5.5.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 184/45


P9_TA(2021)0427

De bescherming van werknemers tegen asbest

Resolutie van het Europees Parlement van 20 oktober 2021 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de bescherming van werknemers tegen asbest (2019/2182(INL))

(2022/C 184/03)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien de artikelen 152 en 154 VWEU over de rol en de raadpleging van de sociale partners,

gezien artikel 153, leden 1 en 2, VWEU,

gezien artikel 192, leden 1, 3, 4 en 5 VWEU,

gezien artikel 194, lid 2, VWEU,

gezien artikel 114, lid 1, VWEU,

gezien artikel 168 VWEU,

gezien artikel 169, lid 3, VWEU,

gezien Richtlijn 2009/148/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk (1),

gezien Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (2),

gezien Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (3),

gezien Richtlijn 2004/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk (zesde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (4),

gezien de Europese pijler van sociale rechten, afgekondigd op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie,

gezien de mededeling van de Commissie van 4 maart 2021 getiteld “Het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten” (COM(2021)0102),

gezien zijn resolutie van 14 maart 2013 over aan asbest gerelateerde bedreigingen voor de gezondheid op de werkplek en vooruitzichten op afschaffing van alle bestaande vormen van asbest (5),

gezien de praktische richtsnoeren van de Commissie van 2012 over de voorlichting en opleiding van werknemers die betrokken zijn bij de verwijdering of het onderhoud van asbest,

gezien de mededeling van de Commissie van 6 juni 2014 inzake een strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020 (COM(2014)0332),

gezien het verslag van de Commissie van november 2015 getiteld “Evaluation of the Practical Implementation of the EU Occupational Safety and Health (OSH) Directives in EU Member States” (“Evaluatie van de praktische tenuitvoerlegging van de EU-richtlijnen betreffende gezondheid en veiligheid op het werk in de EU-lidstaten”),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 mei 2019 getiteld “Werken met asbest bij energierenovatie”,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 februari 2015 getiteld “Een asbestvrije Europese Unie”,

gezien zijn resolutie van 10 maart 2021 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 305/2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten (de bouwproductenverordening) (6),

gezien zijn resolutie van 10 juli 2020 over de strategie voor duurzaam gebruik van chemische stoffen (7),

gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2020, getiteld “Strategie voor duurzame chemische stoffen. Op weg naar een gifvrij milieu” (COM(2020)0667),

gezien de conclusies van de Raad van 12 maart 2021 getiteld “EU-strategie voor duurzame chemische stoffen: tijd voor resultaten”,

gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2020 getiteld “Een renovatiegolf voor Europa — groenere gebouwen, meer banen, hogere levenskwaliteit” (COM(2020)0662),

gezien de mededeling van de Commissie van 3 februari 2021 getiteld “Het Europees kankerbestrijdingsplan” (COM(2021)0044),

gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2020 getiteld “Een nieuw actieplan voor een circulaire economie — Voor een schoner en concurrerender Europa” (COM(2020)0098),

gezien de mededeling van de Commissie van 28 oktober 2015 getiteld “De eengemaakte markt verbeteren: meer mogelijkheden voor mensen en ondernemingen” (COM(2015)0550),

gezien de mededeling van de Commissie van 1 juli 2020 getiteld “Europese vaardighedenagenda voor duurzaam concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en veerkracht” (COM(2020)0274),

gezien het wetenschappelijk verslag van 1 februari 2021 van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) getiteld “Wetenschappelijk rapport over de evaluatie van de grenswaarden voor asbest op het werk”,

gezien het verslag van de Commissie van september 2020 getiteld “Conquering Cancer — mission possible”,

gezien de aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie van maart 2014 zoals uiteengezet in het informatieblad “Elimination of asbestos-related diseases”,

gezien de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties, met name doelstelling 3, te weten een goede gezondheid verzekeren en welzijn promoten voor iedereen, op elke leeftijd,

gezien de artikelen 47 en 54 van zijn Reglement,

gezien de adviezen van de Commissie milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie interne markt en consumentenbescherming,

gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A9-0275/2021),

A.

overwegende dat bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Unie een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid moet worden verzekerd;

B.

overwegende dat asbest in de Unie jaarlijks tussen de 30 000 en 90 000 sterfgevallen veroorzaakt;

C.

overwegende dat de meest voorkomende beroepskanker longkanker is, die tussen de 54 % en de 75 % van alle beroepskankers uitmaakt, en overwegende dat asbest de belangrijkste oorzaak van longkanker is (45 %) (8); overwegende dat blootstelling aan asbest in combinatie met tabaksconsumptie het risico op het ontwikkelen van longkanker aanzienlijk doet toenemen (9);

D.

overwegende dat het Internationaal Instituut voor Kankeronderzoek (IARC) heeft erkend dat asbest aantoonbaar kankerverwekkend is (groep 1) en verantwoordelijk is voor asbestose, longkanker en mesothelioom, alsmede strottenhoofd- en eierstokkanker; overwegende dat meer onderzoek moet worden verricht naar andere vormen van kanker die door asbest worden veroorzaakt, alsook naar andere gezondheidsproblemen (andere dan kanker) (10); overwegende dat er zelfs onder bevolkingsgroepen die blootgesteld zijn geweest aan zeer kleine hoeveelheden asbestvezels, inclusief chrysotielvezels, een verhoogde kans op kanker is waargenomen; overwegende dat asbest andere niet-kwaadaardige pleurale en longaandoeningen, zoals pleurale plaques, pleurale verdikking, en goedaardige pleurale effusie, kan veroorzaken;

E.

overwegende dat asbest in de Unie sinds 2005 verboden is; overwegende dat sommige lidstaten asbest al in de jaren 80 hebben verboden; overwegende dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat asbestvezels zo snel mogelijk volledig worden afgeschaft; overwegende dat de aard en de omvang van het gebruik van asbest van lidstaat tot lidstaat sterk uiteenloopt;

F.

overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (11) (REACH) is bepaald dat de vervaardiging, de verkoop en het gebruik van asbestvezels en producten waaraan deze vezels opzettelijk zijn toegevoegd, verboden zijn, en overwegende dat Verordening (EU) 2016/1005 van de Commissie (12) tot wijziging van bijlage XVII bij de Reach-verordening tot doel heeft asbestproducten in de lidstaten uiterlijk op 1 juli 2025 volledig af te schaffen;

G.

overwegende dat asbest een zeer gevaarlijke kankerverwekkende stof is die wereldwijd in gebouwen en andere materialen op tal van gebieden van het dagelijks leven wordt gebruikt; overwegende dat veel verschillende groepen riskeren aan asbest te worden blootgesteld, met inbegrip van werknemers in de bouw- en renovatiesector, in de mijnbouw, in het afvalbeheer, brandweerlieden, en huiseigenaren en huurders; overwegende dat de meest schadelijke gezondheidseffecten van asbestvezels die worden ingeademd en aan asbest gerelateerd ziekten zich soms pas 40 jaar later voordoen; overwegende dat het aantal gevallen in de Unie naar verwachting gaat pieken rond 2025 (13);

H.

overwegende dat veel asbestgerelateerde ziekten, ondanks de bestaande regelgeving in de Unie en op nationaal niveau, te vaak niet als beroepsziekte worden erkend en dat slachtoffers daardoor geen recht hebben op een werkgerelateerde schadevergoeding, bovenop het fysieke lijden door de ziekte; overwegende dat vakbonden en belangenorganisaties van slachtoffers een belangrijke rol spelen in het bijstaan van slachtoffers van beroepsziekten in erkenningsprocedures en schadevergoedingsacties;

I.

overwegende dat bij het beheer van asbest in gebouwen, waaronder leegstaande gebouwen, en de veilige verwijdering ervan ten volle rekening moet worden gehouden met gezondheid en veiligheid op het werk in de context van het plan van de Unie om de thermische isolatie van haar bebouwde omgeving te verbeteren teneinde energie te besparen en uiterlijk in 2050 het eerste klimaatneutrale continent te worden; overwegende dat bij de renovatie van gebouwen om de energie-efficiëntie te vergroten vaak wordt omgegaan met materialen zoals daken, wanden of elektrische opstellingen, die mogelijk asbest bevatten wanneer die gebouwen zijn gebouwd voordat er op het niveau van de Unie en in de lidstaten regelgeving en verboden op het gebruik van asbest waren; overwegende dat een aanzienlijk deel van de bestaande gebouwen in de Unie ouder is dan 50 jaar; overwegende dat de achteruitgang van het gebouwenbestand in de Unie het risico op milieublootstelling doet toenemen, hetgeen een bedreiging vormt voor veel verschillende bevolkingsgroepen en met name tot meer gevallen van mesothelioom zou kunnen leiden; overwegende dat aan asbest gerelateerde ziekten vastgesteld zijn bij personen die in de buurt van industrieterreinen asbest wonen; overwegende dat de gezondheidseffecten van milieublootstelling sterk onderschat zijn (14); overwegende dat milieublootstelling aan asbest even hoog kan zijn als beroepsmatige blootstelling; overwegende dat meer onderzoek moet worden verricht naar de risico’s in verband met dergelijke trajecten van milieublootstelling aan asbest;

J.

overwegende dat het storten van asbestafval geen duurzame langetermijnoplossing is, aangezien het probleem op die manier door toekomstige generaties moet worden opgelost, in de wetenschap dat asbestvezels in de tijd vrijwel onverwoestbaar zijn; overwegende dat het vrijkomen van asbestvezels in het milieu moet worden voorkomen; overwegende dat er kosteneffectieve methoden moeten worden ontwikkeld voor het inert maken van asbesthoudend afval, om actieve asbestvezels onschadelijk te maken en ze om te zetten in materialen die geen risico voor de volksgezondheid inhouden;

K.

overwegende dat — meer in het algemeen — onderzoek en innovatie moeten worden bevorderd teneinde de screening op asbest, de opsporing van andere asbestgerelateerde vormen van kanker dan longkanker en mesothelioom, veilige verwijderingstechnieken, het afvalbeheer en de veiligheid van gebruikers van gebouwen en blootgestelde werknemers te verbeteren, inclusief middels real-time waarschuwings- en meettechnologieën op het gebied van asbest;

L.

overwegende dat het milieubeleid van de Unie overeenkomstig artikel 191, lid 1, VWEU moet bijdragen tot het nastreven van doelstellingen zoals de bescherming van de gezondheid van haar burgers, de bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, de bevordering van een behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen en de bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen;

M.

overwegende dat het milieubeleid van de Unie overeenkomstig artikel 191, lid 2, VWEU moet berusten op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt;

N.

overwegende dat in artikel 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt bepaald dat een hoog niveau van milieubescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu geïntegreerd moeten worden in het beleid van de Unie en moeten worden gewaarborgd overeenkomstig het beginsel van duurzame ontwikkeling;

O.

overwegende dat het recht op een veilig, schoon, gezond en duurzaam milieu geleidelijk aan universeel wordt erkend, aangezien het aantal landen dat dit recht erkent de afgelopen jaren is toegenomen en intussen meer dan 155 landen dit recht, of elementen van dit recht, erkennen in hun nationale rechtsstelsels;

P.

overwegende dat asbest volgens het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), een carcinogeen zonder drempelwaarde is; overwegende dat de huidige bindende grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling (occupational exposure limit value; OELV) aan asbest 0,1 vezel/cm3 over een periode van acht uur als tijdgewogen gemiddelde bedraagt; overwegende dat het comité Risicobeoordeling van het ECHA een advies voorbereid heeft voor een beperking van de bindende OELV aan asbest; overwegende dat blootstelling altijd zo veel moet worden beperkt als technisch mogelijk is, met name wanneer er geen veilige drempelwaarde bestaat; overwegende dat de OELV derhalve moet worden geëvalueerd om rekening te houden met de recentste wetenschappelijke en technische ontwikkelingen, en dienovereenkomstig moet worden herzien;

Q.

overwegende dat 80 % van de in de lidstaten erkende beroepskankers asbestgerelateerd is; overwegende dat 98 % van de menselijke kosten, waaronder de impact op de levenskwaliteit en op het gezin van werknemers, door werknemers wordt gedragen; overwegende dat de kosten van beroepskankers in de Unie naar schatting tussen de 270 en de 610 miljard EUR per jaar bedragen, oftewel 1,8 % tot 4,1 % van het bbp (15), overwegende dat actie ter verbetering van het beleid voor het voorkomen van gezondheidsproblemen cruciaal is om ervoor te zorgen dat werknemers en hun gezinnen gezonder kunnen leven;

R.

overwegende dat asbest op grote schaal in woningen is gebruikt en voor gezondheidsrisico’s zorgt; overwegende dat het recht op passende woonruimte, waarvan de definitie ook het recht op bescherming tegen bedreigingen voor de gezondheid omvat, door internationale organisaties en de lidstaten erkend is als een mensenrecht en als essentieel voor het aanpakken van ongelijkheid op het gebied van gezondheid; overwegende dat de veilige verwijdering van asbest zal bijdragen aan het garanderen van goede huisvesting voor iedereen, in het bijzonder voor huiseigenaren en huurders met lage inkomens, wier huisvestingsomstandigheden de afgelopen decennia zijn verslechterd;

