|
25.2.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 47/3 |
RESOLUTIE (EU) 2022/295 VAN HET EUROPEES PARLEMENT
van 19 oktober 2021
met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019, afdeling II — Europese Raad en Raad
HET EUROPEES PARLEMENT,
|
— |
gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019, afdeling II — Europese Raad en Raad, |
|
— |
gezien artikel 100 van en bijlage V bij zijn Reglement, |
|
— |
gezien het tweede verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0276/2021), |
|
A. |
overwegende dat iedere instelling overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar in de Verdragen zijn toegedeeld en volgens de daarin bepaalde procedures, voorwaarden en doelstellingen, en dat de instellingen loyaal samenwerken; |
|
B. |
overwegende dat alle instellingen van de Unie transparant moeten zijn en dat zij ten volle verantwoording verschuldigd zijn aan de burgers van de Unie voor de hun als instelling van de Unie toevertrouwde middelen; |
|
C. |
overwegende dat transparantie en verantwoordingsplicht essentiële elementen zijn in het kader van de kwijtingsprocedure om de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie ten opzichte van de burgers van de Unie te waarborgen; |
|
D. |
overwegende dat de transparante kwijtingsprocedure een transparant bestuur van de Unie vereist en overwegende dat de noodzaak om de financiële belangen van de Unie te beschermen verlangt dat elke instelling van de Unie verantwoording verschuldigd is over de begroting die zij uitvoert; |
|
E. |
overwegende dat de kwijtingsautoriteit van oordeel is dat de Europese Raad en de Raad, als instellingen van de Unie, een democratische verantwoordingsplicht hebben tegenover de burgers van de Unie voor zover zij begunstigden zijn van middelen uit de algemene begroting van de Unie; |
|
1. |
herinnert eraan dat de rol van het Parlement bij het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting is vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en in het Financieel Reglement; |
|
2. |
wijst erop dat de Unie, ingevolge artikel 335 VWEU, wordt vertegenwoordigd “door elk van de instellingen [...], uit hoofde van hun administratieve autonomie, voor de aangelegenheden die verband houden met hun respectieve werking”, en dat de instellingen derhalve, ook met inachtneming van artikel 59 van het Financieel Reglement, beschikken over de nodige bevoegdheden en individueel verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de hun betreffende onderdelen van de begroting; |
|
3. |
wijst op de rol van het Parlement en de andere instellingen in de kwijtingsprocedure, zoals geregeld in het VWEU, met name in artikel 319, en bij het Financieel Reglement, en met name in de artikelen 260 t/m 263 daarvan; onderstreept dat de rol van het Parlement wordt versterkt door een gevestigde en gerespecteerde praktijk; |
|
4. |
wijst erop dat, ingevolge artikel 100 van het Reglement van het Parlement, “de bepalingen inzake de verlening van kwijting aan de Commissie voor de uitvoering van de begroting [...] eveneens van toepassing zijn voor de procedure voor de verlening van kwijting aan [...] de personen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de begrotingen van de overige instellingen en organen van de Europese Unie, zoals de Raad”; |
|
5. |
betreurt het dat de Raad al meer dan tien jaar heeft geweigerd mee te werken aan de kwijtingsprocedure, waardoor het Parlement gedwongen wordt om te weigeren kwijting te verlenen; |
|
6. |
betreurt het dat de Raad nog steeds niet heeft gereageerd op de opmerkingen die het Parlement in zijn kwijtingsresolutie van 29 april 2021 (1) heeft gemaakt als voortzetting van de trend sinds 2009; |
|
7. |
betreurt het dat de begroting van de Europese Raad en de Raad niet in twee afzonderlijke begrotingen is verdeeld, zoals het Parlement in recente kwijtingsresoluties heeft aanbevolen, omwille van transparantie en om zowel de efficiëntie van de uitgaven als de verantwoordingsplicht van ieder van de twee instellingen te verbeteren; |
|
8. |
betreurt het dat de Raad, ondanks zijn oorspronkelijke toezegging, tot dusver geen adequate effectbeoordeling heeft uitgevoerd van zijn substantiële wijzigingen in de voorstellen van de Commissie; wijst er opnieuw op dat dergelijke beoordelingen een van de belangrijkste factoren zijn om de kwaliteit van de wetgeving van de Unie te verbeteren zoals vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 (2); |
|
9. |
wijst op het verbeterde systeem voor financieel beheer en prestaties van de Raad; betreurt het echter dat er momenteel geen verslag is met een uitgebreide samenvatting van de belangrijkste kernprestatie-indicatoren en -resultaten, waardoor de bereikte resultaten niet kunnen worden gemeten aan de hand van de vastgestelde doelstellingen; |
|
10. |
