en productiepraktijken; dringt aan op strikte normen en monitoring, alsook op de bevordering van een toegenomen gebruik van de milieukeur in de bosbouwsector in de EU; benadrukt dat het belangrijk is om de reikwijdte van de milieukeur voor houtproducten uit te breiden door ook de mate van duurzaamheid van deze producten te vermelden; verzoekt de lidstaten producenten aan te moedigen om meer gebruik te maken van het Natura 2000-label voor andere bosproducten dan hout; |
|
43. |
benadrukt dat de biodiversiteitsdoelstellingen alleen kunnen worden verwezenlijkt en het volledige potentieel van bossen om bij te dragen aan de doelstellingen van de EU inzake klimaat en circulaire economie pas kan worden aangeboord als er verder wordt ingezet op onderzoek, innovatie en ontwikkeling op het gebied van duurzaam bosbeheer, met name aanpassing aan de klimaatverandering, en biogebaseerde alternatieven voor producten van fossiele oorsprong en andere producten met een grote koolstofvoetafdruk, en er hiervoor stimulansen worden geboden; moedigt een voortzetting van de steun aan voor duurzame innovatie met betrekking tot hout, zoals textiel op basis van hout dat een groot potentieel heeft als vervangingsmiddel voor synthetische textielvezels en katoen, en andere materialen op basis van hout die een positieve milieu- en klimaatgerelateerde levenscyclusbeoordeling hebben gekregen; wijst erop dat dergelijke biogebaseerde alternatieven de consument producten tegen betaalbare prijzen moeten bieden om concurrerend te kunnen zijn; merkt op dat ontwikkelingscycli in de sector tien jaar of langer kunnen duren en onderstreept dat een voorspelbaar en stabiel regelgevingsklimaat een eerste vereiste is om investeringen aan te trekken; wijst erop dat veel innovaties in de sector een hoge toegevoegde waarde hebben en hoogwaardige werkgelegenheid bieden in plattelandsgebieden, alsook in de waardeketen van de bosbouwsector en de gerelateerde biogebaseerde industrieën, en onderstreept de rol van kleine en middelgrote ondernemingen in dit verband; |
|
44. |
is van oordeel dat de gecoördineerde verlening van ecologische, sociale, maatschappelijke en economische bosdiensten moet worden verbeterd en dat daarom de desbetreffende EU-kaderprogramma’s, waaronder Horizon Europa, het LIFE-programma, het Europees Partnerschap voor innovatie, voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw (EIP-AGRI), het Leader-programma en het Europees Instituut voor innovatie en technologie, beter op elkaar moeten worden afgestemd; is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de EU-samenwerking te versterken door een onderzoeks- en innovatiepartnerschap op het gebied van bosbouw voor te stellen, en verzoekt de Commissie uitgebreide bosgerichte programma’s te ontwikkelen die betrekking hebben op verschillende functies en onderdelen van de waardeketen van de bosbouwsector en die levende laboratoria omvatten om oplossingen voor belangrijke uitdagingen te testen en te demonstreren, voortbouwend op bestaande en beproefde platforms zoals Integrate Network, het Forest-based Sector Technology Platform en het European Forest Institute, en in samenwerking met pan-Europese en internationale partners; |
|
45. |
herinnert eraan dat 60 % van de bossen in de EU in particulier bezit is en dat het bij een aanzienlijk deel van de boseigenaren om klein grondbezit gaat; benadrukt dat het voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategie nodig is om bij de uitvoering ervan alle soorten boseigenaren en -beheerders, vooral als het om klein grondbezit gaat, in staat te stellen de vele functies van bossen tot hun recht te laten komen; erkent dat boseigenaren en -beheerders een grote mate van flexibiliteit nodig hebben in hun bosbeheerpraktijken, uitgaande van een sterke gemeenschappelijke basis, zodat zij alle vereiste ecosysteemdiensten kunnen leveren, en verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat steunprogramma’s, vrijwillige regelingen inzake betaling voor ecosysteemdiensten en onderzoeksfinanciering aantrekkelijk, begrijpelijk en gemakkelijk toegankelijk zijn voor kleine grondbezitters; |
|
46. |
onderstreept dat de beschikbaarheid van adviesdiensten een belangrijke motor is voor de verspreiding van duurzame bosbeheerpraktijken; moedigt de lidstaten ertoe aan te zorgen voor de beschikbaarheid van adviesdiensten, met bijzondere aandacht voor kleine grondbezitters; |
|
47. |
