5.5.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 184/118


P9_TA(2021)0437

VN-klimaatconferentie in Glasgow, VK (COP26)

Resolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2021 over de VN-klimaatconferentie 2021 in Glasgow, VK (COP26) (2021/2667(RSP))

(2022/C 184/09)

Het Europees Parlement,

—

gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,

—

gezien de Overeenkomst van Parijs, goedgekeurd op de 21e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC (COP21) te Parijs op 12 december 2015 (Overeenkomst van Parijs),

—

gezien de 25e Conferentie van de partijen bij het UNFCCC (COP25), de 15e sessie van de bijeenkomst van de partijen bij het Protocol van Kyoto (CMP15) en de tweede sessie van de Conferentie van de partijen waarin de partijen bij de Overeenkomst van Parijs bijeenkomen (CMA2), die van 2 t/m 13 december 2019 in Madrid, Spanje, hebben plaatsgevonden,

—

gezien het besluit van het bureau van de Conferentie van de partijen bij het UNFCCC van 28 mei 2020, samen met het Verenigd Koninkrijk en de Italiaanse partners, om de VN-klimaatconferentie COP26 uit te stellen vanwege COVID-19 en haar opnieuw bijeen te roepen in Glasgow, Verenigd Koninkrijk, van 1 t/m 12 november 2021,

—

gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN,

—

gezien de op 25 en 26 januari 2021 gehouden mondiale top over aanpassing aan de klimaatverandering,

—

gezien Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit (“Europese klimaatwet”) (1),

—

gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de VN-klimaatconferentie van 2019 in Madrid, Spanje (COP25) (2),

—

gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu (3),

—

gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal (4),

—

gezien zijn resolutie van 16 september 2020 over maatregelen van de EU om de bossen wereldwijd te beschermen en te herstellen (5),

—

gezien zijn resolutie van 17 december 2020 over de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering (6),

—

gezien zijn resolutie van 28 april 2021 over bodembescherming (7),

—

gezien zijn resolutie van 9 juni 2021 over de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030: de natuur terug in ons leven brengen (8),

—

gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640),

—

gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2020, getiteld “Een nieuw actieplan voor een circulaire economie — Voor een schoner en concurrerender Europa” (COM(2020)0098),

—

gezien de mededeling van de Commissie van 24 februari 2021, getiteld “Een klimaatveerkrachtig Europa tot stand brengen — de nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering” (COM(2021)0082),

—

gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2020 over een EU-strategie om methaanemissies terug te dringen (COM(2020)0663),

—

gezien de conclusies van de Raad van 25 januari 2021 over klimaat- en energiediplomatie — verwezenlijking van de externe dimensie van de Europese Green Deal,

—

gezien de conclusies van de Raad van 6 oktober 2021 over de voorbereiding van de UNFCCC-bijeenkomsten in Glasgow van 31 oktober tot en met 12 november 2021,

—

gezien het mondiaal evaluatieverslag over biodiversiteit en ecosysteemdiensten van het intergouvernementeel platform voor wetenschap en beleid inzake biodiversiteit en ecosysteemdiensten (IPBES),

—

gezien het speciaal verslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) over de opwarming van de aarde met 1,5 oC, het vijfde evaluatierapport van die werkgroep en het bijbehorende samenvattend verslag, het speciaal verslag van die werkgroep over de klimaatverandering en de bodem en het speciaal verslag van die werkgroep over de oceanen en de cryosfeer in een veranderend klimaat,

—

gezien het verslag van de Hulporganisatie voor wetenschappelijk en technologisch advies van het UNFCCC van 29 april 2021, getiteld “Ocean and climate change dialogue to consider how to strengthen adaptation and mitigation action” (Dialoog over oceanen en klimaatverandering om na te gaan hoe de aanpassings- en matigingsmaatregelen kunnen worden versterkt),

—

gezien het vlaggenschipverslag van de Global Commission on Adaptation van 10 september 2019, getiteld “Adapt now: a global call for leadership on climate resilience” (Pas nu aan: een wereldwijde oproep tot leiderschap inzake klimaatbestendigheid),

—

gezien het samenvattend verslag van het UNFCCC van 17 september 2021 over nationaal bepaalde bijdragen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs,

—

gezien het 11e rapport over de emissiekloof van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties van 9 december 2020,

—

gezien het verslag van het Internationaal Energieagentschap van mei 2021 “Net Zero by 2050: A Roadmap for the Global Energy Sector” (Netto nul in 2050: een routekaart voor de wereldwijde energiesector),

—

gezien het rapport van het VN-milieuprogramma van 18 februari 2021, getiteld “Making Peace with Nature: a scientific blueprint to tackle the climate, biodiversity and pollution emergencies” (Vrede sluiten met de natuur: een wetenschappelijke blauwdruk om de noodsituaties op het gebied van klimaat, biodiversiteit en verontreiniging aan te pakken),

—

gezien het IPBES-verslag van 29 oktober 2020, getiteld “IPBES workshop on biodiversity and pandemics — workshop report” (IPBES-workshop over biodiversiteit en pandemieën — workshopverslag),

—

gezien het gezamenlijke workshopverslag van het IPBES en de IPCC over biodiversiteit en klimaatverandering van 10 juni 2021,

—

gezien het verslag van de Wereld Meteorologische Organisatie van april 2021 over de toestand van het mondiale klimaat in 2020,

—

gezien het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015-2030,

—

gezien het rapport van het VN-milieuprogramma van 6 mei 2021, getiteld “Global Methane Assessment: Benefits and Costs of Mitigating Methane Emissions” (Wereldwijde methaanraming: voordelen en kosten van het verminderen van methaanuitstoot),

—

gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over de Conferentie van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering van 2021 in Glasgow, VK (COP26) (O-000065/2021 — B9-0039/2021 en O-000066/2021 — B9-0040/2021),

—

gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

—

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

A.

overwegende dat de Overeenkomst van Parijs op 4 november 2016 in werking is getreden; overwegende dat op 12 oktober 2021 191 van de 197 partijen bij het UNFCCC hun akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding bij de VN hebben ingediend;

B.

overwegende dat de EU en haar lidstaten op 17 december 2020 hun bijgewerkte nationaal bepaalde bijdragen (NDC’s) bij het secretariaat van het UNFCCC hebben ingediend, en dat de EU daarin de bindende doelstelling aangaat om de binnenlandse broeikasgasemissies van de gehele economie tegen 2030 netto met ten minste 55 % te verminderen ten opzichte van 1990 zonder een bijdrage van internationale kredieten;

C.

overwegende dat volgens het “emissions gap report 2020” van het Milieuprogramma van de VN (UNEP) de toezeggingen die de ondertekenaars van de Overeenkomst van Parijs tot dusver hebben gedaan, ontoereikend zullen zijn om het gemeenschappelijke doel ervan te bereiken en zullen leiden tot een opwarming van de aarde met meer dan 3 oC boven het pre-industriële niveau; betreurt het feit dat veel partijen bij het UNFCCC nog niet voldoende maatregelen hebben genomen om zelfs maar hun NDC’s te halen en dat een aanzienlijk deel van de geboekte vooruitgang ongedaan wordt gemaakt door contraproductief beleid, zoals het blijven toekennen van subsidies voor fossiele brandstoffen en voor de bouw van nieuwe kolencentrales; waarschuwt in dit verband voor positieve natuurlijke “feedback loops”, die rampzalige gevolgen zouden kunnen hebben wat betreft de opwarming van de aarde;

D.

overwegende dat de concentratie van de belangrijkste broeikasgassen in 2020 is blijven stijgen, ondanks een tijdelijke daling van de uitstoot in verband met COVID-19, en dat de concentratie koolstofdioxide (CO2) in onze atmosfeer volgens de Wereld Meteorologische Organisatie de hoogste was in meer dan 3 miljoen jaar; overwegende dat 2020 een van de drie warmste jaren ooit was, met gemiddelde temperaturen die 1,2 oC boven het pre-industriële niveau lagen; overwegende dat het laatste decennium (2011-2020) het warmste was dat ooit is gemeten;

E.

overwegende dat intern EU-beleid alléén niet zal volstaan om de wereldwijde emissies van broeikasgassen in te dammen en de temperatuurstijging te beperken, in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs; overwegende dat er collectieve, onmiddellijke en ambitieuze wereldwijde actie nodig is om de stijging van de temperatuur te beperken tot 1,5 oC boven de pre-industriële niveaus;

F.

overwegende dat in de preambule van de Overeenkomst van Parijs “het belang van het waarborgen van de integriteit van alle ecosystemen, waaronder oceanen” wordt erkend, en overwegende dat in artikel 4, lid 1, punt d), van het UNFCCC wordt benadrukt dat de partijen bij dat verdrag een duurzaam beheer en de instandhouding en uitbreiding van putten en reservoirs van alle broeikasgassen zullen bevorderen, waaronder biomassa, bossen en oceanen, alsmede andere ecosystemen op het land, langs de kust en in zee; overwegende dat in artikel 2, lid 1, punt b), wordt benadrukt dat de aanpassing aan de klimaatverandering en de ontwikkeling van de bestendigheid, alsmede de reductie van de emissies van broeikasgassen de voedselproductie niet in gevaar mogen brengen; overwegende dat in het mondiaal evaluatieverslag over biodiversiteit en ecosysteemdiensten van het IPBES wordt benadrukt dat duurzaam gebruik van de natuur essentieel zal zijn voor de aanpassing aan en de beperking van het gevaarlijke antropogene ingrijpen in het klimaatsysteem;

G.

overwegende dat de gevolgen van de klimaatverandering en het verlies aan biodiversiteit twee van de belangrijkste uitdagingen en risico’s voor de menselijke samenlevingen vormen; merkt op dat de meeste voorgaande maatregelen de problemen op het gebied van de klimaatverandering en het verlies aan biodiversiteit los van elkaar hebben aangepakt;

H.

overwegende dat de wereldwijde Aichi-doelstellingen inzake biodiversiteit voor 2020 niet zijn gehaald, waardoor het des te dringender is dat de ambitie en de reikwijdte van het behoud van biodiversiteit snel worden uitgebreid;

I.

overwegende dat het van cruciaal belang is de oceanen in stand te houden, niet alleen als primaire voedselbron, maar ook vanwege hun belang voor de koolstofcyclus, het regelen van het klimaat en het produceren van de meeste zuurstof die we inademen; overwegende dat in het speciaal verslag van de IPCC over de oceanen en de cryosfeer nader wordt uitgelegd dat klimaatmechanismen afhankelijk zijn van de gezondheid van de oceanen en dat mariene ecosystemen op dit moment de gevolgen ondervinden van de wereldwijde opwarming van het klimaat, vervuiling, overexploitatie van de mariene biodiversiteit, verzuring, zuurstofverlies en kusterosie; overwegende dat er in het verslag ook aan wordt herinnerd dat de oceanen sinds 1970 geleidelijk warmer zijn geworden en meer dan 90 % van de overtollige warmte in het klimaatsysteem hebben geabsorbeerd, en dat de oceanen een deel van de oplossing vormen om de gevolgen van de klimaatverandering te verzachten en zich daaraan aan te passen; overwegende dat het derhalve noodzakelijk is de uitstoot van broeikasgassen en de verontreiniging van ecosystemen te verminderen en de natuurlijke koolstofputten te versterken;

J.

overwegende dat natuurgebaseerde oplossingen en ecosysteemgebaseerde benaderingen een belangrijke rol spelen bij de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering; overwegende dat de bescherming en het herstel van reeds bestaande en goed functionerende natuurlijke koolstofputten, met inbegrip van de koolstofreservoirs in de oceanen, essentieel zijn;

K.

overwegende dat bossen een belangrijke rol spelen in de aanpak van de klimaatverandering, als koolstofreservoirs, die jaarlijks ongeveer 2 miljard ton CO2 opnemen; overwegende dat het beschermen en verbeteren van de bossen van de wereld een van de meest kostenefficiënte klimaatmaatregelen is en dat op bossen gestoelde maatregelen voor de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering, mits volledig ten uitvoer gelegd, de emissies van broeikasgassen tegen 2050 met ongeveer 15 gigaton CO2 per jaar zouden kunnen verminderen, hetgeen mogelijk genoeg zou kunnen zijn om de opwarming van de aarde ver onder de 2 oC te houden;

L.

overwegende dat het terugdringen van ontbossing en aantasting van bossen kan bijdragen tot een vermindering van door de mens veroorzaakte broeikasgasemissies met een ruime marge van 0,4 tot 5,8 gigaton CO2-equivalent per jaar (9);

M.

overwegende dat een kwart van het noordelijk halfrond bedekt is met permanent bevroren grond, bekend als de permafrost; overwegende dat als gevolg van de opwarming van de aarde de permafrost in het Noordpoolgebied ongekend snel ontdooit; overwegende dat permafrost een enorm reservoir van broeikasgassen is met het potentieel om tot 1 600 gigaton CO2 vast te houden — bijna tweemaal zoveel als er momenteel in de atmosfeer zit — maar ook methaan en distikstofoxide; overwegende dat het vrijkomen ervan de opwarming van de aarde ernstig zou kunnen versnellen en verergeren (10);

N.

overwegende dat de voorspelde klimaatverandering volgens de Wereldgezondheidsorganisatie tegen 2030 ongeveer 250 000 extra sterfgevallen per jaar zal veroorzaken, en dat de kosten van de directe schade aan de gezondheid tegen 2030 naar schatting 2 tot 4 miljard USD per jaar zullen bedragen;

O.

overwegende dat verlies aan biodiversiteit dat samenhangt met de transformatie van landschappen in sommige gevallen kan leiden tot een groter risico op het ontstaan van ziektes, aangezien soorten die zich goed aanpassen aan door mensen gedomineerde landschappen ook ziekteverwekkers bij zich kunnen dragen waarmee een hoog risico van zoönotische overdracht is gemoeid;

P.

overwegende dat luchtverontreiniging en klimaatverandering niet los van elkaar kunnen worden gezien en een aantal gemeenschappelijke antropogene oorzaken hebben; overwegende dat luchtverontreiniging volgens de Wereldgezondheidsorganisatie wereldwijd naar schatting 4,2 miljoen sterfgevallen per jaar veroorzaakt als gevolg van hartaanvallen, hartaandoeningen, longkanker en acute en chronische aandoeningen aan de luchtwegen;

Q.

overwegende dat het aantal rampen en de schaal van de economische verliezen volgens het Bureau van de Verenigde Naties voor rampenrisicovermindering de afgelopen 20 jaar bijna zijn verdubbeld, en dat dit in belangrijke mate toe te schrijven is aan een significante toename van het aantal klimaatgerelateerde rampen;

R.

overwegende dat de klimaatverandering en haar rampzalige gevolgen nu reeds van invloed zijn op de migratiepatronen; overwegende dat volgens een studie van de Wereldbank uit 2018 bijna 3 % van de bevolking in Afrika ten zuiden van de Sahara, in Zuid-Azië en in Latijns-Amerika gedwongen zou kunnen worden binnen hun eigen land te verhuizen om aan de oprukkende gevolgen van de klimaatverandering te ontsnappen (11); overwegende dat indien er geen gezamenlijke aanpassingsinspanningen worden geleverd, meer dan 700 miljoen mensen in laaggelegen kustgebieden en kleine eilandstaten het risico lopen met zwaardere stormen, overstromingen en uiteindelijk het verlies van hun land en gedwongen verhuizing te worden geconfronteerd;

