5.10.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 258/377


RESOLUTIE (EU) 2022/1795 VAN HET EUROPEES PARLEMENT

van 4 mei 2022

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound) voor het begrotingsjaar 2020

HET EUROPEES PARLEMENT,

gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (“de Stichting”) voor het begrotingsjaar 2020,

gezien artikel 100 van en bijlage V bij zijn Reglement,

gezien het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0109/2022),

A.

overwegende dat de definitieve begroting van de Stichting voor het begrotingsjaar 2020 volgens haar staat van ontvangsten en uitgaven (1)21 395 000 EUR bedroeg, een daling van 0,44 % ten opzichte van 2019; overwegende dat de begroting van de Stichting hoofdzakelijk wordt gefinancierd uit de begroting van de Unie;

B.

overwegende dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van de Stichting voor het begrotingsjaar 2020 (het “verslag van de Rekenkamer”) verklaart redelijke zekerheid te hebben gekregen dat de jaarrekening van de Stichting betrouwbaar is en de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn;

Financieel en begrotingsbeheer

1.

merkt met tevredenheid op dat de inspanningen op het gebied van begrotingstoezicht gedurende het begrotingsjaar 2020 hebben geresulteerd in een uitvoeringspercentage van de begroting van 99,91 %, wat neerkomt op een lichte daling van 0,07 % ten opzichte van 2019; neemt er kennis van dat het uitvoeringspercentage van de betalingskredieten 80,44 % bedroeg, wat neerkomt op een daling van 0,48 % ten opzichte van 2019;

2.

is verheugd over het feit dat de Stichting, in reactie op de twee opmerkingen van de Rekenkamer uit 2019, bezig is met het uitvoeren van maatregelen; stelt met bezorgdheid het veranderde gewicht van bepaalde titels binnen de begroting vast, hetgeen voornamelijk het gevolg is van stijgende prijzen in het gastland, en roept de Commissie en de begrotingsautoriteit op gepaste maatregelen te nemen om het aandeel van de operationele uitgaven van de begroting van de Stichting in stand te houden;

Prestaties

3.

stelt vast dat de Stichting gebruikmaakt van vier kernprestatie-indicatoren (KPI’s) welke deel uitmaken van haar systeem voor prestatiemonitoring, dat naast de KPI’s bestaat uit “metrics” (andere indicatoren voor operationele processen) en een kwalitatieve beoordeling en evaluatie om de toegevoegde waarde van haar activiteiten te beoordelen en om haar begrotingsbeheer te verbeteren;

4.

neemt er kennis van dat de voor 2020 geplande outputs van het werkprogramma voor 98 % werden verwezenlijkt, aangezien 45 van de 46 voorziene prestaties werden geleverd in 2020;

5.

merkt op dat de Stichting haar samenwerking met de voornaamste belanghebbenden in 2020 heeft geïntensiveerd en dat meer dan tien webinars zijn georganiseerd met partners zoals de Commissie, het Parlement, de Internationale Arbeidsorganisatie en EU-agentschappen; merkt op dat de Stichting op structurele basis samenwerkt met de Europese Arbeidsautoriteit (ELA); merkt op dat de Stichting en Cedefop in 2020 zijn blijven samenwerken aan de in 2018/2019 gezamenlijk uitgevoerde Europese bedrijvenenquête, en dat de verspreiding van de resultaten van de activiteiten samen met het Onderzoeksinstituut voor de Toekomst van de Arbeid (IZA) is georganiseerd; merkt op dat de Stichting een belangrijke gegevensverstrekker is voor de gendergelijkheidsindex van het Europees Instituut voor gendergelijkheid en dat er regelmatig informatie wordt uitgewisseld met het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk; merkt bovendien op dat de Stichting voornemens is een memorandum van overeenstemming op te stellen met de ELA en het Europees Milieuagentschap (EEA); is ingenomen met de samenwerking en kennisuitwisseling van de Stichting als een voorbeeld dat door andere agentschappen en organen gevolgd kan worden; merkt op dat deze samenwerking bijdraagt aan de totstandbrenging van synergie-effecten en overlappingen helpt voorkomen;

