|
6.9.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 342/286 |
P9_TA(2022)0050
De doodstraf in Iran
Resolutie van het Europees Parlement van 17 februari 2022 over de doodstraf in Iran (2022/2541(RSP))
(2022/C 342/21)
Het Europees Parlement,
|
— |
gezien zijn eerdere resoluties over Iran, |
|
— |
gezien de richtsnoeren van de EU inzake de doodstraf, |
|
— |
gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers, |
|
— |
gezien de wereldwijde EU-sanctieregeling voor de mensenrechten (EU-Magnitski-wet), |
|
— |
gezien de verklaring van 30 januari 2022 van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden over de veroordeling van Narges Mohammadi, |
|
— |
gezien de VN-grondbeginselen voor de bescherming van alle personen in enigerlei vorm van detentie of gevangenschap, daterend uit 1988, |
|
— |
gezien de verklaring van het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten van 18 maart 2021 met het verzoek om onmiddellijke vrijlating van dr. Ahmadreza Djalali en de verklaring van 25 november 2020, waarin Iran wordt opgeroepen diens terechtstelling tegen te houden, |
|
— |
gezien het tijdens zijn zitting van 20-24 november 2017 aangenomen advies van de werkgroep inzake willekeurige detentie van de VN-Mensenrechtenraad over Ahmadreza Djalali (Islamitische Republiek Iran), |
|
— |
gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, |
|
— |
gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948, |
|
— |
gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 1989, |
|
— |
gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement, |
|
A. |
overwegende dat de wereldwijde afschaffing van de doodstraf een van de belangrijkste doelstellingen van het mensenrechtenbeleid van de EU is; |
|
B. |
overwegende dat er volgens de VN tussen 1 januari en 1 december 2021 minstens 275 mensen zijn terechtgesteld in Iran, met inbegrip van ten minste twee jeugddelinquenten en tien vrouwen; overwegende dat Iran van alle landen ter wereld het hoogste aantal terechtstellingen per hoofd van de bevolking heeft; overwegende dat de Iraanse autoriteiten doodvonnissen hebben uitgesproken voor protestgerelateerde aanklachten en dat zij personen die zijn aangeklaagd vanwege wijdverbreide protesten hebben terechtgesteld, maar dat zij geen transparant onderzoek hebben gevoerd naar de ernstige beschuldigingen van het gebruik van buitensporig en dodelijk geweld door veiligheidsfunctionarissen tegen demonstranten; overwegende dat gevangenen in Iran vaak gefolterd worden, waardoor de bezorgdheid bestaat dat gevangenen op basis van valse bekentenissen de doodstraf krijgen voor strafbare feiten die zij niet hebben gepleegd; |
|
C. |
overwegende dat Iran de doodstraf aan minderjarigen oplegt en deze uitvoert, hetgeen in strijd is met de verplichtingen van het land uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind; overwegende dat er tussen 2009 en september 2020 ten minste 67 terechtstellingen van jeugddelinquenten zijn gemeld; overwegende dat er in januari 2022 in Iran 85 jeugddelinquenten in de dodencel zaten; |
|
D. |
overwegende dat de doodstraf in onevenredige mate wordt toegepast op etnische en religieuze minderheden, met name de Beloetsjen, Koerden, Arabieren en Baha’i; overwegende dat homoseksualiteit strafbaar wordt gesteld in het wetboek van strafrecht en dat de doodstraf tegen lhbtqi’ers wordt gebruikt; overwegende dat vrouwen de doodstraf krijgen als gevolg van de discriminerende aard van verschillende wetten die hen rechtstreeks aangaan; |
|
E. |
overwegende dat Iran volgens Verslaggevers zonder Grenzen na de terechtstelling van Rouhollah Zam op 12 december 2020 meer journalisten heeft terechtgesteld dan welk ander land dan ook; overwegende dat Iran voor journalisten nog steeds een van de repressiefste landen ter wereld is en dat journalisten en mediakanalen er niet-aflatend worden geïntimideerd; |
|
F. |
overwegende dat de Zweeds-Iraanse dr. Ahmadreza Djalali, die als wetenschapper verbonden is aan de Vrije Universiteit Brussel en de Università del Piemonte Orientale, in oktober 2017 na een uiterst oneerlijk proces op grond van een door foltering afgedwongen bekentenis tot de dood is veroordeeld wegens vermeende spionage; overwegende dat hij regelmatig in eenzame opsluiting in de Evingevangenis zit; |
