1.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 99/34


P9_TA(2021)0332

Controle van de financiële activiteiten van de Europese Investeringsbank — jaarverslag 2019

Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2021 over de controle van de financiële activiteiten van de Europese Investeringsbank — jaarverslag 2019 (2020/2245(INI))

(2022/C 99/04)

Het Europees Parlement,

gezien het activiteitenverslag 2019 van de Europese Investeringsbank-groep (EIB-groep),

gezien het financieel verslag en het statistisch verslag van de EIB-groep voor 2019,

gezien het duurzaamheidsverslag voor 2019 en het bijbehorende verslag over de koolstofvoetafdruk van de EIB-groep,

gezien het verslag over de uitvoering van het transparantiebeleid van de EIB-groep in 2019,

gezien het verslag over het klachtenmechanisme van de EIB voor 2019,

gezien het jaarverslag 2019 over de activiteiten van de EIB in Afrika, het Caribisch gebied, de Stille Oceaan en de landen en gebieden overzee,

gezien het jaarverslag van het Comité ter controle van de boekhouding voor 2019,

gezien het investeringsverslag 2019-2020 van de EIB (“EIB Investment Report 2019/2020: accelerating Europe’s transformation”),

gezien het verslag over corporate governance van de EIB-groep voor 2019,

gezien het activiteitenverslag inzake fraudeonderzoek voor 2019,

gezien het activiteitenplan 2019 van de EIB-groep,

gezien het verslag over EFSI voor 2019 van de Europese Investeringsbank aan het Europees Parlement en de Raad,

gezien Speciaal verslag nr. 03/2019 van de Rekenkamer van 29 januari 2019, getiteld “Europees Fonds voor strategische investeringen: er zijn maatregelen nodig om het EFSI echt een succes te maken” (1),

gezien Speciaal verslag nr. 12/2020 van de Europese Rekenkamer van 12 mei 2020, getiteld “De Europese investeringsadvieshub: opgericht om investeringen in de EU te stimuleren, maar impact blijft beperkt”,

gezien het verslag van de Europese investeringsadvieshub voor 2019,

gezien de evaluatie van de Commissie van Besluit nr. 466/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot verlening van een EU-garantie voor verliezen van de Europese Investeringsbank op financieringsverrichtingen van projecten buiten de Unie (SWD(2019)0333), en de samenvatting daarvan (SWD(2019)0334), gepubliceerd op 13 september 2019,

gezien de artikelen 3 en 9 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

gezien de artikelen 15, 126, 174, 175, 208, 209, 271, 308 en 309 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), Protocol nr. 5 bij het VWEU betreffende de statuten van de EIB en Protocol nr. 28 bij het VWEU betreffende economische, sociale en territoriale cohesie,

gezien het reglement van orde van de Europese Investeringsbank,

gezien Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 — het Europees Fonds voor strategische investeringen (2),

gezien het verslag van de Commissie van 28 mei 2019 over het beheer van het Garantiefonds van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) in 2018 (COM(2019)0244),

gezien de driepartijenovereenkomst van september 2016 tussen de Europese Commissie, de Europese Rekenkamer en de Europese Investeringsbank,

gezien zijn resolutie van 10 juli 2020 over de controle van de financiële activiteiten van de Europese Investeringsbank — jaarverslag 2018 (3),

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0215/2021),

A.

overwegende dat de EIB uit hoofde van het Verdrag verplicht is bij te dragen aan de integratie, de economische en sociale cohesie en de regionale ontwikkeling in de EU door middel van specifieke investeringsinstrumenten zoals leningen, aandelen, garanties, risicodelingsfaciliteiten en adviesdiensten;

B.

overwegende dat het hoofddoel van de EIB overeenkomstig artikel 309 VWEU is bij te dragen tot de evenwichtige en gestage ontwikkeling van de interne markt in het belang van de Unie, door de financiering te vergemakkelijken van projecten voor de ontwikkeling van minder ontwikkelde regio’s en projecten van gemeenschappelijk belang voor verschillende lidstaten die van zodanige omvang of aard zijn dat zij niet volledig kunnen worden gefinancierd met de verschillende middelen die in de afzonderlijke lidstaten beschikbaar zijn;

C.

overwegende dat de EIB-groep volgens het Verdrag verplicht is bij te dragen tot integratie en regionale ontwikkeling in de EU, overeenkomstig artikel 309 VWEU en Protocol nr. 28;

D.

overwegende dat de EU sinds de financiële crisis te maken heeft gehad met massale onderinvestering en werd geconfronteerd met een dringende investeringsvraag om het hoofd te kunnen bieden aan de vereiste groene en digitale transformatie van economie en samenleving;

E.

overwegende dat de EIB in november 2019 een nieuw beleid inzake energieleningen en in december 2020 een routekaart voor de klimaatbank heeft goedgekeurd;

F.

overwegende dat de EIB naar verwachting een sleutelrol zal spelen bij de financiering van de Europese Green Deal via het investeringsplan voor een duurzaam Europa;

G.

overwegende dat de EIB naar verwachting een eerlijke groene transitie zal ondersteunen via het mechanisme voor een rechtvaardige transitie;

H.

overwegende dat beleidsdoelstellingen zoals territoriale en sociale cohesie, duurzame ontwikkeling en de bestrijding van (jeugd)werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting centraal moeten staan bij de Bank bij haar taak om bij te dragen tot de evenwichtige en gestage ontwikkeling van de interne mark;

I.

overwegende dat de Bank van 2014 tot 2019 meer dan 100 miljard EUR aan financiering in cohesieregio’s heeft verstrekt;

J.

overwegende dat de EIB overweegt de eerste multilaterale ontwikkelingsbank te worden die is afgestemd op de Overeenkomst van Parijs, en dat de Raad de EIB en de EBWO reeds heeft verzocht deze plannen voor te leggen met het oog op toekomstige besprekingen;

K.

overwegende dat in de due diligence- en contractvoorwaarden van de EIB waarborgen moeten worden opgenomen tegen fraude, waaronder belastingfraude en het witwassen van geld, en tegen het risico van terrorismefinanciering en corruptie;

L.

overwegende dat de EIB buiten de EU een belangrijke rol speelt door zijn externe leenactiviteiten als de grootste multilaterale financiële instelling ter wereld;

M.

overwegende dat de EIB een centrale rol speelt bij de inspanningen van de EU om de uitvoering van de Agenda voor duurzame ontwikkeling te waarborgen;