merkt op dat ongeveer 40 % van de bossen in de EU openbaar eigendom is van gemeenten en regionale of nationale overheden, maar dat het aandeel openbare eigendom van bossen in sommige lidstaten veel hoger ligt, met een gemiddelde van 90 % in Zuidoost-Europa; benadrukt dat openbare bossen een sleutelrol kunnen spelen bij het in stand houden van bosecosystemen, het waarborgen van de bescherming van de biodiversiteit, het beperken van de klimaatverandering, het versterken van plattelandsontwikkeling en het leveren van hout en andere goederen en diensten, en dat overheidsinstanties voor bosbouw een belangrijke rol kunnen spelen om particuliere boseigenaren de broodnodige deskundigheid te verstrekken op het gebied van bosbouw die dicht bij de natuur staat en aanpassing aan de gevolgen van de klimaatverandering; dringt erop aan dat overheidsinstanties voor bosbouw waar nodig meer personele en financiële middelen krijgen; verzoekt de lidstaten in dit verband om op het gebied van duurzaam bosbeheer het goede voorbeeld te geven in hun bossen in openbare eigendom met het oog op het algemeen belang, met name wat ecologische, economische en sociale aspecten betreft; |
|
48. |
is ingenomen met de mededeling van de Commissie getiteld “Een langetermijnvisie voor de plattelandsgebieden van de EU — Naar sterkere, verbonden, veerkrachtige en welvarende plattelandsgebieden in 2040” en de erkenning van de rol van bossen en van duurzaam bosbeheer om fatsoenlijk werk en fatsoenlijke bestaansmiddelen veilig te stellen in plattelandsgebieden; onderstreept het belang van de bosbouwsector en de houtverwerkende sectoren als bron van werkgelegenheid in plattelandsgemeenschappen, alsook in stedelijke gebieden door downstreamgebruik; wijst erop dat het belangrijk is op bosbouw gebaseerde economische activiteiten die geen betrekking hebben op hout te stimuleren om lokale economieën en banen te diversifiëren en de ontvolkingstrend in landelijke en afgelegen gebieden om te buigen; neemt met grote bezorgdheid kennis van de gestage daling van de werkgelegenheid in de bosbouw- en houtkapsector, die volgens Eurostat tussen 2000 en 2019 met 7 % is gedaald (41), en van het hoge aantal ongevallen in de sector (42); verzoekt de Commissie en de lidstaten om in het licht van veranderende beheerpraktijken toe te zien op de gevolgen van de in het kader van de strategie genomen maatregelen met betrekking tot werkgelegenheid en veiligheid op het werk, aangezien de besproken opties vaak hand in hand gaan met een hogere (fysieke) arbeidsintensiteit, hetgeen ook andere risico’s met zich meebrengt voor de werknemers en een hoogwaardige beroepsopleiding en mogelijkheden voor bij- en omscholing vereist; benadrukt dat het belangrijk is dit soort werkgelegenheid aantrekkelijk te maken, en wijst op de mogelijkheden die een duurzamer bosbeheer met het oog hierop kan bieden; benadrukt in dit verband de noodzaak van maatregelen om de veiligheid op het werk te vergroten, werknemers voldoende op te leiden en de modernisering van bosbouwmaterieel en -werktuigen te ondersteunen; verzoekt de lidstaten hun adviesdiensten in dit verband te beoordelen en waar nodig te versterken, en prioriteit te geven aan aanvullende hoogwaardige beroepsopleiding op het gebied van ecologisch bouwen en houtgerelateerde beroepen; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om in overleg met fabrikanten van bosbouwmachines initiatieven te ontwikkelen om het ecologisch ontwerp van bosbouwmachines te verbeteren, waarbij een hoog niveau van bescherming voor werknemers wordt gecombineerd met een minimale impact op bodem en water in bossen; |
|
49. |
benadrukt dat het van belang is jongeren en vrouwelijke ondernemers naar de sector te lokken, met name in de context van de digitale en de groene transitie van bosgebaseerde activiteiten; wijst er echter op dat de bosbouwsector momenteel door slechte arbeidsomstandigheden in sommige delen van Europa geen aantrekkelijke beroepskeuze vormt; benadrukt dat investeringen in de sector en in de hele waardeketen noodzakelijk zijn en dat in plattelandsgebieden een gunstig klimaat moet worden gecreëerd, met inbegrip van digitale, vervoers- en gemeenschapsinfrastructuur; is ingenomen met de voorstellen van de Commissie om de oprichting van een vaardighedenpartnerschap in het kader van het pact voor vaardigheden te bevorderen en gebruik te maken van het Europees Sociaal Fonds Plus om samen te werken om het aantal bij- en omscholingsmogelijkheden in de bosbouw te vergroten, hoogwaardige banen te creëren en werknemers kansen en adequate arbeidsomstandigheden te bieden in de op hout gebaseerde bio-economie, en zo de aantrekkelijkheid ervan als beroepskeuze te vergroten; |
Monitoring, rapportage en gegevensverzameling
|
50. |