6.

verzoekt de Stichting voort te gaan met het ontwikkelen van synergie-effecten, en de samenwerking en de uitwisseling van goede praktijken met andere agentschappen van de Unie verder uit te bouwen, teneinde de efficiëntie (personeelsbeleid, gebouwenbeheer, IT-diensten en veiligheid) te vergroten;

7.

merkt op dat de periodieke, vierjaarlijkse evaluatie van het netwerk van Eurofound-correspondenten in 2020 is uitgevoerd door een externe contractant, onder leiding van een ad-hocstuurgroep met vertegenwoordigers van alle vier de groepen van de raad van bestuur, en dat daarbij verschillende aanbevelingen zijn gedaan, met name met betrekking tot de ontwikkeling van een interventielogica voor het netwerk van Eurofound-correspondenten en de ontwikkeling van een routekaart voor het netwerk van Eurofound-correspondenten;

8.

waardeert het kwalitatief hoogstaande werk van de Stichting om kennis te verbeteren en te verspreiden en om empirisch onderbouwde expertise te verstrekken ter ondersteuning van de ontwikkeling van Europees beleid met betrekking tot de verbetering van levens- en arbeidsomstandigheden, de arbeidsmarkt en arbeidsverhoudingen in de Unie;

9.

benadrukt het belang, de autonomie en de meerwaarde van de Stichting op haar kennisgebied;

10.

is van mening dat de Stichting een cruciale rol kan spelen bij de verdere analyse van de toename van telewerk en de gevolgen daarvan voor het evenwicht tussen werk en privéleven en de kwaliteit van de arbeidsomstandigheden, de verspreiding van beste praktijken en de beoordeling van mogelijke beleidsreacties; verheugt zich over het werkprogramma van de Stichting dat gericht is op de analyse van beleidsmogelijkheden voor de verbetering van de arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en levensomstandigheden;

11.

benadrukt dat er toereikende personele en financiële middelen moeten worden gewaarborgd zodat de Stichting haar werkprogramma met een zeer hoog uitvoeringspercentage ten uitvoer kan blijven leggen, zo ook in het licht van de grote uitdagingen die uitgaan van, inter alia, de veranderende arbeidswereld en het aangekondigde actieplan van de Unie inzake zorg;

12.

geeft met zeer grote tevredenheid blijk van erkenning voor de succesvolle manier waarop de Stichting zich heeft aangepast aan de moeilijke omstandigheden die voortkwamen uit de COVID-19-pandemie en de waardevolle kennis en analyse die zijn verstrekt aan beleidsmakers en belanghebbenden over de veranderingen die de COVID-19-pandemie heeft teweeggebracht in de arbeidswereld en de kwaliteit van het bestaan in bredere zin (namelijk telewerk, platformwerk, de groeiende ongelijkheid tussen mannen en vrouwen en intergenerationele verschillen, het tekort aan arbeidskrachten, langdurige zorg, arbeidsverhoudingen enz.); wijst ook op de impact van de COVID-19-pandemie op het werk van de Stichting vanwege de ingrijpende wijziging van het geplande veldwerk voor de zevende Europese enquête naar de arbeidsomstandigheden, waardoor de mogelijkheid tot een trendanalyse van de arbeidsomstandigheden over meer dan twintig jaar verstoord werd;

13.

verheugt zich over het werk van de Stichting om de impact op leven en werken in de Unie gedurende de COVID-19-pandemie te analyseren door middel van haar e-enquête “Leven, werken en COVID-19” en het verslag over de gevolgen van COVID-19 voor jongeren in de EU;

14.

waardeert de steun van de Stichting aan vakbonden, werkgeversorganisaties, nationale regeringen en instellingen van de Unie en haar samenwerking met andere agentschappen van de Unie op het gebied van werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie die onder de bevoegdheid van het directoraat-generaal voor Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie van de Commissie (DG EMPL) vallen;

15.

