21.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 486/15


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over sociale taxonomie — Uitdagingen en kansen

(initiatiefadvies)

(2022/C 486/03)

Rapporteur:

Judith VORBACH

Besluit van de voltallige vergadering

20.1.2022

Rechtsgrond

Art. 52, lid 2, van het reglement van orde

 

Initiatiefadvies

Bevoegde afdeling

Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang

Goedkeuring door de afdeling

9.9.2022

Goedkeuring door de voltallige vergadering

22.9.2022

Zitting nr.

572

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

123/26/12

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

In dit advies belicht het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) het concept van een sociale taxonomie, teneinde de discussie erover aan te zwengelen. Het EESC verzoekt de Commissie om het verslag te publiceren dat al te lang op zich laat wachten en waarin de bepalingen worden beschreven die nodig zijn om het toepassingsgebied van de taxonomie uit te breiden tot “andere duurzaamheidsdoelstellingen, zoals sociale doelstellingen”, zoals de taxonomieverordening (1) (hierna “de verordening”) voorschrijft. Het EESC pleit voor een operationeel haalbare en conceptueel solide sociale taxonomie, om de kansen waar te maken en tegelijkertijd uitdagingen het hoofd te bieden. De EU-taxonomie moet gericht zijn op een holistische aanpak die zowel ecologische als sociale duurzaamheid omvat. Gezien de uitdagingen van de groene transitie, de economische en sociale gevolgen van de pandemie, de oorlog in Oekraïne als gevolg van de Russische agressie en de hieruit voortvloeiende geopolitieke spanningen, dringt het EESC opnieuw aan op een evenwichtig economisch beleid en op meer aandacht voor sociale doelstellingen.

1.2.

De minimumwaarborgen van de verordening worden toegejuicht en moeten grondig ten uitvoer worden gelegd. Ze zijn echter niet voldoende om sociale duurzaamheid voor werknemers, consumenten en gemeenschappen te garanderen. Een EU-taxonomie zou helpen om tegemoet te komen aan de dringende behoefte aan investeringen op sociaal gebied door dit soort investeringen te stimuleren. Ze zal zelfs aan belang winnen als ze deel uitmaakt van een algemeen beleid dat gericht is op sociale rechtvaardigheid en inclusie. Een rechtvaardige transitie vereist duurzame sociale voorwaarden en een sociale taxonomie kan in dit verband de langverwachte richtsnoeren aanreiken. Het EESC verzoekt de Commissie een schatting te maken van de middelen die nodig zijn om de Europese pijler van sociale rechten ten uitvoer te leggen. Al met al zullen overheidsinvesteringen een cruciale rol blijven spelen op het gebied van de openbare dienstverlening. De financiering van sociale voorzieningen met overheidsgeld en stabiele socialezekerheidsstelsels blijven van essentieel belang. Toch zou een gemeenschappelijk overeengekomen sociale taxonomie richtsnoeren kunnen aanreiken voor beleggingen met positieve sociale effecten.

1.3.

Het EESC beveelt aan dat de Commissie zich in haar verslag laat leiden door de meerlagige en veelzijdige aanpak die door het platform voor duurzame financiering (2) (hierna “het platform” genoemd) is voorgesteld. Het zou nuttig zijn een sociale taxonomie te integreren in het wetgevingsklimaat van de EU inzake duurzame financiering en governance, aangezien we nog veel werk voor de boeg hebben. Met name de voorgestelde richtlijn duurzaamheidsrapportage door bedrijven (CSRD) zou een belangrijke aanvulling vormen op een sociale taxonomie aan de hand waarvan de maatregelen kunnen worden beoordeeld en geëvalueerd. Een goed opgezette sociale taxonomie zou ook bijdragen tot de aanpak van het potentiële probleem van social washing. Het EESC beveelt aan om te beginnen met eenvoudige en duidelijke richtsnoeren en te voorzien in eenvoudige en transparante procedures, en deze in een later stadium geleidelijk aan te vullen. Een nauwe integratie van de sociale taxonomie en de milieutaxonomie moet het einddoel zijn, maar als eerste stap zouden wederzijdse minimumwaarborgen praktisch kunnen zijn.

1.4.

De EU-taxonomie zou moeten aangeven welke maatregelen en bedrijven substantieel bijdragen tot sociale duurzaamheid en een gouden standaard moeten vormen voor een ambitieniveau dat verder reikt dan de bestaande wetgeving. Het EESC is ingenomen met de door het platform voorgestelde doelstellingen, te weten fatsoenlijk werk, een adequate levensstandaard en inclusieve en duurzame gemeenschappen. Hoewel verschillende internationale en EU-beginselen als basis zouden moeten dienen, beveelt het EESC aan om met name te verwijzen naar de Europese pijler van sociale rechten en de relevante duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s), zoals SDG 8 inzake fatsoenlijk werk. In ieder geval moet de naleving van de mensenrechten en de rechten van werknemers een voorwaarde zijn voor conformiteit met de taxonomie. Naleving van collectieve arbeidsovereenkomsten en mechanismen van medezeggenschap overeenkomstig de respectieve nationale en Europese wetgeving is van cruciaal belang en moet een DNSH-beginsel (3) vormen. Richtsnoeren met positieve sociale effecten, die gebaseerd zijn op het akkoord van de sociale partners, moeten worden geacht in overeenstemming te zijn met de taxonomie. Bedacht moet worden dat de dekkingsgraad van collectieve onderhandelingen van lidstaat tot lidstaat sterk verschilt en in 22 lidstaten is gedaald, een probleem dat terecht is aangepakt door de richtlijn inzake het minimumloon.