benadrukt het belang van nauwkeurige, geïntegreerde, kwaliteitsvolle, tijdige, vergelijkbare en actuele gegevens over de bossen in Europa en neemt nota van het initiatief voor een wetgevingsvoorstel voor een kader voor waarneming, rapportage en gegevensverzameling met betrekking tot bossen, met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel; herinnert aan het belang van geverifieerde gegevens, met name van gegevens die op lokaal niveau worden verzameld, aangezien veel kenmerken van bossen alleen ter plaatse kunnen worden geverifieerd; onderstreept dat de ruime beschikbaarheid, hoge kwaliteit, transparantie, volledigheid en harmonisering van gegevens en rapportage van essentieel belang zijn om de doelstellingen van de strategie te verwezenlijken, en is van oordeel dat het kader alleen echte toegevoegde waarde kan opleveren als het voortbouwt op bestaande mechanismen en processen, zoals de nationale bosinventarissen, het Europees informatiesysteem voor bossen, het ENFIN-netwerk, Forest Europe en de FAO, via een bottom-upbenadering die ervoor zorgt dat zo goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de in de lidstaten aanwezige deskundigheid en ervaring, en als het wordt ontwikkeld volgens internationaal overeengekomen verbintenissen en de bevoegdheden van de lidstaten in dat verband, waarbij dubbel werk en buitensporige administratieve lasten en kosten worden voorkomen; onderstreept dat het kader mechanismen moet omvatten om fouten zoals dubbeltelling te voorkomen; verzoekt de Commissie en de lidstaten toereikende financiering en personele middelen te bieden voor de operationele ondersteuning van het kader; |
|
51. |
is van mening dat het voor het waarborgen van de beschikbaarheid van betrouwbare, transparante en kwaliteitsvolle gegevens noodzakelijk is nieuwe innovatieve benaderingen zoals teledetectietechnologieën te verifiëren en te combineren met gegevens die zijn verkregen door monitoring op de grond, en bij de interpretatie ervan nauw samen te werken met wetenschappers en onafhankelijke en lokale deskundigen, met inbegrip van bevoegde autoriteiten en bosbeheerders; is van mening dat deze benaderingen ook een rol kunnen spelen om de vele functies van bossen met elkaar in evenwicht te helpen brengen en nieuwe benaderingen en praktijken te helpen ontwikkelen en delen, en gepaard moeten gaan met de nodige financiële middelen om toegang te krijgen tot gegevens en bij te dragen tot de verwerving ervan; is van mening dat de synergie en complementariteit tussen satellietbeelden, plaatsbepaling via satelliet en locatiegegevens essentiële factoren kunnen worden voor bosbouwbeheerders en overheidsinstanties; benadrukt het belang van het Copernicus-programma vanwege de mogelijkheid om de monitoring en gezondheidsbeoordeling van bosinventarissen op afstand uit te voeren en problemen zoals illegale houtkap en ontbossing op te sporen; stelt tevreden vast dat de bestaande monitoring van klimaateffecten en van andere natuurlijke of door de mens veroorzaakte verstoringen van bossen zal worden versterkt in het kader van het Europees informatiesysteem voor bossen; onderstreept de cruciale rol van analysegegevens ter ondersteuning van duurzaam bosbeheer en de bescherming van bossen, onder meer om illegale houtkap te voorkomen en te anticiperen op de effecten van natuurlijke verstoringen zoals stormen, natuurbranden en plagen en deze effecten te beperken; |
|
52. |
is van mening dat Copernicus-gegevens moeten worden gebruikt als bewijsmateriaal in het kader van wetshandhaving en beleidsvorming door middel van de certificering van deze gegevens en de daarvan afgeleide informatie, en dringt erop aan dat de certificering van Copernicus-gegevens wordt geregeld in de context van het aanstaande wetgevingsvoorstel voor een kader voor waarneming, rapportage en gegevensverzameling met betrekking tot bossen; benadrukt dat dergelijke gecertificeerde gegevens een sleutelrol kunnen spelen bij de monitoring van diverse fenomenen (zoals bosbedekking, illegale houtkap, gezondheid van bossen, karakterisering van bomen, groeipatronen en de gevolgen van bosbranden), alsook bij het toezicht op naleving; |
|
53. |
