|
6.12.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 465/112 |
P9_TA(2022)0199
De zaak van Osman Kavala in Turkije
Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2022 over de zaak van Osman Kavala in Turkije (2022/2656(RSP))
(2022/C 465/08)
Het Europees Parlement,
|
— |
gezien zijn eerdere resoluties over Turkije, met name die van 19 mei 2021 over de Commissieverslagen 2019-2020 over Turkije (1) en van 21 januari 2021 over de mensenrechtensituatie in Turkije, met name het geval van Selahattin Demirtaş en andere politieke gevangenen (2), |
|
— |
gezien de verklaringen van de vaste rapporteur van het Parlement voor Turkije en de voorzitter van de Delegatie in de Gemengde Parlementaire Commissie EU-Turkije van 21 april 2022 over de laatste hoorzitting van het Gezi-proces, van 18 december 2020 over de rechterlijke uitspraak over Osman Kavala, en gezien de verklaring van de voorzitter van de Delegatie in de Gemengde Parlementaire Commissie EU-Turkije van 20 februari 2020 over de detentie van Osman Kavala, |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 19 oktober 2021 inzake het uitbreidingsbeleid van de EU (COM(2021)0644) en het bijbehorende verslag 2021 over Turkije (SWD(2021)0290), |
|
— |
gezien de conclusies van de Europese Raad van 24 juni 2021, en alle relevante eerdere conclusies van de Raad en de Europese Raad, |
|
— |
gezien de conclusies van de Raad van 14 december 2021 over de uitbreiding en het stabilisatie- en associatieproces, |
|
— |
gezien de verklaring van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid namens de EU van 26 april 2022 over de veroordeling van de heer Osman Kavala, en gezien de eerdere verklaringen van de Europese Dienst voor extern optreden over deze zaak, |
|
— |
gezien het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 10 december 2019 in de zaak Kavala tegen Turkije (28749/18), dat op 11 mei 2020 definitief is geworden, |
|
— |
gezien de relevante resoluties van het Comité van Ministers, met inbegrip van de tussentijdse resolutie van 2 december 2021 over de uitvoering van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Kavala/Turkije en de tussentijdse resolutie van 2 februari 2022 over hetzelfde onderwerp, die de aanleiding vormden voor het starten van een inbreukprocedure tegen Turkije vanwege de weigering van dat land om het arrest van het EHRM van 2019 uit te voeren en Osman Kavala vrij te laten, |
|
— |
gezien de reactie van de secretaris-generaal van de Raad van Europa van 18 februari 2020 op het arrest Osman Kavala in Turkije en de reactie van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa van 19 februari 2020 op de hernieuwde arrestatie van Osman Kavala, |
|
— |
gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) van 4 november 1950, waarbij Turkije partij is, |
|
— |
gezien artikel 46 van het EVRM waarin staat dat “de hoge verdragsluitende partijen zich ertoe verbinden zich te houden aan einduitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in zaken waarbij zij partij zijn”, en gezien de daaruit voortvloeiende verplichting van Turkije om alle uitspraken van het EHRM ten uitvoer te leggen, |
|
— |
gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat op 19 december 1966 door de Algemene Vergadering van de VN is aangenomen en waarbij Turkije partij is, en met name artikel 9 over willekeurige arrestatie en detentie, |
|
— |
gezien de uitspraak van het 13e Hoge Strafhof van Istanbul van 25 april 2022 met betrekking tot het Gezi-proces, |
|
— |
gezien de uitspraak van het 30e Hoge Strafhof van Istanbul van 18 februari 2020 met betrekking tot het Gezi-proces, |
|
— |
gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers, |
|
— |
gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948, |
|
— |
gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement, |
|
A. |
overwegende dat het 13e Hoge Strafhof van Istanbul, voorgezeten door rechter Mesut Özdemir, op 25 april 2022 de heer Osman Kavala, een filantroop en prominent verdediger van de mensenrechten, heeft veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf zonder voorwaardelijke vrijlating, waarbij hij schuldig werd bevonden aan “een poging om de regering omver te werpen”, maar werd vrijgesproken van “spionage”; overwegende dat zeven andere verdachten, te weten architect Mücella Yapıcı, advocaat Can Atalay, planoloog Tayfun Kahraman, directeur van de Europese School voor Politiek van Boğaziçi Ali Hakan Altınay, oprichter van de Istanbul Bilgi Universiteit Yiğit Ali Ekmekçi, filmproducent Çiğdem Mater Utku en documentairemaker Mine Özerden, op grond van dezelfde aanklacht tot 18 jaar gevangenisstraf veroordeeld werden; overwegende dat de rechtbank hun onmiddellijke arrestatie in de rechtszaal heeft bevolen; overwegende dat deze beschuldigingen politiek gemotiveerd zijn en nooit zijn onderbouwd, ook niet in het arrest van 25 april 2022; |
|
B. |
overwegende dat Osman Kavala voor het eerst op 1 november 2017 werd gearresteerd en gevangengezet op basis van beschuldigingen die verband hielden met de protesten in het Gezipark in 2013 en de couppoging in 2016; overwegende dat het proces inzake het Gezipark in juni 2019 van start is gegaan; overwegende dat de heer Kavala ervan werd beschuldigd de protesten van het Gezipark te hebben gefinancierd en te hebben georganiseerd; overwegende dat het 30e Hoge Strafhof van Istanbul op 18 februari 2020 de heer Kavala in het Gezi-proces heeft vrijgesproken en zijn onmiddellijke vrijlating heeft bevolen, waarbij werd aangevoerd dat er geen enkel concreet en materieel bewijs was overgelegd waaruit zou blijken dat de ten laste gelegde misdaden waren begaan; overwegende dat het hof ook Mücella Yapıcbeit, Can Atalay, Tayfun Kahraman, Ali Hakan Altınay, Yiğit Aksakoğlu, Yiğit Ali Ekmekçi, Çiğdem Mater Utku en Mine Özerden heeft vrijgesproken; overwegende dat de heer Kavala de enige verdachte was die ten tijde van zijn vrijspraak nog in hechtenis zat, aangezien hij sinds 18 oktober 2017 onrechtmatig in voorlopige hechtenis zat op grond van niet-onderbouwde aanklachten; |
|
C. |
overwegende dat de 3e strafkamer van het Regionale Gerechtshof van Istanbul, het hof van beroep, op 22 januari 2021 de vonnissen van vrijspraak van de heer Kavala en acht andere verdachten heeft vernietigd; |
|
D. |
overwegende dat dit hof, onder verwijzing naar de aanklachten tegen de verdachten in de tenlastelegging, de vernietiging rechtvaardigde door te stellen dat de bewijzen, zoals socialemediaberichten van de verdachten, persverklaringen en slogans die zij hadden geroepen, niet in aanmerking waren genomen bij het uitvaardigen van het eerdere vonnis; |
|
E. |
overwegende dat zeven verdachten, onder wie journalist Can Dündar en acteur Mehmet Ali Alabora, zich gedurende het proces in het buitenland bevonden; overwegende dat het hof hun zaken heeft gescheiden van die van de negen verdachten die zich in Turkije bevonden en arrestatiebevelen tegen hen heeft uitgevaardigd; overwegende dat het hof in zijn beslissing van 18 februari 2020 de arrestatiebevelen heeft ingetrokken; |
|
F. |
overwegende dat de heer Kavala enkele uren na zijn vrijspraak en voordat zijn bevel tot vrijlating ten uitvoer kon worden gelegd op aandringen van de hoofdaanklager van Istanbul İrfan Fidan opnieuw werd gearresteerd en in politiebewaring werd gesteld op grond van artikel 309 van het Turkse Wetboek van Strafrecht op beschuldiging van poging tot ondermijning van de grondwettelijke orde in het kader van een lopend parallel onderzoek naar zijn vermeende betrokkenheid bij de couppoging van 15 juli 2016; |