Voornaamste resultaten van de financieringsactiviteiten van de EIB in 2019

1.

merkt op dat de kredietverlening van de Bank in 2019 een omvang had van 63,3 miljard EUR (waarvan 61,9 miljard EUR uit de eigen middelen van de Bank), hetgeen in overeenstemming is met het streefcijfer van het operationeel plan voor 2019 (63 miljard EUR +/- 10 %) en aanzienlijk hoger is dan het volume van 2018 (55,6 miljard EUR, waarvan 54,3 miljard EUR uit de eigen middelen van de Bank); merkt op dat de totale uitbetalingen in 2019 een omvang hadden van 48,1 miljard EUR (waarvan 47,5 miljard EUR uit de eigen middelen van de Bank), tegenover 52,6 miljard EUR in 2018 (waarvan 51,8 miljard EUR uit de eigen middelen van de Bank); merkt op dat de EIB gezonde financiële resultaten heeft geboekt en voor 2019 een netto-overschot van 2,4 miljard EUR heeft geboekt, tegenover 2,3 miljard EUR in 2018;

2.

neemt kennis van het percentage leningen die een waardevermindering hebben ondergaan, dat eind 2019 0,4 % van de totale kredietportefeuille bedroeg (eind 2018 0,3 %), hoewel de Bank onlangs leningen met een hoger risico heeft verstrekt;

3.

stelt met voldoening vast dat de EIB in 2019 haar jaarlijkse streefcijfer voor leningen in het kader van cohesie van ten minste 30 % van alle nieuwe activiteiten in de EU, de pretoetredingslanden en de EVA-landen heeft gehaald; merkt op dat de EU in 2019 16,13 miljard EUR heeft uitgetrokken voor projecten in EU-cohesieregio’s; benadrukt dat het van cruciaal belang is de regionale ontwikkeling en de doelstellingen van de EU inzake economische en sociale cohesie te blijven ondersteunen overeenkomstig Protocol nr. 28 bij de Verdragen;

4.

neemt er nota van dat in het operationeel plan 2019 van de EIB verwijzingen zijn opgenomen naar de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU en naar de resultaten van de besprekingen over de rol van de EIB in het meerjarig financieel kader 2021-2027; ondersteunt de nadruk op het bedrijfsonderdeel “Speciale activiteiten” met een hoger risico, met inbegrip van projecten in verband met het EFSI en de adviesdiensten, met naar verwachting 530 nieuwe opdrachten in 2019 ter ondersteuning van 35 miljard EUR aan investeringen;

5.

is ingenomen met de nieuwe eigenvermogensstrategie van de EIB-groep, die tot doel heeft investeringstekorten op de aandelenmarkt beter aan te pakken; verzoekt de EIB uitvoering te geven aan de aanbeveling uit de studie “De EIB en het nieuwe missiekader van de EU” om het nemen van grotere risico’s verder te bevorderen door geschikte financiële langetermijninstrumenten met een hoger risico te ontwikkelen die voortbouwen op bestaande risicodelingsmechanismen (bv. EFSI, InnovFin);

6.

is ingenomen met de goedkeuring in 2019 van de nieuwe klimaatrisicobeoordeling (climate risk assessment — CRA), die moet zorgen voor een systematische beoordeling van het fysieke klimaatrisico bij rechtstreekse kredietverlening, zodat de EIB en haar cliënt inzicht krijgen in de wijze waarop de klimaatverandering van invloed kan zijn op het gefinancierde project en corrigerende maatregelen kunnen worden vastgesteld;

7.

is verheugd over de aanneming van een nieuw belastingbeleid in maart 2019, met maatregelen om belastingontwijking tegen te gaan via due diligence-controles op het gebied van fiscale integriteit en een instrumentarium ter bestrijding van belastingontwijking; merkt op dat de EIB niet zal kunnen investeren in landen die voorkomen op de zwarte lijst van de EU van verboden rechtsgebieden, en dat rechtsgebieden die niet aan de eisen voldoen, onderworpen zullen worden aan “verhoogde waakzaamheid”; herhaalt dat een strenger fiscaal zorgvuldigheidsonderzoek moet worden uitgevoerd wanneer belastingparadijzen opduiken in de bedrijfsstructuur van cliënten, promotoren of tussenpersonen;

8.

dringt er bij de EIB op aan om tijdens haar fiscaal zorgvuldigheidsonderzoek met betrekking tot risicogevoelige projecten maximaal gebruik te maken van de instrumenten voor de bestrijding van belastingontwijking die haar ter beschikking staan, en zo nodig gebruik te maken van hervestigingsvereisten; neemt kennis van het herziene AML/CTF-kader (anti-money laundering and countering the financing of terrorism, bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme) van de EIB-groep en verzoekt de EIB haar beleid te actualiseren in het licht van de vijfde antiwitwasrichtlijn, die in januari 2020 in werking treedt, en samen met de betrokken autoriteiten passende sancties voor inbreuken op de wet en strenge normen voor financiële tussenpersonen uit te werken;

9.

stelt vast dat de EIB-klachtenregeling in 2019 84 nieuwe zaken heeft geregistreerd, 173 zaken heeft behandeld en 113 zaken heeft afgesloten; verzoekt de EIB zich te blijven inspannen om het maatschappelijk middenveld in staat te stellen zorgwekkende gevallen te melden, die op doeltreffende en onafhankelijke wijze zullen worden aangepakt; benadrukt het belang van toezicht op de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de aanbevelingen van het klachtenmechanisme; verzoekt de EIB om met concrete maatregelen gevolg te geven aan de bevindingen in het kader van het klachtenmechanisme;

10.

is ingenomen met het feit dat de EIB bezig is met de uitvoering van haar uitsluitingsbeleid en zich ertoe heeft verbonden dit beleid strikt toe te passen door middel van discretionaire uitsluitingsprocedures en schikkingsovereenkomsten; verzoekt de EIB verslag uit te brengen over het aantal en de reikwijdte van de besluiten tot opschorting/onderbreking van betalingen en/of terugvordering van leningen of verzoeken om vervroegde terugbetaling van leningen als gevolg van verboden gedragingen of andere wanpraktijken die van invloed zijn op de gefinancierde activiteiten; verzoekt de EIB verslag uit te brengen over de aard van de financiële steun waarop de vermeende misdragingen betrekking hebben en over de geografische spreiding van dergelijke gevallen, indien zulks wettelijk mogelijk is;

11.