neemt nota van het idee om strategische plannen voor bossen in te voeren in het kader van waarneming, rapportage en gegevensverzameling met betrekking tot bossen; merkt voorts op dat verscheidene lidstaten reeds beschikken over nationale strategieën voor bossen en dat deze niet op uniforme wijze door de Commissie kunnen worden beoordeeld, en merkt op dat de totstandbrenging of verdere ontwikkeling van die strategieën moet gebeuren op een wijze die de doelstellingen van de EU-bosstrategie ondersteunt; onderstreept dat dit voorstel niet tot een buitensporige toename van de administratieve lasten en kosten mag leiden; benadrukt dat precies moet worden omschreven wat de bedoeling en noodzaak van dergelijke plannen is en wijst nadrukkelijk op de verplichting om de bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van bossen te eerbiedigen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het wetgevingsvoorstel volledig in overeenstemming is met de bestaande nationale strategieën op het niveau van de lidstaten en, in voorkomend geval, op lokaal niveau, en benadrukt dat strategische planning op EU-niveau moet aansluiten op de bestaande nationale strategieën, hiermee niet in tegenspraak mag zijn en geen dubbel werk mag inhouden; verzoekt de Commissie na te gaan hoe dit instrument kan worden gebruikt om met name die lidstaten te ondersteunen die nog geen nationale strategieën hebben ingevoerd; |
Governance en uitvoering
|
54. |
wijst erop dat bossen een multifunctionele bijdrage leveren aan de verwezenlijking van diverse EU-doelstellingen en de betrokkenheid van verschillende bestuursniveaus en groepen belanghebbenden omvatten, en is daarom van oordeel dat nauwe samenwerking en de uitwisseling van beste praktijken met nationale en regionale deskundigen, belanghebbenden, met name particuliere en openbare boseigenaren en -beheerders, wetenschappers, certificeringsregelingen en het maatschappelijk middenveld de hoekstenen van de uitvoering van de strategie moeten zijn, waarbij de inheemse volkeren van Europa naar behoren worden vertegenwoordigd en het subsidiariteitsbeginsel wordt geëerbiedigd; onderstreept dat bij governance rekening moet worden gehouden met de betrekkingen die de EU en de lidstaten zijn aangegaan met Forest Europe en op internationaal niveau, waaronder de FAO, en dat bij de uitvoering van de strategie moet worden gestreefd naar synergieën met de bijdrage die wordt geleverd aan internationale verbintenissen en samenwerking, met inbegrip van de voortdurende ontwikkeling van terminologie en definities; herinnert aan het belang van grensoverschrijdende samenwerking om het voortbestaan van de meest waardevolle en bedreigde soorten en habitats in Europa op lange termijn te waarborgen; dringt er bij belanghebbenden op het gebied van milieu en bosbouw op aan te proberen bredere segmenten van de bevolking te bereiken door middel van diverse onderwijsinstrumenten en -programma’s; |
|
55. |
benadrukt het belang van het Permanent Comité voor de bosbouw als forum voor het leveren van alomvattende deskundigheid op het gebied van bosbouw en voor het bespreken van activiteiten in het kader van de strategie en ander EU-beleid dat van invloed is op de bosbouwsector; is van oordeel dat de Commissie met het oog op een samenhangend beleid de dialoog moet intensiveren tussen het Permanent Comité voor de bosbouw en andere deskundigengroepen, zoals de werkgroep Bosbouw en Natuur, de groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld over bosbouw en kurk, die een belangrijke rol vervult om belanghebbenden naar behoren te betrekken bij de ontwikkeling en uitvoering van EU-bosbeleid, de werkgroep bos en natuur van de Coördinatiegroep voor biodiversiteit en natuur, en de deskundigengroep inzake bosgebaseerde sectoren; |
|
56. |
erkent dat de uitvoering van de strategie kan leiden tot aanzienlijke systemische veranderingen voor de bosbouwsector, door een verschuiving van voornamelijk op hout gebaseerde inkomstenstromen naar complexere inkomstenstromen die steeds meer voortbouwen op de levering van andere ecosysteemdiensten, en wijst op de noodzaak om de gevolgen ervan te monitoren en te begrijpen; merkt op dat de grote en soms tegenstrijdige overlapping tussen beleid en wetgeving en de in sommige gevallen conflicterende doelstellingen van invloed zijn op bossen en de bosbouwsector en kunnen leiden tot versnippering van de wetgeving; benadrukt dat het belangrijk is onderlinge samenhang te waarborgen; verzoekt de Commissie en de lidstaten voortdurend de cumulatieve effecten van de verschillende initiatieven in het kader van de strategie te beoordelen in combinatie met andere relevante EU-wetgeving en -beleidsmaatregelen, teneinde samenhang in alle bosbouwgerelateerde werkzaamheden te waarborgen en het duurzame beheer van bossen te verbeteren, met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel; benadrukt dat in het kader van deze beoordelingen het effect van de beschermingsregeling voor primaire en oerbossen op lokale gemeenschappen grondig moet worden geëvalueerd in samenwerking met lokale actoren, aangezien 90 % van deze bossen zich in slechts vier lidstaten bevindt (43); verzoekt de Commissie hierover verslag uit te brengen als onderdeel van haar uitvoeringsverslag; |