1.5.

Het EESC dringt er bij de wetgevers op aan de sociale partners en maatschappelijke organisaties volledig bij de uitwerking van de sociale taxonomie te betrekken, zowel omdat zij als belanghebbenden verslag moeten uitbrengen als om hun inbreng te waarborgen. Het EESC plaatst vraagtekens bij het buitensporige gebruik van gedelegeerde handelingen op het gebied van de taxonomie, aangezien zij een breed scala van beleidskwesties bestrijkt. De taxonomie dient te zorgen voor transparantie voor beleggers, ondernemingen en consumenten. In de toekomst moet eventueel gebruik ervan door overheidsinstellingen als referentie voor steun- en financieringsprogramma’s terdege worden beoordeeld en besproken. Elk gebruik in ruimere zin moet aan passende besluitvorming worden onderworpen. Onnodige inmenging in de nationale wetgeving en de autonomie van de sociale partners moet worden voorkomen. Ten slotte moet het risico van “social washing” worden weggenomen. Er moet worden voorzien in klachtenmechanismen voor vakbonden, ondernemingsraden, consumentenorganisaties en andere vertegenwoordigers van het georganiseerde maatschappelijk middenveld, en de bevoegde nationale autoriteiten moeten meer verantwoordelijkheid krijgen om hun controlerende taken uit te voeren.

1.6.

Het EESC wil nog andere voordelen van een sociale taxonomie onder de aandacht brengen. Ten eerste moet de stijgende vraag naar sociaal georiënteerde beleggingen worden ondersteund door te zorgen voor een betrouwbare taxonomie die een samenhangend concept vormt voor het meten van sociale duurzaamheid. Ten tweede kunnen sociaal schadelijke activiteiten zich vertalen in economische risico’s, en kan een taxonomie helpen om deze risico’s tot een minimum te beperken. Ten derde is transparantie van cruciaal belang voor de efficiëntie van de kapitaalmarkt en kan zij ook bijdragen tot de sociale interne markt als omschreven in artikel 3 VWEU. Transparantie kan een gelijk speelveld bevorderen, oneerlijke concurrentie voorkomen en meer zichtbaarheid verlenen aan bedrijven en organisaties die bijdragen aan sociale duurzaamheid. Ten vierde moet de EU voortbouwen op haar sterke punten en ernaar streven een rolmodel en koploper te worden op het gebied van ecologische en sociale duurzaamheid. Het debat over een EU-ratingbureau moet nieuw leven worden ingeblazen. Het EESC dringt er verder nogmaals op aan dat verstrekkers van financiële en extrafinanciële gegevens terdege worden gereguleerd en gecontroleerd.

1.7.

Het EESC wijst ook op uitdagingen en mogelijke oplossingen. In de eerste plaats rijst er bezorgdheid over afscherming van de markt. Beleggingen gaan echter ook uit van andere criteria, zoals verwacht rendement, die misschien meer gewicht in de schaal leggen dan duurzaamheidsdoelstellingen, en er zijn veel gevallen van synergieën tussen de belangen van beleggers en die van andere belanghebbenden. In ieder geval mogen activiteiten die niet aan de taxonomie voldoen niet als schadelijk worden aangemerkt, en dit moet door de Commissie duidelijk worden gemaakt. Er moet meer aandacht worden besteed aan het effect van duurzame investeringen op de activiteiten van de reële economie. Ten tweede zal er controverse zijn over wat in de taxonomie moet worden opgenomen. Juist daarom moet het bepalen hiervan aan een democratisch debat en democratische besluitvorming worden onderworpen. Op die manier zou een gemeenschappelijk en betrouwbaar begrip van duurzaamheid kunnen worden ontwikkeld, waarnaar de afzonderlijke actoren kunnen en moeten verwijzen. Het succes van de taxonomie hangt samen met de geloofwaardigheid ervan, en de activiteiten die eronder vallen moeten voldoen aan een algemeen aanvaarde definitie van duurzaamheid. Ten derde zou een sociale taxonomie kunnen leiden tot extra rapportageverplichtingen. Het EESC dringt er bij de Commissie op aan deze tot een minimum te beperken en overlappingen te voorkomen. Advies en de verlening van taxonomiegerelateerde diensten door een wettelijk bevoegde instantie zouden met name van nut kunnen zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen, coöperaties en bedrijfsmodellen zonder winstoogmerk. Daarnaast dienen financiële instellingen te worden gestimuleerd om beoordelingen van de sociale effecten van investeringen verstrekken, zoals momenteel wereldwijd door op waarden gebaseerde banken wordt gedaan.

2.   Achtergrond van het advies

2.1.