verheugt zich over de inzet van de Stichting voor onderzoek en analyse op het gebied van digitale en groene transities en is van mening dat de Stichting in haar toekomstige werkprogramma’s de beleidsopties inzake de sociaaleconomische impact van de digitale en groene transities moet beoordelen en analyseren;

16.

waardeert, met het oog op het versterken van de onderlinge synergie-effecten, de nauwe samenwerking van de Stichting met DG EMPL en alle betrokken agentschappen van de Unie, zoals Cedefop, EIGE, ETF, FRA, EU-OSHA en EEA, en benadrukt tegelijkertijd dat het belangrijk is dat de Stichting haar onafhankelijkheid ten opzichte van de andere agentschappen van de Unie behoudt; is verheugd over de actieve deelname van de Stichting aan het netwerk van EU-agentschappen (EUAN);

Personeelsbeleid

17.

stelt vast dat de personeelsformatie op 31 december 2020 voor 95 % was ingevuld, aangezien 11 ambtenaren en 76 tijdelijke functionarissen waren aangesteld op de 91 posten die in het kader van de begroting van de Unie waren toegestaan (tegenover 91 toegestane posten in 2019); stelt vast dat in 2019 bovendien 11 arbeidscontractanten en één gedetacheerd nationaal deskundige voor de Stichting werkten;

18.

wijst op het genderevenwicht in het hoger management met vier mannen (44,4 %) en vijf vrouwen (55,56 %), in de raad van bestuur met 49 mannen (60,5 %) en 32 vrouwen (39,5 %) en in het totale personeelsbestand met 41 mannen (41,4 %) en 58 vrouwen (58,6 %);

19.

merkt op dat de Stichting beleidsmaatregelen heeft vastgesteld ter bescherming van de persoonlijke waardigheid en ter voorkoming van intimidatie; merkt op dat drie personeelsleden en een coördinator in 2020 een opleiding tot vertrouwenspersoon hebben gevolgd; neemt er kennis van dat één personeelslid in 2020 een klacht over intimidatie heeft ingediend en dat de zaak in 2021 is onderzocht en afgesloten; merkt op dat één geval van intimidatie aanhangig is gemaakt bij het Gerecht (T-630/19) en dat overeenkomstig zijn arrest van 8 september 2021 het beroep tegen de Stichting in zijn geheel is verworpen en verzoeker de kosten moest vergoeden;

20.

spoort de Stichting ertoe aan een beleidskader voor het personeelsbeleid voor de lange termijn te ontwikkelen dat gericht is op het evenwicht tussen werk en privéleven, levenslange begeleiding en loopbaanontwikkeling, genderevenwicht, telewerk, geografisch evenwicht en de aanwerving en integratie van personen met een handicap;

Aanbestedingen

21.

maakt uit het verslag van de Rekenkamer op dat de Stichting in juni 2019 een raamcontract heeft gesloten voor een maximumbedrag van 170 000 EUR voor de levering van elektriciteit op basis van een onderhandelingsprocedure met slechts één kandidaat, zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van opdracht; neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer dat aangezien de contractant een leverancier op de consumentenmarkt is, de geleverde elektriciteit niet op een grondstoffenmarkt wordt genoteerd en aangekocht, en dat de door de Stichting gevolgde uitzonderlijke procedure van gunning via onderhandelingen derhalve niet kan worden toegepast; neemt kennis van de conclusie van de Rekenkamer dat de desbetreffende contracten en de bijbehorende betalingen ten bedrage van 20 255 EUR onregelmatig zijn; neemt nota van het antwoord van de Stichting dat zij de opmerking aanvaardt en dat er begin 2021 een nieuwe aanbesteding is uitgeschreven;

22.

