|
7.2.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 47/250 |
P9_TA(2022)0301
Beter wetgeven: samen zorgen voor betere regelgeving
Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2022 over betere regelgeving: samen zorgen voor betere regelgeving (2021/2166(INI))
(2023/C 47/21)
Het Europees Parlement,
|
— |
gezien artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), |
|
— |
gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, |
|
— |
gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, |
|
— |
gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, met de titel “Samen zorgen voor betere regelgeving” (COM(2021)0219), |
|
— |
gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 november 2021, getiteld “Better Regulation Guidelines” (Richtsnoeren voor betere regelgeving) (SWD(2021)0305), |
|
— |
gezien de doelstellingen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking in artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 5 mei 2021 getiteld “Actualisering van de nieuwe industriestrategie van 2020: een sterkere eengemaakte markt tot stand brengen voor het herstel van Europa” (COM(2021)0350), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 25 november 2020, getiteld “Een nieuwe industriestrategie voor Europa” (1), |
|
— |
gezien het instrumentarium voor betere regelgeving dat een aanvulling vormt op de richtsnoeren voor betere regelgeving, allebei van november 2021, |
|
— |
gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2003 over beter wetgeven, en de meest recente versie daarvan, het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (2), |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 24 maart 2021 getiteld “EU-strategie voor de rechten van het kind” (COM(2021)0142), |
|
— |
gezien het advies van het Europees Comité van de Regio’s, getiteld “Samen zorgen voor betere regelgeving” (CDR 4071/2021), |
|
— |
gezien het verslag van 10 juli 2018 waarin de bevindingen van de taskforce Subsidiariteit, Evenredigheid en “Minder en efficiënter optreden” gepresenteerd worden, |
|
— |
gezien zijn resolutie van 24 juni 2021 over gezonde regelgeving en subsidiariteit en evenredigheid in de Europese Unie — verslag over beter wetgeven betreffende de jaren 2017, 2018 en 2019 (3), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 9 juni 2022 over het initiatiefrecht van het Parlement (4), |
|
— |
gezien Speciaal verslag nr. 16/2018 van de Europese Rekenkamer van 12 juni 2018, getiteld “Toetsing achteraf van EU-wetgeving: een goed opgezet, maar onvolledig systeem”, |
|
— |
gezien zijn resolutie van 9 juni 2016 over een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat (5), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 16 december 2020 over een nieuwe strategie voor Europese kmo’s (6), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal, waarin het zich ingenomen toont met de toezegging van de Commissie om ervoor te zorgen dat alle EU-maatregelen bijdragen aan het bereiken van een duurzame toekomst en een rechtvaardige transitie en om de richtsnoeren voor betere regelgeving dienovereenkomstig bij te werken, in verband waarmee het Parlement erop aandringt dat het beginsel “duurzaamheid voorop” geïntegreerd wordt in de agenda’s voor betere regelgeving van de EU en haar lidstaten (7), |
|
— |
gezien de toespraak van Commissievoorzitter Von der Leyen van 16 juli 2019 (8), |
|
— |
gezien het debat tijdens de plenaire vergadering van 7 juni 2021 over de staat van de kmo-Unie — tenuitvoerlegging van de agenda voor betere regelgeving/doelstelling inzake vermindering van de administratieve lasten (9), |
|
— |
gezien artikel 54 van zijn Reglement, |
|
— |
gezien de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie constitutionele zaken en de Commissie verzoekschriften, |
|
— |
gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A9-0167/2022), |
|
A. |
overwegende dat beter wetgeven een gemeenschappelijk doel van alle EU-instellingen is en bereikt moet worden door de transparantie, verantwoordingsplicht en samenwerking tussen de instellingen, de lidstaten, burgers en belanghebbenden te vergroten, waarbij de volledige inachtneming van alle fundamentele Europese waarden, met inbegrip van democratie, de rechtstaat en de mensenrechten, gewaarborgd wordt; overwegende dat transparantie, integriteit en verantwoordingsplicht eveneens essentiële voorwaarden zijn voor een democratie die gebaseerd is op de beginselen van de rechtsstaat; overwegende dat Europese wetgeving doelmatig, evenredig, duidelijk, transparant en omvattend moet zijn om daadwerkelijk in het voordeel van de burgers en de belanghebbenden te kunnen werken; overwegende dat betere regelgeving ertoe bijdraagt dat EU-beleid en -wetgeving gericht zijn op de toekomst, rekening houdend met de snellere technologische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen; overwegende dat het daarom steeds belangrijker wordt om voorstellen voor regelgeving te baseren op bewijs dat verkregen is via beoordelingen die zijn uitgevoerd op de daarvoor meest geschikte wijze en op betrouwbaar, aan collegiale toetsing onderworpen wetenschappelijk bewijs evenals de eerbiediging van het voorzorgsbeginsel; verzoekt de Commissie in dit verband transparant met het bewijs om te gaan en erop toe te zien dat het vindbaar, toegankelijk, interoperabel en herbruikbaar is; onderstreept dat hoogstaande wetgeving niet alleen kwantitatieve doelstellingen met betrekking tot lasten- en kostenvermindering op de korte termijn moet omvatten, maar ook gezien moet worden als langetermijninvestering in de gedeelde welvaart van onze samenlevingen en in onze toekomst, waarvan iedereen moet profiteren; |
|
B. |
overwegende dat de Commissie onmiddellijk uitvoering moet geven aan het bepaalde in artikel 6, lid 4, van de Europese klimaatwet (10), waarin staat dat alle ontwerpmaatregelen en wetgevingsvoorstellen moeten stroken met de verwezenlijking van de doelstelling van de Unie om uiterlijk in 2050 de doelstelling van klimaatneutraliteit te halen; overwegende dat de Commissie met het oog hierop moet beoordelen of ontwerpmaatregelen of wetgevingsvoorstellen, met inbegrip van begrotingsvoorstellen, stroken met de doelstelling inzake klimaatneutraliteit en of zij bijdragen aan aanpassing aan de klimaatverandering; |
|
C. |
overwegende dat de nieuwe controles voor klimaatconsistentie pas vanaf 1 januari 2022 op effectbeoordelingen van ontwerpwetgevingsmaatregelen en voorstellen zijn toegepast, hoewel de Europese klimaatwet reeds in juli 2021 in werking is getreden, hetgeen betekent dat de bepalingen van de wet voor een aantal voorstellen met relevantie voor de Europese Green Deal niet zijn toegepast; |
|
D. |
overwegende dat de aanpak voor het beoordelen van de naleving van de Europese klimaatwet in effectbeoordelingen en evaluaties uiteengezet staat in de mededeling over betere regelgeving en de naar aanleiding daarvan ontwikkelde richtsnoeren en het bijbehorende instrumentarium; overwegende dat de Commissie deze controles echter stelselmatig moet verrichten, in concreto aan het begin van het proces van ontwikkeling van een nieuwe ontwerpmaatregel of van een fitnesscheck van bestaande wetgeving, zodat de resultaten ervan daadwerkelijk als input kunnen dienen bij beleidskeuzes; overwegende dat de Commissie verplicht is om als onderdeel van de in artikel 6, lid 4, bedoelde beoordeling aan te geven waarom een ontwerpmaatregel of wetgevingsvoorsel niet strookt met de doelstellingen van de Europese klimaatwet; |
|
E. |
overwegende dat de Commissie in 2021 haar mededeling getiteld “Samen zorgen voor betere regelgeving”, de desbetreffende richtsnoeren en het bijbehorende instrumentarium heeft goedgekeurd; |
|
F. |
overwegende dat betere regelgeving een middel is om rechtszekerheid te garanderen, iedereen ten goede moet komen en het algemeen belang van de Europese samenleving, bedrijven, werknemers, burgers, consumenten en het milieu moet dienen; overwegende dat hoogwaardige wetgeving het algemeen belang dient, aangezien dit rechtstreeks van invloed is op het concurrentievermogen van de EU, haar grondgebied en het bedrijfsleven, en tevens een instrument is voor het versterken van de democratie en rechtstreekse burgerparticipatie op zowel nationaal als regionaal niveau; |
|
G. |
overwegende dat de wetgeving herzien en, waar nodig en passend, vereenvoudigd moet worden om belemmeringen voor de uitvoering ervan, ook over de grenzen heen, weg te nemen en ervoor te zorgen dat de wetgeving doeltreffender, transparanter en omvattender wordt voor de begunstigden, ongeacht of dat burgers of ondernemingen zijn; |
|
H. |
overwegende dat de beginselen en instrumenten voor betere regelgeving beleidsneutraal moeten blijven om een objectieve probleemstelling en reële alternatieve beleidsopties, die door de Commissie, de Raad en het Parlement moeten worden bestudeerd, te waarborgen; |
|
I. |
overwegende dat beter wetgeven als doel moet hebben de politieke ambities van de EU te dienen, met name de langetermijndoelstellingen, zoals het stimuleren van economische groei, het bevorderen van investeringen en werkgelegenheid, zorgen voor een concurrerender en democratischer Europa, sociale vooruitgang en de verwezenlijking van de bindende doelstelling van de Unie van klimaatneutraliteit uiterlijk in 2050, en de prioritaire langetermijndoelstelling voor 2050 dat burgers goed leven, binnen de grenzen van onze planeet; overwegende dat duurzaamheid centraal moet staan bij hoogstaande wetgeving door sociale, economische en milieuoverwegingen op gelijke voet te stellen; overwegende dat de Commissie, door de beginselen van betere regelgeving toe te passen, tot de meest doeltreffende oplossingen moet komen, waarbij de voordelen zo groot mogelijk zijn en de kosten tot een minimum worden beperkt; |
|
J. |
overwegende dat de Commissie zich ertoe heeft verbonden meer inspanningen te leveren om de inclusieve en systematische participatie van kinderen in het besluitvormingsproces op EU-niveau te bevorderen en te verbeteren, met name door kindspecifieke raadplegingen te houden voor relevante toekomstige initiatieven; |
|
K. |
overwegende dat goed uitgevoerde effectbeoordelingen, zowel vooraf als achteraf, openbare raadplegingen en het beginsel “eerst evalueren” essentiële instrumenten zijn voor goed onderbouwd, beter, efficiënt, verantwoordelijk en transparant wetgeven op een manier die toegespitst is op de behoeften van de doelgroep; overwegende dat aan de hand van effectbeoordelingen de gevolgen van wetgeving, waaronder de kosteneffectiviteit ervan, in kaart kunnen worden gebracht; overwegende dat bij dergelijke beoordelingen economische, sociale en milieuaspecten met evenveel oog voor detail en nauwkeurigheid in aanmerking moeten worden genomen en dat daarbij gekeken moet worden naar zowel kwalitatieve als kwantitatieve gegevens, waaronder gegevens met betrekking tot de gevolgen van beleidsmaatregelen op het gebied van de grondrechten; overwegende dat de Europese Rekenkamer in 2018 een speciaal verslag heeft gepubliceerd met daarin een reeks aanbevelingen voor het verbeteren van de kwaliteit van toetsing achteraf; |
|
L. |