S.

overwegende dat de veilige verwijdering van asbest niet als voorwendsel mag worden gebruikt voor praktijken als het uitzetten van huurders met als argument dat hun woning moet worden gerenoveerd;

T.

overwegende dat de invoering van eisen voor veilige asbestverwijdering sociaal rechtvaardig moet zijn en vergezeld moet gaan van passende maatregelen om eigenaren van gebouwen te ondersteunen bij de financiering van de noodzakelijke renovaties, alsmede van flankerende maatregelen op het vlak van capaciteitsopbouw voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) die werkzaamheden uitvoeren; overwegende dat — tegelijkertijd — financiering met middelen van de Unie in het kader van de renovatiegolf voor Europa, als bedoeld in de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2020 (renovatiegolf), ter beschikking moet worden gesteld aan begunstigden die zich houden aan regelgeving van de Unie en de lidstaten gericht op bescherming van werknemers tegen blootstelling aan asbest;

U.

overwegende dat er nog steeds asbest aanwezig is in veel administratieve gebouwen, scholen, woningen, infrastructuur, openbare vervoermiddelen en waternetwerken; overwegende dat met het verstrijken van de tijd de kennis over het gebruik en de aanwezigheid van deze stof afneemt; overwegende dat de aanwezigheid van asbest en het gebrek aan kennis hierover een gevaar vormen voor alle bewoners en gebruikers van gebouwen;

V.

overwegende dat de lidstaten in de resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2020 over een sterk sociaal Europa voor rechtvaardige transities (16) werden opgeroepen om uiterlijk in 2030 werkgerelateerde sterfgevallen een halt toe te roepen en werkgerelateerde ziekten te verminderen, en de Commissie werd opgeroepen om Richtlijn 2004/37/EG te herzien;

W.

overwegende dat in de mededeling van de Commissie van 3 februari 2021 staat dat 52 % van de jaarlijkse arbeidsgerelateerde sterfgevallen in de Unie aan werkgerelateerde vormen van kanker kan worden toegeschreven; overwegende dat verbetering van vroegtijdige diagnose, behandeling en revalidatie prioriteiten zijn voor het Europees kankerbestrijdingsplan en dat die ten goede moeten komen aan patiënten die lijden aan asbestgerelateerde aandoeningen; overwegende dat de Commissie — als onderdeel van haar plan — overweegt in 2022 een wetgevingsvoorstel te presenteren om de blootstelling van werknemers aan asbest verder te reduceren;

X.

overwegende dat de Europese pijler van sociale rechten (de “Pijler”) is vastgesteld als antwoord op maatschappelijke uitdagingen in de Unie; overwegende dat de Pijler 20 beginselen omvat die in drie categorieën zijn onderverdeeld: gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt, billijke arbeidsvoorwaarden, en sociale bescherming en inclusie; overwegende dat in beginsel 10 wordt voorzien in een hoog niveau van bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers op het werk, hetgeen bescherming van werknemers tegen blootstelling aan carcinogene en mutagene agentia op het werk moet omvatten;

Y.

overwegende dat uit de crisis is gebleken hoe belangrijk het is om beroepsgebonden ziekten te voorkomen en in betaalbare volksgezondheid voor iedereen te investeren; overwegende dat arbeidsinspecties, vakbonden en vertegenwoordigers op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk een belangrijke rol spelen bij de doeltreffende inspectie en handhaving van asbestgerelateerde regels en voorschriften; overwegende dat doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sancties van essentieel belang zijn om werkgevers ervan te weerhouden de regelgeving inzake veiligheid en gezondheid op het werk aan hun laars te lappen, en eerlijke mededinging op de interne markt te waarborgen;

Z.

overwegende dat de bebouwde omgeving een aanzienlijk effect op tal van sectoren van de economie, op de lokale werkgelegenheid en op de kwaliteit van het bestaan heeft; overwegende dat de nieuwe strategie voor een duurzame bebouwde omgeving van de Commissie er onder meer op gericht is gedurende de hele levenscyclus van gebouwen de circulariteitsbeginselen te bevorderen; overwegende dat het nieuwe Actieplan voor de circulaire economie van de Commissie, zoals uiteengezet in haar mededeling van 11 maart 2020, gerichte initiatieven omvat om waardeketens van belangrijke producten, zoals constructie en gebouwen, aan te pakken; overwegende dat in de mededeling van de Commissie van 1 juli 2020 wordt erkend dat de bouwsector moet investeren in bijscholing van werknemers teneinde in te spelen op de behoeften van de groene transitie met betrekking tot groen ontwerp en groene materialen, energie-efficiëntie, circulariteit en renovatie; overwegende dat de beschikbaarheid van geschoolde bouwvakkers van cruciaal belang is voor het welslagen van de renovatiegolf;

AA.

overwegende dat er in meer dan 100 landen wereldwijd, waaronder in landen van de nabuurschap van de Unie, nog steeds asbest en asbesthoudende materialen en producten legaal worden geproduceerd, verwerkt en uitgevoerd; overwegende dat in Verordening (EU) nr. 649/2012 van het Europees Parlement en de Raad (17) de uitvoering van het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel als herzien in 2019 (het “Verdrag van Rotterdam”) wordt vastgesteld, op basis waarvan de specifieke toestemming van een land moet worden verkregen voor het uitvoeren van een product dat giftige chemische stoffen bevat; overwegende dat het opvoeren van de inspanningen om te voorkomen dat producten die niet aan de eisen voldoen op de markt van de Unie worden gebracht als prioriteit is aangemerkt in de mededeling van de Commissie van 28 oktober 2015; overwegende dat nog altijd asbest op de interne markt terechtkomt, ondanks verboden op Unie- en nationaal niveau, en bestaande regelgeving (18); overwegende dat, zo lang asbest wereldwijd legaal wordt geproduceerd en verhandeld, altijd het risico bestaat dat het op de interne markt terechtkomt;

AB.

overwegende dat naar behoren bijgehouden registers van mensen die in het verleden zijn blootgesteld of momenteel worden blootgesteld aan asbest belangrijk zijn om medisch toezicht te waarborgen en de erkenning van beroepsziekten te vergemakkelijken, naast inachtneming van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (19); overwegende dat nationale sociale-verzekeringsregelingen in de lidstaten op verschillende manieren georganiseerd zijn met betrekking tot arbeidsongevallen of beroepsziekten, met inbegrip van de aanvullende rol van collectieve overeenkomsten; overwegende dat de beginselen die aan dergelijke regelingen ten grondslag liggen en de autonomie van de sociale partners in acht moeten worden genomen;

AC.

overwegende dat in het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 februari 2015 inzake een asbestvrije EU gesteld wordt dat ervoor moet worden gezorgd dat alle gevallen van asbestose, mesothelioom en aanverwante asbestgerelateerde ziekten in de lidstaten worden geregistreerd door middel van de systematische verzameling van gegevens over beroepsgerelateerde en niet-beroepsgerelateerde asbestziekten, dat pleurale plaques worden aangemerkt en officieel worden geregistreerd als asbestgerelateerde ziekte en dat de aanwezigheid van asbest met de hulp van specifieke waarnemingscentra op betrouwbare wijze in kaart wordt gebracht, en dat medisch personeel een gedegen training nodig heeft zodat het een goede diagnose kan stellen;

AD.

overwegende dat eigenaren en beheerders van asbesthoudende gebouwen in sommige lidstaten pas een aantal wettelijke verplichtingen opgelegd krijgen wanneer zij het gebouw in gebruik nemen of met de sloop ervan willen beginnen, maar niet wanneer zij een gebouw waarin asbest voorkomt, verkopen;

Europese strategie voor de verwijdering van alle asbest

1.

wijst erop dat de veilige verwijdering van asbest een voorbeeld is van de noodzaak om het in artikel 168, lid 1, VWEU bedoelde beginsel van gezondheid op alle beleidsgebieden toe te passen, aangezien het rechtstreeks verband houdt met de volgende recente en toekomstige beleidsinitiatieven van de Unie: het nieuwe EU-kader voor gezondheid en veiligheid, de Green Deal met de renovatiegolf, Next Generation EU en het meerjarig financieel kader, het Europees kankerbestrijdingsplan, de EU-strategie inzake afvalbeheer en het pakket circulaire economie; benadrukt dat bij de verwerking van asbestafval het voorzorgsbeginsel ten volle moet worden toegepast; verzoekt de Commissie een hiertoe strekkende herziening van de relevante afvalwetgeving van de Unie voor te stellen;

2.

benadrukt dat de veilige verwijdering van asbest een moeilijke en dringende taak is, en herhaalt zijn oproep tot een alomvattende en geïntegreerde aanpak die verschillende beleidsterreinen met elkaar verbindt; wijst erop dat veilige arbeidsomstandigheden de voornaamste prioriteit moeten zijn;

3.

roept de Commissie op een Europese strategie voor de verwijdering van alle asbest te presenteren, die de volgende elementen omvat:

(a)

een Europees kader voor nationale strategieën voor de veilige verwijdering van alle asbest in de lidstaten, dat een wetgevingsvoorstel moet omvatten voor de invoering van minimumnormen voor openbaar toegankelijke nationale asbestregisters;

(b)

een voorstel om Richtlijn 2009/148/EG te actualiseren om de maatregelen van de Unie ter bescherming van werknemers tegen de dreiging van asbest te versterken en een nieuwe golf van asbestslachtoffers in de loop van de renovatiegolf te voorkomen;

(c)

een wetgevingsvoorstel voor:

(i)

de erkenning van beroepsziekten, met inbegrip van alle bekende asbestgerelateerde ziekten, met minimumnormen voor erkenningsprocedures, en

(ii)

minimumnormen voor de schadeloosstelling van slachtoffers van asbestgerelateerde beroepsziekten;

(d)

een voorstel om Richtlijn 2010/31/EU te actualiseren met het oog op de invoering van een voorschrift voor de verplichte screening en daaropvolgende verwijdering van asbest en andere gevaarlijke stoffen voordat met renovatiewerkzaamheden van start kan worden gegaan, teneinde de gezondheid van bouwarbeiders te beschermen;

(e)

een wetgevingsvoorstel dat rekening houdt met de bestaande nationale regelgeving evenals een effectbeoordeling van de meest efficiënte modellen voor de verplichte screening van gebouwen, bestaande uit een oppervlaktediagnose van de aanwezigheid van asbest door een professionele entiteit met passende kwalificaties en vergunningen, vóór verkoop of verhuur en voor het opstellen van asbestcertificaten voor gebouwen die vóór 2005 of vóór het jaar van inwerkingtreding van een equivalent nationaal asbestverbod (naargelang welke datum eerder valt) zijn gebouwd;

4.

wijst erop dat alomvattende strategieën voor verwijdering financiële en administratieve gevolgen zullen hebben voor eigenaren van gebouwen, overheden en bedrijven, in het bijzonder kmo’s, met inbegrip van micro-ondernemingen, alsook tot een significante werkdruk voor de certificerende instanties zullen leiden; benadrukt derhalve dat in passende overgangsperioden moet worden voorzien en dat adequate steun op regelgevings- en financieel vlak moet worden geboden;

5.

benadrukt dat alle op het niveau van de Unie en de lidstaten beschikbare financiële mechanismen moeten worden gemobiliseerd, en onderstreept het feit dat de Commissie reeds duidelijk heeft gemaakt dat de lidstaten middelen van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI) kunnen toewijzen voor de behandeling en verwijdering van asbest (20); dringt er in dit kader op aan ESI-middelen te mobiliseren voor het verbeteren van de betrouwbaarheid en snelheid van asbestscreening, en meting, verwijdering en veilig afvalstoffenbeheer, overeenkomstig de doelstellingen van de desbetreffende nationale of regionale programma’s; benadrukt dat steun voor onderzoek en ontwikkeling van cruciaal belang is, met name voor het ontwikkelen en verbeteren van de opname door de markt van technologieën op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk, inclusief systemen voor het in real-time meten van en afgeven van waarschuwingen voor asbest, alsook kostenefficiënte methoden en technologieën voor het inert maken van asbest; verzoekt de Commissie en de lidstaten alle mogelijke middelen in te zetten om investeringen in duurzame behandelingstechnologieën te ondersteunen, onder andere door middel van speciale belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang;

6.

benadrukt dat middelen van de Unie in het kader van de renovatiegolf ter beschikking moeten worden gesteld aan begunstigden die zich houden aan regelgeving van de Unie en de lidstaten gericht op bescherming van werknemers tegen asbest; dringt aan op een systeem voor het terugvorderen van middelen van de Unie van begunstigden die niet voldoen aan de Unie- of nationale regels inzake de bescherming van werknemers tegen asbest;

7.