|
G. |
overwegende dat vele gevallen zijn gemeld van onmenselijke en vernederende omstandigheden, met name in de Evingevangenis, en van een gebrek aan adequate toegang tot medische zorg tijdens de detentie, hetgeen in strijd is met de standaardminimumregels van de Verenigde Naties voor de behandeling van gevangenen; |
|
H. |
overwegende dat andere EU-onderdanen willekeurig worden vastgehouden in Iran; overwegende dat Iran de rechten die uit een dubbele nationaliteit voortvloeien niet erkent, waardoor het voor buitenlandse ambassades moeilijk is om in contact te treden met personen met een dubbele nationaliteit die gevangen zitten; |
|
I. |
overwegende dat de bokskampioen Mohammad Javad in januari 2022 ter dood is veroordeeld nadat hij werd beschuldigd van “de verspreiding van corruptie op aarde”; overwegende dat de worstelaar Navid Afkari, die verklaarde dat hij was gemarteld om een valse bekentenis af te leggen, in september 2020 werd terechtgesteld; overwegende dat hun vonnissen rechtstreeks verband houden met de vreedzame uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en vreedzame vergadering; |
|
J. |
overwegende dat de veroordelingen van Mohammad Javad en Navid Afkari deel uitmaken van het steeds hardere optreden tegen atleten in Iran; |
|
K. |
overwegende dat Narges Mohammadi, winnaar van de Per Anger-prijs die campagne voert tegen de doodstraf in Iran, recent tot nog eens acht jaar gevangenisstraf en 70 zweepslagen is veroordeeld; |
|
L. |
overwegende dat Nasrin Sotoudeh, een vermaard mensenrechtenadvocaat die onder meer campagne heeft gevoerd voor de geleidelijke afschaffing van de doodstraf en uitgebreid heeft samengewerkt met jonge gevangenen die ter dood waren veroordeeld voor feiten die zij hadden gepleegd toen zij nog geen 18 jaar waren, in maart 2019 tot 33 jaar en zes maanden gevangenisstraf is veroordeeld; overwegende dat Nasrin Sotoudeh als erkenning voor haar uitstekende werk op het gebied van de verdediging van de mensenrechten in 2012 de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken heeft gekregen van het Europees Parlement; |
|
M. |
overwegende dat de grootschalige gedwongen verdwijningen en standrechtelijke executies van politieke dissidenten in 1988 tot op heden niet zijn onderzocht en er nog niemand voor ter verantwoording is geroepen; |
|
N. |
overwegende dat de EU sinds 2011 als reactie op de mensenrechtenschendingen beperkende maatregelen neemt tegen Iran, waaronder het bevriezen van tegoeden en visumverboden voor personen en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen, en een verbod op de uitvoer naar Iran van apparatuur die voor binnenlandse repressie of voor het toezicht op telecommunicatie zou kunnen worden gebruikt; overwegende dat deze maatregelen regelmatig worden geactualiseerd en zijn verlengd tot 13 april 2022; |
|
O. |
overwegende dat het aantal terechtstellingen, waaronder van vrouwen, aanzienlijk is gestegen sinds Ebrahim Raisi in augustus 2021 is aangetreden als president; |
|
P. |
overwegende dat er in Iran volgens verslagen elk jaar 400 tot 500 vrouwen op brute wijze worden vermoord bij zogenaamde eremoorden; overwegende dat eremoorden volgens het Iraanse wetboek van strafrecht in bepaalde omstandigheden zijn toegestaan, zonder bestraft te worden; overwegende dat vrouwen en mannen vaak geen gerechtigheid krijgen voor strafbare feiten die in naam van de “eer” tegen hen zijn begaan; overwegende dat Mona Heydari op 5 februari 2022 werd onthoofd door haar echtgenoot, die vervolgens in de zuidwestelijke stad Ahvaz door de straten paradeerde met haar afgehakte hoofd; overwegende dat Romina Ashrafi in mei 2020 op 13-jarige leeftijd door haar eigen vader in haar slaap werd onthoofd met een sikkel; |
|
Q. |
overwegende dat het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken heeft aangegeven dat Iran de afgelopen jaren ‘s werelds grootste staatssponsor van terrorisme is gebleven en politieke, financiële, operationele en logistieke steun verleent aan diverse groepen die zowel op de terreurlijst van de EU als op de Amerikaanse lijst van buitenlandse terroristische organisaties staan; |