Het EU-kader voor duurzame financiering moet ertoe bijdragen dat particuliere geldstromen worden verlegd naar duurzame economische activiteiten. Het actieplan voor duurzame financiering van 2018 bestaat uit een taxonomie, een kader voor informatieverschaffing door ondernemingen, en beleggingsinstrumenten, met inbegrip van benchmarks, normen en labels, terwijl de vernieuwde strategie voor duurzame financiering van 2021 gericht is op de financiering van de transitie van de reële economie naar duurzaamheid, alsmede op inclusiviteit, veerkracht, de bijdrage van de financiële sector en mondiale doelstellingen. In dit kader heeft de EU gewerkt aan verschillende wetgevingsinitiatieven waarin de EU-taxonomie een sleutelrol speelt. Het EESC verwijst naar zijn respectieve adviezen (4).

2.2.

De EU-taxonomie moet beleggers en bedrijven transparantie bieden en hen helpen bij het identificeren van duurzame beleggingen. De verordening voorziet in een classificatiesysteem dat gericht is op zes milieudoelstellingen op het gebied van beperking van klimaatverandering, aanpassing aan klimaatverandering, water, biodiversiteit, voorkoming van verontreiniging en de circulaire economie. Een ecologisch duurzame belegging moet een significante bijdrage leveren aan het bereiken van een of meer van deze doelstellingen, mag geen van deze doelstellingen significant schaden (beginsel “geen ernstige afbreuk doen”) en moet voldoen aan prestatiedrempels (technische screeningcriteria genoemd). Een ecologisch duurzame belegging moet ook voldoen aan sociale en governance-gerelateerde minimumwaarborgen (artikel 18). Daarom moeten ondernemingen procedures toepassen om ervoor te zorgen dat een activiteit in overeenstemming is met de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten, de verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende de fundamentele principes en rechten op het werk en het Internationaal Statuut van de Rechten van de Mens.

2.3.

Artikel 26 van de verordening draagt de Commissie op om tegen eind 2021 een verslag te publiceren waarin de bepalingen worden beschreven die nodig zijn om het toepassingsgebied van de verordening uit te breiden tot “andere duurzaamheidsdoelstellingen, zoals sociale doelstellingen”. Hieruit blijkt een voornemen om het toepassingsgebied uit te breiden, maar dit vereist nog geen invoering van een sociale taxonomie. In overeenstemming met de verordening kreeg de subgroep sociale taxonomie van het platform de opdracht om de uitbreiding van de taxonomie tot sociale doelstellingen te onderzoeken. Het eindverslag over de sociale taxonomie is in februari 2022 gepubliceerd (5) (later dan aangekondigd), en de Commissie zal naar verwachting haar verslag op basis daarvan opstellen. Bovendien wordt het platform verzocht de Commissie te adviseren over de toepassing van artikel 18, dat wil zeggen, richtsnoeren te verschaffen over de wijze waarop ondernemingen aan de minimumwaarborgen kunnen voldoen, en over de eventuele noodzaak om de vereisten van het artikel aan te vullen.

2.4.

Het platform stelt voor om de structuur voor een sociale taxonomie te integreren in het huidige EU-rechtskader voor duurzame financiering en governance. Als een sociale taxonomie wordt ingevoerd, zorgen andere bepalingen voor een regelgevingskader, waaronder de voorgestelde richtlijn duurzaamheidsrapportage door bedrijven (CSRD), die de richtlijn betreffende de openbaarmaking van niet-financiële informatie (NFI-richtlijn) zal vervangen en verplichte EU-normen voor duurzaamheidsrapportage zal invoeren; de verordening betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (SFDR), en de richtlijn betreffende passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid (CSDD). De voorgestelde CSRD schrijft met name voor dat ondernemingen ook informatie over sociale kwesties en rapportage over governance-factoren moeten verstrekken, hetgeen naar verwachting zal leiden tot een betere openbaarmaking met betrekking tot sociale aangelegenheden. Daarom zou deze richtlijn een belangrijke aanvulling zijn op een sociale taxonomie aan de hand waarvan deze zaken kunnen worden gemeten en geëvalueerd.

2.5.

Ondanks enkele verschillen stelt het platform voor de structurele aspecten van de milieutaxonomie te volgen. Er worden drie hoofddoelstellingen voorgesteld, die vergezeld gaan van subdoelstellingen. De doelstelling “fatsoenlijk werk” omvat subdoelstellingen zoals versterking van de sociale dialoog, bevordering van collectieve onderhandelingen en leefbare lonen die een fatsoenlijke levensstandaard garanderen. De doelstelling van een adequate levensstandaard omvat gezonde en veilige producten, hoogwaardige gezondheidszorg en huisvesting. De doelstelling “inclusieve en duurzame gemeenschappen” moet ook gelijkheid, inclusieve groei en duurzame bestaansmiddelen ondersteunen. De voorgestelde minimumwaarborgen hebben betrekking op milieu-, overheids- en sociale doelstellingen om inconsistenties te voorkomen, zoals een onderneming die duurzame activiteiten uitvoert, maar betrokken is bij mensenrechtenschendingen. Bovendien moeten de relevante belanghebbenden worden benaderd, met name de werknemers van de entiteit en de werknemers in de waardeketen, de eindgebruikers en de betrokken gemeenschappen. Er worden ook sociaal gerelateerde DNSH-criteria en een lijst van schadelijke activiteiten voorgesteld.

3.   Algemene opmerkingen

3.1.