roept ertoe op het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (EU-OSHA) te versterken, teneinde te voorzien in doeltreffende instrumenten zoals technische en wetenschappelijke ondersteuning om de preventie-inspanningen op te voeren, beter toezicht te houden op de registratie van asbesthoudende werkplekken en op de opsporing van werknemers die ermee in contact zijn geweest of er mogelijk mee in contact zijn geweest, en de opleiding van en de beschermende uitrusting voor werknemers te verbeteren; dringt aan op de oprichting van een Europees platform, binnen het mandaat van EU-OSHA, om goede praktijken voor de verwijdering en veilige verwerking van asbest onder de aandacht te brengen, die in meerdere lidstaten al in de praktijk worden gebracht, en op dit vlak voor uitwisseling daarvan te zorgen;

8.

geeft aan dat de arbeidsinspecties een cruciale rol toekomt bij de preventie en controle van blootstelling aan asbest, alsook bij het verbeteren van de deskundigheid en informatie binnen bedrijven; verzoekt de lidstaten voor meer arbeidsinspecteurs te zorgen, de kwaliteit van de arbeidsinspectiediensten en de arbeidsinspecties te verbeteren, en de frequentie van de inspecties te vergroten; is van mening dat de lidstaten veel verder moeten gaan dan de aanbeveling van de Internationale Arbeidsorganisatie van ten minste één inspecteur voor elke 10 000 werknemers; spoort de lidstaten aan doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sancties op te leggen aan bedrijven die hun verplichtingen inzake met name veiligheid en gezondheid op het werk niet nakomen;

9.

is van oordeel dat er een dringende behoefte is aan doeltreffende toegang tot de rechter en schadeloosstelling voor alle gezondheidsschade, niet enkel voor angstgerelateerde gezondheidsklachten, en voor alle slachtoffers van asbest; onderstreept dat alle medische kosten als gevolg van blootstelling aan asbest door de werkgevers dienen te worden gedekt wanneer deze verzuimd hebben alle passende maatregelen te nemen en te doen wat binnen hun mogelijkheden ligt om blootstelling aan asbest te voorkomen; verzoekt de Commissie de mogelijke noodzaak van wetgeving te beoordelen die een algemene aansprakelijkheidsregeling instelt voor diffuse verontreiniging, teneinde te voorzien in schadeloosstelling van slachtoffers voor alle schade ten gevolge van diffuse verontreiniging, met inbegrip van door asbest veroorzaakte verontreiniging;

Een Europese kaderrichtlijn voor nationale strategieën voor de verwijdering van asbest

10.

is ingenomen met de renovatiegolf, die als doel heeft om uiterlijk in 2030 35 miljoen gebouwen te renoveren; is het eens met het standpunt in de mededeling dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de bescherming van werknemers die oude gebouwen renoveren en deelnemen aan noodoperaties tegen blootstelling aan asbest;

11.

wijst erop dat voor betere preventieve maatregelen en het risicobeheer van asbestgerelateerde risico’s toegang nodig is tot relevante informatie die is afgestemd op de behoeften van de rechtstreeks betrokkenen;

12.

verzoekt de Commissie te helpen bij de informatievoorziening over de verschillende systemen voor een veilige en ordelijke verwijdering of afvoer van asbesthoudende producten die gebruikmaken van de beste voorhanden zijnde technieken;

13.

onderstreept dat er eveneens informatie ontbreekt over risico’s die voortvloeien uit de blootstelling van de bevolking aan in de natuur voorkomende asbesthoudende materialen;

14.

dringt erop aan dat elk initiatief van de Unie ter ondersteuning van energierenovatie sociaal rechtvaardig moet zijn en maatregelen moet omvatten voor de bescherming van de gezondheid van gebruikers en werknemers, onder andere door middel van de identificatie van asbesthoudende gebouwen, teneinde te voorzien in de veilige verwijdering van asbest en andere gevaarlijke materialen;

15.

verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat toegang tot fatsoenlijke, betaalbare en gezonde huisvesting een van de hoekstenen van het actieplan van de Pijler is;

16.

is verheugd over het feit dat meerdere lidstaten en regio’s, waaronder Nederland, Polen en Vlaanderen, momenteel ambitieuze plannen met duidelijke tijdschema’s hebben om asbest uit de bebouwde omgeving te verwijderen;

17.

herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een rechtskader vast te stellen om in overleg met de relevante belanghebbenden, waaronder de sociale partners, al het bestaande asbest in gebouwen en infrastructuur in de lidstaten te beoordelen, en om de kosten van de veilige verwijdering ervan in elke lidstaat te ramen;

18.

roept de Commissie op met een voorstel te komen voor een kaderrichtlijn voor de lidstaten om nationale plannen voor de verwijdering van asbest op te stellen, met duidelijke en realistische tijdschema’s, alsook prioriteiten en tussentijdse doelstellingen, de opsporing en registratie van asbest, financiering en steun voor huiseigenaren en kmo’s, beschermingsmaatregelen voor werknemers tegen het risico van blootstelling aan asbest overeenkomstig Richtlijn 2009/148/EG, en de veilige verwerking van asbest om te voorkomen dat asbest in recyclingprocessen terechtkomt;

19.

dringt aan op de noodzaak van langlopend epidemiologisch toezicht teneinde de doeltreffendheid van de genomen maatregelen te beoordelen; benadrukt dat mesothelioom een ziekte is waarvan asbest de belangrijkste risicofactor is en dat het aantal gediagnosticeerde gevallen van mesothelioom een relevante indicator voor epidemiologisch toezicht is; dringt er derhalve op aan het melden van gevallen van mesothelioom bij de bevoegde autoriteiten verplicht te stellen;

20.

wijst erop dat, volgens recente studies, niet-beroepsmatige blootstelling aan asbest ongeveer 20 % van de gevallen van mesothelioom in geïndustrialiseerde landen zou kunnen verklaren (21);

21.

herinnert eraan dat vanwege de renovatiegolf een toename aan bouwwerkzaamheden kan worden verwacht, die gepaard zal gaan met een verhoogde beroepsmatige en milieublootstelling aan asbestvezels; onderstreept dat in het kader van de renovatiegolf asbest moet worden vervangen door energie-efficiënte materialen;

22.

herhaalt zijn oproep tot nationale openbare asbestregisters; verzoekt de Commissie om als onderdeel van een voorstel voor een kaderrichtlijn minimumnormen in te voeren voor openbaar toegankelijke digitale nationale registers voor asbest en andere gevaarlijke stoffen in openbare en particuliere gebouwen; wijst erop dat asbestregisters verenigbaar moeten zijn met databanken en registers in verband met onder andere energie-efficiëntie, en gevoed moeten worden middels veel gebruikte instrumenten (zoals gebouwrenovatiepaspoorten), overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679;

23.

verzoekt het Europees Milieuagentschap verder onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van asbest in rivieren en hun zijrivieren, en naar de gevolgen daarvan voor vegetatie en in het wild levende dieren, in navolging van het onderzoek van het Amerikaanse Environmental Protection Agency (22);

24.

beklemtoont dat achtergrondconcentratieniveaus van asbest in de atmosfeer in alle lidstaten gemonitord en gemeten moeten worden, dat voor toegang tot informatie moet worden gezorgd en dat er blootstellingsgrenswaarden voor woonruimten vastgesteld moeten worden;

25.

neemt kennis van de aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) van 2017 (23), waarin werd gesteld dat het niet nodig is asbestvezels op te nemen in bijlage I bij Richtlijn 98/83/EG van de Raad (24) en werd geconcludeerd dat asbestvezels in drinkwater geen aanleiding geven tot bezorgdheid voor de gezondheid; herinnert eraan dat een studie van Italiaanse wetenschappers de belangrijke vraag heeft opgeworpen of het drinken van water met asbestvezels erin het risico op spijsverterings- en colorectale kanker verhoogt (25); benadrukt dat mogelijke asbestgerelateerde ziekten die mogelijk worden veroorzaakt door het inslikken van water dat dergelijke vezels bevat die afkomstig zijn van asbestleidingen, zich tientallen jaren later nog kunnen manifesteren; benadrukt dat de Italiaanse studie op zichzelf weliswaar niet voldoende is om in dit stadium definitieve conclusies te kunnen trekken over het verband tussen de inname van asbest via water en de ontwikkeling van kanker in het maag-darmkanaal, maar dat gezien de bestaande onzekerheden het voorzorgsbeginsel van toepassing moet zijn; is van oordeel dat er meer onderzoek moet worden verricht naar deze belangrijke vraag; roept de lidstaten op om met regelmaat controles uit te voeren van de kwaliteit van het water dat voor drinkwaterwinning bestemd is en de nodige preventieve en risicobeperkende maatregelen te nemen indien een risico voor de menselijke gezondheid wordt geconstateerd;

26.

maakt zich zorgen over de staat van het drinkwaterdistributienetwerk in de EU en de aanwezigheid van leidingen uit asbestcement die door slijtage asbestvezels in het water vrijgeven; herinnert er voorts aan dat overeenkomstig aanbevelingen van de WHO, leidingen van asbestcement niet langer mogen worden gebruikt of goedgekeurd voor drinkwater (26); is van oordeel dat in het kader van de Europese strategie voor de volledige uitbanning van asbest, en met behulp van het herstelplan voor Europa en de herstelplannen van de lidstaten, een integraal plan voor de renovatie en het asbestvrij maken van het Europese drinkwaterdistributienetwerk moet worden ontwikkeld en uitgevoerd;

Actualisering van Richtlijn 2009/148/EG betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk

27.

brengt in herinnering dat asbest nog steeds een van de grootste uitdagingen op het gebied van gezondheid op het werk is en dat wereldwijd 125 miljoen mensen op hun werk aan asbest zijn blootgesteld (27), ondanks het feit dat de gezondheidsrisico’s al tientallen jaren bekend zijn;

28.

wijst erop dat wereldwijd jaarlijks ongeveer 250 000 mensen sterven als gevolg van blootstelling aan asbest (28); wijst erop dat het sterftecijfer ten gevolge van ziektes gerelateerd aan de blootstelling aan asbestvezels de afgelopen jaren zelfs versneld is toegenomen;

29.

verzoekt de Commissie Richtlijn 2009/148/EG te actualiseren, rekening houdend met de meest recente wetenschappelijke kennis en technische ontwikkelingen, met inbegrip van een evaluatie van verschillende soorten asbestvezels en de nadelige gevolgen ervan voor de gezondheid, alsmede een begin te maken met de raadpleging voor het actualiseren van de lijst van vezelachtige silicaten die binnen het toepassingsgebied van de richtlijn vallen, en in deze context te overwegen om riebeckiet, winchiet, richteriet, fluoredeniet en erioniet op te nemen in de lijst waarop actinoliet, anthofylliet, tremoliet en bruine asbest al vermeld staan;

30.

benadrukt dat Richtlijn 2009/148/EG van toepassing is op alle werkzaamheden waarbij werknemers tijdens hun werk worden of kunnen worden blootgesteld aan stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen; roept op tot sterkere bepalingen waarmee de bescherming van alle werknemers wordt gegarandeerd op locaties waar asbest wordt verwijderd, met inbegrip van werknemers die na verwijdering een werkterrein betreden; dringt erop aan meer nadruk te leggen op de noodzaak om alle risicoberoepen, met inbegrip van werknemers in de renovatie- en sloopsector, afvalbeheerders, mijnbouwers en brandweerlieden, op te nemen in de nationale uitvoering van die richtlijn;

31.

maakt zich zorgen over het feit dat uit de recentste wetenschappelijke medische studies en aanbevelingen blijkt dat er geen drempelwaarde is waaronder de concentratie van asbestvezels in de lucht onschadelijk is (29); is in dat opzicht van mening dat vrijstellingen van de beschermingsmaatregelen van Richtlijn 2009/148/EG niet kunnen worden gerechtvaardigd op grond van de OELV; roept op dat in Richtlijn 2009/148/EG volledig het beginsel wordt weerspiegeld dat altijd passende persoonlijke beschermingsmaatregelen moeten worden genomen bij werkzaamheden waarbij werknemers tijdens hun werk worden blootgesteld of kunnen worden blootgesteld aan stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen; is van mening dat bij het beoordelen van de risico’s rekening moet worden gehouden met de gevaarlijke aard van niet-broze asbesthoudende materialen; dringt aan op een individuele risicobeoordeling in verband met het geplande arbeidsproces om te bepalen welke beschermingsmaatregelen moeten worden getroffen;

32.

dringt erop aan prioriteit te geven aan de veilige verwijdering en afvoering van asbesthoudende onderdelen en materialen, omdat repareren, onderhouden, inkapselen of omhullen alleen maar leiden tot het uitstel van de verwijdering, waardoor bewoners en werknemers ook jaren later nog met de risico’s worden geconfronteerd; roept op tot een verbod op het inkapselen en omhullen van asbesthoudende materialen die technisch kunnen worden verwijderd; wijst er met klem op dat dit verbod er niet toe mag leiden dat de huishoudens met de kleinste inkomens in een situatie terechtkomen waarin zij zich de noodzakelijke renovatie niet kunnen veroorloven; benadrukt dan ook de noodzaak van begeleidende maatregelen; dringt aan op het belang van de identificatie en registratie van en regelmatig toezicht op asbesthoudende structuren die niet op korte termijn kunnen worden verwijderd, zoals betonnen muren in gebouwen;