overwegende dat het “Geef uw mening”-webportaal bedoeld is om de betrokkenheid van burgers en belanghebbenden bij de EU-beleidsvorming aan te zwengelen, en een nuttig instrument is gebleken voor de voorbereiding van EU-beleid; overwegende dat de Commissie op 3 juli 2020 een nieuwe versie van dit instrument heeft gelanceerd om haar raadplegingen en de communicatie met de burgers verder te verbeteren en de transparantie te vergroten; overwegende dat de Europese Rekenkamer in 2019 een speciaal verslag (11) heeft gepubliceerd met daarin een reeks aanbevelingen om het portaal verder te verbeteren, met name om het gebruikersvriendelijker te maken, onder meer wat betreft activiteiten om burgers te bereiken en transparantie en wat betreft het gebruik en de beschikbaarheid van vertalingen; |
|
M. |
overwegende dat de Raad voor regelgevingstoetsing de kwaliteit van effectbeoordelingen keurt, alsook die van geschiktheidscontroles en brede evaluaties om kwaliteitsvolle besluitvorming te bevorderen; overwegende dat voor ongeveer een derde van de effectbeoordelingen in 2021 een negatief eerste advies is uitgevaardigd; overwegende dat de Raad voor regelgevingstoetsing een belangrijke rol kan spelen bij de verbetering van de Europese wetgeving; |
|
N. |
overwegende dat de eerbiediging van meertaligheid een eerste vereiste is voor de goede werking van de EU-instellingen; overwegende dat in artikel 1 VEU is vastgelegd dat besluiten op EU-niveau in zo groot mogelijke openheid en zo dicht mogelijk bij de burger moeten worden genomen; overwegende dat openbare websites van de Europese Unie met betrekking tot openbare aanbestedingen en financieringsmogelijkheden in het kader van de EU-programma’s vaak het eerst in het Engels worden gepubliceerd; overwegende dat het soms diverse maanden duurt voordat er een vertaling van deze websites beschikbaar is; overwegende dat de beschikbaarheid van deze websites in alle officiële talen van de EU belangrijk is voor eerlijke concurrentie; |
|
O. |
overwegende dat het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit) en het Fit for Future-platform (F4F) tot doel hebben de EU-wetgeving te vereenvoudigen en onnodige administratieve en regelgevingslasten en kosten te verminderen met het oog op een betere naleving en uitvoering van de regelgeving, maar tegelijkertijd de onderliggende beleidsdoelstellingen te halen, waarbij meer aandacht wordt besteed aan compensatie van regeldruk en geschiktheidscontroles van eerdere, bestaande en toekomstige wetgeving; |
|
P. |
overwegende dat de Commissie de “one in, one out”-benadering heeft ingevoerd met de bedoeling nieuwe lasten die uit de wetgevingsvoorstellen van de Commissie voortvloeien te compenseren door reeds bestaande lasten op hetzelfde beleidsterrein weg te nemen; |
|
Q. |
overwegende dat de “one in, one out”-benadering kan worden meegenomen in het Refit-programma door het uit te breiden tot meer dan alleen de beoordeling van onnodige lasten die voortvloeien uit afzonderlijke stukken bestaande wetgeving, namelijk tot nieuwe wetgeving en door volledige beleidsterreinen te bekijken; overwegende dat de “one in, one out”-benadering tegelijkertijd moet worden verduidelijkt wat betreft de tenuitvoerlegging ervan in de praktijk, aangezien wetgeving altijd ten goede moet komen aan burgers, bedrijven, werknemers en consumenten; |
|
R. |
overwegende dat de resultaten van de vereenvoudigingsinspanningen op Europees niveau ook kunnen afhangen van de medewetgevers die de relevante bepalingen handhaven en van de keuzes die de lidstaten maken bij de omzetting ervan in nationale wetgeving, en van de grotere inspanningen die de Commissie levert op het gebied van coördinatie en overleg met de lidstaten en met lokale en regionale overheden; |
|
S. |
overwegende dat de Commissie in haar mededeling “Voltooiing van de agenda voor betere regelgeving: betere oplossingen voor betere resultaten” van 24 oktober 2017 (COM(2017)0651) duidelijk voorbehouden had over de “one in, one out”-benadering en “de invoering van ex-antedoelstellingen op het gebied van lastenvermindering”, omdat een dergelijke aanpak “zou leiden tot dereguleringsdruk en afbreuk zou doen aan haar politieke verantwoordelijkheid om op het juiste moment de juiste actie te ondernemen”; |
|
T. |
overwegende dat de Commissie in 2021 volgens de op EUR-Lex (12) gepubliceerde informatie 1 977 wetgevings- of niet-wetgevingshandelingen heeft vastgesteld of gewijzigd; overwegende dat er in dezelfde periode 1 008 wetgevings- of niet-wetgevingshandelingen zijn ingetrokken of verstreken; |
|
U. |
overwegende dat de Verdragen slechts in zeer beperkte gevallen rechtstreeks initiatiefrecht verlenen aan het Parlement; overwegende dat het Parlement er in zijn resolutie over het initiatiefrecht van het Parlement om heeft verzocht zijn initiatiefrecht uit te breiden; |
|
V. |
overwegende dat de werking van de Europese Unie gegrond is op de representatieve democratie; |
|
1. |
staat achter de doelstelling van de Commissie om te waarborgen dat EU-wetgeving burgers en ondernemingen, en met name kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), maximale voordelen biedt en is ingenomen met het door de Commissie geuite voornemen om de aanpak van betere regelgeving dynamischer te maken en daarmee soepeler in te spelen op toekomstige ontwikkelingen; is daarnaast ingenomen met de toezegging van de Commissie om beter gebruik te maken van strategische prognoses en dringt erop aan deze te integreren in effectbeoordelingen en evaluaties; onderstreept dat de agenda voor betere regelgeving bij moet dragen aan de groene transitie van de economie van de Unie door het onder meer mogelijk te maken dat innovatieve en faciliterende technologieën efficiënter op de markt worden gebracht; is ingenomen met het voornemen van de Commissie om de analyse van en de verslaglegging over de effecten van voorstellen te verbeteren, bijvoorbeeld over concurrentievermogen en kmo’s, territorialiteit, duurzaamheid, gelijkwaardigheid, subsidiariteit en proportionaliteit, die ook kunnen helpen lacunes, behoeften en kansen in kaart te brengen en bestaande risico’s en trends te ontdekken, en aldus kunnen bijdragen tot het vaststellen van beleidsprioriteiten en het uitstippelen van strategische planning met een langetermijnperspectief, met name in de minst ontwikkelde landen en met betrekking tot de verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s); |
|
2. |
verzoekt de lidstaten en de Commissie te onderkennen dat er behoefte is aan betere regelgeving en vereenvoudiging, waarbij op geïntegreerde en evenwichtige wijze rekening wordt gehouden met de economische, ecologische, gendergerelateerde en maatschappelijke gevolgen; |
|
3. |
verheugt zich daarnaast over de inzet van de Commissie om de SDG’s in al haar wetgevingsvoorstellen op te nemen in overeenstemming met de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN, meer aandacht te besteden aan gendergelijkheid en gelijkheid voor iedereen, en om ervoor te zorgen dat het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” en het voorzorgsbeginsel in alle beleidsterreinen worden toegepast; dringt erop aan dat bij effectbeoordelingen ook rekening wordt gehouden met de gevolgen voor de verwezenlijking van de Agenda 2030 als geheel; stelt met bezorgdheid vast dat, door alleen te verwijzen naar “relevante SDG’s”, het geïntegreerde en holistische karakter van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling over het hoofd kan worden gezien; herinnert aan de toezegging van de EU om, samen met haar lidstaten en hun lokale en regionale overheden en in nauwe samenwerking met haar internationale partners, wereldwijd een voortrekkersrol te spelen bij de uitvoering van de Agenda 2030 en de SDG’s; betreurt het dat de Commissie nog geen geïntegreerde en holistische uitvoeringsstrategie voor de SDG’s heeft ontwikkeld; herinnert eraan dat de EU haar zichtbaarheid in ontwikkelingslanden moet vergroten en wel door middel van efficiënte communicatie over haar samenwerkings- en uitgavenprogramma’s; |
|
4. |
steunt de toezegging over de verbeterde analyse en rapportage van milieu-effecten op alle EU-beleidsterreinen middels de verplichte beoordeling van het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”, en het feit dat deze beoordeling moet worden toegepast op voorstellen op alle beleidsterreinen, teneinde een ongelijke toepassing te vermijden; verzoekt de Commissie het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” duidelijk te definiëren zodat het consistent kan worden toegepast; is ingenomen met met voorstel om meer rekening te houden met duurzaamheid en digitalisering tijdens het wetgevingsproces; onderstreept dat bij de beoordeling van het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” rekening moet worden gehouden met de algemenere kosten en baten voor de samenleving, zoals op het gebied van volksgezondheid, en met de milieugevolgen; |
|
5. |
beveelt aan dat de Commissie overweegt een “duurzaamheid eerst”-benadering toe te passen en deze toe te passen voor alle vormen van beleidsontwikkeling en -evaluatie, waarbij prioriteit wordt gegeven aan duurzaamheidsoverwegingen op lange termijn; merkt op dat “strategische prognoses” het Refit-programma, dat mogelijkheden in kaart brengt om onnodige regeldruk te verminderen en ervoor zorgt dat bestaande EU-wetgeving ook in de toekomst nog toereikend is, zullen ondersteunen; |
|
6. |
dringt er in dit verband op aan in het proces van strategische prognoses stelselmatig rekening te houden met de rapporten van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) en het intergouvernementeel platform voor biodiversiteit en ecosysteemdiensten (IPBES); verwelkomt in dit verband het werk van het Fit for Future (F4F)-platform, in het kader waarvan onder andere overheden, niet-gouvernementele organisaties en kleine en grote ondernemingen regelmatig bijeenkomen met het oog op het verbeteren van de EU-wetgeving; stelt vast dat dit platform ook gebruikt zou kunnen worden voor het bespreken van algemenere thema’s, zoals de groene transitie; |
|
7. |
herinnert eraan dat het beschermen, bevorderen en vergemakkelijken van de verwezenlijking van mensenrechten en democratie een belangrijke prioriteit is van het externe optreden van de EU, zoals verankerd in artikel 21 VEU, en dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ook van toepassing is op haar externe optreden; benadrukt dat de EU herhaaldelijk heeft bevestigd vastbesloten te zijn om een invloedrijke speler op het wereldtoneel te blijven en een voortrekkersrol te blijven spelen als mondiale verdediger van de democratie en de mensenrechten; betreurt het dan ook dat het voorstel ertoe beperkt blijft het grondrechteninstrument in het EU-instrumentarium voor betere regelgeving te vertalen in de richtsnoeren inzake de algemene toezegging en de op het Verdrag gebaseerde verplichting van de EU om de mensenrechten te eerbiedigen; onderstreept daarom hoe belangrijk het effect van alle externe beleidsmaatregelen van de EU, met inbegrip van handelsbeleid en ontwikkelingssamenwerking, is op de mensenrechten, met name wat kwetsbare groepen betreft; |
|
8. |
onderstreept daarom dat de richtsnoeren moeten worden herzien en op doeltreffende wijze moeten worden toegepast zodat er systematisch en naar behoren rekening wordt gehouden met de mensenrechten, waardoor de EU verplicht wordt niets te doen wat de verwezenlijking van de mensenrechten in de weg zou staan of zou bemoeilijken; onderstreept dat gendereffecten in alle verslaglegging moeten worden geïntegreerd en dat beoordelingen van het effect op de mensenrechten, naast een algemene beoordeling van de mensenrechtensituatie, ook naar geslacht uitgesplitste gegevens en een evaluatie van het specifieke effect op de mensenrechten van vrouwen moeten omvatten; |