S.

overwegende dat de Overeenkomst van Parijs het eerste internationale verdrag is waarin het verband tussen klimaatactie en mensenrechten uitdrukkelijk wordt erkend, en dat hieruit voortvloeit dat het gebruik van bestaande rechtsinstrumenten betreffende de mensenrechten is toegestaan om staten en particuliere ondernemingen ertoe aan te sporen hun uitstoot te verminderen; overwegende dat er in het kader van de Overeenkomst van Parijs geen concrete instrumenten zijn ingesteld om landen en ondernemingen ter verantwoording te roepen voor hun invloed op de klimaatverandering en de uitoefening van de mensenrechten;

T.

overwegende dat de klimaatverandering ook een sterke mensenrechtendimensie heeft, aangezien zij direct en indirect van invloed is op de verwezenlijking van een aantal universeel erkende mensenrechten, waarbij zij de grootste impact heeft op kwetsbare groepen, zoals vrouwen, kinderen, ouderen en zieken, lage-inkomensgroepen en inheemse volkeren; overwegende dat zowel het UNFCCC als de Overeenkomst van Parijs gebaseerd zijn op solidariteit tussen de generaties en op de toezegging van staten om het klimaatsysteem te beschermen ten behoeve van de huidige en toekomstige generaties; overwegende dat de klimaatverandering de uitdagingen waarmee inheemse volkeren thans worden geconfronteerd, verergert en leidt tot nog diepere culturele, economische en politieke marginalisering en ongelijkheid;

U.

overwegende dat klimaatactie een van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN is, die in 2015 door alle VN-leden zijn vastgesteld als onderdeel van de Agenda voor duurzame ontwikkeling 2030;

V.

overwegende dat de partijen bij het UNFCCC in 2009 zich hebben verbonden om vanaf 2020 100 miljard USD per jaar te mobiliseren, wat later in de Overeenkomst van Parijs is herbevestigd; overwegende dat de feitelijke toezeggingen van de ontwikkelde landen echter nog steeds ver achterblijven bij het collectieve doel; overwegende dat de gevolgen van de klimaatverandering en de behoeften in ontwikkelingslanden, en in het bijzonder in de minst ontwikkelde landen en kleine eilandstaten, zijn toegenomen;

W.

overwegende dat volgens ramingen van het Ontwikkelingsprogramma van de VN tegen 2030 jaarlijks 140 à 300 miljard USD nodig zal zijn om alleen al de aanpassingsbehoeften van de ontwikkelingslanden te dekken, en dat dit bedrag tegen 2050 zal stijgen tot 280 à 500 miljard USD per jaar (12);

X.

overwegende dat de onfortuinlijke vertraging van een jaar van de Conferenties van de Partijen bij het UNFCCC en bij het Biodiversiteitsverdrag van 2020, veroorzaakt door de COVID-19-uitbraak, een unieke kans biedt om van een reactief model over te stappen op een proactief, op voorzorg gebaseerd model, en eindelijk de ingrijpende veranderingen teweeg te brengen die nodig zijn; overwegende dat nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen als input moeten dienen voor de koppelingen tussen internationale agenda’s en hun uitvoering op nationaal niveau, en deze koppelingen moeten versterken;

Y.

overwegende dat, terwijl de wereld zich bezighoudt met de aanhoudende gevolgen van de COVID-19-pandemie, de klimaatcrisis niet is verdwenen; overwegende dat het economisch herstel zou moeten worden aangegrepen als een unieke kans om de transitie naar klimaatneutraliteit te versnellen en te zorgen voor een 1,5 oC-traject door een sociaaleconomisch model te ontwikkelen dat verenigbaar is met de grenzen van onze planeet, en door investeringen te leiden naar het herstel van natuurlijke ecosystemen en zodoende het aanpassingsvermogen van ecosystemen versterken, alsmede naar prioritaire gebieden zoals energie-efficiëntie, duurzame voedselproductie, technologieën voor hernieuwbare energie, innovatieve en duurzame nulemissietechnologieën en de infrastructuurvoorzieningen die daarvoor nodig zijn, en door niet langer te investeren in activiteiten die het klimaat het milieu schaden door het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” in investeringsbeslissingen te integreren; overwegende dat in dit overgangsproces terdege rekening moet worden gehouden met de verschillen in behoeften en mogelijkheden tussen de regio’s, met inachtneming van de beginselen van een rechtvaardige overgang;

Z.

overwegende dat het Europees Milieuagentschap stelt dat “systemische verandering” een fundamentele, transformatieve en horizontale vorm van verandering betekent, die ingrijpende verschuivingen inhoudt en een heroriëntering van de doelen, stimulansen, technologieën, sociale gebruiken en normen van systemen, zowel in kennissystemen als in bestuurlijke benaderingen; overwegende dat dit, wat de belangrijkste maatschappelijke systemen betreft, betekent dat niet alleen opnieuw nagedacht zal moeten worden over technologieën en productieprocessen, maar ook over consumptiepatronen en levenswijzen, met het oog op duurzame alternatieven met bijzondere aandacht voor bijvoorbeeld welzijn en veerkracht (13);

AA.

overwegende dat met op de natuur gebaseerde oplossingen en op ecosystemen stoelende benaderingen sterke beleidskoppelingen tot stand kunnen worden gebracht tussen het UNFCCC, het Biodiversiteitsverdrag het andere Rio-verdrag inzake woestijnvorming, zodat de voorzitterschappen en secretariaten van alle drie de akkoorden samen kunnen werken aan het op geïntegreerde en samenhangende manier aanpakken van de klimaatverandering en het verlies aan biodiversiteit;

AB.

overwegende dat de Europese Green Deal en het plan NextGenerationEU een unieke gelegenheid vormen om de economie van de EU te versterken en deze innovatiever, concurrerender en toekomstgerichter te maken, en zo te zorgen voor Europees leiderschap op het gebied van groene economie en voor het ontwikkelen van het Europese sociale model en de socialemarkteconomie;

AC.

overwegende dat de aan het klimaat gerelateerde risico’s voor de gezondheid, de middelen van bestaan, de voedselveiligheid, de watervoorziening en de economische groei bij een opwarming van de aarde met 2 oC naar verwachting veel groter zullen zijn; overwegende dat een beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 oC in plaats van 2 oC de gevolgen voor terrestrische, zoetwater- en kustecosystemen naar verwachting zal beperken, en meer van hun diensten voor de mens behouden zullen blijven; overwegende dat derhalve actie nodig is om de stijging van de temperatuur te beperken tot 1,5 oC boven de pre-industriële niveaus;

AD.

overwegende dat het cruciaal is dat de EU het goede voorbeeld geeft om derde landen te betrekken bij de aanpak van de klimaatverandering, en daarmee de wereldwijde klimaatambitie te vergroten;

AE.

overwegende dat de EU haar verantwoordelijkheid voor de historische emissies van broeikasgassen en de ontwikkelingskloof tussen het Globale Noorden en het Globale Zuiden moet erkennen, en daarnaar moet handelen;

AF.

overwegende dat overeenkomstig artikel 2, lid 1, punt c), van de Overeenkomst van Parijs het consistent maken van financiële stromen consistent met de inspanningen ter verlaging van de emissies van broeikasgassen en een klimaatbestendige ontwikkeling cruciaal is voor de aanpak van de bedreiging door de klimaatverandering;

AG.

overwegende dat burgers het probleem steeds meer onderkennen en zich inzetten voor de aanpak ervan; overwegende dat burgers van regeringen eisen dat zij in beweging komen en ambitieuze maatregelen nemen om de klimaatverandering te bestrijden;

AH.

overwegende dat de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto op 31 december 2020 afliep; overwegende dat de richtsnoeren betreffende de beoordeling van de emissiereducties van de activiteiten in het kader van het mechanisme voor schone ontwikkeling na 31 december 2020 zijn uitgesteld; overwegende dat tijdelijke maatregelen zijn genomen om de activiteiten van het mechanisme voor schone ontwikkeling na 2020 te kunnen voortzetten; overwegende dat de bijeenkomst van de partijen bij het Protocol van Kyoto gepland is in de marge van de COP26 in Glasgow;

1.   

herinnert eraan dat de klimaatverandering en het verlies aan biodiversiteit tot de grootste uitdagingen behoren waarmee de mensheid geconfronteerd wordt en dat alle overheden in de hele wereld hun uiterste best moeten doen om beide onverwijld te bestrijden; onderstreept dat internationale samenwerking, betrokkenheid van niet-gouvernementele actoren, solidariteit en een coherent optreden, geschraagd door de wetenschap en een onwrikbare inzet om de ambities op te voeren, noodzakelijk zijn om onze collectieve verantwoordelijkheid voor het beperken van de opwarming van de aarde en het voorkomen van het verlies aan biodiversiteit na te komen, en aldus de hele planeet en het welzijn van allen te beschermen; neemt in dit verband ter kennis dat Antonio Guterres, de secretaris-generaal van de VN, alle regeringen van de wereld ertoe heeft opgeroepen de klimaatnoodtoestand uit te roepen totdat we de uitstoot van broeikasgassen tot nul hebben teruggebracht;

2.   

spreekt zijn bezorgdheid uit over de bevindingen van het UNEP-verslag over de emissiekloof 2020, met name over het feit dat ondanks een tijdelijke daling van de CO2-emissies als gevolg van de COVID-19-pandemie, de voorspelde emissies op grond van de ingediende onvoorwaardelijke NDC’s, indien zij volledig worden uitgevoerd, de wereld op weg zouden laten naar een temperatuurstijging van 3,2 oC; is ingenomen met de tot dusver aangekondigde actualiseringen van de NDC’s, waarmee de klimaatambitie is verhoogd; constateert echter met bezorgdheid dat deze bijdragen nog steeds niet zullen volstaan om de emissies op het pad te brengen dat leidt naar het behalen van de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs; is verontrust over het samenvattend verslag van het UNFCCC over de NDC’s van september 2021, waaruit blijkt dat alle NDC’s die vóór 30 juli 2021 zijn ingediend samen een aanzienlijke toename van de mondiale broeikasgasemissies in 2030 inhouden ten opzichte van 2010 — namelijk ongeveer 16 %; onderstreept dat volgens de IPCC 1,5 oC alleen haalbaar is indien de wereldwijde emissies tegen 2030 met ten minste 45 % worden verlaagd ten opzichte van de niveaus van 2010;

3.   

herinnert eraan dat een constitutioneel hof onlangs heeft bepaald dat klimaatbescherming niet onder de politieke discretionaire bevoegdheid valt en dat de grondwettelijke bepalingen inzake milieubescherming een constitutionele verplichting voor de staat inhouden om klimaatneutraliteit te bereiken;

4.   

onderstreept dat volgens het verslag over de emissiekloof 2020 een groen herstel na de pandemie de broeikasgasemissies tegen 2030 met ongeveer 25 % zou kunnen doen dalen, waardoor zij binnen de emissieruimte zouden komen te liggen die een kans van 66 % biedt om de temperatuurstijging onder 2 oC te houden, al is dat nog steeds niet genoeg om de opwarming van de aarde tot 1,5 oC te beperken; onderstreept derhalve dat de herstelmaatregelen van grote invloed kunnen zijn op de vraag of de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs worden gehaald; verzoekt de regeringen alles in het werk te stellen om een groen herstel te bewerkstelligen en tegelijkertijd hun toezeggingen in lijn met de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs te versterken en in dit verband hun NDC’s vóór de COP26 aan te scherpen; benadrukt dat volgens recent onderzoek het halen van de temperatuurdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs een “economisch optimaal” klimaatbeleid is (14);

5.   

is verheugd over de toezegging van de G7 om ambitieuze en versnelde inspanningen te leveren om de emissies terug te dringen, zodat de grens van een temperatuurstijging van 1,5 oC binnen bereik blijft (15); herinnert eraan dat dit tal van nevenvoordelen zou opleveren voor het milieu, de economie, de samenleving en de volksgezondheid; vestigt de aandacht gevestigd op het groeiende aantal landen dat zich ertoe verbindt om tegen het midden van de eeuw een uitstoot van nul na te streven; onderstreept echter dat deze toezeggingen dringend moeten worden omgezet in krachtige beleidsmaatregelen, actie en financiële middelen voor de korte termijn, en tot uiting moeten komen in hun herziene NDC’s die voor de COP26 moeten worden ingediend in de vorm van verhoogde klimaatdoelstellingen voor 2030, opdat de mondiale emissies zo spoedig mogelijk hun hoogtepunt hebben bereikt; spoort de G20 aan een voortrekkersrol te vervullen bij het vergroten van de korte- en de langetermijnambitie;

6.   

juicht het toe dat vijf jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst van Parijs de grootste wereldeconomieën meedoen aan de race om tot klimaatneutraliteit te komen; geeft aan dat de toezeggingen in verband met klimaatneutraliteit geschraagd moeten worden door bij het UNFCCC in te dienen langetermijnstrategieën; benadrukt dat die toezeggingen moeten worden omgezet in doeltreffende maatregelen en beleid op alle niveaus en in alle sectoren;

7.   

benadrukt het belang van een zo spoedig mogelijke geleidelijke afschaffing van alle fossiele brandstoffen; erkent de conclusies van het verslag “Net Zero by 2050” van het Internationaal Energieagentschap, waaruit blijkt dat de vraag naar fossiele brandstoffen sterk zal dalen, waardoor investeringen in nieuwe voorraden fossiele brandstoffen overbodig worden, en dat het halen van de 1,5 oC-doelstelling vereist dat er geen nieuwe olie- en gasvelden voor ontwikkeling mogen worden goedgekeurd en er vanaf 2021 geen kolenmijnen mogen worden gebouwd of uitgebreid; steunt de toezegging van de G7 om uiterlijk eind 2021 een einde te maken aan de financiering van niet-afgevangen steenkool; roept de G7-landen op het goede voorbeeld te geven bij de energietransitie en alle nieuwe investeringen in de winning van fossiele brandstoffen stop te zetten; steunt het voorzitterschap van de COP26, het Verenigd Koninkrijk en de Powering Past Coal Alliance in hun streven naar een akkoord om de bouw van alle nieuwe niet-afgevangen kolengestookte centrales stop te zetten; erkent dat er voor fossiele brandstoffen op lange termijn geen rol meer is in de energiemix van de EU en roept de lidstaten op om, in samenwerking met de Commissie, nationale plannen vast te stellen om zo spoedig mogelijk alle fossiele brandstoffen geleidelijk uit te bannen, teneinde uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken;

8.   

steunt uitdrukkelijk het initiatief van Denemarken en Costa Rica om een alliantie te smeden van landen die bereid zijn de olie- en gasproductie uit te faseren en geen vergunningen meer te verlenen voor nieuwe exploratie; herinnert aan de conclusies van het verslag van het Internationaal Energieagentschap met als titel “Net Zero by 2050 — A Roadmap for the Global Energy Sector”, waarin wordt bevestigd dat dergelijke maatregelen noodzakelijk zijn om de 1,5 oC-doelstelling te halen;