Het EESC bepleit een economisch beleid dat is afgestemd op de in artikel 3 van het EU-Verdrag verankerde doelstellingen en op de SDG’s. Geboden is een evenwichtige focus op cruciale beleidsdoelstellingen, met name milieuduurzaamheid, duurzame en inclusieve groei, volledige werkgelegenheid en hoogwaardige banen, billijke verdeling, gezondheid en levenskwaliteit, gendergelijkheid, stabiliteit van de financiële markten en van de prijzen, evenwichtige handel op basis van een eerlijke en concurrerende industriële en economische structuur en stabiele overheidsfinanciën. Het EESC wijst ook op de EU-agenda voor concurrerende duurzaamheid, waarin aan de vier dimensies van deze agenda — milieuduurzaamheid, productiviteit, billijkheid en macro-economische stabiliteit — evenveel belang wordt gehecht om versterkende effecten te bereiken en een succesvolle groene en digitale transitie te bewerkstelligen (6). Gezien de oorlog in Oekraïne als gevolg van de Russische agressie dringt het EESC aan op een evenwichtig economisch beleid dat de economische en sociale gevolgen van het conflict mede kan verzachten, en wijst het op de verklaring in het statuut van de IAO van 1919 dat “een duurzame wereldvrede slechts tot stand kan worden gebracht indien zij is gegrond op sociale rechtvaardigheid”.

3.2.

Het EESC laat zijn licht schijnen over het concept van een sociale taxonomie, met als doel aan te zetten tot discussie hierover en de bewustwording te vergroten. Het EESC pleit voor een goed doordachte, operationeel haalbare en conceptueel solide sociale taxonomie die het mogelijk maakt om de grote mogelijkheden te verifiëren en tegelijkertijd de uitdagingen aan te gaan (zie hieronder). Net als het economisch beleid in zijn geheel moet het concept van financiële duurzaamheid, en in het bijzonder de EU-taxonomie, gericht zijn op een holistische en multidimensionale benadering waarbij we moeten streven naar een gelijke behandeling van ecologische en sociale duurzaamheid. Bovendien kan de groene transitie sociaal schadelijk zijn. Daarom moeten de normen op sociaal gebied worden beschermd en verbeterd, waarbij het streven moet zijn dat niemand wordt uitgesloten. Een rechtvaardige transitie vereist duurzame sociale voorwaarden en een sociale taxonomie kan in dit verband richtsnoeren aanreiken.

3.3.

Het EESC beschouwt een sociale taxonomie als een belangrijke en noodzakelijke aanvulling op de sociale dimensie van de EU en roept de Commissie op om het verslag waarvan er sprake is in artikel 26 tijdig te publiceren. De meerlagige en veelzijdige benadering van het verslag van het platform moet worden gevolgd. Streven naar perfectie en tegelijkertijd rekening houden met alle aspecten van sociale duurzaamheid kan echter leiden tot aanzienlijke vertragingen bij de uitvoering van de sociale taxonomie en houdt zelfs het risico in dat het hele project wordt opgegeven. Daarom beveelt het EESC aan tijdig een begin te maken met het proces aan de hand van eenvoudige en duidelijke richtsnoeren en eenvoudige transparantieprocedures, en om dit vervolgens stap voor stap aan te vullen. Wat de relatie tussen de milieutaxonomie en een sociale taxonomie betreft, moet worden gestreefd naar coherentie en een nauwe integratie van de twee benaderingen. Toch zouden wederzijdse minimumwaarborgen, als eerste stap, praktisch kunnen zijn.

3.4.

Het EESC is verheugd dat het platform een ontwerpverslag over artikel 18 van de verordening heeft gepubliceerd om bedrijven te adviseren over de manier waarop zij de voorschriften van het artikel kunnen toepassen en eventueel een wijziging ervan mogelijk kunnen maken. Met name in de context van sociale duurzaamheid is het van cruciaal belang de werkelijke prestaties van een bedrijf op het gebied van mensenrechten, arbeidsverhoudingen en fatsoenlijk werk te beoordelen. Hoewel de minimumwaarborgen van de milieutaxonomie zeer welkom zijn en grondig ten uitvoer moeten worden gelegd, zouden zij echter nooit een sociale taxonomie kunnen vervangen. Zij zijn bij lange na niet voldoende om sociale duurzaamheid voor werknemers, consumenten en gemeenschappen te garanderen (7). Verder beveelt het EESC aan om samen te werken met lokale sociale partners, maatschappelijke organisaties en sociale ondernemingen om de positieve impact van economische activiteiten op belanghebbenden te volgen en te bevorderen.

3.5.

De sociale taxonomie zal aan belang winnen als ze deel uitmaakt van een algemeen beleid dat gericht is op sociale duurzaamheid en vergezeld gaat van passende regels, bijvoorbeeld inzake zorgvuldigheid op het gebied van de mensenrechten. Zij zal echter nooit in de plaats komen van degelijke overheidsregulering en sociaal beleid. De financiering van sociale voorzieningen met overheidsgeld en stabiele socialezekerheidsstelsels blijft van essentieel belang. De taxonomie mag niet dienen als instrument voor verdringing of privatisering. Overheidsinvesteringen blijven van cruciaal belang voor de openbare dienstverlening en vormen vaak een stimulans voor verdere particuliere beleggingen. De sociale taxonomie zou echter duurzaamheidscriteria kunnen aanreiken voor alle investeerders op het gebied van infrastructuur, gezondheid, onderwijs, opleiding en sociale huisvesting, om sociaal duurzame investeringen in de reële economie mogelijk te maken en om “social washing” te voorkomen. In de toekomst kan de taxonomie ook door overheidsinstellingen worden gebruikt als referentie voor steun- en financieringsprogramma’s. Dit moet uitvoerig worden beoordeeld en besproken.