|
9. |
onderstreept dat milieu- en gezondheidsgerelateerde wetgeving direct van invloed is op het leven van de burgers van de EU; verzoekt de Commissie derhalve een korte, in toegankelijke bewoordingen en zonder vaktaal gestelde toelichting te geven op elk wetgevingsvoorstel, en alle noodzakelijke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de burgers van de EU de kern van wetgevingsvoorstellen, met inbegrip van de mogelijke gevolgen voor hun dagelijkse leven, kunnen begrijpen; |
|
10. |
is er verheugd over dat in overeenstemming met de mededeling van de Commissie van 9 maart 2021, getiteld “Digitaal kompas 2030: de Europese aanpak voor het digitale decennium” (COM(2021)0118) betere regelgeving erop gericht is in toekomstige EU-wetgeving het beginsel dat digitaal de norm is (“digital by default principle”) te bevorderen als een belangrijk middel ter ondersteuning van de digitale transformatie; benadrukt dat technologieën zoals AI het wetgevingsproces en de toegang tot informatie kunnen verbeteren en ervoor kunnen zorgen dat wetgeving voor burgers en bedrijven begrijpelijker wordt; verzoekt de Commissie om, per geval en rekening houdend met de toegevoegde waarde en het evenredigheidsbeginsel van de EU, testomgevingen voor regelgeving (13) toe te passen op wetgeving over de digitale transformatie, met name ter ondersteuning van kmo’s en start-ups; dringt er echter op aan dat deze testomgevingen strikt worden beperkt in tijd en reikwijdte, naar behoren worden gecontroleerd en in overeenstemming zijn met het EU-acquis inzake de bescherming van persoonsgegevens en de grondrechten; |
|
11. |
beschouwt de ontwikkeling van nieuwe vormen van digitalisering in de besluitvorming van alle drie de instellingen als een essentiële uitdaging en een kans om de kwaliteit van de EU-wetgeving in het digitale tijdperk te verbeteren; is van mening dat de toezeggingen van de drie instellingen met betrekking tot dergelijke ontwikkelingen duidelijk in kaart moeten worden gebracht en moeten worden opgenomen in een herzien Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven; verzoekt de wetgevers gebruik te maken van digitalisering om onnodige administratieve lasten te vermijden en wetgevingswerkzaamheden te vergemakkelijken; |
|
12. |
is ingenomen met het voornemen van de Commissie om één digitaal verslagleggingsinstrument in te voeren voor ondernemingen, waarbij de rapportagevereisten die voortvloeien uit de herziening van de richtlijn betreffende de openbaarmaking van niet-financiële informatie (NFI-richtlijn) en de taxonomieverordening, alsook de verslagleggingsvereisten van het “Fit for 55”-pakket in één instrument worden samengevoegd, met daarin specifieke vereisten en kant-en-klare kernprestatie-indicatoren (KPI’s) en normen, en met een modulaire opzet, dat digitaal toegankelijk is voor bedrijven en andere organisaties; |
|
13. |
wijst erop dat burgers gemakkelijk toegang moeten hebben tot rechtsbronnen en dat er een overzichtelijke website moet komen waarop het hele wetgevingsproces kan worden gevolgd en de daarmee samenhangende documenten van alle EU-instellingen kunnen worden geraadpleegd; |
|
14. |
merkt op dat handel nog steeds afhankelijk is van een groot aantal papieren documenten; is van mening dat digitalisering en het gebruik van elektronische handelsdocumenten de kosten en complexiteit verminderen; verzoekt de Commissie haar voordeel te doen met het digitale tijdperk en de instrumenten om bepaalde soorten lasten of verplichtingen te verminderen; benadrukt dat het gebruik van elektronische handelsdocumenten moet worden onderzocht, hetgeen de efficiëntie en veiligheid zal vergroten en de administratieve rompslomp zal verminderen; |
|
15. |
wijst erop dat de EU 22,6 miljoen (14) kmo’s telt en dat de Commissie daarom niet alleen de kmo-toets systematischer moet uitvoeren, maar ook het uitvoeren van een kmo-toets bij alle wetgevingsvoorstellen verplicht moet stellen waar dit van toepassing is; benadrukt dat in een dergelijke toets duidelijk moet worden aangegeven hoe vereenvoudiging kan worden bereikt op het vlak van kosten en baten en, waar mogelijk, aanvullende aanbevelingen moeten worden geformuleerd om onnodige administratieve of regelgevingslasten voor kmo’s te voorkomen; |
|
16. |
herinnert eraan dat de toepassing van het “denk eerst klein”-beginsel, zoals vastgelegd in de “Small Business Act”, een essentieel onderdeel is van de evenredigheidsbeoordeling die voorafgaand aan ieder wetgevingsvoorstel wordt uitgevoerd en dat er hiermee naar wordt gestreefd om te waarborgen dat de standpunten van kmo’s worden gehoord en hun belangen in een zo vroeg mogelijk stadium worden meegewogen, om de ontwikkeling van kmo’s te stimuleren, aangezien die de ruggengraat van de Europese economie vormen; |
|
17. |
verzoekt de Commissie de functie van kmo-gezant in het leven te roepen om onnodige administratieve en regelgevingslasten in alle lidstaten tot een minimum te helpen beperken, en die moet worden benoemd met horizontale bevoegdheden binnen het kabinet van het voorzitterschap; |
|
18. |
herinnert eraan dat het gemeenschappelijk handelsbeleid een exclusieve bevoegdheid van de Unie is en dat de bepalingen van artikel 207 VWEU krachtig moeten worden verdedigd en gehandhaafd; benadrukt dat langdurige ratificatieprocedures voor handels- en investeringsovereenkomsten die gemengde elementen bevatten, moeten worden vermeden zodat ze tijdig in werking kunnen treden; |
|
19. |
is sterk van mening dat alle Europeanen het EU-wetgevingsproces moeten kunnen volgen; verheugt zich over het initiatief van de Commissie om het “Geef uw mening”-webportaal toegankelijker te maken voor mensen met een beperking en om de openbare raadplegingen in één “verzoek om input” te bundelen; verzoekt erom alle betrokken documenten en bijdragen in alle officiële talen van de EU en zo snel mogelijk beschikbaar te stellen; dringt aan op meer transparantie van het besluitvormingsproces en vooral over de wijze waarop de antwoorden in aanmerking worden genomen, onder meer door ervoor te zorgen dat antwoorden naar behoren worden gewogen op basis van hun representativiteit, afhankelijk van de vraag of er individuele of collectieve belangen worden vertegenwoordigd; merkt op dat de aard en opzet van de raadpleging in grote mate bepalend is voor de input die ontvangen wordt en de resultaten van de raadpleging; verzoekt de Commissie met klem erop toe te zien dat alle oproepen tot het indienen van feitenmateriaal neutraal en onpartijdig zijn, onder meer door empirisch onderbouwde vragenlijsten te gebruiken die waar mogelijk zijn geformuleerd met open vragen; wijst er verder op dat verzoekschriften aan het Parlement een essentiële vorm van burgerparticipatie en feedback zijn, die de Commissie regelmatig moet evalueren en opvolgen; |
|
20. |
dringt aan op een transparanter raadplegingsproces en op de publicatie van samenvattende verslagen van de raadplegingen, die in alle EU-talen beschikbaar moeten zijn en ook toegankelijk moeten zijn voor mensen met een handicap; |
|
21. |
is van mening dat de Commissie bij haar inspanningen om ervoor te zorgen dat het EU-beleid gebaseerd is op een duidelijk inzicht in beleidsterreinen die onderhevig zijn aan snelle structurele veranderingen, zoals milieu en digitalisering, gebruik moet maken van de inbreng uit verzoekschriften van burgers en maatschappelijke organisaties; meent dat burgerparticipatie van cruciaal belang is op beleidsterreinen zoals de grondrechten, de eerbiediging van de rechtsstaat en de bestrijding van alle vormen van discriminatie, op welke grond dan ook; |
|
22. |
is van mening dat de kwaliteit van de wetgeving die van invloed is op ontwikkelingslanden onder meer wordt bepaald door de legitimiteit en doeltreffendheid ervan, die op hun beurt afhangen van de aard van het raadplegingsproces, van de mate waarin deze wetgeving beantwoordt aan de behoeften van de betrokken landen en van de vraag of de uitvoering ervan de gewenste resultaten oplevert zonder schade te veroorzaken; is ingenomen met de nadruk die de Commissie legt op een beter begrip van de behoeften en effecten van EU-wetgeving buiten de EU door nauwer samen te werken met externe partners; verzoekt de Commissie deze betrokkenheid te optimaliseren door toe te zien op inclusieve, zinvolle en doeltreffende raadplegingsprocessen waarbij de belanghebbenden, zoals de sociale partners en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden, alsook deskundigen en bedrijven op de verschillende relevante gebieden worden betrokken; stelt voor dat de resultaten van die raadplegingen en het verzamelde bewijs daadwerkelijk worden gebruikt als input bij het opstellen van de wetgeving en dat er met name rekening wordt gehouden met de context en de specifieke behoeften van de belanghebbenden in partnerlanden waar de raadpleging moet plaatsvinden; is ingenomen met het initiatief om raadplegingsprocessen gerichter, duidelijker en gebruiksvriendelijk te maken; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de beoogde vereenvoudiging van het openbare raadplegingsproces geen afbreuk doet aan de doeltreffendheid ervan; wijst op de rol die de EU-delegaties kunnen spelen, met name in ontwikkelingslanden, en op de noodzaak om de instrumenten en middelen beschikbaar te stellen die nodig zijn voor de uitvoering van deze raadplegingen; |
|
23. |
verzoekt de EU-instellingen om op het gebied van meertaligheid de beginselen, rechten en verplichtingen te eerbiedigen die zijn verankerd in het Handvest van de grondrechten en Verordening nr. 1/1958 van de EEG-Raad, alsook in interne richtsnoeren en besluiten, zoals de code van goed administratief gedrag; |
|
24. |
roept de EU-instellingen ertoe op het benodigde personeel ter beschikking te stellen om ervoor te zorgen dat meertaligheid geëerbiedigd wordt in alle stadia van het wetgevingsproces; |
|
25. |
is van mening dat de eenvormigheid van de taalversies in de officiële EU-talen een cruciale voorwaarde is voor een betrouwbare interpretatie van de bestaande regelgeving door rechtbanken en autoriteiten in de EU en de lidstaten, en dus een belangrijke bijdrage leveren aan de uniforme toepassing en handhaving van het EU-recht; verzoekt de instellingen in de toekomst tijdens het wetgevingsproces volledig aan deze vereisten te voldoen; |
|
26. |
dringt erop aan dat alle websites van de Europese Unie over financieringsmogelijkheden en openbare aanbestedingen tegelijkertijd in alle officiële talen van de EU worden vertaald, omdat deze websites in het begin alleen in het Engels beschikbaar zijn, als gevolg waarvan lidstaten die niet het Engels als officiële taal hebben in het nadeel zijn; |
|
27. |
wijst op de sterke verbanden tussen de uitvoering van het herstelpakket NextGenerationEU en het doel om de samenlevingen in de EU weerbaarder te maken, en de noodzaak voor de EU-instellingen om in contact te komen met de burgers van de Unie en ze bewuster te maken van de essentie van deze politieke taken en de uitvoering ervan; is van mening dat dergelijke contacten uiteindelijk moeten bijdragen tot een soepelere en meer doeltreffende interinstitutionele besluitvorming die doortastender en besluitvaardiger kan inspelen op de ervaringen van de pandemie; |
|
28. |