|
G. |
overwegende dat president Recep Tayyip Erdoğan van Turkije op 19 februari 2020 het vonnis van het 30e Hoge Strafhof van Istanbul veroordeelde en verklaarde dat de vrijspraak van de heer Kavala deel uitmaakte van een complot dat was uitgebroed door personen “die in bepaalde landen opstanden willen ontketenen en onrust willen stoken”, waarbij hij naar deze personen verwees als “moedwillige vijanden van de staat en zijn volk”; overwegende dat de verklaringen van president Erdoğan, naast die van andere hoge ambtenaren, de onafhankelijkheid van de Turkse rechterlijke macht actief ondermijnen; |
|
H. |
overwegende dat het openbaar ministerie ook beroep heeft ingesteld tegen de vonnissen van vrijspraak en dat officier van justitie Edip Şahiner heeft geëist dat de vrijspraak wordt teruggedraaid om de procedure kunstmatig te verlengen; |
|
I. |
overwegende dat de Raad van rechters en openbare aanklagers, die verantwoordelijk is voor de benoeming en het bestuur van de rechterlijke macht, naar aanleiding van de verklaringen van de heer Erdoğan een onderzoek heeft ingesteld naar de drie rechters die de heer Kavala en zijn acht medeverdachten hebben vrijgesproken, waarbij wordt verwezen naar “tekortkomingen” in hun beoordelingsvermogen; overwegende dat de tuchtprocedures tegen deze rechters een rechtstreekse inmenging in hun beslissingsbevoegdheid lijken te zijn en tot gevolg kunnen hebben dat de onafhankelijkheid van alle leden van de rechterlijke macht wordt aangetast; |
|
J. |
overwegende dat een verdachte die wordt beschuldigd van terrorisme of misdaden tegen de staat overeenkomstig Turkse wet nr. 7188 tot wijziging van het wetboek van strafvordering en bepaalde wetten niet langer dan twee jaar in voorlopige hechtenis kan worden gehouden voordat een zaak voor de rechter wordt gebracht; overwegende dat het onderzoeksdossier tegen de heer Kavala op grond van artikel 309 van het Turkse wetboek van strafrecht op 25 februari 2018 is geopend; overwegende dat het verzuim van de Turkse autoriteiten om de heer Kavala op 25 februari 2020 vrij te laten derhalve een schending van Turkse wetboek van strafrecht vormde; |
|
K. |
overwegende dat het uitblijven van een nieuw verhoor door de hoofdofficier van justitie van Istanbul na de hernieuwde arrestatie van de heer Kavala aantoont dat er sinds zijn ambtshalve invrijheidsstelling op 11 oktober 2019 geen nieuw bewijs is gevonden voor de beschuldigingen op grond van artikel 309 van het Turkse Wetboek van Strafrecht; overwegende dat dit gebrek aan nieuw bewijs betekende dat er geen geloofwaardige grond was voor de hernieuwde arrestatie van de heer Kavala op grond van dezelfde aanklachten; |
|
L. |
overwegende dat de hernieuwde arrestatie van de heer Kavala een voorbeeld is van mishandeling, zoals omschreven door de Commissaris voor Mensenrechten van de Raad van Europa, Dunja Mijatović; overwegende dat dit besluit tot hernieuwde arrestatie van de heer Kavala een openlijke schending van zowel het nationale als het internationale recht vormt; overwegende dat het gehele proces tegen de heer Kavala een aaneenschakeling van gerechtelijke kunstgrepen en onregelmatigheden is geweest, vertroebeld door politieke inmenging, en met als voornaamste doel de detentie van de heer Kavala te verlengen; |
|
M. |
overwegende dat, naast andere irrationele beslissingen tussen augustus 2021 en februari 2022, de Gezi-zaak werd samengevoegd met het zogenaamde Çarşı-proces, waarbij de vrijspraken van de beklaagden ook waren teruggedraaid; overwegende dat de rechter die het 30e Hoge Strafhof in Istanbul voorzat, Mahmut Başbuğ, en die om samenvoeging van de zaken had gevraagd, dezelfde rechter was die de samenvoeging bij het 13e Hoge Strafhof had goedgekeurd nadat hij er tijdelijk was benoemd; overwegende dat het 13e Hoge Strafhof later, in februari 2022, heeft besloten de zaken zonder duidelijke reden opnieuw op te splitsen; overwegende dat een van de rechters van het 13e Hoge Strafhof dat op 25 april 2022 uitspraak deed in de zaak, Murat Bircan, zich in 2018 voor de regerende partij kandidaat had gesteld voor de Grote Nationale Assemblee; |