is ingenomen met de update van de EIB-groep over COVID-19 in het financieel verslag 2019 van de EIB, waarin een toelichting wordt gegeven op het noodhulppakket dat in 2020 is goedgekeurd ter ondersteuning van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) en midcap-ondernemingen in de Unie, dat liquiditeitslijnen en garantieregelingen voor banken en programma’s voor de aankoop van door activa gedekte waardepapieren omvat en waarin de oprichting wordt voorgesteld van een Europees Garantiefonds (EGF) dat gericht is op de financiering van steun aan kmo’s; stelt met tevredenheid vast dat de EIB-groep haar bijdrage buiten de EU heeft uitgebreid, met de nadruk op investeringen in de gezondheidszorg en de particuliere sector; dringt er bij de EIB op aan van ondernemingen die steun ontvangen uit het EGF of uit andere financieringsprogramma’s die zijn opgezet om de COVID-19-crisis aan te pakken, te verplichten bij te dragen aan het realiseren van de door de Commissie in het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten voorgestelde streefcijfers voor 2030, alsook om te voldoen aan sociale en milieuvoorwaarden, waaronder de aanneming van decarbonisatieplannen, zodat zij weerbaarder worden, en af te zien van de uitkering van dividenden en bonussen voor het hogere management en de terugkoop van aandelen;

12.

is in dit verband verheugd over het kmo-onderdeel in het InvestEU-fonds; benadrukt dat de nadruk moet komen te liggen op langetermijnfinanciering, met name door steun te verlenen aan projecten die anders niet zouden worden gefinancierd, in het bijzonder van innovatieve startersbedrijven en kmo’s; benadrukt evenwel dat de financieringsactiviteiten van de EIB geen vervanging vormen voor een duurzaam begrotingsbeleid in de lidstaten; verzoekt de EIB meer te investeren in baanbrekende innovaties, met name voor de groene transitie, met als doel Europese bedrijven te ondersteunen;

13.

verzoekt de EIB om middelen uit te trekken voor het aanpakken van de technologische transitie, het ondersteunen van de ontwikkeling van vaardigheden die zijn aangepast aan de huidige en toekomstige behoeften van de arbeidsmarkt, het verder investeren in de digitale vaardigheden van werknemers en ondernemers, digitale infrastructuur en capaciteitsopbouw voor digitalisering, het verstrekken van middelen voor onderzoek en innovatie op lange termijn en kmo’s, het ondersteunen van de sociale economie en het verbeteren van sociale en territoriale cohesie, met name door actuele investeringslacunes op het gebied van sociale huisvesting en infrastructuur te dichten;

14.

wijst op de verschillende economische situaties en capaciteiten van de lidstaten en onderstreept het belang van een rechtvaardige transitie om de zwaarst getroffen regio’s en landen te helpen zich aan te passen aan de op handen zijnde veranderingen en ervoor te zorgen dat niemand aan zijn lot wordt overgelaten; onderstreept dat er proactief steun moet worden verstrekt aan gebieden waar de werkgelegenheid momenteel afhankelijk is van bedrijfstakken met een hoge uitstoot, onder meer middels aanzienlijke investeringen in opleidingen en alternatieve economische kansen, met als doel hoogwaardige banen te garanderen en zo te zorgen voor een soepele overgang; is van mening dat samenhang en coördinatie met andere EU-financieringsinstrumenten in dit opzicht van cruciaal belang zullen zijn;

15.

herinnert aan het genderactieplan, dat is goedgekeurd om richting te geven aan de uitvoering van de genderstrategie van de EIB en om de bevordering van gendergelijkheid te integreren in het bedrijfsmodel van de EIB; verzoekt de EIB verslag uit te brengen over de vooruitgang die in de eerste fase van het actieplan is geboekt, met betrekking tot doelstellingen zoals het herzien van het zorgvuldigheidskader om de gevolgen en risico’s van EIB-investeringen voor vrouwenrechten aan te pakken, het waarborgen van gelijke toegang tot de voordelen van EIB-investeringen, en het investeren in de participatie van vrouwen in de economie en de arbeidsmarkt;

Werking en doeltreffendheid van het EFSI

16.

herinnert eraan dat het EFSI een andere bestuursstructuur heeft dan de EIB en dat zijn investeringsverrichtingen plaatsvinden binnen twee thematische gebieden, namelijk het door de EIB beheerde venster infrastructuur en innovatie en het door het Europees Investeringsfonds (EIF) beheerde kmo-venster;

17.

neemt kennis van de resultaten die zijn gepresenteerd in het verslag 2019 van de Europese investeringsadvieshub; is verheugd over het positieve effect van de European Investment Advisory Hub (EIAH); roept op tot verdere versterking van de interne financiële en adviescapaciteiten van de EIB om een langdurige inzet te waarborgen voor de uitvoering en de financieringshorizon op lange termijn van EU-missies zoals het uitbannen van kanker, aanpassing aan klimaatverandering, het waarborgen van een eerlijke overgang in de regio’s die het meest getroffen zijn door de transformaties ten gevolge van de Green Deal, bescherming van onze oceanen, leven in groenere steden en het waarborgen van de gezondheid van bodem en voedsel; is ingenomen met het feit dat de EIB, in het kader van de follow-up van de aanbevelingen van de Rekenkamer, in juli 2019 haar “Study in response to ECA Recommendation 5: improving the geographical spread of EFSI supported investment” heeft gepresenteerd: neemt kennis van de conclusies van deze analyse; wijst erop dat hieruit blijkt dat de EIB en de Commissie aanzienlijke inspanningen hebben geleverd ter facilitering van een evenwichtigere geografische spreiding van EFSI-investeringen om bij te dragen tot duurzame economische convergentie op lange termijn in de gehele Unie;

18.

verzoekt de EIB de geografische spreiding van de EIB-financiering evenwichtiger te maken, in overeenstemming met haar rol in het waarborgen van territoriale en sociale cohesie; verzoekt de EIB tekortkomingen aan te pakken die bepaalde regio’s of lidstaten beletten ten volle gebruik te maken van haar financiële instrumenten;

19.

dringt aan op versterking van de technische bijstand en de financiële expertise van lokale en regionale overheden vóór de goedkeuring van projecten, met name in regio’s met een geringe investeringscapaciteit, teneinde de toegankelijkheid te verbeteren; pleit voor intensievere samenwerking met nationale stimuleringsbanken en -instellingen;

De rol van de EIB bij de financiering van de Europese Green Deal

20.