|
1. |
herhaalt dat het Parlement onder alle omstandigheden groot tegenstander van de doodstraf blijft; roept de regering van Iran op tot een onmiddellijk moratorium op de toepassing van de doodstraf als een stap in de richting van de afschaffing ervan, en tot de omzetting van alle doodvonnissen; |
|
2. |
roept de autoriteiten van de Islamitische Republiek Iran op om artikel 91 van het islamitische wetboek van strafrecht met spoed te wijzigen en de toepassing van de doodstraf voor feiten die door personen jonger dan 18 jaar zijn gepleegd in alle omstandigheden uitdrukkelijk te verbieden, zonder enige discretionaire bevoegdheid van rechters om de doodstraf of levenslange gevangenisstraf zonder mogelijkheid tot vrijlating op te leggen; |
|
3. |
betuigt zijn diepste medeleven met de familie, vrienden en collega’s van alle onschuldige slachtoffers; |
|
4. |
wijst op de noodzaak om een veilige en stimulerende omgeving te waarborgen waarin het mogelijk is de mensenrechten zonder angst voor represailles, straffen of intimidatie te verdedigen en te bevorderen; spreekt zijn uitdrukkelijke steun uit voor het verlangen van de Iraanse bevolking om in een vrij, stabiel, inclusief en democratisch land te wonen dat zijn nationale en internationale verbintenissen op het gebied van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden nakomt; |
|
5. |
dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan alle aanklachten tegen dr. Ahmadreza Djalali onmiddellijk in te trekken, hem vrij te laten en schadeloos te stellen, en te stoppen met het bedreigen van zijn familie in Iran en Zweden; |
|
6. |
verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de EU-lidstaten nogmaals om hun uiterste best te doen om de terechtstelling van dr. Ahmadreza Djalali te voorkomen; |
|
7. |
spoort de Iraanse autoriteiten aan om zonder omhaal met de ambassades van de lidstaten in Teheran samen te werken, teneinde een alomvattende lijst op te stellen van personen met een dubbele Iraanse en EU-nationaliteit die momenteel in een Iraanse gevangenis vastzitten; |
|
8. |
verzoekt alle lidstaten gezamenlijk openbare verklaringen af te leggen en diplomatieke initiatieven te nemen om toezicht te houden op oneerlijke processen en om de gevangenissen te bezoeken waar mensenrechtenverdedigers en andere gewetensgevangenen worden vastgehouden, met inbegrip van EU-onderdanen in Iran, in overeenstemming met de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers; dringt erop aan alle aanklachten tegen alle willekeurig vastgehouden EU-onderdanen onverwijld in te trekken; |
|
9. |
roept de Iraanse autoriteiten op alle politieke gevangenen, met inbegrip van mensenrechtenverdedigers, en in het bijzonder de prominente mensenrechtenverdediger Narges Mohammadi, de politiek journalist Mehdi Mahmoudian, die onlangs tot nog eens zeven maanden gevangenisstraf is veroordeeld vanwege zijn acties tegen de doodstraf, en winnaar van de Sacharovprijs Nasrin Sotoudeh, vrij te laten; |
|
10. |
betreurt het stelselmatige gebruik van foltering in Iraanse gevangenissen en wenst dat er onmiddellijk een eind wordt gemaakt aan alle vormen van foltering en slechte behandeling van gevangenen; keurt het af dat gevangenen doorgaans geen telefoongesprekken mogen voeren of familiebezoek mogen ontvangen; uit zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat gevangenen tijdens ondervragingen geen toegang hebben tot wettelijke vertegenwoordiging; |
|
11. |
spreekt zich met klem uit tegen de gestaag verslechterende mensenrechtensituatie in Iran, in het bijzonder voor leden van etnische en religieuze minderheden, als gevolg van systematische discriminatie op politiek, economisch, sociaal en cultureel gebied; betreurt de alarmerende escalatie van de voltrekking van de doodstraf tegen demonstranten, dissidenten, mensenrechtenverdedigers en leden van minderheidsgroepen; |
|
12. |