pleit voor een intensievere politieke dialoog tussen de EU-instellingen en nationale parlementen, lokale en regionale overheden, het Comité van de Regio’s en het Europees Economisch en Sociaal Comité; |
|
29. |
is zich bewust van de huidige trend waarbij nationale parlementen, binnen het toepassingsgebied van de Protocollen nrs. 1 en 2, streven naar een grotere betrokkenheid door middel van een politieke dialoog over EU-beleid om een grotere meerwaarde voor de burgers te creëren; neemt verder kennis van verzoeken om vergelijkbare toekomstgerichte betrokkenheid van het Europees Comité van de Regio’s in dit verband door initiatiefadviezen te verstrekken; |
|
30. |
herinnert eraan dat een aanzienlijk gedeelte van de EU-wetgeving wordt uitgevoerd op subnationaal niveau, waar men beschikt over waardevolle ervaring uit de eerste hand met de toepassing van EU-wetgeving en waarbij men in nauw contact staat met de lokale economie, sociale partners, maatschappelijke organisaties en burgers, waardoor de doeltreffendheid en zichtbaarheid van EU-maatregelen kan worden vergroot; |
|
31. |
wijst nogmaals op het specifieke karakter van lokale en regionale overheden en op de noodzaak van raadplegingen op maat; beveelt de Commissie aan om bij de ontwikkeling van open raadplegingen en routekaarten in verband met voorstellen die aanzienlijke gevolgen hebben voor subnationale bestuursniveaus het Europees Comité van de Regio’s proactief te raadplegen; |
|
32. |
benadrukt dat actieve subsidiariteit een integraal onderdeel vormt van de agenda voor betere regelgeving; is in dit verband ingenomen met het feit dat de Commissie bij haar wetgevingsvoorstellen steeds vaker gebruikmaakt van de subsidiariteitsbeoordelingstabel, zoals voorgesteld in haar mededeling van 23 oktober 2018, getiteld “Een grotere rol voor de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid bij de beleidsvorming van de EU” (COM(2018)0703); |
|
33. |
verwacht dat de Conferentie over de toekomst van Europa eveneens de weg zal effenen voor verdere hervormingen met betrekking tot het subsidiariteitsbeginsel, met name in de vorm van toepassing van het subsidiariteitsbeginsel in het kader van EU-governanceprocessen; |
|
34. |
onderkent dat betere regelgeving een gedeelde doelstelling en verantwoordelijkheid van alle EU-instellingen is bevestigt dat het Parlement als medewetgever zijn interne diensten zal stroomlijnen om beter bij te dragen aan de beoordeling en monitoring van de gevolgen voor ontwikkelingslanden van de EU-wetgeving met een externe dimensie, met inbegrip van de relevante teksten die door het Parlement zijn aangenomen met betrekking tot wetgevingsprocedures en uitgavenprogramma’s van de EU; bevestigt verder dat het Parlement de samenwerking en coördinatie tussen de commissies dienovereenkomstig zal intensiveren, de expertise op het gebied van ontwikkelingsbeleid in alle relevante commissies zal versterken en zal verduidelijken welke rol de Commissie ontwikkelingssamenwerking moet spelen als hoeder van het beginsel van beleidssamenhang ten aanzien van ontwikkeling, zoals bepaald in het Reglement van het Europees Parlement (bijlage VI), met als doel de kwaliteit en de doeltreffendheid van de EU-wetgeving te verbeteren; |
|
35. |
herinnert eraan dat de voortdurende en zorgvuldige behandeling van verzoekschriften van burgers goede kansen biedt om betere regelgeving inclusiever en efficiënter te maken en om beleidsmakers een beter inzicht te geven in de lokale en regionale realiteiten en de zorgen en prioriteiten van de burgers; onderkent dat de EU-wetgeving moet zorgen voor de gelijke behandeling van burgers en bedrijven en de doeltreffende handhaving van de rechten van burgers in de hele Unie en dat een sterke en gelijke handhaving van de bestaande Europese regels moet worden gewaarborgd; |
|
36. |
wijst erop dat het van belang is dat de medewetgevers vóór de aanvang van interinstitutionele onderhandelingen nauw contact met elkaar onderhouden, onder meer door vertegenwoordigers van de andere instellingen regelmatig uit te nodigen voor informele gedachtewisselingen, in overeenstemming met de toezegging in punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven; betreurt het dat deze toezegging niet heeft geleid tot nieuwe samenwerkingsstructuren of stelselmatige praktijken om deze uitwisselingen te bevorderen; stelt voor dat de medewetgevers het eens worden over een gedragscode in dit verband; |
|
37. |
is er stellig van overtuigd dat er meer nadruk moet worden gelegd op institutioneel overleg, coördinatie en samenwerking tussen en binnen de EU-instellingen; dringt er bij de Commissie op aan haar interne procedures te stroomlijnen om DG INTPA systematisch te betrekken bij alle effectbeoordelingen, met name voor interne wetgeving met potentiële effecten buiten de EU, en terdege rekening te houden met de input, suggesties en aanbevelingen van dit DG in het kader van de beleidssamenhang ten aanzien van ontwikkeling; verzoekt de Commissie de betrokkenheid en betekenisvolle deelname van DG INTPA aan het overleg tussen de diensten en aan de GRI (Groep interinstitutionele betrekkingen) en de EXCO (Groep externe coördinatie) te versterken, en terdege rekening te houden met de bijdragen van dit leidende DG met betrekking tot ontwikkelingssamenwerking en ontwikkelingslanden; |
|
38. |
roept ertoe op om kinderrechten te mainstreamen in de EU-wetgeving door bij wetgevingsvoorstellen beoordelingen uit te voeren van de gevolgen van die voorstellen voor de rechten van kinderen; roept er in dit verband toe op om in het kader van het instrumentarium voor effectbeoordelingen een kinderrechtentest in te voeren, die bijvoorbeeld bestaat uit het raadplegen van belanghebbenden, met een mechanisme voor het raadplegen van kinderen, het in kaart brengen van de gebieden waarop de gevolgen van het betreffende wetgevingsvoorstel gevoeld worden, het in kaart brengen van de gevolgen ervan voor kinderen en het uitvoeren van een beoordeling van alternatieven; |
|
39. |
spoort de Commissie aan om, overeenkomstig haar toezegging in de EU-strategie voor de rechten van het kind, meer openbare raadplegingen voor kinderen en adolescenten te organiseren en actief gebruik te maken van het EU-platform voor de participatie van kinderen om ervoor te zorgen dat jonge burgers in het kader van het EU-besluitvormingsproces worden gehoord; |
|
40. |
verzoekt de instellingen alle nodige maatregelen te treffen om te waarborgen dat kwetsbare personen zoals mensen met een handicap kunnen deelnemen aan het besluitvormingsproces van de EU; wijst erop dat de toegang tot informatie voor alle burgers moet worden verbeterd; verzoekt erom meer openbare raadplegingen op te starten die gericht zijn op specifieke groepen, zoals kinderen, jongeren en ouderen; verzoekt alle beleidsmakers van de EU rekening te houden met de inbreng van belanghebbenden en voor een doeltreffende follow-up te zorgen in de daaropvolgende besluitvormingsprocedures; |
|
41. |
dringt aan op de ontwikkeling van impactindicatoren voor specifieke kwesties, zoals de gevolgen voor kwetsbare groepen; looft in dit verband het voorstel van Unicef in verband met een “kindindicator” waarin de effecten van beleidsmaatregelen op kinderen worden beoordeeld, en verzoekt erom soortgelijke mechanismen te ontwikkelen op andere beleidsgebieden; |
|
42. |
verzoekt de Commissie om bij alle wetgevingsvoorstellen en zonder uitzondering effectbeoordelingen uit te voeren; betreurt het dat dit in het verleden niet het geval was voor diverse politiek gevoelige voorstellen; herinnert eraan dat het Parlement bij verschillende gelegenheden met het oog op een geïnformeerde beleidsvorming zelf effectbeoordelingen heeft uitgevoerd om die van de Commissie te vervangen; dringt erop aan dat er voor effectbeoordelingen voldoende tijd wordt uitgetrokken en voldoende middelen beschikbaar worden gesteld, zodat de kwaliteit ervan gewaarborgd kan worden; herinnert er niettemin aan dat effectbeoordelingen informatie kunnen verschaffen, maar nooit in de plaats mogen komen van het wetgevingsproces en dit proces ook niet onnodig mogen vertragen; benadrukt echter dat de nadruk in het wetgevingsproces van de EU vooral moet liggen op kwaliteit, transparantie en de meest recente kennis en gegevens bij de effectbeoordelingen en niet op de snelheid waarmee de initiatieven worden voltooid; dringt erop aan dat effectbeoordelingen bekendgemaakt worden zodra zij afgerond zijn en niet pas wanneer het beleidsvoorstel wordt ingediend, omdat dit de transparantie van het EU-besluitvormingsproces kan vergroten; onderkent dat er voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van betere regelgeving en met name van de effectbeoordelingen vooraf voldoende middelen nodig zullen zijn; dringt er bij de Commissie op aan hiervoor voldoende middelen uit te trekken; |
|
43. |
benadrukt en betreurt het erkende gebrek aan effectbeoordelingen voor verschillende belangrijke wetgevingsdossiers, dat slechts gedeeltelijk aan de COVID-19-pandemie kan worden toegeschreven, en neemt kennis van het voornemen van de Commissie om een analytisch werkdocument van haar diensten te publiceren met voorstellen of uiterlijk drie maanden na de goedkeuring ervan in gevallen waarin er geen effectbeoordeling was opgesteld; benadrukt dat dit weliswaar een welkome stap is in de richting van meer transparantie, maar dat dit er niet toe mag leiden dat de Commissie haar verplichtingen met betrekking tot effectbeoordelingen omzeilt, en dat de Commissie werkdocumenten van haar diensten tegelijk met het wetgevingsvoorstel moet publiceren; |
|
44. |
is ingenomen met het voornemen van de Commissie om meer gebruik te maken van territoriale effectbeoordelingen en plattelandstoetsing (15) om beter rekening te houden met de behoeften en specifieke kenmerken van verschillende EU-gebieden, zoals stedelijke/plattelandsgebieden, grensoverschrijdende gebieden en ultraperifere gebieden; herinnert aan het belang van territoriale effectbeoordelingen voor het Europees Comité van de Regio’s, met inbegrip van beoordelingen van de effecten voor plattelands- en stedelijke gebieden en het beoordelen van grensoverschrijdende effecten; |
|
45. |
benadrukt dat er, daar waar de bestaande instrumenten ontoereikend zijn, aanvullende instrumenten moeten worden ontwikkeld om de milieueffecten van nieuwe beleidsmaatregelen, initiatieven en wetgeving te beoordelen, om ervoor te zorgen dat de groene ambities van de Commissie-Von der Leyen en de nadruk die zij legt op de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN, duidelijker weerspiegeld worden in de effectbeoordelingen en wetgevingsvoorstellen van de Commissie dringt er in dit verband op aan dat rekening wordt gehouden met de kosten die kunnen voortvloeien uit het uitblijven van beleidsmaatregelen, met name op het gebied van gezondheid, klimaat, milieu en de sociale dimensie, en met de cumulatieve effecten van vertragingen; is van mening dat er in effectbeoordelingen evenveel aandacht moet worden besteed aan de evaluatie van met name economische, sociale, gezondheids- en milieugevolgen van de voorstellen van de Commissie en dat ook de effecten op de grondrechten van burgers en op de gelijkheid van vrouwen en mannen moeten worden beoordeeld; |
|
46. |