9.   

herinnert eraan dat alle partijen de geldstromen — openbaar en particulier, binnenlands en internationaal — in overeenstemming moeten brengen met een 1,5 oC-traject en klimaatbestendige ontwikkeling; dringt er bij de Commissie op aan om, als onderdeel van het komende klimaat- en energiepakket dat op 14 december 2021 zal worden gepresenteerd, een alomvattende evaluatie te maken van de huidige stand van zaken met betrekking tot de naleving van artikel 2, lid 1, onder c), van de Overeenkomst van Parijs door de Unie en de lidstaten, en alle nodige maatregelen te nemen om eventuele lacunes weg te werken;

10.   

spreekt grote bezorgdheid uit over de toenemende wereldwijde belangstelling voor de fossielebrandstofreserves in het Noordpoolgebied, die steeds toegankelijker worden nu ten gevolge van de klimaatverandering de ijskap op de zee slinkt; wijst op de kwetsbaarheid van de natuur in het Noordpoolgebied en op het feit dat het extreem moeilijk is om het ecosysteem weer schoon te krijgen als er olie is vrijgekomen bij een blow-out, door lekkages uit pijpleidingen of bij scheepsrampen; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan zich in te zetten voor een wereldwijd moratorium op offshore-olie-exploratie in het Noordpoolgebied;

11.   

benadrukt dat internationale coalities hersteld moeten worden om op de COP26 een ambitieus resultaat met een hoge milieu-integriteit te bereiken; verzoekt de Commissie en de lidstaten nauw samen te werken met de veroorzakers van grote emissies, de landen die kwetsbaar zijn voor klimaatverandering, de trans-Atlantische partners en het Britse voorzitterschap van de COP26, om op de conferentie politieke voorstellen te doen over de wijze waarop landen sneller actie kunnen ondernemen om de ambitiekloof te dichten teneinde de opwarming van de aarde onder 1,5 oC te houden; spoort de EU aan haar diplomatieke inspanningen en pogingen om met de ontwikkelings- en de meest kwetsbare landen tot bondgenootschappen te komen, te intensiveren teneinde als bruggenbouwer te fungeren tussen de ontwikkelde en de ontwikkelingslanden, hetgeen in het verleden instrumenteel is geweest voor het realiseren van de meest ambitieuze resultaten tijdens de COP’s;

12.   

is ingenomen met het feit dat president Biden op zijn eerste ambtsdag actie heeft ondernomen om de Verenigde Staten terug te brengen tot het Akkoord van Parijs en dat hij heeft toegezegd de broeikasgasemissies van de VS tegen 2030 te halveren ten opzichte van het niveau van 2005 en te streven naar een uitstoot van nul tegen 2050; verwacht dat dit alles snel wordt gevolgd door concrete beleidsmaatregelen en de terbeschikkingstelling van financiële middelen, om de toezeggingen van de VS na te komen; benadrukt hoe belangrijk het partnerschap en het leiderschap van de EU en de VS zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; wijst er nadrukkelijk op dat het aanpakken van de klimaatverandering, de aantasting van het milieu en het verlies van biodiversiteit, het bevorderen van groene groei en het beschermen van onze oceanen centraal staan in de nieuwe gezamenlijke trans-Atlantische agenda, en dat de EU en de VS zich er gezamenlijk toe hebben verbonden alles in het werk te stellen om een limiet van 1,5 oC voor de wereldwijde temperatuurstijging binnen bereik te houden; erkent de inspanningen van president Biden om de wereldwijde ambitie inzake klimaatmaatregelen op te voeren, onder meer door het houden van de klimaattop van de wereldleiders in april 2021;

13.   

benadrukt de rol van China als ’s werelds op één na grootste economie en het land met de hoogste totale broeikasgasemissies; erkent dat China bereid is een constructieve rol te spelen in de wereldwijde klimaatonderhandelingen; neemt evenwel met bijzondere bezorgdheid kennis van het feit dat het land nog sterk afhankelijk is van steenkool en spoort de Chinese regering aan meer vaart te zetten achter de groene transitie, als een essentiële voorwaarde om de wereldwijde doelstellingen van het Akkoord van Parijs te halen; neemt er nota van dat president Xi Jinping in september 2020 heeft aangekondigd dat China vóór 2030 de piek in zijn CO2-emissies zal bereiken en dat het land ten laatste in 2060 klimaatneutraal zal zijn; onderstreept dat die toezeggingen betrekking moeten hebben op alle broeikasgasemissies; verwacht verdere toezeggingen, alsook concrete beleidsmaatregelen en op elkaar afgestemde geldstromen om aan die toezeggingen te voldoen;

14.   

benadrukt dat volgens het IPBES de onderliggende oorzaken van pandemieën dezelfde wereldwijde milieuveranderingen zijn die het verlies aan biodiversiteit en de klimaatverandering veroorzaken, waaronder veranderd landgebruik, uitbreiding en intensivering van de landbouw, de handel in en consumptie van in het wild levende dieren, en andere factoren; benadrukt dat de pandemie het belang van het “één gezondheid”-beginsel en van het beginsel “gezondheid op alle beleidsgebieden” in de beleidsvorming heeft aangetoond en duidelijk heeft gemaakt dat er ingrijpende veranderingen nodig zijn; brengt in herinnering dat het “recht op gezondheid” in de preambule van de Overeenkomst van Parijs wordt erkend als essentieel mensenrecht; onderstreept dat in artikel 4, lid 1, punt f), van het UNFCCC is bepaald dat alle partijen daarbij “gebruik [maken] van passende methoden, bijvoorbeeld op nationale schaal opgestelde en vastgelegde milieueffectrapportages, teneinde de nadelige gevolgen voor de economie, voor de volksgezondheid of voor de kwaliteit van het milieu, van door hen uitgevoerde projecten of maatregelen ter inperking van of aanpassing aan klimaatverandering, tot een minimum te beperken”; is van mening dat het thema gezondheid dient te worden opgenomen in de nationale aanpassingsplannen en de nationale mededelingen in het kader van het UNFCCC;

15.   

onderstreept dat het verwezenlijken van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de bijbehorende klimaatneutraliteitsdoelen grootschalige investeringen vergt en een ongekende transformatie van alle sectoren van onze economieën; is van oordeel dat deze transformatie naar een nieuw, duurzaam economisch model alleen mogelijk is indien deze een rechtvaardige transitie garandeert, dat wil zeggen een transitie die vooruitgang op sociaal en milieuvlak combineert, het welzijn van mensen vergroot, en niemand in de kou laat staan;

COP26 in Glasgow

16.   

betreurt de gebrekkige vooruitgang tijdens de COP25 in Madrid in 2019 en het gebrek aan toezeggingen en transparantie van sommige partijen; betreurt dat de voltooiing van de regelgeving van de Overeenkomst van Parijs is uitgesteld tot een volgende COP en dat de discussie over verlies en schade geen ambitieuzere uitkomst heeft opgeleverd; erkent de vooruitgang die ondanks de organisatorische problemen is geboekt op belangrijke punten, zoals de bevordering van de sociale dimensie in de klimaatagenda en de enorme mobilisatie van niet-overheidsactoren;

17.   

beklemtoont dat het essentieel is dat tijdens de COP26 een nieuwe consensus wordt bereikt over de klimaatmaatregelen en het ambitieniveau die nodig zijn om tegen 2050 tot klimaatneutraliteit te komen, alsook over robuuste beleidsmaatregelen voor de korte en de lange termijn;

18.   

roept alle partijen bij het UNFCCC op, in samenwerking met regio’s en niet-overheidsactoren, in het bijzonder het maatschappelijk middenveld, een constructieve bijdrage te leveren aan het proces voorafgaand aan COP26, tijdens hetwelk de NDC’s moeten worden aangevuld om te waarborgen dat zij aansluiten bij de temperatuurdoelstelling op lange termijn van de Overeenkomst van Parijs en bij de beste wetenschappelijke kennis die beschikbaar is, en dat zij hun hoogste ambitie weerspiegelen; benadrukt dat, aangezien de huidige toezeggingen niet volstaan om de doelstellingen van de overeenkomst te bereiken en de mondiale broeikasgasemissies dringend hun hoogtepunt moeten bereiken en vervolgens drastisch moeten dalen, alle partijen hun inspanningen moeten opvoeren en hun nationale actieplannen moeten actualiseren, overeenkomstig de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, en roept in het bijzonder de EU en alle G20-landen op om in dit verband mondiaal leiderschap te tonen en zich er tevens toe te verbinden uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken;

19.   

onderstreept dat, volgens het UNEP-verslag over de emissiekloof 2020, de emissies van de rijkste 1 % van de wereldbevolking gelijk zijn aan meer dan twee keer het gecombineerde aandeel van de armste 50 %; merkt op dat uit ander onderzoek (16) blijkt dat, wat de EU betreft, de rijkste 10 % van de EU-burgers verantwoordelijk is voor bijna een derde van de cumulatieve consumptie-emissies in de periode 1990-2015 en dat de totale jaarlijkse consumptie-emissies van de armste 50 % van de EU-burgers in dezelfde periode met 24 % zijn gedaald, terwijl die van de rijkste 10 % met 3 % zijn gestegen; beklemtoont dat bij de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs het beginsel billijkheid leidend moet zijn en dat de Unie de emissies moet beperken en drastisch verlagen, en parallel daaraan steun moet toekennen aan de armste huishoudens, teneinde voor een rechtvaardige transitie te zorgen;

20.   

verzoekt de Commissie met andere grote CO2-uitstoters samen te werken om een internationale groep op te richten van landen die het voortouw nemen op het gebied van klimaatneutraliteit, en gemeenschappelijke doelstellingen vast te stellen inzake de vermindering van broeikasgasemissies, de verwezenlijking van klimaatneutraliteit tegen uiterlijk 2050, de vaststelling van uniforme normen voor het meten van emissies en van vergelijkbare expliciete en impliciete CO2-prijzen in de energiesector en de industrie, en inzake de bescherming van landen die bereid zijn uitvoering te geven aan klimaatbeschermingsmaatregelen tegen de nadelen van internationale concurrentie door middel van een gemeenschappelijk mechanisme voor aanpassing van de koolstofgrens;

21.   

wijst op de noodzaak van versterkte en gecoördineerde sectorale decarbonisatiemaatregelen waarbij de doelstellingen onderling worden afgestemd, en op de noodzaak van samenwerking tussen de partijen en andere actoren; roept de partijen op het partnerschap van Marrakesh voor mondiale klimaatactie te versterken als podium om niet-overheidsactoren en subnationale overheden aan te sporen per direct klimaatmaatregelen te nemen op basis van wetenschappelijke inzichten en aan de hand van zeer ambitieuze doelstellingen, en ervoor te zorgen dat bestuurlijke en geografische eenheden en sectoren van elkaar leren teneinde het optreden op het gebied van klimaat in een stroomversnelling te brengen en beleid te realiseren waarmee de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs dichterbij komt;

22.   

wijst er nadrukkelijk op hoe belangrijk het voor de COP26 is dat de nog openstaande punten van het werkprogramma van de Overeenkomst van Parijs worden opgelost, teneinde de komende vijf jaar de aandacht te kunnen concentreren op de verdere ontwikkeling en de versterking van de uitvoering en de operationalisering daarvan; dringt er bij alle partijen op aan de openstaande kwesties die de voltooiing van de regelgeving van de Overeenkomst van Parijs in de weg staan, op te lossen, met name die inzake transparantie, gemeenschappelijke tijdschema’s en samenwerkingsmechanismen uit hoofde van artikel 6, teneinde een sterke milieu-integriteit te waarborgen en een zo hoog mogelijk ambitieniveau te verwezenlijken;

23.   

verzoekt de Commissie en de lidstaten te pleiten voor strikte en krachtige internationale regels met betrekking tot artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs en daarbij voort te bouwen op de beginselen van San José; wijst er met name op dat internationale samenwerking moet worden aangemoedigd en dat elke vorm van dubbeltelling daarbij moet worden vermeden teneinde te zorgen voor milieu-integriteit met behulp van reële, bijkomende, meetbare, permanente en onafhankelijk geverifieerde emissiereducties, ervoor te zorgen dat in het kader van het Kyotoprotocol verleende eenheden niet kunnen meetellen voor bestaande en toekomstige NDC’s, en de bescherming van de mensenrechten te waarborgen; herhaalt zijn steun om een deel van de opbrengsten ingevolge de in artikel 6 bedoelde mechanismen aan te wenden voor de financiering van het aanpassingsfonds; spreekt nogmaals zijn steun uit voor de invoering van een vijfjarig tijdschema en roept de EU op een standpunt in te nemen ter ondersteuning van een overeenkomst met betrekking tot een gemeenschappelijk tijdsbestek van vijf jaar om het tempo van klimaatactie te versnellen;

24.   

dringt aan op de operationalisering van het versterkte transparantiekader, waarin de beginselen van transparantie, nauwkeurigheid, consistentie, vergelijkbaarheid en volledigheid zijn verankerd;

25.   

benadrukt dat mensen op verschillende manieren worden beïnvloed door klimaatverandering door factoren zoals gender, leeftijd, handicap, etniciteit en armoede, en dat de huidige ongelijkheid op basis van gender de kwetsbaarheid van personen voor de onvermijdbare gevolgen van de klimaatverandering, waaronder natuurrampen, kan vergroten; juicht het derhalve dan ook toe dat tijdens de COP25 in Madrid goedkeuring is gehecht aan het versterkte werkprogramma van Lima inzake gender en aan het genderactieplan, en dringt erop aan deze snel uit te voeren; is van oordeel dat de transformatie tot een duurzame samenleving op inclusieve, billijke en gelijke wijze moet gebeuren, en dat genderevenwicht en de empowerment van vrouwen en meisjes essentieel zijn voor die transformatie; benadrukt dat gendermainstreaming effectiever moet worden doorgevoerd in alle relevante streefcijfers en doelstellingen; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een concreet actieplan uit te werken om de verbintenissen van het verlengde genderactieplan waar te maken en een permanent EU-contactpunt voor genderkwesties en klimaatverandering in het leven te roepen, met voldoende begrotingsmiddelen, teneinde genderverantwoordelijke klimaatactie in de EU en wereldwijd uit te voeren en te monitoren (17); is van oordeel dat dit voor andere partijen een voorbeeld kan zijn om soortgelijke maatregelen te nemen;

26.   

juicht het toe dat de partijen in hun NDC’s steeds meer rekening houden met gender, en verzoekt alle partijen genderresponsieve en sociaal rechtvaardige NDC’s en klimaatfinanciering goed te keuren, teneinde tot klimaatrechtvaardigheid te komen; verzoekt de Commissie en de lidstaten middels de instrumenten voor extern optreden en middels de Europese investeringsbank (EIB) voor meer coherentie te zorgen tussen steun voor gender en steun voor klimaat, waaronder via vergroting van de participatie van vrouwen en vrouwenorganisaties in governance en besluitvormingsprocessen, van hun toegang tot financiering, en van hun toegang tot programma’s die de rol van vrouwen in klimaatgovernance ondersteunen, en in specifieke sectoren zoals landbouw en bosbouw, met bijzondere aandacht voor inheemse vrouwen;