roept de Iraanse autoriteiten op een einde te maken aan alle vormen van discriminatie ten aanzien van personen die tot een etnische of religieuze minderheid behoren, met inbegrip van de Beloetsjen, Koerden, Arabieren, Baha’i, christenen en lhbti’ers, en dringt aan op de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle personen die worden vastgehouden vanwege de uitoefening van het recht op vrijheid van godsdienst en geloof of vanwege hun seksuele geaardheid; |
|
13. |
veroordeelt het in niet mis te verstane bewoordingen dat de doodstraf wordt toegepast voor betrekkingen tussen personen van hetzelfde geslacht, die in Iran nog steeds illegaal zijn; |
|
14. |
dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan de wet inzake de “jeugd en de bescherming van het gezin” onmiddellijk in te trekken en te zorgen voor toegang tot openbare diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid, met inbegrip van veilige, legale, gratis en hoogwaardige abortusdiensten onder alle omstandigheden; herinnert eraan dat het ontzeggen van abortus aan vrouwen een vorm van gendergerelateerd geweld is en kan neerkomen op foltering of wrede, onmenselijke en onterende behandeling; veroordeelt de bedreigingen van de Iraanse autoriteiten om de doodstraf voor abortus op te leggen ten stelligste en verzoekt de Iraanse autoriteiten met name deze bepaling onverwijld in te trekken; verzoekt de EU en de lidstaten samen te werken met de VN om nauwlettend toe te zien op de nieuwe wet inzake de “jeugd en de bescherming van het gezin”, de gevolgen daarvan voor de moedersterfte en alle ontwikkelingen met betrekking tot de toepassing van de doodstraf voor abortus; |
|
15. |
wijst erop dat Iraanse burgers door middel van burgerinitiatieven voortdurend oproepen om de doodstraf af te schaffen en een einde te maken aan het gebruik ervan tegen mensenrechtenverdedigers en het onevenredige gebruik ervan tegen minderheden; steunt het Iraanse maatschappelijk middenveld en zijn vreedzame inspanningen ten behoeve van de mensenrechten; |
|
16. |
verzoekt Iran bezoeken aan gevangenen toe te staan en volledig mee te werken aan alle speciale procedures van de VN-Mensenrechtenraad, met inbegrip van de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in de Islamitische Republiek Iran; |
|
17. |
spoort de EU aan de mensenrechtenschendingen aan de orde te stellen in haar bilaterale betrekkingen met Iran; verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid ervoor te zorgen dat de Europese Dienst voor extern optreden mensenrechtenkwesties blijft aankaarten in het kader van de dialoog op hoog niveau tussen de EU en Iran; bevestigt nogmaals dat de eerbiediging van de mensenrechten een cruciaal element vormt bij het uitbouwen van de betrekkingen tussen de EU en Iran; |
|
18. |
is ingenomen met het feit dat de Raad wereldwijde EU-sanctieregeling voor de mensenrechten heeft aangenomen (EU-Magnitski-wet) als een belangrijk instrument van de EU om sancties op te leggen aan wie de mensenrechten schendt; dringt aan op gerichte maatregelen, ofwel door de huidige EU-sanctieregeling voor de mensenrechten te gebruiken tegen Iran, ofwel door de wereldwijde EU-sanctieregeling voor de mensenrechten (EU-Magnitski-wet) te gebruiken tegen Iraanse functionarissen die ernstige mensenrechtenschendingen, met inbegrip van terechtstellingen en willekeurige aanhoudingen van buitenlanders of personen met een dubbele nationaliteit in Iran, hebben gepleegd, onder wie rechters die journalisten, mensenrechtenverdedigers, politieke dissidenten en activisten ter dood hebben veroordeeld; |
|
19. |
is van oordeel dat verdere gerichte sancties nodig zullen zijn als de Iraanse autoriteiten dr. Ahmadreza Djalali niet vrijlaten, zoals de EU en haar lidstaten vragen; |
|
20. |
wijst op de destabiliserende rol van het Iraanse regime in de ruimere regio en hekelt het feit dat het Iraanse regime verantwoordelijk is voor de dood van talrijke burgers in Syrië, Yemen en Irak; |
|
21. |
verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de secretaris-generaal van de VN, de hoogste leider en de president van de Islamitische Republiek Iran, alsook de leden van de Majles van Iran. |