33.

dringt erop aan synergieën tot stand te brengen met de databank die wordt opgezet door het ECHA om informatie te verzamelen en de kennis te verbeteren over tot bezorgdheid aanleiding gevende stoffen in producten en in producten wanneer deze afval worden;

34.

herinnert aan het fundamentele rechtsbeginsel dat, in het kader van gezondheid en veiligheid op het werk, altijd de modernste technologieën moeten worden gebruikt om het hoogst mogelijke beschermingsniveau te bereiken; roept op tot de versterking van de technische minimumvereisten om de concentratie asbestvezels in de lucht tot het laagste niveau dat technisch mogelijk is terug te brengen, waaronder door middel van stofbestrijding en stofzuigen aan de bron, continue sedimentatie en ontsmettingsmiddelen; dringt aan op minimumvereisten voor het drukverschil tussen ingesloten asbest en de omgeving, de toevoer van verse lucht en HEPA-filters;

35.

onderstreept de noodzaak dat geactualiseerde technische minimumeisen bepalingen bevatten die gelijke tred houden met de technologische ontwikkelingen; benadrukt dat het vereiste gebruik van robots en andere geavanceerde technologieën verder moet worden onderzocht, onder andere door middel van onderzoek en een systematischere uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten met het oog op de continue ontwikkeling van nieuwe normen voor de bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers; merkt op dat optische microscopie niet de meest recente technologie voor het tellen van asbestvezels in de ingeademde lucht is en dat analytische transmissie-elektronenmicroscopie (ATEM; Analytical Transmission Electron Microscopy) gevoeliger is en het mogelijk maakt om asbestvezels te onderscheiden en te tellen; roept op tot het gebruik, waar mogelijk, van ATEM of vergelijkbare geavanceerde methoden voor het tellen van vezels;

36.

herinnert eraan dat de monstername representatief moet zijn voor de persoonlijke blootstelling van de werknemer, hetgeen betekent dat in representatieve en realistische situaties monsters van de blootstelling van werknemers aan asbeststof moeten worden genomen door herhaaldelijk met regelmatige tussenpozen te meten gedurende de specifieke operationele fasen; is van mening dat indien de monstername niet kan worden gedaan op een manier die representatief is voor de persoonlijke blootstelling van de werknemer, alle beschikbare beschermingsmaatregelen moeten worden toegepast;

37.

is van oordeel dat de informatie in de kennisgeving alle elementen moet omvatten die toegevoegd zijn in bijlage II, zoals de plaatsen waar de werkzaamheden zullen worden verricht, de apparatuur die voor de bescherming en ontsmetting van werknemers word gebruikt, en een afvalverwijderingsplan; is van oordeel dat nationale bevoegde autoriteiten die informatie ten minste 40 jaar moeten bewaren;

38.

geeft met klem aan dat moet worden gezorgd voor voldoende en gerichte administratieve steun voor werkgevers voor de omzetting van de beschermingsmaatregelen en kennisgevingsvereisten, met name kmo’s, inclusief micro-ondernemingen, om niet-naleving te vermijden; benadrukt dat de verstrekking van gestandaardiseerde processen voor handelingen met asbesthoudende materialen zou helpen de hoeveelheden asbestvezels of -stof en de kosten van die handelingen terug te dringen, en de naleving van de kennisgevingsvereisten zou vergemakkelijken;

39.

merkt op dat de huidige minimumnorm van de Unie voor de OELV voor asbest 100 000 vezels per m3 bedraagt (0,1 vezel/cm3); geeft aan dat de meeste lidstaten de huidige minimumnorm toepassen; benadrukt dat sommige lidstaten veel lagere OELV’s hanteren om de gezondheid van werknemers te beschermen, zoals een OELV van 2 000 vezels/m3 (0,002) in Nederland;

40.

onderstreept dat vooraanstaande medische onderzoekers van de Internationale Commissie voor gezondheid op het werk tot de conclusie zijn gekomen dat de blootstellingsgrenswaarden geen passende bescherming tegen kanker bieden en een grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling voorstellen van 1 000 vezels/m3 (0,001 vezel/cm3); is ingenomen met de toezegging van de Commissie om in 2022 een wetsvoorstel in te dienen teneinde de blootstelling van werknemers aan asbest verder te beperken, en roept de Commissie op deze grenswaarden voor blootstelling zo snel mogelijk te actualiseren en vast te stellen op 0,001 vezel/cm3 (1 000 vezels/m3), rekening houdend met de aanbevelingen van verschillende belanghebbende partijen en na raadpleging van het Raadgevend Comité voor veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats; benadrukt dat er een passende overgangsperiode nodig is om de nieuwe methode en de nieuwe blootstellingsgrenswaarden toe te passen;

41.

benadrukt dat werkgevers, maar ook eigenaren, hoofdaannemers en aanbestedende diensten die opdracht geven voor werkzaamheden verplicht moeten worden een asbestdiagnose uit te voeren voordat van start wordt gegaan met werkzaamheden in gebouwen, schepen, vliegtuigen, of aan uitrusting of producten; verlangt dat, voordat werkzaamheden worden gestart aan gebouwen die vóór 2005 of vóór het jaar van inwerkingtreding van een equivalent nationaal asbestverbod (naargelang welke datum eerder valt) zijn gebouwd, een alomvattende screening op de aanwezigheid van asbesthoudende materialen wordt uitgevoerd door een gekwalificeerde en gecertificeerde exploitant; is van mening dat screenings altijd een diagnose moeten omvatten die is afgestemd op de specifieke werkplek en dat in een verslag de afwezigheid of aanwezigheid van asbest, alsook — in voorkomend geval — het vezeltype, moeten worden vermeld, met een gedetailleerde beschrijving van de aard van de verontreiniging en de exacte locatie en de geschatte hoeveelheden ervan; is van mening dat, behalve de in artikel 14 van Richtlijn 2009/148/EG vastgestelde eisen, de bijlage bij die richtlijn ook eisen moet bevatten voor een minimale opleidingsduur, die gevalideerd wordt middels een examen, met betrekking tot het desbetreffende soort werk; benadrukt in deze context het belang van een samenhangende methode voor risicobeoordeling teneinde op het niveau van de Unie een gelijk speelveld te creëren en versnippering van de interne markt te vermijden;

42.

is bezorgd over het feit dat de opleidingseisen en de certificering van gevolgde opleidingen nog steeds sterk verschillen van lidstaat tot lidstaat, wat een ernstig gevaar inhoudt voor de gezondheid en de veiligheid in de context van grensoverschrijdende mobiliteit van werknemers; dringt aan op een nieuwe bijlage bij Richtlijn 2009/148/EG met verplichte minimumvereisten voor opleiding op het gebied van werken met asbest, met inbegrip van specifieke vereisten voor werknemers in bedrijven die gespecialiseerd zijn in asbestverwijdering en werknemers die tijdens hun werk in contact kunnen komen met asbesthoudende materialen; is van mening dat, behalve de in artikel 14 van Richtlijn 2009/148/EG vastgestelde eisen, de bijlage bij die richtlijn ook eisen moet bevatten voor een minimale opleidingsduur met betrekking tot het respectieve soort werk, alsmede passende documentatie van die opleiding, en de regelmaat waarmee een individuele werknemer opleiding moet volgen;

Erkenning van en schadeloosstelling voor asbestgerelateerde ziekten

43.

roept de Commissie op om haar aanbeveling van 19 september 2003 betreffende de Europese lijst van beroepsziekten te actualiseren (30) en er de recentste wetenschappelijke medische kennis op het gebied van beroepsziekten in op te nemen, met name in verband met asbestgerelateerde ziekten;

44.

roept de lidstaten op om de erkenningsprocedures te vereenvoudigen door de bewijslast om te keren, met name wanneer er pas onlangs nationale registers zijn opgezet voor asbestarbeiders, en om passende schadevergoedingen vast te stellen voor werknemers die aan asbestgerelateerde ziekten lijden;

45.

wijst erop dat asbestgerelateerde ziekten een grensoverschrijdende uitdaging vormen vanwege het vrije verkeer en dat met de rol van mobiele werknemers met name in dat opzicht rekening moet gehouden worden; herinnert eraan dat beroepsziekten en aan de werkplek gerelateerde gezondheidsrisico’s altijd verband houden met een specifiek beroep, beroepsactiviteit, werkplek en tijd; verzoekt de Commissie om, na raadpleging van de sociale partners, op grond van artikel 153, lid 1, punten a) en b), VWEU een voorstel te doen voor een richtlijn tot vaststelling van minimumnormen voor de erkenning van en schadeloosstelling voor beroepsziekten, waaronder asbestgerelateerde ziekten;

46.

verzoekt de Commissie een voorstel voor te leggen voor de lidstaten houdende het instellen van een nationale functie of een ombudsman teneinde slachtoffers van beroepsziekten, en met name asbestgerelateerde ziekten met een lange latentieperiode, bij te staan in erkenningsprocedures; verzoekt de lidstaten de oprichting van patiëntenverenigingen en belangengroepen voor slachtoffers van asbestgerelateerde ziekten en hun gezinnen te ondersteunen, en hamert erop dat deze verenigingen en groepen geraadpleegd moeten worden voor het vergemakkelijken en vereenvoudigen van de erkenningsprocedures; roept op tot meer nationale financiële middelen om slachtoffers van asbestgerelateerde ziekten schadeloos te stellen, teneinde ervoor te zorgen dat de rechtstreekse, onrechtstreekse en menselijke kosten van de ziekte voldoende worden gedekt;

47.

herinnert eraan dat het synergetische effect van roken en blootstelling aan asbest het risico om longkanker te krijgen aanzienlijk vergroot; verzoekt de lidstaten om alle werknemers die aan asbest zijn blootgesteld een programma aan te bieden voor hulp bij het stoppen met roken; herhaalt dat roken nooit een reden mag zijn om een werknemer erkenning van een asbestgerelateerde beroepsziekte te weigeren, of uit te sluiten van het indienen van een claim om compensatie en medische behandeling voor de ziekte;

48.

roept op tot een betere evaluatie van de risico’s in verband met secundaire blootstelling, met name voor gezinsleden die met asbestwerkers samenwonen; verzoekt de lidstaten om de erkenning van en schadeloosstelling voor gedocumenteerde slachtoffers van secundaire blootstelling via niet-beroepsmatig contact met asbest te vergemakkelijken en zich op de goede praktijken van lidstaten zoals Denemarken te baseren; herinnert nogmaals aan het genderperspectief van secundaire blootstelling;

49.

benadrukt het bestaan van verschillende vormen van niet-beroepsmatige blootstelling aan asbest met mogelijk aanzienlijke gevolgen voor de menselijke gezondheid, te weten indirect via een beroepsactiviteit (onder meer blootstelling aan asbeststof dat onbedoeld door werknemers naar huis wordt meegenomen), in en om de woning (onder meer huishoudelijke voorwerpen die asbest bevatten), en via de omgeving (met inbegrip van asbest in de aanwezige bouwmaterialen en installaties of in materialen van industriële oorsprong);

50.

benadrukt dat vrouwen die aan asbestgerelateerde risico’s worden blootgesteld bijzonder kwetsbaar zijn voor bepaalde soorten asbestblootstelling; roept op tot betere erkenning van het genderperspectief bij alle aspecten van gezondheid en veiligheid op het werk, en tot gendermainstreaming in alle instrumenten van wetgevende en niet-wetgevende aard in de lidstaten, teneinde te voorkomen dat gendervooroordelen van invloed zijn op de opsporing, identificatie, behandeling of beschouwing van een ziekte als asbestgerelateerd, hetgeen eveneens gevolgen zou hebben voor de schadeloosstelling van slachtoffers; roept ertoe op meer rekening te houden met schoonmaakwerkzaamheden als risicofactoren bij de diagnose van ziekten; dringt aan op betere risicobeoordelingen en de identificatie van blootstelling aan asbest van arbeiders die schoonmakers zijn, met name vrouwelijke schoonmakers, alsmede personen die onbetaalde huishoudelijke taken verrichten, zoals het schoonmaken van producten die met asbest verontreinigd zijn;

51.

benadrukt dat bij de toewijzing van de kosten van asbestverwijdering zoveel mogelijk rekening moet worden gehouden met het beginsel “de vervuiler betaalt”;

Asbestscreening voorafgaand aan energierenovatiewerkzaamheden en de verkoop of verhuur van een gebouw

52.

herinnert eraan dat de lidstaten in overweging 14 van Richtlijn (EU) 2018/844 van het Europees Parlement en de Raad (31) tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen worden opgeroepen om verbeteringen van de energieprestatie van bestaande gebouwen te steunen, mede door het verwijderen van asbest en andere schadelijke stoffen, het voorkomen van de illegale verwijdering van schadelijke stoffen, en het bevorderen van de naleving van bestaande wetgeving;

53.