verneemt uit het verslag van de Rekenkamer dat de Stichting in oktober 2019 een onderhandelingsprocedure uitschreef met een geraamde begroting van 140 000 EUR voor een kaderovereenkomst inzake de renovatie van haar toiletvoorzieningen, dat de enige inschrijver werd geselecteerd met een contract ter waarde van 176 800 EUR (23 % boven de drempelwaarde voor een openbare procedure) (2), en dat de Stichting weliswaar naar behoren toestemming verleende voor de uitzonderlijke procedure van gunning via onderhandelingen, maar dat dit niet wegneemt dat gebruik had moeten worden gemaakt van een openbare procedure; wijst erop dat de Stichting het standpunt van de Rekenkamer heeft aanvaard, maar heeft geconcludeerd dat een herhaling van de aanbesteding waarbij gebruik zou worden gemaakt van een openbare procedure in plaats van de procedure van gunning via onderhandelingen, niet tot een economisch voordeliger resultaat zou hebben geleid;

23.

merkt op dat de Stichting e-aanbestedingen heeft ingevoerd en dat de module voor e-indiening sinds medio 2019 operationeel is; merkt op dat de Stichting in 2020 een reeks richtsnoeren heeft opgesteld om in het kader van openbare aanbestedingen voor producten en diensten duidelijke en verifieerbare milieucriteria vast te stellen en dat zij zich heeft aangesloten bij het interinstitutionele raamcontract voor de helpdesk voor groene overheidsopdrachten van de Commissie;

Preventie van en omgang met belangenconflicten en transparantie

24.

neemt kennis van de bestaande maatregelen en lopende inspanningen van de Stichting om transparantie te waarborgen, belangenconflicten te voorkomen en aan te pakken en klokkenluiders te beschermen; merkt op dat niet van alle leden van de raad van bestuur het cv en de belangenverklaring op de website van de Stichting zijn gepubliceerd;

25.

merkt op dat de Stichting de in 2020 door haar raad van bestuur vastgestelde regels voor de preventie en aanpak van belangenconflicten heeft bijgewerkt, en dat het panel voor de beoordeling van belangenconflicten namens de raad van bestuur aan de hand van een duidelijke lijst van criteria en beginselen de verklaringen van de leden van de raad van bestuur beoordeelt; merkt op dat geen enkele verklaring over belangenconflicten van een lid van de raad van bestuur of externe persoon aanleiding heeft gegeven tot een gedetailleerde beoordeling van de belangenverklaringen in 2020;

Interne controle

26.

merkt op dat de dienst Interne Audit (IAS) van de Commissie in 2020 een audit heeft uitgevoerd op het gebied van personeelsbeheer en ethiek, naar aanleiding van de grondige risicobeoordeling die in 2019 is uitgevoerd in het kader van de voorbereiding van het strategisch plan voor audits voor 2020-2022 van de IAS; merkt op dat de Stichting naar aanleiding van de aanbevelingen van de IAS een actieplan moet opstellen;

27.

merkt op dat de Stichting in 2020 gevolg heeft gegeven aan alle aanbevelingen in het kader van de doelmatigheidscontrole met betrekking tot de prioritering van de activiteiten van de Stichting en de toewijzing van middelen, die de IAS in 2018 heeft uitgevoerd;

28.

merkt op dat de Stichting in 2020 een frauderisicobeoordeling heeft uitgevoerd en dat de belangrijkste conclusies daarvan zijn opgenomen in de nieuwe fraudebestrijdingsstrategie van de Stichting, die in november 2020 is aangenomen; merkt op dat de nieuwe fraudebestrijdingsstrategie gericht is op de ontwikkeling van een fraudebestrijdingscultuur door middel van bewustmakingsactiviteiten en de koppeling van interne controles en fraudepreventie;

29.

merkt op dat de Stichting een beoordeling van haar internecontrolesysteem heeft uitgevoerd en heeft geconcludeerd dat de uitvoering van de vijf onderdelen en de bijbehorende internecontrolebeginselen voldoende verankerd is in de cultuur, procedures en controleactiviteiten van de Stichting; merkt op dat niettemin verschillende elementen van het internecontrolesysteem werden versterkt, met name dat de lopende monitoring werd versterkt met een nieuwe enquête onder werknemers over de arbeidsomstandigheden en een enquête over fraudebewustzijn, waardoor mogelijke tekortkomingen vroegtijdig kunnen worden opgespoord; is ingenomen met de inspanningen van de Stichting in dit verband;