herinnert eraan dat de raad van bestuur van de EIB in november 2019, in overeenstemming met de politieke ambitie van de Europese Green Deal, heeft besloten het niveau van de klimaat- en milieuverbintenissen voor de EIB-groep te verhogen, met als doel de EIB om te vormen van “een EU-bank die het klimaat ondersteunt” tot “de EU-klimaatbank”, en heeft toegezegd het aandeel van de EIB-financiering dat aan klimaatactie en milieuduurzaamheid is gewijd, geleidelijk te zullen verhogen tot 50 % van de verrichtingen in 2025 en alle financieringsactiviteiten vanaf eind 2020 af te zullen stemmen op de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; is verheugd over de vaststelling van de klimaatroutekaart; verzoekt de EIB na te gaan of projecten die reeds vóór november 2020 op stapel stonden, stroken met de doelstelling van klimaatneutraliteit tegen 2050, met inachtneming van de bedrijfscontinuïteit, ongeacht de geplande overgangsperiode waarin is voorzien tot eind 2022;

21.

is verheugd over het feit dat de EIB gebruikmaakt van geleidelijk stijgende schaduwkosten van koolstof als onderdeel van de algemene aanpak om ervoor te zorgen dat de activiteiten van de EIB in overeenstemming zijn met de 1,5 oC-doelstelling, en tegelijkertijd te zorgen voor een rechtvaardige transitie naar een koolstofneutrale economie die niemand aan zijn lot overlaat;

22.

merkt op dat het klimaatprobleem niet kan worden opgelost zonder steun van de industrie, dat grootscheepse veranderingen alleen kunnen worden gerealiseerd als de industrie mee aan boord wordt genomen en als de nodige stimulansen voor innovatieve klimaatoplossingen worden gegeven;

23.

merkt op dat volgens het EIB-duurzaamheidsverslag de absolute emissies van de EIB-portefeuille in 2019 worden geraamd op 3,9 miljoen ton CO2e per jaar, tegen 2,2 miljoen ton CO2e per jaar in 2018; merkt op dat de totale verminderde of vermeden emissies ten gevolge van dezelfde financiering worden geraamd op 3,1 miljoen ton CO2e per jaar in 2019, tegen 3,5 miljoen ton CO2e per jaar in 2018; roept de EIB op meer inspanningen te leveren om de absolute emissies te verminderen; verzoekt de EIB om systematische openbaarmaking van de berekeningen van de broeikasgasvoetafdruk voor alle projecten waarvoor een koolstofvoetafdruk moet worden gemaakt, teneinde de transparantie te vergroten;

24.

is ingenomen met het in november 2019 door de raad van bestuur van de EIB overeengekomen beleid inzake kredietverlening op energiegebied, en met name met het besluit om de financiering van energieprojecten op basis van fossiele brandstoffen stop te zetten; merkt echter op dat gasinfrastructuurprojecten die zijn opgenomen in de vierde lijst van projecten van gemeenschappelijk belang en gasprojecten die op 14 november 2019 reeds in behandeling zijn, tot eind 2021 niet van EIB-financiering zijn uitgesloten; benadrukt dat deze projecten kunnen worden gefinancierd zolang zij bijdragen aan de taak van de EIB om een rechtvaardige transitie en een evenwichtige ontwikkeling in de EU te faciliteren; merkt op dat de EIB in 2019 voor 685 miljoen EUR financiering heeft verstrekt aan de transmissie en distributie van aardgas; verzoekt de EIB potentiële risico’s in verband met de lock-in van koolstofintensieve activa te beoordelen en aan te pakken;

25.

herinnert de EIB aan het verzoek van het Parlement om toe te lichten hoe de trans-Anatolische aardgaspijpleiding en de trans-Adriatische pijpleiding uiterlijk eind 2020 in overeenstemming zullen worden gebracht met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; merkt op dat het project is onderworpen aan een onderzoek van de Europese Ombudsman (4) naar aanleiding van het feit dat de EIB voor beide projecten geen behoorlijke klimaateffectbeoordeling heeft uitgevoerd; dringt er bij de EIB op aan alle tekortkomingen in de milieueffectbeoordeling te verhelpen en met voorrang te werken aan de aanpak van negatieve milieu-, klimaat- en sociale gevolgen;

26.

merkt op dat in het kader van het huidige energieleningenbeleid gasgestookte elektriciteitscentrales en gasnetwerkprojecten die gepland zijn om koolstofarm gas te transporteren, in aanmerking komen onder de voorwaarde dat daarvoor een “geloofwaardig plan” bestaat, met inbegrip van een emissietraject dat in de financieringsovereenkomst van de EIB moet worden opgenomen; verzoekt de EIB ervoor te zorgen dat de criteria op grond waarvan deze plannen als geloofwaardig kunnen worden beschouwd, in overeenstemming zijn met haar opdracht om bij te dragen tot een rechtvaardige transitie, teneinde het risico te vermijden dat gasprojecten worden gesteund die niet in overeenstemming zijn met de klimaatdoelstellingen; merkt op dat de EIB begin 2022 een tussentijdse evaluatie zal uitvoeren van het beleid inzake energieleningen;

27.

wijst erop dat de EIB in 2019 verscheidene waterkrachtprojecten heeft gesteund; is ingenomen met de “Environmental, Climate and Social Guidelines on Hydropower Development”; is ingenomen met het feit dat de EIB momenteel bezig is met het actualiseren van haar rapportagevereisten voor via intermediairs verstrekte leningen om ervoor te zorgen dat tegenpartijen de Overeenkomst van Parijs en de EU-taxonomie voor duurzame financiering naleven, en met een herziening van haar kader voor ecologische en sociale duurzaamheid; benadrukt dat deze nieuwe vereisten moeten zorgen voor een grotere transparantie van EIB-verrichtingen waarbij financiële tussenpersonen betrokken zijn, teneinde mogelijke negatieve gevolgen voor het milieu of de mensenrechten van waterkrachtprojecten zowel binnen als buiten de EU vast te stellen en te voorkomen, waarbij de toegang tot financiering voor kmo’s gevrijwaard moet worden;

28.