betreurt het gebrek aan informatie over de uitvoering van het genderactieplan van de Raad en van de maatregelen die zijn genomen om bij de Raad (als werkplek) gelijke kansen te garanderen voor personen met een handicap; verzoekt de Raad het Parlement gedetailleerde informatie te verstrekken over het percentage personen met een handicap en over het geografische en genderevenwicht, met name op het niveau van het hoger management; verzoekt de Raad verslag uit te brengen over de maatregelen die zijn genomen om gelijke kansen, geografisch evenwicht en gendergelijkheid bij de Raad te verzekeren; |
|
11. |
betreurt het gebrek aan informatie van de Raad over doeltreffende maatregelen tegen gender- en geografische onevenwichtigheden, onder meer op leidinggevend niveau; herinnert aan de noodzaak van harmonisatie van de bescherming van de rechten van de vrouw en een sterkere integratie en coördinatie van gendergelijkheid in het beleid van de Unie door middel van een intersectionele aanpak; herinnert in dit verband aan de resolutie van het Parlement van 17 december 2020 over de noodzaak van een specifieke Raadsformatie voor gendergelijkheid (3); |
|
12. |
betreurt het gebrek aan informatie over maatregelen van de Raad ter bevordering van de ethische cultuur en wijst erop dat er geen melding bij het Parlement is gemaakt van een initiatief in dat verband; wijst erop dat er concrete stappen moeten worden ondernomen om goede praktijken toe te passen, zoals specifieke opleiding, bepalingen inzake gedragscodes of interne richtsnoeren met betrekking tot integriteit en ethische waarden, een specifieke website of een lijst van veelgestelde vragen (FAQ’s) over ethische kwesties of procedures voor de bescherming van klokkenluiders; herinnert eraan dat de Rekenkamer in haar Speciaal verslag nr. 13/2019 van 19 juli 2019 getiteld “De ethische kaders van de gecontroleerde EU-instellingen: ruimte voor verbetering” verklaart dat “ethisch gedrag [bijdraagt] tot een beter financieel beheer en een sterker vertrouwen van het publiek, hetgeen onmisbaar is wil overheidsbeleid succes kunnen hebben” en met name dat “onethisch gedrag van personeel en leden van de instellingen en organen van de Europese Unie (EU) veel publieke aandacht [krijgt] en het vertrouwen [vermindert] in de EU”; |
|
13. |
betreurt het gebrek aan aandacht voor de noodzaak van een ethisch kader, transparantie en het voorkomen, opsporen en vermijden van belangenconflicten; herhaalt zijn diepe bezorgdheid over de belangenconflicten van een aantal vertegenwoordigers van de lidstaten die betrokken zijn bij besluitvormingsprocessen met betrekking tot het beleid en de begroting; wijst in dit verband op de conclusies van de audit van de Commissie over de Tsjechische premier Andrej Babiš en Agrofert, waarin het bestaan van belangenconflicten wordt bevestigd; wijst er nogmaals op dat daadwerkelijke of als zodanig opgevatte belangenconflicten schadelijk zijn voor de reputatie van de Raad en de Unie als geheel; herhaalt zijn nadrukkelijke verzoek aan de Raad om ervoor te zorgen dat vertegenwoordigers van de lidstaten die rechtstreeks van subsidies van de Unie profiteren via de bedrijven die zij bezitten, niet direct of indirect deelnemen aan de besprekingen en stemmingen over het beleid en de begroting ter zake; verzoekt de Raad het Parlement informatie te verstrekken over de nodige maatregelen die genomen zijn ter voorkoming van belangenconflicten; betreurt het dat de Raad de voorstellen van het Parlement om de digitalisering op het gebied van audit en controle te vergroten categorisch verwerpt en weigert samen te werken om de interoperabiliteit van bestaande EU- en nationale databanken en rapportage- en monitoringsystemen te vergroten; is zeer verontrust over de officiële en onofficiële conclusies van de Europese Raad die, ondanks bestaande belangenconflicten, gevolgen hebben voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid en voor de onderhandelingen in het kader van het cohesiebeleid over een maximale financiering per natuurlijke persoon en rechtspersoon; |
|
14. |
betreurt het dat sommige lidstaten een beroep doen op sponsoring door bedrijven om een deel van de activiteiten van hun voorzitterschappen van de Raad te financieren die niet uit de begroting van de Raad worden betaald; herhaalt zijn grote zorgen over de mogelijke reputatieschade die deze praktijk kan berokkenen aan de Raad en de Unie; neemt kennis van de definitieve tekst van 30 juni 2021 die moet worden opgenomen in het handboek van het voorzitterschap van de Raad als leidraad voor de voorzitterschappen van de Raad met betrekking tot sponsoring; is ingenomen met deze positieve stap, maar betreurt het gebrek aan een gemeenschappelijke reeks duidelijke, transparante en concrete regels; verzoekt de Raad deze richtsnoeren verder uit te werken en verplicht te stellen voor de lidstaten; |
|
15. |