27.   

is bezorgd over de mogelijke gevolgen van reis- en andere beperkingen in verband met COVID-19 voor een eerlijke en evenwichtige deelname aan de COP26; verzoekt het Britse COP26-voorzitterschap alle maatregelen te nemen die nodig zijn om een ruime en inclusieve deelname te waarborgen, met volledige inachtneming van de sanitaire maatregelen; is van mening dat alles in het werk moet worden gesteld om ervoor te zorgen dat alle ontwikkelingslanden, met name de minst ontwikkelde landen en kleine eilandstaten in ontwikkeling, aan de COP26 kunnen deelnemen, en roept het Britse voorzitterschap op de belemmeringen voor deelname die samenhangen met de pandemie weg te nemen;

28.   

herinnert eraan dat het belangrijk is alle landen te betrekken bij het besluitvormingsproces in het kader van het UNFCCC; benadrukt dat het huidige besluitvormingsproces in het kader van het UNFCCC moet worden verbeterd teneinde meer betrokkenheid van de gedelegeerden van arme en kwetsbare landen te bewerkstelligen; herhaalt zijn verzoek aan de EU-delegatie om bij de COP’s de samenwerking met de gedelegeerden van kwetsbare landen te intensiveren;

29.   

spreekt nogmaals zijn steun uit voor de invoering van specifiek beleid inzake belangenconflicten als onderdeel van het UNFCCC, en verzoekt de Commissie en de lidstaten het voortouw te nemen in dat proces;

30.   

meent dat de EU een historische verantwoordelijkheid heeft om de meest ambitieuze ondertekenaar van de Overeenkomst van Parijs te zijn, zowel via haar eigen toezeggingen als via haar ondersteuning van anderen, en dat zij haar klimaat- en milieuverantwoordelijkheden moet erkennen en ernaar moet handelen door op geloofwaardige wijze het goede voorbeeld te geven; herinnert aan het beginsel van “gezamenlijke, doch verschillende verantwoordelijkheden en onderscheiden mogelijkheden”, op basis waarvan de Unie en de lidstaten een bijzondere verantwoordelijkheid en ook het vermogen hebben om op te treden;

Een ambitieus EU-klimaatbeleid en de langetermijnvisie

31.

wijst op de aanneming van de Europese klimaatwet; verwacht dat de Europese Green Deal en met name het wetgevingspakket “Fit for 2030” zullen resulteren in de noodzakelijke maatregelen om de EU en haar lidstaten volledig in overeenstemming te laten zijn met de Overeenkomst van Parijs; acht het van het allergrootste belang dat de EU het goede voorbeeld geeft en tijdens de COP26 een duidelijk signaal afgeeft dat zij bereid is haar NDC’s aan te scherpen en een sterkere bijdrage te leveren aan de Overeenkomst van Parijs, en dringt er bij de andere partijen op aan een even grote inzet te tonen;

32.

wijst er nadrukkelijk op dat delen van de EU tot de regio’s van de wereld behoren die het zwaarst door de klimaatverandering worden getroffen; merkt op dat het gebied van de Middellandse Zee 20 % sneller opwarmt dan het wereldwijde gemiddelde en dat het een van de belangrijkste klimaathotspots van de wereld is, waar 250 miljoen mensen naar verwachting binnen 20 jaar met watertekorten zullen worden geconfronteerd (18); onderstreept dat de Middellandse Zee bezig is de snelst opwarmende zee van de wereld te worden (19), met gevolgen voor belangrijke economische sectoren en het hele maritieme ecosysteem, met onomkeerbare gevolgen voor het ecosysteem en soorten; verzoekt de EU snel te handelen en met haar partners in het gebied van de Middellandse Zee samen te werken aan ambitieuze aanpassingsmaatregelen, en een voortrekkersrol te vervullen bij de aanpassingsactie;

33.

beklemtoont dat het succes van de Europese Green Deal afhangt van de doeltreffende globalisering van de relevante standaarden en normen daarvan in partnerschappen met derde landen; herinnert aan de conclusies van de Raad van januari 2021 en aan de doelstelling van de Commissie om de rol van de Unie als mondiale speler te versterken; dringt erop aan voorafgaand aan de Afrikaanse COP27 een operationele en coherente diplomatieke strategie voor de Europese Green Deal te ontwikkelen;

34.

onderstreept het belang van het daadwerkelijk verminderen van de milieuvoetafdruk van de EU om zo invulling te geven aan onze algemene klimaattoezeggingen; merkt evenwel op dat er geen formele EU-indicator bestaat voor het meten van onze huidige milieuvoetafdruk, en roept de Commissie en het Europees Milieuagentschap op zo’n indicator te ontwikkelen;

35.

verzoekt de Commissie eens te meer om, na de vaststelling van de Europese klimaatwet en gezien de belangrijke rol van natuurlijke koolstofputten voor het bereiken van klimaatneutraliteit, een ambitieuze, wetenschappelijk onderbouwde EU-doelstelling voor 2030 vast te stellen voor de verwijdering van broeikasgasemissies door middel van natuurlijke koolstofputten, die in overeenstemming moet zijn met de biodiversiteitsstrategie voor 2030 en wettelijk moet worden ingebed; herinnert er verder aan dat een snelle vermindering van de emissies voorop moet blijven staan;

36.

benadrukt dat het noodzakelijk is klimaatambities te integreren in alle beleidsmaatregelen van de EU; dringt er bij de Commissie op aan de wijze waarop zij effectbeoordelingen uitvoert op alle EU-beleidsterreinen bij te werken om te zorgen voor de volledige uitvoering van artikel 6, lid 4, van de Europese klimaatwet; neemt de nieuwe initiatieven in de recente mededeling van de Commissie, getiteld “Betere regelgeving: krachten bundelen om betere wetten te maken” (20) in overweging, in het bijzonder de opname in de effectbeoordelingen van een analyse van het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”, in dit verband een positieve ontwikkeling;

37.

wijst op het grote belang van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie in het kader van de transitie naar een klimaatneutrale economie; erkent de vooruitgang die is geboekt bij de uitbouw van hernieuwbare energiebronnen; neemt kennis van het voorstel van de Commissie tot herziening van de richtlijn hernieuwbare energie in het kader van het “Fit for 55”-pakket en onderstreept het belang van hogere streefcijfers voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken en het Akkoord van Parijs na te leven, waarbij de kans moet worden aangegrepen om de huidige daling van de kosten van hernieuwbare energie en opslagtechnologieën te benutten;

38.

neemt kennis van het voorstel van de Commissie voor een herziening van het kader voor landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) in het kader van het “Fit for 55”-pakket en onderstreept dat het van belang is de natuurlijke putten te vermeerderen, ecosysteemgerichte oplossingen aan te moedigen en daarbij rekening te houden met de waarde van de verschillende ecosystemen voor de biodiversiteit, alsook met de hoeveelheid koolstof die nog steeds wordt verwijderd en opgeslagen, teneinde uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken;

39.

is van oordeel dat klimaat- en daarmee samenhangende energiebeleidsmaatregelen een afspiegeling moeten vormen van de meest recente wetenschappelijke inzichten op het gebied van ecosystemen en de verschillende koolstofreservoirs, en van de reële waarde daarvan voor klimaatmitigatie en -adaptatie; is van mening dat natuurgebaseerde oplossingen en ecosysteemgebaseerde benaderingen en het herstel en de bescherming van de ecosystemen en de biologische diversiteit van essentieel belang zijn om de beperking van de klimaatverandering en de aanpassing hieraan mogelijk te maken; pleit ervoor dat er meer gegevens verzameld worden over gebieden binnen en buiten koolstof- en soortenrijke ecosystemen en over de kwaliteit van instandhoudings-, beschermings- en herstelmaatregelen, om op die manier de besluitvorming over herstelprioriteiten en over maatregelen en beleid ter bestrijding van klimaatverandering en verlies aan biodiversiteit te ondersteunen;

40.

beklemtoont dat bij al deze beleidsmaatregelen het beginsel van een rechtvaardige transitie en het beginsel dat de vervuiler betaalt, moeten worden geëerbiedigd en dat milieuschadelijke subsidies moeten worden uitgefaseerd, een en ander in nauwe samenwerking met alle belanghebbenden, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld, de sociale partners en de particuliere sector, zonder wie dan ook over te slaan; stelt zich daarom op het standpunt dat meer transparantie, een sterkere betrokkenheid van de sociale partners en het maatschappelijk middenveld op lokaal, regionaal, nationaal en EU-niveau noodzakelijk zijn om in alle sectoren van de samenleving op billijke, inclusieve en sociaal duurzame wijze voor klimaatneutraliteit te zorgen; herinnert eraan dat artikel 10 van de Europese klimaatwet voorziet in instrumenten om sectorale indicatieve vrijwillige stappenplannen op te zetten voor decarbonisatie van de sectoren met de grootste uitstoot binnen de EU, en dringt er bij de Commissie op aan deze sectoren behulpzaam te zijn bij het opstellen van deze stappenplannen;

41.

benadrukt dat de maatregelen die worden genomen ter beperking van of aanpassing aan de klimaatverandering noch in de EU, noch in derde landen mogen leiden tot het erger worden van andere milieuproblemen die nu spelen of tot het ontstaan van nieuwe; vestigt in dit verband de aandacht op de milieurisico’s die verbonden zijn aan de toenemende vraag naar bepaalde kritieke grondstoffen die nodig zijn voor de overgang naar een koolstofarme economie of voor klimaattechniek, en verzoekt de Commissie deze risico’s bij haar optreden in aanmerking te nemen en ernaar te streven ze overeenkomstig het voorzorgsbeginsel tot een minimum te beperken;

42.

is van oordeel dat een ambitieuze uitvoering van het herstelpakket NextGenerationEU in de vorm van duurzame beleidsmaatregelen verscheidene voordelen biedt die tijdens een economische neergang de groei stimuleren (bijvoorbeeld het scheppen van nieuwe banen), op korte termijn hogere budgettaire multiplicatoren oplevert en op de lange termijn leidt tot grotere kostenbesparingen, en een kans is om andere landen de voordelen voor hun economieën te tonen; moedigt de Commissie, de Raad en de lidstaten aan het potentieel van dit pakket ter ondersteuning van de groene transitie optimaal te benutten;

43.

benadrukt dat steun verleend moet worden voor duurzame economische groei en voor de ontwikkeling van nieuwe, groene technologieën, aangezien daarmee een belangrijke stimulans gegeven kan worden aan de beperking van klimaatverandering;

Aanpassing aan klimaatverandering, verlies en schade

44.

wijst er nogmaals op dat aanpassingsmaatregelen voor alle landen een onontkoombare noodzaak zijn als zij de negatieve gevolgen van de klimaatverandering tot een minimum willen beperken en klimaatbestendigheid en duurzame ontwikkeling willen realiseren, en vestigt de aandacht op het feit dat ontwikkelingslanden bijzonder kwetsbaar zijn voor de gevolgen van de klimaatverandering, en dan met name de minst ontwikkelde landen en kleine insulaire ontwikkelingslanden; verzoekt de EU en de lidstaten de aanpassingsmaatregelen op te schroeven en de lokale autoriteiten daarbij te betrekken, teneinde de bij de Overeenkomst van Parijs aangegane toezeggingen volledig na te komen en ervoor te zorgen dat het aanpassingsbeleid van de EU aansluit bij haar mondiale leiderschap op het gebied van beperking van de klimaatverandering; is in dit verband ingenomen met de nieuwe EU-aanpassingsstrategie, de koppelingen met de biodiversiteitsstrategie van de EU en het nieuwe regelgevingskader inzake aanpassing uit hoofde van de Europese klimaatwet, en dringt erop aan dat hieraan, met inbegrip van de internationale componenten ervan, op ambitieuze wijze uitvoering wordt gegeven;

45.

benadrukt dat in de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering die op 24 februari 2021 door de Commissie werd vastgesteld, uitdrukking wordt gegeven aan het doel van de Commissie om de klimaatfinanciering verder op te schroeven en op grotere schaal financiering voor aanpassing te mobiliseren en dat bijzondere aandacht vereist is om ervoor te zorgen dat financiële middelen terechtkomen bij de meest kwetsbare gemeenschappen in ontwikkelingslanden;

46.

is ingenomen met het nieuwe regelgevingskader inzake aanpassing aan de klimaatverandering uit hoofde van artikel 4 van de Europese klimaatwet; benadrukt dat er aanvullende regelgevende maatregelen met duidelijke doelstellingen en mijlpalen nodig zijn om het vermogen tot aanpassing te vergroten, de veerkracht te versterken en de kwetsbaarheid voor klimaatverandering tot een minimum te beperken;

47.

benadrukt dat klimaatverandering weliswaar een mondiaal probleem is, maar dat elke regio er andere gevolgen van ondervindt en dat om die reden lokale bestuursorganen, die dichter bij de bevolking staan, vaak het meest geschikt zijn om strategieën voor de aanpassing aan het probleem van klimaatverandering te ontwikkelen;

48.

benadrukt dat groene infrastructuur bijdraagt tot de aanpassing aan klimaatverandering doordat zij natuurlijk kapitaal beschermt, natuurlijke habitats en soorten in stand houdt en zorgt voor een goede ecologische toestand, goed waterbeheer en voedselzekerheid;

49.

wijst op de verwoestende gevolgen van woestijnvorming op ecologisch, sociaal en economisch gebied en merkt op dat er gemeenschappelijke benaderingen nodig zijn om dit verschijnsel naar behoren te voorkomen en ons eraan aan te passen, en om dit probleem aan te pakken; onderstreept derhalve hoe belangrijk de beschikbaarheid van water is voor de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering, omdat grondwater niet alleen zorgt voor de groei van planten die koolstof opvangen en vasthouden, maar ook de vitaliteit van micro-organismen verbetert, waardoor het gehalte aan organisch materiaal in de bodem en, inherent daaraan, ook het vermogen om koolstof vast te houden, toeneemt; benadrukt dat in het kader van de aanpassing bijzondere aandacht moet worden besteed aan waterbeheer; benadrukt dat de EU-kaderrichtlijn Water (21) snel en volledig moet worden uitgevoerd, zodat de doelstellingen ervan kunnen worden verwezenlijkt en deze hulpbron beter kan worden beheerd;

50.

benadrukt dat het essentieel is dat de reële waarde van water en de rol van water in het kader van klimaatmitigatie en -adaptatie worden erkend, om de gevolgen van klimaatverandering voor de waterkwaliteit aan te pakken en klimaatneutraliteit te verwezenlijken; wijst erop dat diversificatie van waterbronnen, waterefficiëntie, circulair waterbeheer, op de natuur gebaseerde oplossingen, digitale oplossingen voor monitoring, bewaking en analyse van water, alsmede toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen bijdragen tot een vermindering van de vervuiling en de CO2-emissies;

51.