roept de Commissie op in het kader van de renovatiegolf een voorstel te doen tot wijziging van artikel 7 van Richtlijn 2010/31/EU voor de invoering van een voorschrift voor de verplichte screening, registratie en verwijdering van asbest en andere gevaarlijke stoffen voordat met renovatiewerkzaamheden van start kan worden gegaan, rekening houdend met artikel 153, lid 1, punt a), VWEU met name wat betreft de verbetering van de werkomgeving teneinde de gezondheid en veiligheid van werknemers te beschermen;

54.

verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel te presenteren dat rekening houdt met de bestaande nationale regelgeving evenals een effectbeoordeling van de meest efficiënte modellen voor de verplichte screening van gebouwen, bestaande uit een oppervlaktediagnose van de aanwezigheid van asbest door een professionele entiteit met passende kwalificaties en vergunningen, vóór verkoop of verhuur en voor het opstellen van asbestcertificaten voor gebouwen die vóór 2005 of vóór het jaar van inwerkingtreding van een equivalent nationaal asbestverbod (naargelang welke datum eerder valt) zijn gebouwd;

55.

verzoekt de lidstaten beschermingsmaatregelen te nemen voor huurders bij wie voorafgaand aan energierenovatiewerkzaamheden asbest is aangetroffen; benadrukt dat huurders niet moeten worden opgezadeld met de kosten van screening en verwijdering; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat huurders volledig worden geïnformeerd over de aanwezigheid van asbest in gebouwen en dat zij het asbestcertificaat krijgen;

De Unie als wereldleider bij de aanpak van asbest

56.

is ingenomen met de conclusies van de Raad van 12 maart 2021, waarin de noodzaak wordt benadrukt om de nationale capaciteit voor markttoezicht en de rol van de douaneautoriteiten te versterken; verzoekt de lidstaten om de controles en het markttoezicht te versterken en samen te werken met de grens- en douaneautoriteiten van andere lidstaten, teneinde te voorkomen dat illegale asbesthoudende producten op de interne markt terechtkomen; benadrukt het belang van het ondersteunen en ontwikkelen van duurzame oplossingen voor het slopen van schepen in de Unie, overeenkomstig het nieuwe actieplan voor de circulaire economie, teneinde negatieve gezondheidseffecten bij werknemers naar aanleiding van blootstelling aan asbest daarbij te vermijden; verzoekt de Commissie te zorgen voor hoge normen inzake de bescherming van werknemers tegen blootstelling aan asbest op door de Unie goedgekeurde faciliteiten voor scheepsrecycling in derde landen; verzoekt de Commissie in kaart te brengen wat de omvang is van het probleem van de illegale invoer in de Unie van asbesthoudende producten en materialen, en aan te geven met welke maatregelen het markttoezicht zou kunnen worden verbeterd, waarbij te denken valt aan beperking van de toegang tot aanlegplaatsen en havenfaciliteiten, en het tijdelijk in de Unie vasthouden van schepen die asbesthoudende producten of materialen als vracht hebben in douanevervoer;

57.

verzoekt de Commissie hoogste prioriteit toe te kennen aan de vermelding van chrysotielasbest in bijlage III bij het Verdrag van Rotterdam, alsook aan een mondiaal verbod op asbest; verzoekt de Unie met internationale organisaties samen te werken aan instrumenten om de asbestmarkt als gifhandel aan te merken; verzoekt de Unie de strijd tegen asbest en asbestgerelateerde ziekten in haar extern beleid op te nemen; verzoekt de Commissie en de lidstaten meer steun, met inbegrip van financiële steun, te verlenen aan mondiale actoren, waaronder de WHO, die asbest en asbestgerelateerde ziekten bestrijden; veroordeelt financiële investeringen in asbestindustrieën, waar ook ter wereld;

58.

herinnert eraan dat een derde van de bevolking van de Europese regio van de WHO in landen woont waar nog niet alle vormen van asbest verboden zijn (32); wijst erop dat 16 Europese landen nog steeds asbest gebruiken, met name als bouwmateriaal, en asbest blijven produceren en exporteren;

Financiële aspecten

59.

roept de Commissie op om de financiële gevolgen van de verzoeken van het Parlement te beoordelen in overeenstemming met de paragrafen 17 en 18 van deze resolutie en bijlage I, punt 3;

o

o o

60.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en bijgaande aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.

(1)  PB L 330 van 16.12.2009, blz. 28.

(2)  PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13.

(3)  PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1.

(4)  PB L 158 van 30.4.2004, blz. 50.

(5)  PB C 36 van 29.1.2016, blz. 102.

(6)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0074.

(7)  Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0201.

(8)  https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/BRIE/2016/581397/EPRS_BRI(2016) 581397_EN.pdf

(9)  https://www.who.int/news-room/fact-sheets/detail/asbestos-elimination-of-asbestos-related-diseases.

(10)  https://publications.iarc.fr/Book-And-Report-Series/Iarc-Monographs-On-The-Identification-Of-Carcinogenic-Hazards-To-Humans/Arsenic-Metals-Fibres-And-Dusts-2012.

(11)  Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).

(12)  Verordening (EU) 2016/1005 van de Commissie van 22 juni 2016 tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) wat betreft asbestvezels (chrysotiel) (PB L 165 van 23.06.2016, blz. 4).

(13)  Understanding a Man-Made Epidemic: The Relation between Historical Asbestos Consumption and Mesothelioma Mortality in Belgium, Van den Borre, Laura & Deboosere, Patrick, Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis, 2017.

(14)  Environmental exposure to asbestos, from geology to mesothelioma, Bayram, Mehmeta; Bakan and Nur Dilekb, Current Opinion in Pulmonary Medicine, 2014.

(15)  https://www.etui.org/sites/default/files/Web-executive%20summary-cancer-final.pdf

(16)  Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0371.

(17)  Verordening (EU) nr. 649/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen (herschikking) (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 60).

(18)  http://www.ibasecretariat.org/alpha_ban_list.php; https://wits.worldbank.org/trade/comtrade/en/country/ALL/year/2019/tradeflow/Imports/partner/WLD/product/252400

(19)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(20)  https://www.europarl.europa.eu/doceo/document/E-8-2018-000862-ASW_EN.html

(21)  The health impact of nonoccupational exposure to asbestos: what do we know? (te raadplegen op de website nih.gov).

(22)  Washington State Department of Health, Advisory for Swift Creek Naturally Occurring Asbestos, 2009. United States Environmental Protection Agency, Swift Creek (https://response.epa.gov/site/site_profile.aspx?site_id=3639)

(23)  Regionaal WHO-Bureau voor Europa, “Drinking Water Parameter Cooperation Project. Support to the revision of Annex I Council Directive 98/83/EC on the Quality of Water Intended for Human Consumption (Drinking Water Directive). Recommendations, 2017”.

(24)  Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32).

(25)  Agostino Di Ciaula, Valerio Gennaro. Rischio clinico da ingestione di fibre di amianto in acqua potabile. Epidemiologia & Prevenzione,40(6), 462. https://epiprev.it/3608

(26)  https://ec.europa.eu/environment/water/water-drink/pdf/20171215_EC_project_report_final_corrected.pdf — point 13.1

(27)  WHO, Asbestos: elimination of asbestos-related diseases, 2018.

(28)  Furuya, Sugio, Chimed-Ochir, Odgerel, Takahashi, Ken, David, Annette, Takala, Jukka. 2018. “Global Asbestos Disaster”. Int. J. Environ. Res. Public Health 15, no. 5: 1000. https://doi.org/10.3390/ijerph15051000

(29)  Wetenschappelijk verslag van het ECHA van 1 februari 2021 over de evaluatie van de grenswaarden voor asbest op het werk.

(30)  Aanbeveling C(2003) 3297 van de Commissie van 19 september 2003 betreffende de Europese lijst van beroepsziekten (PB L 238 van 25.9.2003, blz. 28).

(31)  Richtlijn (EU) 2018/844 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 75).

(32)  https://www.euro.who.int/en/media-centre/sections/press-releases/2015/04/at-least-one-in-three-europeans-can-be-exposed-to-asbestos-at-work-and-in-the-environment


BIJLAGE I BIJ DE RESOLUTIE:

AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Een Europese kaderrichtlijn voor nationale strategieën voor de verwijdering van asbest

Het Europees Parlement verzoekt de Commissie om na raadpleging van de sociale partners als bedoeld in artikel 154 en op grond van artikel 152, lid 2, en artikel 192 VWEU een voorstel in te dienen voor een kaderrichtlijn tot vaststelling van minimumeisen voor nationale strategieën voor de verwijdering van asbest, waarin ten minste de volgende elementen in aanmerking worden genomen:

(1)

een raming van de hoeveelheden en belangrijkste soorten asbesthoudende materialen die uit gebouwen en infrastructuur moeten worden verwijderd in een lidstaat of regio;

(2)

een tijdschema voor asbestverwijdering, waarbij onder meer voorrang wordt verleend aan bepaalde gebouwen — zoals scholen, ziekenhuizen, sportfaciliteiten en/of sociale huisvesting -, mijlpalen en regelmatige evaluaties van de geboekte vooruitgang, minstens om de vijf jaar;

(3)

een financieel kader, op basis van het gebruik van ESI-middelen, voor de ondersteuning van eigenaren van gebouwen, waarbij de verwijdering van asbest wordt gekoppeld aan andere publieke beleidsmaatregelen en programma’s (zoals energie-efficiëntie, verbetering van de leefomgeving, sociale huisvesting, ziektepreventie) met het oog op efficiëntie en het gebruik van synergieën;

(4)

minimumcriteria voor nationale digitale asbestregisters, waarin al het bestaande asbest in een lidstaat of regio in kaart moet worden gebracht, met inbegrip van ten minste de volgende vereisten:

(a)

publieke en gratis toegankelijkheid voor onder andere werknemers en bedrijven die in een gebouw of infrastructuur werken, eigenaren, bewoners, brandweerlieden en andere hulpdiensten en gebruikers, overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679;

(b)

het bouwjaar van het betrokken gebouw of de betrokken infrastructuur (voor of na het nationale asbestverbod);

(c)

informatie over het soort gebouw of infrastructuur waarin asbest zich bevindt (particuliere, publieke of bedrijfsruimten);

(d)

de specifieke locatie van schadelijke stoffen en de delen van het gebouw die op asbest zijn gescreend;

(e)

een indicatie van waar werkzaamheden zullen plaatsvinden of hebben plaatsgevonden (binnen/buiten) en van het deel van het gebouw (vloer, muur, plafond, dak) of de infrastructuur;

(f)

het soort materiaal (asbestcement, isolatie, plamuur enz.) en het geschatte aandeel van deze materialen;

(g)

het soort werkzaamheden dat moet worden uitgevoerd en een indicatie van de werkmethoden waarbij asbesthoudende materialen vrij kunnen komen (boren, snijden enz.) en de verwachte duur van de werkzaamheden;

(h)

een tijdschema voor de verwijdering ervan en een beheerplan;

(5)

een link naar alle relevante regelgeving op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk overeenkomstig Richtlijn 2009/148/EG;

(6)

een plan voor het op veilige, gecontroleerde en gedocumenteerde wijze afvoeren van asbesthoudend afval inclusief de beschikbaarheid van passende afvalverwerkingsfaciliteiten overeenkomstig nationale praktijken; het plan moet een oplossing bevatten voor de volledige scheiding van afvalcycli in overeenstemming met het beginsel van absoluut geen asbestvervuiling in afvalcycli, dat het hergebruik van bouwmaterialen voorkomt en maximale bescherming van werknemers op het gebied van de circulaire economie waarborgt, alsook een milieuvriendelijke opslag van asbestafval in overeenstemming met de best beschikbare technologieën;

(7)

een strategie voor de controle en handhaving van de maatregelen waarin de kaderrichtlijn voorziet, met inbegrip van bewustmakingscampagnes, begeleidende maatregelen voor capaciteitsopbouw voor kmo’s, inspecties, en doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties in geval van niet-naleving;

(8)

de nauwe betrokkenheid van de sociale partners en andere relevante belanghebbenden, zoals verenigingen van asbestslachtoffers en nationale preventie-instellingen voor gezondheid en veiligheid op het werk, bij de omzetting, tenuitvoerlegging en monitoring van Richtlijn 2009/148/EG.


BIJLAGE II BIJ DE RESOLUTIE:

AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Actualisering van Richtlijn 2009/148/EG

Het Europees Parlement verzoekt de Commissie om na raadpleging van de sociale partners als bedoeld in artikel 154 en op grond van artikel 153, lid 2, punt b), VWEU een voorstel in te dienen tot wijziging van Richtlijn 2009/148/EG betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk, op basis van de volgende aanbevelingen:

1.

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

lid 1 wordt vervangen door (1):

“1.   Deze richtlijn is van toepassing op alle werkzaamheden waarbij werknemers tijdens hun werk worden of kunnen worden blootgesteld aan stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen.”;

(b)

lid 3 wordt geschrapt (2);

(c)

lid 4 wordt vervangen door (3):

“4.   Na overleg met de sociale partners, overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijk, worden door de lidstaten praktische richtsnoeren opgesteld voor de omschrijving van sporadische blootstelling met een geringe intensiteit. Zij ontwikkelen tevens sectorspecifieke antwoorden om werknemers te beschermen tegen blootstelling aan asbeststof, met inbegrip van werkzaamheden in de renovatie- en sloopsector, afvalbeheer, de mijnbouw, de schoonmaaksector en brandbestrijding.”