3.6.

Een sociale taxonomie zou het mogelijk maken om de positieve en negatieve sociale gevolgen van economische activiteiten gedetailleerd na te gaan. Veel van de behandelde punten houden nauw verband met kwesties die traditioneel door de sociale partners en maatschappelijke organisaties worden besproken. Het EESC dringt erop aan dat het maatschappelijk middenveld ten volle wordt betrokken bij de opzet van de sociale taxonomie, met name wat de (sub)doelstellingen, criteria die voortvloeien uit het “geen ernstige afbreuk doen”-beginsel en de vrijwaringsbeginselen betreft. De opzet van de doelstellingen heeft een bepaald effect op werkgevers, werknemers, consumenten en andere belanghebbenden en/of deze hebben rapportageverplichtingen. Het EESC wijst verder op pensioenfondsen als voorbeeld van werknemers die de begunstigden zijn van investeringen. De participatie van belanghebbenden is van cruciaal belang zodat zij zich bij het proces betrokken voelen. Het EESC verwacht dat een sociale taxonomie kan worden ingevoerd door de verordening te herzien, zodat een gewone wetgevingsprocedure zou worden gevolgd. Het buitensporige gebruik van gedelegeerde handelingen in de context van duurzame financiering, en met name bij uitvoering van de taxonomie, is betwistbaar, aangezien de taxonomie vele beleidsaangelegenheden behelst die veel verder gaan dan technische kwesties.

3.7.

Het EESC benadrukt dat het belangrijk is de kwaliteit van informatie op het gebied van sociaal duurzame investeringen te verbeteren en desinformatie over de sociale situatie te voorkomen, om negatieve gevolgen voor alle belanghebbenden te vermijden. Een goed opgezette sociale taxonomie zou aanzienlijk bijdragen tot de oplossing van dergelijke problemen door duidelijk aan te geven welke activiteiten en entiteiten wezenlijk bijdragen tot sociale duurzaamheid. Ze moet een gouden standaard vormen en een hoger ambitieniveau weerspiegelen dan dat waarin de huidige wetgeving voorziet, waarbij het juiste evenwicht moet worden gevonden tussen te ruim en te eng. Terwijl milieucriteria meer op wetenschap zijn gebaseerd, zou een sociale taxonomie, zoals voorgesteld door het platform, meer steunen op normen en mondiaal overeengekomen kaders die misschien niet bindend zijn, maar wel als richtsnoeren kunnen fungeren om sociaal duurzame activiteiten te bevorderen.

3.8.

Naleving van de mensenrechten en de rechten van werknemers moet een voorwaarde zijn voor conformiteit met de taxonomie. Ook naleving van collectieve arbeidsovereenkomsten en mechanismen van medezeggenschap overeenkomstig de respectieve nationale en Europese wetgeving is van cruciaal belang en moet een DNSH-beginsel vormen. Bovendien moeten richtsnoeren die zorgen voor eenvoudige en transparante procedures met positieve sociale effecten en die gebaseerd zijn op de instemming van de sociale partners, een met de taxonomie overeenstemmende economische activiteit vormen. We mogen niet uit het oog verliezen dat de dekkingsgraad van de collectieve onderhandelingen tussen de lidstaten flink uiteenloopt, van slechts 7 % in Litouwen tot 98 % in Oostenrijk. Sinds 2000 is het dekkingsgraad van de collectieve onderhandelingen in 22 lidstaten geslonken; naar schatting vallen er nu minstens 3,3 miljoen werknemers minder onder een collectieve overeenkomst. Een belangrijke rol bij de tenuitvoerlegging van de sociale taxonomie is weggelegd voor de nieuwe richtlijn inzake minimumlonen en de uitgebreide toepassing van collectieve arbeidsovereenkomsten (8). Voorts beveelt het EESC aan om in de voorgestelde wettekst zelf duidelijke richtsnoeren op te nemen voor de toepassing van de minimumwaarborgen, eventueel op basis van het verslag van het platform over artikel 18 van de verordening.

3.9.