|
57. |
spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over meldingen van illegale houtkap en verandering in landgebruik in bepaalde lidstaten, onder meer in staatsbossen en beschermde gebieden, en over de inbreukprocedures die in dit verband lopen (44); onderstreept dat illegale houtkap gevolgen kan hebben die moeilijk of onmogelijk terug te draaien zijn, kan bijdragen tot biodiversiteitsverlies, de versnelling van de klimaatverandering en het verlies van natuurlijke hulpbronnen uit bossen waarvan bosgemeenschappen afhankelijk zijn, en tot mensenrechtenschendingen kan leiden; spreekt zijn diepe bezorgdheid en sterke veroordeling uit over de gevallen van moord en geweld jegens werknemers in de bosbouw, journalisten en activisten als gevolg van illegale houtkap, en rekent erop dat de lidstaten de daders ter verantwoording roepen en een einde maken aan de onderdrukking van boswachters; verzoekt de Commissie en de lidstaten de desbetreffende nationale en EU-wetgeving volledig en doeltreffend ten uitvoer te leggen, met name door illegale houtkap te definiëren, intensiever nauwlettend toezicht uit te oefenen, waar nodig uitgaven te doen op het gebied van handhaving, corruptie te bestrijden en het bos- en landbeheer te verbeteren; benadrukt dat het van belang is om bij de bestrijding van illegale houtkap een grotere rol toe te kennen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, waarbij lessen worden getrokken uit de uitvoering en handhaving van de EU-houtverordening; merkt op dat houtkap die in strijd is met natuurbeschermingsmaatregelen, met inbegrip van Natura 2000-beheerplannen, de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn, ook beschouwd kan worden als illegale houtkap; benadrukt dat illegale houtkap zware negatieve gevolgen heeft op economisch, sociaal en ecologisch vlak en een verlies aan inkomsten voor lokale gemeenschappen veroorzaakt; wijst op het verband tussen illegale houtkap en slechte levensomstandigheden; betreurt de lange tijd die de Commissie neemt voor het behandelen van inbreukzaken, hetgeen het aanzienlijke risico met zich meebrengt dat de illegale houtkap voortduurt en dat het te laat zal zijn om de enorme schade die hierdoor wordt veroorzaakt ongedaan te maken en te herstellen; verzoekt de Commissie en de lidstaten dringend actie te ondernemen om illegale houtkap een halt toe te roepen en de controle op de illegale houthandel aan te scherpen door middel van nauwlettende monitoring en handhaving van de bestaande regelgeving en het gebruik van geospatiale en teledetectietechnologieën; |
|
58. |
verzoekt de Commissie de normen en ambities van de EU inzake de bescherming van bossen op internationaal niveau te bevorderen; |
|
59. |
verzoekt de Commissie de onderhandelingen opnieuw op te starten over een internationaal juridisch bindend verdrag inzake bossen dat zou bijdragen aan het beheer, de instandhouding en de duurzame ontwikkeling van bossen en oog zou hebben voor de vele en complementaire functies en gebruiksmogelijkheden van bossen, onder meer door middel van maatregelen op het gebied van herbebossing, bebossing en bosinstandhouding, en tegelijkertijd rekening te houden met de sociale, economische, ecologische, culturele en spirituele behoeften van de huidige en toekomstige generaties, te erkennen dat alle soorten bossen van vitaal belang zijn voor het behoud van ecologische processen en een ecologisch evenwicht, en de identiteit, cultuur en rechten van inheemse volkeren, hun gemeenschappen en andere gemeenschappen en bosbewoners te ondersteunen; |
|
60. |
verzoekt de Unie het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling na te leven en samenhang te verzekeren van haar beleid op het gebied van ontwikkeling, handel, landbouw, energie en klimaat; erkent de positieve economische, maatschappelijke en ecologische bijdrage van de bosbouwsector en vraagt om verdere investeringen in onderzoek, innovatie en technologische vooruitgang; |
|
61. |
verzoekt de Commissie te pleiten voor spiegelclausules in internationale bio-economiemarkten en gebruik te maken van pan-Europese en internationale partnerschappen en overeenkomsten inzake buitenlandse handel om de klimaatambitie van de EU en de duurzaamheid van bosgebruik buiten de EU te bevorderen; |
o
o o
|
62. |
verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie. |
(1) PB C 395 van 29.9.2021, blz. 37.