betreurt het dat de verslaglegging door de Raad over maatregelen ter verbetering van de wetgevingstransparantie nog steeds minder dan volledig bevredigend is en herhaalt zijn oproep aan de Raad om zijn inspanningen op het gebied van transparantie op te voeren, onder meer door werkdocumenten van de Raad te publiceren, de standpunten van de lidstaten te registreren en te publiceren en meer trialoogdocumenten beschikbaar te stellen; is ingenomen met het feit dat de Europese Raad het Interinstitutioneel Akkoord over een verplicht transparantieregister (4) heeft ondertekend; dringt aan op een uitbreiding van het gebruik ervan tot activiteiten van permanente vertegenwoordigingen en andere ambtenaren die vanwege de huidige beperkingen niet gedekt zijn; |
|
16. |
betreurt het dat geen volledige informatie wordt verstrekt over de notulen van de bijeenkomsten tussen lobbyisten en de voorzitter van de Europese Raad of leden van zijn kabinet, zoals wordt voorgesteld in het besluit van de Europese Ombudsman van 18 juni 2019 in zaak 1946/2018/KR over de wijze waarop het secretariaat-generaal van de Raad het publiek informeert over ontmoetingen van de voorzitter van de Europese Raad en leden van zijn kabinet met belangenvertegenwoordigers; |
|
17. |
betreurt het gebrek aan maatregelen en initiatieven van de kant van de Raad om te zorgen voor een gedegen, transparante en efficiënte benoemingsprocedure van de Europese aanklagers en in verband met het voorstel van de lidstaten voor gedelegeerde Europese aanklagers; |
|
18. |
betreurt de moeilijkheden die tot op heden herhaaldelijk in de kwijtingsprocedures van de Raad zijn ondervonden als gevolg van een gebrek aan medewerking van de Raad; wijst erop dat het Parlement geweigerd heeft de secretaris-generaal van de Raad kwijting te verlenen voor de begrotingsjaren 2009 tot en met 2018 en zijn besluit heeft uitgesteld over het verlenen van kwijting van de secretaris-generaal van de Raad voor het begrotingsjaar 2019, om de redenen die zijn uiteengezet in zijn kwijtingsresolutie van 29 april 2021; |
|
19. |
betreurt het dat het Parlement niet in staat is met kennis van zaken een besluit te nemen over het verlenen van kwijting aan de secretaris-generaal van de Raad, omdat voor een doeltreffende begrotingscontrole de samenwerking van het Parlement en de Raad vereist is, hetgeen momenteel niet het geval is; benadrukt dat de uitgaven van de Raad op dezelfde wijze moeten worden gecontroleerd als de uitgaven van andere instellingen en wijst erop dat de essentiële onderdelen van deze controle zijn vastgelegd in de kwijtingsresoluties van het Parlement van de afgelopen jaren; |
|
20. |
wijst erop dat de Raad, als instelling die aanbevelingen doet over de kwijtingsprocedure, dit sneller en met respect voor de andere instellingen van de Unie moet doen; |
|
21. |
betreurt het dat de Raad blijft verzuimen de vragen van het Parlement te beantwoorden en de hoorzittingen van de secretarissen-generaal van de instellingen bij te wonen; |
|
22. |
brengt in herinnering dat het Parlement de enige instelling is die rechtstreeks door de burgers van de Unie wordt verkozen en dat de rol van het Parlement in de kwijtingsprocedure direct samenhangt met het recht van de burgers om in kennis te worden gesteld van de manier waarop overheidsmiddelen worden besteed; |
|
23. |
onderstreept de bevoegdheid van het Parlement om kwijting te verlenen krachtens de artikelen 316, 317 en 319 van het VWEU, in overeenstemming met de tot nu toe gehanteerde interpretatie en praktijk, namelijk verlening van kwijting voor elk afzonderlijk onderdeel van de begroting omwille van de transparantie en de democratische verantwoordingsplicht jegens de belastingbetalers van de Unie; wijst erop dat het Parlement zijn prerogatieven in de kwijtingsprocedures ten aanzien van alle instellingen, organen en instanties van de Unie uitoefent en betreurt het dat de Raad de enige is die weigert loyaal samen te werken en ieders prerogatieven en rollen te eerbiedigen; |
|
24. |
is van mening dat het gebrek aan samenwerking van de kant van de Europese Raad en de Raad met de kwijtingsautoriteit niet alleen in strijd is met het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen en een negatief signaal is aan de burgers van de Unie, maar ook een gebrek aan respect voor de rol van het Parlement als hoeder van de transparantie en democratische verantwoordingsplicht van de begroting van de Unie; |
|
25. |
herhaalt dat de samenwerking tussen de instellingen in het kader van de kwijtingsprocedure moet worden verbeterd door middel van een memorandum van overeenstemming tussen het Parlement, de Raad en de Commissie over de samenwerking tussen het Parlement en de Raad in het kader van de jaarlijkse kwijtingsprocedure; herinnert eraan dat het Parlement de Raad meer dan een jaar geleden in kennis heeft gesteld van de samenstelling van zijn onderhandelingsteam en dat het bereid is de dialoog op elk moment te hervatten, maar nog altijd in afwachting is van de reactie van de Raad; dringt er in dit verband bij de Raad op aan onverwijld interinstitutionele onderhandelingen te beginnen. |
(1) Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0166.
(2) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0379.
(4) Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie van 20 mei 2021 over een verplicht transparantieregister (PB L 207 van 11.6.2021, blz. 1).