|
N. |
overwegende dat het EHRM op 10 december 2019 heeft geoordeeld dat de detentie van de heer Kavala in strijd was met artikel 5, lid 1, EVRM wegens het ontbreken van een redelijke verdenking, met artikel 5, lid 4, van het Verdrag wegens het ontbreken van een snelle rechterlijke toetsing door het Constitutionele Hof, en met artikel 18 van het Verdrag, in samenhang met artikel 5, lid 1, van het Verdrag, wegens de politiek gemotiveerde aard van zijn detentie, die tot doel had een afschrikkend effect uit te oefenen op verdedigers van de mensenrechten; |
|
O. |
overwegende dat het arrest van het EHRM zowel betrekking heeft op de aanklachten die tegen de heer Kavala zijn ingebracht op grond van artikel 312 van het Turkse Wetboek van Strafrecht in verband met zijn vermeende betrokkenheid bij de protesten in het Gezipark, als op de aanklachten die tegen hem zijn ingebracht op grond van artikel 309 van het Turkse Wetboek van Strafrecht in verband met zijn vermeende betrokkenheid bij de mislukte couppoging van 15 juli 2016; |
|
P. |
overwegende dat in het arrest van het EHRM wordt geëist dat de Turkse autoriteiten zorgen voor onmiddellijke vrijlating van de heer Kavala; overwegende dat er geen stappen zijn gezet om hem vrij te laten ondanks het bindende arrest van het EHRM van 2019 en twee tussentijdse resoluties van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 2 december 2021 en van 2 februari 2022, waarbij een inbreukprocedure tegen Turkije werd ingeleid omdat het land weigerde het juridisch bindende arrest van het EHRM uit te voeren en de heer Kavala onmiddellijk vrij te laten, waardoor de bezorgdheid van de EU over de naleving van internationale en EU-normen door de Turkse rechterlijke macht is toegenomen; |
|
Q. |
overwegende dat de Turkse regerende partij de normen op het gebied van de rechtsstaat, de democratie en de mensenrechten stelselmatig uitholt, waarbij politieke tegenstanders en mensenrechtenactivisten, die vaak aangeklaagd worden op grond van breed gedefinieerde beschuldigingen van terrorisme, veelvuldig hardhandig worden aangepakt; |
|
R. |
overwegende dat Turkije heeft gedreigd met het “persona non grata” verklaren van tien ambassadeurs nadat diverse lidstaten van de EU verklaringen hadden afgelegd waarin zij de aanhoudende detentie van Kavala veroordeelden; |
|
S. |
overwegende dat Turkije als kandidaat-lidstaat van de EU gehouden is de hoogste normen inzake de democratie te eerbiedigen, waaronder de eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat, de fundamentele vrijheden en het universele recht op een eerlijk proces en strikte eerbiediging van het beginsel van vermoeden van onschuld en het recht op een eerlijke procesgang; |
|
T. |
overwegende dat Turkije sinds 9 augustus 1949 lid is van de Raad van Europa, waardoor het land gebonden is aan het EVRM en de arresten van het EHRM; |
|
1. |
veroordeelt in de sterkst mogelijke bewoordingen de recente uitspraak van het 13e Hoge Strafhof van Istanbul waarbij Osman Kavala een verzwaarde levenslange gevangenisstraf werd opgelegd na meer dan vier en een half jaar onrechtvaardige, onwettige en illegitieme detentie en minder dan drie maanden nadat het Comité van Ministers van de Raad van Europa een inbreukprocedure tegen Turkije had ingeleid omdat het weigert het juridisch bindende arrest van het EHRM uit te voeren; is van mening dat de heer Kavala veroordeeld is op grond van onterechte beschuldigingen, met als bijbedoeling hem als verdediger van de mensenrechten het zwijgen op te leggen en politieke opponenten in Turkije af te schrikken; spreekt eveneens zijn afkeuring uit over de veroordeling van de medegedaagden Mücella Yapıcbeit, Can Atalay, Tayfun Kahraman, Ali Hakan Altınay, Yiğit Aksakoğlu, Yiğit Ali Ekmekçi, Çiğdem Mater Utku en Mine Özerden; |