Diverse internationale en Europese normen en beginselen kunnen als basis voor de sociale taxonomie dienen. Wat de (sub)doelstellingen betreft, beveelt het EESC aan om te verwijzen naar de Europese pijler van sociale rechten en het bijbehorende actieplan en de relevante SDG’s, te weten SDG 8 (fatsoenlijk werk en economische groei), SDG 1 (geen armoede), SDG 2 (geen honger), SDG 3 (goede gezondheid en welzijn), SDG 4 (kwaliteitsonderwijs), SDG 5 (gendergelijkheid), SDG 10 (ongelijkheid verminderen) en SDG 11 (duurzame steden en gemeenschappen). Door de sociale partners overeengekomen kaderregelingen kunnen ook een belangrijke bron zijn. Het EESC acht het idee van het platform om minimumwaarborgen in te voeren op basis van de leidende beginselen van de VN en de OESO-richtlijnen van cruciaal belang. Daarnaast zouden ook het Europees Sociaal Handvest, het Handvest van de grondrechten van de EU, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de voorgestelde richtlijn betreffende passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid waardevolle referentiepunten zijn voor een sociale taxonomie. Tot slot moeten activiteiten worden uitgesloten die als significant schadelijk worden beschouwd, dat wil zeggen, activiteiten die fundamenteel en onder alle omstandigheden strijdig zijn met welke duurzaamheidsdoelstelling dan ook en onmogelijk minder schadelijk kunnen worden gemaakt. Wapens die op grond van internationale overeenkomsten verboden zijn, zoals clusterbommen of antipersoneelmijnen, moeten hier worden opgenomen. Het EESC beveelt ook aan om een concept te ontwikkelen voor de manier waarop met agressieve en oorlogszuchtige regimes moet worden omgegaan.

4.   Een sociale taxonomie als kans

4.1.

Het EESC beveelt ten zeerste aan om gebruik te maken van het potentieel van de taxonomie om te investeren in sociaal duurzame activiteiten en entiteiten en fatsoenlijke banen te scheppen. Ruim 20 % van de EU-burgers dreigt in armoede te vervallen; de pandemie heeft de ongelijkheden vergroot en door de oorlog in Oekraïne zullen de economische en sociale spanningen nog verder oplopen. Wereldwijd is naar schatting ruwweg 3,3 biljoen tot 4,5 biljoen USD per jaar nodig om de SDG’s te verwezenlijken. Goederen die in strijd met de arbeidsgerelateerde mensenrechten zijn geproduceerd, komen via invoer op de EU-markt terecht. In de EU is er ook dringend behoefte aan sociale investeringen, bijvoorbeeld in armoedebestrijding, een leven lang leren en gezondheid (9). De minimumkloof in investeringen in sociale infrastructuur werd van 2018 tot 2030 (10) geraamd op ongeveer 1,5 biljoen EUR. Het EESC verzoekt de Commissie een geactualiseerde raming te maken van de investeringsbehoeften om te voldoen aan de Europese pijler van sociale rechten en om de EU-kerndoelen voor 2030 te halen. Er zijn aanzienlijke openbare en particuliere middelen nodig om sociale duurzaamheid tot stand te brengen.

4.2.

Met behulp van een sociale taxonomie zouden investeerders en ondernemingen de sociale impact van hun investering of activiteit kunnen beoordelen en dit vrijwillig als een essentiële doelstelling kunnen beschouwen. Het EESC wijst op de stijgende vraag naar sociaal georiënteerde beleggingen en juicht toe dat beleggers openstaan voor sociaal duurzame financiering. Er is daarentegen een gebrek aan definitie en standaardisatie, en er zijn ook fundamentele verschillen in de analyse van ESG-ratings en de daarmee samenhangende uitkomsten, afhankelijk van de ratingaanbieder, wat sociaal duurzame beleggingen bemoeilijkt. Een sociale taxonomie zou een coherent concept vormen voor het definiëren en bevorderen van sociale duurzaamheid en het meten van vooruitgang. Zij zou de verantwoordingsplicht kunnen versterken en duidelijke richtsnoeren kunnen aanreiken. Zij zou derhalve de ambities van beleggers op doorslaggevende wijze ondersteunen en zou voor andere marktdeelnemers een stimulans kunnen bieden om sociaal duurzaam te investeren, terwijl zij tegelijkertijd ertoe bijdraagt social washing te voorkomen.

4.3.

Sociaal schadelijke activiteiten kunnen ook economische risico’s met zich meebrengen. Indien een bedrijf in verband wordt gebracht met schending van de mensenrechten kan het worden geboycot, en indien een bedrijf nalaat een zorgvuldige beoordeling uit te voeren op het gebied van de mensenrechten loopt het het risico te worden uitgesloten van overheidsopdrachten. Het kan ook verstrikt raken in dure rechtszaken als gevolg van schendingen van mensenrechten, en de toeleveringsketen kan worden verstoord door stakingen. De economische en politieke risico’s als gevolg van een groeiende kloof tussen rijk en arm kunnen ook gevolgen hebben voor beleggingen. Dit geheel van risico’s zou kunnen worden geminimaliseerd door beleggingsbeslissingen die mede op een sociale taxonomie zijn gebaseerd. Het EESC verwijst ook naar de werkzaamheden van de ECB om het toezicht op en het beheer van systeemrisico’s als gevolg van de veronachtzaming van duurzaamheidsfactoren aan te scherpen. Het EESC wijst erop dat milieurisico’s vaak gepaard gaan met sociale risico’s, bijvoorbeeld wanneer mensen hun huis kwijtraken door een overstroming. Al met al dienen sociale duurzaamheidsrisico’s expliciet aan de orde te worden gesteld en deel uit te maken van de maatregelen van de ECB inzake duurzaamheidsrisico’s.

4.4.