2.

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

lid 1 wordt vervangen door (4):

“1.   Onder voorbehoud van artikel 3 […] worden de in de leden 2 tot en met 5 genoemde maatregelen getroffen.”

(b)

lid 3 wordt vervangen door (5):

“3.   Vóór de aanvang van de werkzaamheden doet de werkgever melding in de zin van lid 2 aan de verantwoordelijke instantie van de lidstaat, overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.

De melding moet tenminste een beknopte beschrijving bevatten van:

(a)

de plaats waar de werkzaamheden worden verricht en de specifieke gebieden waar de werkzaamheden worden uitgevoerd;

(b)

de gebruikte of gehanteerde types en hoeveelheden asbest;

(c)

de verrichte werkzaamheden en toegepaste procedés;

(d)

het aantal betrokken werknemers, de lijst van werknemers die waarschijnlijk op de bouwplaats zullen werken, de individuele certificaten waaruit hun bekwaamheid en gevolgde opleiding blijken, en de datums van de verplichte medische onderzoeken;

(e)

de datum waarop de werkzaamheden aanvangen, de duur ervan en de geplande werktijden ;

(f)

de maatregelen die zijn genomen om blootstelling van werknemers aan asbest te beperken;

(g)

de eigenschappen van de apparatuur die wordt gebruikt voor de bescherming en ontsmetting van werknemers;

(h)

de eigenschappen van de apparatuur die wordt gebruikt voor afvalverwijdering;

(i)

het ontsmettingsprocedé voor werknemers en apparatuur, tijdsduur en werktijden;

(j)

een tijdelijke aeraulische balans voor werkzaamheden in gesloten ruimten;

(k)

een plan voor de veilige en duurzame verwerking van afvalstoffen, waaronder met betrekking tot de bestemming van asbesthoudende afvalstoffen.

Kennisgevingen worden in overeenstemming met de nationale wetgeving en praktijk door de verantwoordelijke autoriteit van de lidstaat bewaard voor een periode van ten minste 40 jaar.”

3.

Artikel 5 wordt vervangen door (6):

“Artikel 5

[…]

Onverminderd andere Gemeenschapsvoorschriften betreffende het in de handel brengen en het gebruik van asbest zijn activiteiten die de werknemers aan asbestvezels blootstellen bij de winning van asbest, bij de vervaardiging en de verwerking van asbestproducten, dan wel de vervaardiging en de verwerking van producten die doelbewust toegevoegde asbest bevatten, verboden, met uitzondering van het behandelen en storten van producten die afkomstig zijn van sloop en asbestverwijdering.

Asbesthoudende onderdelen en materialen die reeds in gebruik zijn, worden veilig verwijderd en afgevoerd, indien technisch mogelijk, en worden niet gerepareerd, onderhouden, omhuld of bedekt. Asbesthoudende materialen die niet op korte termijn kunnen worden verwijderd, worden geïdentificeerd, geregistreerd en regelmatig gemonitord.”

4.

In artikel 6 wordt punt b) vervangen door (7):

“(b)

de werkprocedés zijn zo ingericht dat er geen asbeststof wordt geproduceerd of dat, indien zulks onmogelijk is, er geen asbeststof in de lucht vrijkomt , door ten minste de volgende maatregelen toe te passen:

(i)

stofbestrijding;

(ii)

stofzuigen aan de bron;

(iii)

continue sedimentatie van vezels in de lucht;

(iv)

passende ontsmetting;

(v)

een minimaal drukverschil van min tien;

(vi)

toevoer van schone, verse lucht vanaf een verder gelegen punt;

(vii)

controle van de prestaties van onderdrukeenheden en draagbare stofzuiginstallaties van plaatselijke afzuigsystemen na de vervanging van een HEPA-filter en voor het begin van de asbestverwijdering of ten minste eenmaal per jaar, door het verwijderingsrendement van filters te meten met een deeltjesteller met directe aflezing.”

5.

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

lid 1 wordt vervangen door (8):

“1.   Afhankelijk van de resultaten van de eerste risicobeoordeling wordt, om de naleving van de in artikel 8 vastgestelde grenswaarde te waarborgen, de concentratie aan asbestvezels in de lucht op het werk gemeten door tijdens specifieke operationele fases en op gezette tijden tijdens het arbeidsproces te meten .”

(b)

lid 2 wordt vervangen door (9):

“2.   De monstername is representatief voor de werkelijke persoonlijke blootstelling van de werknemer aan stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen.”

(c)

lid 5 wordt vervangen door (10):

“5.   De duur van de monstername wordt zo gekozen dat de representatieve blootstelling voor alle tijdens het arbeidsproces uitgevoerde operaties in al hun verschillende fases kan worden vastgesteld.”

(d)

de eerste alinea van lid 6 wordt vervangen door (11):

“6.   De telling van de vezels gebeurt bij voorkeur door middel van analytische transmissie-elektronenmicroscopie of met een methode die gelijkwaardige resultaten oplevert.”

6.

Artikel 8 wordt vervangen door (12):

“Artikel 8

De werkgevers zorgen ervoor dat geen enkele werknemer op enig moment tijdens het arbeidsproces wordt blootgesteld aan een asbestconcentratie in de lucht die groter is dan 0,001  vezel per cm3 (1 000 vezels per m3) .”

7.

In artikel 10 wordt lid 1 vervangen door (13):

“1.   Wanneer de in artikel 8 vastgestelde grenswaarde wordt overschreden of er reden bestaat om aan te nemen dat asbesthoudende materialen die vóór de werkzaamheden niet waren geïdentificeerd, verstoord zijn en stof kunnen genereren, worden de werkzaamheden onmiddellijk stopgezet . De oorzaken voor deze overschrijding worden opgespoord en er worden zo snel mogelijk passende maatregelen getroffen om deze situatie te verhelpen.

Het werk in de betrokken zone wordt niet voortgezet totdat er ter bescherming van de betrokken werknemers passende maatregelen worden genomen.”

8.

Artikel 11 wordt vervangen door (14):

“Artikel 11

Voordat wordt begonnen met sloop- of onderhoudswerkzaamheden, of renovatiewerkzaamheden aan gebouwen die vóór 2005 of vóór het jaar van inwerkingtreding van een equivalent nationaal asbestverbod (naargelang welke datum eerder valt) zijn gebouwd, worden de gebouwen gescreend om alle asbesthoudende materialen vast te stellen, in overeenstemming met de vereisten van bijlage XVII, deel 6, bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 en bijlage I bij Verordening (EU) nr. 305/2011 . De screening wordt uitgevoerd door een gekwalificeerde en gecertificeerde exploitant of autoriteit, rekening houdend met de artikelen 14 en 15 van deze richtlijn en de bepalingen van het nationale bouwrecht.

In overeenstemming met hun nationale bouwvoorschriften stellen de lidstaten gedetailleerde regels vast voor het onderzoek en de opsporing van asbesthoudende materialen. Wanneer niet kan worden gegarandeerd dat er geen asbest aanwezig is, worden de werkzaamheden uitgevoerd volgens de procedures die moeten worden gevolgd wanneer er asbest aanwezig is.”

9.

In artikel 12 wordt de eerste alinea vervangen door (15):

“Voor bepaalde werkzaamheden, zoals sloop of asbestverwijdering […], waarvan kan worden verwacht dat ondanks alle mogelijke preventieve technische maatregelen ter beperking van de asbestconcentratie in de lucht, de in artikel 8 vastgestelde grenswaarde zal worden overschreden, stelt de werkgever maatregelen vast voor de bescherming van de werknemers tijdens deze werkzaamheden, in het bijzonder:

(a)

krijgen de werknemers verplicht te dragen passende ademhalingsapparatuur en andere individuele beschermingsmiddelen;

(b)

worden er waarschuwingsborden aangebracht om erop te wijzen dat een overschrijding van de in artikel 8 vastgestelde grenswaarde kan worden verwacht;

(c)

wordt de verspreiding van stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen buiten de ruimten/werkplek waar de activiteiten plaatsvinden, voorkomen en is de ventilatie van lucht van werkplekken waar asbest wordt verwijderd naar afgesloten ruimten niet toegestaan ; en

(c bis)

wordt een meting van de asbestvezelconcentratie in de lucht uitgevoerd nadat de in dit lid bedoelde werkzaamheden zijn voltooid, om te garanderen dat de werknemers de werkplek weer veilig kunnen betreden.”

10.

In artikel 13 wordt lid 1 vervangen door (16):

“1.   Voordat wordt begonnen met werkzaamheden in verband met asbest wordt een werkplan opgesteld.”

11.

In artikel 14 worden de leden 2 en 3 vervangen door (17):

“2.   De inhoud van de opleiding is voor de werknemers gemakkelijk toegankelijk. Zij verschaft hun de nodige kennis en vaardigheden inzake preventie en veiligheid , in overeenstemming met de toepasselijke wet- en regelgeving in de lidstaat waar het werk plaatsvindt.

3.    Verplichte minimumeisen voor de inhoud, duur, tussenpozen van en de documentatie voor de opleiding zijn opgenomen in bijlage 1 bis.”

12.

Artikel 15 wordt vervangen door (18):

“Artikel 15

1.     Ondernemingen die van plan zijn sloop- of asbestverwijderingswerkzaamheden uit te voeren, moeten voordat de werkzaamheden van start gaan over een door de bevoegde autoriteit uitgevaardigde hernieuwbare vergunning beschikken. De bevoegde autoriteiten kunnen dergelijke vergunningen uitvaardigen aan aanvragende ondernemingen die bewijzen dat ze beschikken over adequate, geavanceerde technische apparatuur voor emissievrije of, indien dat technisch nog niet mogelijk is, emissiearme arbeidsprocedures in overeenstemming met de vereisten van artikel 6, en opleidingscertificaten voor hun individuele werknemers in overeenstemming met artikel 14 en bijlage 1 bis.

2.     De bevoegde autoriteiten verlenen alleen een vergunning aan een onderneming als zij geen twijfel hebben over de betrouwbaarheid van de onderneming en haar bestuur. De vergunningen kunnen om de vijf jaar worden verlengd in overeenstemming met de nationale wetgeving en praktijk.

3.     De lidstaten leggen openbare registers aan van de ondernemingen die overeenkomstig lid 1 gemachtigd zijn asbest te verwijderen.”

13.

In artikel 16 wordt lid 1 vervangen door (19):

“1.   Voor elke in artikel 3, lid 1 […], bedoelde werkzaamheid worden passende maatregelen getroffen om te bewerkstelligen dat:

(a)

de plaatsen waar deze werkzaamheden worden uitgevoerd:

(i)

duidelijk worden afgebakend en worden aangegeven met waarschuwingsborden;

(ii)

alleen toegankelijk zijn voor werknemers die deze plaatsen wegens hun werk of functie moeten betreden;

iii)

zones zijn waar een rookverbod geldt;

(b)

zones worden ingericht waar de werknemers zonder gevaar voor besmetting door asbeststof kunnen eten en drinken;

(c)

passende werk- of beschermende kleding ter beschikking wordt gesteld van de werknemers, evenals beschermingsmiddelen, en in het bijzonder ademhalingsapparatuur, die aan een verplichte individuele pasvormcontrole onderworpen worden; al deze werk- of beschermende kleding wordt niet buiten het bedrijf gebracht; Zij mag evenwel gewassen worden in daartoe uitgeruste buiten het bedrijf gelegen wasserijen als het bedrijf niet zelf voor de reiniging zorgt; in dat geval dient de kleding in gesloten recipiënten te worden vervoerd;

( c bis )

er wordt voorzien in regelmatige, verplichte pauzes met voldoende tijd voor herstel voor werknemers die ademhalingsapparatuur dragen ;

(d)

de werk- of beschermende kleding en de normale kleding afzonderlijk worden opgeborgen;

(e)

de werknemers worden onderworpen aan een verplicht ontsmettingsprocedé ;

(f)

de beschermende uitrusting op een daartoe aangewezen plaats wordt bewaard en na ieder gebruik wordt gecontroleerd en gereinigd en passende maatregelen worden genomen om defecte uitrusting te herstellen of te vervangen voordat deze weer wordt gebruikt.”

14.

In artikel 17, lid 2, wordt het inleidende gedeelte vervangen door (20):

“2.   Naast de in lid 1 […] bedoelde maatregelen worden passende maatregelen genomen opdat:”

15.

Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

lid 1 wordt vervangen door (21):

“1.   Onder voorbehoud van artikel 3 […] worden de in de leden 2 tot en met 5 genoemde maatregelen getroffen.”

(b)

lid 2 wordt vervangen door (22):

“2.   Vóór de blootstelling aan stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen op de arbeidsplaats wordt iedere werknemer in de gelegenheid gesteld een medische keuring te ondergaan.