betreurt het dat het aantal effectbeoordelingen over de gevolgen van het beleid en de wetgeving van de Unie voor ontwikkelingslanden, met name van interne wetgeving die geen verband houdt met ontwikkeling, beperkt blijft en dat de potentiële impact voor ontwikkelingslanden niet naar behoren wordt beoordeeld en aangepakt; is er stellig van overtuigd dat effectbeoordelingen vooraf een waardevol instrument zijn om potentiële risico’s van een beleids- en/of wetgevingsvoorstel voor ontwikkelingslanden, en met name voor de minst ontwikkelde landen, in kaart te brengen en aan te pakken; verzoekt de Commissie meer aandacht te besteden aan de gevolgen van EU-wetgeving voor ontwikkelingslanden, en de doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking in deze initiatieven waar nodig te eerbiedigen en te bevorderen, met name op gebieden als migratie, milieu, landbouw en de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, zoals georganiseerde misdaad, drugs- en mensenhandel en witwassen; dringt er bij de Commissie op aan de conclusies van de effectbeoordelingen om te zetten in wettelijke bepalingen in haar wetgevingshandelingen die geen verband houden met ontwikkeling, zodat de inspanningen van de EU met betrekking tot artikel 208 VWEU beter tot uiting komen; |
|
47. |
maakt zich zorgen over de tenuitvoerlegging van de bepalingen van de Europese klimaatwet in gevallen waarin geen effectbeoordeling wordt uitgevoerd, met name voor voorstellen die politiek gevoelig liggen, waaronder secundaire wetgeving; herinnert eraan dat de Commissie, zoals overeengekomen in het IIA, effectbeoordelingen moet uitvoeren van haar wetgevings- en niet-wetgevingsinitiatieven, en van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen die naar verwachting grote economische, milieu- en/of sociale gevolgen gaan hebben; |
|
48. |
stelt vast dat instrument 35 elementen bevat om sturing te geven aan de uitvoering van effectbeoordelingen in ontwikkelingslanden, en verwacht dat er op grote schaal gebruik zal worden gemaakt van dit instrument; is van mening dat de sectoren waarvoor effectbeoordelingen momenteel prioriteit moeten krijgen, de huidige en toekomstige uitdagingen van de Unie en de standpunten van het Parlement moeten weerspiegelen en duidelijk in overeenstemming moeten zijn met de desbetreffende gebieden van het EU-recht, zodat er gemakkelijker kan worden vastgesteld aan welke wetgeving bijzondere aandacht moet worden besteed; stelt voor het instrumentarium verder kracht bij te zetten om potentiële economische, sociale en milieueffecten in ontwikkelingslanden beter in kaart te kunnen brengen en te analyseren; stelt voor een nieuwe rubriek “Gevolgen voor ontwikkelingslanden” in te voeren voor specifieke instrumenten in het instrumentarium, geldend voor onder andere de instrumenten 23, 25 en 26; stelt voor om in deze rubriek een aantal oriënterende vragen op te nemen om na te gaan of wetgeving bijdraagt tot de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid en tot de uitvoering van de Agenda 2030 in zowel de EU als de ontwikkelingslanden; herinnert eraan dat de gevolgen voor de mensenrechten, onder andere voor kinderen, inheemse volkeren, lhbtiq’ers en andere kwetsbare groepen in ontwikkelingslanden, van belang zijn voor de Europese ontwikkelingssamenwerking; verzoekt de Commissie in dit verband afzonderlijke categorieën effectbeoordelingen in te voeren met betrekking tot mensenrechten, gender- en vrouwenrechten, de rechtsstaat en goed bestuur in ontwikkelingslanden; herinnert eraan dat het, om lering te trekken uit eerder optreden en in de toekomst beter beslagen ten ijs te komen, ook belangrijk is om de doeltreffendheid van de procedures en instrumenten voortdurend te evalueren, en verzoekt de Commissie in dit verband regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over de tenuitvoerlegging van instrument 35; |
|
49. |
onderstreept dat het belangrijk is effectbeoordelingen over mensenrechten te koppelen aan het nieuwe beleidskader van de EU voor passende zorgvuldigheid op het gebied van mensenrechten door ervoor te zorgen dat de geproduceerde gegevens over de mensenrechten- en milieurisico’s van bedrijven per sector, bedrijfsactiviteiten en waardeketens terechtkomen bij handhavings- en monitoringinstanties op EU- en nationaal niveau en in meetbare benchmarks en inhoudelijke gegevens voorzien; |
|
50. |
herinnert eraan dat het Parlement een apart directoraat heeft opgericht, het directoraat Effectbeoordeling en Europese meerwaarde, om zowel vooraf als achteraf effectbeoordelingen te kunnen uitvoeren met als doel goed onderbouwde beleidsvorming te ondersteunen, en pleit voor voldoende financiële en personele middelen voor dit directoraat en andere diensten van het Parlement die bedoeld zijn om de leden te ondersteunen om hun taak als medewetgevers beter te kunnen uitvoeren; |
|
51. |
herinnert eraan dat er bij de beoordelingen van het Parlement rekening moet worden gehouden met de doeltreffendheid van de bepalingen voor het bereiken van hun doelstellingen (waarbij kosteneffectiviteit gewaarborgd moet zijn en de werkelijke kosten in verhouding moeten blijven tot de baten), de geschiktheid en relevantie van de bepalingen met betrekking tot nieuwe behoeften, de toegevoegde waarde van de bepalingen en hun interne en externe samenhang met andere beleidsterreinen; |
|
52. |
steunt de inzet van de Commissie op het gebied van beleidsevaluaties en spoort de Commissie aan om meer gebruik te maken van beoordelingen achteraf om de doeltreffendheid en voordelen van wetten te evalueren, omdat inzicht daarin vervolgens benut kan worden bij de ontwikkeling van nieuw beleid en gebruikt kan worden om de aanpak van regelgeving te verbeteren; wijst erop dat het beginsel “eerst evalueren” van belang is omdat daarmee gewaarborgd wordt dat er lessen uit het verleden worden getrokken die van invloed kunnen zijn op toekomstige beleidscycli; maakt zich ernstig zorgen over de toenemende trend dat evaluaties en effectbeoordelingen gelijktijdig worden uitgevoerd, hoewel de resultaten van de evaluaties moeten worden meegenomen bij elke herziening van de wetgeving; |
|
53. |
is ingenomen met het feit dat de kwaliteitscontrole met betrekking tot evaluaties en de bijbehorende ondersteunende studies gestandaardiseerd is met behulp van dienstoverschrijdende werkgroepen en kwaliteitschecklists; stelt echter vast dat er voor andere toetsingen achteraf dan evaluaties niet dezelfde kwaliteitscontroles bestaan; spoort de Commissie aan een reeks minimumkwaliteitsnormen vast te stellen voor andere toetsingen achteraf dan evaluaties, om de kwaliteit van dergelijke toetsingen binnen alle diensten van de Commissie te waarborgen; is van mening dat in dergelijke minimumkwaliteitsnormen moet worden vastgelegd dat toetsingen achteraf een gedetailleerde omschrijving moeten omvatten van de gebruikte methodologie, inclusief de voor de gegevensverzameling en -analyse gebruikte instrumenten, een onderbouwing van de gemaakte keuze en de beperkingen daarvan; |
|
54. |
benadrukt dat monitoring- en evaluatieclausules in wetgeving ervoor zorgen dat de nodige gegevens worden verzameld en geëvalueerd; verzoekt de Commissie om in samenwerking met het Europees Parlement en de Raad in het kader van het bestaande IIA een interinstitutioneel instrumentarium inzake evaluatie- en monitoringclausules te ontwikkelen, bestaande uit onder meer een classificatie van mogelijke uitkomsten en/of toetsingen achteraf waarom kan worden verzocht en richtsnoeren voor het opstellen van monitoringclausules voor zowel EU-instellingen en -organen als lidstaten; |
|
55. |
wijst erop dat evaluaties achteraf ook een belangrijk instrument zijn om de gevolgen van wetgeving voor burgers en ondernemingen te beoordelen, waarbij er speciale aandacht moet worden besteed aan de gevolgen van wetgeving voor kmo’s, en verzoekt de Commissie het F4F-platform en de lidstaten de gelegenheid te bieden voor het geven van feedback over de kosten- en batenramingen van de Commissie na de inwerkingtreding van wetgeving; |
|
56. |
benadrukt dat de doelstellingen van beter wetgeven regelmatig moeten worden herzien en geëvalueerd aan de hand van de criteria van de agenda voor betere wetgeving, met inbegrip van monitoring en verslaglegging; onderstreept dat de doelstellingen evenwichtig en evenredig moeten zijn en dat de doeltreffendheid ervan moet worden geëvalueerd; wijst op het belang van vergelijkbare EU-brede gegevens voor deze evaluatie en verzoekt de Commissie na te gaan of het gebruik van de instrumenten voor betere regelgeving heeft bijgedragen tot het bereiken van doelstellingen zoals betere beleidsresultaten; |
|
57. |
verheugt zich over de vernieuwde inzet van de Commissie voor de transparantie van het evaluatieproces en roept ertoe op om meerjarige evaluatieplannen te publiceren, met inbegrip van de relevante achtergrondinformatie die daarbij is gebruikt benadrukt voorts dat het nodig is de beschikbaarheid van openbare, volledige en toegankelijke bewijsstukken die effectbeoordelingen en evaluaties ondersteunen, te verhogen en verheugt zich in dit verband over het voornemen van de Commissie om de feitenregisters en de verbanden daartussen te verbeteren, alsook de interne gegevensbanken en archieven eenvoudig publiek toegankelijk te maken; steunt in dit verband het voornemen van de Commissie om een gezamenlijk wetgevingsportaal op te zetten, dat een zo intuïtief mogelijke lay-out en gebruiksvriendelijke ervaring moet bieden om een overschot aan informatie te voorkomen, en hamert erop dat dit gezamenlijke portaal uiterlijk eind 2022 volledig operationeel moet zijn; schaart zich tevens achter de doelstelling om de samenwerking tussen de instellingen te intensiveren en zo de toegang tot alle over een bepaald beleidsinitiatief verzamelde gegevens gedurende het gehele wetgevingsproces te vergemakkelijken en te stroomlijnen; |
|
58. |
wijst erop dat door de EU gefinancierde proefprojecten en validering van concepten in voorkomend geval als input kunnen dienen voor het opstellen van wetgeving en bovendien de uitvoering en handhaving ervan kunnen vergemakkelijken; |
|
59. |
benadrukt dat het belangrijk is dat de Commissie schriftelijke vragen van het Parlement binnen de daarvoor geldende termijnen beantwoordt; betreurt het dat in het verleden de overgrote meerderheid van de schriftelijke vragen te laat is beantwoord, en verzoekt de Commissie met klem schriftelijke vragen sneller te beantwoorden wijst erop dat de antwoorden op door het Parlement gestelde vragen vaak kwalitatief onder de maat is en dringt er daarom bij de Commissie op aan om haar antwoorden op parlementaire vragen per direct en structureel aanzienlijk te verbeteren; |
|
60. |
benadrukt dat transparantie van de Europese instellingen essentieel is voor het wetgevingsproces, omdat burgers het recht hebben om te weten hoe de wetten die gevolgen voor hen hebben, worden opgesteld; is ingenomen met het onlangs met de Raad bereikte akkoord over het transparantieregister; betreurt het dat niet alle EU-instellingen en -organen en niet alle vertegenwoordigingen van de lidstaten verplicht zijn gebruik te maken van het transparantieregister; |
|
61. |