wijst erop dat de EIB-groep beschikt over een milieu- en sociaal kader, is ingenomen met het feit dat de EIB verslag uitbrengt over ecologische, sociale en economische effecten, en de screening van ecologische en sociale effecten zowel vooraf als achteraf evalueert; spreekt zijn bezorgdheid uit over het risico van financiering door de EIB en het EIF van koolstofintensieve activiteiten via financiële tussenpersonen; roept de EIB-groep op om de naleving van bindende criteria op het gebied van milieu, maatschappij, bestuur en eerlijke belastingheffing verder te monitoren als onderdeel van de komende richtsnoeren inzake de naleving door tegenpartijen, met inbegrip van lijsten van activiteiten waarvoor beperkingen gelden en de eis dat cliënten duidelijke en bindende plannen voor het koolstofarm maken van de economie moeten hebben, in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs, waarbij de toegang tot financiering voor kmo’s gevrijwaard moet worden;

29.

onderstreept dat de financiële behoeften van landbouwers, met name jonge landbouwers en nieuwkomers, aanzienlijk zijn en dat landbouwers en bedrijven in deze sector minder succesvol zijn wanneer zij financiering aanvragen; verzoekt de EIB te werken aan financieringsinitiatieven die de toegankelijkheid tot financiering voor de landbouwsector zullen verbeteren;

30.

wijst erop dat de EIB-Groep steeds actiever wordt in de landbouwsector; benadrukt dat de EIB-financiering plattelandsgemeenschappen moet ondersteunen en de overgang van de landbouwsector overeenkomstig de Europese beleidsdoelstellingen, onder meer met meer respect voor dierenwelzijn, en dat zij niet mag bijdragen aan een veebezetting die de draagkracht van het land te boven gaat;

31.

neemt er nota van dat de financiering die in 2019 binnen de Unie is verstrekt voor vervoer, hoger was dan in 2018 (9 325 miljoen EUR tegenover 8 237 miljoen EUR in 2018) en dat de inkrimping van de financiering voor wegen en autosnelwegen werd gecompenseerd door een toename van de financiering voor spoorwegen en luchtvervoer; benadrukt dat het van belang is het beleid inzake leningen voor vervoer en de vervoersportefeuille van de EIB af te stemmen op de routekaart van de Klimaatbank, in het bijzonder wat betreft het koolstofvrij maken van de vervoerssector tegen 2050, maar ook op de komende strategie van de Commissie voor duurzame en slimme mobiliteit als antwoord op de nieuwe Europese Green Deal, en op andere terreinen van het EU-vervoersbeleid, en tegelijkertijd te zorgen voor een rechtvaardige transitie en een evenwichtige sociale en territoriale ontwikkeling; is ingenomen met de toezegging van de EIB om de bestaande uitbreiding van de luchthavencapaciteit en haveninfrastructuur voor het vervoer en de opslag van fossiele brandstoffen niet te financieren; roept ertoe op om in het kader van het beleid de lock-in van koolstofintensieve activa te voorkomen en steun te verlenen voor een verschuiving tussen de verschillende vervoerswijzen naar een koolstofvrije mobiliteit voor zowel vracht als passagiers in steden en tussen steden, zoals het spoor, veilige fietsen en schoon openbaar vervoer, met name voor gemeenschappen en plaatsen met een lage dekkingsgraad, en voor elektrificatie-infrastructuur op basis van hernieuwbare energiebronnen;

32.

is ingenomen met de voortrekkersrol van de EIB op de markt voor groene obligaties in 2019 door de uitgifte van 4,1 miljard EUR aan klimaatobligaties (Climate Awareness Bonds, CAB’s) en duurzaamheidsobligaties (Sustainability Awareness Bonds, SAB’s); benadrukt het belang van transparante en geloofwaardige documentatie en van het traceren van opbrengsten die ten grondslag liggen aan CAB’s en SAB’s, en om te zorgen voor consistentie met de EU-taxonomie voor duurzame financiering en de komende EU-norm voor groene obligaties;

33.

is ingenomen met de aanstaande herziening van het milieu- en sociaal kader van de EIB en de ontwikkeling van instrumenten voor het beheer van klimaat-, milieu- en sociale risico’s ter beoordeling van fysieke, transitie- en systeemrisico’s; roept de EIB op ervoor te zorgen dat dit uiterlijk eind 2021 afgerond is; is ingenomen met de toezegging van de EIB om het criterium van “geen ernstige afbreuk doen” van Verordening (EU) 2020/852 (5) als basis te nemen en strengere normen vast te stellen wanneer dit gerechtvaardigd is;

Verrichtingen van de EIB buiten de EU

34.

wijst erop dat het belangrijkste mandaat voor EIB-verrichtingen buiten de Unie het mandaat voor externe leningen is (External Lending Mandate, ELM), op grond waarvan de EIB-verrichtingen in de periode 2014-2020 worden gedekt door een speciaal garantiefonds, met een plafond van 32,3 miljard EUR, dat de EIB een rechtsgrondslag en een garantie biedt tegen verliezen in het kader van financieringsverrichtingen in 68 in aanmerking komende landen buiten de EU; merkt op dat de Commissie heeft voorgesteld het ELM niet in zijn huidige vorm voort te zetten; neemt kennis van de instelling van de EFSD+-garantie (Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling+), waarmee nieuwe EIB-mandaten mogelijk worden gemaakt;

35.

is ingenomen met de steun die de EIB in 2019 heeft verleend bij de opstelling van het mechanisme voor een rechtvaardige transitie, dat bijstand biedt aan gebieden en regio’s die het zwaarst door de transitie naar een klimaatneutrale economie worden getroffen, met name gebieden en regio’s die het minst in staat zijn om de kosten van de transitie te dragen; benadrukt het belang van de EIB voor de tenuitvoerlegging van het mechanisme in de komende jaren, waarbij zij ervoor moet zorgen dat geen enkele regio achterblijft;

36.

wijst erop dat het ontwikkelingsbeleid van de Unie zal worden uitgevoerd via het nieuwe instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI), waarvan de EIB de belangrijkste uitvoerder is; maakt zich echter zorgen over het gebruik van EU-ontwikkelingsfondsen voor het afbouwen van risico’s van particuliere investeringen, aangezien niet is aangetoond dat deze geschikt zijn om additionaliteit te bewerkstelligen en ontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken, zoals onlangs is gerapporteerd in de eindevaluatie van het EFDO en in advies nr. 7/2020 van de Europese Rekenkamer van 11 september 2020; benadrukt dat donoren prioriteit moeten geven aan op subsidies gebaseerde financiering als standaardoptie, met name ten aanzien van de minst ontwikkelde landen, om te voorkomen dat de schuldenlast toeneemt;

37.