wijst er nadrukkelijk op dat in de preambule van de Overeenkomst van Parijs wordt erkend dat absolute prioriteit moet worden toegekend aan het waarborgen van de voedselveiligheid en het beëindigen van de honger. en met name aan het aanpakken van de kwetsbaarheden van de voedselproductiesystemen voor de negatieve gevolgen van de klimaatverandering; herinnert eraan dat in artikel 2, lid 1, punt b), van het UNFCCC staat dat het vergroten van het vermogen tot aanpassing aan de nadelige gevolgen van de klimaatverandering en het bevorderen van de veerkracht voor het klimaat en van broeikasgasarme ontwikkeling moeten gebeuren op een manier die de voedselproductie niet in gevaar brengt; verzoekt alle partijen in hun nationale plannen voor aanpassing terdege rekening te houden met de voedselveiligheid;

52.

wijst op het belang van een multirisicobenadering op systeemniveau voor de beoordeling van klimaatrisico’s en aanpassingsbehoeften en -maatregelen, en op de noodzaak om de maatstaven voor het meten van risicogebaseerde aanpassing te verbeteren en de technische en financiële steun aan landen te versterken met het oog op de ontwikkeling van financierbare projecten waarvoor meer aanpassingsfinanciering verkregen kan worden;

53.

steunt de herziening van de wereldwijde adaptatiedoelstelling en benadrukt dat deze moet worden vertaald in meetbare resultaten op basis van een grondig inzicht in risico’s op meerdere niveaus, beschikbaarheid van consistente en vergelijkbare gegevens en gebruikmaking van kwantitatieve en kwalitatieve vooruitgang op het gebied van veerkracht in de loop van de tijd;

54.

pleit ervoor dat er tijdens de COP26 aan wordt gewerkt het tijdens de COP25 geïnitieerde netwerk van Santiago voor verlies en schade volledig operationeel te maken, teneinde het in staat te stellen te fungeren als effectieve katalysator voor het verlenen van technische ondersteuning aan ontwikkelingslanden om verlies en schade af te wenden, te minimaliseren en aan te pakken, en om functies te vervullen die gebaseerd zijn op de meest voorkomende uitdagingen en leemten waar ontwikkelingslanden mee geconfronteerd worden, zoals een ontoereikende capaciteit en onvoldoende financiële middelen en ondersteuning; is van mening dat het functioneren van het netwerk van Santiago ingebed moet zijn in de UNFCCC-structuren, moet kunnen beschikken over voorspelbare en betrouwbare financiering door ontwikkelde landen en moet kunnen profiteren van bijdragen van de partijen bij het UNFCCC en waarnemers;

55.

merkt op dat in artikel 8 van de Overeenkomst van Parijs betreffende verlies en schade is bepaald dat de partijen een coöperatieve benadering van verlies en schade door de nadelige gevolgen van de klimaatverandering dienen te volgen; wijst daarom op het belang van ondersteunende wereldwijde maatregelen in gebieden die bijzonder kwetsbaar zijn voor de gevolgen van de klimaatverandering, zoals kustgebieden en eilanden, en waar het aanpassingsvermogen beperkt is;

56.

benadrukt dat de klimaatverandering en de aantasting van het milieu steeds meer in wisselwerking staan met de oorzaken van ontheemding van mensen; spreekt zijn steun uit voor de Taskforce inzake ontheemding van het Internationaal mechanisme voor verlies en schade van Warschau (WIM Excom) en roept deze op zijn activiteiten te intensiveren en ervoor te zorgen dat de minst ontwikkelde landen en de kleine eilandstaten in ontwikkeling er meer bij worden betrokken; dringt erop aan dat er tijdens toekomstige COP’s meer aandacht wordt besteed aan door het klimaat veroorzaakte ontheemding;

Natuurgebaseerde oplossingen voor en ecosysteemgebaseerde benaderingen van de klimaatverandering

57.

herinnert eraan dat de klimaatverandering een van de belangrijkste directe oorzaken is van het verlies aan biodiversiteit en de aantasting van het land, en dat biodiversiteitsverlies en klimaatverandering met elkaar samenhangen en elkaar onderling versterken, en een even grote bedreiging vormen voor de planeet; onderstreept dat de negatieve gevolgen van de klimaatverandering voor de natuur en de biodiversiteit, de ecosystemen, de beschikbaarheid van water, de oceanen en de voedselzekerheid de komende decennia naar verwachting een kritieke omvang zullen bereiken; herhaalt dat de strikte instandhouding en het herstel van koolstofrijke ecosystemen, waaronder veengebieden, wetlands, begrazingsgebieden, en van blauwe koolstofecosystemen, zoals kwelders, zeegrasvelden en mangrovegebieden en intacte bossen, een responsoptie is met onmiddellijk effect, en dat dit bovendien veel voordelen biedt op het gebied van klimaatmitigatie en -adaptatie, terwijl ecosystemen met blauwe koolstof, wanneer zij worden aangetast of vernietigd, de koolstof die zij eeuwenlang hebben opgeslagen, uitstoten in de atmosfeer en de oceaan, die dan een bron van broeikasgasemissies worden; benadrukt dat sommige maatregelen die de klimaatcrisis kunnen verzachten, nadelig kunnen zijn voor de biodiversiteit, en onderstreept dat de klimaatcrisis en de crisis in verband met het biodiversiteitsverlies samen moeten worden aangepakt; stelt derhalve een naar behoren gefinancierd gezamenlijk VBD-UNFCCC-werkprogramma voor om synergetische maatregelen vast te stellen en aan te moedigen;

58.

benadrukt dat veel nationale klimaattoezeggingen en landenstrategieën nog steeds geen op de natuur gebaseerde oplossingen (nature based solutions) behelzen, ondanks de groeiende consensus bij het UNFCCC en het VBD over de noodzaak van geïntegreerd optreden op nationaal en lokaal niveau in het kader waarvan de biodiversiteitscrisis en de klimaatcrisis samen worden aangepakt; is van mening dat een multi-belanghebbendenplatform op het gebied van op de natuur gebaseerde oplossingen mogelijk bevorderlijk kan zijn voor het versterken van de synergieën tussen de multilaterale internationale verdragen inzake biodiversiteit en klimaatverandering, alsook voor de verwezenlijking van de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling;

59.

onderstreept de noodzaak van synergieën tussen de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 en klimaatactie voor zowel mitigatie als adaptatie;

60.

herinnert ook aan de cruciale rol van biodiversiteit voor de mens bij de bestrijding van en de aanpassing aan de opwarming van de aarde en voor het vergroten van zijn weerstandsvermogen; benadrukt dat ecosysteemgerichte benaderingen, zoals neergelegd in het VN-verdrag inzake biologische diversiteit, en natuurgebaseerde oplossingen het potentieel van de natuur en de biodiversiteit benutten om de broeikasgasemissies te verminderen en ons te helpen bij de aanpassing aan de gevolgen van de klimaatverandering, en dat dergelijke oplossingen in meerdere opzichten voordeel opleveren door de maatschappelijke uitdagingen aan te pakken en het menselijk welzijn te bevorderen via het beschermen, herstellen, duurzaam beheren en verbeteren van ecosysteemdiensten en -functies; benadrukt dat op de natuur gebaseerde oplossingen het doeltreffendst zijn als ze gepland worden voor de lange termijn en niet te eenzijdig gericht zijn op snelle koolstofvastlegging (22);

61.

is ingenomen met het initiatief van het voorzitterschap van de COP26 om de dialoog over bossen, landbouw en grondstoffenhandel op gang te brengen, in het kader waarvan landen die veel landbouwproducten exporteren en landen die deze producten afnemen met elkaar zullen bespreken hoe de duurzaamheid van dit proces kan worden verbeterd; herinnert aan zijn standpunten zoals uiteengezet in zijn resolutie over een EU-rechtskader om de door de EU aangestuurde wereldwijde ontbossing een halt toe te roepen en om te buigen (23), die in de EU-bijdrage moeten worden opgenomen; verzoekt de Commissie dringend met een voorstel voor een EU-rechtskader te komen op basis van verplichte due diligence die waarborgt dat waardeketens duurzaam zijn en dat producten of grondstoffen die in de EU op de markt worden gebracht niet leiden tot of het resultaat zijn van ontbossing, de aantasting van bossen, de omvorming en aantasting van ecosystemen of mensenrechtenschendingen; geeft aan dat het bedoelde EU-rechtskader ook moet gelden voor ecosystemen met hoge koolstofvoorraden en veel biodiversiteit die geen bossen zijn, met name mariene en kustecosystemen en water-, veen- of savannegebieden, teneinde te voorkomen dat de druk naar deze ecosystemen wordt verschoven;

62.

vestigt de aandacht op het feit dat er in de mondiale emissiebegrotingen niet volledig rekening wordt gehouden met potentiële permafrostemissies, en dat zij niet zijn opgenomen in de NDC’s; benadrukt de noodzaak van versnelde wetenschappelijke inspanningen om tot nauwkeurige ramingen te komen van de omvang van de stijging van CO2- en methaanemissies in verband met de opwarming van het Noordpoolgebied en deze ramingen te publiceren, zodat er meer informatie beschikbaar is om te kunnen bepalen hoe hoog de ambitie moet worden gesteld om ervoor te zorgen dat de mondiale temperatuur binnen de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs blijft; dringt er bij de EU op aan om de aanzet te geven voor een mondiale coalitie inzake de permafrost, met als doel onderzoek te financieren dat erop gericht is de huidige stand van het probleem beter in kaart te brengen en dringend noodzakelijke maatregelen te financieren om het wegsmelten van de permafrost een halt toe te roepen, en deze coalitie aan te sturen;

63.

onderstreept dat koolstof- en natuurrijke gebieden, de effecten en de kwaliteit van hoe zij worden beheerd, de conditie van habitats en andere factoren uitvoerig in kaart moeten worden gebracht om op basis daarvan besluiten te kunnen nemen over herstelprioriteiten;

64.

verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de markt- en consumptiepatronen van de Unie geen negatieve gevolgen hebben voor bossen, natuurlijke ecosystemen en de biodiversiteit, noch voor de rechten van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen;

65.

erkent het belang van de Conferentie over biodiversiteit in Kunming, China, in oktober 2021 en april-mei 2022; benadrukt dat er een sterker, bindend en ambitieuzer internationaal kader nodig is om de mondiale biodiversiteit, die van onvervangbare waarde is, te beschermen, de huidige neergang ervan tegen te gaan en de biodiversiteit zoveel mogelijk te herstellen; is van mening dat dit kader gebaseerd moet zijn op doelstellingen, kwantificeerbare indicatoren, doeltreffende monitoringmechanismen en krachtige toezeggingen, onder meer in de vorm van NDC’s en andere passende instrumenten, financiële toezeggingen en verbeterde capaciteitsopbouwgaranties, alsmede een vijfjarige herzieningsregeling, met de nadruk op een hoog en stijgend ambitieniveau; herhaalt zijn oproep aan de EU om, met het oog op het realiseren van een mondiaal gelijk speelveld, tijdens de onderhandelingen hetzelfde hoge ambitieniveau na te streven, met onder meer juridisch bindende streefcijfers voor mondiaal herstel en bescherming (ten minste 30 % tegen 2030), die de eigen ambities van de EU, zoals neergelegd in de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030, weerspiegelen;

66.

benadrukt in dit verband dat in de evaluatie van de tenuitvoerlegging van de SDG’s van 2018 (24) wordt geconcludeerd dat in het monitoringkader voor SDG 15 essentiële punten betreffende de kwaliteit niet zijn opgenomen, terwijl die wel noodzakelijk zijn om tot zinvolle monitoringresultaten te komen, waarbij wordt gesteld dat er behoefte is aan aanvullende indicatoren met betrekking tot onder meer de ongeschonden staat van bossen, de doeltreffendheid van het beheer in beschermde gebieden en de integratie, op een zinvolle manier, van biodiversiteit in andere processen;

67.

benadrukt dat klimaatmechanismen afhankelijk zijn van de gezondheid van de oceaan en mariene ecosystemen, die op dit moment de gevolgen ondervinden van de wereldwijde opwarming van het klimaat, vervuiling, overexploitatie van de mariene biodiversiteit, verzuring, zuurstofverlies en kusterosie; benadrukt dat het IPCC eraan herinnert dat de oceaan deel uitmaakt van de oplossing om de effecten van klimaatverandering te beperken en aan te passen;

68.

benadrukt dat het mondiale biodiversiteitskader voor de periode na 2020 de partijen ertoe moet verplichten op de natuur gebaseerde oplossingen ter bescherming en herstel van de integriteit van de biodiversiteit en ecosystemen op te nemen in zowel de nationale biodiversiteitsstrategieën en actieplannen als de NDC’s, teneinde aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te voldoen;

69.

onderkent de belangrijke rol van gezonde bodems, als grootste terrestrische koolstofput, bij het beperken van de klimaatverandering; verzoekt de lidstaten daarom nogmaals het herstel en duurzame gebruik van bodems als een instrument voor klimaatbeleid in hun nationale energie- en klimaatplannen (NECP’s), en met name in maatregelen voor de landbouw en de sector landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) uit te breiden, en koolstofputten in stand te houden, te herstellen en te bevorderen (met name in gebieden met koolstofrijke bodems, zoals graslanden en veengebieden), in aanvulling op maatregelen om een duurzaam gebruik van bodems in het landbouwbeleid te bevorderen en de uitstoot van de landbouw terug te dringen; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een wetgevingsvoorstel in te dienen tot vaststelling van een gemeenschappelijk rechtskader voor de hele EU inzake bodembescherming en duurzaam bodemgebruik, in het kader waarvan alle belangrijke bedreigingen voor de bodem worden aangepakt;

Duurzame klimaatfinanciering

70.

wijst erop dat de EU en haar lidstaten de grootste verstrekkers van publieke klimaatfinanciering zijn; erkent dat de klimaatfinanciering van belang is voor klimaatacties, aangezien veel ontwikkelingslanden voorwaardelijke NDC’s hebben, waarvan de verwezenlijking afhankelijk is van financiële steun; is daarom ingenomen met het tijdens de COP24 genomen besluit om voor de periode na 2025 een ambitieuzere doelstelling vast te stellen die verder gaat dan de huidige toezegging om vanaf 2020 jaarlijks 100 miljard USD beschikbaar te stellen, maar maakt zich zorgen over het feit dat de concrete toezeggingen van de ontwikkelde landen nog steeds ver achterblijven bij het gezamenlijke streefbedrag van 100 miljard USD per jaar, en roept ertoe op dit tekort aan te vullen; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan meer inspanningen te leveren om internationale klimaatfinanciering voor ontwikkelingslanden te mobiliseren en een internationaal stappenplan op te stellen waarin wordt aangegeven welk deel van de toegezegde 100 miljard USD elk ontwikkeld land wordt geacht bij te dragen, alsook mechanismen om ervoor te zorgen dat de toezeggingen ook daadwerkelijk in daden worden omgezet; verwacht van de opkomende economieën dat zij vanaf 2025 een bijdrage leveren aan het hogere bedrag van de internationale klimaatfinanciering in de toekomst; steunt in dat licht de start van onderhandelingen over een nieuwe financiële doelstelling voor de periode na 2025, waarbij wordt gekeken naar een aanpak aan de hand van een doelmatrix met afzonderlijke subdoelen, waaronder op subsidies gebaseerde financiering, waarmee de toenemende ernst van de gevolgen van de klimaatverandering en de dringende noodzaak om de klimaatactie in dit decennium maximaal te versnellen worden weerspiegeld;