|
2. |
roept op tot onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van Osman Kavala conform het arrest van het EHRM van 2019, tot onmiddellijke intrekking van alle aanklachten tegen hem en tot volledige waarborging van zijn rechten en vrijheden, alsook tot onmiddellijke vrijlating van de andere zeven verdachten in de zaak; veroordeelt het feit dat de heer Kavala sinds oktober 2017 permanent van zijn vrijheid wordt beroofd en roept Turkije op te handelen in overeenstemming met zijn internationale en binnenlandse verplichtingen; |
|
3. |
betuigt zijn volledige solidariteit met Osman Kavala en de overige verdachten in het Gezi-proces en hun families; |
|
4. |
is ernstig bezorgd over de voortdurende verslechtering van de grondrechten en fundamentele vrijheden en de rechtsstaat in Turkije, met name na de mislukte staatsgreep; roept de Turkse autoriteiten op een einde te maken aan de intimidatie van mensenrechtenverdedigers, academici, journalisten, geestelijk leiders en advocaten door gerechtelijke instanties; |
|
5. |
roept Turkije als lid van de Raad van Europa op om alle arresten van het EHRM volledig uit te voeren in overeenstemming met artikel 46 EVRM, hetgeen een absolute verplichting is die voortvloeit uit het Turkse lidmaatschap van de Raad van Europa en die in de grondwet van Turkije verankerd is; benadrukt dat de weigering van Turkije om het arrest van het EHRM in de zaak Osman Kavala uit te voeren de bezorgdheid van de EU over de naleving van internationale en Europese normen door de Turkse rechterlijke macht verder vergroot; |
|
6. |
veroordeelt en betreurt de voortdurende inspanningen en pogingen om de heer Kavala nog langer gevangen te houden, ondanks het ontbreken van enig geloofwaardig of tastbaar bewijs, door middel van een reeks complexe en ontwijkende gerechtelijke tactieken, waaronder het samenvoegen en splitsen van dossiers en het voortdurend begaan van onregelmatigheden, een en ander met een politiek oogmerk en met volstrekte veronachtzaming van de normen voor een eerlijk proces; |
|
7. |
is ontzet over het feit dat het 13e Hoge Strafhof van Istanbul de heer Kavala een verzwaarde levenslange gevangenisstraf heeft gegeven omdat hij geprobeerd zou hebben de regering met geweld omver te werpen, waarbij het feit dat het EHRM deze beschuldiging in zijn arresten al uitdrukkelijk had verworpen, volstrekt werd genegeerd; |
|
8. |
verwelkomt de herhaalde resoluties van het Comité van Ministers van de Raad van Europa waarin meermalen op de vrijlating van de heer Kavala wordt aangedrongen, en die leidden tot de historische inzet van de inbreukprocedure door middel van de goedkeuring van tussentijdse resoluties in december 2021 en februari 2022 betreffende de weigering van Turkije om zich aan het definitieve arrest van het EHRM te houden; wijst erop dat de inbreukprocedure de ernst onderstreept van de schendingen door Turkije van zijn verplichtingen als lid van de Raad van Europa en als kandidaat-lidstaat van de EU; verzoekt het Comité van Ministers van de Raad van Europa de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de Turkse regering onverwijld uitvoering geeft aan het arrest van het EHRM; |
|
9. |