dringt aan op verdere verbetering van de transparantie met betrekking tot debatten en besluiten binnen alle instellingen; betreurt het gebrek aan transparantie in het besluitvormingsproces van de Raad, het ten onrechte als vertrouwelijk aanmerken van documenten en de toepassing van een zeer ruime interpretatie van de uitzonderingen die zijn opgenomen in Verordening (EG) nr. 1049/2001, met name in verband met de bescherming van het besluitvormingsproces en de bescherming van juridisch advies, hetgeen vaak betekent dat het beginsel van hoger openbaar belang bij de bekendmaking van de bijbehorende documenten niet wordt toegepast; is van mening dat geheimhoudingsuitzonderingen voor documenten van de Raad moeten worden toegepast volgens een samenhangend systeem onder onafhankelijk toezicht en consistent moeten zijn met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU); dringt er bij de Raad op aan een groter aantal en meer soorten documenten openbaar te maken, met name de standpunten van de lidstaten, zodat de burgers kunnen weten welk standpunt hun regering namens hen op EU-niveau heeft ingenomen, en daarnaast bij te dragen tot een betere controle van de besluitvorming van de EU door de nationale parlementen, die van toepassing is op alle besluiten, van wetgevingsdossiers tot gedelegeerde en uitvoeringshandelingen; |
|
62. |
brengt in herinnering dat openbaarmaking en transparantie in verband met een lopende wetgevingsprocedure inherent zijn aan de wetgevingsprocedures en daarom kunnen gelden voor de toegang tot trialoogdocumenten, zoals het HvJ-EU stelt in met name het arrest in zaak T-540/15, Emilio De Capitani/Europees Parlement; is van mening dat de EU ambitieuzer beleid moet opstellen voor toegang tot documenten en moet toezien op een betere toepassing van de bestaande regels, onder meer voor documenten in verband met interne, trialoog- en internationale onderhandelingen; herinnert eraan dat de toegang tot documenten, met name wetgevingsdocumenten, volgens de Europese Ombudsman slechts mag worden beperkt in uitzonderlijke situaties waarin dit absoluut noodzakelijk is; voegt daaraan toe dat openbaarmaking en transparantie de legitimiteit van het wetgevingsproces van de EU en het vertrouwen van de burgers daarin vergroten; betreurt de praktijk waarbij de “efficiëntie van het besluitvormingsproces van de instelling” standaard wordt aangevoerd als reden om de toegang tot voorbereidende wetgevingsdocumenten te weigeren; |
|
63. |
is van mening dat Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten aldus herzien zou kunnen worden dat bijvoorbeeld ten volle rekening wordt gehouden met digitalisering en digitaal documentenbeheer, bestaande jurisprudentie inzake transparantie en toegang tot documenten en de veranderende opvattingen van de burgers over wat transparantie zou moeten inhouden; benadrukt dat elke herziening moet leiden tot meer en niet tot minder transparantie; |
|
64. |
onderstreept dat een open, doeltreffend, transparant en onafhankelijk wetgevings- en administratief besluitvormingsproces een randvoorwaarde is voor beleid en wetgeving van hoogwaardige kwaliteit; benadrukt dat de invoering van geharmoniseerde administratieve procedures kan bijdragen aan goede bestuurlijke en regelgevingspraktijken in de EU en kan zorgen voor een sterkere koppeling tussen deskundige besluitvorming en democratische legitimiteit; herinnert eraan dat het Parlement in zijn resoluties van 15 januari 2013, 9 juni 2016 en 20 januari 2021 heeft aangedrongen op de vaststelling van een verordening betreffende een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat op grond van artikel 298 VWEU, en wijst erop dat de Commissie naar aanleiding van dit verzoek geen voorstel ter zake heeft ingediend; dringt er daarom nogmaals bij de Commissie op aan een wetgevingsvoorstel inzake een Europese wet bestuursprocesrecht in te dienen en daarbij rekening te houden met de door het Parlement tot dusver genomen stappen op dit terrein; |
|
65. |
wijst erop dat tijdens het opstellen van wetgeving consistente beginselen moeten worden toegepast, met name transparantie, verantwoording, duidelijkheid en nauwkeurigheid, in overeenstemming met de beginselen die zijn erkend door de rechtspraak van het HvJ-EU; |
|
66. |
wijst erop dat als eerste stap organen met een nog lager transparantieniveau zoals de Eurogroep moeten worden onderworpen aan het reglement van de Raad, om het publiek inzage te geven in de stemprocedures, notulen, resultaten en toelichtingen bij stemmingen en beraadslagingen; |
|
67. |
neemt kennis van het gebruik van instrumenten zoals Refit en het F4F-platform om, voordat de Commissie een herziening voorstelt, de mogelijkheden voor vereenvoudiging en het terugdringen van onnodige kosten en administratieve rompslomp in kaart te brengen, en tegelijkertijd de hoogste beschermingsnormen te waarborgen en de naleving van het EU-recht te verbeteren; herinnert eraan dat de rol van het F4F-platform er ook uit bestaat in te schatten of specifieke Uniewetgeving en de doelstellingen daarvan toekomstbestendig en evenredig zullen blijven en aangepast zijn aan nieuwe uitdagingen, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan compensatie van regeldruk; |
|
68. |
verzoekt de Commissie haar inspanningen op te voeren om, door het hanteren van de beginselen van betere regelgeving, te komen tot de meest doeltreffende oplossingen en zo, in het kader van het EU-beleid, de grootst mogelijke voordelen te verwezenlijken en de kosten in het belang van de doelgroep tot een minimum te beperken; is van mening dat het beginsel “denk eerst klein” consequent moet worden toegepast en dat het beginsel “big on big things, small on small things” (belangrijke kwesties ambitieus aanpakken en zich bescheiden opstellen als het om minder belangrijke kwesties gaat) moet worden versterkt, opdat er in EU- en nationale wetgeving voldoende aandacht wordt besteed aan kmo’s en een basis wordt gelegd voor een nieuwe interinstitutionele verbintenis inzake vermindering van de administratieve lasten; |
|
69. |
is ingenomen met het besluit van de Commissie om binnen het F4F-platform een subgroep op te richten die wordt gevormd door het netwerk van regionale hubs van het Europees Comité van de Regio’s; verzoekt de Commissie op zinvolle wijze follow-up te geven aan de adviezen van het platform, en de empirisch onderbouwde aanpak van de evaluaties voor- en achteraf aan te vullen met lokale en regionale expertise; |
|
70. |
herinnert eraan dat tussentijdse evaluaties en vervalclausules nuttige instrumenten zijn om ervoor te zorgen dat de EU-wetgeving steeds actueel is of tijdig wordt ingetrokken wanneer het doel ervan is bereikt; is van mening dat de Commissie een meer geïntegreerde aanpak met betrekking tot duurzaamheid moet ontwikkelen en in de praktijk moet brengen, in het kader waarvan beter rekening wordt gehouden met de wisselwerking tussen de economische, sociale en milieugevolgen van EU-beleidsmaatregelen en -wetgeving; beveelt aan dat het F4F-platform wetgeving in kaart brengt en onderzoekt die in strijd is met de Europese Green Deal en de bredere SDG-doelstellingen, onder meer door in dit verband een “duurzaamheid voorop”-benadering te hanteren; |
|
71. |
herhaalt zijn oproep aan de Commissie (16) om de verwezenlijking van de Europese Green Deal te faciliteren door belemmeringen en bureaucratie aan te pakken die de tenuitvoerlegging ervan zouden kunnen vertragen, en door in het bijzonder aandacht te besteden aan de gevolgen en kosten van de toepassing van Europese wetgeving, met name voor kmo’s; |
|
72. |
herinnert eraan dat bij de beoordeling van het concept “onnodige belasting” gekeken moet worden naar de netto-effecten van EU-wetgeving op verschillende administratieve niveaus, met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, in gevallen waarin de vaststelling van wetgeving op EU-niveau, met name van rechtstreeks toepasselijke EU-verordeningen, tot minder administratieve lasten op nationale of plaatselijke niveaus kan leiden, de werking van de interne markt kan worden verbeterd door voor transparante en voorspelbare regels te zorgen en erop toe te zien dat die regels in alle EU-lidstaten op dezelfde wijze worden toegepast, waarbij tevens de kosten en de impact van negatieve milieu-, klimaat- en gezondheidsgerelateerde externe factoren worden beperkt; stelt vast dat indien het eenvoudiger wordt de EU-wetgeving na te leven, bijvoorbeeld via de agenda voor betere regelgeving, dit ook de uniforme toepassing van die wetgeving ten goede zou kunnen komen; |
|
73. |
merkt op dat er verdere vooruitgang moet worden geboekt, met name wat betreft de vereenvoudiging en standaardisering van formulieren en procedures, waarbij het eenmaligheidsbeginsel en het beginsel “digitaal als de norm” consistent moeten worden toegepast, zowel op het niveau van de EU als op het niveau van de lidstaten; |
|
74. |
is van mening dat alle internationale handels- en investeringsovereenkomsten in al hun dimensies “klaar moeten zijn voor de toekomst”, om zo de economische, sociale en ecologische duurzaamheid te bevorderen en bij te dragen tot de nakoming van internationale verplichtingen; benadrukt in dit verband dat er duurzaamheidseffectbeoordelingen moeten worden uitgevoerd alvorens een begin te maken met handels- en investeringsonderhandelingen; onderstreept dat er een meer geïntegreerde benadering van duurzaamheid moet worden ontwikkeld en gehanteerd waarin meer rekening wordt gehouden met de wisselwerking tussen de economische, sociale en milieueffecten van EU-wetgeving, -beleid en -initiatieven, met inbegrip van de bijbehorende handels- en investeringsovereenkomsten, door ook rekening te houden met de cumulatieve impact die verschillende wetgevingsvoorstellen en handels- en investeringsovereenkomsten in het algemeen kunnen hebben; |
|
75. |
is van mening dat de EU-instellingen moeten putten uit de expertise die er op verschillende beleidsterreinen bestaat, om een optimale besluitvorming te waarborgen en ervoor te zorgen dat er uiterst doeltreffende maatregelen worden vastgesteld; dringt er bij alle drie de EU-instellingen op aan te werken aan de verbetering van de coördinatie tussen hun interne organen en te voorkomen dat zij elk op hun eigen eilandje werken; wijst erop dat het belangrijk is om de coherentie van regelgevingssystemen te bevorderen, bijvoorbeeld door middel van het harmoniseren van begrippen in verwante wetgevingsinitiatieven, aangezien daardoor de naleving kan worden verbeterd; |
|
76. |
is van mening dat onderzoek moet worden gedaan naar innovatieve wetgevingsmethoden, zoals “juridisch ontwerp”; wijst erop dat “juridisch ontwerp” een methode is waarbij de mens centraal staat en die de kloof tussen EU-burgers, belanghebbenden en EU-wetgeving kan helpen overbruggen; herinnert eraan dat het volgen van een mensgerichte aanpak inhoudt dat er wetgeving wordt opgesteld op een manier waarbij de burgers en de belanghebbenden voorop staan en waarbij ervoor gezorgd wordt dat de wetgeving ook begrijpelijk is; |
|
77. |
vestigt de aandacht van de Raad en de Commissie op de aanbevelingen van de focusgroepen van het Parlement waarin werd onderstreept dat artikelen 132 en 166 van het Reglement betreffende de toegang tot de vergaderzaal van de Raad en de Commissie moeten worden herzien, zodat de leden vergaderingen van werkgroepen van de Raad, van het Comité van permanente vertegenwoordigers van de lidstaten (Coreper) of van de Raad kunnen bijwonen of daar ondervraagd kunnen worden; |
|
78. |