wijst er nogmaals op dat de externe verrichtingen van de EIB geacht worden bij te dragen tot de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van de EU, tot de bevordering van de duurzame economische, sociale en ecologische ontwikkeling van de ontwikkelingslanden, en met name van de meest kansarme ontwikkelingslanden, en tot de naleving van de door de Unie goedgekeurde doelstellingen; beschouwt het uitbannen van armoede, het mobiliseren van binnenlandse middelen en de mensenrechten als kernthema’s binnen de EU-structuur voor ontwikkelingsfinanciering; herinnert eraan dat de inzet van belanghebbenden de hoeksteen vormt van een duurzame en inclusieve ontwikkeling;

38.

merkt op dat de EIB gebonden is door het Handvest van de grondrechten van de EU; benadrukt dat mensenrechtenbeginselen zijn opgenomen in haar due diligence-procedures en -normen op projectniveau, onder meer door de mogelijkheid betalingen op te schorten in geval van ernstige schendingen van de mensenrechten of sociale en milieunormen; stelt vast dat de klachtenregeling eind 2018 is versterkt; verzoekt de EIB ervoor te zorgen dat haar klachtenmechanisme gemakkelijk toegankelijk, snel en doeltreffend is, zodat mogelijke mensenrechtenschendingen in het kader van projecten waarbij de EIB betrokken is, worden opgespoord en verholpen; verzoekt de EIB hierover verslag uit te brengen aan het Parlement en de Raad van Gouverneurs;

39.

verzoekt de EIB de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties volledig te ondersteunen door haar activiteiten in het kader van specifieke mandaten die zijn vastgesteld door de Raad en het Europees Parlement;

Governance, transparantie en aflegging van verantwoording bij de EIB

40.

wijst nogmaals op het belang van ethiek, integriteit, transparantie, communicatie en aflegging van verantwoording bij de EIB-groep, in al haar verrichtingen en beleid;

41.

uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan transparantie van de verrichtingen van de EIB via financiële intermediairs zoals commerciële banken en investeringsfondsen; benadrukt de noodzaak om de economische en sociale impact van via intermediairs verstrekte leningen te beoordelen door informatie over de uiteindelijke begunstigden beschikbaar te stellen; verzoekt de EIB om standaardrapportageverplichtingen vast te stellen met de financiële intermediairs en door de eindbegunstigden, waar nodig met inachtneming van de vertrouwelijkheidsovereenkomsten tussen de financiële intermediair en de eindbegunstigde, maar met een gedegen structuur voor het verzamelen van gegevens en informatie;

42.

uit zijn ernstige bezorgdheid over de beschuldigingen tegen de EIB van intimidatie en seksuele intimidatie op het werk, straffeloosheid voor wie zich aan intimidatie schuldig maakt, ontevredenheid van werknemers, tekortkomingen in aanwervingsprocedures voor hoger personeel en een gebrek aan functionerende inspraak van werknemers in het bestuur; verzoekt de EIB ervoor te zorgen dat alle vermeende gevallen van intimidatie onafhankelijk worden onderzocht en te zorgen voor transparantie ten aanzien van de resultaten van eerdere en lopende onderzoeken en de toegepaste sancties, teneinde het vertrouwen te herstellen en een verantwoordingscultuur te creëren; verzoekt de EIB de resultaten van onderzoeken naar de tevredenheid van het personeel over de periode 2010-2021 openbaar te maken; dringt aan op een onafhankelijke beoordeling van de transparantie en kwaliteit van de aanwervingsprocedures voor hogere, leidinggevende, professionele en administratieve functies bij de EIB; verzoekt de EIB om met een actieplan te komen om het vertrouwen tussen het management en personeel te herstellen en de inspraak van werknemers in de besluitvorming te versterken;

43.

uit zijn bezorgdheid over berichten dat verschillende voormalige vicevoorzitters in dienst zijn getreden bij entiteiten die banden hebben met de EIB zonder een afkoelingsperiode in acht te nemen; betreurt het feit dat dergelijke praktijken niet strikt worden gereguleerd en verboden door de gedragscode van de EIB; betreurt dat de lopende herziening van het beleid ten aanzien van de periode na uitdiensttreding nog niet is afgerond, en benadrukt dat strengere regels moeten worden toegepast; verzoekt de EIB haar beleid ten aanzien van de periode na uitdiensttreding af te stemmen op dat van de Commissie en vergelijkbare instellingen;

44.

uit zijn bezorgdheid over het feit dat de vicevoorzitters, naast andere landen, nog steeds verantwoordelijk zijn voor hun land van herkomst, hetgeen tot belangenconflicten kan leiden; roept de EIB op gevolg te geven aan het verzoek van het Parlement om een bepaling op te nemen in de gedragscode van de directie op grond waarvan leden van de directie geen toezicht mogen houden op leningen voor of de uitvoering van projecten in hun land van herkomst;

45.

is ingenomen met het besluit van de EIB van 6 februari 2019 tot vaststelling van interne regels voor de verwerking van persoonsgegevens door de afdeling Fraudeonderzoek binnen het inspectoraat-generaal en het bureau van het hoofd Naleving; benadrukt dat op het gebied van naleving door bedrijven voldoende middelen moeten worden uitgetrokken voor controle en monitoring van externe activiteiten, belangenconflicten, aanbestedingen en geschenken;

46.

betreurt het aanhoudende gebrek aan diversiteit en genderevenwicht op het niveau van het hoger management en binnen de bestuursorganen van de EIB-groep, alsook het zeer hoge percentage vrouwen in ondersteunende functies; merkt op dat de Bank het streefdoel heeft vastgesteld om het percentage vrouwelijke managers uiterlijk in 2021 te verhogen tot 33 %, het percentage vrouwen in het hogere management tot 40 %, en het percentage vrouwen op uitvoerend niveau tot 50 %; dringt er bij de EIB op aan haar inspanningen ter bevordering van genderevenwicht op alle personeelsniveaus op te voeren; dringt er bij de EIB op aan de lidstaten die vicevoorzitters voordragen, aan te moedigen om ook rekening te houden met de doelstellingen inzake diversiteit en genderevenwicht; verzoekt de EIB een adequate vertegenwoordiging van onderdanen uit alle lidstaten binnen haar secretariaat tot stand te brengen en tegelijkertijd de vaardigheden en verdiensten van de kandidaten in acht te nemen; verzoekt de EIB een uitsplitsing naar geslacht en nationaliteit van het middenkader en hogere leidinggevende functies te publiceren;

47.