(2) PB C 346 van 21.9.2016, blz. 17.
(3) PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1.
(4) PB L 156 van 19.6.2018, blz. 1.
(5) PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82.
(6) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.
(7) PB L 60 van 22.2.2021, blz. 21.
(8) PB L 189 van 10.5.2022, blz. 1.
(9) PB C 152 van 6.4.2022, blz. 169.
(10) Arrest van het Hof van Justitie van 17 april 2018, Europese Commissie/Republiek Polen, C-441/17, ECLI:EU:C:2018:255 (Niet-nakoming — Milieu — Richtlijn 92/43/EEG — Instandhouding van de natuurlijke habitats en van de wilde flora en fauna — Artikel 6, leden 1 en 3 — Artikel 12, lid 1 — Richtlijn 2009/147/EG — Behoud van de vogelstand — Artikelen 4 en 5 — Natura 2000-gebied “Puszcza Białowieska” — Wijziging van het bosbeheerplan — Verhoging van de houtoogst — Plan of project dat niet direct nodig is voor het beheer van het gebied en significante gevolgen kan hebben voor dat gebied — Passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied — Aantasting van de natuurlijke kenmerken van het gebied — Daadwerkelijke uitvoering van de instandhoudingsmaatregelen — Effecten op de voortplantings- en rustplaatsen van beschermde soorten).
(11) Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit.
(12) Verslag nr. 5/2016 van het Europees Milieuagentschap getiteld “European forest ecosystems — State and trends”.
(13) Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030 (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 1).
(14) Mededeling van de Commissie van 16 juli 2021 over de nieuwe EU-bosstrategie voor 2030 (COM(2021)0572).
(15) In Europa als geheel gaat het bij particulier bosbezit in de meeste gevallen om een omvang van ten hoogste 10 ha — Forest Europe, State of Europe’s Forests 2020, 2020; in Duitsland is 50 % van het particulier bosbezit minder dan 20 ha groot, https://www.bmel.de/SharedDocs/Downloads/DE/Broschueren/bundeswaldinventur3.pdf;jsessionid=972A5297B9463D98948E787D1AA78F19.live921?__blob=publicationFile&v=3; in Frankrijk is ongeveer twee derde van het particulier bosbezit minder dan 1 ha groot, https://franceboisforet.fr/wp-content/uploads/2021/04/Brochure_chiffresClesForetPrivee_2021_PageApage_BD.pdf; in Finland bezit 45 % van de eigenaren minder dan 10 ha, https://www.luke.fi/en/statistics/ownership-of-forest-land; in Letland bezit 50 % van de eigenaren minder dan 5 ha, https://www.zm.gov.lv/public/ck/files/MAF_parskats_Silava_privat_meza_apsaimn_monitorings.pdf
(16) Science for Environment Policy, European Forests for biodiversity, climate change mitigation and adaptation, Future Brief 25, Science Communication Unit, UWE Bristol, 2021, https://ec.europa.eu/environment/integration/research/newsalert/
(17) Europees Milieuagentschap, The European environment — state and outlook 2020: knowledge for transition to a sustainable Europe, 11 mei 2020, blz. 83, https://www.eea.europa.eu/soer-2020/
(18) Mededeling van de Commissie van 16 juli 2021 over de nieuwe EU-bosstrategie voor 2030 (COM(2021)0572).