benadrukt de eis die is vastgelegd in artikel 218, lid 10, VWEU om het Europees Parlement in alle fasen van de procedure in verband met overeenkomsten tussen de Unie en derde landen of internationale organisaties ogenblikkelijk en ten volle in te lichten; betreurt het dat het Parlement geen toegang krijgt tot de verschillende voorstellen met betrekking tot de onderhandelingsposities van de partijen bij internationale handels- en investeringsovereenkomsten; is van mening dat het IIA inzake beter wetgeven, waarin wordt onderkend dat het belangrijk is te garanderen dat elke instelling haar rechten kan uitoefenen en haar in de Verdragen vastgelegde verplichtingen met betrekking tot de onderhandelingen over en het afsluiten van internationale overeenkomsten kan nakomen, in dit verband naar behoren moet worden uitgevoerd; |
|
79. |
onderstreept dat de evenredigheid van regelgevingsvereisten in het kader van internationale handelsinstrumenten moet worden gewaarborgd; |
|
80. |
benadrukt dat gevestigde praktijken met betrekking tot de voorlopige toepassing van handels- en investeringsovereenkomsten moeten worden toegepast op alle internationale overeenkomsten opdat geen enkele overeenkomst voorlopig wordt toegepast voordat het Parlement daar door middel van een stemming goedkeuring voor heeft gegeven; |
|
81. |
is van mening dat regelgeving pas doeltreffend is als er een evenwicht is gevonden tussen kortetermijnbehoeften en uitdagingen op de lange termijn; onderstreept dat strategische prognoses een belangrijke rol spelen in het toekomstbestendig maken van de EU-beleidsvorming door ervoor te zorgen dat beoordelingen van nieuwe initiatieven gericht zijn op een langetermijnperspectief, waarbij de toegevoegde waarde van kwalitatief hoogstaande wetgeving als investering in de toekomst wordt benadrukt; verheugt zich over de integratie van “prognose-elementen” in de agenda betere regelgeving, in effectbeoordelingen en evaluaties van de Commissie; is echter van mening dat de Commissie haar activiteiten op het gebied van betere regelgeving en strategische prognoses beter op elkaar moet afstemmen en meer moet combineren, in die zin dat beide processen beter worden geïntegreerd; onderstreept dat de methode van de Commissie om kosten te berekenen, beslissingen te nemen over compromissen en strategische prognoses uit te voeren onduidelijk blijft en dringt er bij de Commissie op aan bewijs aan te leveren voor de wijze waarop deze benaderingen in de praktijk zijn gevolgd; spoort de Commissie aan innovatieve instrumenten voor kosten-batenanalyses te onderzoeken; beveelt in dit verband ook van harte aan om in het kader van het proces van strategische prognoses rekening te houden met de rapporten van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC), het intergouvernementeel platform voor biodiversiteit en ecosysteemdiensten (IPBES) en de krachtens artikel 10 bis van Verordening (EG) nr. 401/2009 opgerichte Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering, waarvan de taken nader worden gespecificeerd in Verordening (EU) 2021/1119 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit; |
|
82. |
neemt kennis van de betrokkenheid van de Raad voor regelgevingstoetsing bij de effectbeoordelingen, geschiktheidscontroles en grootschalige evaluaties van huidige wetgeving, waardoor de kwaliteit van het werk van de Commissie toeneemt doordat het beter empirisch onderbouwd wordt; merkt op dat de Raad voor regelgevingstoetsing een rol kan spelen bij het waarborgen van onpartijdig en kwalitatief hoogstaand werk van de Commissie en stelt vast dat de deskundigheid en ervaring van deze raad kunnen worden gebruikt om andere taken binnen de Commissie uit te voeren; benadrukt dat de Raad voor regelgevingstoetsing het werk van de Commissie alleen doeltreffend kan controleren als zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid onbetwistbaar zijn vastgesteld; pleit in dit verband voor de onafhankelijkheid van de Raad voor regelgevingstoetsing en vindt dat de transparantie tijdens vergaderingen met belanghebbenden, evaluaties, aanbevelingen en adviezen aanzienlijk moet worden verbeterd, onder meer door het gebruik van het transparantieregister verplicht te stellen voor leden van deze raad; onderstreept dat de werkzaamheden van de Raad uiteindelijk geen afbreuk mogen doen aan de capaciteit van de Commissie om wetgeving voor te stellen en de goedkeuring van wetgevingsvoorstellen niet onnodig mogen vertragen; verzoekt de Commissie alle adviezen van de Raad voor regelgevingstoetsing onmiddellijk na de goedkeuring te publiceren, zonder enige uitzondering, teneinde de samenhang, transparantie en verantwoordingsplicht gedurende het hele proces te waarborgen, en deze adviezen ook aan het Parlement en de Raad voor te leggen; verzoekt de Commissie daarnaast om ook de ontwerpevaluaties en ontwerpeffectbeoordelingen die aan de Raad voor regelgevingstoetsing worden voorgelegd beschikbaar te stellen aan de medewetgevers; stelt vast dat de Raad voor regelgevingstoetsing bestaat uit vier leden van de Commissie en drie externe deskundigen; verzoekt de Commissie om het besluitvormingsproces binnen de Raad voor regelgevingstoetsing te heroverwegen, omdat het op grond van het huidige systeem mogelijk is dat er adviezen worden vastgesteld zonder inbreng van externe deskundigen, of om een Raad voor regelgevingstoetsing in te stellen die onafhankelijk is en los van de Commissie functioneert; verzoekt de Commissie verder haar samenwerking met de Raad voor regelgevingstoetsing uit te breiden en deze te versterken door meer middelen ter beschikking te stellen om zijn werkzaamheden te verrichten en te zorgen voor steun van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek; |
|
83. |
neemt kennis van de “one in, one out”-aanpak waarmee de Commissie de nieuw ingevoerde lasten wil compenseren door burgers en ondernemingen van gelijkaardige lasten te ontslaan op hetzelfde beleidsterrein op EU-niveau; stelt vast dat de “one in, one out”-aanpak beoogt het Refit-programma te versterken door het verder te laten gaan dan de lasten ten gevolge van huidige rechtshandelingen, daarin ook de lasten van nieuwe wetgeving op te nemen en bovendien de cumulatieve lasten op elk beleidsterrein te beteugelen; dringt erop aan dat de “one in, one out”-aanpak ook gebaseerd moet zijn op de betrokkenheid van belanghebbenden; merkt op dat de Commissie deze aanpak eenzijdig heeft ingevoerd, zonder voorafgaande effectbeoordeling of raadpleging; benadrukt dat deze aanpak er niet toe mag leiden dat er in strijd wordt gehandeld met politieke verplichtingen of de doelstellingen van betere regelgeving en niet mag leiden tot ondoordachte en puur op getallen gebaseerde besluiten om wetgeving in te trekken, de verlaging van standaarden of een remmend effect op het wetgevingsproces, en dat het doel ervan moet zijn de EU-wetgeving te moderniseren en te hervormen om nieuwe uitdagingen het hoofd te kunnen bieden, onder andere door wetgeving te vervangen, samen te voegen en te verbeteren; benadrukt echter dat er voorkomen moet worden dat de opstelling, omzetting en uitvoering van EU-wetgeving leidt tot extra onnodige administratieve lasten, maar dat deze aanpak niet mag uitmonden in deregulering of het niet opstellen van regelgeving, en de lidstaten er evenmin van mag weerhouden om ambitieuzere maatregelen vast te stellen of in stand te houden of strengere normen op het gebied van sociale bescherming, milieubescherming of consumentenbescherming vast te stellen in situaties waarin het recht van de Unie slechts in minimumnormen voorziet; |
|
84. |
benadrukt dat de doeltreffende uitvoering van het EU-recht van wezenlijk belang is om het vertrouwen van de burgers in het beleid en de instellingen van de EU aan te wakkeren; wijst erop dat die uitvoering volgens artikel 197 VWEU moet worden beschouwd als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang voor de lidstaten; verzoekt de lidstaten bij de omzetting van EU-wetgeving geen onnodige extra administratieve of nalevingslasten op te leggen, met name voor kmo’s, aangezien praktijken van “gold plating” (overregulering) een van de voornaamste bronnen van onnodige administratieve lasten zijn; is desalniettemin van mening dat het beginsel van beter wetgeven de parlementen van de lidstaten niet mag beletten ambitieuzere maatregelen na te streven of te nemen in gevallen waarin het Unierecht slechts minimumnormen vaststelt; steunt het verzoek van de Commissie aan de lidstaten dat zij, als zij niet uit de EU-wetgeving voortvloeiende elementen willen toevoegen, de Commissie hiervan in kennis te stellen; |
|
85. |
herinnert eraan dat de behoefte aan nieuwe wetgeving niet automatisch betekent dat de huidige wetgeving niet meer nodig is; is in dit verband van mening dat ook bij mogelijke intrekking van wetgeving grondige effectbeoordelingen moeten worden uitgevoerd teneinde onverwachte gevolgen en ongewenste effecten te voorkomen; roept ertoe op dat deze benadering wordt gebaseerd op transparante en empirisch onderbouwde methoden waarbij alle duurzaamheidsaspecten op een evenredige wijze overwogen worden, in termen van zowel baten als kosten, met inbegrip van de kosten van niet-naleving en van het niet nemen van maatregelen en rekening houdend met de administratieve en economische gevolgen, waarbij tegelijkertijd op holistische wijze wordt gekeken naar het EU-acquis en naar de sociale, milieu- en volksgezondheidsimpact; verzoekt de Commissie in dit verband haar “one in, one out”-berekeningsmethode openbaar te maken en de steun van de andere EU-instellingen te verwerven alvorens deze benadering toe te passen; is van mening dat in het kader van beter wetgeven in de eerste plaats gekeken moet worden naar kwaliteit en niet naar kwantiteit; onderstreept hoe belangrijk kwaliteitswetgeving is voor de verwezenlijking van de vlaggenschipinitiatieven van de EU; is ingenomen met de toezegging die de Commissie in haar mededeling heeft gedaan om de handen ineen te slaan met de lidstaten, regio’s en de voornaamste belanghebbenden en samen belemmeringen en bureaucratie uit de weg te ruimen die de vorderingen met de groene transitie belemmeren; beklemtoont dat achteraf uitgevoerde evaluaties belangrijk zijn om te waarborgen dat de EU haar verbintenissen nakomt; |
|
86. |
onderstreept bovendien dat bij het toepassen van de “one in, one out”-benadering alle nalevingskosten, dus zowel administratieve als aanpassingskosten, in overweging moeten worden genomen; wijst erop dat het belangrijk is te waarborgen dat deze benadering tijdens het desbetreffende omzettingsproces wordt gehanteerd door zowel de lidstaten als door lokale en regionale overheden; pleit voor de uitwisseling van beste praktijken op het gebied van compenserende maatregelen, methodologieën en gegevensverzameling; |
|
87. |
benadrukt dat de legitimiteit van de Europese wetgeving voor een belangrijk deel berust op vertrouwen in de handhaving van regelgeving; verzoekt de Commissie haar inspanningen op het gebied van de handhaving van EU-wetgeving te versterken en daadkrachtig op te treden tegen alle inbreuken op EU-wetgeving; |
|
88. |
wijst er in dit kader op dat het belangrijk is dat het Parlement, de Raad en de Commissie eraan werken om een meer gestructureerde samenwerking tot stand te brengen, om de tenuitvoerlegging en doeltreffendheid van het Unierecht te beoordelen met het oog op de verbetering daarvan; wijst erop dat de lidstaten Uniewetgeving snel, tijdig en correct ten uitvoer moeten leggen, zodat naar behoren kan worden beoordeeld of er aanvullende wetgeving nodig is; |
|
89. |