betreurt het dat de EIB nog steeds geen volledige openheid van zaken geeft over de uiteindelijke begunstigden van haar cliënten; benadrukt dat in sommige gevallen de gegevens van de betrokken marktdeelnemers niet worden meegedeeld door de promotoren of financiële intermediairs; benadrukt dat de bekendmaking van ontvangers en hun uiteindelijke begunstigden in overeenstemming is met het bestaande rechtskader; herinnert er echter aan dat de lidstaten de mogelijkheid hebben om in uitzonderlijke omstandigheden te voorzien in uitzonderingen op de openbaarmaking via de registers van informatie over uiteindelijk begunstigden en op toegang tot dergelijke informatie; verzoekt de EIB de beschikbare instrumenten te gebruiken en de normen uit hoofde van de vijfde antiwitwasrichtlijn toe te passen om deze gegevens toegankelijk te maken; verzoekt de Bank te onderzoeken welke maatregelen kunnen worden genomen in geval van ongerechtvaardigde weigering door een rechtsgebied om deze informatie te verstrekken; herhaalt dat de afdeling Naleving van het EIF en het bureau van het hoofd Naleving van de EIB moeten samenwerken om te zorgen voor samenhang bij de ontwikkeling en uitvoering van het beleid van de EIB-groep op het gebied van AML/CFT;

48.

verzoekt de EIB op haar website gegevens over de uiteindelijk begunstigden van haar cliënten te publiceren om de zichtbaarheid van haar verrichtingen te vergroten en bij te dragen tot het voorkomen van gevallen van corruptie en belangenverstrengeling;

49.

verzoekt de EIB de bekendmaking van fiscale en boekhoudkundige gegevens per land en de publicatie van informatie over de uiteindelijk begunstigden en de financiële tussenpersonen die bij de financieringsverrichtingen zijn betrokken, als voorwaarden te stellen voor de verstrekking van directe en indirecte leningen;

50.

verzoekt de EIB de in 2019 gestarte herziening van het antifraudebeleid van de EIB-groep af te ronden, overeenkomstig de verzoeken van het Parlement; is ingenomen met de intensieve dialoog tussen de EIB en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) over de actualisering ervan; verzoekt de EIB gebruik te maken van de ondersteunende rol van OLAF, versterkt door de nieuwe fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie (CAFS) die in april 2019 is aangenomen; is nog altijd van mening dat het mandaat van het Europees Openbaar Ministerie de vervolging moet omvatten van criminele activiteiten die van invloed zijn op de EIB-financiering;

51.

wijst nogmaals op het belang van de betrokkenheid van relevante nationale, regionale en lokale belanghebbenden, waaronder klimaatdeskundigen, vakbonden, actoren uit het maatschappelijk middenveld, vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, kmo’s en de academische wereld, bij de beoordeling van het effect van investeringen, onder meer door middel van transparante communicatie, en op het belang van het beoordelen van de behoeften en verwachtingen van de mensen voor wie het project gevolgen heeft; benadrukt dat alle belanghebbende gemeenschappen moeten worden geraadpleegd, dat het overleg toegankelijk moet zijn voor kwetsbare groepen, moet zijn toegesneden op de afzonderlijke behoeften van de belanghebbenden en gedurende de gehele levenscyclus van het project moet worden voortgezet; dringt aan op naleving van het beginsel van vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming van alle getroffen gemeenschappen (naast de inheemse bevolking) in het geval van investeringen op basis van land en natuurlijke hulpbronnen; verzoekt de EIB verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging van bovenstaande beginselen; is ingenomen met de raadpleging van belanghebbenden door de Bank over geselecteerde beleidsmaatregelen, zoals bepaald in artikel 7, leden 10 en 11, van het transparantiebeleid van de EIB-groep;

52.

verzoekt de EIB bij grootschalige infrastructuurprojecten rekening te houden met alle risico’s voor het milieu en alleen projecten te financieren waarvan is aangetoond dat ze meerwaarde hebben, zowel voor de plaatselijke bevolking als uit milieu-, sociaal en economisch oogpunt; benadrukt dat het belangrijk is om mogelijke risico’s van corruptie en fraude zorgvuldig te monitoren en nauwgezette ex-ante- en ex-postbeoordelingen van de te financieren projecten uit te voeren;

53.

herinnert eraan dat in artikel 287, lid 3, VWEU de controlebevoegdheden van de Rekenkamer met betrekking tot de EIB worden beschreven; brengt in herinnering dat de Rekenkamer bevoegd is om de activiteiten van de EIB te controleren in het kader van haar beheer van de uitgaven en ontvangsten van de Unie; wijst er nogmaals op dat het Comité ter controle van de boekhouding van de EIB uit hoofde van artikel 12 van Protocol nr. 5 (statuten van de EIB) bevoegd is om het aandelenkapitaal van de EIB te controleren; merkt op dat dit betekent dat de Rekenkamer geen volledig beeld kan geven van de verhouding tussen de verrichtingen van de EIB-groep en de begroting van de Unie; herinnert eraan dat volgens artikel 308, lid 3, VWEU de Raad het Protocol betreffende de statuten van de EIB bij eenvoudig besluit mag wijzigen zonder een volledige herziening van het Verdrag; wijst op het toegenomen belang in het nieuwe meerjarig financieel kader van EU-garanties en andere door de EIB beheerde financieringsinstrumenten; verzoekt de Raad daarom artikel 12 van Protocol nr. 5 te wijzigen teneinde de Rekenkamer een rol te geven bij het controleren van het aandelenkapitaal van de EIB; merkt op dat de huidige tripartiete overeenkomst tussen de Commissie, de EIB en de Rekenkamer over de controles van door de Uniebegroting gefinancierde of gedekte verrichtingen in 2020 is afgelopen; verzoekt de Commissie, de Rekenkamer en de EIB met klem de rol van de Rekenkamer te bevorderen en haar controlebevoegdheden ten aanzien van de activiteiten van de EIB verder te versterken bij de verlenging van de tripartiete overeenkomst betreffende het reglement van orde;

54.

verzoekt de EIB-groep en de Commissie een begin te maken met de herziening van de bepalingen van de financiële en administratieve kaderovereenkomst (FAFA) van mei 2014, waarin de regels worden vastgesteld voor de centraal beheerde EU-instrumenten die aan de EIB-groep zijn toevertrouwd;

55.

verzoekt de EIB samen met de Commissie te onderzoeken hoe het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting (EDES) en het uitsluitingsbeleid van de EIB kunnen worden gecoördineerd om synergieën tot stand te brengen en te garanderen dat kritieke situaties die van invloed zijn op de verrichtingen van de EIB en de financiële belangen van de Unie, volledig worden gedekt;