(19) Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek, Mapping and Assessment of Ecosystems and their Services: An EU ecosystem assessment, 2020; voor trends met betrekking tot de toestand, zie ook Forest Europe, State of Europe’s Forests 2020, 2020.
(20) Verslag van Forest Europe, State of Europe’s Forests 2020, 2020.
(21) Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek, Mapping and Assessment of Ecosystems and their Services: An EU ecosystem assessment, 2020; voor trends met betrekking tot de toestand, zie ook Forest Europe, State of Europe’s Forests 2020, 2020.
(22) Europese Commissie, directoraat-generaal Milieu, Study on certification and verification schemes in the forest sector and for wood-based products, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2021, https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/afa5e0df-fb19-11eb-b520-01aa75ed71a1/language-en
(23) Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PB L 295 van 12.11.2010, blz. 23).
(24) Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek, Mapping and assessment of primary and old-growth forests in Europe, 2021.
(25) https://www.wur.nl/nl/onderzoek-resultaten/onderzoeksinstituten/environmental-research/show-wenr/is-de-eu-voor-haar-hout-afhankelijk-van-rusland.htm
(26) https://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/SR21_21/SR_Forestry_NL.pdf
(27) Forest Europe, State of Europe’s Forests 2020, 2020.
(28) Science for Environment Policy, European Forests for biodiversity, climate change mitigation and adaptation, Future Brief 25, Science Communication Unit, UWE Bristol, 2021, https://ec.europa.eu/environment/integration/research/newsalert/
(29) Mededeling van de Commissie van 17 november 2021 getiteld “EU-bodemstrategie voor 2030 — Profiteren van de voordelen van een gezonde bodem voor mens, voedsel, natuur en klimaat” (COM(2021)0699).
(30) Pickles, B. J. en Simard, S. W., “Mycorrhizal Networks and Forest Resilience to Drought”, Mycorrhizal Mediation of Soil — Fertility, Structure, and Carbon Storage, Elsevier, Amsterdam, 2017, blz. 319-339.
(31) Gorzelak, M. A. et al., “Inter-plant communication through mycorrhizal networks mediates complex adaptive behaviour in plant communities”, AoB Plants, 2015.
(32) Usman, M. et al., “Mycorrhizal Symbiosis for Better Adaptation of Trees to Abiotic Stress Caused by Climate Change in Temperate and Boreal Forests”, Frontiers in Forests and Global Change, 2021.
(33) Europese Commissie, directoraat-generaal Interne Markt, Industrie, Ondernemerschap en Midden- en Kleinbedrijf, “Richtsnoeren inzake de cascadering van biomassa, met voorbeelden van goede praktijken inzake houtachtige biomassa”, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2019.
(34) Hetemäki, L., Palahí, M. en Nasi, R., Seeing the wood in the forests. Knowledge to Action 1, European Forest Institute, 2020; zie ook WWF, Living Forests Report, hoofdstuk 5, https://wwf.panda.org/discover/our_focus/forests_practice/forest_publications_news_and_reports/living_forests_report/
(35) In het werkingsgebied van Forest Europe; zie Forest Europe, State of Europe’s Forests 2020, 2020.
(36) Werkdocument van de diensten van de Commissie van 16 juli 2021 getiteld “The 3 Billion Tree Planting Pledge for 2030” (SWD(2021)0651).
(37) Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek, Mapping and assessment of primary and old-growth forests in Europe, 2021.
(38) https://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php?title=Forests,_forestry_and_logging#Employment_and_apparent_labour_productivity_in_forestry_and_logging
(39) Mededeling van de Commissie van 15 december 2021 over duurzame koolstofcycli (COM(2021)0800).
(40) PB C 229 van 15.6.2021, blz. 6.
(41) https://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php?title=Forests,_forestry_and_logging#Employment_and_apparent_labour_productivity_in_forestry_and_logging
(42) Forest Europe, State of Europe’s Forests 2020, 2020.
(43) Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek, Mapping and assessment of primary and old-growth forests in Europe, 2021.
(44) Er lopen momenteel vijf inbreukprocedures tegen vier lidstaten (de zaken 2016/2072, 2018/2208, 2018/4076, 2020/2033 en 2021/4029).