merkt op dat het aanhoudend grote aantal inbreukprocedures aantoont dat de tijdige en correcte tenuitvoerlegging en toepassing van de EU-wetgeving in de lidstaten een grote uitdaging blijft en verzoekt om dringende maatregelen ter bevordering van de transparantie van besluiten die in het kader van dergelijke procedures worden genomen; herhaalt dat de doeltreffende handhaving van het EU-recht een cruciaal onderdeel is van de agenda voor beter wetgeven; wijst erop dat de al te grote regeldruk voor burgers en bedrijven vaak kan worden toegeschreven aan nalevingskwesties in de lidstaten; verzoekt de Commissie het EU-recht volledig en zonder onnodige vertraging te handhaven en daarbij alle bestaande instrumenten in te zetten; beklemtoont dat het handhavingsbeleid van de Commissie voorspelbaarder en transparanter moet zijn en de rechtszekerheid voor alle belanghebbenden moet versterken; |
|
90. |
verzoekt de Conferentie over de toekomst van Europa de uitbreiding van het initiatiefrecht van het Europees Parlement te bespreken, aangezien het Parlement het enige democratisch verkozen orgaan van de EU is en de Europese burgers rechtstreeks vertegenwoordigt; herinnert aan de verbintenis van Commissievoorzitter Von der Leyen om het initiatiefrecht van het Parlement te steunen; betreurt het dat deze mogelijkheid meerdere malen is doorgeschoven naar toekomstige Verdragsherzieningen; benadrukt dat het parlementaire initiatiefrecht een belangrijk kenmerk is van de representatieve democratie op het niveau van de lidstaten, en acht het noodzakelijk de leden van het Parlement, als rechtstreekse vertegenwoordigers van de EU-burgers, meer macht te geven door hun recht om de wetgevingsagenda van de EU vorm te geven, te versterken; is ingenomen met de toezegging van de voorzitter van de Commissie dat zij het initiatiefrecht van het Europees Parlement ondersteunt en met de toezegging van de Commissie dat zij op verzoeken uit hoofde van artikel 225 VWEU altijd zal reageren met een wetgevingshandeling; verzoekt de Raad en de Commissie mogelijke belemmeringen weg te nemen voor het vermogen van het Parlement om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om wetgevingsinitiatieven voor te stellen; is van mening dat de kaderovereenkomst kan worden herzien om een betere uitoefening van dit recht te garanderen; wijst erop dat er ook duidelijkheid moet worden verschaft over de verschillen tussen de uiteenlopende soorten verslagen van het Parlement en over de maatregelen waar de Commissie om wordt verzocht; |
|
91. |
wijst erop dat de Conferentie over de toekomst van Europa een uniek initiatief is dat ten doel heeft EU-burgers aan het woord te laten zodat zij hun visie op de Europese beleidsvorming kenbaar kunnen maken; is van mening dat na afloop van de Conferentie geëvalueerd moet worden of er mogelijkheden zijn om praktijken in te voeren die de deelname van burgers aan het wetgevingsproces kunnen vergroten; onderstreept dat het belangrijk is dat burgers hun democratisch recht om deel te nemen aan het EU-besluitvormingsproces ten volle kunnen uitoefenen via actieve interactie met hun gekozen vertegenwoordigers, en door het bevorderen van rechtstreekse participatie; stelt voor dat de Commissie nadenkt over het integreren van participatiemechanismen in de interinstitutionele dialoog die tot haar jaarlijkse werkprogramma leidt; |
|
92. |
wijst op het snel veranderende begrip van EU-burgers over de effecten van het EU-bestuur op hun dagelijkse leven en op toekomstige ontwikkelingen tegen de achtergrond van een informatiemaatschappij die steeds meer wordt bepaald door de sociale media, en die de burgers sneller en beter bewust maakt van de werking van de besluitvorming van de EU en de eisen die worden gesteld aan het bestuur van de EU; herhaalt dat de burgers volledig moeten worden betrokken bij het besluitvormingsproces van de EU, niet alleen als kiezers maar ook via andere kanalen en instrumenten, op een manier die de gehele beleidscyclus in aanmerking neemt; wijst opnieuw op het belang van doeltreffende participatiemechanismen en herhaalt zijn oproep om permanente participatiemechanismen in te stellen in overeenstemming met zijn resolutie van 7 juli 2021 (17), en benadrukt dat deze mechanismen op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau moeten worden opgezet, met inbegrip van de nodige instrumenten voor adequate horizontale en verticale coördinatie tussen instellingen op verschillende niveaus; is van mening dat deze mechanismen kunnen voortbouwen op maar niet beperkt mogen blijven tot onlineplatforms voor beleidsdebatten, raadplegingen van jongeren en een voortzetting van de burgerpanels; |
|
93. |
wijst erop dat er voor beter wetgeven doeltreffende wetgevingsprocedures nodig zijn die ertoe bijdragen dat de besluitvormingsprocedures van de EU binnen een passende termijn worden afgerond; betreurt het dat de bijzondere wetgevingsprocedures waarin de Verdragen voorzien te zelden met succes zijn afgerond als gevolg van het gebrek aan inzet van de Raad en het ontbreken van doeltreffende procedurele richtsnoeren; |
|
94. |
is ingenomen met de beraadslagingen van de Conferentie over de toekomst van Europa in verband met de deelname van burgers aan het besluitvormingsproces; wijst met name op de aanbevelingen van burgerpanel nr. 1, in het bijzonder aanbevelingen 35, 36, 41, 46 en 48, en van burgerpanel nr. 2, vooral deelgebied 2.1, nrs. 10 en 11; deelgebied 3.1, nr. 16; deelgebied 4.1, nr. 24, deelgebied 4.2, nrs. 29 en 32, en deelgebied 5, burgerparticipatie, vooral nr. 39; hamert op de noodzaak om naar behoren rekening te houden met de aanbevelingen in het eindverslag van de Conferentie, dat door de raad van bestuur zal worden opgesteld in samenwerking met de plenaire vergadering van de Conferentie, op grond van de debatten van die plenaire vergadering over de aanbevelingen van de nationale burgerpanels en het Europees burgerpanel, en met inbreng van het meertalige digitale platform; is van mening dat uit de aanbevelingen van de panels duidelijk blijkt dat burgers pleiten voor meer transparantie in het openbaar debat in de EU, dat zij de EU-instellingen verzoeken om meer contact en informatie, waarbij actief gebruik wordt gemaakt van alle communicatiekanalen, met de nadruk op de rol van sociale media, die de besluitvorming van de EU, met inbegrip van de wetgevingsprocessen, op de voet moet volgen; verzoekt de Commissie, de Raad en het Parlement om de slotconclusies van de Conferentie op basis van de aanbevelingen van de burgerpanels ten uitvoer te leggen in overeenstemming met de in de Verdragen verankerde beginselen; |
|
95. |
beveelt aan dat het wetgevingsproces dat voortvloeit uit het recht van wetgevingsinitiatief dat door de Verdragen aan het Parlement is toegekend, een verzoek tot vaststelling van een tijdschema voor de desbetreffende initiatieven moet omvatten, zoals bij de gewone wetgevingsprocedure het geval is; onderstreept bovendien dat dergelijke bijzondere wetgevingsprocedures in overeenstemming moeten zijn met de bepalingen van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven inzake de institutionele verplichting voor alle drie de instellingen om te onderhandelen, en wel in overeenstemming met het beginsel van wederzijdse loyale samenwerking als vastgelegd in artikel 13, lid 2, VEU; |
|
96. |
is van oordeel dat het voor gevallen waarin het Parlement het initiatiefrecht uitoefent, zoals bij de verordeningen betreffende zijn eigen samenstelling, de verkiezing van zijn leden en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn functies, alsmede het statuut van de Ombudsman en de instelling van tijdelijke enquêtecommissies, maatregelen moeten worden overwogen in een toekomstig interinstitutioneel akkoord om te voorkomen dat belangrijke institutionele dossiers worden geblokkeerd; |
|
97. |
benadrukt de belangrijke rol van het Parlement als instelling die de burgers van de EU vertegenwoordigt, onder meer bij het toezicht op en de samenwerking met de Commissie en andere instellingen namens de burgers en bij het waarborgen van een bottom-upbenadering met betrekking tot de gevolgen van wetgeving voor de burgers; wijst er daarom nogmaals op hoe belangrijk het is om de rol van het Parlement bij de voorafgaande beoordeling van toekomstige wetgeving, met behulp van bestaande parlementaire instrumenten, te handhaven; |
|
98. |
is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om het raadplegingsproces te consolideren, de toezegging om over elke openbare raadpleging binnen acht weken na de afsluiting ervan verslag uit te brengen en de toezegging om actiever bekendheid te geven aan raadplegingen teneinde meer burgers, belanghebbenden, waaronder kmo’s, en lokale en regionale overheden te bereiken; verzoekt de lidstaten aan dit proces bij te dragen door raadplegingen op hun grondgebied onder de aandacht te brengen; merkt op dat sommige belanghebbenden met meer financiële middelen actiever kunnen zijn door een bijdrage te leveren aan raadplegingen; is van mening dat de verzamelde input een juiste afspiegeling moet vormen van het landschap van belanghebbenden en dat daarom het verzamelen van input van alle belanghebbenden, met inbegrip van burgers en vertegenwoordigers van burgers met minder middelen, vergemakkelijkt moet worden; |
|
99. |
verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie. |
(1) PB C 425 van 20.10.2021, blz. 43.
(2) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0316.
(4) Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0242.
(5) PB C 86 van 6.3.2018, blz. 126.
(6) PB C 445 van 29.10.2021, blz. 2.
(7) PB C 270 van 7.7.2021, blz. 2.
(8) https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/SPEECH_19_4230
(9) P9_PV(2021)06-07(17).
(10) Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).
(11) Speciaal verslag nr. 14/2019 van de Europese Rekenkamer: “Geef uw Mening!”; door de openbare raadplegingen van de Commissie kunnen burgers meedoen, maar ze schieten tekort qua activiteiten om burgers te bereiken.
(12) https://eur-lex.europa.eu/statistics/2021/legislative-acts-statistics.html; https://eur-lex.europa.eu/statistics/legal-acts/2021/legislative-acts-statistics-repealed-and-expired-acts.html
(13) Met testomgevingen voor regelgeving (“regulatory sandboxes”) worden concrete kaders bedoeld waarin innovatieve technologieën, producten, diensten of benaderingen kunnen worden getest, zo nodig onder reële omstandigheden. Momenteel worden ze vooral gebruikt op het vlak van digitalisering. Een testomgeving moet gepaard gaan met passende waarborgen, en geldt slechts voor een beperkte tijd en een beperkt deel van een sector of gebied dat onder regelgevend toezicht staat.
(14) https://www.statista.com/statistics/878412/number-of-smes-in-europe-by-size
(15) In haar mededeling van 30 juni 2021, getiteld “Een langetermijnvisie voor de plattelandsgebieden van de EU — Naar sterkere, verbonden, veerkrachtige en welvarende plattelandsgebieden in 2040” (COM(2021)0345) beschrijft de Commissie plattelandstoetsing als volgt: “Gezien het multidimensionale karakter van plattelandsontwikkeling en het feit dat de Verdragen gericht zijn op economische, sociale en territoriale samenhang, moet het EU-beleid worden beoordeeld vanuit een plattelandsperspectief. Daarbij wordt rekening gehouden met de potentiële effecten en gevolgen ervan voor de werkgelegenheid en groei op het platteland, alsook met ontwikkelingsvooruitzichten, maatschappelijk welzijn en gelijke kansen voor iedereen en de kwaliteit van plattelandsgebieden in milieuopzicht.”
(16) Advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022 — alle afdelingen.