56.

neemt kennis van de goedkeuring in maart 2019 van het klokkenluidersbeleid van de EIB-groep en neemt nota van de naleving van de algemene beginselen en normen die zijn opgenomen in Richtlijn (EU) 2019/1937 (6), die op een later tijdstip in werking is getreden; betreurt dat het beleid alleen van toepassing is op gevallen van interne klokkenluiders; verwacht dat het EIB-beleid inzake de bescherming van klokkenluiders ambitieus is en strenge normen omvat; dringt er bij de EIB op aan om rekening te houden met zowel interne als externe klokkenluiders, en duidelijke en welomschreven procedures, termijnen en richtsnoeren vast te stellen om klokkenluiders zo goed mogelijk te adviseren en hen te beschermen tegen eventuele represailles;

57.

verzoekt de EIB haar communicatiestrategie te verbeteren; acht het, aangezien de EIB ’s werelds grootste donor en multilaterale leningnemer is, van essentieel belang dat zij duidelijk en met relevante informatie communiceert over haar missie en haar status en dat zij zich richt op een breed scala aan doelgroepen;

58.

neemt nota van de verdere toename van het aantal beschuldigingen dat in 2019 aan de onderzoeksafdeling van de EIB is gemeld, met 228 nieuwe beschuldigingen (184 in 2018), waarvan 69 % afkomstig was van personeelsleden en 30 % van externe bronnen, waaronder projectgerelateerde partijen, het maatschappelijk middenveld en de media; wijst erop dat 59 % van de onderzoeksacties betrekking heeft op fraudegevallen, gevolgd door corruptie (15 %) en samenspanning (6 %), en dat meer dan een derde van de onderzochte beschuldigingen verband houdt met de vervoersector;

59.

merkt op dat in 2019 van de 220 afgeronde zaken er 40 werden onderbouwd, wat neerkomt op 18 % van de afgeronde zaken, en resulteerden in hetzij verwijzingen naar bevoegde autoriteiten, hetzij aanbevelingen aan de diensten van de EIB-groep; merkt tevens op dat 62 % van deze zaken (25 van de 40) werden doorverwezen naar OLAF; verzoekt de EIB verslag uit te brengen over de resultaten van de ondernomen acties, met inbegrip van, indien beschikbaar, bedragen die werden teruggevorderd;

60.

verzoekt de EIB de proactieve transparantie te vergroten door niet-vertrouwelijke documenten tijdig openbaar te maken in een gebruikersvriendelijke databank; herhaalt zijn oproep aan de EIB om in haar werk uit te gaan van principiële openbaarmaking in plaats van principiële vertrouwelijkheid;

61.

verzoekt de EIB-groep haar aflegging van verantwoording te verbeteren; dringt aan op een memorandum van overeenstemming tussen de EIB en het Parlement om de toegang van het Parlement tot documenten en gegevens van de EIB met betrekking tot strategische richtsnoeren en financieringsbeleid te verbeteren, teneinde de aflegging van verantwoording door de Bank te versterken; stelt een driemaandelijkse dialoog met de relevante commissies van het Parlement voor, zodat zij inspraak kunnen hebben in de investeringsstrategie van de EIB en adequaat toezicht kunnen uitoefenen; benadrukt het belang van een grotere controle van het Parlement op de besluiten van de raad van bestuur van de EIB; vraagt om een betere informatie-uitwisseling van de Commissie teneinde haar transparantie ten opzichte van het Parlement over de standpunten die zij inneemt in de raad van bestuur van de EIB, te vergroten; herhaalt zijn verzoek om openbaarmaking van de adviezen die de Commissie in het kader van de procedure van artikel 19 van de EIB-statuten heeft uitgebracht over de financieringsverrichtingen van de EIB, zodat kan worden nagegaan of deze in overeenstemming zijn met de desbetreffende EU-wetgeving en het EU-beleid; verzoekt de Commissie en de EIB een akkoord te bereiken om volledige transparantie over dergelijke adviezen en de daaraan ten grondslag liggende redenen te waarborgen voor zover dat wettelijk mogelijk is;

62.

dringt aan op tijdige publicatie van de volledige agenda’s en notulen van de vergaderingen van de directie en de raad van bestuur; onderstreept dat het toekomstige transparantiebeleid sterkere transparantievereisten moet omvatten voor al haar verrichtingen alsook de eis dat initiatiefnemers van projecten milieueffectbeoordelingen en aanverwante documenten openbaar maken, door strikte transparantieverplichtingen op te nemen in de specifieke contractuele clausules die met alle cliënten van de EIB worden ondertekend; verzoekt de EIB vaker diepgaande en alomvattende informatie te publiceren over de financiële tussenpersonen die verantwoordelijk zijn voor het mobiliseren van EIB-financiering, en vraagt de EIB eveneens contractuele clausules op te nemen over verplichte informatieverstrekking door die instellingen over hun kredietverleningsactiviteiten;

Follow-up van de aanbevelingen van het Parlement

63.

verzoekt de EIB verslag te blijven uitbrengen over de stand van zaken ten aanzien van eerdere aanbevelingen die het Parlement in zijn jaarlijkse resoluties heeft gedaan, met name inzake:

a)

de effecten (economisch, ecologisch en sociaal) van haar investeringsstrategie en de bereikte resultaten om bij te dragen tot de evenwichtige en gestage ontwikkeling van de interne markt in het belang van de Unie,

b)

de maatregelen die zijn genomen om de preventie van belangenconflicten te verbeteren,

c)

de maatregelen ter versterking van de transparantie in het kader van de zorgvuldigheidstoetsing ten aanzien van cliënten om belastingontwijking, fraude en corruptie te voorkomen,

d)

de maatregelen die zijn genomen om gevolg te geven aan de oproepen en verzoeken die in het kader van deze resolutie zijn goedgekeurd;

o

o o

64.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie en verzoekt de Raad en de raad van bestuur van de EIB om een debat te houden over de hierin gepresenteerde standpunten van het Parlement.

(1)  https://www.eca.europa.eu/en/Pages/DocItem.aspx?did=49051

(2)  PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1.

(3)  Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0191.

(4)  Ingediend door milieu-ngo’s CEE Bankwatch Network, Counter Balance, Re: Common en Friends of the Earth Europe.

(5)  Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13.)

(6)  Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB L 305 van 26.11.2019, blz. 17).