71.

benadrukt dat geldstromen essentieel zijn voor de aanpassing aan de klimaatverandering; benadrukt hoe belangrijk het is de wereldwijde doelstelling inzake aanpassing te verwezenlijken en omvangrijke nieuwe fondsen te mobiliseren voor aanpassing in ontwikkelingslanden; vraagt de EU en haar lidstaten zich te verbinden tot een aanzienlijke aanvullende verhoging van de aanpassingsfinanciering die zij verstrekken, teneinde een evenwicht tussen aanpassingsfinanciering en mitigatiefinanciering te realiseren, waarbij prioriteit wordt gegeven aan financiering op basis van subsidies, en ernaar te streven tijdens de COP26 passende toezeggingen te doen;

72.

beaamt dat de inkomsten uit het mechanisme voor aanpassing van de koolstofgrens kunnen worden gebruikt om de verstrekking van klimaatfinanciering aan ontwikkelingslanden op te voeren, met name voor aanpassing, maar ook om de koolstofintensiteit van hun uitvoer en van de producten die in hun eigen land worden verkocht te verminderen;

73.

erkent dat vooruitgang moet worden geboekt op het gebied van verlies en schade, waarvoor extra en adequate middelen bijeen moeten worden gebracht via innovatieve bronnen van overheidsfinanciering in het kader van het internationale mechanisme van Warschau, en waarvoor de EU steun moet verlenen aan een COP26-mandaat voor de nieuwe deskundigengroep voor actie en ondersteuning (ASEG) van het internationaal mechanisme van Warschau, op basis waarvan deze groep dergelijke bronnen kan verkennen en in kaart kan brengen;

74.

wijst op het feit dat de COVID-19-crisis opnieuw duidelijk heeft gemaakt dat we op elkaar aangewezen zijn voor het aanpakken van de wereldwijde uitdagingen, en dat deze gezien moet worden als een “wake-up call” voor meer ambitieuze en collectieve actie; onderstreept dat we de veerkracht moeten vergroten door lering te trekken uit de huidige crisis, en in concreto voor voldoende capaciteit voor noodplanning en noodreactie moeten zorgen; waarschuwt dat de COVID-19-crisis de vooruitgang in de richting van de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen ongedaan maakt, de extreme armoede in ontwikkelingslanden vergroot en de schuldenniveaus heeft opgedreven; benadrukt dat wereldwijd groen herstel alleen mogelijk is indien veel meer financiering voor de aanpak van de klimaatproblemen ter beschikking wordt gesteld en er binnen internationale fora snel haalbare oplossingen worden gevonden met betrekking tot schuldverlichting voor ontwikkelingslanden;

75.

acht het van essentieel belang dat de grote internationale financiële instellingen snel groene financieringsinstrumenten invoeren en ontwikkelen om de wereldeconomie met succes koolstofvrij te maken; herinnert aan de rol van de EIB als de klimaatbank van de EU en aan haar onlangs aangenomen routekaart voor de klimaatbank en haar geactualiseerde beleid voor energieleningen; roept multilaterale ontwikkelingsbanken, met inbegrip van de EIB, en instellingen voor ontwikkelingsfinanciering op om meer klimaatinvesteringen te financieren, hun portefeuilles af te stemmen op de Overeenkomst van Parijs en ontwikkelingslanden te ondersteunen bij het herstel na de COVID-19-pandemie op een groene, inclusieve en veerkrachtige manier; wijst erop dat het noodzakelijk is platforms en instrumenten te creëren om beste praktijken voor duurzaam herstel te bevorderen en te delen, en om praktische samenwerking te bevorderen bij het loskoppelen van broeikasgasemissies van economische groei en het verhogen van de welvaart; dringt aan op de ontwikkeling en ondersteuning van een wereldwijde overeenkomst over beginselen van duurzame financiering, met inbegrip van de normen voor duurzaamheidsboekhouding van de internationale normen voor financiële verslaglegging;

76.

verwelkomt het feit dat het aanpassingsfonds een rol zal blijven spelen in het kader van de Overeenkomst van Parijs; erkent het belang van dit fonds voor de gemeenschappen die het kwetsbaarst zijn voor de klimaatverandering en merkt op dat sinds 2010 meer dan 830 miljoen USD vanuit het fonds is uitgetrokken voor projecten en programma’s met betrekking tot aanpassing aan en weerbaarheid tegen de klimaatverandering, met inbegrip van meer dan 120 concrete, op lokaal niveau uitgevoerde projecten in de meest kwetsbare gemeenschappen van ontwikkelingslanden overal ter wereld; beklemtoont echter dat dit bedrag niet volstaat en roept de donorlanden op hun bijdragen aan het aanpassingsfonds aanzienlijk te verhogen binnen een meer voorspelbare en meerjarige aanpak;

77.

herhaalt dat de subsidies voor fossiele brandstoffen en andere subsidies die schadelijk zijn voor het milieu in de EU en wereldwijd dringend moeten worden stopgezet; merkt op dat de subsidies voor fossiele brandstoffen in de EU ongeveer 50 miljard EUR bedragen en verzoekt alle lidstaten concreet beleid te voeren, concrete tijdschema’s in te voeren en concrete maatregelen te treffen om alle directe en indirecte subsidies voor fossiele brandstoffen uiterlijk in 2025 af te schaffen; verzoekt alle andere partijen soortgelijke maatregelen te nemen;

78.

spreekt zijn steun uit voor de werkzaamheden van de coalitie van ministers van Financiën voor klimaatactie en spoort alle regeringen aan om zich aan te sluiten bij de toezeggingen van de coalitie om alle onder de bevoegdheid van de Ministeries van Financiën vallende beleidsmaatregelen en praktijken in overeenstemming te brengen met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en een effectieve koolstofbeprijzing in te voeren overeenkomstig de beginselen van Helsinki;

79.

benadrukt de belangrijke rol die de particuliere sector, met inbegrip van het bedrijfsleven en de financiële markten, moet spelen om de economie op een traject te zetten dat verenigbaar is met het Akkoord van Parijs; is ingenomen met het COP26-initiatief “Private Finance Hub” met als doel een systeem op te zetten dat particuliere financiering mobiliseert om de omschakeling naar emissievrije economieën te ondersteunen; wijst op de grote belangstelling voor en betrokkenheid van burgers bij duurzame investeringen; is ingenomen met de toenemende betrokkenheid van grote internationale financiële instellingen bij de ontwikkeling van groene financiering en vindt het essentieel dat deze trend wordt gestimuleerd om de wereldeconomie met succes koolstofvrij te maken; is ingenomen met de Glasgow Financial Alliance for Net Zero en het streven van die alliantie om de mondiale investeringen te mobiliseren die nodig zijn om uiterlijk in 2050 broeikasgasneutraliteit te realiseren aan de hand van wetenschappelijke criteria;

80.

benadrukt het feit dat het mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) niet heeft geleid tot reële aanvullende emissiereducties; verzoekt de partijen de onmiddellijke beëindiging van het CDM te overwegen; benadrukt dat voortzetting van het CDM de Overeenkomst van Parijs en de collectieve inspanningen om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen zou ondermijnen;

81.

benadrukt dat oude kredieten die in het verleden zijn gegenereerd in het kader van de Overeenkomst van Parijs niet mogen worden gebruikt; benadrukt dat oude kredieten niet mogen worden gebruikt om de klimaatdoelstellingen voor de periode na 2020 te halen;

82.

benadrukt dat er gewerkt moet worden aan de verdere ontwikkeling en bevordering van openbaarmaking door financiële instellingen en bedrijven van klimaat- en duurzaamheidgerelateerde financiële informatie;

Omvattende inspanningen door alle sectoren

83.

benadrukt het feit dat de vervoerssector de enige sector is waarin de emissies op EU-niveau sinds 1990 zijn gestegen en dat dit niet verenigbaar is met de langetermijndoelstelling van klimaatneutraliteit, die grotere en snellere emissiereducties in alle sectoren van de samenleving vereist, waaronder de lucht- en de zeevaart; is van mening dat, om ervoor te zorgen dat de NDC’s in overeenstemming zijn met de inspanningen die op grond van de Overeenkomst van Parijs in de hele economie moeten worden geleverd, de partijen ertoe moeten worden aangemoedigd om de emissies van de internationale scheepvaart en luchtvaart daarin op te nemen en in te stemmen met en uitvoering te geven aan maatregelen op internationaal, regionaal en nationaal niveau om de emissies van deze sectoren terug te dringen, met inbegrip van de niet-CO2-gerelateerde effecten van de luchtvaart; herhaalt in dit verband dat deze sectoren in het kader van het EU-emissiehandelssysteem (ETS) moeten worden gereguleerd, wat als voorbeeld zou kunnen dienen voor de parallelle inspanningen om op internationaal niveau, onder meer in de Internationale maritieme organisatie (IMO) en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO), hogere mondiale ambities te ondersteunen; is bezorgd over de geringe vooruitgang die de IMO en de ICAO hebben geboekt bij de aanpak van de emissies van de internationale scheepvaart en luchtvaart; wijst erop dat de luchtvaart verantwoordelijk is voor ongeveer 2,1 % van de wereldwijde CO2-uitstoot; verzoekt de Commissie en de lidstaten alles in het werk te stellen om het systeem van koolstofcompensatie en -reductie voor de internationale luchtvaart (Corsia) te versterken en de aanneming door de ICAO van een langetermijndoelstelling ter vermindering van de emissies in de sector te steunen, zonder afbreuk te doen aan de wetgevingsautonomie van de EU bij de uitvoering van de ETS-richtlijn;

84.

herinnert eraan dat volgens het Internationaal Energieagentschap uiterlijk in 2035 alle nieuwe personenauto’s die wereldwijd op de markt komen emissievrij moeten zijn, om in 2050 broeikasgasneutraliteit te bereiken; benadrukt voorts dat uit een analyse van de Commissie blijkt dat als Europa uiterlijk in 2050 klimaatneutraal wil zijn, vrijwel alle auto’s op de Europese wegen tegen die tijd emissievrij moeten zijn; benadrukt dat de vervoerssector een belangrijke facilitator kan zijn voor het gebruik van hernieuwbare energie; benadrukt de rol die elektrische mobiliteit kan spelen als een vorm van slimme integratie van de energie- en de vervoerssector door het ontsluiten van flexibiliteitsmogelijkheden, en onderstreept het belang van de invoering van slimme oplaadpunten in de gehele EU;

85.

merkt op dat de emissies van zwarte koolstof door de scheepvaart in de periode 2012-2018 wereldwijd met 12 % zijn gestegen, en in het Noordpoolgebied in de periode 2015-2019 met 85 %; benadrukt dat zwarte koolstof over een periode van 20 jaar naar schatting ongeveer 21 % van de totale uitstoot van de scheepvaart uitmaakt; roept gezien de urgentie van de aanpak van de klimaatverandering, en met name het alarmerende tempo waarin het ijs in het Noordpoolgebied smelt, op tot onmiddellijke maatregelen om de huidige toename van de uitstoot van zwarte koolstof door de scheepvaart in het Noordpoolgebied om te buigen; betreurt ten zeerste het feit dat het IMO-verbod op het gebruik van zware stookolie in het Noordpoolgebied niet waterdicht is en niet doeltreffend is om het Noordpoolgebied te beschermen; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat alle schepen die EU-havens aandoen en in of nabij het Noordpoolgebied varen, overschakelen op schonere destillaten en deeltjesfilters installeren, waardoor de uitstoot van zwarte koolstof met meer dan 90 % zou verminderen;

86.

wijst op het feit dat de scheepvaart in 2012 verantwoordelijk was voor ongeveer 2,5 % van de wereldwijde broeikasgasemissies (25); is bezorgd over het feit dat de scheepvaart is vrijgesteld van de naleving van zowel de internationale (UNFCCC-) klimaatdoelstellingen als de klimaatdoelstellingen van de EU en vestigt de aandacht op het feit dat de emissies van de scheepvaart, als ze niet worden gereguleerd, in de periode 2018-2050 naar verwachting met 50 % zullen toenemen (26); is ingenomen met het feit dat de IMO in 2018 een eerste strategie inzake vermindering van de broeikasgasemissies van schepen heeft aangenomen, waarin staat dat de piek van de emissies zo snel mogelijk moet worden bereikt en dat de emissies uiterlijk in 2050 met ten minste 50 % moeten zijn gedaald ten opzichte van het niveau van 2008 en dat ernaar moet worden gestreefd uiteindelijk tot een nulemissie te komen, maar is bezorgd over de geringe vooruitgang die tot dusver is geboekt en dringt er bij de IMO op aan snel ambitieuze maatregelen te nemen voor de korte en middellange termijn;

87.

herinnert eraan dat steden een sleutelrol spelen bij het terugdringen van broeikasgasemissies; benadrukt dat steden lokaal en wereldwijd het voortouw moeten nemen bij de groene transitie; verzoekt de Commissie na te denken over concrete maatregelen ter ondersteuning van de vermindering van de CO2-uitstoot van steden, uit te voeren in samenwerking met de industrie, burgers en lokale autoriteiten; benadrukt het feit dat steden door het ondersteunen van innovatie en pioniersacties kunnen fungeren als kraamkamer voor nieuwe technologieën op het gebied van elektrificatie, automatisering en digitalisering;

88.

beklemtoont dat de inspanningen moeten worden geïntegreerd om op zowel het gebied van de klimaatverandering als de luchtkwaliteit vooruitgang te boeken; is van oordeel dat een holistische aanpak nodig is om de emissies aan de bron in alle sectoren, en in het bijzonder het weg- en het zeevervoer, de luchtvaart, industriële installaties, gebouwen, de landbouw en de sector energieopwekking, te verminderen, teneinde de gezondheid van onze burgers en onze planeet beter te beschermen;

89.

brengt in herinnering dat 23 % van de mondiale broeikasgasemissies en ongeveer 10 % van de broeikasgasemissies in de EU afkomstig zijn van de landbouw, en erkent het aanzienlijke potentieel voor broeikasgasemissiereductie in de landbouwsector, alsmede voor een positieve bijdrage door die sector aan het tegengaan van klimaatverandering door de koolstofvastlegging te verhogen; benadrukt dat een transitie naar regeneratieve landbouw, kortere bevoorradingsketens en gezondere, evenwichtigere en duurzamere voedingspatronen, onder meer door een grotere consumptie van duurzaam geproduceerde planten en voedingsmiddelen op basis van planten, aanzienlijk zou bijdragen tot een vermindering van de landbouwemissies en tegelijk de druk op de bodem zou verlichten en het herstel van de ecosystemen zou bevorderen;

90.