veroordeelt de vernederende en onmenselijke behandeling van de heer Kavala door de Turkse autoriteiten, die een schending vormt van zijn rechten uit hoofde van het EVRM, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de Turkse nationale wetgeving, alsmede van zijn menselijke waardigheid uit hoofde van artikel 17 van de Grondwet van de Republiek Turkije; roept Turkije op de heer Kavala niet langer te intimideren en zijn mensenrechten te eerbiedigen, overeenkomstig de bepalingen van de Turkse grondwet en van het Europese en internationale recht; |
|
10. |
veroordeelt het besluit van de Turkse raad van rechters en openbare aanklagers om een onderzoek in te stellen naar de drie rechters die de heer Kavala categorisch en ondubbelzinnig hebben vrijgesproken; is ontzet over de manier waarop de voormalige substituut-officier van justitie van Istanbul, Hasan Yılmaz, die verantwoordelijk was voor de tweede aanklacht tegen de heer Kavala, later benoemd werd tot viceminister van Justitie en ambtshalve lid werd van de Raad van Rechters en Openbare Aanklagers; |
|
11. |
spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over incidenten die duiden op onmiskenbare inmenging van de regering in de justitiële gang van zaken rond de vervolging van de heer Kavala; is ernstig bezorgd over het feit dat de Turkse rechterlijke en uitvoerende macht de arresten van het EHRM negeren en over de toenemende niet-naleving door de gerechtelijke macht van de uitspraken van het Turkse Grondwettelijk Hof; dringt erop aan dat de Turkse autoriteiten alle mogelijke maatregelen nemen om de huidige erbarmelijke toestand van de rechterlijke macht aan te pakken en de onafhankelijkheid ervan te herstellen overeenkomstig artikel 6 EVRM, waarbij de onpartijdigheid van alle Turkse rechterlijke instanties wordt gewaarborgd en zij worden beschermd tegen politieke inmenging; |
|
12. |
dringt er bij de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie en de lidstaten op aan de zaak van de heer Kavala, en alle andere zaken van mensenrechtenverdedigers, advocaten, journalisten, politici, academici en anderen die in willekeurige detentie zitten aan te blijven kaarten bij hun Turkse gesprekspartners, en deze mensen diplomatieke en politieke steun te bieden, waaronder waarneming tijdens rechtszittingen en het op de voet volgen van hun zaak; roept op tot de aanwezigheid van een delegatie van het Europees Parlement bij het proces tegen de heer Kavala en zijn medegedaagden, als dat plaatsvindt; wijst op de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de laatste gerechtelijke uitspraak bij het Turkse Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof; |
|
13. |
verzoekt de Commissie en de lidstaten veelvuldiger gebruik te maken van noodsubsidies voor mensenrechtenverdedigers en te zorgen voor de volledige tenuitvoerlegging van de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers; |
|
14. |
benadrukt dat de heer Kavala en andere Turkse burgers in vergelijkbare situaties in de EU politiek asiel kunnen krijgen als dat noodzakelijk is; |
|
15. |
wijst erop dat met het besluit om de bindende uitspraken van het EHRM met betrekking tot de zaak van de heer Kavala en anderen openlijk te trotseren, de huidige Turkse regering doelbewust elke hoop op heropening van het EU-toetredingsproces of het openen van nieuwe hoofdstukken en het sluiten van open hoofdstukken onder de huidige omstandigheden de grond heeft ingeboord; herinnert de Europese Raad eraan dat elke verbetering in de officiële betrekkingen tussen de EU en Turkije en elke vooruitgang met betrekking tot de positieve agenda die in de conclusies van de Europese Raad van juni 2021, maart 2021 en december 2020 wordt aangeboden, staat of valt met een daadwerkelijke verbetering van de situatie op het gebied van de burgerrechten, de mensenrechten en de rechtsstaat in Turkije; |
|
16. |
verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de president van Turkije en de regering en het parlement van Turkije, en verzoekt om een Turkse vertaling van deze resolutie. |