Het EESC wijst er voorts op dat transparantie een essentieel element van marktefficiëntie is. Dit heeft niet alleen betrekking op de kapitaalmarkten. Een sociale taxonomie zou ook kunnen dienen als instrument voor een evenwicht tussen economische vrijheden en sociale rechten en arbeidsrechten (11). Door de transparantie te vergroten kan zij bijdragen tot de sociale interne markt zoals omschreven in artikel 3 VWEU, en eerlijke concurrentie bevorderen. Bovendien kan de sociale taxonomie gelijke concurrentievoorwaarden bevorderen en meer zichtbaarheid geven aan ondernemingen die de mensenrechten en de rechten van werknemers naleven en wezenlijk bijdragen tot sociale duurzaamheid, en kan zij helpen om beleggers aan te trekken. De potentiële transformerende rol van de taxonomie zou worden versterkt door er meer ruchtbaarheid aan te geven. In dat verband wijst het EESC nogmaals op de positieve rol die financiële instrumenten kunnen spelen bij de ontwikkeling van ondernemingen met een sociale impact (12).

4.5.

Tot slot is de EU een internationale voortrekker op het gebied van ecologisch duurzame financiering en draagt zij actief bij aan de wereldwijde inspanningen op dit gebied. Het EESC juicht deze inspanningen toe, maar wijst de Commissie erop dat ook sociale duurzaamheid moet worden bevorderd en dat de SDG’s moeten worden gepromoot. Ook in de context van sociale duurzaamheid moet de EU ernaar streven als rolmodel te fungeren en een voortrekkersrol te vervullen door dit onderwerp in internationale fora aan de orde te stellen. Vooral in tijden van oorlog en internationale spanningen moet een internationale architectuur voor duurzame financiering ook rekening houden met sociale duurzaamheid.

5.   Uitdagingen en mogelijke oplossingen

5.1.

Voornemens van financiële beleggers om in sociaal en milieuopzicht duurzaam te beleggen zijn zeer welkom en moeten worden ondersteund. Deelnemers aan de financiële markten nemen echter hun beleggingsbeslissingen doorgaans op basis van verwachtingen omtrent rendement, risico, liquiditeit en looptijd. Deze motieven kunnen in strijd zijn met de belangen van andere stakeholders en ecologische of sociale doelstellingen tegenwerken of deze zelfs in de schaduw stellen. Het EESC wijst echter ook op tal van mogelijke synergieën tussen de belangen van beleggers en die van andere stakeholders, bijvoorbeeld wanneer verbeteringen in de medezeggenschap van werknemers de productiviteit van ondernemingen ten goede komen of wanneer een economische activiteit bijdraagt aan het welzijn van gemeenschappen. In ieder geval mogen economische activiteiten of bedrijven die mogelijk niet aan de taxonomie voldoen, niet automatisch als schadelijk worden beschouwd. In dat verband rijst er bezorgdheid over marktafscherming, en het EESC verzoekt de Commissie om opheldering en een evenwichtige aanpak. Er moet meer aandacht worden besteed aan het effect van duurzame investeringen op de activiteiten van de reële economie.

5.2.

Er kunnen zich onverenigbaarheden voordoen omdat sociale aangelegenheden op het niveau van de lidstaten en tussen de sociale partners worden geregeld, terwijl de georganiseerde civiele samenleving als geheel ernaar streeft betrokken te worden bij sociale, milieu- en andere beleidskwesties. Het EESC is echter verheugd dat in het verslag van het platform wordt gewezen op het risico van inbreuken op andere regelgeving, en gaat er tevens van uit dat de Commissie er in haar voorstel op zal letten dat tegenstrijdige overlappingen en inmenging in nationale sociale stelsels, arbeidsverhoudingen en regelgeving worden vermeden. Bovendien zou een sociale taxonomie gebaseerd zijn op gemeenschappelijke internationale en Europese verklaringen en beginselen, zoals de Europese pijler van sociale rechten, en een basis vormen voor vrijwillige besluitvorming, zonder een bepaald sociaal beleid voor te staan. Elk gebruik van de taxonomie in ruimere zin dan hierboven bedoeld, moet aan een passend besluitvormingsproces worden onderworpen. Onnodige inmenging in nationale wetgeving en de autonomie van de sociale partners moet worden voorkomen, en verschillen in nationale arbeidsmarktmodellen en systemen voor collectieve onderhandeling moeten worden erkend.

5.3.

Bij de ontwikkeling van een sociale taxonomie en dus van een gestructureerd overzicht van sociaal duurzame activiteiten en sectoren komen ook politieke waarden kijken. Het zal moeilijk zijn te bepalen welke economische activiteit en/of sector als taxonomieconform wordt beschouwd. Dit is precies de reden waarom het opstellen van een taxonomie het onderwerp moet zijn van een politiek debat en democratische besluitvorming (13). Alleen onder deze voorwaarden kan een gemeenschappelijk idee van sociale duurzaamheid worden ontwikkeld waarop individuele actoren kunnen en moeten vertrouwen en waarnaar zij moeten verwijzen. Benadrukt zij dat het succes van de taxonomie ook op sociaal gebied afhangt van een breed draagvlak hiervoor. De opgenomen activiteiten en sectoren moeten voldoen aan een algemeen aanvaarde definitie van duurzaamheid en gebaseerd zijn op algemeen erkende waarden, zoals menselijke waardigheid, gendergelijkheid, billijkheid, inclusie, non-discriminatie, solidariteit, betaalbaarheid, welzijn en diversiteit. De geloofwaardigheid van de taxonomie moet worden gevrijwaard om het project als geheel niet in gevaar te brengen.