30.

stelt vast dat de Rekenkamer melding heeft gemaakt van tekortkomingen bij de interne controle met betrekking tot “gevoelige functies” en aanverwante risicobeperkende controles, waarbij werd vastgesteld dat de inventaris van gevoelige functies achterhaald was en niet langer de huidige interne organisatie van de Stichting weergaf; is echter tevreden dat op 23 juni 2021 de laatste hand werd gelegd aan een nieuw beleid inzake gevoelige functies naar aanleiding van de controle van de Rekenkamer die in het eindverslag van de Rekenkamer was opgenomen;

COVID-19-respons en bedrijfscontinuïteit

31.

merkt op dat de Stichting bij de uitoefening van haar werkzaamheden in 2020 aanvankelijk zwaar werd getroffen door de COVID-19-pandemie; merkt op dat de Stichting zich snel heeft afgestemd op telewerk en dat zij haar allereerste online-enquête, een nieuwe databank en verscheidene bijgewerkte outputs op het gebied van onderzoek en communicatie heeft ontwikkeld en gelanceerd; merkt op dat de Stichting de elektronische enquête “Leven en werken in tijden van COVID-19” heeft ontwikkeld om de gevolgen van de pandemie voor mensen in heel Europa in kaart te brengen en dat zij er aldus in geslaagd is als een van de eerste Europese instellingen, agentschappen en organen nieuwe data over de pandemie te verstrekken; merkt op dat de Stichting ook de databank COVID-19 EU PolicyWatch heeft opgezet; merkt op dat de evenementen die in 2020 met fysieke aanwezigheid zouden worden gehouden, in webinars werden omgezet, en dat het conversiepercentage van inschrijvers naar feitelijke deelnemers 30 à 50 % bedroeg, wat volgens de Stichting hoger is dan het gemiddelde in de sector;

Overige opmerkingen

32.

merkt op dat de Stichting in 2020 met meer cyberdreigingen is geconfronteerd en dat zij een groter aantal proactieve systeembeveiligingsupdates heeft gelanceerd en een groter aantal proactieve risicobeoordelingen heeft verricht; neemt kennis van de samenwerking met het CERT-EU en het directoraat-generaal Informatica van de Commissie om de uitwisseling van inlichtingen over cyberdreigingen te intensiveren; merkt op dat de Stichting haar gegevensbescherming heeft uitgebreid door gebruik te maken van diensten op het gebied van cloudback-up op een afzonderlijke locatie, en dat zij momenteel werkt aan een alomvattend cyberbeveiligingsbeleid; verzoekt de Stichting de kwijtingsautoriteit op de hoogte te houden van het cyberbeveiligingsbeleid en de gevolgen voor de Stichting;

33.

merkt op dat de Stichting in september 2020 haar deelname heeft bevestigd aan een initiatief van het Parlement inzake een helpdesk voor groene overheidsopdrachten, om bijstand te verlenen op het vlak van duurzame aanbestedingen;

34.

herinnert eraan dat het belangrijk is de Stichting verder te digitaliseren, wat interne werking en management betreft, maar ook ter versnelling van de digitalisering van de procedures; benadrukt dat de Stichting op dit gebied proactief moet blijven, teneinde een digitale kloof tussen de agentschappen tegen elke prijs te voorkomen; wijst er evenwel op dat alle noodzakelijke beveiligingsmaatregelen moeten worden getroffen om risico’s voor de onlineveiligheid van de verwerkte informatie te voorkomen;

35.

verwijst voor andere opmerkingen van horizontale aard bij het kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van 4 mei 2022 (3) over het functioneren en het financiële beheer van en de controle op de agentschappen.

 


(1)   PB C 107 van 31.3.2020, blz. 8.

(2)  Artikel 175, lid 1, van het Financieel Reglement — Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 en artikel 4 van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65), waarin het drempelbedrag voor overheidsopdrachten voor leveringen en diensten is vastgesteld op 144 000 EUR.

(3)  Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0196.