merkt op dat de grote voordelen van agro-ecologie voor het klimaat, de biodiversiteit en de voedselzekerheid zijn erkend in IPCC- en IPBES-rapporten, door de speciale rapporteur van de VN voor het recht op voedsel, en in de internationale beoordeling van landbouwkennis, wetenschap en technologie voor ontwikkeling onder leiding van de FAO; herhaalt dat agro-ecologie en gezinslandbouw een centrale plaats moeten krijgen binnen de klimaatmaatregelen;

91.

merkt op dat ongeveer 60 % van alle methaan ter wereld wordt uitgestoten door bronnen als de landbouw, stortplaatsen en afvalwaterinstallaties, alsook door de productie van fossiele brandstoffen en het vervoer daarvan via pijpleidingen; herinnert eraan dat methaan een krachtig broeikasgas is, meer dan 80 keer zo krachtig als CO2 over een periode van 20 jaar, en na koolstofdioxide de grootste bijdrage levert aan de klimaatverandering; wijst er daarom op dat de methaanemissies nog in dit decennium moeten worden aangepakt en zo snel mogelijk omlaag moeten worden gebracht, omdat dit in het kader van het optreden van de EU tegen verdere klimaatverandering een van de meest doeltreffende maatregelen is; merkt op dat er al veel kostenefficiënte technologieën en praktijken om methaanemissies te beperken beschikbaar zijn, met name in de energiesector; wijst op het feit dat een vermindering van de methaanemissies een aanvulling vormt op de noodzakelijke vermindering van de koolstofdioxide-emissies, en dat 15 % van de in het kader van de Overeenkomst van Parijs vereiste emissiereducties reeds kan worden bereikt door middel van goedkope en technisch haalbare oplossingen voor de vermindering van methaanemissies; is in dit verband ingenomen met de nieuwe, in oktober 2020 door de Commissie gepresenteerde EU-strategie om methaanemissies terug te dringen, en verzoekt alle partijen onverwijld ambitieuze maatregelen te nemen om de methaanemissies aanzienlijk te verminderen; verzoekt de Commissie een billijk, alomvattend en duidelijk wetgevingskader voor te stellen met bindende maatregelen en streefcijfers voor methaanvermindering die tegen 2030 leiden tot een aanzienlijke vermindering van de methaanemissies in de EU; verzoekt de Commissie en de lidstaten het voortouw te nemen bij de internationale samenwerking en coördinatie inzake de beperking van de uitstoot van methaan en tijdens de COP26 de leiding te nemen in de richting van een mondiaal akkoord over de beperking van de uitstoot van methaan, waarin nieuwe ambities inzake de beperking van de wereldwijde uitstoot van methaan worden geformuleerd in overeenstemming met het 1,5 oC-verslag van het IPCC, het mondiale methaanbeoordelingsverslag van het UNEP en het zesde beoordelingsverslag van het IPCC;

92.

herinnert eraan dat in de effectbeoordeling bij het klimaatdoelstellingsplan 2030 (27) wordt gesteld dat het, om uiterlijk in 2030 een broeikasgasemissiereductie van ten minste 55 % te realiseren, nodig is dat methaanemissies worden aangepakt, in lijn met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;

93.

steunt de inspanningen van de Commissie om de totstandbrenging van een op internationaal niveau juridisch bindend VN-kader inzake de reductie van methaanemissies te bepleiten;

94.

is ingenomen met de toezeggingen van de regering Biden van de VS en president Xi Jinping van China om de wijziging van Kigali van het Protocol van Montreal te ratificeren, omdat dit, samen met de aanstaande herziening van de EU-regels inzake gefluorideerde broeikasgassen, een unieke gelegenheid biedt om de wereld dichter bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te brengen; verzoekt de Commissie om uiterlijk eind 2021 een ambitieuze herziening van de F-gasverordening voor te leggen, teneinde de geleidelijke eliminatie van fluorkoolwaterstoffen (HFK’s) te versnellen; is van mening dat er ook aanvullende maatregelen moeten worden genomen tegen het gebruik van zwavelhexafluoride (SF6);

95.

moedigt de EU aan om, als onderdeel van een breder regelgevingskader, het voortouw te nemen bij de bevordering van koolstofbeprijzing als efficiënt instrument van het klimaatbeleid en te zoeken naar koppelingen en andere vormen van samenwerking met bestaande koolstofbeprijzingsmechanismen in derde landen en regio’s, teneinde de kostenefficiënte emissiereducties wereldwijd te versnellen en tegelijkertijd het risico van koolstoflekkage te verminderen, hetgeen ertoe moet bijdragen dat wereldwijd een gelijk speelveld wordt gecreëerd; verzoekt de Commissie te voorzien in waarborgen om ervoor te zorgen dat koppelingen met de EU ETS-regeling extra en permanente mitigatiebijdragen blijven opleveren en de verbintenissen van de EU op het gebied van de binnenlandse uitstoot van broeikasgassen niet ondermijnen; benadrukt dat de instelling van een EU-mechanisme voor aanpassing van de koolstofgrens dat verenigbaar is met de Wereldhandelsorganisatie een cruciaal onderdeel van de Green Deal vormt en een kernprioriteit moet zijn; benadrukt dat het mechanisme voor aanpassing van de koolstofgrens moet worden gebruikt als blauwdruk voor krachtiger klimaatmaatregelen binnen de EU en wereldwijd, waarbij eerlijke concurrentie tussen binnenlandse en buitenlandse producenten in de EU moet worden gewaarborgd;

96.

wijst erop dat een duidelijk engagement om ontbossing tegen te gaan van groot belang is; wijst erop dat het bosareaal in de EU de afgelopen jaren weliswaar is toegenomen, maar dat in andere regio’s, met name regio’s met opkomende economieën die afhankelijk zijn van grondstoffen, sprake is van massale ontbossing, voornamelijk als gevolg van activiteiten van de landbouw en veeteelt, en dat dit een probleem is dat op adequate wijze moet worden opgelost;

Industrie en concurrentievermogen

97.

beschouwt de COP26 als de belangrijkste conferentie voor de Europese industrie- en energiesector sinds de ondertekening van de Overeenkomst van Parijs in 2015, aangezien de Unie een traject heeft vastgelegd om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken en het “Fit for 55”-pakket heeft gelanceerd; is van mening dat economische welvaart, sociale cohesie, het scheppen van banen, duurzame industriële ontwikkeling en klimaatbeleid elkaar moeten versterken; wijst er nadrukkelijk op dat de bestrijding van klimaatverandering kansen biedt voor de industrie in de EU, die kunnen worden benut als de wetgevers zich verbinden tot een tijdige, op maat gesneden, op solidariteit gebaseerde en adequate beleidsreactie; benadrukt dat er een overkoepelende strategie nodig is om de doelstellingen voor 2030 en daarna te verwezenlijken en de publieke en particuliere geldstromen op elkaar af te stemmen; acht het van het grootste belang dat de EU een pioniersvoordeel behaalt en het goede voorbeeld geeft;

98.

benadrukt dat de EU alles in het werk moet stellen om de leidende positie en het mondiale concurrentievermogen van haar industrieën te behouden bij de transitie naar een economie met een netto-uitstoot van broeikasgassen van nul; wijst erop dat beschikbare en innovatieve beleidsinstrumenten moeten worden ingezet om de gebieden waarop de EU een leidende rol speelt, te handhaven en uit te breiden; onderstreept dat de Europese industrie verder koolstofarm moet worden gemaakt en dat de EU-steun voor dit streven moet worden voortgezet; is ingenomen met de genomen initiatieven voor strategische waardeketens; erkent de positieve effecten van vroegtijdige maatregelen ter bestrijding van de klimaatverandering voor de Europese industrieën, alsook van het feit dat de EU het goede voorbeeld geeft door klimaatneutraliteit te bereiken, wat de weg vrijmaakt voor minder geavanceerde of minder ambitieuze landen en de industrieën en het bedrijfsleven in de EU verzekert van een zeer bevorderlijk concurrentievoordeel; benadrukt dat er afdwingbare multilaterale en bilaterale overeenkomsten tussen de EU en haar partners moeten worden gesloten die gericht zijn op het exporteren van de milieunormen van de Unie en op het waarborgen van gelijke concurrentievoorwaarden in handel en investeringen; benadrukt dat moet worden voorkomen dat productie en investeringen in de Europese industrie worden verplaatst omdat buiten de Unie minder ambitieuze klimaatmaatregelen worden genomen, en spoort de internationale partners er derhalve toe aan hun inspanningen ter bestrijding van de klimaatverandering op elkaar af te stemmen; is van oordeel dat de groene taxonomie van de EU voor transparantie moet zorgen en duidelijkheid moet verschaffen, zodat regeringen en bedrijven stimulansen kunnen bieden voor investeringen die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het Akkoord van Parijs;

99.

erkent de essentiële rol van de kmo’s, met name van micro-ondernemingen en start-ups, bij het stimuleren en realiseren van werkgelegenheid en groei, alsook bij het nemen van het voortouw in de digitale en de groene transitie; herinnert eraan dat kmo’s een essentieel onderdeel vormen van het Europese economische en sociale weefsel en bij deze transitie moeten worden gesteund en gestimuleerd door de wetgever, met name door te zorgen voor toegang tot financiering voor duurzame technologieën, diensten en processen, en door administratieve procedures te vereenvoudigen; is bezorgd dat veel kmo’s zich nog steeds niet bewust zijn van de kansen van de groene transitie en dringt er daarom op aan deze kenniskloof te dichten, met de steun van de duurzaamheidsadviseurs en duurzaamheidsdiensten van het Enterprise Europe Network;

100.

is verheugd over de inzet, de inspanningen en de vooruitgang die de Europese burgers, gemeenschappen, gemeenten, steden, regio’s, industrieën en instellingen tot dusver hebben geleverd om aan de verplichtingen van de Overeenkomst van Parijs te voldoen; wijst er tegelijkertijd op dat de acties snel moeten worden opgevoerd om volledig in overeenstemming te zijn met de Overeenkomst van Parijs; spoort derhalve alle betrokken actoren, binnen en buiten de Unie, aan hun ambities en gedrag aan te passen aan hogere normen om de klimaatuitdagingen aan te gaan;

101.

benadrukt de kansen die een solide groeistrategie voor herstel na de COVID-pandemie biedt, niet alleen om de economische crisis te boven te komen, maar ook om in de EU verder te gaan met de ontwikkeling van een groene en duurzame economie door de digitale en groene transitie te verwezenlijken; merkt met bezorgdheid op dat het over het hoofd zien van het voordeel van deze dynamiek nadelig zou zijn voor de industrie in de EU, gezien de omvang van de industriële transformatie die nodig is om de doelstellingen voor 2030 te verwezenlijken in een zeer concurrerende en zich snel ontwikkelende omgeving;

102.

Is ingenomen met het feit dat verscheidene handelspartners van de EU een koolstofhandel- of andere prijsmechanismen hebben ingevoerd; verwelkomt een sociaal rechtvaardig EU-mechanisme voor aanpassing van de koolstofgrens dat overeenkomt met de voorstellen in de resolutie van het Europees Parlement betreffende een EU-mechanisme voor aanpassing van de koolstofgrens dat verenigbaar is met de Wereldhandelsorganisatie, waaronder de instelling van een doeltreffend mechanisme voor koolstoflekkage, en het effect ervan om aan te sturen op een wereldwijde koolstofprijs; roept de partijen bij de COP26 op het eens te worden over duidelijke, eerlijke en vanuit milieu- en sociaal oogpunt deugdelijke regels voor koolstofmarkten die concrete, meetbare bijdragen leveren aan duurzame ontwikkeling;

Energiebeleid

103.

is ingenomen met de herziening van de energiewetgeving in het kader van het “Fit for 55”-pakket om deze in overeenstemming te brengen met de verhoogde doelstelling van de Unie om de emissies tegen 2030 met ten minste 55 % te verminderen teneinde uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken;

104.

herinnert eraan dat de Unie zich heeft gecommitteerd aan het beginsel “energie-efficiëntie eerst”; onderstreept dat het van belang is het beginsel te mainstreamen in alle relevante wetgeving en initiatieven; wijst op het onaangeboorde potentieel van energie-efficiëntie in sectoren zoals vervoer en gebouwen, met inbegrip van verwarming en koeling;

105.

herinnert eraan dat er in 2018 in de Unie 50 miljard EUR is uitgegeven aan subsidies voor fossiele brandstoffen, wat overeenkomt met ongeveer een derde van alle energiesubsidies in de Unie; is van mening dat subsidies voor fossiele brandstoffen de doelstellingen van de Europese Green Deal en de verplichtingen van de Overeenkomst van Parijs ondermijnen; benadrukt dat er dringend meer consistente prijssignalen moeten komen voor alle energiesectoren en de lidstaten, alsook het feit dat de externe kosten niet worden geïnternaliseerd; roept de lidstaten en de andere partijen bij de COP26 op prioriteit te geven aan investeringen in groene energie en infrastructuur en directe en indirecte subsidies voor fossiele brandstoffen geleidelijk af te schaffen;

106.

is van mening dat als de EU klimaatneutraal wil worden, haar energiesysteem geïntegreerd moet zijn in en gebaseerd moet zijn op een trapsgewijze prioriteit, die begint met de toepassing van het beginsel “energie-efficiëntie eerst”, wat leidt tot energiebesparing, gevolgd door het koolstofvrij maken van het eindgebruik door middel van directe elektrificatie, brandstoffen op basis van hernieuwbare energiebronnen en, gedurende een overgangsfase, koolstofarme brandstoffen voor toepassingen waarvoor geen ander alternatief bestaat, dit met behoud van de toegankelijkheid, betaalbaarheid en leveringszekerheid door middel van de ontwikkeling van een circulair, zeer energie-efficiënt, geïntegreerd, onderling verbonden, veerkrachtig en multimodaal energiesysteem;

107.

herinnert eraan hoe belangrijk het is rekening te houden met de diversiteit van de nationale energiesystemen en uitdagingen; wijst op de noodzaak van een rechtvaardige overgang en herhaalt de in de nieuwe Green Deal vervatte belofte dat niemand in de kou mag blijven staan; is bezorgd over het feit dat ongeveer 50 miljoen huishoudens in de EU nog steeds in energiearmoede leven; wijst op het belang van de sociale dimensie van een hogere klimaatambitie, waarbij beleidsmaatregelen moeten worden genomen om energiearmoede zo spoedig mogelijk te voorkomen en te beëindigen; benadrukt dat al het energiebeleid moet worden gevoerd volgens het principe van een rechtvaardige transitie en in nauwe samenwerking met het maatschappelijk middenveld en de sociale partners; stelt zich daarom op het standpunt dat openbare planning en sterkere sociale partnerschappen en betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld op nationaal en EU-niveau noodzakelijk zijn om in alle sectoren van de samenleving op billijke, inclusieve en sociaal duurzame wijze voor klimaatneutraliteit te zorgen;

108.