5.4.

Er bestaat bezorgdheid dat een sociale taxonomie ondernemingen zou kunnen overbelasten met extra rapportageverplichtingen en de noodzaak om complexe en ingewikkelde informatie te verstrekken, in combinatie met dure auditprocedures. Het EESC dringt er bij de Commissie op aan om deze lasten tot een minimum te beperken en eenvoudige en gemakkelijk waarneembare criteria op te stellen, tevens rekening houdend met overlappingen met andere rapportageverplichtingen. Het EESC is ingenomen met de aanpak van het platform om de doelstellingen van de sociale taxonomie te structureren naar het voorbeeld van de voorgestelde richtlijn duurzaamheidsrapportage door bedrijven. Al met al pleit het EESC voor geordende en samenhangende regelgeving zonder al te veel complexiteit en overlappingen, zodat deze in de praktijk werkt en tegelijkertijd de nodige transparantie biedt. Het zou ook nuttig kunnen zijn dat een gespecialiseerd, wettelijk bevoegd agentschap advies en diensten in verband met taxonomie verleent aan bedrijven en andere organisaties die zich aan de taxonomie willen aanpassen. Dit zou er ook voor zorgen dat ondernemingen met minder verslagleggingsmiddelen toegang hebben tot de taxonomie. Financiële instellingen kunnen echter nog steeds beoordelingen van het sociale effect van investeringen verstrekken, zoals momenteel wereldwijd door op waarden gebaseerde banken wordt gedaan.

5.5.

Hoewel de taxonomie tot doel heeft een betrouwbaar kader te bieden voor sociaal duurzame beleggingen, kan het gevaar van “green washing” of “social washing” niet worden uitgesloten. Het EESC is het met het platform eens dat het louter controleren van toezeggingen en maatregelen geen garantie biedt voor een doeltreffende uitvoering en voor de bescherming van de mensenrechten, noch de ontwikkeling van sociaal duurzame activiteiten ondersteunt. Het is erg moeilijk om te controleren of en af te dwingen dat een bedrijf zich houdt aan zijn doelstellingen op het gebied van sociale duurzaamheid en om de prestaties van het bedrijf in de huidige, vaak zeer complexe toeleveringsketens te beoordelen. Anderzijds wijst het platform op veelbelovende ontwikkelingen op het gebied van kwantificeerbare sociale gegevens, zoals in de context van het herziene sociaal scorebord en de SDG’s. Al met al moet de sociale taxonomie transparant en betrouwbaar zijn en voortdurend worden bijgewerkt. Het EESC stelt in dit verband ook voor om bijvoorbeeld ondernemingsraden en maatschappelijke organisaties hierbij te betrekken.

5.6.

Het EESC stelt voor om de discussie over een EU-ratingbureau, dat zich nu op duurzaamheid zou kunnen richten, nieuw leven in te blazen en zo de voortrekkersrol van de EU op dit gebied te consolideren. Het dringt er verder nogmaals op aan dat verstrekkers van financiële en extrafinanciële gegevens terdege worden gereguleerd en gecontroleerd. Er moet worden voorzien in klachtenmechanismen voor vakbonden, ondernemingsraden, consumentenorganisaties en andere vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld in geval van valse claims omtrent conformiteit met de taxonomie. Het EESC stelt vast dat in de verordening maatregelen en sancties voor inbreuken aan de lidstaten worden overgelaten. In ieder geval moet de verantwoordelijkheid van de bevoegde nationale autoriteiten (14) om hun controlerende taak uit te voeren worden vergroot, en dienen zij in aanvulling daarop verslag uit te brengen aan hun parlementen en het maatschappelijk middenveld.

Brussel, 22 september 2022.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Christa SCHWENG


(1)  PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13.

(2)  Platform voor duurzame financiering, Europese Commissie (europa.eu).

(3)  DNSH = Do no significant harm, geen ernstige afbreuk doen aan.

(4)  PB C 517 van 22.12.2021, blz. 72.

(5)  Final Report on Social Taxonomy (europa.eu).

(6)  PB C 275 van 18.7.2022, blz. 45.

(7)  PB C 152 van 6.4.2022, blz. 97.

(8)  Richtlijn betreffende toereikende minimumlonen in de EU, artikel 4, lid 2, voorlopig akkoord. De daarin vastgestelde dekkingsdrempel van 80 % voor collectieve onderhandelingen die de lidstaten ertoe verplicht maatregelen te nemen om het percentage te verhogen, moet in een sociale taxonomie worden ondersteund.

(9)  Final Report on Social Taxonomy (europa.eu).

(10)  Europese Commissie, Boosting Investment in Social Infrastructure in Europe, discussienota 074/januari 2018.

(11)  PB C 275 van 18.7.2022, blz. 45.

(12)  PB C 194 van 12.5.2022, blz. 39.

(13)  Zie hiervoor, punt 3.

(14)  Zie de taxonomieverordening, artikel 21.