Deze keuring omvat een specifiek onderzoek van de borstkas. Praktische aanbevelingen die de lidstaten bij de klinische keuring van werknemers als leidraad kunnen nemen, staan in bijlage I; deze aanbevelingen worden volgens de in artikel 17 van Richtlijn 89/391/EEG bedoelde procedure aangepast aan de technische vooruitgang.

[…]

Zolang de blootstelling duurt, worden de werknemers ten minste eenmaal in de drie jaar in de gelegenheid gesteld zich opnieuw te laten keuren.

Van iedere werknemer wordt in overeenstemming met de nationale wetgeving en/of praktijk een individueel gezondheidsdossier aangelegd en voor ten minste 40 jaar bijgehouden .”

16.

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 18 quater

De Commissie herziet, in overleg met de sociale partners, uiterlijk op … [vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] en daarna elke vijf jaar, de technologische en wetenschappelijke staat van identificatie-, meet- of waarschuwingstechnologieën voor asbest en geeft richtsnoeren uit voor wanneer dergelijke technologieën moeten worden gebruikt om werknemers tegen blootstelling aan asbest te beschermen.”

17.

In artikel 19 wordt lid 1 vervangen door (23):

“1.   Onder voorbehoud van artikel 3 […] worden de in de leden 2, 3 en 4 genoemde maatregelen getroffen.”

18.

Artikel 21 wordt vervangen door (24):

“Artikel 21

1.    De lidstaten houden een register bij van alle erkende gevallen van asbestgerelateerde beroepsziekten . Bijlage 1 ter bevat een indicatieve lijst van ziekten die volgens de huidige kennis kunnen worden veroorzaakt door blootstelling aan asbest.

2.     De in lid 1 bedoelde term “erkende gevallen” is niet beperkt tot gevallen waarvoor een schadevergoeding is toegekend, maar verwijst naar alle gevallen van medisch vastgestelde asbestgerelateerde ziekten.”

19.

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 21 bis

In geval van brand wordt alle bestaande informatie over de aanwezigheid en locatie van asbest ter beschikking gesteld van de brandweerlieden.”

20.

De volgende bijlagen worden ingevoegd:

Bijlage 1 bis

VERPLICHTE MINIMUMEISEN VOOR OPLEIDING

Alle werknemers die worden of kunnen worden blootgesteld aan stof van asbest of asbesthoudende materialen krijgen een verplichte opleiding, die ten minste de volgende minimumeisen omvat:

1.

De opleiding vindt plaats aan het begin van de arbeidsrelatie en met tussenpozen van niet meer dan vier jaar.

2.

Elke opleiding duurt ten minste drie werkdagen.

3.

De opleiding wordt aangeboden door een gekwalificeerde en gecertificeerde instelling en instructeur en uitgevoerd door een autoriteit of erkende bevoegde instantie in de lidstaat overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijken.

4.

Iedere werknemer die op bevredigende wijze een opleiding heeft gevolgd en voor de vereiste test is geslaagd, krijgt een opleidingscertificaat waarop het volgende wordt vermeld:

(a)

de datum van de opleiding;

(b)

de duur van de opleiding;

(c)

de inhoud van de opleiding;

(d)

de taal van de opleiding;

(e)

de naam, kwalificatie en contactgegevens van de instructeur en de instelling die de opleiding hebben verstrekt.

5.

Alle werknemers die worden, kunnen worden of het risico lopen te worden blootgesteld aan stof van asbest of asbesthoudende materialen krijgen ten minste de volgende opleiding, met een theoretisch en een praktisch gedeelte, over:

(a)

de toepasselijke wetgeving van de lidstaat waar de werkzaamheden worden uitgevoerd;

(b)

de eigenschappen van asbest en de gevolgen ervan voor de gezondheid, met inbegrip van het synergetische effect van roken, alsmede de risico’s in verband met secundaire blootstelling en milieublootstelling;

(c)

de soorten producten of materialen die asbest kunnen bevatten;

(d)

de handelingen die kunnen leiden tot blootstelling aan asbest en het belang van preventieve controles om blootstelling tot een minimum te beperken;

(e)

veilige werkwijzen, met inbegrip van voorbereiding van de werkplek, keuze van werkmethoden en planning van de uitvoering van het werk, ventilatie, puntextractie, meting en controle, en regelmatige pauzes;

(f)

de geëigende rol, keuze en selectie, beperkingen en het juiste gebruik van beschermingsmiddelen, met bijzondere aandacht voor ademhalingsapparatuur;

(g)

noodprocedures;

(h)

ontsmettingsprocedés;

(i)

verwijdering van afvalstoffen;

(j)

de eisen inzake medisch toezicht.

De opleiding wordt zo goed mogelijk afgestemd op de kenmerken van het beroep en de specifieke taken en werkmethoden die ermee gepaard gaan.

6.

Werknemers die sloop- of asbestverwijderingswerkzaamheden verrichten krijgen naast de in punt 4 genoemde opleiding ook opleiding over:

(a)

het gebruik van technische uitrusting en machines om het vrijkomen en verspreiden van asbestvezels tijdens de arbeidsprocessen te beperken, overeenkomstig Richtlijn 2009/104/EG;

(b)

de modernste beschikbare technologieën en machines voor emissievrije of, indien dat technisch nog niet mogelijk is, emissiearme arbeidsprocedures, om het vrijkomen en verspreiden van asbestvezels te beperken.

Bijlage 1 ter

LIJST VAN ASBESTGERELATEERDE ZIEKTEN

Volgens de huidige kennis kan blootstelling aan asbestvezels leiden tot ten minste de volgende asbestgerelateerde beroepsziekten, die de lidstaten derhalve in hun nationale wetgeving moeten opnemen:

asbestose;

mesothelioom na inademing van asbeststof;

goedaardige pleurale ziekten, waaronder fibrose, longatelectase en goedaardige pleurale effusie als gevolg van asbest;

longkanker, waaronder bronchiale kanker na inademing van asbeststof;

strottenhoofdkanker na inademing van asbeststof;

eierstokkanker als gevolg van asbest;

Het Internationaal Instituut voor Kankeronderzoek heeft melding gemaakt van positieve associaties tussen blootstelling aan asbest en de volgende ziekten:

keelkanker;

colorectale kanker;

maagkanker.


(1)  De bestaande tekst luidt als volgt:

“1.   Deze richtlijn is van toepassing op werkzaamheden waarbij werknemers tijdens hun werk worden of kunnen worden blootgesteld aan stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen.”

(2)  Het geschrapte lid 3 luidt als volgt:

“3.   Mits het gaat om sporadische blootstellingen met een geringe intensiteit en uit de resultaten van de risicobeoordeling volgens lid 2 blijkt, dat de blootstellingsgrenswaarde voor asbest in de lucht van de arbeidsplaats niet zal worden overschreden, kunnen de artikelen 4, 18 en 19 buiten toepassing blijven, wanneer het werk bestaat in:

(a)

korte, niet-continue onderhoudsactiviteiten, waarbij uitsluitend met niet-broze materialen wordt gewerkt;

(b)

het verwijderen van niet-beschadigde materialen, zonder deze stuk te maken, waarin de asbestvezels stevig in een matrix zijn gebonden;

(c)

het inkapselen en omhullen van asbesthoudende materialen die in goede staat zijn;

(d)

bewaking en onderzoek van de lucht en het nemen van monsters om vast te stellen of een bepaald materiaal asbest bevat.”

(3)  De bestaande tekst luidt als volgt:

“4.   Na overleg met de sociale partners, overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijk, worden door de lidstaten praktische richtsnoeren opgesteld voor de omschrijving van sporadische blootstelling met een geringe intensiteit, als bedoeld in lid 3.”

(4)  De bestaande tekst luidt als volgt:

“1.   Onder voorbehoud van artikel 3, lid 3, worden de in de leden 2 tot en met 5 genoemde maatregelen getroffen.”

(5)  De bestaande tekst luidt als volgt:

“3.   Vóór de aanvang van de werkzaamheden doet de werkgever melding in de zin van lid 2 aan de verantwoordelijke instantie van de lidstaat, overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.

De melding moet tenminste een beknopte beschrijving bevatten van:

(a)

de plaats waar de werkzaamheden worden verricht;

(b)

de gebruikte of gehanteerde types en hoeveelheden asbest;

(c)

de verrichte werkzaamheden en toegepaste procedés;

(d)

het aantal betrokken werknemers;

(e)

de datum waarop de werkzaamheden aanvangen, alsmede de duur ervan;

(f)

de maatregelen die zijn genomen om blootstelling van werknemers aan asbest te beperken.”

(6)  De bestaande tekst luidt als volgt:

“Het opspuiten van asbest voor het velouteren van oppervlakken en werkzaamheden die het gebruik van asbesthoudend isolatie- of geluiddempend materiaal met een lage dichtheid (minder dan 1 g/cm3) inhouden, zijn verboden.

Onverminderd andere Gemeenschapsvoorschriften betreffende het in de handel brengen en het gebruik van asbest zijn activiteiten die de werknemers aan asbestvezels blootstellen bij de winning van asbest, bij de vervaardiging en de verwerking van asbestproducten, dan wel de vervaardiging en de verwerking van producten die doelbewust toegevoegde asbest bevatten, verboden, met uitzondering van het behandelen en storten van producten die afkomstig zijn van sloop en asbestverwijdering.”

(7)  De bestaande tekst luidt als volgt:

“(b)

de werkprocedés zijn zo ingericht dat er geen asbeststof wordt geproduceerd of dat, indien zulks onmogelijk is, er geen asbeststof in de lucht vrijkomt;”

(8)  De bestaande tekst luidt als volgt: “1. Afhankelijk van de resultaten van de eerste risicobeoordeling wordt, om de naleving van de in artikel 8 vastgestelde grenswaarde te waarborgen, op gezette tijden de concentratie aan asbestvezels in de lucht op het werk gemeten.”

(9)  De bestaande tekst luidt als volgt: “2. De monstername is representatief voor de persoonlijke blootstelling van de werknemer aan stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen.”

(10)  De bestaande tekst luidt als volgt: “5. De duur van de monstername wordt zo gekozen dat, hetzij door meting hetzij door een tijdgewogen berekening, de representatieve blootstelling voor een achturige referentieperiode (één ploeg) kan worden vastgesteld.”

(11)  De bestaande tekst luidt als volgt: “6. De telling van de vezels gebeurt bij voorkeur met een fasecontrastmicroscoop overeenkomstig de in 1997 door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) aanbevolen methode of een methode die gelijkwaardige resultaten oplevert.”

(12)  De bestaande tekst luidt als volgt: “De werkgevers zorgen ervoor dat geen enkele werknemer wordt blootgesteld aan een asbestconcentratie in de lucht die groter is dan 0,1 vezel per cm3, berekend als tijdgewogen gemiddelde over een periode van acht uur (TGG).”

(13)  De bestaande tekst luidt als volgt:

“1.   Wanneer de in artikel 8 vastgestelde grenswaarde wordt overschreden, worden de oorzaken voor deze overschrijding opgespoord en worden zo snel mogelijk passende maatregelen getroffen om deze situatie te verhelpen.

Het werk in de betrokken zone mag alleen worden voortgezet indien er ter bescherming van de betrokken werknemers passende maatregelen worden genomen.”

(14)  De bestaande tekst luidt als volgt:

“Voordat wordt begonnen met sloop- of onderhoudswerkzaamheden neemt de werkgever, indien van toepassing na het opvragen van informatie bij de eigenaren, alle nodige maatregelen om de materialen waarvan wordt vermoed dat ze asbest bevatten, te identificeren.

Indien ook maar de geringste twijfel bestaat over de aanwezigheid van asbest in een materiaal of constructie, worden de van toepassing zijnde bepalingen van deze richtlijn gevolgd.”

(15)  De bestaande tekst luidt als volgt:

“Voor bepaalde werkzaamheden, zoals sloop, verwijdering, reparatie en onderhoud, waarvan kan worden verwacht dat ondanks preventieve technische maatregelen ter beperking van de asbestconcentratie in de lucht, de in artikel 8 vastgestelde grenswaarde zal overschreden worden, stelt de werkgever maatregelen vast voor de bescherming van de werknemers tijdens deze werkzaamheden, in het bijzonder:

(a)

krijgen de werknemers verplicht te dragen passende ademhalingsapparatuur en andere individuele beschermingsmiddelen;

(b)

worden er waarschuwingsborden aangebracht om erop te wijzen dat een overschrijding van de in artikel 8 vastgestelde grenswaarde kan worden verwacht; alsmede

(c)

wordt de verspreiding van stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen buiten de ruimten/werkplek waar de activiteiten plaatsvinden, voorkomen.”

(16)  De bestaande tekst luidt als volgt:

“1.

Voordat wordt begonnen met het slopen of het verwijderen van asbest en/of asbesthoudende materialen uit gebouwen, constructies, apparaten en installaties, dan wel uit schepen, wordt er een werkplan opgesteld.”