is ermee ingenomen dat de Europese waterstofstrategie is aangenomen, die streefcijfers bevat voor de installatie in de Unie van hernieuwbare waterstofelektrolysers met een vermogen van ten minste 6 GW tegen 2024 en van 40 GW tegen 2030; herinnert aan de noodzaak om de bestaande waterstofproductie sneller koolstofvrij te maken door de productie van hernieuwbare waterstof op te voeren; benadrukt dat het van belang is zo spoedig mogelijk een einde te maken aan waterstof op basis van fossiele brandstoffen en in plaats daarvan te kiezen voor veilige en duurzame technologieën; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan onmiddellijk een begin te maken met het zorgvuldig plannen van deze geleidelijke afschaffing, zodat de productie van fossiele waterstof snel, voorspelbaar en onomkeerbaar zal afnemen en wordt voorkomen dat de levensduur van op fossiele brandstoffen gebaseerde productiefaciliteiten wordt verlengd; merkt op dat een aantal op fossiele brandstoffen gebaseerde waterstofproductielocaties gelegen is in gebieden waar een rechtvaardige transitie plaatsvindt, en wijst er derhalve op dat er doeltreffende steunmaatregelen nodig zijn die de vermindering van broeikasgasemissies vergemakkelijken en bijdragen tot de omscholing en verdere inzetbaarheid van de plaatselijke arbeidskrachten;

109.

is ingenomen met de EU-strategie inzake hernieuwbare offshore-energie en met de daarin vervatte ambitie om de offshorecapaciteit van Europa te verhogen tot ten minste 60 GW tegen 2030 en tot 340 GW tegen 2050; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat de uitvoering van de strategie ten goede komt aan de gehele Unie, met inbegrip van de niet aan zee grenzende lidstaten;

110.

is ervan overtuigd dat het noodzakelijk is de voorwaarden te scheppen om consumenten ertoe aan te zetten duurzamere vormen van energie te kiezen en actiever te zijn; verzoekt de Commissie na te gaan welke belemmeringen er nog zijn voor hernieuwbaar eigen verbruik en hernieuwbare energiegemeenschappen, met name in huishoudens met een laag inkomen of kwetsbare huishoudens;

111.

is ingenomen met het initiatief om de energiebelastingrichtlijn (2003/96/EG) te herzien en om te vormen tot een instrument waarmee het belastingbeleid wordt afgestemd op de energie- en klimaatdoelstellingen voor 2030 en 2050, waarbij de gevolgen, ook die voor consumenten, alsmede energiearmoede en vervoersarmoede worden beoordeeld; verzoekt de lidstaten te overwegen de belastingen en heffingen op hernieuwbare energie in de gehele Unie waar nodig te verlagen, en de financiële stimulansen voor de productie van hernieuwbare energie te versterken;

112.

benadrukt dat Europa weliswaar werkt aan de verwezenlijking van haar ambitieuze doelstellingen, maar dat er gecoördineerde wereldwijde actie vereist is om het doel van mondiaal nul emissies tegen uiterlijk 2050 te bereiken; wijst erop dat ontwikkelingslanden in verschillende mate internationale steun nodig zullen hebben om hun groene transitie te bewerkstelligen; benadrukt dat het van belang is de nauwe grensoverschrijdende samenwerking en de uitwisseling van beste praktijken met internationale partners op het gebied van beleidsvorming en wetenschap, met inbegrip van technologieoverdracht, te versterken teneinde energie-efficiëntie en investeringen in duurzame energietechnologieën en -infrastructuur te bevorderen;

113.

is ingenomen met het voornemen van de Commissie om een actieplan voor de digitalisering van de energiesector vast te stellen, teneinde de EU als technologisch leider te positioneren en een meer geïntegreerd energiesysteem mogelijk te maken met intelligente oplossingen in specifieke sectoren en met een betere financiering voor de periode 2021-2027; herinnert eraan hoe belangrijk het is cyberbeveiligingsrisico’s in de energiesector aan te pakken teneinde de veerkracht van de energiesystemen te waarborgen;

Beleid inzake onderzoek, innovatie, digitale technologieën en ruimtevaart

114.

is ingenomen met de rol van het programma Horizon Europa en de bijdrage ervan aan klimaatneutraliteit; is van mening dat de partnerschappen in het kader van Horizon Europa, met inbegrip van de gemeenschappelijke ondernemingen, de samenwerking tussen de openbare en de particuliere sector zullen bevorderen, met als doel bij te dragen tot de verwezenlijking van de groene transitie, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat duurzame innovaties beschikbaar, toegankelijk en betaalbaar zijn; onderstreept dat het van belang is de communicatie met de burgers over de resultaten van Europese O&O-projecten en over nieuwe technologieën, met inbegrip van de vuurtorenprojecten, te verbeteren, teneinde de aanvaarding door het publiek te vergroten en de rol van de Unie voor de burgers zichtbaarder te maken;

115.

benadrukt dat er meer publieke en private investeringen moeten worden aangetrokken in onderzoek, innovatie en toepassing van nieuwe duurzame technologieën, onder meer in arbeidsintensieve industrieën, in noodzakelijke nieuwe infrastructuurnetwerken en in projecten die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Green Deal en het Akkoord van Parijs;

116.

onderstreept dat het van belang is te zorgen voor samenhang en consistentie in de stimuleringsmaatregelen ter bevordering van innovatieve technologieën om de doelstellingen voor 2030 en 2050 te halen, en daarbij aandacht te besteden aan de inzet van reeds volgroeide technologieën en aan investeringen in nieuwe technologieën die moeten worden ontwikkeld om de doelstelling van de Unie uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, te verwezenlijken;

117.

benadrukt de fundamentele rol die digitale technologieën kunnen spelen bij de ondersteuning van de groene transitie van de EU; onderstreept dat het herstel van de EU vereist dat er een stabiel regelgevingskader en financiële stimulansen worden gecreëerd, ook voor particuliere spelers, teneinde marktgestuurde vooruitgang op het gebied van onderzoek, innovatie en de ontwikkeling van duurzame technologieën tot stand te brengen en te waarborgen;

118.

onderstreept dat digitalisering een van de sleutelfactoren is die de integratie van energiesystemen aandrijven, aangezien zij dynamische en onderling gekoppelde stromen van energiedragers mogelijk kan maken, de mogelijkheid biedt meer diverse markten onderling te koppelen, en de nodige gegevens kan opleveren om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen; benadrukt het potentieel van digitale technologieën om de energie-efficiëntie te verhogen en zo de totale broeikasgasemissies te verminderen; herinnert eraan dat de Commissie schat dat de ecologische voetafdruk van ICT tussen 5 % en 9 % van het mondiale elektriciteitsverbruik vertegenwoordigt en meer dan 2 % van de mondiale broeikasgasemissies; benadrukt dat volgens een studie van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie over artificiële intelligentie uit 2018 datacentra en datatransmissie tussen 3 % en 4 % van het totale elektriciteitsverbruik van de Unie kunnen uitmaken; wijst erop dat de Commissie tussen 2018 en 2030 een stijging van 28 % van het verbruik van datacentra verwacht; onderstreept dat 47 % van de digitale koolstofemissies wordt veroorzaakt door consumentenapparatuur, zoals computers, smartphones, tablets en andere geconnecteerde voorwerpen; dringt derhalve aan op maatregelen om de koolstofvoetafdruk van de ICT-sector te verkleinen door te zorgen voor energie- en hulpbronnenefficiëntie, en wijst nogmaals op de doelstelling zoals vastgelegd in de digitale strategie om datacentra uiterlijk in 2030 klimaatneutraal en zeer energie-efficiënt te maken;

119.

herinnert aan het belang van de bijdrage van O&I aan de verwezenlijking van de doelstellingen die zijn vastgelegd in de Overeenkomst van Parijs en aan de doelstellingen van de Europese Green Deal; verzoekt de Commissie en de lidstaten om steun voor onderzoek en innovatie en om een algehele verhoging van de EU- en nationale begrotingen voor O&I op het gebied van duurzame en veilige energietechnologieën en -innovatie; verzoekt de Commissie te overwegen verdere steun te verlenen voor technologieën en innovatieve oplossingen die zullen bijdragen tot een klimaatbestendig en geïntegreerd energiesysteem, ook daar waar Europa wereldleider is en over eigen waardeketens beschikt; acht het van essentieel belang dat cruciale segmenten van de waardeketens voor hernieuwbare energie zich in de Unie bevinden, teneinde de klimaatdoelstellingen te verwezenlijken en de Europeanen aanzienlijke economische voordelen te bieden, en dringt aan op passende maatregelen om de rol van Europese inhoud in de toeleveringsketen van hernieuwbare energiesystemen en wetgeving te ondersteunen;

Klimaatverandering en ontwikkeling

120.

is van mening dat de COP26 een gelegenheid biedt om de inspanningen ter verwezenlijking van de doelstellingen van het Akkoord van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN, met name doelstelling 13 (klimaatactie), te hernieuwen; is van oordeel dat de agenda voor 2030 moet fungeren als een routekaart naar een groenere, rechtvaardigere en duurzamere toekomst;

121.

benadrukt het belang van een mensenrechtenbenadering in klimaatmaatregelen om ervoor te zorgen dat alle maatregelen de mensenrechten van alle mensen eerbiedigen en ondersteunen;

122.

dringt er bij de partijen bij het UNFCCC op aan hun ambities op het gebied van mitigatie en adaptatie te blijven verhogen overeenkomstig de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, en de mensenrechtendimensie te integreren in hun NDC’s en hun adaptatiemededeling; verzoekt het secretariaat van het UNFCCC om in samenwerking met de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten richtsnoeren op te stellen waarin wordt aangegeven hoe mensenrechtenbescherming kan worden geïntegreerd in de NDC’s en de adaptatiemededelingen;

123.

is zich bewust van de talrijke bewijzen dat de gevolgen van de klimaatverandering de schaarste van vitale hulpbronnen zoals landbouwgrond veroorzaken en verergeren, leiden tot beschadiging of vernietiging van ecosystemen die de basis vormen voor het levensonderhoud, en de frequentie en ernst van natuurrampen doen toenemen, waardoor zij conflicten, ontheemding van bevolkingsgroepen en humanitaire crises aanwakkeren;

124.

herinnert eraan dat volgens het vijfde evaluatieverslag van de IPCC de inheemse, lokale en traditionele vormen van kennis een belangrijke bron zijn bij de aanpassing aan de klimaatverandering; betreurt het dat inheemse kennis niet doeltreffend wordt benut, terwijl de expliciete erkenning van inheemse volkeren en stammen en hun rechten nog steeds ontbreekt in de juridische, beleids- en institutionele kaders van veel landen, en dat de tenuitvoerlegging van die rechten een belangrijk probleem blijft;

125.

dringt erop aan dat in de operationele regels van het mechanisme voor duurzame ontwikkeling degelijke garanties worden opgenomen voor mitigatie en voor de bescherming van de rechten van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen bij elk project in het kader van dit mechanisme; onderstreept dat het belangrijk is de kennis van inheemse en lokale gemeenschappen over milieubescherming te benutten en ervoor te zorgen dat hun stem wordt gehoord in het kader van de internationale klimaatactie-inspanningen;

126.

roept de EU op het voortouw te nemen om de overeenkomsten van de Wereldhandelsorganisatie volledig in overeenstemming te brengen met het Akkoord van Parijs en ervoor te zorgen dat haar eigen handels- en investeringsovereenkomsten geen belemmering vormen voor de uitvoering van het Akkoord van Parijs en de verwezenlijkingen van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN, maar deze juist volledig ondersteunen;

Rol van het Europees Parlement

127.

is van mening dat het Parlement, aangezien het zijn goedkeuring moet geven aan internationale overeenkomsten en als medewetgever een centrale rol speelt bij de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs in Europa, op integrerende wijze moet worden opgenomen in de EU-delegatie; dringt er dan ook met klem op aan dat het de coördinatievergaderingen van de EU tijdens de COP26 in Glasgow mag bijwonen en dat het vanaf het begin van de onderhandelingen toegang krijgt tot alle voorbereidende documenten;

o

o o

128.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het secretariaat van het UNFCCC, met het verzoek haar toe te zenden aan alle niet-EU-partijen bij het UNFCCC.

(1)  PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1.

(2)  PB C 232 van 16.6.2021, blz. 30.

(3)  PB C 232 van 16.6.2021, blz. 28.

(4)  PB C 270 van 7.7.2021, blz. 2.

(5)  Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0212.

(6)  Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0382.

(7)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0143.

(8)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0277.

(9)  Het gezamenlijke workshopverslag van het IPBES en de IPCC over biodiversiteit en klimaatverandering van 10 juni 2021.

(10)  Natali, S.M., et al., “Permafrost carbon feedbacks threaten global climate goals” (De terugstoot van koolstof door de permafrost bedreigt de wereldwijde klimaatdoelen), Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America, 118 (21), 25 mei 2021.

(11)  Rigaud, K.K. et al., Groundswell: Preparing for Internal Climate Migration (Vloedgolf: voorbereiding op interne klimaatmigratie), Wereldbankgroep, 19 maart 2018.

(12)  VN-ontwikkelingsprogramma, “The trillion dollar climate finance challenge (and opportunity)” (De uitdaging (en kans) op het gebied van de klimaatfinanciering van een biljoen dollar), 27 juni 2021.

(13)  Europees Milieuagentschap, “Building the foundations for fundamental change” (Bouwen aan de fundering voor fundamentele verandering), 4 juni 2021.

(14)  Hänsel, M.C., Drupp, M.A., Johansson, D J. A., Nesje, F., Azar, C., Freeman, M.C., Groom, B. en Sterner, T., “Climate economics support for the UN climate targets” (Ondersteuning van de klimaateconomie voor de VN-klimaatdoelstellingen), Nature Climate Change, 10, 2020, blz. 781-789.

(15)  Verklaring van de G7-top in Carbis Bay van 11-13 juni 2021.

(16)  Oxfam, “Confronting carbon inequality in the European Union. Why the European Green Deal must tackle inequality while cutting emissions” (De koolstofongelijkheid in de Europese Unie aanpakken: waarom de Europese Green Deal ongelijkheid moet aanpakken en tegelijk de uitstoot moet verminderen), 7 december 2020.

(17)  Resolutie van het Europees Parlement van 21 januari 2021 over de EU-strategie voor gendergelijkheid (Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0025).

(18)  Mediterrane deskundigen op het gebied van klimaat- en milieuverandering, Risks associated to climate and environmental changes in the Mediterranean region (Risico’s in verband met klimaat- en milieuveranderingen in het Middellandse Zeegebied), 2019.

(19)  Mediterraan marien initiatief van het Wereldnatuurfonds, The climate change effect in the Mediterranean. Six stories from an overheating sea (Het effect van de klimaatverandering in de Middellandse Zee: zes verhalen uit een oververhitte zee), Rome, Italië, 2021.

(20)  COM(2021)0219.

(21)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(22)  Het gezamenlijke workshopverslag van het IPBES en de IPCC over biodiversiteit en klimaatverandering van 10 juni 2021.

(23)  Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0285.

(24)  High-Level Political Forum, 2018 HLPF Review of SDGs Implementation (Evaluatie van de tenuitvoerlegging van de SDG’s).

(25)  “EU climate action policy, responding to the global emergency” (EU-klimaatactiebeleid: reageren op de wereldwijde noodsituatie), Dienst Onderzoek van het Europees Parlement (EPRS), maart 2021.

(26)  EPRS, maart 2021.

(27)  SWD(2020)0176.