(17)  De bestaande tekst luidt als volgt:

“2.   De inhoud van de opleiding is voor de werknemers gemakkelijk toegankelijk. Zij verschaft hun de nodige kennis en vaardigheden inzake preventie en veiligheid, met name met betrekking tot:

(a)

de eigenschappen van asbest en de invloed van asbest op de gezondheid, met inbegrip van het synergetische effect van roken;

(b)

de soorten producten of materialen die asbest kunnen bevatten;

(c)

de handelingen die kunnen leiden tot blootstelling aan asbest en het belang van preventieve controles om blootstelling tot een minimum te beperken;

(d)

veilige werkwijzen, controles en beschermingsmiddelen;

(e)

de geëigende rol, keuze en selectie, beperkingen en het juiste gebruik van ademhalingsapparatuur;

(f)

noodprocedures;

(g)

ontsmettingsprocedés;

(h)

verwijdering van afvalstoffen;

(i)

de eisen inzake medisch toezicht.

3.   Op communautair niveau worden praktische richtsnoeren vastgesteld voor de opleiding van werknemers die asbest verwijderen.”

(18)  De bestaande tekst luidt als volgt: “Alvorens zij werkzaamheden zoals sloop of verwijdering van asbest kunnen verrichten, moeten bedrijven hun bekwaamheid op dit gebied aantonen. De bekwaamheid wordt aangetoond in overeenstemming met de nationale wetgeving en/of praktijk.”

(19)  De bestaande tekst luidt als volgt:

“1.   Voor elke in artikel 3, lid 1, bedoelde werkzaamheid worden, onder voorbehoud van artikel 3, lid 3, passende maatregelen getroffen om te bewerkstelligen dat:

(a)

de plaatsen waar deze werkzaamheden worden uitgevoerd:

(i)

duidelijk worden afgebakend en worden aangegeven met waarschuwingsborden;

(ii)

alleen toegankelijk zijn voor werknemers die deze plaatsen wegens hun werk of functie moeten betreden;

iii)

zones zijn waar een rookverbod geldt;

(b)

zones worden ingericht waar de werknemers zonder gevaar voor besmetting door asbeststof kunnen eten en drinken;

(c)

passende werk- of beschermende kleding ter beschikking wordt gesteld van de werknemers; deze werk- of beschermende kleding niet buiten het bedrijf wordt gebracht; Zij mag evenwel gewassen worden in daartoe uitgeruste buiten het bedrijf gelegen wasserijen als het bedrijf niet zelf voor de reiniging zorgt; in dat geval dient de kleding in gesloten recipiënten te worden vervoerd;

(d)

de werk- of beschermende kleding en de normale kleding afzonderlijk worden opgeborgen;

(e)

passende en adequate sanitaire voorzieningen met douches, indien het werk in een stoffige atmosfeer geschiedt, ter beschikking van de werknemers worden gesteld;

(f)

de beschermende uitrusting op een daartoe aangewezen plaats wordt bewaard en na ieder gebruik wordt gecontroleerd en gereinigd en passende maatregelen worden genomen om defecte uitrusting te herstellen of te vervangen voordat deze weer wordt gebruikt.”

(20)  De bestaande tekst luidt als volgt:

“Naast de in lid 1 bedoelde maatregelen worden, onder voorbehoud van artikel 3, lid 3, passende maatregelen genomen opdat:”.

(21)  De bestaande tekst luidt als volgt: “1. Onder voorbehoud van artikel 3, lid 3, worden de in de leden 2 tot en met 5 genoemde maatregelen getroffen.”

(22)  De bestaande tekst luidt als volgt:

“2.   Vóór de blootstelling aan stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen op de arbeidsplaats wordt iedere werknemer in de gelegenheid gesteld een medische keuring te ondergaan.

Deze keuring omvat een specifiek onderzoek van de borstkas. Praktische aanbevelingen die de lidstaten bij de klinische keuring van werknemers als leidraad kunnen nemen, staan in bijlage I. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 18 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage I te wijzigen, teneinde deze aan de technische vooruitgang aan te passen.

Indien, in naar behoren gemotiveerde en uitzonderlijke gevallen van onmiddellijke, rechtstreekse en ernstige risico’s voor de lichamelijke gezondheid en veiligheid van werknemers en andere personen, om dwingende redenen van urgentie binnen een zeer kort tijdsbestek actie vereist is, is de in artikel 18 ter neergelegde procedure van toepassing op overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen.

Zolang de blootstelling duurt, worden de werknemers ten minste eenmaal in de drie jaar in de gelegenheid gesteld zich opnieuw te laten keuren.

Van iedere werknemer wordt in overeenstemming met de nationale wetgeving en/of praktijk een individueel gezondheidsdossier aangelegd.”

(23)  De bestaande tekst luidt als volgt: “1. Onder voorbehoud van artikel 3, lid 3, worden de in de leden 2, 3 en 4 genoemde maatregelen getroffen.”

(24)  De bestaande tekst luidt als volgt: “De lidstaten houden een register bij van de erkende gevallen van asbestose en mesothelioom.”


BIJLAGE III BIJ DE RESOLUTIE:

AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Erkenning van en schadeloosstelling voor asbestgerelateerde ziekten

Het Europees Parlement verzoekt de Commissie om na raadpleging van de sociale partners als bedoeld in artikel 154 en op grond van artikel 153, lid 2, punt b), VWEU een voorstel in te dienen voor een richtlijn tot vaststelling van minimumvereisten voor de erkenning van beroepsziekten, met inbegrip van alle asbestgerelateerde ziekten, en een passende schadevergoeding voor de betrokken personen. In het voorstel van de Commissie moeten ten minste de volgende elementen in aanmerking worden genomen:

(1)

een lijst met beroepsziekten die voor schadevergoeding in aanmerking komen, waarvoor preventieve maatregelen gelden en die door de lidstaten moeten worden erkend, onverminderd gunstigere nationale wetgeving, op basis van de aanbeveling van de Commissie van 19 september 2003 betreffende de Europese lijst van beroepsziekten, en bijgewerkt op basis van de recentste wetenschappelijke kennis;

(2)

de oprichting van één-loketinstanties als contactpunt voor betrokken personen voor alle aangelegenheden in verband met beroepsziekten;

(3)

de oprichting van een nationale functie, zoals een ombudsman, om slachtoffers van beroepsziekten bij te staan bij erkenningsprocedures, en meer steun voor en de uitwisseling van beste praktijken met onder andere vakbonden en verenigingen voor slachtoffers met betrekking tot erkenningsprocedures;

(4)

een omkering van de bewijslast voor de erkenning van beroepsziekten of ten minste de daadwerkelijke vereenvoudiging daarvan, bijvoorbeeld door te bepalen dat waar blootstelling aan asbest op het werk redelijkerwijs kan worden vastgesteld, een verband tussen blootstelling en daarop volgende symptomen kan worden vermoed;

(5)

bepalingen voor passende schadeloosstelling voor erkende beroepsziekten.


BIJLAGE IV BIJ DE RESOLUTIE:

AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Actualisering van Richtlijn 2010/31/EU — Asbestscreening voorafgaand aan energierenovatiewerkzaamheden

Het Europees Parlement verzoekt de Commissie om op grond van artikel 194, lid 2, VWEU een voorstel in te dienen tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen, op basis van de volgende aanbeveling:

Artikel 7 wordt vervangen door:

“Artikel 7

Bestaande gebouwen

De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat wanneer bestaande gebouwen een ingrijpende renovatie ondergaan, de energieprestatie van het gebouw of van het gerenoveerde deel daarvan tot het niveau van de overeenkomstig artikel 4 vastgestelde minimumeisen inzake energieprestatie wordt opgevoerd, voor zover dit technisch, functioneel en economisch haalbaar is.

Die eisen worden toegepast op het gerenoveerde gebouw of de gerenoveerde gebouwunit als geheel. Daarnaast of in plaats daarvan kunnen er eisen worden toegepast op de gerenoveerde onderdelen van een gebouw.

Daarnaast treffen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat wanneer een tot de bouwschil behorend onderdeel van een gebouw dat, na te zijn vernieuwd of vervangen, een significant effect op de energieprestatie van de bouwschil heeft, de energieprestatie van dat onderdeel van een gebouw aan minimumeisen inzake energieprestatie voldoet, voor zover dat technisch, functioneel en economisch haalbaar is.

De lidstaten stellen deze minimumeisen voor de energieprestatie vast overeenkomstig artikel 4.

De lidstaten stimuleren, met betrekking tot gebouwen die een ingrijpende renovatie ondergaan, alternatieve systemen met een hoog rendement, voor zover dit technisch, functioneel en economisch haalbaar is, en besteden aandacht aan de problematiek van een gezond binnenklimaat, brandveiligheid en risico’s in verband met intense seismische activiteit.

De lidstaten stellen het verplicht om gebouwen te screenen op asbest en andere gevaarlijke materialen voordat met de renovatiewerkzaamheden van start wordt gegaan. Het resultaat van de screening wordt vermeld in een certificaat waarin de aanwezigheid of afwezigheid van asbest of andere gevaarlijke stoffen wordt vermeld. In het eerste geval worden in het certificaat de soorten gevonden asbesthoudende materialen vermeld, alsmede de precieze locatie ervan. Wanneer op basis van verkenning en onderzoeken de aanwezigheid van asbest in een materiaal niet kan worden uitgesloten, is het voorzorgsbeginsel van toepassing. De verwijdering en afvoering van de bij de renovatie betrokken materialen verloopt op ordelijke en veilige wijze, overeenkomstig Richtlijn 2009/148/EG, Verordening (EU) nr. 305/2011 en andere relevante wetgevingshandelingen.


BIJLAGE V BIJ DE RESOLUTIE:

AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Asbestscreening van gebouwen die te koop of te huur zijn

Het Europees Parlement verzoekt de Commissie om op grond van artikel 169, lid 3, en artikel 114, lid 1, VWEU een voorstel voor een richtlijn voor te leggen tot vaststelling van minimumeisen voor asbestcertificaten voor gebouwen die zijn gebouwd vóór 2005 of, als dat eerder is, vóór het jaar van het overeenkomstige nationale verbod op asbest en die worden verkocht of verhuurd. In het voorstel moeten ten minste de volgende elementen in overweging worden genomen:

(1)

een verplichting voor eigenaren van (openbare of particuliere) gebouwen die zijn gebouwd vóór 2005 of, als dat eerder is, vóór het jaar van het overeenkomstige nationale verbod op asbest om het gebouw te laten screenen om na te gaan of en waar asbesthoudende materialen aanwezig zijn voordat het gebouw (of een deel daarvan) wordt verkocht of verhuurd;

(2)

de screenings worden uitsluitend door gecertificeerde exploitanten uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2009/148/EG, nationale wetgeving en praktijken, en onder toezicht van een bevoegde nationale instantie;

(3)

met het oog op een optimale bescherming van de gebruikers of bewoners, worden de screening en, indien nodig, de verwijdering of, indien dat technisch niet mogelijk is, de inkapseling uitgevoerd door gekwalificeerd en gecertificeerd personeel, overeenkomstig Richtlijn 2009/148/EG en nationale wetgeving en praktijken, onder toezicht van een nationale bevoegde instantie;

(4)

de gecertificeerde exploitant deelt de resultaten van de screening mee aan de eigenaar, en een bevoegde nationale instantie (een één-loketinstantie) geeft een certificaat af zoals bedoeld in punt 5, dat wordt bijgehouden in een nationaal register, en geeft eigenaren informatie en advies over de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder over de correcte en veilige verwijdering van gedetecteerd asbest en over de beschikbare financiële steun uit de relevante ESI-fondsen;

(5)

de asbestcertificaten bevatten het resultaat van de screening, met inbegrip van een lijst van welke asbesthoudende materialen zijn gevonden, de exacte locatie ervan, de huidige staat van instandhouding ervan samen met een kennisgeving van de vereiste werkzaamheden en het vereiste toezicht om te voorkomen dat de gezondheid van de bewoners wordt aangetast, een concept voor de veilige verwijdering ervan en informatie over mogelijke delen van het gebouw waar screening niet mogelijk was of waar de aanwezigheid van asbest niet kan worden uitgesloten door onderzoek;

(6)

het certificaat waarin de aanwezigheid van asbest wordt vermeld, heeft een passende geldigheidsduur die overeenstemt met het vereiste toezicht, teneinde een toename van de screenings te voorkomen;

(7)

de certificaten worden opgenomen in bestaande asbestregisters, worden ter beschikking gesteld van bedrijven en werknemers die werkzaamheden verrichten in het gebouw, worden bij verkoopovereenkomsten in verband met het gebouw gevoegd en worden ter beschikking gesteld van huurders van het gebouw;

(8)

er worden doeltreffende, evenredige en afschrikkende boetes vastgesteld voor verkopers en verhuurders van gebouwen die de verplichte screening niet laten uitvoeren en die het resultaat van de screening niet melden aan de bevoegde instantie voordat het gebouw wordt verkocht of verhuurd;

(9)

in geval van niet-naleving worden passende aansprakelijkheidsregelingen ingesteld.

De bevoegde nationale instantie publiceert een lijst van gecertificeerde exploitanten zoals bedoeld in de eerste alinea, punt 2.